CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2012

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

JENEE HALSTEAD “Raised By Wolves” - IAN TYSON “Raven Singer” - RACHAEL SAGE “Haunted By You” - DOWNTOWN RAMBLERS “On The Other Side Of The City” - DREW LANDRY “Sharecropper’s Whine” - 24 PESOS “When The Ship Goes Down” - JAKE LA BOTZ “The Devil Lives In My Throat” - RHETT MILLER “The Dreamer” - THE DUNWELLS “Blind Sighted Faith” - RORY BLOCK “I Belong To The Band, A Tribute To Rev. Gary Davis” - WALT WILKINS “Plenty” - DIVERSE ARTIESTEN “Kin: Songs By Mary Karr & Rodney Crowell” - THE MANNISH BOYS “Double Dynamite” - GRAM PARSONS “GP” en “Grievous Angel” - OMAR & THE HOWLERS “I’m Gone” - TREASA LEVASSEUR “Broad” - LARKIN POE “Thick As Thieves” - DON WILLIAMS “And So It Goes” - DAYNA KURTZ “Secret Cannon Vol. 1” - THE DB’S “Falling Off The Sky” - PAUL THORN “What The Hell Is Goin’ On?” - AUDREY AULD “Resurrection Moon”

 

 

JENEE HALSTEAD “Raised By Wolves” (Continental Song City)

(3,5****)

Wie zich, daarbij blind vertrouwend op z’n gesmaakte eerdere kennismaking met die artieste, de nieuwe van zingende liedjesschrijfster Jenee Halstead zou willen aanschaffen, die geven we van hier uit de goede raad mee om tijdelijk toch maar even afstand te nemen van het magistrale “The River Grace” uit 2008 en de daaropvolgende EP “Hollow Bones” en vooraf eens even te beluisteren wat er hem met “Raised By Wolves” precies te wachten staat. De Halstead die daarop aan het werk is, blijkt immers absoluut niet meer de Halstead van haar eerdere platen. Tijdens de opnames van dat door Evan Brubaker geproduceerde album heeft ze zichzelf als het ware heruitgevonden. De al tokkelend op haar gitaar ontstane songs die ze aanvankelijk voor die plaat klaar had, gooide ze naar verluidt op enkele uitzonderingen na ook allemaal overboord. In plaats daarvan ging ze aan het experimenteren op de piano en de ukelele. An sich geen probleem natuurlijk, ware het niet, dat ze die instrumenten nog niet eerder bespeeld had. Ze kon er anderzijds dus ook wel redelijk onbevangen mee aan de slag. En dat hoor je uiteindelijk ook aan de aan die werkwijze ontsproten nieuwe songs. Daarin zoeken Halstead zelf en Brubaker vrijwel voortdurend naar wat aparte klanklandschappen om haar teksten in onder te brengen. En ze gaan daarbij zo ver om ook eerder al aan Halstead gelinkte instrumenten als de banjo en de mandoline samen met ondermeer haar nieuwe speeltje, de ukelele, tal van elektrische gitaren en toetsen aan moderne elektronica te koppelen. Enigszins bevreemdend werkende ritmepatronen, die haar muziek totaal andere richtingen uitsturen dan voorheen. Zo moesten wij bij het beluisteren ervan bijvoorbeeld onwillekeurig denken aan het werk van eigenzinnige tante P.J. Harvey. Daarom, zoals hier hoger al eens aangegeven, vooraf toch maar best even checken dus, deze an sich overigens best wel intrigerende collectie moedige (pop)liedjes rond thema’s als hartzeer, verlangen, liefde en lust. Louter een kwestie van eventuele latere ontgoochelingen te vermijden…

Jenee Halstead, Continental Record Services

 

IAN TYSON “Raven Singer” (Stony Plain / Continental Record Services)

(3,5****)

Zijn mooie stem van weleer, die is al een poosje niet meer, maar een liedje schrijven kan de ondertussen 78-jarige Canadees Ian Tyson natuurlijk nog altijd als de besten. Zijn zo’n jaar of zes geleden onherstelbaar beschadigde stembanden hebben gelukkig immers geen invloed op zijn pen. Wat maakt, dat hij ook op “Raven Singer” weer met veel zin voor detail het oude Westen kan bezingen. Met een zwaar verweerde, bij momenten zelfs wat krassend en bevend aandoende stem houdt hij de herinnering aan ondertussen lang vervlogen tijden levendig. Aan levens tussen paarden en vee onder een open hemel. Aan een in al z’n woestheid toch zoveel eenvoudiger bestaan dan dat van nu. En – Eerlijk is eerlijk! – iets van het klassieke kaliber van een “Navajo Rug”, een “Springtime in Alberta” of een “Summer Wages” zal je tussen de tien songs op “Raven Singer” niet echt meer aantreffen, maar te genieten valt er ook zo alleszins nog meer dan genoeg. Het ruwe van Tysons stem anno nu heeft eigenlijk zelfs best wel iets charmants. Je zou ze een beetje kunnen vergelijken met die van de Kris Kristofferson van de laatste jaren, van wijlen Johnny Cash in z’n nadagen of van oud-Band-held Levon Helm. De stem regeert niet langer alleen, ze ruimt als het ware een weinig plaats voor de door haar bezitter gebrachte verhalen. En die zijn bij Tyson zoals hier hoger al even gesteld nog altijd niet te versmaden. Zijn kijk op de wereld bleef duidelijk wel intact. En dat resulteert hier en daar nog steeds in behoorlijk sterke C&W-momenten. Wij denken dan bijvoorbeeld aan het ons van opzet een weinig aan iets van Shaver herinnerende “Blueberry Susan”, aan het weemoedige “Back To Baja”, aan het voorzichtig twangende “Winterkill” en aan “Rio Colorado”. Dat zijn stuk voor stuk deuntjes, die ons hier alvast nog steeds volop van de “Cowboy Poet” lieten genieten, kapotte stem of niet…

Ian Tyson, Stony Plain Records, Continental Record Services

 

RACHAEL SAGE “Haunted By You” (MPress Records)

(3,5****)

De Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Rachael Sage leverde zopas met “Haunted By You” haar ondertussen tiende en naar ons gevoel ook beste album af. Het betreft daarbij een songcyclus rond het thema passie. Dertien liedjes meer bepaald, stuk voor stuk geschreven kort nadat ze aan een al wat langer durende liefdesrelatie plots een einde zag komen. Sommige daarvan ontstonden naar goede gewoonte weer achter haar piano, sommige nu echter ook op de gitaar. En vooral die uit de laatste categorie wisten ons geregeld heel erg te bekoren. Daarin benadert Sage bij momenten immers het niveau van dames waarmee ze al podia deelde als een Sarah McLachlan, een Ani DiFranco of een Shawn Colvin. Of een Dar Williams ook wel, hier zelf van de partij in de reprise van het mooie, op (ijdele) hoop gebouwde “Invisible Light”. En die Williams is lang niet de enige ons bekende gaste “this time around”. In de guest list stootten we verder ondermeer ook nog op de namen van Mike Visceglia, Todd Sickafoose, Joshua Leonard (Blair Witch Project), Jack Petruzelli (Patti Smith Band), Shane Fontayne, Seth Glier, Counting Crow David Immergluck, Katie Costello en Lucy Woodward. Die droegen elk op hun eigen manier bij tot het welslagen van deze fraaie collectie liedjes, waarin Sage voortdurend heen en weer stuitert tussen hoop, berusting, pijn en nog meer hoop. In nummers als “California”, “The Sequin Song”, “Confession” en andere geeft ze zichzelf zo goed als helemaal bloot. Ze stelt zich daarbij heel erg kwetsbaar op en gidst ons doorheen zowel momenten van pijnlijke eenzaamheid als meer rooskleurig ingevulde, waarop ze voor het eerst weer durft te genieten van haar herwonnen vrijheid. Heel erg innemend allemaal! En met nogal wat materiaal ertussen, dat ook hier zo op de radio kan. En met haar zachte stem en haar veelal net wat meer naar pop dan naar folk overhellende liedjes als voornaamste troeven daarbij zou Sage vervolgens eigenlijk ook hier gemakkelijk op een wat grotere schaal moeten kunnen doorbreken.

Rachael Sage

 

DOWNTOWN RAMBLERS “On The Other Side Of The City” (DTR Music Production)

(4****)

Dat je de namen van Grammy-winnaar Tim O’Brien en fiddler Brittany Haas van het geweldige Crooked Still op de gastenlijst van “On The Other Side Of The City”, de tweede cd van de Zweedse Downtown Ramblers, aantreft is naar ons gevoel absoluut geen toeval. Dat vijftal rond de werkelijk uitstekende zangeres Emelie Junsten staat immers garant voor kwaliteitsmuziek tout court. “Nordic urban bluegrass” noemen ze het zelf. Duidelijk gebaseerd op dat laatste genre, maar evengoed met elementen ontleend aan de Zweedse folk- en poptradities en aan het jazzgenre. En die werkwijze legt de vijf vooralsnog duidelijk geen windeieren. In mei 2009, amper een paar maanden na het verschijnen van hun eersteling werden ze tijdens het prestigieuze European World Of Bluegrass Festival in het Nederlandse Voorthuizen al tot beste Europese bluegrass act uitgeroepen. En dat leidde er op zijn beurt dan weer toe, dat de groep een wild card kreeg voor de International Bluegrass Music Association’s World Of Bluegrass van een jaar later in Nashville. Wat meteen ook de hoger al aangekaarte contacten verklaart. En die renderen op deze tweede! Met Tim O’Brien zowel vocaal als op z’n fiddle present mocht men immers de op ingetogen wijze ergens tussen Americana, bluegrass en folk voet aan de grond zettende valse trage “Be My Baby Still” afwerken en Haas toont zich in goeden doen in het nerveuze, daardoor inderdaad een enigszins urbaan karakter aannemende streepje bluegrass “I’ll Go”, in het volop vaardige vingers etalerende “I Never Planned” en in het wat traditioneler opgevatte “This Town”. In dat laatste solliciteert Junsten trouwens nadrukkelijk naar een plaatsje in het directe kielzog van grote bluegrassdames als een Claire Lynch, een Rhonda Vincent, een Alison Krauss en een Laurie Lewis. Noem het wat ons betreft gerust maar één van de echte hoogtepunten van “On The Other Side Of The City”. Verder ook héél erg mooi: de ballades “After We’re Gone” en “I Will Follow” en het uit hoegenaamd elke porie sprankelende “Singing With The Birds”, waarin Oskar Reuter en Martin Blomberg mogen laten horen op respectievelijk mandoline en banjo meer dan hun mannetje te kunnen staan.

Downtown Ramblers, CD Baby

 

DREW LANDRY “Sharecropper’s Whine” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

“Sharecropper’s Whine” is al het derde album van Drew Landry. Al afgewerkt in 2008 en oorspronkelijk bedoeld als soundtrack bij de documentaire “Last Man Standing” belandde de plaat net als deze laatste geruime tijd in het vergeetboek. Pas nadat de activist Landry met een verbijsterende akoestische versie van zijn eigen “BP Blues” openlijk de monden van heel wat politici in het naar aanleiding van het Deepwater Horizon-debakel in de Golf van Mexico uit de grond gestampte Presidential Oil Spill Committee wist te snoeren groeide plots ook de aandacht in de artiest Landry weer. En dat heeft er uiteindelijk toe geleid, dat de man uit Louisiana nu zelfs ook in Europa een serieuze kans krijgt. Via het Duitse Blue Rose Records verscheen zopas immers een met drie nummers uitgebreide versie van “Sharecropper’s Whine”. En geloof ons vrij, die zal Landry binnen afzienbare tijd fans met bosjes tegelijk gaan opleveren. Mensen die wel eens iets beluisteren van knapen als een Fred Eaglesmith, een Chris Knight, een John Hiatt, een Malcolm Holcombe, een John Mellencamp en aanverwanten nodigen we bij deze alvast graag uit om dit schijfje toch maar vooral niet aan zich voorbij te laten gaan. Wat Landry hier brengt is immers gegarandeerd spek naar hun bek. Enkele wat stevigere, rockende nummers zorgen voor de broodnodige afwisseling, maar de klemtoon ligt toch vooral op wat trager materiaal. En precies daarin blinkt Landry ook uit. Met zijn schuurpapieren stem trekt hij er diepe voren doorheen je gemoed in. En zijn Americana by way of Louisiana is mede dankzij gesmaakte bijdragen van muzikale gasten als een Jason Meaux, een Sam Broussard, een Richard Comeaux, een Jonno Frishberg, een Andrew Duplantis en leden van collectiefjes als Mamou, Ossun Express en de Red Stick Ramblers al even meedogenloos. Apart van sfeer, dat alleszins. Heel erg “down to earth” ook. En met Louisiana overduidelijk in de aderen. Onze luistertips: het ingetogen, als een soort van moderne gospeldeun te interpreteren “Carry My Cross”, het met lekker slidegitaarwerk doortrokken rootsrockertje “Lap Of Luxury”, het van opzet nogal nadrukkelijk aan het werk van The Band herinnerende titelnummer, het mede door een steelbijdrage van Richard Comeaux heerlijk klaaglijk uit de hoek komende “Last Man Standing” en de zwierige zomerse, een weinig op het klassieke “Bring It On Home” geënte cajun-afsluiter “Gone Home”. Bijzonder straffe kost allemaal!

