CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2013

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

DIANA JONES “Museum Of Appalachia Recordings” - PATRICK SWEANY “Close To The Floor” - TOO SLIM AND THE TAILDRAGGERS “Blue Heart” - LANDSTROM “Land Of Nowhere” - THE WYNNTOWN MARSHALS “The Long Haul” - BILLY PRICE “Strong” - STATESBORO REVUE “Ramble On Privilege Creek” - STACIE COLLINS “Shinin’ Live” - DIVERSE ARTIESTEN “Songwriters Across Texas Vol. 1” - OH MY DARLING “Venez Danser” - MASSY FERGUSON “Victory & Ruins” - WILLIE NILE “American Ride” - RED DIRT RANGERS “Lone Chimney” - KARA GRAINGER “Shiver & Sigh” - DAVID OLNEY “Predicting The Past” - SHINYRIBS “Gulf Coast Museum” - ELLIOTT MURPHY “It Takes A Worried Man” - PI JACOBS “Urbanicana”

 

 

DIANA JONES “Museum Of Appalachia Recordings” (Proper / Rough Trade-Tone)

(4,5*****)

“A thing of beauty is a joy forever,” aldus de grote John Keats nu net geen twee eeuwen geleden in zijn gedicht “Endymion”. “Its loveliness increases, it will never pass into nothingness,” aldus nog de man in datzelfde werkstuk. En daarmee vatte hij eigenlijk toen zonder het zelf te beseffen al heel mooi samen, hoe wij nu, zoveel jaren later, over de nieuwe van Diana Jones zouden gaan denken. Op die opvolger van het machtige viertal “Radio Soul”, “My Remembrance Of You”, “Better Times Will Come” en “High Atmosphere” neemt Jones ons mee terug naar lang vervlogen tijden. Naar tijden, toen het nog “bon ton” was om muziek gewoon “live” in te blikken. Gewoon met z’n allen samen op een kluitje, lekker musiceren en laat die tape of wat dan ook dan maar mee rollen. Heerlijk naturel. Elf songs blikte Jones zo in The Museum Of Appalachia in Clinton, Tennessee in. Samen met collega-muzikanten Matt Combs en Shad Cobb vereeuwigde ze een aantal nieuwe originelen, die ze al een tijdje met zich meedroeg. Liedjes, die als het ware wachtten op het geschikte moment om te worden opgenomen. En dat vond Jones dus in december van vorig jaar in de buurt van de gezellig knetterende open haard van hoger genoemd museum. Tussen de rondslingerende fiddles, mandolines, akoestische gitaren, banjo’s en mandola’s wist ze op volstrekt onnavolgbare wijze de essentie van old time mountain music naar het hier en nu te vertalen. Tijdloze onderwerpen vonden schijnbaar moeiteloos hun weg naar goudeerlijke, van alle overbodige franje ontdane liedjes. En dan is er nog die stem, he! Herkenbaar uit de duizenden! En zo ongelooflijk puur! En dat is precies ook de omschrijving, die we hier eigenlijk nodig hadden voor liedjes als “O Sinner”, “Drunkard’s Daughter”, “Song For A Worker”, “Sparrow”, “Ohio”, “Love O Love”, “Orphan’s Home”, “Gold Mine”, “Satan” en andere. Onwaarschijnlijk eigenlijk, dat je een dergelijke “schoonheid” in amper twee dagen klaar krijgt…

Diana Jones, Proper Records

 

PATRICK SWEANY “Close To The Floor” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Ondertussen goed en wel een jaar of twee geleden wist de vanuit Kent, Ohio actieve “rootsmens” Patrick Sweany ons probleemloos in te pakken met zijn toendertijd actuele plaat “That Old Drag”. Met een twaalftal eigenzinnige benaderingen van retro bluesrock en R&B brak hij toen onder de productionele hoede van Joe V. McMahan tot op zekere hoogte met z’n wat rauwere, door Black Keys-frontman Dan Auerbach mee ingekleurde muzikale verleden. Een stap, waarop hij nu, na slechts één enkel album, alweer terug lijkt te hebben willen komen. Een gegeven, waaraan zelfs de opnieuw van de partij zijnde McMahan niets lijkt te hebben kunnen veranderen. Hij was “this time around” ogenschijnlijk meer bevoorrecht getuige van een cathartisch proces dan producer. Hij zag en hoorde z’n poulain Sweany verstrikt in een verwoed gevecht met enkele van z’n eigen persoonlijke demonen. “A gritty, hard look at some very difficult recent events in Sweany’s life,” aldus de scribent van dienst bij z’n platenlabel Nine Mile Records. En die sleurt er als referentiepunten gelijk ook maar de namen van grootheden als een Dan Penn, een Eddie Hinton en een Leon Russell bij. Een lijstje, waaraan je wat ons betreft gerust ook nog die van Arthur Alexander en Solomon Burke mag toevoegen. Sweany is naast een intrigerende songsmid en een verbluffend goede gitarist immers vooral ook een geweldige zanger. Dat hoor je vooral in wat rustigere dingen als het zich wellustig in “de blues” wentelende “Every Night Every Day”, het van de soul bulkende “The Island” en het afsluitende “Terrible Years”. Stuk voor stuk machtige dingen, die songs! Maar dat geldt voor wel meer liedjes hier! Zoals voor de bezwerende lome rocker “Every Gun” bijvoorbeeld, voor het op sympathieke wijze een brug tussen pop en blues slaande niemendalletje “Deep Water” ook, voor het radiovriendelijke R&B-opstootje “Just One Night” en zeker ook voor de ongemeen funky aandoende swamprocker “Working For You”. Met materiaal van dat magistrale kaliber presenteert Sweany zich andermaal als “een hele grote meneer”. Dit is Bluesrock met een vette hoofdletter B!

