CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

MARK BILLINGHAM & MY DARLING CLEMENTINE “The Other Half” - RONNIE FAUSS “Built To Break” - THE PALOMINOS “Sweet Misery” - DANIEL ROMANO “If I’ve Only One Time Askin’” - STEVIE AGNEW & HURRICANE ROAD “Bad Blood & Whiskey” - WATKINS FAMILY HOUR “Watkins Family Hour” - TRAILHEAD “Leave Me To Learn - Solo Acoustic” - THE TEXAS HORNS “Blues Gotta Hold Me” - HOLLIS BROWN “3 Shots” - LEFT LANE CRUISER “Dirty Spliff Blues” - DIVERSE ARTIESTEN “1995-2015 / 20 Years Blue Rose Records” - THE DOMESTIC BUMBLEBEES “Cheater” - THE STATESBORO REVUE “Jukehouse Revival” - BILLY PRICE & OTIS CLAY “This Time For Real” - THE DESLONDES “The Deslondes” - SONNY LANDRETH “Bound By The Blues” - MARJAN DEBAENE “The Sound Of The Beat” - RICKIE LEE JONES “The Other Side Of Desire” - ANNIE GALLUP “Ghost” - LINDSAY FERGUSON “Chameleon” - ADAM CARROLL “Let It Choose You” - JEFF PLANKENHORN “Live At The Saxon Pub”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

MARK BILLINGHAM & MY DARLING CLEMENTINE “The Other Half” (Hachette Audio)

(3,5****)

“The Other Half” staat voor een uniek samenwerkingsverband tussen Mark Billingham, Lou Dalgleish en Michael Weston King. De eerste één van de allerbeste thriller-auteurs van Engeland van het moment, de twee anderen samen als My Darling Clementine met “How Do You Plead?” en “The Reconciliation?” in een nog recent verleden goed voor twee van de knapste Britse countryplaten ooit. Het blijkt daarbij te gaan om een verhaal van Billingham, dat door Dalgleish en Weston King van een aanvullende soundtrack werd voorzien. Afwisselend vertelde stukjes en liedjes dus. Een zevental van deze laatste in totaal.

“The Other Half” vertelt op originele wijze het verhaal van Marcia, een in een bar in Memphis haar verleden als showgirl in Las Vegas en een tragisch liefdesleven achter zich latende schoonheid op haar retour. Beetje bij beetje leren we haar kennen, terwijl en passant in gesprekken met haar ook de levenslijnen van barflies als Paul, Ruby, Ray, Donna en anderen worden blootgelegd. Fijn, heel erg realistisch overkomend luistervoer indeed, dat uiteindelijk uitmondt in een soort van “Eind goed, al goed!”, als Marcia’s grote liefde Jimmy vanuit het niets plots terug komt opduiken.

Aan “The Other Half” werkten naast Billingham, Dalgleish en Weston King ook David Morrissey, Graham Parker en Florence King mee. Voor de productie ervan tekenden Michael Weston King en Colin Elliott.

In z’n geheel goed voor één enkele intense beluistering. (De meeste boeken lees je ook maar één keer, he…) Mits wat programmeerwerk echter ook een leuke mini-cd op het niveau van het eerdere werk van My Darling Clementine. Nadrukkelijk iets voor liefhebbers van traditionele country met één voet in het heden dus.

Mark Billingham, My Darling Clementine

 

RONNIE FAUSS “Built To Break” (Normaltown Records / PIAS)

(4****)

Net als z’n in 2012 verschenen vorige, “I Am The Man You Know I’m Not”, is ook Ronnie Fauss’ nieuwe worp “Built To Break” weer een ontzettend lekkere plaat geworden. Zelfverzekerder dan ooit knalt de Texaanse laatbloeier op die nieuwe van ‘m doorheen elf verse songs. Tien van eigen hand, de elfde, het beklijvende, nogal opzichtig naar de Johnny Cash classic “Ring Of Fire” verwijzende anti-liefdesliedje “Song For Zula”, geleend bij Matt “Phosphorescent” Houck.

Op dat “Built To Break” biedt Fauss ons eigenlijk bijna doorlopend het beste van twee werelden. Enerzijds etaleert hij weer ruim achtendertig minuten lang z’n bewonderenswaardige kunstjes als songsmid geschoeid op die o zo typische Lone Star State-leest. Anderzijds kruidt hij z’n twangy song-oogst ditmaal rijkelijk met rock & roll. In die mate zelfs, dat wij hier geregeld even moesten denken aan acts als de Replacements, de Bottle Rockets, Whiskeytown en de Old 97’s. En dat vinden wij tot nader order nog altijd excellent gezelschap.

Trouwens, over de Old 97’s gesproken, het kopstuk van die groep, de onvolprezen Rhett Miller, geeft ‘m hier ook zelf flink mee van jetje in de jachtige trucking song “Eighteen Wheels”, wat ons betreft meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Built To Break”. Samen met onder meer het enigszins punky opgevatte “Another Town”, het ook al bijzonder lekker wegrockende “A Natural End”, het door de ons voorheen volslagen onbekende Camille Cortinas van erg fijne backing vocals voorziene rustpuntje “The Big Catch”, het in duet met Jenna Paulette gebrachte Americana-meestampertje “Never Gonna Last” en de wervelende alt.-country sing-along “I’m Sorry Baby (That’s Just The Way It Goes)”.

Nice one, Mr. Fauss! A very nice one indeed…

Ronnie Fauss, Normaltown Records

 

THE PALOMINOS “Sweet Misery” (Randm Records)

(4****)

Hoe dicht kan je het werk van de legendarische Buck Owens en z’n Buckaroos benaderen zonder zelf die naam te dragen? Heel dicht klaarblijkelijk! Dat leert ons althans “Sweet Misery”, het eerste volwaardige album van de vanuit het Californische Chula Vista actieve viertal The Palominos. Net als op de voorganger ervan, de twee jaar geleden verschenen mini “Come On In”, regeert op die nieuwe schijf van zanger Lance Hawkins en de zijnen vintage country. En bij voorkeur vintage country Bakersfield style dan nog. Country van het type, waarmee in grote delen van de States ooit hele jukeboxen gevuld werden. Country rijk aan twang!

