CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2017

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

JESSE TERRY “Stargazer” - CIARA SIDINE “Unbroken Line” - GREGG STEWART “TwentySixteen” - RED HERRING “Here To Distract You” - TOM RUSSELL “Folk Hotel” - PAUL BRADY “Unfinished Business” - MARTIN SIMPSON “Trails & Tribulations” - CHRIS BLEVINS “Better Than Alone” - TIP JAR “Gemstone Road” - SUSAN CATTANEO “The Hammer & The Heart” - DUANE FORREST “The Climb” - RON POPE “Work” - VIPER CENTRAL “The Spirit Of God & Madness” - STEVE MAYONE “Sideways Rain” - ED DUPAS “Tennessee Night”

 

JESSE TERRY “Stargazer” (Jackson Beach Records)

(4****)

Door zijn wollige, enigszins omfloerste stem en zijn nadrukkelijke voorliefde voor strijkers en een groot geluid duurt het bij het beluisteren van “Stargazer” van Jesse Terry niet lang of je gaat onwillekeurig denken aan de in zo menig een opzicht met hem vergelijkbare Ron Sexsmith. Wie van diens materiaal houdt zal zich aan dit vijfde album van de vanuit New England actieve Terry zeker ook geen buil vallen. En al zeker niet als acts als de Beatles of Jeff Lynne (en zijn ELO) op hun tijd ook nog eens uit de kast mogen. Terry is immers niks minder dan een geweldige songsmid, die net als zijn grote voorbeelden valt voor onmiddellijk aansprekende melodieën.

Het is alleszins moeilijk om er niet onmiddellijk als een blok voor te vallen. Luister bij gelegenheid maar eens naar willekeurig gekozen kleinoden als het ongemeen sfeervolle “Stargazer”, het met een bedaard rocksausje overgoten duo “Woken The Wildflowers” en “Dangerous Times” of het behoorlijk ongegeneerd naar de hoogdagen van de eerder genoemde Lynne en zijn cohorten terugharkende “Kaleidoscope” en je zal ons daarin wellicht al snel bijtreden.

Het soort van plaat waarmee je de stilaan al wat ouder wordende jongere in ons telkens opnieuw een groot plezier doet. Dat was al zo met voorgangers “The Runner”, “Empty Seat On A Plane”, “Stay Here With Me” en “The Calm And The Storm” en dat is met “Stargazer” zeker niet anders.

Warm aanbevolen!

Jesse Terry

 

CIARA SIDINE “Unbroken Line” (Ciara Sidine)

(4****)

Van een force of nature gesproken! Met die onwaarschijnlijk soulvolle sirenenstem van ‘r zal de Ierse Ciara Sidine de eerstvolgende weken weer flink wat luistergragen op haar muzikale klippen laten lopen, dat mag u nu al van ons aannemen. Met “Unbroken Line”, de opvolger van haar ook al erg knappe debuutplaat “Shadow Road Shining” uit 2011, slaat Sidine nu immers pas echt spijkers met koppen. Met de twaalf liedjes daarop rechtvaardigt ze volop in het verleden reeds gemaakte vergelijkingen met onder anderen Emmylou Harris, Maria McKee en Mary Black. En voeg aan dat lijstje wat ons betreft ook maar de namen van Mary Chapin Carpenter en Maura O’Connell toe. Want een straffe madam met een straffe stem, da’s exact wat ook Sidine is.

En eentje met het hart op de juiste plaats bovendien ook. Dat blijkt uit zo menig een op “Unbroken Line” aangesneden thema. Uit heel wat van Sidine’s songs spreekt een nadrukkelijk verlangen naar meer sociale rechtvaardigheid. Het misschien wel allermooiste voorbeeld daarvan vinden wij persoonlijk “Let The Rain Fall”. Daarin trekt Sidine eigenzinnig soulvol van leer tegen een Kerk die het maar blijft nalaten om haar verantwoordelijkheid op te nemen inzake in het verleden tegen jonge kinderen gepleegde misdrijven. Alleen dat liedje al rechtvaardigt ons inziens een onverwijlde aanschaf van “Unbroken Line”.