Patrick Sweany, Nine Mile Records, Sonic Rendezvous

 

TOO SLIM AND THE TAILDRAGGERS “Blue Heart” (Underworld Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

In het voorbije 2012 verkaste Tim “Too Slim” Langford naar Nashville. En het was daar ook, dat hij onder de productionele hoede van Tom Hambridge en met de nodige studiobijstand van (voormalige) muzikanten uit onder meer de begeleidingsgroepen van Stevie Ray Vaughan en Delbert McClinton zijn nieuwe plaat inblikte. Dat album, “Blue Heart”, de opvolger van het uitstekende “Shiver” van twee jaar geleden, blijkt in z’n geheel wat ruiger dan we dat ondertussen van Langford en co gewoon waren geworden. Zijn gitaarwerk blijkt hier alleszins nog wat penetranter dan voorheen. Met name dan in typische Langford-bluesrockers als het hortend en stotend de feestelijkheden hier voor geopend verklarende “Wash My Hands”, het z’n titel wat ons betreft nu niet meteen waar makende “Make It Sound Happy” en het stomende “New Years Blues”. Maar zelfs in een (valse) trage als “Minutes Seem Like Hours” of in eerder traditioneel opgevat spul als de harmonicaschuifelaar “Blue Heart” of de door Jimmy Hall van Wet Willie gezongen klassieke bluessleper “Good To See You Smile Again” kan je ons inziens niet om dezelfde vaststelling heen. Langfords snarenspel klinkt hier echt wel messcherp. En dat draagt bij nader inzien alleen maar bij tot zo menig een beklijvend moment. Zo kan je er bijvoorbeeld nu al donder op zeggen, dat naast de meeste van de hier eerder al opgesomde nummers ook het voorzichtig funky aandoende “Shape Of Blues To Come” en het al “slidend” ingeleide “Preacher” snel live-favorieten zullen gaan worden.

Too Slim And The Taildraggers, Sonic Rendezvous

 

LANDSTROM “Land Of Nowhere” (Kullsta Records / Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Landstrom is de “nom de plume” van het Zweedse echtpaar Carina Landin en Göran Lindström. En dat is met “Land Of Nowhere” al aan zijn tweede cd toe. Exact twee jaar na z’n al lovend onthaalde debuut “In The Bright Daylight” trakteert het tweetal andermaal op een royale dosis “Scandicana”. Net geen veertig minuten lang weten Landin en Lindström uit het leven op de buiten in het Noorden van hun thuisland de allermooiste alternatieve countrydeuntjes te puren. Bij momenten sterk filmisch van karakter, met afwisselend vocale hoofdrollen voor beide protagonisten. En vaak zelfs ook samen. Met Landin in de rol van eigentijdse sirene en Lindström als sonoor tegengewicht daarvoor. De sterkste momenten, vroeg je? Wel, dat zijn wat ons betreft zondermeer het geluidsgewijs ergens tussen Daniel Lanois en Buddy Miller gestrande “Open Spaces” en het zijn titel aan dit setje verlenende “Welcome To The Land Of Nowhere”. Dat is echt “breedbeeld-Americana” van de bovenste plank, waardoor met name liefhebbers van dames als een Emmylou Harris en een Patty Griffin zich maar wat graag zullen laten inpakken. Ook heel erg goed: het eigenzinnige net-niet-walsje “To My Dearest”, het ons qua sfeer best wel wat aan de soundtrack van de legendarische tv-reeks “Twin Peaks” herinnerende “Up The Chimney” en het in vergelijking met het gros van de rest hier wat steviger uit de hoek komende “Travellin’ In Time”. Kort samengevat: verrassend goed.