Vijftien tracks en ruim drie kwartier lang roepen met name Hawkins en z’n secondant op gitaar Thomas Zurek ongegeneerd de Buckster en Don Rich in herinnering. Vijftien nummers lang onderlijnen ze dat retro absoluut geen vies woord hoeft te zijn. Maar je hoeft ons wat dat betreft niet zomaar op ons woord te geloven, hoor! Probeer zelf bij gelegenheid maar eens dit hele album uit te luisteren zonder daarbij een krimp te geven! Stilzitten is hier hoegenaamd geen optie… Dingen als “Hello”, “I Don’t Care Why You’re Cryin’”, “No One’s Gonna Love You Like I Do”, “Folding Money” en vele andere swingen echt als de spreekwoordelijke tiet!

Samen met de nieuwe schijven van Dale Watson en Daniel Romano ons inziens zo ongeveer van het beste wat het countrygenre dezer dagen te bieden heeft!

The Palominos, Bandcamp, Randm Records

 

DANIEL ROMANO “If I’ve Only One Time Askin’” (New West Records / PIAS)

(5*****)

Ik denk, dat ik net m’n “plaat van het jaar” gehoord heb… “If I’ve Only One Time Askin’” heet ze en ze is van de jonge Canadees Daniel Romano. Die had me al eens midscheeps weten te raken met voorganger “Come Cry With Me” en flikt dat kunstje nu spelenderwijze opnieuw met z’n nieuwe worp. Dat moet immers zo ongeveer de allerbeste countryplaat zijn, die ik hier sinds de begindagen van Ctrl. Alt. Country al mocht bespreken. Ik weet het nu wel zeker: muzikale perfectie bestaat wel degelijk…

Presenteerde Romano zich op de cover van z’n vorige nog als een in de tijd verloren geraakt ver achterneefje van countryicoon Porter Wagoner, dan valt hij in z’n muziek vandaag de dag toch eerder op andere illustere voorbeelden terug. Met name voorgangers in de late sixties en vroege seventies lijken diepe sporen op ‘m te hebben nagelaten. En in de eerste plaats Gram Parsons dan. En all things countrypolitan ook wel. Vooral die laatste term kwam me met betrekking tot nogal wat liedjes op “If I’ve Only One Time Askin’” spontaan voor de geest. Iets waaraan het veelvuldig voorkomen van bijna steeds weer wollig warm aandoende strijkers en al even prominent aanwezige steelklanken allicht niet geheel en al vreemd zal zijn. Net als de o zo markante bariton croon van de man zelve overigens.

Romano’s vierde is op de keper beschouwd wel geen countryplaat pur sang. Daarvoor dwaalt de Canadese hipster immers wat al te graag ook in andere straatjes rond. Americana, singer-songwriter, pop, folk, het komt hier op de één of andere manier allemaal wel ergens aan bod. Maar de ondertoon is en blijft er als je het mij vraagt toch nadrukkelijk één van country. En van het eerder klassieke type zelfs. Maar dan wel met dat zekere je ne sais quoi, waardoor het ook anno nu allemaal prima te verkopen blijft.

Mijn luistertips: de vanuit een echt tot de rand toe met strijkers gevuld muzikaal bad richting de sterren gecroonde afrekening met een ontrouwe wederhelft “I’m Gonna Teach You”, het licht onderkoeld gebrachte, daar quasi perfect bij aansluitende “Old Fires Die”, het zacht swingende “Strange Faces”, de nu al klassieke streep traag honky-tonkvertier “All The Way Under The Hill”, de ook al waanzinnig mooie trage “The One That Got Away (Came Back Today)”, het even grappige, als tragische en terloops best wel een weinig aan de verhalende stijl van John Prine herinnerende “Two Word Joe” en zeker ook het geweldige titelnummer.

Daniel Romano, New West Records

 

STEVIE AGNEW & HURRICANE ROAD “Bad Blood & Whiskey” (Skimmin’ Stone Records)

(4,5*****)

Songsmid Stevie Agnew pakte voor ons zopas uit met één van dé platen van de zomer van 2015 so far. Die opvolger van z’n twee jaar geleden verschenen debuutalbum “Wreckin’ Yard” nam de Schot tussentijds op met z’n nieuwe begeleidingsgroep Hurricane Road. Een winnende combinatie, zo blijkt!

De dertien songs op “Bad Blood & Whiskey” zijn immers zonder uitzondering van het absoluut niet te versmaden type. Zich comfortabel nestelend ergens tussen Americana, country, folk en Heartland rock zullen ze zo menig een liefhebber van het betere lied probleemloos over de streep weten te trekken. De doorleefde “stories of love, war, passion, personal struggle and moonshine” van Agnew en z’n drummer Chris Smith zijn echte blijvertjes, dat weet je als geïnteresseerde al na één enkele beluistering zeker. Werkelijk alles valt erin op z’n plaats. De gruizig-hese voordracht van de beste man zelf vormt een eerste serieus pluspunt, z’n samenzang met pianiste Elaine Shorthouse, Ali Bell en anderen zeer zeker ook, net als het samenspel met z’n gehele band überhaupt eigenlijk. Werkelijk alles wordt hier ruim zesenveertig minuten lang in het werk gesteld om het liedje te laten floreren. En zo hoort het natuurlijk gewoon ook.

Zwakkere momenten troffen we op “Bad Blood & Whiskey” absoluut niet aan. En hier favorietjes beginnen aanwijzen wordt dan ook een uiterst precaire bedoening. Maar we wagen het er toch maar even op en noemen in één en dezelfde adem onder meer graag de ons voorzichtig aan de Eagles op de top van hun kunnen herinnerende countryrockballade “I Don’t How To Leave Her”, het daar perfect bij aansluitende, wat meer richting Americana overhellende “Take Me Home With You”, de swampy rocker “Moonshine”, de sublieme pianoballade “Drunk On You Again” en het al even sfeervolle “Bad Blood”.

Stevie Agnew & Hurricane Road, CD Baby

 

WATKINS FAMILY HOUR “Watkins Family Hour” (Family Hour Records / Thirty Tigers / Bertus)

(4****)

De naam Watkins Family Hour dook voor het eerst op in 2002. Zo’n dertien jaar geleden is het ondertussen inderdaad reeds, dat het je ongetwijfeld ook wel van Nickel Creek bekende tweetal Sean en Sara Watkins onder die noemer begon met z’n gesmaakte maandelijkse muzikale bijeenkomsten in Los Angeles’ club Largo at the Coronet. En nu is er voor het eerst ook een tastbare weerslag daarvan. Samen met Fiona Apple, Benmont Tench, Don Heffington, Greg Leisz en Sebastian Steinberg vereeuwigde het duo als de Watkins Family Hour immers elf covers van materiaal van anderen. En ik moet zeggen: ik ben een onvoorwaardelijke fan daarvan!