En het is dan nog maar één van de vele pareltjes op “Unbroken Line”. Van de aangrijpende Americana van “Finest Flower” over het veelzeggend getitelde “Woman Of Constant Sorrow” tot de voorzichtig met een reggaemotiefje flirtende schuifelcountry van “2 Hard 2 Get 2 Heaven”, van het regelrecht richting de sterren gecroonde “Watching The Dark” over de twang-a-billy van “Wooden Bridge” tot de soulvolle ballads “River Road” en “Take Me With You”, van het speelse “Lemme Drive Your Train” of het rootsy “Trouble Come Find Me” over het titelnummer en het hoger al uitgebreid bejubelde “Let The Rain Fall” tot afsluiter “Little Bird Song”, eigenlijk valt hier gewoon niets uit de toon. “Unbroken Line” is met andere woorden niks minder dan een hele straffe Euro-Americanaplaat. Hopelijk laat Sidine ons op een opvolger hiervoor weer geen zes jaar wachten. Zou heel erg jammer zijn!

Ciara Sidine

 

GREGG STEWART “TwentySixteen” (Stewsong Records)

(3,5****)

Eerder dit jaar debuteerde Gregg Stewart met een met name door tal van Amerikaanse college stations goed onthaald gewoon naar zichzelf vernoemd album. Nu ja, debuteerde… Da’s eigenlijk een groot woord voor iemand die op dat moment bij nader inzicht al jarenlang in de business meeging. Vijf albums met het onvolprezen Stewboss brachten hem zelfs reeds meermaals tot in Europa.

En dat solodebuut krijgt nu, nauwelijks enkele maanden later, alweer een opvolger. Een plaat met een hoogst interessant concept erachter. “TwentySixteen” blijkt immers een collectie covers van prijsnummers geplukt van de repertoires van in het jaar uit de titel ervan overleden artiesten. Van new wave act Dead Or Alive van wijlen Pete Burns krijgen we zo een van alle overbodige franje ontdane versie van de superhit “You Spin Me Round (Like A Record)”, bij George Michael werd “A Different Corner” geleend en bij Prince het lijzige “Raspberry Beret”. Van het Britse indiebandje Viola Beach, waarvan alle vier de leden tragischerwijze samen om het leven kwamen bij een auto-ongeval, brengt Stewart het knappe “Daisies”, van de hand van Earth, Wind & Fire-kopstuk Maurice White koos hij “Sing A Song”, van Leon Russell op zijn beurt dan weer “One More Love Song” en uit de ruime collectie pareltjes van Merle Haggard diepte hij tot ons genoegen “If I Could Only Fly” nog eens op.

Een tweede reeks van zeven tracks wordt ingezet met Gene Wilders “Pure Imagination”, op de voet gevolgd door de door de begin vorig jaar aan de gevolgen van een hartaanval overleden Paul Kantner mee gepende Jefferson Airplane-kraker “High Flying Bird”, “I Found Somebody” van Eagle Glenn Frey, Guy Clarks “Out In The Parking Lot” en Andrew Dorffs “That’s How You Know”. En natuurlijk ontbreken ook herinterpretaties van nummers van Leonard Cohen en David Bowie niet op het appel. Van de eerste doet Stewart op aardig soulvolle wijze “Leaving The Table”, van de tweede brengt hij afsluitend het al even mooie “Starman”.

Best wel knap eigenlijk, hoe de brave man al die nummers naar zich toe weet te trekken en er bovendien ook nog eens in slaagt om uit dat toch behoorlijk diverse lot een alleraardigste muzikale eenheid te smeden. Zijn eerder sober te noemen rootspopaanpak werkt dus wel degelijk. Met dank daarvoor zeker ook aan zijn muzikale begeleiders Carl Byron (toetsen), Kurtis Keber (bas) en Kevin Jarvis (drums en percussie). Die laatste tekende overigens ook voor de productie van “TwentySixteen” en zag als special guests ook Renee Faia (The Mazarines), Evan Slamka (Marjorie Fair) en Cherish Alexander en Frank Lee Drennen (Dead Rock West) nog even langskomen.