Landstrom, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

THE WYNNTOWN MARSHALS “The Long Haul” (Wynntown Recordings)

(5*****)

“Dat zonder ook maar de minste schroom voor zichzelf een plaatsje naast het beste van acts als Ryan Adams, Wilco en de Jayhawks opeisende visitekaartje moet zowat het allerbeste in Europa gemaakte alternatieve country-album ooit zijn,” schreven we hier in het voorjaar van 2011 over “Westerner”, het volwaardige plaatdebuut van de vanuit Edinburgh actieve Wynntown Marshals. En dat bleef ook zo. Tot nu, that is! Met hun nieuwe schijf doen de vier Schotten nu immers gewoon nog een beetje beter. Waren de songs op “Westerner” al uitstekend, op “The Long Haul” zijn ze gewoonweg briljant! Catchy as hell! Drijvend op wolken van melodieën en vrijwel zonder uitzondering tot de nok toe gevuld met parelend gitaarwerk en regelmatig ook broeierige toetsenklanken. En dan is er natuurlijk nog de zang van Keith Benzie. Wat een heerlijke schuurpapieren stem heeft die man toch! Echt wel de perfecte match voor het hier door de Marshals aangeboden liedgoed. Dingen als de “Americana meets Heartland rock” van het door vurige gitaren aangejaagde openingsnummer “Driveway”, de melodieuze alternatieve countryparel “Canada”, het door een zekere popinslag opvallende rootsy tweetal “Whatever It Takes” en “North Atlantic Soul”, de zich een weg tot diep onder je huid banende ballades “Whatever It Takes” en “Curtain Call”, het loom rockende en zodoende enigszins onheilspellend uit de hoek komende “Tide” en andere. Met speciale vermeldingen nog voor het (pedal)steelzwangere “The Submariner” en de afsluitende trage “Change Of Heart”, al was het alleen al maar, omdat in dat laatste deuntje Diane Christensen van het lichtjes fantastische Dolly Varden vocaal een duit mee in het zakje komt doen. Tien songs, tienmaal vol erop! En net als indertijd al voor “Westerner” van onzentwege ook voor “The Long Haul” weer de volle vijf sterren dan ook! Een veelzeggende titel trouwens, dat laatste. The Wynntown Marshals lijken inderdaad nadrukkelijk “in it for the long haul”…

The Wynntown Marshalls

 

BILLY PRICE “Strong” (DixieFrog / Bertus)

(4****)

Van een toepasselijke titel gesproken! Dat ene woordje zegt eigenlijk gewoon alles over de nieuwe plaat van Billy Price. A very strong one indeed! Erg hoge ogen gooiend in de afdeling eigentijdse R&B alleszins. En eigenlijk hadden we gewoon ook niets anders verwacht van Price natuurlijk! Hij mag ondertussen misschien al flink wat minder haren hebben, hij klinkt nog altijd even indrukwekkend als in zijn vaak geprezen (hoog)dagen langs en voor gitaarlegende Roy Buchanan indertijd. De soul druipt er met andere woorden nog altijd met bakken tegelijk van af. En als het liedjesmateriaal dan ook nog eens van een dergelijke kwaliteit is als hier, dan krijg je natuurlijk een buitengewoon lekkere plaat. Bij momenten heerlijk funky, zoals in het met het nodige koperwerk gelardeerde “Drivin’ Wheel”, het net niet té obsceen met de heupen shakende “Let’s Go For A Ride” en de James Brown-cover “Never Get Enough”. Elders erg nadrukkelijk naar old school soul overhellend. “Sweet Soul Music” bijvoorbeeld is precies dat. Evenals het door Steve Delach met wel heel erg subtiele gitaarklanken besprenkelde “Gotta Be Strong” en “Diggin’ A Hole”. “The Lucky One” laat zich dan weer eerder omschrijven als lome late night jazz, “I’ve Got Love On My Mind” snakt tegen een nerveus ritme aanhikkend R&B-gewijs naar Memphis en het door gast Monster Mike Welch van pittig gitaarwerk voorziene “Part Time Love” is een heerlijke krolse bluessleper.

Billy Price, DixieFrog

 

STATESBORO REVUE “Ramble On Privilege Creek” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het over de Statesboro Revue hebben staat op de keper beschouwd eigenlijk vooral gelijk aan praten over Stewart Mann, een zoveelste buitengewoon begenadigde singer-songwriter afkomstig uit muziekstad par excellence Austin. Die Mann blijkt immers duidelijk de spil van dat bandje, dat verder bestaat uit zijn broer Garrett (gitaren, percussie, piano en backing vocals) en maatjes Ben Bradshaw (bas, piano en percussie) en Mike Peters (drums en percussie). Op de opvolger van hun al in 2008 uitgebrachte en door de vermaarde David Z geproduceerde debuut “Different Kind Of Light”, het zopas verschenen “Ramble On Privilege Creek”, presenteren Mann en co zich in heuse bloedvorm. Twaalf nummers lang vertalen zij op buitengewoon soulvolle wijze klassieke Amerikaanse roots  & roll naar het hier en nu. Je hoort roots en Southern rock versus zalig breed gehouden Texicana. Groovy schuifelrockend zoals in openingsnummer “Fade My Shade Of Black”, old-timey verhalend zoals in “Huck Finn”, rootsy uithalend zoals in het machtige “Love Run Easy”, uitermate bezield croonend zoals in de bloedmooie slepers “Cold November” en “Live A Little”, op z’n Black Crowes rockend zoals in het greasy “Half Mile To Lincoln” en “Hands On The Sun” of gewoon countryesk tout court zoals in het catchy, ons wel wat aan The Band herinnerende “Lil Mary’s Last Stand”. Een aanrader!