Gelijk van bij de door Sara Watkins gezongen adaptatie van Robert Earl Keens “Feelin’ Good Again” was ik al verkocht eigenlijk. Dat vond ik echt top-Americana! En dat bleek dan nog maar het topje van de ijsberg! Met een door Watkins en Apple gedeelde, lijzige vertolking van Harlan Howards “Where I Ought To Be” en een door haar broer Sean gedragen lezing van Roger Millers “Not In Nottingham” – Je vast ook wel bekend uit de Disney classic “Robin Hood”! – gaat het op hetzelfde elan verder richting een fraaie cover van de Fleetwood Mac-deun “Steal Your Heart Away”, een door Benmont Tench met een ware rokersstem gebracht “Prescription For The Blues” en een opnieuw door Sean Watkins bezield “Going Going Gone” van Bob Dylan. En daarmee zitten we nog maar goed halverwege!

Ook de traditional “Hop High”, het door George Jones grootgemaakte “She Thinks I Still Care”, het echt wel geweldige country-drinklied “The King Of The 12 Oz. Bottles”, Gordon Lightfoots “Early Morning Rain” en “Brokedown Palace” van de Grateful Dead moeten er nog aan geloven. Met zang van in die volgorde Sara Watkins, Sebastian Steinberg, Don Heffington en andermaal tweemaal Sara Watkins.

Zoals hoger al even gesteld: top-Americana dus!

Watkins Family Hour

 

TRAILHEAD “Leave Me To Learn - Solo Acoustic” (Requa Records)

(3,5****)

Met een titel als “Leave Me To Learn - Solo Acoustic” laat je bij nader inzicht eigenlijk nog maar weinig aan de verbeelding over. Dat nieuwe album van geboren en getogen Berliner Tobias Panwitz is immers inderdaad niks meer of niks minder dan een volledig akoestische uitvoering van ’s mans vorig jaar verschenen laatste album. En zelf noemt hij het dan ook “a companion to ‘Leave Me To Learn’”. Dezelfde liedjes, maar dan anders belicht. Gebracht, zoals hij ze ook live brengt, akoestisch en solo dus. Met de eigen stem, een piano, een gitaar en een ukelele als z’n enige bondgenoten.

En ook in die context blijven z’n “intelligente, goed in het gehoor liggende luisterdeuntjes met lange houdbaarheidswaarde” ons bekoren. Al dient daar dan wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat wij onze singer-songwriters zo eigenlijk gewoon het liefst mogen hebben. Ontdaan van alle (overbodige) franje nodigen liedjes ons inziens immers pas echt tot aandachtig luisteren uit. En laat dat nu net hun doel zijn!

Moet je wel van houden!

RIYL: Jackson Browne, Joseph Parsons en Ron Sexsmith.

Trailhead

 

THE TEXAS HORNS “Blues Gotta Hold Me” (VizzTone / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Blazers Mark ‘Kaz’ Kazanoff, John Mills en Adalberto ‘Al’ Gomez hebben hun sporen al ruimschoots verdiend. Vele jaren lang al duiken ze te pas en te onpas op, veelal in de rugdekking van anderen. Zo waren ze onder meer al in de weer samen met echte top acts als een Bonnie Raitt, een Buddy Guy, een Dr. John, Los Lobos, Los Lonely Boys en de Allman Brothers, om er maar enkele te noemen. Vreemd eigenlijk, dat het zo lang geduurd heeft, alvorens de drie ook eens met een eigen album uitpakten. Maar goed, het wachten daarop is met “Blues Gotta Hold Me” nu dus definitief voorbij. Liefhebbers van een lekker potje horn-driven blues op z’n tijd weten bij dezen meteen wat er hun te doen staat!

Zij worden met “Blues Gotta Hold Me” getrakteerd op een lekker gevarieerd geheel, bestaande uit min of meer gelijke delen aan originelen en covers. Tot de eerste categorie behoren onder meer het jachtige, door gasten Anson Funderburg en Nick Connolly op respectievelijk gitaar en B-3 mee onderbouwde “Soul Stroll”, John Mills’ “Kick Me Again”, het door good old W.C. Clark van tonnen jump soul voorziene “Cold Blooded Lover” en Kazanoffs z’n titel alle eer aandoende instrumental “Rippin’ And Trippin’”. In de laatste categorie vallen vooral het samen met Marcia Ball uit het grote songbook van Dave Bartholomew geplukte “Go On Fool”, een jazzy lezing van Percy Mayfields “Lost Mind”, een knappe uitvoering van diens naamgenoot Curtis’ classic “People Get Ready” en een uitermate swingend “Caldonia” op.

Voor de productie van al dat moois tekenden The Horns zelf. En essentiële bijstand was er naast van alle hoger al genoemden ook nog van ritmetandem Derek O’Brien (gitaar) en Barry ‘Frosty’ Smith (drums) en speciale gasten Roscoe Beck en Johnny Nicholas.

VizzTone Label Group

 

HOLLIS BROWN “3 Shots” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het heeft er op “3 Shots” werkelijk alle aanschijn van, dat die van Hollis Brown volop mikken op promotie naar de hoogste klasse van het Americana-veld. Zo ongeveer alles op die opvolger van “Ride On The Train” en hun tip of the hat aan het adres van de Velvet Underground “Hollis Brown Gets Loaded” ademt ambitie. En ontegensprekelijk ook een veel avontuurlijkere aanpak dan voorheen. Iets wat door de heren overigens ook in het geheel niet ontkend wordt. “We wanted a bigger drum sound, bigger guitars and a bigger record in general,” aldus zanger-gitarist Mike Montali dienaangaande. Iets waar ze onder de productionele auspiciën van Don DiLego wat ons betreft met brio in geslaagd zijn. Met een aangenaam gevarieerd geheel tot gevolg.