Gregg Stewart

 

RED HERRING “Here To Distract You” (Red Herring)

(4****)

Of bluegrass en Nederland kunnen samengaan, vroeg u? You bet! En een veel mooier voorbeeld dan het voorliggende “Here To Distract You” van het vanuit Rotterdam actieve viertal Red Herring hadden we ons om die mening te onderschrijven op de keper beschouwd amper kunnen wensen. Al beperken Arthur Deighton (zang, gitaar, mandoline, bouzouki), Joram Peeters (zang, fiddle, gitaar, mandoline en bouzouki), Loes van Schaijk (zang, double bass en bodhran) en Paul van Vlodrop (banjo, mandoline en zang) zich op dat aangenaam gevarieerde geheel zeker niet louter tot bluegrass. Ook folk en Americana komen terloops behoorlijk nadrukkelijk aan bod.

Afgetrapt wordt er bijvoorbeeld al met een streepje Americana. Het moody “No Hearts Won” meer bepaald. Daarin is er een vocale glansrol weggelegd voor van Schaijk. De eerste van drie vocalisten, zo zal later blijken. Bluegrass pur is vervolgens wel het door Joram Peeters geschreven en ook zelf gebrachte staaltje levenslust – sic – “Rather Die Alone”. “Pigs Upon A Ninja” heeft dan weer wat met folk en roots, het sfeervolle “The Beaten Track” is Americana met een dun laagje bluegrass eronder – Of was het toch eerder omgekeerd? – en het bij Dougie MacLean geleende en door van Schaijk a capella ingeleide en ook verder slechts heel sober ingevulde “Garden Valley” mag onder de hoofding folk of zelfs onder het bordje singer-songwriter stuff.

Peeters’ “A Loved Man’s Lonely Blues” slaat vervolgens op fraaie wijze een brug tussen Americana, bluegrass en blues, “Uphill Climb” van Chris Jones staat al barstend van de joie de vivre voor het pure spul en dat net als “Barefoot Nellie” van Jim Davis en Don Reno trouwens. Plaats voor een enigszins aparte jazzy bluegrassnoot is er daarna in de instrumental “Whatsapp Doc”, alvorens Arthur Deighton lijzig de gevoelens gepaard gaand met het einde van een relatie bezingt in het coole “The Longest Day”. Afgerond wordt er met een knappe lezing van de traditional “Wedding Dress” en het innemende “Two Sisters”, een door Peeters aangevatte adaptatie van een oude Britse folkballade.

Als de titel staat voor hun missie, dan zijn die van Red Herring wat ons betreft met brio geslaagd in hun opzet! Heerlijk plaatje!

Red Herring

 

TOM RUSSELL “Folk Hotel” (Frontera Records / Proper Records)

(4****)

“Folk Hotel” is na het enkele maanden geleden verschenen “Play One More: The Songs Of Ian & Sylvia” al de tweede Tom Russell-plaat dit jaar. En een verdomd ambitieuze ook! Veel van zijn luisteraars eisend, zoals recent wel vaker. In een productie van Mark Hallman en met de gewaardeerde medewerking van onder anderen Eliza Gilkyson, Joe Ely, Augie Meyers en Joel Guzman.

Wat het tekstuele betreft gaat Russell op “Folk Hotel” heel erg ruim. In openingsnummer “Up In The Old Hotel” heeft hij het zo bijvoorbeeld over het vermaarde Chelsea Hotel in New York, in de Tex-Mex border song “Leaving El Paso” neemt hij ons mee op een trip van El Paso naar Santa Fe en in “I’ll Never Leave These Old Horses” laat hij collega-cowboy Ian Tyson even aan het woord. Het ingetogen “The Sparrow Of Swansea” richt hij vervolgens aan dichter Dylan Thomas en in “All On A Belfast Morning” confronteert hij ons met de grauwe dagdagelijkse realiteit in die wereldstad. En dan is er het voor Russell enigszins atypische akoestische bluesje “Rise Again, Handsome Johnny”. Daarin heeft hij het over een ontmoeting met JFK. En er is nog zoveel meer! Maar dat moest u bij gelegenheid maar eens zelf gaan ontdekken!

Vermelden doen we hier ten slotte enkel nog de twee aan de twaalf songs toegevoegde bonus tracks. En dat dan vooral omdat het bij één van die twee blijkt te gaan om een in duet met Joe Ely gebrachte herinterpretatie van Bob Dylans klassieker “Just Like Tom Thumb’s Blues”. Very Lone Star State indeed. Met name ook dankzij de Tex-Mex accordeonbijdrage van Joel Guzman.