Statesboro Revue, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

STACIE COLLINS “Shinin’ Live” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Southern rockin’, harp-howlin’, twang-bangin’ rock ‘n’ roll! Op 20 en 21 oktober van vorig jaar live ingeblikt in de Bootleggers Bar in het Engelse Kendal. En sinds kort nu ook verkrijgbaar als een volstrekt niets, maar dan ook werkelijk niets te wensen overlatende cd-dvd-combinatie. Je weet wel, één van die buitengewoon klantvriendelijke Blue Rose Records-live-gehelen, waarvan we er de laatste jaren al zoveel mochten begroeten! En daarop geven Stacie en Al Collins, Jason Graumlich en Brad Cummings hem ruim zevenenzeventig minuten en zestien nummers lang serieus van jetje. Eigen songs als “Baby Sister”, “Ramblin’”, “I Won’t Do Ya Like That”, “Hey Mister”, “Get In Line”, “Carry Me Away”, “On Top Of That Mountain”, “Tied To You”, “It Hurts To Breathe”, “Show Your Mama” en “Don’t Doubt Me Now” passeren de revue, maar ook “vreemde eenden in de bijt” als Willie Dixons “I Don’t Care Who Knows”, Gram Parsons’ “Ooh Las Vegas”, “If You Wanna Get To Heaven” van de Ozark Mountain Daredevils, Clarence Carters “I Ain’t Got You”, “Jumpin’ Jack Flash” van de Stones en “It’s A Long Way To The Top (If You Wanna Rock ‘n’ Roll)” van AC-DC moeten eraan geloven. En hoe! Hier één keer naar kijken en/of luisteren betekent ongetwijfeld, dat je bij de eerstvolgende doortocht van Collins en co doorheen ons apenlandje niet snel genoeg aan kaarten zal kunnen geraken om er toch maar bij te kunnen zijn! Onvoorstelbaar, welk een energie er van deze vrouw en haar band The Al-Mighty Three uitgaat! Een heuse moordgriet met een hese moordstem, een geregeld zalig scheurende harmonica ook, een supergitarist en een geweldig op elkaar ingespeelde ritmetandem! Kortom: alles klopt hier gewoon! Really kicks ass! Niet te missen!

Stacie Collins, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DIVERSE ARTIESTEN “Songwriters Across Texas Vol. 1” (Songwriters Across Texas / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“The Songwriters Across Texas Show” is het muzikale geesteskind van ene Pitt Garrett. Die hoopt met dat televisie-evenement ook voor minder bekende singer-songwriters uit de Lone Star State deuren naar een wat groter publiek te kunnen opentrappen. In plaats van op de enkele honderden bezoekers van gigs mikt hij alvast op ettelijke duizenden tv-kijkers. En daartoe bedient hij zich van de speciaal voor deze gelegenheid in het leven geroepen Songwriters Across Texas Band, bestaande uit meester-gitarist Redd Volkaert, pianist Nick Connolly, bassist Billy Horton en drummer Wes Starr. In de vermaarde Broken Spoke-dance hall begeleidden zij respectievelijk Leeann Atherton, Steven Collins, Dale Watson, Josh Allen, Amanda Cevallos, Omar Dykes en Redd Volkaert zelve. Alvin Crow, Brennen Leigh en Armadillo Road deden respectievelijk alles zelf of lieten zich door anderen bijstaan. Het resultaat: een lekker bont potje live-opnamen, variërend van klassiek Texaans songwriterspul (Athertons lezing van Garretts “Dreams”, Crows “West Texas Wind”, Allens “Dust This Town”, Cevallos’ “Jose Guadalupe”) tot eerder alternatief aandoende country (Collins’ “Ain’t No Music”, Leighs licht swampy getinte “Are You Still Takin’ Them Pills”, de Armadillo Road-ballade “Annie”), pure honky-tonk (Watsons “I Lie When I Drink”, Dykes’ “Drunkards Paradise”) en stomende Texas Swing (Volkaerts “She Loves Anything That Swings”). En als dusdanig eigenlijk gewoon net zo leuk als het muziekgebeuren daar in het verre Austin doorgaans zelve.

Songwriters Across Texas, Sonic Rendezvous

 

OH MY DARLING “Venez Danser” (Oh My Darling Musique)

(3,5****)