Openingsnummer “Cathedral” is zo bijvoorbeeld een over zo goed als z’n gehele duur tussen akoestisch en elektrisch twijfelende streep vlotte indie folk pop, in het geval van titelnummer “3 Shots” zouden we zelfs van pop of rock tout court durven te gewagen, het ruim de kaap van de zeven minuten rondende “John Wayne” lijkt aanvankelijk een aan een spaghetti western ontleend klaagliedje te zullen worden maar ontpopt zich ergens halverwege tot een heuse killer rock song, het daaropvolgende “Rain Dance” werd opgebouwd rond een liggen gebleven rhythm track van wijlen Bo Diddley en met “Sandy” belanden we oerplotseling zelfs even in Muscle Shoals-soulterritorium.

“Sweet Tooth” blijkt vervolgens dan weer toegankelijke rock van het soort dat bij warme temperaturen zoals die van de voorbije dagen uitstekend tot zijn recht komt, “Death Of An Actress” is een redelijk klassiek uitgevallen en derhalve ook behoorlijk radiovriendelijk uit de hoek komende ballad, “Highway 1” een uitermate sympathiek, met Americana-buitenbeentje Nikki Lane gebracht countryrockduet en “Wait For Me Virginia” een ons tegelijk aan de Stones in hun hoogdagen en zo menig een klassieke Southern rock act herinnerende beauty.

Hadden we dan nog niet gehad: het geheel en al akoestisch gebrachte en deels in het Spaans gezongen “Mi Amor” en afsluiter “The Ballad Of Mr. Rose”, een op werkelijk grootse wijze naar The Band op z’n top verwijzende “valse trage”, waarin ergens tussen country en roots rock pure schoonheid zomaar voor het oprapen lijkt te liggen. Saving the best for last noemen ze zoiets in de States

Hollis Brown, Blue Rose Records

 

LEFT LANE CRUISER “Dirty Spliff Blues” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Dirty Spliff Blues” is inmiddels ook alweer het vijfde album van het vanuit Fort Wayne, Indiana actieve collectiefje Left Lane Cruiser, maar wel hun allereerste als trio. Van dienst blijken daarbij ditmaal naast kopstuk Freddy Joe Evans IV (gitaar, orgel, zang) ook Joe Bent (bas, besnaard skateboard, zang) en Pete Dio (drums, trash). Met z’n drieën knallen zij hier door een tiental songs waarvan de grote meerderheid op eerder spontane wijze ontstond tijdens soundchecks voor optredens van hun liefst negen maanden durende jongste tournee doorheen de States en Europa. Freddy J IV vat het zelf als volgt samen: “After a long drive, we would get to the club. Burn one down. Fuckin’ jam at soundcheck. Then we had a new tune. It went on like that for a while. This album was written entirely under the guidance and influence of marijuana. No dirty spliffs (joints with a mix of tobacco and pot) were used in the making of this record.”

Als de bad-ass blues songs van het trio bij momenten een behoorlijk trippy indruk nalaten, dan heeft dat dus wel degelijk zo z’n redenen. Net als de titel van het album trouwens ook en het fraaie artwork ervan. Tussen de hennepbladeren door lezen we titels als “Tres Borrachos”, “Elephant Stomp”, “Whitebread N’ Beans”, “Tangled Up In Bush”, “Heavy Honey”, “Dirty Spliff Blues”, “Cutting Trees”, “All Damn Day”, “Skateboard Blues” en “She Don’t Care”. En dat blijken bij nader inzicht vlaggen voor absoluut niets aan het toeval overlatende ladingen hard driving gitaarzwangere elektrische blues. Met front and center de schreeuwerige oerzang en de machtige gitaaruithalen van Evans. Wat een beest is die man toch!

“Dirty Spliff Blues” is nog stukken beter dan Left Lane Cruiser’s vorige “Slingshot” en ook die vonden we al heel erg goed! Kan je nagaan…

Left Lane Cruiser

 

DIVERSE ARTIESTEN “1995-2015 / 20 Years Blue Rose Records” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het Duitse Blue Rose Records bestaat dezer dagen precies twintig jaar en dat zullen we geweten hebben ook. De ene na de andere interessante actie toverden labelbaas Edgar Heckmann en de zijnen de voorbije maanden reeds uit hun hoge hoeden tevoorschijn. Het was bijna om gek van te worden, zoveel voordeel kon je ermee doen…

En sinds kort is er nu ook een blijvend aandenken aan dat jubileum. Met name een tot de nok toe gevulde dubbelaar met daarop een overzicht over twee decennia gepassioneerd bezig zijn met muziek. Met op één schijfje het verleden en op het andere het hier en nu, “Past” en “Present” dus. Op het eerste betekent dat net geen negenenzeventig minuten lang genieten van materiaal van acts als Steve Wynn, The Brandos, The Band Of Heathens, Cracker, Todd Thibaud, Alejandro Escovedo, de Nitty Gritty Dirt Band, de Continental Drifters, Gov’t Mule, Iain Matthews, The Bottle Rockets, Big In Iowa, Julian Dawson, Jason Isbell & The 400 Unit, Jason & The Scorchers, Elliott Murphy, Joseph Parsons en Tom Gillam. Op het tweede stoten we achtereenvolgens op David Grissom, Paul Thorn, Micky & The Motorcars, Walter Salas-Humara, Blue Rodeo, Poco, Matthew Ryan, Willie Nile, Los Lonely Boys, Kelley Mickwee, Shooter Jennings, NQ Arbuckle, James McMurtry, Rich Hopkins & Luminarios, Reckless Kelly, Cody Canada & The Departed en Hank Shizzoe.

En zoals dat met dergelijke verzamelaars wel eens vaker het geval blijkt, heb je als liefhebber uiteraard hier en daar wel een bedenking bij de materiaalkeuze. Had er bijvoorbeeld niet wat meer exclusief materiaal op gekund? En van die act had je al bij al toch liever dat liedje gezien… En die act, moest die er niet ook op hebben gestaan? (Een Leeroy Stagger bijvoorbeeld…) Maar op de keper beschouwd kan je hier eigenlijk alleen maar gelukkig mee zijn. Waar vind je voor amper een euro of zeven immers nog zoveel goeds op een kluitje? Juist, ja…

Blue Rose Records

 

THE DOMESTIC BUMBLEBEES “Cheater” (Enviken Records)

(4****)

Op zondag 12 juli aanstaande zullen de Domestic Bumblebees het festivalterrein aan de Poeyelheide in Gierle ongetwijfeld flink op z’n kop zetten, als ze er aantreden voor de editie 2015 van Sjock. Met hun energieke brouwsel bestaande uit elementen uit rock & roll, R&B, blues en country houden ze daartoe wat ons betreft alvast alle troeven in handen. De “10 tunes for good and bad times” van hun zopas verschenen vierde worp “Cheater” onderstrepen dat andermaal uitgebreid.