Drew Landry, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

24 PESOS “When The Ship Goes Down” (Ourgate Records)

(4****)

Afgelopen weekend nog uitgebreid aan de borst gedrukt door de feestende kennersmassa op de jaarlijkse Belgische hoogmis van de blues in Peer en nu ook hier! Het Britse 24 Pesos is één van de interessantste nieuwe acts in dat genre van de laatste jaren. Het viertal valt in de eerste plaats op door zijn heerlijk diverse aanpak. Het ene moment gaan de heren al rockend maar net niet door de bocht, het andere schudden ze zo funky met de kont, dat hun bekkens er serieus door in gevaar dreigen te komen. Alsof Howlin’ Wolf, James Brown, Jimi Hendrix, de Meters, de Stones en nog een handvol anderen op een onbewaakt moment samen in de blender zijn beland en daar nu met mondjesmaat en in altijd weer andere combinaties terug uit mogen, zo klinkt dit. Gedreven, bruisend, immer aanstekelijk en groovy! En wij vielen dan ook als een blok voor dingen als het even funky als melodieuze “Ain’t Gonna Beg No More”, het door met name zanger-gitarist Julian Burdock op indrukwekkende wijze richting rootsy wateren gestuwde “Peace In The Valley”, het eigenzinnige Captain Beefheart-eerbetoon “Tryin’ To Get Back To You”, het werkelijk rete-funky “Did Your Daddy Wrong”, titelnummer “When The Ship Goes Down” en het op een bevreemdende toetsenbijdrage van Moz Gamble geënte “Mean Hearted Woman”. Subliem spul!

24 Pesos

 

JAKE LA BOTZ “The Devil Lives In My Throat” (Continental Song City)

(4****)

“The Devil Lives In My Throat”, aldus Jake La Botz (bij monde van zijn moeder) meermaals in het titelnummer van zijn nieuwe cd en als luisteraar ben je ook al snel geneigd hem daar graag in te volgen. Zeker in dingen als het heerlijk rammelende achterbuurtenbluesje “I’m A Crow”, waarin hij klinkt als de jonge Tom Waits tijdens één van zijn vele nachtelijke strooptochten van weleer. Maar he, wacht eens even! “I’m A Crow”? Was dat niet de titel van een eerdere La Botz-plaat? Klopt! “The Devil Lives In My Throat” is eigenlijk niet echt een nieuwe cd, maar een verzamelaar. Het album herbergt met dertien nummers het beste van La Botz’ eerdere schijven “I’m A Crow”, “Graveyard Jones” en “Sing This To Yourself”. En daarop leerden we de beste man kennen als een bijzonder intrigerende jonge bluesmens, getekend door een erg harde jeugd in de straten van Chicago, waar hij het muzikantenvak leerde al buskend samen met Jimmy Davis en aan de zijde van “Honeyboy” Edwards. Maar La Botz is zeker geen bluespurist. In zijn werk vinden ook rock, folk en country een eigen niche. En daardoor klinkt “The Devil Lives In My Throat” eigenlijk ook meer als een singer-songwriterplaat van een muzikale excentriekeling dan als een bluesplaat. “Tiny” is zo bijvoorbeeld lijzige Americana noir, het ook al trage titelnummer heeft iets bepaald “rockerigs” over zich, evenals het op hypnotisch orgelwerk geënte “If You Want Me”, “Graveyard Jones” situeert zich tussen de hier al eerder genoemde Tom Waits en diens snarenrechterhand Marc Ribot, “Hard To Love What You Kill” is een op z’n minst inhoudelijk gezien hoogst aparte ballade en “The Wishing Well” neigt zelfs even richting The Band en country soul. Enfin, niet bepaald alledaags spul dus hier. Maar daarom zeker niet minder goed! En van hier uit ook graag aanbevolen aan de fans van acts als een Johnny Dowd, een Malcolm Holcombe, een Calvin Russell en natuurlijk ook een Tom Waits. Met name voor hen valt bij deze ook hier ondertussen al een zekere cultstatus genietende artiest zeker het één en ander te rapen…

Jake La Botz, Continental Record Services

 

RHETT MILLER “The Dreamer” (Maximum Sunshine)

(4****)

Met z’n nieuwe solo-cd “The Dreamer” lijkt Old 97’s-kopstuk Rhett Miller vooral naar z’n eigen muzikale roots te hebben willen graven. En dat maakt, dat hij zich daarop ook vrijwel voortdurend in vrij herkenbare wateren ophoudt. Wat hij doet herinnerde ons alvast beurtelings aan Wilco, Ryan Adams, de Jayhawks, Gram Parsons en de Flying Burrito Brothers. Veel redelijk rustige, (weldadig) met country gekruide roots rock dus hier, evenals folk pop en rock, Americana en country rock seventies style. Met tal van momenten om als het even kan volop te koesteren. Zo zijn er bijvoorbeeld het ingehouden rockende, met de mooie Rachael Yamagata gebrachte “Out Of Love”, het weemoedige “As Close As I Came To Being Right”, een werkelijk bloedmooi duet met Rosanne Cash, het wel heel erg naar de Jayhawks overhellende “Lost Without You”, het ook al met Rosanne Cash gebrachte en terloops behoorlijk nadrukkelijk naar de jaren zeventig lonkende “Love Grows” en het afsluitende, ontwapenend zomers poppy uit de hoek komende “Sweet Dreams”. Dik in orde allemaal! En een zoveelste bevestiging van de flink uit de kluiten gewassen kwaliteiten als songsmid van Miller. Hij schreef alle nummers hier immers zelf. Hier en daar daarbij wel bijgestaan door collega’s als Ben Kweller, Jude Cole, James Cleare en de hier al een paar keer genoemde Rosanne Cash.