Het hoeft voor ons niet altijd veel te zijn, als het maar goed is… En dat is wat Marie-Josée Dandeneau, Vanessa Kuzina, Allison De Groot en Rosalyn Dennett op “Venez Danser” brengen zeer zeker. Het als Oh My Darling door het leven stappende viertal uit het Canadese Winnipeg gaat daarop volop voor folk, bluegrass en Appalachen-old-time in het Frans. De vier jongedames willen zodoende naar eigen zeggen op speelse wijze een lans breken voor “la beauté de la langue et de la culture française”. En daarbij bedienen ze zich zowel van eigen liedgoed als van overgeleverd materiaal. Het dartel-cajuneske, onder andere door Dewey Balfa’s “J’ai Eté Au Bal” geïnspireerde “Ma Belle” is van dat laatste meteen een heel goed voorbeeld. De werkelijk bloedmooie neo-traditionele folkballade “La Valse D’Evelina” is vervolgens dan weer eigen spul van de tandem Dandeneau-Kuzina, voor “Champ De Bataille” gebruikte men als uitgangspunt de poëzie van Louis Riel en voor het lentefrisse titelnummer tekende de familie Dandeneau kort na een fijne ervaring als ambassadeur van het in hun thuishaven georganiseerde “Festival du Voyageur”. Ook héél mooi: de op de keper beschouwd best wel wat nerveus aandoende De Groot-Dennett-banjo-viool-instrumentale “Encre De Plume”, een doorleefde lezing van de traditional “À La Claire Fontaine” en (in iets mindere mate) een zonder titel gebleven verborgen bonusje. Samen goed voor zo’n eenentwintig minuten eigentijds rootsmuziekplezier van de bovenste plank. Zoals hier eerder al ergens gesteld: niet bijster veel, maar wel héél erg goed! Moet je wel van houden!

Oh My Darling

 

MASSY FERGUSON “Victory & Ruins” (Spark & Shine / Sonic Rendezvous)

(4****)

Derde volwaardige worp, vijfde in totaal, voor het vanuit Seattle actieve kwartet Massy Ferguson. En daarop doen de vier heren gewoon verder datgene, waarin ze zich in het verleden al meermaals zo goed toonden. Meer bepaald het uitgebreid verkennen van het grensgebied tussen genres als roots en Southern rock en alternatieve country. Namen als Son Volt, The Bottle Rockets, The Backsliders en The Blasters lijken uitermate geschikt als referenties. Springsteen en de Jayhawks hier en daar ook wel. De sterkste momenten, wou je weten? Wel, dat zijn er behoorlijk wat. “2 AM Beauty Queen” vonden wij er zeker één. Klinkt zo ongeveer als “The Boss going Southern rock”. Prachtig ook: de ergens tussen Americana en (roots)pop strandende semi-ballade “Everything’s Done”. En het ons “en passant” een heel klein beetje aan Tom Petty herinnerende (roots)rockertje “Labour In Vain” ook. Of “The Hard Way”. Opnieuw zo’n knappe “valse trage”, ditmaal bovendien gedeeld met huisfavorietje Zoe Muth. En “what about” het ouderwets fijntjes twangende “Flexed-Arm Hang”, het ondermeer door de toetseninbreng van Tony Mann geluidsgewijs behoorlijk nadrukkelijk richting de E Street Band evoluerende tweetal “Compromised Intentions” en “Wait Love Maybe” of het subtiele “Apartment Downtown”? Stuk voor stuk erg, erg knappe liedjes! Een week of twee op de playlist van enkele van de betere Radio 1- en StuBru-dj’s en dit verkoopt ook hier vlotjes! Wedden?

Massy Ferguson, Sonic Rendezvous

 

WILLIE NILE “American Ride” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Wat een plaat! Wow! Voor een splinterbom van dit kaliber mag je ons graag elke dag opnieuw uit onze luilekkere zomerse hangmat komen kieperen! Wat Willie Nile op deze nieuwste van ‘m doet is immers niets minder dan glorieus terugkeren naar de essentie van rock  & roll. “I definitely think it’s as good a collection of songs as I’ve ever put together,” aldus de beste man zelf erover. En of hij daarmee gelijk heeft! Gelijk van bij het ons op sprankelende wijze met de neus op de feiten drukkende, melodieus rockende openingsnummer “This Is Our Time” is duidelijk, dat Nile zijn loyale fans ditmaal met iets wel héél speciaals heeft willen belonen. Zij waren het dan ook, die deze schijf volledig bekostigden. Amper vier dagen hadden ze ervoor nodig om de Amerikaanse rocker via PledgeMusic het door hemzelf met betrekking tot een nieuwe plaat vooropgestelde financiële doel te helpen bereiken. En dat moet hem, afgaande op het op “American Ride” gebrachte, ontzettend veel deugd hebben gedaan! Samen met z’n vaste begeleidingsgroep, bestaande uit gitarist Matt Hogan, bassist Johnny Pisano en drummer Alex Alexander, en muzikale gasten als de ondermeer van zijn werk voor Rosanne Cash bekende snarenvirtuoos Steuart Smith en lokale singer-songwriters James Maddock en Leslie Mendelson presenteert hij elf, zonder uitzondering buitengewoon knappe nieuwe eigen liedjes en een al even prima cover van Jim Carrolls “People Who Died”, opgedragen aan de schrijver ervan zelve en zijn eveneens overleden eigen broer John. Veelal zalig melodieus wegrockend, maar zeker niet uitsluitend. Ook rustigere momenten zijn er meer dan voldoende. Zoals de mooie sleper “She’s Got My Heart”, de al even gevoelige pianoballade “The Crossing” of het zich ook al meteen knus tussen je oren nestelende titelnummer – een soort van eigentijdse road song – bijvoorbeeld. Maar onze voorkeur gaat hier toch vooral uit naar lekker wild aan hun kettingen snokkende dingen als het hoger al genoemde tweetal “This Is Our Time” en “People Who Died”, het al even vurige “God Laughs”, het de kritische roede voor religieuze fanatiekelingen bepaald niet sparende “Holy War”, het over een verkapte rockabilly beat heen gedrapeerde “Say Hey” of het ingehouden stomende “Life On Bleecker Street”. Met dat soort van liedjes tekent de ogenschijnlijk eeuwig jong van hart blijvende Willie Nile hier naar ons gevoel voor wat straks als één van dé platen van 2013 zal worden onthouden. Van ganser harte aanbevolen derhalve ook!

