CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

LAURA CANTRELL “At The BBC” - ERIN RAE AND THE MEANWHILES “Soon Enough” - JESSE AYCOCK “Flowers & Wounds” - CHIP TAYLOR (AKA JAMES WESLEY VOIGHT) “Little Brothers” - KALYN FAY “Bible Belt” - THE BUFFALO SKINNERS “Cease Your Dreaming” - ANNIE KEATING “Trick Star” - TAWNY ELLIS “Ghosts Of The Low Country, The Muscle Shoals Sessions” - WESTERN CENTURIES “Weight Of The World” - ROBERT ELLIS “Robert Ellis” - ROB ICKES & TREY HENSLEY “The Country Blues” - THE KAT KINGS “Swingin’ In The Swamp” - NORTHERN INDIANS “No Shelter In Sight” - LOWBIRD HIGHBIRD “November Moving In” - ELI PAPERBOY REED “My Way Home” - LILY & MADELEINE “Keep It Together” - DANIEL ROMANO “Mosey” - TONY JOE WHITE “Rain Crow” - MATT BAUER “Dream’s End” - REBEKAH LONG “Here I Am” - MATTHEW BARBER & JILL BARBER “The Family Album” - SAM FRAZIER JR. “Take Me Back”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

LAURA CANTRELL “At The BBC” (Spit & Polish / Shoeshine Records)

(3,5****)

In afwachting van een echte opvolger voor het inmiddels toch ook alweer bijna drie jaar geleden verschenen “No Way There From Here” nemen we hier voorlopig maar even genoegen met een nadrukkelijk als tussendoortje te bestempelen verzameling BBC-opnames van Laura Cantrell. Met uiteraard nogal wat materiaal van de vijf sessies die de Amerikaanse voor wijlen John Peel mocht vereeuwigen. Liefst tien van de vijftien tracks hier vinden daar hun oorsprong. En dat is eigenlijk niet meer dan logisch ook, als je weet dat de legendarische dj één van de allereersten was om de lof van Cantrell te zingen. Al vanaf “Not The Tremblin’ Kind” zat hij eigenlijk steevast op de eerste rij. Net als enkele andere bekende BBC-jongens trouwens, waaronder Bob Harris en Andy Kershaw. Ook zij zouden Cantrell meermaals voor on-air performances uitnodigen.

Weerhouden werden voor deze collectie onder meer tot hun essentie herleide versies van Cantrell classics als “The Whiskey Makes You Sweeter”, “Wait”, “When The Roses Bloom Again”, “Oh So Many Years”, “Khaki & Corduroy”, “Bees” en “Old Downtown” bekend van haar albums “Not The Tremblin’ Kind”, “When The Roses Bloom Again” en “Humming By The Flowered Vine” en covers van dingen als Hoagy Carmichaels “Hong Kong Blues”, Cheri Knights “All Blue” en Don Gibsons “Legend In My Time”, om er zomaar enkele te noemen.

Best wel mooi allemaal, maar het doet wat ons betreft alleen maar weer meer uitkijken naar echt nieuw werk van de vanuit New York actieve countrychanteuse met de breekbare stem. Hopelijk laat ze ons niet al te lang meer op onze honger zitten…

Laura Cantrell

 

ERIN RAE AND THE MEANWHILES “Soon Enough” (Clubhouse Records / CRS)

(4,5*****)

“Soon Enough” van de in Jackson, Tennessee geboren en getogen, maar dezer dagen vanuit Nashville actieve Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Erin Rae McKaskle en haar Meanwhiles is een ware streling voor de zinnen. Als welgekomen warme zomerregendruppels dalen haar liedjes verfrissend zacht over je neer. Ruim dertien nummers lang betovert ze met wat wel eens één van de allermooiste Americana-stemmen van het moment zou kunnen zijn. Enkel het allerzachtste fluweel kan wat ons betreft een vergelijking ermee aan.

Tegen een nagenoeg even perfecte muzikale achtergrond, gedomineerd door met name haar eigen akoestische gitaar, de elektrische van Mark Sloan en de pedal steel van Justin Schipper presenteert McKaskle haar met veel zorg veelal aan haar eigen leven ontleende luisterliedjes. Omdat het heden nu eenmaal niet mogelijk zou zijn zonder het verleden, aldus daarover de artieste zelf. Ergens tussen folk, country en Americana dropt ze doorgaans uiterst behoedzaam haar inzichten. Daarvoor inspiratie vindend zowel in haar kinderjaren als in haar tijd op deze kluit als volwassene. Met oog voor de vele veranderingen waar we met z’n allen door moeten, maar evengoed voor duidelijk persoonlijkere onderwerpen als de met haar leven als kunstenaar gepaard gaande uitdagingen.

Voor de werkelijk loepzuivere productie van “Soon Enough” tekende McKaskle zelf samen met Rodney Crowells bassist Michael Rinne. Opvallendste liedje erop – al was het alleen al maar omdat het tot stand kwam in samenwerking met de hier ook op handen gedragen Andrew Combs – vonden wij het beklijvende “Spitshine”. Noem dat gerust maar de primus inter pares.

Echt wel een aanrader van formaat voor al wie houdt van zich wars van alle trends in alle eenvoud als een ideaal antidotum voor de jachtigheid van het leven van alledag opwerpende Americana-luisterliedjes. Het soort van liedjes waarmee wij hier graag drukke en minder drukke dagen mogen uitluiden…

Erin Rae And The Meanwhiles, CRS

 

JESSE AYCOCK “Flowers & Wounds” (Horton Records / CRS)

(4****)

Als Jesse Aycock hier al enige naambekendheid geniet, dan toch vooral als lid van het in de States nu al enkele albums lang hoge ogen gooiende supergroepje Hard Working Americans, waarvan hij samen met Todd Snider, Neal Casal, Dave Schools van Widespread Panic, Chad Staehly van Great American Taxi en Duane Trucks van King Lincoln nu al een poosje deel uitmaakt. Van dat bandje verscheen enkele maanden geleden al de derde plaat in amper twee jaar tijd. Na hun titelloze debuut van twee jaar geleden en de live set “The First Waltz” is het sinds enkele weken “Rest In Chaos” dat de harten van zo menig een liefhebber van roots rock en Americana wat sneller doet slaan. Is dan ook opnieuw een prima plaat, die derde van het collectief. Maar daarover gaat het hier vandaag dus niet. Wel over het zowat anderhalf jaar geleden redelijk anoniem uitgebrachte en nu in het kader van een heus Oklahoma-offensief door het Nederlandse CRS weer opgepikte “Flowers & Wounds”.

Daarop illustreert de songsmid uit Tulsa ten voeten uit, waarom hij door heel wat bekendere collega’s echt op handen wordt gedragen. Zelfs de immer kritische Ryan Adams kon het onlangs niet laten om hem uitgebreid te bejubelen. “He’s great,” aldus de beste man, “he’s one of those guys who really deserve more recognition.” En wie zijn wij dan nog, om dat tegen te spreken, he? Hieronder laten we alvast ons licht even schijnen op wat als we goed geïnformeerd zijn al Aycocks derde cd is. Eerder verschenen van hem met telkens serieuze tussenpauzes ook al “Life’s Ladder” en de mini “Inside Out Of Blue”.