Prima plaat alweer!

Tom Russell

 

PAUL BRADY “Unfinished Business” (Proper Records)

(3,5****)

Paul Brady is wat je noemt een echte songwriter’s songwriter. De al ruim een half decennium in de muziek actieve Ier wordt door heel wat van zijn collega’s echt op handen gedragen. Dat bewees onder meer ook de guest list van zijn recente live-dubbelaar “The Vicar Street Sessions” nog. Van Morrison, Mark Knopfler, Bonnie Raitt, Mary Black, Gavin Friday, het zijn maar enkelen van de velen die Brady tijdens die sessies met een tip of the hat vereerden.

Met “Unfinished Business” meldt de beste man zich nu terug voor zijn eerste studioplaat in zeven jaar. Het album zal de geschiedenis ingaan als zijn vijftiende soloplaat en als opvolger van “Hooba Dooba” uit 2010. En vooral ook als een aangenaam gevarieerd geheel, waarop we als luisteraars andermaal worden geconfronteerd met de eclectisch ingestelde muzikale geest van Brady. Negen nieuwe eigen liedjes staan erop, evenals covers van twee traditionals. Voor het pennen van de nieuwe originelen ging Brady this time around samenwerkingen aan met Paul Muldoon, Sharon Vaughn en Ralph Murphy. De overgeleverde nummers zijn respectievelijk “Lord Thomas And Fair Ellender” en “The Cocks Are Crowing”.

Veelal waagt Brady zich in zijn verse nummers weer op het slappe koord tussen pop en rock enerzijds en folk anderzijds. Al vallen invloeden uit genres als soul en blues zeker ook nu weer niet te ontkennen. Enkele van de mooiste momenten vonden wij persoonlijk het aardig jazzy uit de hoek komende titelnummer, het ingetogen, ons best wel wat aan de hier eerder ook al even opgevoerde Van Morrison herinnerende “Harvest Time” en de sprankelende lentefrisse popdeun “I Love You But You Love Him”. En ook ’s mans lezing van de folk traditional “The Cocks Are Crowing” wist ons best wel te bekoren.

Paul Brady

 

MARTIN SIMPSON “Trails & Tribulations” (Topic Records)

(3,5****)

“Trails & Tribulations” is de titel van de nieuwe cd van huisfavorietje Martin Simpson. Zijn twintigste soloplaat inmiddels al en zijn eerste nieuwe sinds het in 2013 verschenen en nagenoeg onder de lofbetuigingen bedolven “Vagrant Stanzas”.

Het door Andy Bell geproduceerde “Trails & Tribulations” is een in totaal dertien songeenheden tellende collectie liedjes waarin Simpson het heeft over de natuur, over reizen en over hem door het leven zelf aangereikte verhalen. Eigen liedjes, maar ook covers. Eigentijdse, maar ook overgeleverde. Liedjes, die het hem vooral ook toelaten zijn instrumentale vaardigheden eens te meer vetjes te onderlijnen. Onder meer op akoestische en elektrische gitaren, resonators, lap steel, banjo en ukelele.

Bijgestaan wordt Simpson hier onder andere door Nancy Kerr, Ben Nicholls, Toby Kearney, Andy Cutting, John Smith, Helen Bell, Amy Newhouse-Smith en zijn eigen dochter Molly.

Onze luistertips: het fraaie drietal bestaande uit de songs “Blues Run The Game”, “Thomas Drew” en “St. James Hospital”.

Martin Simpson

 

CHRIS BLEVINS “Better Than Alone” (Horton Records / CRS)

(5*****)

Eerlijk is eerlijk: tot voor het beluisteren van het voorliggende “Better Than Alone” was Chris Blevins voor ons niets meer dan een nobele onbekende. En dat hoeft niet eens te verbazen ook, aangezien het hierbij ook nog maar het debuut van de Amerikaan betreft. Een eersteling op het in onze kontreien door het onvolprezen CRS verdeelde Horton Records, thuishaven van zo menig een rastalent uit Oklahoma. Het lijstje wordt zo stilaan eindeloos. Want een rastalent is Chris Blevins zeker. Een regelrechte aanrader voor fans van acts als John Fullbright, Hayes Carll, Steve Earle, Owen Temple, JW Roy en aanverwanten.