Aan een rotvaart razen de drie Zweden uit de buurt van Stockholm daarin door het leven, daarbij resoluut mikkend op de benen van zo menig een argeloze voorbijganger. Zanger-gitarist Daniel Kordelius, bassist Tobias Einestad en drummer-percussionist Johan Svensson gijzelen hun luisteraars hier net geen half uur lang met wild fifties style entertainment vaardig vertaald naar het hier en nu. Tussen de recht-toe-recht-aan-rock van openingsnummer “Blue Lover” en hun afsluitende adaptatie van de AC-DC classic “Rocker” levert dat zo menig een catchy swingmoment op.

Van de er stevig op los hamerende rootsy rock & roll van titelnummer “Cheater” en “Crying Over You” en het lekker melodieuze “Mathilda” tot het tegen een aanstekelijk gitaartje aanhikkende swingertje “It’s Me Again”, van de wervelende pianogestuurde R&B van “No Matter What” en de radiovriendelijke blik achterom “Summer Nights” tot een net niet de bocht uitgaande vertolking van Goree “Little T-Bone” Carters “Rock Awhile” en de knappe pubrocker “Sweet Sin”, je krijgt hier hoegenaamd niet één reden tot klagen!

The Domestic Bumblebees, Enviken Records

 

THE STATESBORO REVUE “Jukehouse Revival” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Hoe in godsnaam een geweldige plaat als “Ramble On Privilege Creek” opvolgen? Dat was this time around dé uitdaging voor songsmid Stewart Mann en de zijnen. Een opdracht, waarin ze – Om maar gelijk met de deur in huis te vallen! – met brio slagen. Veel meer nog dan die voorganger is hun derde worp immers een bescheiden Texaans meesterwerkje.

Met de blik bijna voortdurend ongegeneerd op de seventies gericht serveren Mann en co een elftal buitengewoon smakelijke roots & roll-kostelijkheden. Klassieke country rock, Texaanse roadhouse-toestanden en soul genre Muscle Shoals regeren nadrukkelijk op “Jukehouse Revival”. En dat in uitsluitend eigen composities. Al is het wel zo, dat Stewart Mann (zang, gitaar en harmonica), z’n broer Garrett (gitaar en backing vocals) en maatje Kris Schoen (drums) geregeld ook anderen bij zich aan de schrijftafel dulden. Voor de ongemeen soulvolle Southern rocker “Undone” was dat bijvoorbeeld de je ongetwijfeld ook wel van Band Of Heathens bekende Gordy Quist, voor de swingende bayou-barfavoriet “Tallahassee” Adam Hood en voor de melodieuze country rock beauty “Satisfied” de hier al sinds tijden erg graag geziene en vooral ook gehoorde Ted Russell Kamp.

Verdere zeker te onthouden juweeltjes op “Jukehouse Revival”: de zich behaaglijk in pedal steel-klanken wentelende klasse-trage “Go Down Slow”, het ook al met Quist gepende en best wel aan The Band in z’n hoogdagen herinnerende “Last Ramble”, het groove-gewijs bij momenten wat richting Tony Joe White overhellende “Bedroom Floor” en vooral ook het bedaard swingende “Roll On Mama”. Met liedjes van dat kaliber mag je hier altijd graag even komen binnenvallen.

Voor mij persoonlijk dan ook één van dé platen van het moment, dit schijfje! Ga ik echt nog heel veel plezier aan beleven…

The Statesboro Revue, Blue Rose Records

 

BILLY PRICE & OTIS CLAY “This Time For Real” (VizzTone / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Als ik tussen alle dagdagelijkse Americana-beslommeringen door weer eens toe ben aan wat anders, dan mag ik me bij voorkeur graag aan een potje soul wagen. Southern soul met name. En dus is Otis Clay hier ook een graag geziene gast. Zo iemand, naar wiens platen hier altijd wel een beetje wordt uitgekeken.

En dat was ook ditmaal weer niet anders. En al zeker niet, omdat ik wist, dat Clay voor z’n nieuwe worp in zee was gegaan met z’n maatje Billy Price. Twee geweldige zangers op een kluitje samen, dat moest wel het nodige vuurwerk opleveren! En zo geschiedde ook! Twaalf nummers lang betokkelen de twee in een productie van Duke Robillard gevoelvol de snaren van elke voor soul openstaande ziel. En net geen vijftig minuten lang levert dat echt hoogtepunt na hoogtepunt op.

Ik noem er hier maar enkele. Het zomers warme, door Mark Earley en Doug Woolverton van fraai koperwerk voorziene “Somebody’s Changing My Sweet Baby’s Mind” bijvoorbeeld. De fraaie tegeltrekker “I’m Afraid Of Losing You” zeker ook. De knappe Holland-Dozier-Holland-vertolking “Don’t Leave Me Starving For Your Love”. En vooral ook “Tears Of God”. Dat kennen we natuurlijk allemaal van Los Lobos. Maar geloof me, zo aangrijpend als hier, zo onwaarschijnlijk mooi, hoorde u het nog nooit. Een kippenvelmomentje!

Een dikke, dikke aanrader, deze samenwerking tussen de heren Price en Clay. Hopelijk de eerste in een reeks van vele!

Billy Price, Otis Clay, VizzTone Label Group

 

THE DESLONDES “The Deslondes” (New West / ADA Warner Music)

(5*****)

Ondertussen zowat een jaar of drie geleden debuteerde dit vijftal, toen nog als Sam Doores + Riley Downing & The Tumbleweeds, met het album “Holy Cross Blues”. Op zoek naar een wat hipper aandoende naam kwam men weinig later echter uit bij The Deslondes. Naar een straat in hun thuishaven New Orleans. Heel toepasselijk eigenlijk. Zeker gezien het feit dat hun muziek een onwaarschijnlijke smeltkroes aan stijlen is, bedoelen we dan. Past als dusdanig echt wel uitstekend bij de Crescent City.

Op “debuut” “The Deslondes” kan het voortdurend echt alle kanten uit. Onder de noemer Americana leven Sam Doores (zang en gitaar), Riley Downing (eveneens zang en gitaar), Dan Cutler (zang en bas), John James Tourville (zang, pedal steel en fiddle) en Cameron Snyder (zang en percussie) zich uit als kleine snotters op een onbewaakt moment in een snoepwinkel. Elk met hun eigen geschreven en gezongen bijdragen. En precies dat maakt het allemaal nog net wat specialer.