“Flowers & Wounds” blikte Aycock in onder de productionele auspiciën van zijn Hard Working Americans buddy Neal Casal en Jason Weinheimer. Zelf nam hij daarbij naast de zang ook flink wat akoestisch en elektrisch gitaarwerk, resonator, pedal en lap steel en piano voor zijn rekening. Casal (gitaren en backing vox), Eric Arndt (bas) en George Sluppick (drums) tekenden voor het leeuwendeel van het overige werk. Op de gastenlijst verder onder meer ook nog David Hidalgo van Los Lobos, percussionist Jimmy Karstein, toetsenist Al Gamble van soul outfit St. Paul & The Broken Bones en backing vocalist Indy Grotto.

Opvallendste factor is gelijk vanaf openingsnummer “Where’s The Light” de toch wel wat aparte stem van Aycock. Die blijkt redelijk hoog en van het eerder neuzelige type. Lang niet iedereen zal er even gemakkelijk voor vallen, da’s nu al wel zeker. Maar zij, die Aycock het voordeel van de twijfel en enkele draaibeurten zullen gunnen, zullen aan “Flowers & Wounds” een bijzonder lekkere slice Americana overhouden. Best wel een weinig vintage aandoend op de keper beschouwd. Muzikale sepiatinten, zoiets. Met raakpunten met zowel country en de rockvariant daarop als met folk en milde psychedelica. Lekker gevarieerd daardoor. En dat ervaren wij hier natuurlijk als een serieus pluspunt.

Wij vonden en vinden het vooral heerlijk zwelgen in melancholische kleinoden à la het door Casal van werkelijk zalig elektrisch gitaarwerk voorziene “Leave Again”, het eerder al genoemde “Where’s The Light”, het zomers loom voorbijtrekkende “First To Last” en het van een fijn Wurlitzer-decor voorziene “House Of Love”. Als tegengewicht voor zoveel bedaarde schoonheid fungeren onder meer het titelnummer, een bepaald catchy uit de hoek komend streepje roots rock, de het eerste lid van die omschrijving speels van zich afschuddende en volop aan de late sixties refererende stamper “Children Who Chase The Rain” en de zwierige, door Neal Casal en Al Gamble respectievelijk gitaar- en toetsengewijs flink opgewaardeerde roadhouse rocker “Paint Me Different Colors”.

Alleen al voor dat laatste nummer verdienen zowel Jesse Aycock als z’n jongste langspeler wat ons betreft nadrukkelijk hun tweede kans. Doe er ditmaal dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen.

Jesse Aycock (Bandcamp), CRS

 

CHIP TAYLOR (AKA JAMES WESLEY VOIGHT) “Little Brothers” (Train Wreck Records / CRS)

(3,5****)

Op “Little Brothers”, de opvolger van z’n magistrale “Little Prayers Trilogy”, gunt Chip Taylor ons meer dan ooit een kijk in z’n eigen leefwereld. Op de van hem ondertussen welbekende manier neuzelt hij doorheen een stel akoestische rootskleinoden opgehangen aan relevante en ook wel minder relevante facts uit z’n eigen leven.

Openingsnummer “Barry And Buffalo” ontstond zo bijvoorbeeld na een gesprek met z’n broer Barry over diens elfjarige kleindochter, een jong Amerikaans golftalent, en hun “great ride home” na een overwinning. En in “Bobby I Screwed Up” gaat Taylor in op een lastige opnamesessie met de gerenommeerde Bobby Scott ergens in de late jaren tachtig. Titelnummer “Little Brothers” op zijn beurt werd opgehangen aan een met z’n beide broers gedeelde droom. En “Refugee Children”, samen met de gloedvolle prachtballad “Book Of Hope” bij nader inzicht één van de allermooiste momenten op “Little Brothers”, gaat over ‘s mans toevallige eerste ontmoeting met een paar vluchtelingen tijdens een tournee doorheen Zweden.

En uiteraard kon Taylor ook niet zomaar voorbijgaan aan het feit dat zijn vrouw onlangs een langdurig gevecht met kanker tot een goed einde wist te brengen. Speciaal voor haar schreef hij het tweeluik “St. Joan” en “Time Goes By”. En dat zijn kleindochters Riley, Kate en Samantha de backing vocals daarin verzorgen maakt het allemaal nog net iets specialer.

Taylor (zang en akoestische gitaar) nam “Little Brothers” op samen met z’n vaste kompanen John Platania (nylongitaar) en Gøran Grini (toetsen) en kreeg verder onder meer ook nog wat bijstand van bassisten Bill Troiani en Grayson Walters, blazer Katrine Grini en backing vocalists Tom Skjeklesaether en Peter Søderlind.

Dit album beluisteren is als je verdiepen in iemands geheime dagboek. Tegen een veelal eerder verstild uitgevallen Americana-achtergrond leer je songwriter op jaren Chip Taylor met elk liedje weer wat beter kennen. En da’s een bepaald fijne ervaring.

Chip Taylor (Train Wreck Records), CRS

 

KALYN FAY “Bible Belt” (Horton Records / CRS)

(4****)

“Bible Belt” is de ronduit fantastische debuutplaat van Cherokee youngster Kalyn Fay. Een zoveelste nieuw supertalent met z’n roots in Oklahoma. En met dank opnieuw ook aan het Nederlandse Continental Record Services, dat zich klaarblijkelijk tot doel heeft gesteld om zo weinig mogelijk red dirt onontgonnen te laten. Een voornemen dat ons recentelijk onder meer ook al Wink Burcham en Carter Sampson als bepaald niet te versmaden aanwinsten opleverde.

Met hen heeft Fay zo op het eerste gehoor echter niet zo heel erg veel gemeen. Haar liedjes, samen “an exploration of faith, love and heartache”, vallen meteen op door hun ongelooflijke intensiteit. Door hun diepgang ook. En vooral ook door de manier waarop Fay en kompanen ze brengen. “An ebb-and-flow album” noemt ze het geheel zelf. En daar zit wel iets in. Ook hier stoten we immers op een duidelijk voelbare afwisseling van rijzen en zich weer terugtrekken. Tussen zich nadrukkelijk aan je opdringen en je voorzichtig overvallen. Wat dat betreft zou je Fay best wel wat kunnen vergelijken met acts als een Cat Power en een Feist. Net als hun songs hebben ook die van Kalyn Fay bij momenten iets bepaald sensueels over zich. Iets waar de fluwelen streling van haar stem allicht niet geheel en al vreemd aan zal zijn. Evenmin als de beklijvende gitaarbijdragen van haar rechterhand Cody Clinton en de al even mooie hand-en-spandiensten van Kevin Warren-Smith en Roger Ray op respectievelijk fiddle en pedal steel.