Blevins vliegt er meteen stevig in met de heerlijk spitante countryrocker “Big Man”. Vervolgens is er het over een onthaast klassiek rock & roll-motiefje uitgesmeerde “Clean”. Gelijk een tweede echte homerun wat ons betreft. En dan moest “Abilene” nog komen. Die in sfeervolle lap steel- en orgelklanken gehulde ballad is van het allermooiste wat we hier dit jaar al op ons bord kregen.

Bijzonder soulvol gaat het er vervolgens aan toe in “Jezebel”, een pak gewaagder in het aan een vrijwel gelijk in het oor springend ritme opgehangen “Wicker Man”, bedaard in het onmogelijk anders dan als een verder hoogtepunt te omschrijven “Wildfire” en enigszins bluesy in het sfeergewijs zijn titel volledig nakomende “Daydream”. Via de ingehouden honky-tonk rocker “Songs” en de alweer werkelijk bloedmooie trage “The Way Down” worden we ten slotte met “Better Than Alone” volledig voldaan weer richting de uitgang geleid.

Voor de productie van “Better Than Alone” tekende Chris Combs. Voor verdere hand-en-spandiensten kon Blevins een beroep doen op een soort van lokale all-star cast. De meest in het oog springende naam op de gastenlijst is alleszins die van de hier al eerder genoemde John Fullbright.

Ontegensprekelijk jaarlijstjesmateriaal!

Chris Blevins (CRS)

 

TIP JAR “Gemstone Road” (Shine A Light Records)

(4****)

Wat een ongelooflijk mooie plaat alweer, deze nieuwe van het Nederlandse duo Tip Jar. We hebben het hier in verband met de samenwerking tussen songwriter Bart de Win en zijn echtgenote Arianne Knegt in het verleden al wel eens vaker gehad over a match made in heaven en die mening blijven we ook na deze nieuwe worp nadrukkelijk toegedaan. Wat de twee hier met de hulp van onder meer Walt Wilkins en Ron Flynt afleveren is wat we een twaalf songs lange streling voor het oor zouden willen noemen. Een echte Americana tour de force. Niet geheel en al toevallig allicht ingeblikt in Austin, Texas.

Een dozijn schoonheden van “songs about love and life” zijn het resultaat van een bijzonder innige Nederlands-Amerikaanse samenwerking met als betrokkenen naast de Win en Knegt zelf en Walt Wilkins en Ron Flynt onder meer ook nog de Mystiqueros van Wilkins, Kim Deschamps, vaste Tip Jar-muzikanten Harry Hendriks en Joost van Es en de Brit Gilad Atzmon. Wij onthielden daarvan vooral het enigszins moody aandoende titelnummer, het van de melancholie stijf staande “Loving Is Hard To Do”, het op een lekker speels banjomotiefje geënte “Rosie”, het absoluut niets met het muziekgenre uit z’n titel van doen hebbende “Never Sing The Blues” – één van de in totaal drie de Win-Knegt-co-writes hier – en de ronduit geweldige ballad “Right Here”.

Maar begrijp ons vooral niet verkeerd: naar ook maar één minder moment zal u op “Gemstone Road” vruchteloos zoeken. Voor de twaalf liedjes hier is het voortdurend kiezen tussen de kwaliteitslabels mooi, mooier en mooist.

Tip Jar

 

SUSAN CATTANEO “The Hammer & The Heart” (Jersey Girl Music)

(4****)

Dat Susan Cattaneo een uitstekend liedje in de vingers had, dat wisten we hier al wel langer. Dat ze ooit een plaat van het kaliber van haar nieuwe worp zou maken, dat nog niet. Met die dubbelaar gooit ze wat ons betreft bijzonder hoge ogen. En dat heeft zo zijn redenen ook. Liefst veertig bekende en minder bekende vrienden van de vanuit Boston actieve liedjesschrijfster werden immers bereid gevonden om een duit in het zakje te komen doen. En dat met bij momenten werkelijk oorstrelend knappe resultaten. Keurig verdeeld over twee plaathelften overigens: de onder de vlag “The Hammer” naar onze gunsten dingende eerste cd zou je de elektrische kunnen noemen, de tweede, ook wel “The Heart”, op zijn beurt de akoestische.