Rhett Miller

 

THE DUNWELLS “Blind Sighted Faith” (Playing In Traffic / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Britten en Americana, er lijkt zo stilaan toch wel iets moois tussen die twee te kunnen gaan bloeien. Steeds meer acts van over het Kanaal voelen zich immers geroepen om met het muzikale erfgoed van hun verre taalgenoten aan de slag te gaan. Weliswaar nog met wisselend resultaat, maar toch. We hebben recentelijk al een paar echte toppertjes mogen begroeten en misschien zullen we daar op termijn ook dit vijftal uit Leeds wel moeten toe rekenen. Op z’n in Willie Nelsons Pedernales Studio in Austin ingeblikte debuut slaat dat collectief onder de productionele hoede van niemand minder dan John Porter immers op buitengewoon aanstekelijke wijze een brug tussen de Keltische muziektraditie van het eigen thuisland en de hoogdagen van West Coast acts als Crosby, Stills, Nash & Young en de Eagles. Dat klinkt zo op het eerste gehoor misschien wel een beetje oubollig allemaal, maar dat is het zeker niet. Melodieuze hoogstandjes als openingsnummer “I Could Be A King” of het door warmbloedige gitaren aangejaagde titelnummer kunnen wat ons betreft zelfs bogen op een soort van eigentijds charisma vergelijkbaar met dat van bijvoorbeeld het nog niet zo heel erg lang geleden zo succesvol gebleken Mumford & Sons. Het retro-element mag dan al nadrukkelijk aanwezig zijn, het is hier dus zeker niet alles bepalend. Akkoord, er is inderdaad wel die meerstemmige zang, die je gedachten vrijwel voortdurend in de richting van ondermeer hoger genoemde namen doet afdwalen. Maar anderzijds hoorden wij evengoed dingen die ons bij vlagen herinnerden aan U2, aan Travis, aan de Beatles, aan The Bible, ja zelfs Motown. Eigenaardig genoeg lijkt op de keper beschouwd zo goed als alles op “Blind Sighted Faith” echter toch onder de ruime vlag Americana te kunnen vallen. En met name de wat ingetogener nummers spraken ons na enkele beluisteringen eigenlijk nog het meest van al aan. We hebben het dan ondermeer over het in al z’n ongerepte stemmenpracht ongegeneerd naar de jaren zeventig lonkende “Only Me”, over het voorzichtig soulvolle “In The Moment” en over de werkelijk bloedmooie trage “I Want To Be”. Door liedjes van dat kaliber zouden we dit album bijvoorbeeld ook durven aan te bevelen aan fans van andere Britse groepen als Deacon Blue en Del Amitri.

The Dunwells, Playing In Traffic Records, Sonic Rendezvous

 

RORY BLOCK “I Belong To The Band, A Tribute To Rev. Gary Davis” (Stony Plain / CRS)

(4,5*****)

Aan helden die een pluim verdienen absoluut geen gebrek en dus blijft Rory Block ook gewoon onverdroten verder gaan met het eren van haar grote voorbeelden. Na Son House en Mississippi Fred McDowell is met “I Belong To The Band” nu de Rev. Gary Davis, een persoonlijke vriend des huizes, aan de beurt. En ook die had zich wellicht geen mooier eerbetoon dan dit kunnen dromen. Block blijkt immers echt in topvorm. En dat zowel stemgewijs als op de snaren. Vocaal haalt ze zo ongeveer alles uit de kast. Ongemeen expressief komt ze voor de dag. Daarbij de grote emoties duidelijk niet schuwend. Smachtend, bezwerend, op het euforische af, zo goed als schreeuwend soms… Het lijkt Block allemaal niet zo heel erg veel uit te maken, hoe het moet. Het doel heiligt hier immers duidelijk de middelen. En dat doel is te allen tijde duidelijk: te weten de wereld nog één keer op niet mis te verstane wijze laten horen, hoe goed (het materiaal van) de Rev. Gary Davis wel was. En dat betekent dat we met z’n allen ruim vijftig minuten top-bluesamusement voorgeschoteld krijgen. Volstrekt tijdloos gebrachte folk en country blues en uiteraard ook gospel. Afwisselend sterk ritmisch en eerder ingetogen. Soms solo, soms meerstemmig gebracht. En uiteraard ook weer met een speciale vermelding voor de slide-kunstjes van Block. Die klinken immers als even gaaf als haar vocale prestaties. Het gevolg? Andermaal een aanrader van jewelste!

Rory Block, Stony Plain Records, Continental Record Services

 

WALT WILKINS “Plenty” (Ride Records)

(5*****)

Over wat je het diepst raakt schrijf je het gemakkelijkst. Dat wisten we natuurlijk al wel langer dan vandaag, maar het viel ons toch weer op naar aanleiding van onze eerste beluistering van “Plenty”, de nieuwe cd van songsmid Walt Wilkins. Die stelt in de liner notes daarvan onverholen, dat het hier eigenlijk gewoon om een soort van liefdesbekentenis aan het adres van zijn Texaanse thuishaven gaat. Een soort van bedankje om er te mogen opgroeien, wonen en steeds weer terugkeren als het ware. Een ode aan de vele kleine dingen, die er het leven voor hem zo aantrekkelijk maken. En die weet hij verdomd mooi onder woorden te brengen ook. Daarbij met betrekking tot zijn woordkeuze nadrukkelijk eenzelfde eenvoud nastrevend als deze kenmerkend voor zijn heimat. En ook muzikaal gezien zeker niet de moeilijkste wegen opzoekend. Zo ongeveer alles draait hier duidelijk om het gevoel. Om het vertolken van de warme gloed ergens “deep inside”, als hij zich weer eens gelukkig prijst een Texaan te mogen zijn. Eerder melancholisch aandoende country- en Americana-deuntjes lenen zich tot een dergelijk doel uiteraard het best en zijn dan ook ruimschoots in de meerderheid hier. Liedjes door Wilkins geschreven samen met muzikale geestesgenoten als een Monte Warden, een Liz Rose, een Billy Monatana, een Ron Flynt, een Davis Raines, een Lori McKenna en anderen. Kwaliteitsspul, dat zeker! Uitermate geschikt als soundtrack achter intimistische dagafsluitertjes samen met hem of haar die je het dierbaarst is. Maar vooral ook heel erg mooie luistermuziek. Met als bijkomend pluspunt de vaststelling dat Wilkins’ overpeinzingen er je onbewust toe lijken aan te zetten om ook in je eigen bestaan de kleine dingen te leren zien en naar waarde te schatten. En hebben we net dat zetje regelmatig niet allemaal even nodig…?