Willie Nile, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

RED DIRT RANGERS “Lone Chimney” (Ranger Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Voor de Red Dirt Rangers staat 2013 in het teken van een jubileum. Precies vijfentwintig jaar staan de heren ondertussen immers samen in het vak. Reden genoeg voor een feestje! En dat vierden ze samen met de ondermeer van zijn werk met de Tractors en in de entourage van Bob Dylan bekende producer Steve Ripley. Hij en gastmuzikanten als een John Fullbright, een Lloyd Maines, een Randy Crouch en een Fats Kaplin waren het, die Brad Piccolo, Ben Han en John Cooper naar hun naar onze bescheiden mening meest ambitieuze worp tot op heden stuwden. Aan variatie alvast geen gebrek “this time around”! Via het heerlijk groovy, overduidelijk door Leon Russell geïnspireerde “Where The Arkansas River Leaves Oklahoma” gaat het zo al snel richting het op een bezwerende lome funky beat rustende “Heaven And Hell”, het heerlijk zwierig op de goed bevolkte dansvloer van de één of andere Texaanse dance hall mikkende “Without My Baby”, de daar nog even hangen blijvend tot wat intiemer lichamelijk contact met de danspartner uitnodigende trage “Oh Angel” en de berustende country-schuifelaar “Take Life As It Comes”. “Main Street USA (Rt. 66)” blijkt vervolgens een goed in de hand gehouden kruisbestuiving van rock & roll, R&B en boogie woogie, de aparte muzikale flou van “Strawberries And Watermelons” herinnert voorwaar zelfs even aan de hoogdagen van het hippiegebeuren en “Blindsided By Love” is gewoon een erg lekkere streep klassiek opgevatte countryrock. En dan hadden we het nog niet over “I Dreamed That I Had Wings” (zomers lijzige singer-songwriter country met een voorzichtig bluesy ondertoontje), “Honky Tonk History” (Wat dacht je met die titel…?), “All I Need Is You” (gewoon een heel fraai rootspopliedje), “Lone Chimney” (“trippy” cosmic American music) en “Work It Out” (een soulvol streepje swamp pop/rock). Een snedige eindspurt van een peloton erg goed op dreef zijnde Americana-songs!

Red Dirt Rangers, Sonic Rendezvous

 

KARA GRAINGER “Shiver & Sigh” (Eclecto Groove Records)

(4****)

Met “Shiver & Sigh” lijkt de jonge Australische Kara Grainger nu wel helemaal klaar voor een doorbraak op grote schaal. De ondertussen vanuit L.A. aan de weg timmerende schone gooit op haar derde worp immers resoluut al haar troeven op tafel. En die blijken niet gering van aard. Je zou Grainger zomaar kunnen zien als een jonge, veel knappere uitvoering van Bonnie Raitt. Alleen is het natuurlijk wél zo, dat je met een dergelijke vergelijking eigenlijk geen van beide dames echt een plezier doet. En dus beperken we ons hier ook maar tot het wijzen op een aantal toch wel erg frappante gelijkenissen. Net als Raitt is ook Grainger wat onze Amerikaanse spitsbroeders graag mogen omschrijven als “a triple threat”. Ze kan met andere woorden op drie fronten veel meer dan alleen maar haar mannetje staan. Eerst en vooral als zangeres. Grainger beschikt over een ongemeen soulvol stel “pipes”. En precies die lenige stembanden zijn het, die wellicht voor eeuwig en altijd vergelijkingen met Bonnie Raitt zullen blijven voeden. Maar goed, da’s natuurlijk bepaald geen schande! Evenmin als het feit, dat ze net als La Raitt een begenadigde slidegitariste is. En – Last but not least! – een prima liedjesschrijfster. Die gave etaleert ze op “Shiver & Sigh” vijfmaal. Een eerste keer in het openingsnummer, het groovy, tussen blues en roots in vallende “Little Pack Of Lies”. En verderop ook nog in de buitengewoon radiovriendelijke en werkelijk van de soul bulkende rootspopdeun “Lost In You”, het schuifelbluesje “I’m Not Ready” en het heerlijk funkende tweetal “Shut Down” en “You’reThe One”. Voorts op deze door David Z geproduceerde derde van Grainger enkel nog materiaal van anderen. Het sfeervolle, bij Kevin Bowe geleende titelnummer bijvoorbeeld, het door toetsenman Mike Finnigan met een flinke geut boogie besprenkelde “No Way You Can Hurt Me Now” van Bruce McCabe, de soulvolle schuifelaar “Holding Out For Love” van labelmaatje Mike Zito, het ondeugende, volop in ongemeen sfeervolle slide- en harmonicaklanken badende “C’mon In My Kitchen” van Robert Johnson, het met de blik nadrukkelijk richting Memphis gebrachte, door het duo Al Jackson Jr. en Timothy Matthews gepende overspelliedje “Breaking Up Somebody’s Home” en Wayne Perkins’ deels jazzy, deels bluesy ingekleurde coda “Overdue For The Blues”. Grainger brengt het samen met toppers van muzikanten als Hutch Hutchinson, Mike Finnigan, James Gadson, Jimi Bott, Kirk Fletcher, Josh Sklair, haar broer Mitch, Lenny Castro en The Pacific Coast Horns. Om het met de woorden van haar producer samen te vatten: “Kara Grainger is the real deal!”