Ergens tussen country en folk rock weet Fay hier net geen vijfenveertig minuten lang moeiteloos te boeien. Mild rockend haar thuisstaat aandoend in het catchy “Oklahoma” en het lekker lijzig neergelegde “Tulsa”, zich overgevend aan een zachte bries van fiddle-, orgel- en gitaarklanken in het innemende “Middlegate Station”, lekker zweverig countryesk in titelnummer “Bible Belt” – Wat mij betreft zonder meer één van de allermooiste liedjes van 2016 so far! En ik heb er toch al wel een paar gehoord… – of bedwelmend uithalend zoals in “Black & Blue”, de jonge Amerikaanse laat er hier hoegenaamd niet de minste twijfel over ontstaan: she’s in it for the long run!

Een bijzonder aangename kennismaking wat mij betreft dan ook!

Kalyn Fay, CRS

 

THE BUFFALO SKINNERS “Cease Your Dreaming” (Loose Chat Records)

(3,5****)

The Buffalo Skinners zijn een vijf man sterk rootscollectiefje actief vanuit het Engelse Sheffield bestaande uit Kieran Thorpe (keys, mandoline en zang), James Nicholls (viool en zang), Peter Secombe (gitaar en zang), Miles Stapleton (drums) en Robbie Thompson (bas en zang). De vijf zijn met “Cease Your Dreaming” al aan hun derde album toe. En met uitzondering van Stapleton blijken ook alle betrokkenen songs voor dat project te hebben aangedragen.

Aan gezonde variatie hier daardoor absoluut geen gebrek! Openingsnummer “We Get Along” voltrekt zo bijvoorbeeld als een geestelijke die duidelijk van wanten weet een vrijwel meteen flink in het oor springend huwelijk tussen country en rockabilly. “Sam’s Chop House” heeft vervolgens op zijn beurt iets met zowel rock & roll, folk als soul, het dartele “Play To Lose” is rootsy pop catchy as you’ll ever hear en “Shoes” neigt naar en leeft van een slow R&B groove.

Met “Come On Home” volgt er dan een heuse wolk van een popliedje, “Lost & Gone” is aanstekelijke folk rock met een uitgesproken seventies feel en “Monkey On Your Back” blijkt wat rauwer uitgevallen bluesy rockspul. Met “Sugar Cane” mogen we ons vervolgens even verliezen in aangenaam hitgevoelig gemijmer, “Goodbye To My First Love” neemt nog wat meer gas terug, het cynisch getitelde “If You Won’t Love Me, Somebody Else Will” stampt er gezellig rockend op los, “Delta Blues” zoekt op z’n minst aanzetgewijs z’n heil in precies die buurt, “Remember Me” herinnerde ons op de één of andere manier aan Marty Robbins en afsluiter “We Gotta Go” groeit onder meer door de sfeervolle toetsenbijdrage van Thorpe eraan uit tot een aardig soulvol opdondertje.

Nice one!

The Buffalo Skinners

 

ANNIE KEATING “Trick Star” (Annie Keating)

(3,5****)

Zingende liedjesschrijfster Annie Keating hoeft hier allang niets meer te bewijzen. Met platen als “The High Dive” (2004), “Take The Wheel” (2005), “Belmont” (2008), “Water Tower View” (2010), “For Keeps” (2013) en “Make Believing” (2015) wist ze in het verleden naar onze bescheiden mening al ruimschoots voldoende krediet voor zichzelf op te bouwen om tot aan haar oude dag en zelfs ver daar voorbij steeds opnieuw op onze ongebreidelde aandacht te mogen blijven rekenen. Voor haar zevende plaat, het eerdaags te verschijnen “Trick Star”, voegen we alvast graag de daad bij het woord. Met veel plezier laten we hier ons licht even schijnen op de dertien tracks daarop.

Instapper “You Bring The Sun” is opgewekt rinkelende, bij momenten quasi Byrdsiaans aandoende gitaarpop, “In The Valley” vervolgens een zalig contemplatief momentje en “Lucky” een daar werkelijk perfect bij aansluitend streepje roots pop. “Slow Waltz” is vervolgens exact wat z’n titel belooft, het heerlijk bedaard neergelegde “Trapeze” profiteert zonder ook maar de minste vorm van gêne van de subtiele pianobijdrage van Jordan Shapiro eraan, “Time Come Help Me Forget” rockt er in het kielzog daarvan een aardig eindje op los en “Orchard” is echt een wolk van een ballad.

Moeten daarna nog de revue passeren: het door Chris Tarrow op de pedal steel met wat melancholie onderbouwde “Come And Go”, het bij nader inzicht echt wel ergens dicht in de buurt van collega Eliza Gilkyson strandende “Fool For You”, het lekker strak uit de startblokken schietende titelnummer (Over haar eerste fiets!), het door wat soulvolle blazers erin flink richting zomer gestuwde “Creatures”, het bijna onopvallend voorbij kabbelende “Growing Season” en afsluiter “Phoenix”, opnieuw wat roots pop van het fijnere soort.

Andermaal fijn luistervoer zonder meer. Prikkelend tekstmateriaal gekoppeld aan uitnodigende melodieën. Wat moet een mens nog meer? Niks toch?

Annie Keating

 

TAWNY ELLIS “Ghosts Of The Low Country, The Muscle Shoals Sessions” (Tawny Ellis)

(3,5****)

Met het einde van hun jongste tournee doorheen het Amerikaanse Zuiden stilaan in zicht besloten Tawny Ellis en haar wederhelft Gio Loria een bezoekje te brengen aan de vermaarde Fame Studios in Muscle Shoals. En daar kwam van het één al snel ook het ander. Ze werden er door eigenaar-producer Rick Hall himself immers uitgenodigd om eens wat op te komen nemen. En dat direct na hun nauwelijks tien dagen later aflopende tournee nog wel! Wat maakte, dat er niet zo heel erg veel tijd meer overbleef om één en ander serieus te plannen. En dus werd er uiteindelijk maar geopteerd voor een vier tracks tellende EP.

Die werd opgenomen met Ellis zelf op de lap steel, haar ventje Gio Loria op diverse gitaren, bas, dobro en Hammond B3, de van Five Eight, een groepje uit Athens, GA, geleende tandem Sean Dunn en Patrick Ferguson op respectievelijk elektrische gitaar en drums en Peter Hamilton op bas. Voor de productie tekenden Ellis en haar levensgezel zelf.

Afgetrapt wordt er met het werkelijk bloedmooie “Ghosts Of The Low Country”. Dat titelnummer, een heerlijk soulvolle, klaaglijke (alternatieve) country-noir-trage herinnerde ons beurtelings aan Lucinda Williams en Neko Case. Een echte voltreffer dus! Vervolgens is er “Evolve Or Die”, een al wat ouder Ellis-nummer, voor de gelegenheid gebracht als fraaie akoestische Americana ballad. Op zijn beurt een beetje Emmylou-esk voorwaar!

De overige twee nummers zijn covers. De eerste, de wat loom aandoende rootsrocker “Desperate Tonight”, van een nummer van het hier eerder al genoemde bandje Five Eight, de tweede, “Walking After Midnight”, een soortement van eerbetoon aan het adres van een zangeres waarmee Ellis in het verleden nogal eens vergeleken werd, met name de grote Patsy Cline.