Eerste single “Fought The Blues And Won” klinkt zo bijvoorbeeld als John Prine meets Fats Domino. Heerlijk lijzige pianogestuurde R&B met hoog meezing-gehalte moet je maar denken. Vervolgens gaat het via een streepje aanstekelijk twangende country (“Those Were (Could’ve Been) The Days”) en een met fijn mondharmonicawerk ingeleide rootstrage (“Heavenly Home”) richting een volgend absoluut hoogtepunt. Want dat is het veelzeggend getitelde “Less Honkin’ More Tonkin’” ontegensprekelijk. Stil blijven zitten blijkt daarbij zo goed als onmogelijk.

“Low Down Soul” is vervolgens een schoolvoorbeeld van hoe country soul eigenlijk gewoon altijd zou moeten klinken, “The Real Deal” heeft nadrukkelijk rock & roll roots ergens diep in de sixties, “Still Someone” slaat schijnbaar moeiteloos een brug tussen roots pop, soul en country, “Time To Believe In” lijkt wel weggelopen uit de één of andere spaghetti western en “Louise” is bedaarde meezing-country. En dan is er nog de afsluitende hattrick bestaande uit “Simple And True”, “Same Blood As Mine” en “Out On The Rise”. Het eerste een dijk van een rootsy soultrage, het tweede een zomers loom staaltje prachtcountry en de afsluiter een al even geweldige pianoballade.

Als er al zoiets bestaat als een kruispunt tussen John Prine, The Band, Woody Guthrie, Hank Williams, Townes Van Zandt en Fats Domino, dan zou dit aardig dicht in de buurt moeten komen. Een echte moordplaat is het alleszins!

The Deslondes, New West Records

 

SONNY LANDRETH “Bound By The Blues” (Provogue / Mascot Label Group)

(4,5*****)

Met de opvolger van z’n goed en wel drie jaar geleden verschenen laatste album, het volledig instrumentale “Elemental Journey”, slaat slide-maestro Sonny Landreth andermaal spijkers met koppen. En de titel, die blijkt daarbij allesbehalve misplaatst. Veel meer dan in ‘s mans recente verleden is het daadwerkelijk weer de blues die hier regeert. Gebracht in een klassieke triobezetting, met naast Landreth zelve verder enkel nog bassist David Ranson en drummer Brian Brignac aan boord.

Met z’n drieën tackelen de heren onder meer klassiek spul van Robert Johnson, Elmore James, Skip James en Willie “Big Bill” Broonzy. De andere vijftig procent van “Bound By The Blues” worden bestreken door Landreth-originelen. Eentje daarvan, te weten de beklijvende instrumental “Fire Blues”, blijkt bij nader inzicht een nadrukkelijke hommage aan het adres van één van ’s mans eigen helden, de ondertussen een klein jaar geleden overleden Johnny Winter. Wat ons betreft meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Bound By The Blues”. Om niet te zeggen hét absolute hoogtepunt überhaupt. Al blijft zeker ook het titelnummer wat dat betreft nog wel een poosje in de running. In die de verbindende krachten van het genre lovende, wat kalmere prachtdeun laat Landreth de blues prachtig stranden op de oevers van pop en rock. Het maakt van dat liedje gelijk een uitermate geknipte kandidaat voor veelvuldig radiogebruik. De drie overige eigen composities zijn het swampy “The High Side”, de bedaarde roots rocker “Where They Will” en het afsluitende “Simcoe Street”, een gespierde instrumentale Delta-bluesvariant.

Gecoverd worden respectievelijk Robert Johnsons “Walkin’ Blues” en “Dust My Broom”, de heerlijk soulvolle Elmore James-sleper “It Hurts Me Too”, het moddervette “Cherry Ball Blues” van diens naamgenoot Skip James en Big Bill Broonzy’s “Key To The Highway”.

Tien nummers lang beleven we Landreth op “Bound By The Blues” echt in bloedvorm. Meesterlijk slidend solliciteert hij hier meer dan ooit naar een goed gevulde zomerfestivalkalender. En eigenlijk is dit gewoon ook één van z’n allerbeste albums tot op heden tout court. Een aanrader van formaat!

Sonny Landreth, Mascot Label Group

 

MARJAN DEBAENE “The Sound Of The Beat” (Superjane Music)

(3,5****)

Precies twintig jaar zal het volgend jaar geleden zijn, dat Marjan Debaene op haar zeventiende debuteerde met het knappe “Growing Pains”. De eerste steen meteen van een op de keper beschouwd niet meteen als alledaags te omschrijven carrière. Daarvoor doet de al een poosje vanuit Leuven actieve Vlaamse de dingen nu eenmaal te graag her way. Totaal onafhankelijk dus. Wat er concreet op neerkomt, dat ze zich door niemand haar werktempo laat opleggen. Ze maakt platen, wanneer het háár uitkomt, wanneer het materiaal daartoe in háár ogen voldoende gerijpt is. En dat hoor je eraan ook!

Met “The Sound Of The Beat” is Debaene pas aan haar vierde worp toe. Na het hoger al genoemde “Growing Pains” verschenen in 1999 en 2006 respectievelijk ook nog “Humanoid” en “Wolfish Times”. En daarna was het voor de liefhebbers van haar werk vooral lang, lang wachten geblazen. Negen jaar om precies te zijn. Veel té lang eigenlijk… Maar goed, we gaan hier vooral geen potje beginnen te klagen, want dat verdient Debaene op basis van de kwaliteit van haar nieuwste absoluut niet. Met de twaalf liedjes daarop kunnen we er zelfs weer een poosje tegen…

Het door co-producer Alex Brackx banjogewijs bij momenten een flink eind richting Americana gepushte “Sun’s Glow” markeert wat ons betreft meteen een uitstekende start. Een goed voorteken, zo zal al snel blijken… “The Sound Of The Beat” blijkt immers tot de nok toe gevuld met songdelicatessen. Van het lentefrisse folkpopniemendalletje “voor hem die altijd op haar wacht” “On The Road” tot het lang door een straffe basgitaarbijdrage van Bert Embrechts gedomineerde “I Want It All Back”, van de mooie, aan het verstrijken der seizoenen opgehangen ballade “Oh My God” tot het verhalend sterke “The Sarajevo Tunnel”, van de zich ons inziens nu al als dé geknipte singlekandidaat aandienende, ons terloops best wel wat aan KT Tunstall herinnerende catchy folkrockstamper “It’s About To Go Down” tot het de onophoudelijke zoektocht naar het eigen beloofde land vereeuwigende “The Road To Wonderland”, de “schone liekes” volgen elkaar hier aan ijltempo op.