Kara Grainger, Eclecto Groove Records

 

DAVID OLNEY “Predicting The Past” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Voor het tweede volume van z’n “Rootsy Approved”-reeks wist het gelijknamige Zweedse label een echte klepper te strikken. Na dat van Will Kimbrough krijgt nu immers het oeuvre van grijze singer-songwriter-eminentie David Olney een liefdevolle beurt. Verspreid over twee schijfjes krijgen we zo respectievelijk “Predicting The Past”, het pas dit najaar in de States te verschijnen nieuwe album van de songsmid, en “A Retrospective 2000-2012”, een bloemlezing met het nodige fraais van eerdere Olney-albums als “Omar’s Blues”, “One Tough Town”, “Dutchman’s Curve”, “Film Noir”, “The Stone” en “Robbery Is Murder”. Dat tweede lijkt ons vooral interessant voor vooralsnog niet-ingewijden. Zij kunnen op die manier immers al eens voorzichtig kennismaken met de man die door de grote Townes Van Zandt bij leven en welzijn ooit openlijk tot zijn persoonlijke favorieten gerekend werd. Naast Mozart, Lightnin’ Hopkins en Bob Dylan “that is”. “A special one” dus. En dat illustreert ook zijn door collega Paul Burch geproduceerde en met snarentovenaar Mark “Sergio” Webb ingeblikte nieuwe weer zestien nummers lang. Straffe verhalen à volonté daarop naar goede gewoonte. En ook op muzikaal vlak gebeurt er een klein uur lang nogal wat. “Girl Up On A Hill” rolt zo bijvoorbeeld heerlijk weg over een moot bluesy R&B, “A Long Time Ago” is klassieke songwriter Americana, “Jama Ball” stoeit met een old-time-motiefje, “We’re All Innocent In Here” frequenteert dezelfde ongure (eclectische) achterbuurten, waar Tom Waits ook wel eens tegen een lege vuilnisbak durft te trappen, “Johnson City Blues” blijkt op de keper beschouwd veel meer country- en popgetint dan z’n titel dat laat uitschemeren, “Long Gone Daddy” is buitengewoon sfeervolle jazz & roots en het pakkende “There Was A War” heeft mede door Webbs buitengewoon subtiele Spaanse gitaarbijdrage iets ontegensprekelijk Zuiders over zich. “You Never Do” neigt vervolgens nadrukkelijk naar klassiek geschoolde rock & roll en het gitaarzwangere “Lampshades” is dat ook effectief. “Smoke On Ice” blijkt op zijn beurt dan weer een zich tussen aantrekkelijk “twangy” uit de hoek komende gitaarklanken ontrollende lap kwaliteits-Americana. Enfin, je hebt ondertussen natuurlijk allang begrepen, dat Olney en Burch hier en nu iets heel speciaals voor je in petto houden. En de vraag die zich wat ons betreft zo stilaan opdringt is dan ook: moeten we je “Predicting The Past” bij wijze van afsluiter nog wel van harte aanbevelen? Neen, toch?