Best wel jammer eigenlijk, dat het daarmee na goed en wel zeventien minuten allemaal al weer over is. Hier hadden wij immers best nog wel wat meer van gelust…

Tawny Ellis

 

WESTERN CENTURIES “Weight Of The World” (Free Dirt / Music & Words)

(4****)

Net geen twee jaar geleden lieten we ons hier in uitermate lovende bewoordingen uit over “The Flower Of Muscle Shoals”, het debuut van Cahalen Morrison & Country Hammer. Liefst vijf sterren hadden we in september ’14 over voor die geweldige plaat, die we terloops ook als “één groot feest voor getrainde countryoren” bestempelden. En u begrijpt dan ook, dat we naar de opvolger van dat geheel echt met argusogen hebben uitgekeken. En terecht ook, zoals nu blijkt!

De lading bleef onveranderd, de vlag veranderde ondertussen wel. Het lange Cahalen Morrison & Country Hammer heeft plaats moeten ruimen voor het veel lekkerder bekkende Western Centuries. Waarom precies, da’s ook voor ons nog steeds een raadsel. Hopelijk zorgt het niet voor teveel verwarring… Hoe dan ook, Western Centuries, dat zijn dezer dagen Cahalen Morrison (lead & harmony vocals, akoestische en elektrische gitaren en drums), Jim Miller (elektrische en akoestische gitaren, lead & harmony vocals), Ethan Lawton (drums, elektrische en akoestische gitaren, lead & harmony vocals), Rusty Blake (pedal steel) en Dan Lowinger (bas), aangevuld met speciale gaste Rosie Newton (fiddle).

Afgetrapt wordt “Weight Of The World” met z’n titelnummer, een voorzichtig de hoogdagen van outlaws als Waylon Jennings evocerend kleinood. Vervolgens zijn er het speelse, fiddle driven “Double Or Nothing”, waarin Ethan Lawton de zang voor z’n rekening neemt, en “Knocking ‘Em Down”, een eerder melancholisch uitgevallen Americana-trage, waarin het de beurt is aan de je misschien wel van z’n tijd bij Donna The Buffalo bekende Jim Miller.

“What Will They Say About Us Now?” leunt dan met name gitaargewijs zwaar op de Bakersfield twang van wijlen Buck Owens en de zijnen, het al even zwierige “Philosophers And Fools” lijkt op zijn beurt vers van een Texaanse honky-tonkvloer te zijn geveegd en met de sleper “Sadder Day” is het, zoals de titel ervan dat al liet vermoeden, volop tranen in ons bier geblazen. Doorheen het lentefris ronddartelende “Sadder Day” waart vervolgens aardig nadrukkelijk de geest van de jonge George Jones rond, “Hallucinations” puurt puur retro-countryplezier uit met name de fiddle- en pedal steel-bijdragen van Newton en Blake en het weer door Lawton gezongen “Off The Shelf” is gewoon een hele mooie country soul slow.

Met “The Long Game” krijgen we aansluitend daarop ook een bedaarde countryrocker voorgeschoteld, “The Old You” is op een enigszins jazzy aandoende baslijn geënte honky-tonk en afgerond wordt er op feestelijke wijze twangend op de Telecaster met “Rock Salt”.

Opnieuw een regelrechte voltreffer voor Morrison en de zijnen! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Western Centuries

 

ROBERT ELLIS “Robert Ellis” (New West Records / PIAS)

(4****)

De in Lake Jackson, een stadje op ongeveer een half uur rijden van Houston, geboren en getogen Robert Ellis is nu niet meteen wat je noemt your typical Texan singer-songwriter. Zelf geeft hij graag toe meer beïnvloed te zijn geweest door seventies-iconen als een Paul Simon, een Randy Newman en een John Prine dan door z’n streekgenoten. Van hen stal hij als het ware met z’n oren. En dat hoor je dan ook duidelijk terug in wat hij op “Robert Ellis”, z’n ondertussen toch ook alweer vierde plaat, brengt. Zijn liedjes zijn veel en veel avontuurlijker dan deze die je op een doorsnee-Americana-cd aantreft. Een soort van hoogst eigenzinnige soundscapes zijn het, waarin tal van genres elkaar voortdurend met plezier in de armen vallen. Van pop en rock tot Americana, country, folk en ja, zelfs jazz.

Zo heeft het ingehouden “California” groovegewijs wel iets weg van Steely Dan en neigt het zich ogenblikkelijk knus tussen je oren nestelende “Perfect Strangers” naar de popperfectie van het onnavolgbare Prefab Sprout van Paddy McAloon. En het zomers lijzige “Amanda Jane”, dat lijkt op zijn beurt wel met wat bossa nova te zijn besprenkeld. Hoogst apart!

Het met collega Angaleena Presley van de Pistol Annies gepende “Drivin’” blijkt aansluitend daarop nogal wat country in z’n genen te hebben zitten. En het bij momenten echt in de strijkers zwelgende “The High Road” – bij nader inzicht ook al een co-write, ditmaal met Jonny Fritz – grijpt graag terug naar lang vervlogen folkdagen. En dan zijn er ook nog de sprankelende roots pop van “Elephant”, het en passant bijna Beatle-esk uitvallende “You’re Not The One”, het vooral aanvankelijk weliswaar volop van een ouderwets lekkere soul vibe profiterende maar uiteindelijk toch als een rocker onze boeken ingaande “Couples Skate” en afsluiter “It’s Not OK”. Een ons her en der best wel wat aan heren als een Ben Folds, een Elton John in z’n hoogdagen of een Billy Joel herinnerende intelligente pianopopdeun. En met het gecultiveerd rockende “How I Love You” en het zweverige “Screw” prijken op Ellis’ setlist ook twee fremdkörper. Het eerste schreef zijn maatje Matt Vasquez van Delta Spirit, het tweede werd hem aangereikt door Kelly Doyle, de gitarist van z’n eigen band.

Neen, een zo eigenwijze breakup-plaat als deze hoorde u waarschijnlijk nog nooit! De melancholische naweeën van zijn eigen recente scheiding leverden Ellis duidelijk genoeg inspiratie voor een heus meesterwerkje op. Zowel tekstueel als muzikaal niets minder dan een weldaad voor wie eraan wil.

Robert Ellis

 

ROB ICKES & TREY HENSLEY “The Country Blues” (Compass Records)

(4,5*****)

Met “The Country Blues” bevestigen dobrovirtuoos Rob Ickes en z’n zingende partner Trey Hensley al het goede dat we hier naar aanleiding van hun eersteling samen, het vorig jaar verschenen “Before The Sun Goes Down”, al over hen verkondigden. Om het maar eens met de woorden van good old Marty Stuart te zeggen: “’t Is goed om te weten, dat de real deal wel degelijk nog bestaat.”