En pas op, dan hadden we het nog niet eens over een paar van de allerschoonsten! Zoals “The State Of Absurd” bijvoorbeeld. In die heerlijke trage lijkt Debaene bedaard verzet tegen onze maatschappij anno nu tussen de regels door te willen koppelen aan de dwingende oproep om vooral toch maar weer te gaan genieten van de kleine dingen des levens. Of “The Ghost Of Seville” ook. Andermaal een verhalend hoogstandje, waarin Debaene zelf pianogewijs een vergelijkbaar sfeertje weet te evoceren als de Nederlandse popmeesters van The Nits indertijd in hun classic “Sketches Of Spain”.

Afgesloten wordt er met een drietal catchy poprockdeunen. In het ongemeen radiogenieke “The Wild West” blikt de in Ieper geboren Debaene al mijmerend terug op de “velden van haar eigen jeugd”, in het al even aanstekelijke titelnummer roept ze ons op om ons vooral ongedwongen te laten leiden door het leven zelf en het als bonusje meegeleverde “Hoping For A Miracle” kende je misschien ook nog wel als een single uit 2010.

Baby Jef mag dus best trots zijn! De tijdens het ontstaan van “The Sound Of The Beat” nog onderweg zijnde youngster zal ooit hopelijk tot het besef komen, dat hij onbewust een bevoorrechte getuige was bij het tot stand komen van een speciaal geheel. Een prima plaat zonder meer.

Marjan Debaene

 

RICKIE LEE JONES “The Other Side Of Desire” (The Other Side Of Desire Music / Bertus)

(4****)

Voor velen zal de naam Rickie Lee Jones wellicht voor eeuwig en altijd verbonden blijven met haar in 1979 op de wereld losgelaten eerste hit “Chuck E.’s In Love”. En dat zou an sich niet eens zo erg zijn, ware het niet, dat voor té velen hun kennis van het repertoire van die Jones daar meteen ook ophoudt. En da’s ondertussen zestien albums diep in haar carrière niets minder dan doodzonde, want Rickie Lee Jones is wat je noemt een echte rasartieste: een geweldige zangeres en een al even briljante songsmid.

Eentje die graag experimenteren mag bovendien ook. Dat blijkt maar weer eens op haar door John Porter (Roxy Music, The Smiths, Billy Bragg) en Mark Howard geproduceerde nieuwe worp “The Other Side Of Desire”. Op die opvolger van de collectie rockcovers “The Devil You Know” uit 2012 versmelt La Jones als het ware helemaal met haar nieuwe thuishaven New Orleans. Ver weg van de West Coast wordt ze helemaal één met haar nieuwe omgeving. Dat valt nog niet echt op in openingsnummer “Jimmy Choos”. Dat hier al voor een brede glimlach goed bevonden catchy rootspopliedje vormt als het ware de springplank naar the real stuff. En daarmee bedoelen we dan dingen als het z’n titel bepaald niet gestolen hebbende “Valtz de Mon Pere (Lovers’ Waltz)”, een traditioneel countrywalsje op z’n Emmylou’s, “J’ai Connais Pas”, een nadrukkelijk op het muzikale erfgoed van de grote Fats Domino geënte streep R&B New Orleans style, de niets minder dan briljante pianoballade “Christmas In New Orleans”, het op de één of andere vreemde manier bepaald funky aandoende “Haunted” en de late night ballad “Juliette”.

Zo hoorde u Rickie Lee Jones echt nog nooit!

Rickie Lee Jones

 

ANNIE GALLUP “Ghost” (Gallway Bay Music)

(4****)

Goed en wel een jaar of vijf geleden viel Annie Gallup als een blok voor het spel van de je wellicht ook wel van z’n bijdragen aan de Punch Brothers bekende fiddler Gabe Witcher. Voor haar meteen het startsein om een reeks liedjes te gaan schrijven in functie van diens fenomenale spel. Om het met haar eigen woorden te zeggen: “Songs to wrap his soaring, blistering, tender, compelling and exquisite sound around.” En negen stuks daarvan vinden we nu, aangevuld met covers van de ooit ook al door Steve Young richting eeuwigheid gezongen Utah Phillips-compositie “Rock Salt And Nails” en Dougie MacLeans folkpareltje “Caledonia”, op haar nieuwe album “Ghost” terug.

Voor dat door haarzelf en haar Hat Check Girl-partner Peter Gallway ( string bass en backing vocals) geproduceerde geheel nodigde Gallup niet enkel de al genoemde Gabe Witcher (fiddle) uit, maar ook David West (mandoline, dobro en National Steel) en Anna Abbey (backing vocals). Zelf nam ze naast de zangpartijen ook gitaar, six-string banjo, dobro en ukelele voor haar rekening.

En dat mag ze wat ons betreft nog doen. Haar tiende soloplaat is immers ontegensprekelijk haar beste so far. Gelijk van bij het eerder traditioneel opgevatte folkdeuntje “Diamond Ring” is het volop prijs. Heel knap, hoe de stem van Gallup en de fiddle van Witcher elkaar daarin vinden en complementeren. A match made in Heaven! En dat blijkt verderop nog meermaals! Onder meer in het desolate, quasi terloops aan het album z’n titel verlenende “Ghost Town Kite”, de ingetogen Americana beauty “West Memphis, Arkansas”, het epische “The Battle Of Brooklyn”, het ook daadwerkelijk aan haar virtuoze Bad Livers-banjocollega met die naam gewijde “Danny Barnes” en het ons voorwaar even een weinig aan Eliza Gilkyson in haar beste momenten herinnerende “Raised By Wolves”. Echt heel erg mooi allemaal!

Annie Gallup

 

LINDSAY FERGUSON “Chameleon” (Busted Flat Records)

(3,5****)

Voor de productie van haar inmiddels derde album “Chameleon” deed de Canadese Lindsay Ferguson een beroep op de diensten van haar landgenoot Brock Zeman. En daarmee wist ze weliswaar onbedoeld alvast onze aandacht te trekken. Die Zeman is hier immers zowat kind aan huis.