Afgetrapt wordt “The Hammer” met “Work Hard Love Harder”, een deluxe countryrocker gebracht aan het handje van de onvolprezen Bottle Rockets. De volgende in lijn om wat hand-en-spandiensten te komen verlenen is singer-songwriter Mark Erelli. Hem horen we terug in het moody “The River Always Wins”. In het daaropvolgende swingertje “In The Grooves” stoten we vervolgens voor het eerst op wat snarenkunstjes van Bill Kirchen. En ook in de ballad “When Love Goes Right” blijkt die present. Ditmaal zelfs met wat lead vocals.

Met het slidegestuurde “Lonely Be My Lover” volgt dan het misschien wel allerknapste nummer van het lot. En dat met opnieuw de Bottle Rockets als bondgenoten. Al is ook het in het zog daarvan ontluikende “Dry” bepaald niet te versmaden. Sfeervoller dan dat met Dennis Brennan gebrachte duet worden ze ons inziens amper nog gemaakt. En desolater al helemaal niet. Afgerond wordt “The Hammer” met een heel knappe cover van de Buddy & Jullie Miller classic “Does My Ring Burn Your Finger?”, het bluesy, samen met Jillian Cardarelli gepende “Ten Kinds Of Trouble” en het samen met Davy Knowles gebrachte en ons eerder vooral van de Robert Cray Band bekende, maar door Cattaneo eigenlijk gewoon bij Bonnie Hayes geleende “Back Door Slam”.

Het akoestische “The Heart” wordt eveneens ingezet met “Work Hard Love Harder”. Ditmaal betreft het een enigszins richting bluegrass overhellende versie van het nummer vertolkt samen met The Boxcar Lilies. De eerste van opnieuw een vijftal opvallende samenwerkingen, zo zal al snel blijken. Zo komen we na de ons best wel wat aan Rosanne Cash herinnerende trage “Ordinary Magic” in de pianoballade “Carried” bijvoorbeeld ook nog Jenee Halstead tegen, geeft Jennifer Kimball acte de présence in het poppy “Smoke”, draaft Nancy Beaudette op als duetpartner voor de ingetogen beauty “Fade To Blue” en mogen Amy Fairchild en Todd Thibaud mee de afsluitende herinterpretatie van “Space Oddity” van David Bowie naar hun hand zetten.

Voor de productie van het bepaald ambitieuze “The Hammer & The Heart” tekende Cattaneo voor het eerst ook zelf.

Susan Cattaneo

 

DUANE FORREST “The Climb” (Traaxx Music)

(3,5****)

Elk jaar weer dient er zich eentje aan en ditmaal lijkt het Duane Forrest te zullen gaan worden. Je weet wel, van die zoetgevooisde troubadours die met hun fluwelen stemmen de vaak ideale soundtrack bij zwoele zonsondergangen weten te serveren. Genre een Jack Johnson, een Matt Costa, een Jason Mraz, een Amos Lee, een Michael Franks en aanverwanten. Aangespoeld op popkusten, niet zelden tussen restjes jazz dan wel wat anders, wat meer exotisch. In het specifieke geval Forrest naast jazz ook nog bossa, reggae en soul. Wellicht gevoed door ’s mans vele tijdelijke verblijfplaatsen. We noemen in dat verband onder andere Mexico, Honduras en Puerto Rico.

Het was trouwens ook in Mexico, dat de dezer dagen in Toronto woonachtige Forrest de inspiratie voor het voorliggende album vond. In de woorden van een plaatselijke vlam meer bepaald. “Ik ben een appel in een boom,” zei ze. “In die boom hangen er nog veel binnen handbereik en ook op de grond bevinden er zich, die je gemakkelijk kan oprapen, maar voor mij zal je moeten klimmen…” De verliefde Forrest ging er zich niet alleen naar gedragen, hij schreef er ook over. “The Climb” is dat verhaal. “It’s about the work, the hard work it takes to rise to a place where perhaps I could be with the woman of my dreams,” aldus nog de beste man zelf daarover.