Elf nummers lang verkennen Ickes en Hensley op hun tweede worp het grensgebied tussen bluegrass, country en de bluesvariant daarop. Daarbij bijgestaan door een heuse stoet aan prominente gasten fietsen ze vlot van het ene hoogstandje naar het andere. Onder meer Ron Block, Vince Gill, Aubrey Haynie, Car Jackson, Shawn Lane, Andy Leftwich, Robinella, Jon Randall Stewart, Mike Bub en John Alvey zijn zo van de partij. Bijzonder goed gezelschap, als u het ons vraagt!

Samen brengen ze naast een aantal eigen deunen vooral ook veel covers van materiaal van anderen. Zo leenden ze het zuiders funky neergelegde “Pray Enough” bijvoorbeeld bij de onvolprezen Wood Brothers, haalden ze “I Won’t Give Up My Train” bij Hensley’s grote voorbeeld The Hag, is er met “Friend Of The Devil” een wat ons betreft uitermate geslaagde swingende tip of the hat aan het adres van de Grateful Dead, groeit wijlen Hank Williams’ “May You Never Be Alone” heerlijk klaaglijk uit tot één van de absolute hoogtepunten van “The Country Blues” en krijgen voorts ook de Charlie Daniels Band (“Willie Jones”) en Sonny Boy Williamson (“One Way Out”, met Ickes en Hensley verdorie echt in bluesmodus!) nog een lekkere beurt mee.

Prima plaat!

Rob Ickes & Trey Hensley

 

THE KAT KINGS “Swingin’ In The Swamp” (Kool Kat Records)

(3,5****)

Het leven is lang niet altijd een pretje. Dat mocht ook Kevin McQuade, het flamboyante kopstuk van de vanuit het Canadese Toronto actieve Kat Kings, ondervinden toen hij en zijn maats hot on the heels van hun vrijwel unaniem lovend onthaalde debuutplaat “The Winning Hand” on the road waren om het ijzer te smeden toen het nog volop heet was. Een maar net niet dodelijk afgelopen verkeersongeval van z’n dochter maakte toen voor de beste man immers abrupt een einde aan alles wat voorheen zo belangrijk had geleken. Voor McQuade telde plots begrijpelijkerwijze maar één ding meer: hij moest en zou bij zijn dochter zijn. Tijdelijk game over derhalve voor de Kat Kings.

Tijdelijk gelukkig maar. Met ’s mans dochter gaat het inmiddels naar verluidt gelukkig alweer heel wat beter. En met “Swingin’ In The Swamp” zijn McQuade en z’n kompanen nu ook toe aan hun welverdiende tweede kans op eeuwige roem. Oordeelt u daarover vooral ook zelf maar! Hieronder volgen alvast een hele trits redenen om u te overtuigen om op z’n minst tot een luisterbeurt over te gaan.

Om te beginnen is er de werkelijk rete-aanstekelijk swingende bluesabilly van openingsnummer “When I Say Jump” en de al even zwierig rockende jump blues van “Poppin’ At Party Time”. Met die twee deunen trap je probleemloos eender welk feestje in gang. Vervolgens zijn er de bevlogen rockabilly-stamper “B Flat Kat”, het door McQuade met soullegende Wilson Pickett ergens in z’n achterhoofd voor zijn vrouw geschreven “I Work For You” en de wervelende, ons hier en daar een heel klein beetje aan “Somethin’ Else” van wijlen Eddie Cochran herinnerende rock & roll-opstoot “Juke Joint Jimmie”.

Het door de woorden van een ter dood veroordeelde vlak voor z’n executie geïnspireerde “Before I Found Him” doet op zijn beurt iets heel moois met swamp rock en gospel, “Ridin’ In Style” laat titelgewijs eigenlijk al maar weinig meer aan de verbeelding over en swingt wederom als een tiet, “I’m Just A Shadow” blijkt in het wiel daarvan een dot van een echte soul ballad en het moddervette “It Came From The Swamp” haalde inderdaad precies daar de mosterd.

De laatste rechte lijn gaan we aansluitend daarop in met het qua ritmiek overduidelijk aan Chuck Berry’s classic “Memphis Tennessee” verwante “Til It Feels Alright”. De bluesy kruiper “I Got The Fuse”, de ongegeneerd naar New Orleans lonkende rumba “Late Night Thing” en rocker “Baby You Can’t Drink” vechten ten slotte voor de laatste podiumplaatsen.

The Kat Kings

 

NORTHERN INDIANS “No Shelter In Sight” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Northern Indians zijn Josef Eriksson en John Andersson, twee rijkelijk getalenteerde jonge Zweden, die duidelijk ooit al wel eens iets van muzikale spitsbroeders als Woody Guthrie en Bob Dylan beluisterd hebben. Met “No Shelter In Sight” is het duo al aan z’n tweede plaat toe. Minder dan een jaar na hun debuut “The Great Escape” bleken de heren immers alweer over ruimschoots voldoende songmateriaal te beschikken om gerechtvaardigd aan een opvolger te mogen denken. Met name Josef Eriksson blijkt wat dat betreft echt een bezige bij. Hij tekende in z’n eentje voor liefst negen van de twaalf liedjes hier en onder nog eens twee van de resterende drie prijkt zijn naam broederlijk naast die van kompaan Andersson.

Eriksson en Andersson grossieren ook op “No Shelter In Sight” weer in uitermate catchy folk pop & rock songs, die het niet altijd even nauw nemen met genregrenzen. “To My Dear Dear Friend” baadt zo bijvoorbeeld in een enigszins sixties aandoend sfeertje, think early Simon & Garfunkel, “If You Ever Change Your Mind” flirt ondanks dat aardig Dylaneske mondharmonicaatje erin openlijk nadrukkelijk met Americana, de enige Andersson-songbijdrage blijkt een korte poppy akoestische gitaarinstrumental en het door diezelfde Andersson gezongen “Barn Doors” strandt in al z’n eenvoud voorwaar ergens in de buurt van good old Neil Young.

Très sympa allemaal eigenlijk. Met als absolute uitschieters voor ons de werkelijk bloedmooie, überhaupt een beetje getormenteerd aandoende trage “How About You?” en de eclectisch opgevatte en met wat hoogst apart blaaswerk opgewaardeerde rocker “Give Love A Chance”. Vooral dat laatste nummer is echt wel een briljante deun.

Northern Indians

 

LOWBIRD HIGHBIRD “November Moving In” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Van een veelbelovende nieuwe act gesproken! Het uit het kleine stadje Piteå ergens in het noorden van Zweden afkomstige vijfmanschap Lowbird Highbird debuteert met “November Moving In” op werkelijk grootse wijze. Je bent bij het een eerste keer genieten ervan als luisteraar al snel geneigd om te gaan denken, dat Anna Svensson Rova (zang), Theo Stocks (pedal & lap steel en elektrische en akoestische gitaren), Jimmie Nilsson (elektrische en akoestische gitaren), Andreas Sahlin (elektrische en akoestische bassen) en Elias Ortiz (drums en percussie) echt al jarenlang met elkaar moeten optrekken. Zó ongelooflijk hecht, zó geweldig goed op elkaar ingespeeld, zó af klinkt dit allemaal. Verrassenderwijze blijkt niets echter minder waar. De vijf blijken nog maar een goed jaar samen te zijn. En de teller met optredens draaide in die periode dan ook nog eens allesbehalve overuren. Het maakt het op “November Moving In” gebodene er eigenlijk alleen nog maar indrukwekkender op.