Walt Wilkins, Ride Records

 

DIVERSE ARTIESTEN “Kin: Songs By Mary Karr & Rodney Crowell” (Sugar Hill Records)

(4****)

Een beetje ‘n speciaal project toch wel, dit “Kin”. Het markeert immers de eerste samenwerking tussen schrijfster Mary Karr en Americana-held Rodney Crowell. En voor Karr betekent het op de keper beschouwd zelfs haar introductie in een haar tot op heden volslagen vreemde wereld. In een productie van Joe Henry dragen de twee tien nieuwe liedjes aan. En daarbij gebeurt het voor de hand liggende niet. Het is immers niet Crowell, die ze allemaal voor zijn rekening neemt. Hem horen we maar in een viertal nummers prominent aan de slag. Het betreft daarbij het behoorlijk nerveus uit de startblokken schietende openingsnummer “Anything But Tame”, het melodieuze rootsrockertje “I’m A Mess”, het folky, met Kris Kristofferson gedeelde “My Father’s Advice” en het op ingetogen wijze het project afsluitende “Hungry For Home”, waarin ook Emmylou Harris even komt opdraven. Die Harris doet overigens ook zelf haar duit in het zakje. En meer dan dat ook! Met de werkelijk oorstrelend mooie ballade “Long Time Girl Gone By” geeft ze naar ons gevoel hier alle anderen gemakkelijk het nakijken. En die anderen, dat zijn toch ook niet van de minsten. Norah Jones brengt zo bijvoorbeeld het ook al erg mooie “If The Law Don’t Want You”, country-superster Vince Gill boeit met de hem louter muzikaal gezien echt wel op het lijf geschreven trage “Just Pleasing You”, Lucinda Williams verklankt op bijna misselijk makend mooie wijze hartzeer in “God I’m Missing You”, Lee Ann Womack swingt op bedaarde wijze doorheen “Momma’s On A Roll” en Rosanne Cash tekent met “Sister Oh Sister” op haar beurt voor een beklijvende verhalende sleper. Zonder uitzondering erg mooie liedjes eigenlijk. En zonder uitzondering gezegend met erg mooie teksten ook. Aan diepgang en subtiliteit zeker geen gebrek hier. En wat ons betreft hoeft het dan ook zeker niet bij deze ene samenwerking tussen Karr en Crowell te blijven.

Rodney Crowell, Sugar Hill Records

 

THE MANNISH BOYS “Double Dynamite” (Delta Groove Productions)

(4,5*****)

“Double Dynamite” komt de belofte van zijn titel echt wel nadrukkelijk na. Het album bevat immers exact dat. Een dubbele lading neo-trad-bluesdynamiet van het werkelijk allerbeste soort. En zo ongeveer alles wat dezer dagen hot is aan de Amerikaanse West Coast passeert daarbij en passant de revue. Voor de muzikale “core business” tekenen het brein van de groep Randy Chortkoff (zang en harmonica) en diens kompanen Finis Tasby (zang), Sugaray Rayford (zang), Kirk Fletcher (gitaren), Frank Goldwasser (zang, gitaren, ook slide, en harmonica), Willie J. Campbell (akoestische en elektrische bassen) en Jimi Bott (drums en percussie). An sich al een behoorlijk indrukwekkend vriendenkransje, maar nog klein bier in vergelijking met wat er zoal allemaal aan namen op de gastenlijst prijkt… Daarop stoten we immers ondermeer ook nog op Mike Finnigan (zang, piano, Hammond B-3), James Harman (zang en harmonica), Cynthia Manley (zang), Mud Morganfield (zang), Jackie Payne (zang), Kid Ramos (gitaar), Junior Watson (gitaar), Bob Corritore (harmonica), Rod Piazza (harmonica), Jason Ricci (harmonica), Elvin Bishop (slide), Nathan James (gitaren), Rob Rio en Rich Wenzel (beiden piano). Bent u daar nog…? Geen wonder, dat een dergelijke concentratie aan talent resulteert in een regelrechte moordplaat, he? Keurig verdeeld over twee min of meer gelijkwaardige helften met telkens dertien nummers onder de hoofdingen “Atomic Blues” en “Rhythm & Blues Explosion”. Eigenlijk zou je ze zelfs als twee aparte cd’s kunnen beschouwen. Op de eerste wijst daarbij zo goed als alles richting de fifties. En meer bepaald het Chicago van toen dan. Met nogal wat moddervette covers. Ondermeer Son House, Muddy Waters, Otis Spann en Willie Dixon passeren zo de revue. Op de tweede cd gaat het er dan iets gevarieerder aan toe. Met naast op de vijftiger jaren geënt spul nu ook tal van latere bluesvarianten aan boord. Van R&B tot ronduit soulvol en funky. Met ook nu weer covers à volonté. Liefst driemaal James Brown (“You’ve Got The Power”, “Cold Sweat” en “Why Does Everything Happen To Me”), Ray Charles (“Mr. Charles Blues”), William Bell & Booker T. Jones (het na al die jaren nog altijd even geweldige “Born Under A Bad Sign”) en anderen. Met hier in tegenstelling tot op het toch wel mede door de mondharmonica gedomineerde eerste schijfje veel meer viriel koperwerk. En daarvoor tekenen dan saxgeweldenaar David “Woody” Woodford en trompettist Lee Thornburg. Moet je wel van houden! Dit bruist! Dit pompt! Dit leeft! Dit is blues puur! Nog volop gebracht vanuit de onderbuik en niet vanuit de één of andere er achter schuilende commerciële overweging. Bijzonder warm aanbevolen dan ook!