Het resultaat is een dertien tracks lange trip doorheen een zomers muzikaal landschap, waarin het met name dankzij de warmbloedige voordracht en het verzorgde gitaarspel van Forrest zelf zalig toeven is. Cocktailtje bij de hand en genieten maar, zouden we zo zeggen.

Enkele luistertips: “Edge Of The Sea”, “Midsummer Night’s Dream”, “G’Morning Bossa”, “Chevrolet” en “End Of The World”.

Duane Forrest

 

RON POPE “Work” (Brooklyn Basement Records)

(4****)

Hier is Ron Pope nog niet echt wat je noemt een naam. En dat is eigenlijk best wel vreemd te noemen, want online doet hij het echt uitstekend. ‘s Mans resultaten via Spotify, Pandora, YouTube en andere spreken zwaar tot de verbeelding. Zijn cijfers via die diensten reiken tot ver in de miljoenen. En een vlugge beluistering van zijn nieuwe album “Work” maakt al snel duidelijk waarom. Wat Pope daarop aan te bieden heeft is immers echt r-e-t-e-a-a-n-s-t-e-k-e-l-i-j-k. Eerste single “Bad For Your Health” bijvoorbeeld al is een extreem catchy opstoot van soulvolle rockkoorts. Het is hoegenaamd onmogelijk om bij dat nadrukkelijk door Stax geïnspireerde kleinood stil te blijven zitten. En da’s dan nog maar het begin! Ook de nieuwe single “Let’s Get Stoned” is weer los in de roos. Ook daar loopt de soul weer met beekjes van af. Heerlijk die blazers ook! Heeft wel iets van Van Morrison in betere tijden!

“Can’t Stay Here” legt de nadruk vervolgens net wat meer op rock en deed ons om de één of andere reden vrijwel meteen denken aan Mick Jagger en Willy DeVille. Titelnummer “Work” is daarop aansluitend een pracht van een verhalende ballad. Iets waar de fans van knapen als een Bruce Springsteen en een Little Steven wel aan zullen willen, als je het ons vraagt. Wat meer Americana zijn op hun beurt dan weer “The Last” en het bedaarde “Someday We’re All Gonna Die”.

Bij “Partner In Crime” dwaalden onze gedachten meteen weer af richting The Boss en “Dancing Days” veroorzaakte iets vergelijkbaars maar dan richting Ryan Adams. Restten er dan nog: de knappe intimistische ballad “The Weather” en de daar quasi perfect bij aansluitende afsluiter “Stick Around”.

Misschien moest je deze zevende van Pope snel ook maar eens proberen. Iets diep in ons binnenste zegt ons, dat je het je niet zal beklagen!

Ron Pope

 

VIPER CENTRAL “The Spirit Of God & Madness” (Viper Central)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat het Canadese vijftal Viper Central mij vóór mijn eerste beluistering van “The Spirit Of God & Madness” volslagen onbekend was. Ik wist dus compleet niet, dat ze al in 2008 debuteerden met “The Devil Sure Is Hard To Please”. En al evenmin, dat ze in British Columbia een uitstekende roep genieten. Met name in bluegrasskringen dan. Al biedt hun muziek dan ook zoveel meer dan dat. Viper Central – Zoveel werd me al snel duidelijk! – laat zich niet zomaar voor één gat vangen.

Wat de muziek van Kathleen Nisbet (fiddle en zang), Steve Charles (gitaren, banjo en zang), Tim Tweedale (steelgitaren en zang), Mark Vaughan (mandoline en tenorgitaar) en Patrick Metzger (bas, gitaar en zaang) vrijwel meteen doet opvallen is de grote bereidheid van de vijf om andere genres in hun bluegrass te integreren. Nisbet en co gaan daarin zo ver, dat ze bluegrasspuristen ongetwijfeld stevig voor het hoofd zullen stoten. Bij momenten is het eigenlijk enkel nog het gebezigde instrumentarium dat hun roots verraadt. Eclectisch ingestelde rootsmuziekliefhebbers zullen het graag lezen. (En horen!)