Als Arctic Americana omschrijven ze het zelf. Een genrevariant die het niet zelden blijkt te moeten hebben van een enigszins donker randje. Van een zwaar melancholische ondertoon ook. Met front & centre bijna constant de fantastische zang van Rova. Heerlijk, hoe zij zo menig een nummer echt probleemloos naar zich toe lijkt te trekken. Met als absolute klapstuk wat ons betreft het ronduit sublieme “Leave This Town”. Rockabilly, roots rock, jazz, blues en country vallen elkaar daarin op ongemeen aanstekelijke wijze in de armen. ’t Is quasi onmogelijk om er niet onmiddellijk door meegezogen te worden.

Andere erg fijne momenten hier: het ergens onderweg van breekbare folky ballad tot ferme (roots) rock muterende “Lead Me On”, de ingetogen nerveuze folk rock van “Nothing Brings Me Down”, de net niet in weemoedigheid verzandende alternative country van “Isn’t It A Shame” en het met name door de sirenenzang van Rova erin aardig radiogeniek uit de hoek komende duo “Your Time Has Come” en “Hey Runaway”. Liedjes als deze en andere maken van “November Moving In” een eersteling om te hebben en intens van te houden. En eentje die je zeker niet aan je voorbij zou mogen laten gaan…

Lowbird Highbird - Facebook

 

ELI PAPERBOY REED “My Way Home” (Yep Roc / V2)

(5*****)

Na zijn al bij al toch wel wat ontgoochelende laatste cd “Nights Like This” was de jonge Amerikaanse soul man Eli Paperboy Reed wat ons betreft dringend toe aan eerherstel. Al het goede van z’n beide eerste platen “Roll With You” en “Come And Get It!” indachtig hielden we hier in de aanloop naar z’n nieuwe worp de vingers in spanning gekruist. Deze knaap wilden we immers vooral niet definitief kwijt aan hitlijsten allerhande. Daarvoor was wat hij vroeg in z’n carrière al deed immers veel en veel te lekker.

En om het gelijk maar te verklappen: Reed is met “My Way Home” weer helemaal terug! Dat songelftal roepen we hier bij dezen meteen uit tot een ernstige kandidaat voor de titel van album van het jaar. Beter worden ze ons inziens immers amper nog gemaakt. Heerlijk intens gaat het er op ’s mans nieuwe schijf aan toe! En zo mogen wij onze soul ook hier en nu nog altijd het liefst hebben.

Gelijk vanaf openingsnummer “Hold Out” is het volop prijs. Furieus aangejaagd door een hypnotisch orgeltje dat je eerder op een sixties garage rock single verwachten zou dan in een lap gospeleske soul grijpt die onvervalste moordsong je meteen stevig bij de lurven. Vervolgens is er de ondanks z’n wat lager tempo al even verslavend werkende schreeuwlelijk “Your Sins Will Find You Out”. Think James Brown meets Little Richard tijdens een feestje ten huize van de Staples, zoiets.

Extreem funky gaat het er dan weer aan toe in het uitermate catchy “Cut Ya Down” alvorens we met “Movin’” een streepje authentiek één-tegel-soulwerk op het bord krijgen. Echt een dijk van een trage, dat nummer! Klassiek spul eigenlijk gewoon. In “Tomorrow’s Not Promised” gaat het er daarna kort wat luchtiger aan toe. Daarin laat Reed als het ware even de Sam Cooke in zichzelf van de leiband. En dat zoiets uitstekend radiovoer oplevert, dat spreekt uiteraard voor zich.

Titelnummer “My Way Home” versmelt op zijn beurt het beste van goddelijke strotten als die van Wilson Pickett, die van Otis Redding en die van Solomon Burke. De intensiteit van die valse trage is werkelijk fenomenaal! Echt om kippenvel van te krijgen! “Eyes On You” blijkt vervolgens garage gospel, “The Strangest Thing” valt op door z’n niets minder dan wervelende rockbenadering van het soulgenre, “I’d Rather Be Alone” is opnieuw een met verve op de klassieke leest geschoeide soulsleper, “A Few More Days” komt hyperkinetisch pompend en stompend vanuit de één of andere hippe soul cellar aanwaaien en afgesloten wordt er ook al in stijl met het ingetogen “What Have We Done”, nog zo’n soul slow waarbij je als luisteraar vrijwel meteen een hele trits aan grote stemmen voor de geest komen.

Kort samengevat: dit “My Way Home” bevat net geen vijfendertig minuten van het allerbeste songmateriaal dat we hier dit jaar al te horen kregen. Dit wordt ontegensprekelijk onze soundtrack achter de zomer van 2016. Zeker weten!

Eli Paperboy Reed

 

LILY & MADELEINE “Keep It Together” (New West / PIAS)

(4****)

Ik heb het wel voor de zussen Jurkiewicz. Als het duo Lily & Madeleine – Neen, neen, niet Lili en Marleen, slimmeke… – wisten ze me ondanks hun toen nog piepjonge leeftijd ook al met hun vorige platen “The Weight Of The Globe”, “Lily And Madeleine” en “Fumes” vrijwel moeiteloos in te pakken. Hun steeds weer met perfectie flirtende folk pop had nu eenmaal dat zekere je ne sais quoi dat de besten van de beteren onderscheidt. Als volleerde sirenes lieten ze me keer op keer op hun muzikale klippen varen. En dat is ook nu weer niet anders.

In een productie van Paul Mahern presenteren ze op “Keep It Together” tien nieuwe eigen songs. Hun meest persoonlijke tot op heden, als we Lily geloven mogen. Die ging recentelijk zelfs zo ver om in verband met haar liedjes over kleine deeltjes van zichzelf te spreken. Kleine deeltjes van een in het Amerika anno nu opgroeiende jonge blanke vrouw met een college-achtergrond. Met uiteraard alle pijnen en kwaaltjes van dien. En als dusdanig aardig representatief voor veel van haar leeftijdsgenoten.

Werkelijk puntgaaf klinkt het allemaal wat de zussen hier doen. Niet enkel hun samenzang is weer van een haast onaardse schoonheid, ook het muzikale plaatje klopt volledig. En dat onder meer mede dankzij de hun eigen toetsenspel fraai aanvullende bijdragen van hun vriendinnen Shannon Hayden en Kate Siefker op onder andere gitaren, cello, mandoline, Moog, bas en drums. Dat ze als een heus team aan deze songs hebben gewerkt, blijkt uit nagenoeg alles hier.

Mijn voorkeursmomenten: het enigszins schimmig aandoende “Smoke Tricks”, het wat dramatischer uitgevallen duo “Chicago” en “Nothing” en vooral ook de perfecte laidback pop van opener “Not Gonna”, het nummer waaraan de plaat ook haar titel ontleende. In elk van deze deunen is virtuoze subtiliteit zo ongeveer voortdurend de norm.