Op de opvolger van haar beide eerste platen “Sound” en “Monkeys Under Stars” grossiert Ferguson negen nummers lang in catchy pop- en rockdeunen, die nu eens wél, dan weer niet de uitbreiding roots voor zich dulden. Eentje daarvan schreef ze samen met de al genoemde Zeman, met name de heerlijke poppy Americana-deun “Ships”. Eén cover verder ook. Meer bepaald de overgeleverde folk beauty “Donal Og”. In die net niet volledig a capella gebrachte afsluiter wordt pas echt duidelijk over welk een ongelooflijk performante Ferguson wel beschikt. Da’s wat ons betreft een echt kippenvelmomentje.

Andere hier zeer gesmaakte Ferguson-kleinoden: de op een wat vreemde manier aanstekelijk werkende, alleszins meteen volop de aandacht trekkende opener “Untangle”, het ook al bepaald vriendelijke popdondertje “Chameleon” en de mooie, al fluitend ingeleide valse trage “Doors & Heartbeats”.

Aan “Chameleon” werkten naast Ferguson zelf (zang) en Brock Zeman (onder meer akoestische gitaar, bas, orgel, piano, tamboerijn, loops en drum & synth programming) verder ook nog Blair Hogan (orgel, elektrische gitaar, loops, synth, bas en mandoline), Steve Foley en Jamie Kronick (beiden drums), Dylan Roberts (tamboerijn en percussie), Marc Rochon (harmonica), Taylor Rankin (viool) en Jofo (rap) mee.

Lindsay Ferguson, Busted Flat Records

 

ADAM CARROLL “Let It Choose You” (Gypsy Shuffler Music)

(5*****)

Er zijn dus toch nog zekerheden in het leven! Dat weten we na het beluisteren van “Let It Choose You”, de nieuwe van Adam Carroll wel zeker. De Texaanse songsmid, van wie her en der beweerd wordt dat hij één van Austins best bewaarde geheimen zou zijn, staat naar goede gewoonte immers garant voor een lading onvervalste top-Americana.

Twaalf songs lang bewijst hij ook ditmaal weer over een uitzonderlijk oog voor songzwangere alledaagse situaties te beschikken. Voeg daar nog zijn al even exceptioneel taalgevoel en dito zin voor melodie aan toe en er kon op de keper beschouwd eigenlijk nog maar weinig fout lopen. En al zeker als je dan ook nog eens leert, dat aan zo menig een nummer voor “Let It Choose You” aardig gereputeerde vrienden van Carroll meeschreven. We noemen in dat verband graag de namen van Michael O’Connor, Owen Temple, Brian Rung, Michael Waters, Jordan Minor en Jeff Plankenhorn.

En ook wat betreft het tijdens de opnamen ervan gebezigde personeel zitten we met “Let It Choose You” goed. Een veel betere crew dan deze bestaande uit Lloyd Maines, Bukka Allen, Riley Osbourn, Pat Manske, Mark “Speedy” Gonzales en Christian Carroll had Carroll zich eigenlijk amper kunnen wensen. De al genoemde Maines tekende trouwens ook nog present voor de productie.

Twaalf songs, twaalf hoogtepunten, da’s ons uiteindelijke verdict. Geen wonder, dat men deze knaap zo graag met schoon volk als een Townes Van Zandt, een John Prine en een Robert Earl Keen vergelijken mag…

Onze zoals steeds volkomen onverbintelijke luistertips: openingsnummer “Bernadine”, het hartverscheurende “Tears In My Gumbo” en het op een heerlijk authentiek aandoend traditioneel swingend countrypatroontje geënte “Old Child Country Star”. Voor elk van die drie deunen mag wat ons betreft de eretitel primus inter pares nog eens uit de kast.

Adam Carroll

 

JEFF PLANKENHORN “Live At The Saxon Pub” (Lounge Side Records)

(3,5****)

Superproductief zouden we hem nu niet meteen durven te noemen, deze Jeff Plankenhorn, met amper drie soloplaten op z’n actief. Maar dat heeft natuurlijk wel zo z’n redenen. De in Austin gehuisveste zingende songsmid heeft zich de voorbije jaren immers herhaaldelijk in de kijker gespeeld als gewaardeerde sidekick voor anderen. Denk bijvoorbeeld al maar zijn rol aan de zijde van collega Eliza Gilkyson, om er zomaar lukraak eentje uit te pikken. “Plank”, zoals hij door nogal wat collega’s liefdevol wordt genoemd, is nu eenmaal een zeer veelzijdige multi-instrumentalist. Met als specialiteit, zoals allicht genoegzaam bekend, de dobro.

Het zopas van ‘m verschenen “Live At The Saxon Pub” is de opvolger van “The Speed Of Hope” van zo’n jaar of vier geleden. En als er al één ding is, wat die concertregistratie aantoont, dan is het wel, dat Plankenhorn niet gemakkelijk voor één enkel muzikaal gat te vangen valt. In het gezelschap van toetsenist Phil Redmond, bassist Yoggie en drummer Brannen Temple fietst hij hier immers tien nummers lang vaardig heen en weer tussen een veelheid aan genres. Tien nummers, waaronder uiteraard ook enkele covers. Bij funkinstituut Parliament werd zo “Handcuffs” binnengedaan, bij wijlen Stephen Bruton vond Plankenhorst het ongemeen soulvolle “Trip Around The Sun” en onder het moody “Cold Turkey” prijkte tot onze grote verbazing niet de naam van de grote John Lennon, maar wel die van Anthony David Harrington. Weer wat bijgeleerd dus…

Van de uit de eigen koker stammende nummers schreef Plankenhorst er heel wat samen met anderen. Met de ook hier graag geziene Ray Wylie Hubbard bijvoorbeeld al het blues & roots twosome “Loser Blues” en “Forgiven”, met Matt Sever het in min of meer dezelfde wateren ronddobberende “Cockeyed” en met Ryan Krebs het drietal “I Doubt It”, “Someday” en “Headstrong”. Het eerste een onvervalste pot gitaarzwangere bluesrock, de twee andere kortstondige flirts met zomerse reggaeritmes.

Voor de productie van “Live At The Saxon Pub” tekende Plankenhorn gezien zijn status op dat vlak uiteraard zelf.

Jeff Plankenhorn

  

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home