The Mannish Boys, Delta Groove Music

 

GRAM PARSONS “GP” en “Grievous Angel” (MFSL / Bertus)

(5*****)

De albums “GP” uit ’73 en “Grievous Angel” van een goed jaar later behoeven allicht amper nog enige voorstelling. Die twee Gram Parsons-platen behoren immers zondermeer tot de meest invloedrijke uit de geschiedenis van de moderne muziek. Hele generaties aan muzikanten laafden zich in de daaropvolgende jaren uitgebreid aan het door Parsons en zijn gezellin Emmylou Harris voltrokken huwelijk tussen country, folk, rock en in wat mindere mate soul. Beide schijven staan terecht te boek als genreklassiekers. En die krijgen zoals geweten regelmatig “a special treatment” mee. Hier en nu bijvoorbeeld door het Mobile Fidelity Sound Lab. Dat gaat er prat op, dat zijn als “special limited edition hybrid SACD” aangeboden remasters zoveel verder gaan dan de meeste andere heruitgaven. Door aan de slag te gaan met de originele master tapes bereikt men naar eigen zeggen een veel natuurlijker, een veel organischer geluid. Oftewel “unprecedented degrees of fireplace-hearth warmth, natural organic accents, and the you-are-there vocal signatures of Parsons and partner Emmylou Harris”. En daar valt ook wel wat voor te zeggen, want warmer als hier hoorden we beide albums inderdaad nog nooit en we hebben er door de jaren heen toch al wel wat verschillende versies van versleten. Dat wordt opnieuw volop genieten dus van dingen als “Streets Of Baltimore”, “She”, “The New Soft Shoe”, “Return Of The Grievous Angel”, “Love Hurts” en zoveel andere…

Gram Parsons, Mobile Fidelity Sound Lab, Inc., Bertus

 

OMAR & THE HOWLERS “I’m Gone” (Big Guitar Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Om zijn vijftigste verjaardag als muzikant in stijl te vieren trommelde Omar Kent Dykes voor het eerst sinds 2004 weer zijn Howlers op. Zo’n acht jaar was het ondertussen al geleden, dat zij met “Boogie Man” hun laatste plaat samen inblikten. Meer dan lang genoeg, aldus Dykes, die na twee platen met Jimmie Vaughan, nadrukkelijk weer toe was aan een nieuw album met zijn oude maten. Een album, waarop hij overigens gewoon lekker ouderwets zijn zin doet. En het luistert daardoor als het ware weg als een muzikale road trip langsheen alle mogelijke genres die door de jaren heen op de één of andere manier een invloed hebben gehad op de vorming van Dykes als artiest. Zo trapt hij de feestelijkheden bijvoorbeeld af met een lillende lap rockabilly (“I’m Gone”), heeft hij ook een lekkere streep traditioneel geschoolde country voor ons in petto (“Drunkard’s Paradise”), wat rock & roll (“Take Me Back”), wat naar een Bo Diddley-beat luisterende R&B (“Wild And Free”) en een flinke dosis blues natuurlijk ook. En dat laatste zowel traag (“Let Me Hold You”, “I’m Mad Again”, “Lone Star Blues”) als wat sneller, wat ritmischer (“Down To The Station”). De blik daarbij beurtelings gericht op ondermeer Chicago, Memphis en Texas. Eén enkele keer volledig instrumentaal ook, in het naar zichzelf vernoemde “Omar’s Boogie” met name. Vooral eigen materiaal hier overigens. Enkel voor een lezing van John Lee Hookers “Move Up To Memphis” wordt er even vreemdgegaan. Al valt dat amper op. Het nummer sluit immers gewoon naadloos bij de rest hier aan.

Omar & The Howlers, Sonic Rendezvous

 

TREASA LEVASSEUR “Broad” (Slim Chicken / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Sinds haar vorige cd, het werkelijk weergaloze “Low Fidelity” van zo’n jaar of vier geleden, is de jonge Canadese Treasa Levasseur hier altijd een graag geziene gaste gebleven. Met haar heerlijke melange van elementen uit folk, blues en soul weet ze ons al een poosje te allen tijde te bekoren. En dat gevoel wordt naar aanleiding van haar nieuwe worp eigenlijk alleen nog maar versterkt. Liefst vier bands versleet ze tijdens de opnames daarvan. Drie studio’s ook, en dat in twee verschillende steden. “Broad” gegaan dus inderdaad. Al zou die term uit de titel volgens Levasseur zelve net zo goed kunnen slaan op haar als vrouw. Al is ze, nog naar eigen zeggen, dan ook eerder geïnteresseerd in slim zijn dan wel knap. Maar dat is ze dus wel degelijk wel, he. Echt bloedmooi. En haar stem is naar onze bescheiden mening dan ook nog eens minstens de evenknie van haar uiterlijk. Heerlijk soulvol. Heerlijk “sassy” ook. Levendig, chic en sexy tegelijk. Ongemeen veelzijdig eigenlijk. En als je daar dan ook nog eens een collectie straffe liedjes en een stel competente muzikanten bij denkt, dan krijg je “Broad”. Negen eigen nieuwe nummers, aangevuld met covers van “God’s Song” van Randy Newman, “Walk On” van Neil Young en “We Should Dance” van de ons volslagen onbekende Mike Evin. En daarin regeren gevoelsmatig ook nu weer vooral soul en blues. Soms speels, zoals in het zomerse “No Holds Barred” of het met aanstekelijk koperwerk opgewaardeerde “What We’re Worth”, soms gevoeliger, zoals in het quasi gecroonde en met mooie harmonica- en gitaarbijdragen afgewerkte “Davey” of het afsluitende “Let Me Sleep On It”. En best wel hitgevoelig bij momenten ook wel. Als Bonnie Raitt met haar materiaal de hitlijsten vermag te halen, dan zou Levasseur dat bijvoorbeeld met iets als het catchy “Walk On” ook moeten kunnen. Ze zou het alleszins verdienen! Andere absolute stand-outs hier: de zwierige, als een soort van uitnodiging op ons afgevuurde R&B-hybride “We Should Dance”, het funky “Much Too Much” en vooral ook het stomende “A Little Pride”. Indrukwekkend gewoon, wat Levasseur in die bloedhete moorddeun uit haar frêle lijf weet te schudden! Wat een vrouw, wat een stem!