Iets voor de zomerfestivals?

Lily And Madeleine

 

DANIEL ROMANO “Mosey” (New West / PIAS)

(3,5****)

Precies op tijd om samen te vallen met z’n doortocht doorheen de Lage Landen viel de nieuwe Daniel Romano hier op de deurmat. “Mosey” heet die schijf en het minste wat je ervan kan zeggen is dat ze verrast. Dat ze halsstarrig weigert om zich gemakkelijk in een hokje te laten duwen. En dat was exact Romano’s bedoeling ook. Vandaar ook de term Mosey. Zó en niet anders wil de Canadees dat we zijn muziek voortaan noemen.

Probeer bij gelegenheid zelf bijvoorbeeld maar eens een gepast label voor openingsnummer “Valerie Leon” te verzinnen. Maar zorg er dan wel voor over voldoende tijd te beschikken. Je zal het nodig hebben! Het is pop, maar ook rock. Het heeft soul, maar ook een licht psychedelisch kantje. Er zijn van de vitaliteit bruisende blazers, maar ook een deluxe dosis strijkers. Enfin, je ziet maar…

Vervolgens is er met “I Had To Hide Your Poem In A Song” één van de wat ons betreft allersterkste nummers van het geheel. Die krassende rocktrage trok met z’n priemende gitaarbijdrage op z’n Lennons diepe voren doorheen ons onderbewustzijn. (En ging hier dan ook meteen in heavy rotation.)

Het met Rachel McAdams gebrachte “Toulouse klinkt aansluitend daarop als een gemuteerde verre afstammeling van het onweerstaanbare “The Fool” van Lee Hazelwood met richting z’n einde wat onvervalste psychedelische yé-yé fun, “Hunger Is A Dream You Die In” heeft op zijn beurt iets van een experimenteergrage Glen Campbell, het uitbundige, aan een al bij al wat al te opzichtige woordspeling opgehangen “Mr. E. Me” stoeit op kunstige wijze met soul en sixties pop en “One Hundred Regrets” is een pianoballade à la de jonge Waits, maar dan wel zonder het gruis van diens onnavolgbare stem uiteraard.

“I’m Alone Now” is vervolgens opnieuw een volop richting de jaren zestig lonkende trage in net niet R&B style, “Sorrow (For Leonard And William)” klinkt als Leonard Cohen meets Scott Walker, “(Gone Is) All But A Quarry Of Stone” klaagt in het kielzog daarvan op z’n Dylans en “Maybe Remember Me” blijkt louter muzikaal gezien uit hetzelfde straatje als het hier eerder al genoemde “Mr. E. Me” afkomstig. Moeten dan nog de revue passeren: de eigenzinnige nachtbraker “The Collector” en afsluiter “Dead Medium”, een nog bij elke beluistering wat aan punch bijwinnende rocker.

Daniel Romano

 

TONY JOE WHITE “Rain Crow” (Yep Roc / V2)

(4****)

Ondertussen bijna een halve eeuw na zijn debuut “Black And White” flikt good old Tony Joe White het op z’n tweeënzeventigste maar weer eens. Met “Rain Crow” voegt hij een zoveelste pareltje toe aan zijn ook zo al behoorlijk indrukwekkende oeuvre. Ook zonder zo op het eerste gezicht nieuwe klassiekers genre een “Polk Salad Annie”, een “Steamy Windows”, een “Willie And Laura Mae Jones”, een “Roosevelt And Ira Lee” of een “Rainy Night In Georgia” erop intrigeert die nieuwe White weer ruim vijfenveertig minuten lang.

Werkelijk als geen ander weet Tony Joe White de eigenheid van het Amerikaanse Zuiden in z’n songs te vatten. Je voelt als luisteraar als het ware de voor de swamps aldaar kenmerkende vochtige warmte erin. En dat maar net niet tot zwetens toe. Van de lome bluesrocker “Hoochie Woman” tot de louter groove-gewijs ergens dicht in de buurt van wijlen J.J. Cale strandende murder ballad “The Bad Wind”, van het voorzichtig funky aandoende titelnummer tot het werkelijk hypernerveuze “The Opening Of The Box”, van de prachtige, soulvolle ballad “Right Back In The Fire” tot het samen met acteur Billy Bob Thornton gepende “The Middle Of Nowhere”, van de als vintage White te bestempelen trage story song “Conjure The Child” tot het afsluitende tweetal “Where Do They Go” en “Tell Me A Swamp Story”, White weet hier werkelijk over de gehele lijn te overtuigen.

Persoonlijk vind ik dit op de keper beschouwd zelfs één van z’n allerbeste platen überhaupt. En geloof me vrij, dat wil in het geval van The Swamp Fox best wel iets zeggen.

Tony Joe White

 

MATT BAUER “Dream’s End” (Crossbill Records)

(3,5****)

Muzikale zonderling Matt Bauer kan hier al sinds jaar en dag op goedkeurend gemompel rekenen. Met name zijn albums “Nandina” en “The Island Moved In The Storm” vinden wij echte blijvertjes. En beide platen krijgen hier dan ook geregeld nog een luisterbeurt. En geloof me vrij, dat is gezien de hoeveelheid muziek waar ik wekelijks aan moet echt niet zo evident.

En dat brengt ons meteen bij hét grote probleem met betrekking tot ’s mans nieuwe worp. Die grijpt ons al bij al in veel mindere mate dan de hoger genoemde platen bij de keel. “Dream’s End” is weliswaar een goede plaat, maar ze pakt ons niet op dezelfde manier als haar voorgangers in. En dat ondanks weer uitermate intrigerende teksten en een ogenblikkelijk uit de duizend herkenbaar geluid. Een geluid, te situeren ergens tussen Americana, indie folk en orkestrale pop. Met bijna voortdurend in het middelpunt van de belangstelling Bauers überhaupt wat klagerig aandoende zang en met verder vooral ook nog hoofdrollen voor ’s mans eigen banjo en een heus bataljon aan strijkers. Wat vocale bijstand krijgt hij her en der van Emily Jane White en de zusjes Wanta.

Liedjes als “Fields, No Body”, “It Knows Not What It Is”, “I Am Trying To Disappear”, “Too Late”, “Silver Orchard”, “What The White Book Said”, “False Lights”, “Fox Kits” en andere behoren op de keper beschouwd tot Bauers rauwste en meest persoonlijke tot op heden. En met name in wat alternatiever ingestelde kringen zou hij er best wel eens heel erg hoge ogen mee kunnen gaan gooien. Maar zoals al gesteld, wij zullen eerder blijven teruggrijpen naar het hoger genoemde tweetal. Hopelijk neemt hij het ons niet al te kwalijk, onze Matt. We blijven per slot van rekening toch in de familie, hè…

Matt Bauer       

 

REBEKAH LONG “Here I Am” (LUK Records)

(4****)

Met de haar roots in het bescheiden Lincolnton, Georgia hebbende Rebekah Long dient zich een nieuw bluegrasstalent aan om meteen stevig aan de boezem te drukken en volop te koesteren. Op het zopas verschenen “Here I Am” presenteert ze zich immers als een echte wissel op de toekomst. Niet enkel met haar lenige kristalheldere stem, maar ook met haar liedjes slaat ze daarop voortdurend spijkers met koppen. In een productie van de hier ook zelf al regelmatig geroemde Donna Ulisse presenteert ze er daarvan een vijftal, aangevuld met materiaal van anderen tot in totaal dertien songeenheden.