David Olney, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

SHINYRIBS “Gulf Coast Museum” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Leek het ooit nog gewoon te gaan om een ordinair soloprojectje, waarin hyperactief Gourds-kopstuk Kevin Russell zijn (overtollige) ei(eren) kwijt kon, dan gaat die ballon ondertussen duidelijk niet langer meer op voor Shinyribs. Ettelijke personeelswissels verder lijkt onderhand met bassist Jeff Brown, drummer Keith Langford en toetsenist Winfield Cheek immers zoiets als een definitieve line-up te zijn gevonden. En die zorgt, aangevuld met occasionele gastvocalisten Brandy Zdan en Sally Allen en klarinettist Ben Safer, op de opvolger van “Well After Awhile” van ondertussen zo’n drie jaar geleden, complexloos voor een reeks nieuwe niet te versmaden muzikale snuisterijen. Meteen behoorlijk vertrouwd aandoende hebbedingetjes, waarin met name de elementen country en soul vrijwel voortdurend een behoorlijk prominente rol spelen. En natuurlijk ook Russells teksten weer. Maar dat is ondertussen allicht allang oud nieuws. En dat in schril contrast met de keuze van de enige cover hier. Die verrast namelijk nog wél nadrukkelijk. Het blijkt daarbij immers te gaan om een buitengewoon eigenzinnig ingevulde versie van de Harold Melvin & The Bluenotes-soulhit uit ’72, “If You Don’t Know Me By Now”. Met enkel een ukelele en de stemmen van Russell zelf en gast Brandy Zdan van het onvolprezen Twilight Hotel. Echt wel bloedmooi! Net zoals het op een aparte manier funky aandoende “Sweeter Than The Scars” trouwens, de aan het zomerse leven van alledag in westelijk Texas gewijde en ons louter muzikaal gezien in de verte een heel klein beetje aan iets van soullegende Percy Sledge herinnerende ballade “Limpia Hotel (Chihuahua Desert)” ook en “Bolshevik Sugarcane” en “Sweet Potato” (“Likely the only song in existence that sounds like Prince backed by The Band,” aldus, niet geheel onterecht, die van platenlabel Nine Mile Records.), twee songs die Russell live al een poosje langer met zich meezeulde en die nu eindelijk ook op plaat beland zijn. Willen of niet, hier moet je wel van houden! En dan bedoelen we: minstens even intens als van “het moederschip”, The Gourds dus. Warm aanbevolen!

Shinyribs, Nine Mile Records, Sonic Rendezvous

 

ELLIOTT MURPHY “It Takes A Worried Man” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Heel even worden we door songsmid Elliott Murphy bij het begin van zijn nieuwe cd “It Takes A Worried Man” op het verkeerde been gezet. Het openingsnummer daarvan, een best wel leuke uitvoering van de traditional “Worried Man Blues” presenteert hem immers als een soort van eigentijdse reïncarnatie van de grote Woody Guthrie. Murphy op de folktoer met andere woorden. En dat hadden we nu niet meteen zien aankomen… En het bleek bij nader inzicht dus ook enkel maar even wat zand in onze ogen. Gelijk van bij het meteen op dat entreetje volgende en überhaupt behoorlijk pittig uit de startblokken schietende “Angeline” wordt immers duidelijk, dat ’s mans schare hondstrouwe vaste volgelingen absoluut niets hoeft te vrezen. Murphy gaat hier heus geen gekke dingen doen! Wel integendeel! “Good ol’ Elliott” rockt hier bij momenten zelfs gewoon lekkerder dan ooit tevoren! Geflankeerd door zijn Normandy All Stars en met her en der wat bijkomende assistentie van onder anderen zoon Gaspard en toetsenmaestro Kenny Margolis verdeelt de veteraan de aandacht “this time around” keurig over door hemzelf in z’n eentje of samen met z’n vaste snarensecondant Olivier Durand gepende liedjes. Tussen pop en rock ook wel. Met een zekere voorkeur voor dat laatste genre dan, dat wél. En dat levert “en passant” nogal wat nieuwe “soon-to-be Murphy classics” op. Het deluxe-rockertje “Angeline” noemden we hoger al even. En dat verdienen dingen als het buitengewoon spitante “Murphyland”, de “valse trage” “Then You Start Crying” of de “love gone wrong song” “He’s Gone” ons inziens zeker ook. Om nog maar te zwijgen over het zich als aardig soulvol outende “Little Bit More” en het toch ook nog even – zij het veel minder opvallend – met Americana flirtende “Eternal Highway”. Sterk spul zonder meer!

Elliott Murphy, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

PI JACOBS “Urbanicana” (ThatCrazyChick Music)

(3***)

Voor haar vijfde cd werkte de hier vooralsnog niet erg bekende Amerikaanse singer-songwriter Pi Jacobs samen met de onder meer om zijn werk met chart toppers als Kanye West, Mya en Brandy geroemde producer Eugene Toale. En dat leverde op de keper beschouwd inderdaad het voorafgaand daaraan door de vanuit San Francisco actieve schone beoogde spanningsveld op. Haar eigen rootsy rockbenadering van het hier gebrachte materiaal en de hip-hopaanpak van Toales maken immers dat de songs op “Urbanicana” soundgewijs ergens tussen (funky) rock en Americana stranden. Tussen urbaan en landelijk, als we tenminste Jacobs zelf op haar woord mogen geloven. En vandaar dus ook die plaattitel! De vlag die een met amper zes songs toch eerder magertjes uitvallende lading dekt. Wij onthielden daarvan vooral het sfeervolle, als het ware van z’n ingehouden spanning levende “Got It”. Met name dat liedje en de ongemeen performante stem van Jacobs zouden wij toch nog als verkoopargumenten voor dit schijfje durven te gebruiken.

Pi Jacobs

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home