Treasa Levasseur, Sonic Rendezvous

 

LARKIN POE “Thick As Thieves” (Edvins / Sonic Rendezvous)

(4,5****)

Het EP-formaat lijkt de zussen Lovell wel te bevallen. Na het bewust kort gehouden vierluik “Fall”, “Spring”, “Summer” en “Winter” kiezen de dames ook op “Thick As Thieves” immers weer voor een beperkt gehouden geheel. Liever kwaliteit dan kwantiteit afleveren lijkt de leuze van de twee prille twintigers en dat siert hen. Zeven songs levert dat ditmaal op. Gevuld met elementen uit respectievelijk pop, rock, folk, country en bluegrass, niet noodzakelijk in die volgorde. Heerlijk groovend weer, instrumentaal bijzonder sterk en uiteraard stoelend op de complementaire zang van de beide zussen. Aan het hoofd van een heuse band klinken ze hier zelfverzekerder dan ooit. Ongelooflijk eigenlijk, dat ze amper 21 en 23 jaar oud zijn! Als je dit op die leeftijd al allemaal kan, dan belooft dat alleen maar het allerbeste voor de toekomst. Zelfs het hier en nu biedt eigenlijk enkel en alleen al maar hoogtepunten! Zoals de fraaie sleper “Make It Hurt”, de radiogenieke popcountry-spielerei “Play On” of het bij momenten behoorlijk heftig (roots)rockende “Celebrate” bijvoorbeeld. Deze en de vier andere deunen van de oorspronkelijke EP rechtvaardigden wat ons betreft eigenlijk probleemloos al de aankoopprijs ervan. Maar nog beter wordt het natuurlijk allemaal, als je er bij wijze van extraatje op een apart schijfje een volledig live-optreden zomaar bovenop krijgt. Daarop beeldgewijs ruim 60 minuten “Live from Stongfjorden” en ook nog een tweetal videoclips. Van de nieuwe nummers “On The Fritz”, “Love Or Money”, “Celebrate” en “Play On”, natuurlijk ook een stel oude favorieten en ook wat covers. Ondermeer de “Folsom Prison Blues” van Johnny Cash en de traditional “In My Time Of Dyin’”. Ruimschoots genoeg alleszins om de Americana-liefhebber mee op zijn wenken te bedienen. Dikke, dikke aanrader!

Larkin Poe, Sonic Rendezvous

 

DON WILLIAMS “And So It Goes” (Sugar Hill Records)

(3,5****)

Noem dit maar een aangename verrassing. Wij hadden er eerlijk gezegd immers niet echt meer rekening mee gehouden, dat “The Gentle Giant” ooit nog met nieuw materiaal zou gaan uitpakken. Zijn laatste plaat dateerde al van 2004 en het teruggetrokken leven op zijn boerderij in Tennessee sedertdien leek countrylegende Don Williams allerbest te bevallen. Maar goed, het bloed kruipt waar het niet gaan kan zeker en dus pakt hij nu onder de productionele hoede van Garth Fundis toch weer uit met een tiental nieuwe liedjes. Materiaal, dat vrij naadloos aansluit bij veel van de dingen die hem groot maakten als een “I Believe In You”, een “Tulsa Time”, een “It Must Be Love” en andere. Nummers mikkend op een zo ruim mogelijk publiek dus, gedragen door die met de jaren eigenlijk enkel nog maar beter geworden honingzoete baritonstem van ‘m en rijk aan voor zo ongeveer iedereen herkenbare emoties. Sterkste momenten zijn daarbij wat ons betreft vooral het ingetogen titelnummer, de trage “First Fool In Line”, het met gaste Alison Krauss gedeelde “I Just Come Here For The Music” en vooral ook het net wat vlottere “What If It Worked Like That”. Aangenaam luistervoer zonder meer.

Don Williams, Sugar Hill Records

 

DAYNA KURTZ “Secret Cannon Vol. 1” (Kismet Records / Rough Trade)

(5*****)

What can I say? Een magistrale plaat gewoon, deze nieuwe van de New Yorkse Dayna Kurtz. Die luisterde in de aanloop naar de opnames van “Secret Cannon Vol. 1” naar eigen zeggen bijna constant naar “Night Beat” van Sam Cooke. Wellicht niet geheel en al toevallig ook één van onze favoriete Cooke-platen. Met veritabele schoonheden als “Nobody Knows The Trouble I’ve Seen”, “Get Yourself Another Fool”, “Trouble Blues”, “Fool’s Paradise” en ander fraais aan boord al sinds jaar en dag een graag geziene gast ten huize Ctrl. Alt. Country. En dat zal de nieuwe Kurtz op termijn ook wel gaan blijken te zijn. Naast haar eigen “Not The Only Fool In Town” vertolkt ze daarop negen nummers van anderen. En in die liedjes neemt ze ons mee op een zoektocht naar volkomen ten ontrechte compleet in de vergetelheid geraakte Amerikaanse jazz- en R&B-schatten. “Shoulda-been-standards” lazen we ergens. En dat blijkt een wel erg treffende omschrijving voor de door Kurtz hier met bijzonder veel verve gebrachte deunen. Tegen een veelal eerder jazzy en bluesy gehouden achtergrond zingt ze zich wat ons betreft probleemloos tot in het kielzog van grote dames als een Billie Holiday en een Nina Simone. Luister bij gelegenheid maar eens naar nummers als haar passionele vertolking van Floyd Dixons “Do I Love You”, het spitante “Don’t Fuck Around With Love” van de doo-woppers The Blenders, de tot diep onder de huid gaande pianoballade “I’ll Close My Eyes” en andere en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. Echt wel verbluffend mooi allemaal! En doet dan ook nu al volop uitkijken naar door de titel ervan aangekondigde eventuele volgende volumes!