Covers brengt ze zo onder meer van “I Know This Town” van de lichtjes fantastische Cheryl Wheeler, van Mel Tillis’ “Unmitigated Gall”, van het in de vroege jaren tachtig door Terri Gibbs de hitlijsten ingezongen “Somebody’s Knockin’”, van “I Washed My Face In The Morning Dew” van Tom T. Hall en van de Merle Haggard classic “The Fightin’ Side Of Me”. Dat laatste blijkt één van twee eerbetonen op “Here I Am”. Het andere is het sprankelende “Sweet Miss Dixie Deen”, opgedragen aan de vorig jaar overleden Dixie Hall, met wie Long sinds jaren een innige vriendschap onderhield.

Voor het eigen materiaal op “Here I Am” werkte Long nauw samen met Donna Ulisse en haar echtgenoot Rick Stanley. Samen tekenden ze onder meer voor het op wervelende en uitermate authentieke wijze het leven out in the country bezingende “Ain’t Life Sweet”, voor de op een vreemde manier bepaald soulvol aandoende murder song “Hairpin Hattie”, voor het op ingetogen wijze ook al een madam bezingende “Nellie Mae” en voor de hoger al genoemde tip of the hat aan het adres van wijlen Miss Dixie zaliger.

Bij het inblikken van al dat fraais kreeg Long hulp van een ware all-star cast aan sessiemuzikanten. Of wat dacht u van een team bestaande uit onder anderen banjovirtuoos Scott Vestal, bassist Mike Bub, mandolinetovenaar Jesse Brock, gitarist Dustin Benson en fiddler-dobrospeler Justin Moses? Met bovendien geregeld ook nog in de buurt voor wat vocale back-up Donna Ulisse en haar wederhelft Rick Stanley. Kon niet echt misgaan, toch?

En dat deed het dan ook niet. “Here I Am” is wat je noemt een echt plaatje van een plaat. Een delicatesse waaraan vooral liefhebbers van door mooie damesstemmen gedragen bluegrass een flinke kluif zullen hebben, maar zeker niet alleen zij.

Rebekah Long

 

MATTHEW BARBER & JILL BARBER “The Family Album” (Outside Music)

(4****)

Amper iets zo mooi als elkaar liefdevol in de armen sluitende verwante stemmen. Muziekgeschiedenisboeken staan er werkelijk vol mee. En vooral broederparen doen het in dat hoofdstuk meestal uitzonderlijk goed. Denk bijvoorbeeld maar aan de Everlys, de Louvins en de Delmores, om er zomaar voor de vuist weg wat van de bekendere te noemen. Maar het kan natuurlijk ook anders. Ook de stemmen van zingende broers en zussen gaan meestal uitzonderlijk goed samen. En niet zelden leveren ze zelfs gewoon nog mooier harmonieerwerk op. Met die wetenschap in het achterhoofd stortten we ons hier op “The Family Album”, het eerste werkstuk samen van de Canadezen Matthew en Jill Barber.

Elf veelal eerder ingetogen folk- & countryliedjes prijken er op die gezamenlijke maiden release. Vijf van eigen hand en een zestal covers. Van Bobby Charles brengen de twee zo “I Must Be In A Good Place Now”, van Gene MacLellan verbluegrassen ze het knappe “Song To A Young Seagull”, van Ian Tyson brengen ze huisfavorietje “Summer Wages”, van het repertoire van hun bekende landgenoot Leonard Cohen plukken ze het door Hy Zaret gepende “The Partisan”, bij Townes Van Zandt vonden ze geknipt songvoer in het wonderschone “If I Needed You” en van Neil Young ten slotte droeg met name de classic “Comes A Time” hun goedkeuring weg.

Van de vijf eigen liedjes blijken er drie van de hand van Jill en slechts twee van die van Matthew. Vonden wij op het eerste gezicht maar raar. Maar de gebrachte songs geven de twee wel degelijk gelijk. Het volop op de ingehouden spanning erin terende “One True Love”, de fraaie pianoballade “Today” en de al even geweldige Americana-trage “Big Picture Window” zijn stuk voor stuk ijzersterke liedjes van Jill. Liedjes, die zeker niet moeten onderdoen voor het verhalende “Grandpa Joe” en het sfeervolle “The Sweeter The Dawn”, de twee door Matthew bijgedragen stukken.

Kortom: zonder uitzondering straffe songs, gebracht door twee elkaar op wonderlijke wijze aanvoelende en aanvullende stemmen, tegen een muzikaal decorum dat hoegenaamd niets, maar dan ook niets te wensen overlaat. Veel meer mag je als luisteraar eigenlijk niet van een plaat verwachten…

Matthew Barber, Jill Barber

 

SAM FRAZIER JR. “Take Me Back” (Music Maker Relief Foundation)

(4****)

Aan fijne platen hoegenaamd geen gebrek dezer dagen! Er komt gewoon zoveel aan goeds uit, dat het ons steeds vaker aan de nodige tijd begint te ontbreken om er effectief ook wat over te schrijven. En dat is soms best wel jammer. Neem nu zo’n plaat als het onlangs verschenen “Take Me Back” van de vooralsnog eerder onbekende Amerikaan Sam Frazier Jr., hoe spijtig zou het niet zijn om daar met z’n allen gewoon aan voorbij te gaan. We zouden een heuse schatkist vol met geweldige Southern soul zomaar aan onze neus voorbij laten gaan.

Frazier is een obscuur soultalent uit Edgewater, Alabama, een klein mijnwerkersstadje ergens in de buurt van Birmingham. In de late jaren zestig en de vroege seventies nam de beste man in de door Neal Hemphill gerunde lokale Sound Of Birmingham Studios een heleboel veritabel topmateriaal op. Helaas voor hem – En voor ons! – zou dat echter nooit van de plank geraken. En een doorbraak op meer dan regionale schaal bleef voor de getalenteerde zanger-harmonicaspeler dan ook uit.

Gelukkig is er echter de Music Maker Relief Foundation nog. Die heeft zich precies tot doel gesteld om dit soort van artiesten te geven waar ze eigenlijk gewoon recht op hebben. Exposure zeg maar. En dat betekent in dit geval een zestiental songschoonheden gered van een stoffig einde. Songschoonheden als de zalige sleper “I Got To Tell Somebody”, het al even beklijvende titelnummer, het naar onze bescheiden mening toch echt wel over het nodige hitpotentieel beschikkende “Black And White Love”, het groovy “Drippin Honey”, het funky “No Account Man” en vele vele andere hier. Vreemd, dat labels als Stax dit ooit links hebben laten liggen. Gewoonweg onbegrijpelijk eigenlijk…

Music Maker Relief Foundation

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home