Dayna Kurtz

 

THE DB’S “Falling Off The Sky” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Met “Stands for deciBels” en “Repercussion” leverden de dB’s ergens vroeg in ’81 en goed een jaar later twee platen af, die wij van Ctrl. Alt. Country compleet, maar dan ook echt compleet grijs hebben gedraaid. Heerlijk gewoon, hoe singer-songwriters-gitaristen Peter Holsapple en Chris Stamey en hun kompanen Gene Holder (bas) en Will Rigby (drums) daarop indertijd een brug wisten te slaan tussen aan het eind van de jaren zeventig behoorlijk populaire genres als power pop en new wave enerzijds en het garage(punk)gejengel van andere aanstormende groepen als R.E.M anderzijds. Het resultaat waren doorgaans erg aanstekelijke melodische hoogstandjes, waarmee het viertal zich dan ook probleemloos van een stevige indie-reputatie wist te verzekeren. En van een buitengewoon loyale aanhang ook, die na ’88 en het door Rigby’s vertrek ingeluide “vervroegde pensioen” van de band zo goed als volledig op z’n honger zou achterblijven. Na de al in ’88 opgenomen, maar pas in ’94 uitgebrachte demo-collectie “Paris Avenue” verscheen er van de dB’s immers niets meer. Tot nu, that is. En daar zijn we hier met z’n allen maar wat blij om! “Falling Off The Sky” biedt ons immers de dB’s in de hier hoger al vermelde originele groepsbezetting, her en der nog versterkt met hun oude maat Mitch Easter op gitaar en nog wat jong volk uit het alternatieve rockgebeuren van North Carolina anno nu. Maar bovenal ook gewapend met heel erg veel goesting, zo lijkt het. En met een twaalftal machtig sterke songs onder de arm ook weer. Will Rigby mocht het door hemzelf geschreven catchy pop-opdondertje “Write Back” inzingen. Voor het overige verdeelden Stamey en Holsapple als vanouds de honneurs. Stamey leverde zes songbijdragen, Holsapple vijf. En allebei zetten ze natuurlijk die eigen nummers een weinig naar hun hand ook. Maar “Falling Off The Sky” is en blijft al bij al toch een dB’s-Plaat. Met hoogtepunten zat: de schitterende, een weinig Beatle-esk aandoende ballade “Far Away And Long Ago” bijvoorbeeld al, de knappe garagerocker “That Time Is Gone” zeker ook, de über-popdeun “Before We Were Born” natuurlijk, het op aparte wijze soulvolle “The Wonder Of Love” en het na een eerder schoorvoetende start machtig aan vaart winnende, afsluitende titelnummer. Na songs van dat kaliber weet je het als luisteraar wel zeker: de dB’s zijn inderdaad helemaal terug van toch schijnbaar definitief weggeweest! Hallelujah!

dB’s, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

PAUL THORN “What The Hell Is Goin’ On?” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Op de opvolger van het ontzettend knappe “Pimps & Preachers” van twee jaar geleden tapt de vanuit Tupelo, Mississippi nog volop aan de weg timmerende songmid Paul Thorn uit een compleet ander vaatje. Andere vaatjes eigenlijk. “What The Hell Is Goin’ On?” is immers een collectie covers van liedjes van anderen. Van Buddy Millers magistrale “Universal United House Of Prayer” leende hij zo bijvoorbeeld “Shelter Me Lord”, bij Ray Wylie Hubbard raapte hij het hypnotisch groovende “Snake Farm” op, bij de jonge Ier Foy Vance het ons totnogtoe volslagen onbekende “Shed A Little Light” en bij Lindsey Buckingham en Fleetwood Mac het heerlijk rootsy rockende en rollende “Don’t Let Me Down Again”. Elvin Bishop droeg op zijn beurt dan weer het titelnummer aan en speelde er meteen ook maar een strakke pot bluesgitaar in mee, bij Band-held Rick Danko vond Thorn “Small Town Talk”, bij de jaren-zeventig-rockers van Free “Walk In My Shadow” en in New Orleans bij de legendarische Allen Toussaint de fraaie soulvolle trage “Wrong Number”. Voorts ook nog op het appel: de zwierige barrocker “Bull Mountain Bridge” van de hand van Wild Bill en Martha Jo Emerson en met een gezongen gastbijdrage van Delbert McClinton, het daar quasi perfect op aansluitende “Jukin’” van het trio Big Al Anderson, Shawn Camp en Pat McLaughlin, “She’s Got A Crush On You”, een heerlijke streep ingetogen Southern soul signé Donnie Fritts en Billy Lawson, en het lekker swingende “Take My Love With You”, dat je ongetwijfeld ook al kende in de uitvoering van R&B-hipster Eli “Paperboy” Reed. Stuk voor stuk sterke liedjes dus, hier ook erg sterk gebracht door een duidelijk in zijn nopjes verkerende Thorn, die met Bill Hinds bovendien ook nog eens een echte kanjer van een gitarist in huis blijkt te hebben.

Paul Thorn, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

AUDREY AULD “Resurrection Moon” (Reckless Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Met “Resurrection Moon” blikt singer-songwriter Audrey Auld terug op ondertussen toch ook alweer vijftien jaar aan platen maken. Het album herbergt naast twee nieuwe liedjes (“Resurrection Moon” en “Everything Be Alright”) verder enkel ouder materiaal. Van “The Fallen” uit 2000 krijgen we zo “I’d Leave Me Too”, “Black Cloud”, “Song For Clax” en “Jellyroll”, van “Losing Faith” uit 2003 het titelnummer, “Doin’ Well”, “Your Eyes”, “Not Who I Am” en “Next Big Nothing”, van “Texas” uit 2005 “Ball & Chain”, “Love You Like The Earth”, “Hole In My Life” en “My Father”, en van “Lost Men And Angry Girls” uit 2006 “Bolinas”, “Down In A Hole”, “Looking For Luckenbach”, “Last Seen In Gainesville” en “Buck Hungry”. Van enkele EP’s, het recente “Come Find Me” en haar samenwerkingen met Bill Chambers en Nina Gerber helaas niets. Maar goed, dat kan de pret eigenlijk amper drukken. “Resurrection Moon” is immers een ijzersterke collectie liedjes, die als inleiding tot Auld best wel kan tellen. Nu eens wat meer country, dan weer eerder Americana, daarbij stemgewijs soms best wel een weinig herinnerend aan streekgenote Kasey Chambers. Het ene ogenblik heerlijk klaaglijk, het andere lekker upbeat, aan variatie dus alleszins ook geen gebrek.

Audrey Auld, Reckless Records, Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home