Overgeleverde Canadese rootsmuziekjes (o.a. van de Métis), country, swing, bluegrass, old-time, blues, rockabilly,… Je zegt het maar! Bij Viper Central zullen ze er hun hand niet voor omdraaien om elk van deze stijlen in hun muzikale gumbo te verwerken. Veelal in eigen materiaal, maar ook in enkele welgemikte covers. Als daar zijn uitvoeringen van de traditional “Devil’s Reel”, het aan ene Reg Bouvette toegedichte “Bloodvein Breakdown” of Gram Parsons’ “Luxury Liner”.

Voor mij een echte openbaring! Knappe liedjes en teksten, geweldige zang, virtuositeit alom en een ongelooflijke spelvreugde, wat moet een mens zich nog meer wensen?

Viper Central

 

STEVE MAYONE “Sideways Rain” (Janglewood Records)

(3,5****)

Aan variatie weer absoluut geen gebrek op het ondertussen toch ook al vijfde album van de Amerikaanse veelkunner Steve Mayone. Vol met liedjes met een voor hemzelf therapeutische werking, zo blijkt. Hij tracht er een turbulente periode in zijn eigen leven mee achter zich te laten. Onder meer de zelfdoding van zijn broer en het verlies van zijn moeder aan een slepende ziekte lieten duidelijk hun sporen na. Maar op “Sideways Rain” schijnt aan de einder voorzichtig alweer de zon. Gelukkig maar. Ons levert het alvast een prima plaat op. Zo eentje waarop het voortdurend alle kanten op kan.

Via de Beatle-eske pop van openingsnummer “Letting You Go” en de rammelende roots rock van het best wel wat aan de Traveling Wilburys herinnerende “So Many People Get It Wrong” belanden we zo op bijzonder aangename wijze al snel in het volop van een zekere gypsy feel profiterende popdondertje “What Good”. Vervolgens is het de beurt aan centerpiece “Sideways Rain”. Het titelnummer is een echte wolk van een ballad. Heel diepzinnig ook. Louterend. Ontstaan naar verluidt ergens onderweg op Interstate 35 tijdens een bijzonder hevige storm.

Het rootsy rammelaartje “The Long Way Home”, de lijzige Americana van “Rescue Me”, de wat aan Dylan schatplichtige akoestische ballade “Time Moves On” en de enigszins ingehouden popdeun “New Years Resolution” mogen er op de hielen daarvan ook allemaal best zijn. Wat moeilijker hebben we het dan met het enkele tellen lang met een reggaemotiefje flirtende powerpopriedeltje “It’s Beautiful”. Da’s niet meteen ons kopje… Wel weer uitstekend: het echt van de soul bulkende “Pretty Mama”, het sublieme spoorliedje “Early Morning Train”, de zalige trage “Strange Bird” en de met Susan Cattaneo gepende afsluiter “Save You”.

Steve Mayone

 

ED DUPAS “Tennessee Night” (Road Trip Songs)

(4****)

Wat een lekker zomerplaatje! Vol met het soort van muziekjes waarvoor je tijdens lange ritten met de wagen graag nog eens de ruiten laat zakken. Iedereen mag er immers van meegenieten, van de road trip songs van de in Houston, Texas geboren, maar in het Canadese Winnipeg opgegroeide en dezer dagen vanuit Ann Arbor actieve Ed Dupas. Liedjes, die perfect het midden lijken te houden tussen het beste van de jonge Steve Earle en Joe Ely enerzijds en Bruce Springsteen anderzijds. Garage country, zeg maar. Zo mag Dupas zelf het alvast graag horen.

Een compleet songelftal krijgen we op “Tennessee Night” voorgeschoteld. Elf liedjes die zonder uitzondering uitstekend blijken te zijn. En of je het dan hebt over stevig rockend spul genre een “Too Big To Fail” of een “Two Wrongs” dan wel rustiger momenten als “Up Ahead” of “Do It For Me” doet eigenlijk absoluut niets ter zake. Dupas voelt zich in beide thuis, zoveel is wel duidelijk. Met die hese rasp van ‘m niet moeilijk ook.

Dupas lukte ons inziens onder de vakbekwame productionele leiding van Michael Crittenden een werkelijk uitstekende plaat. Eentje die al het goede dat zijn debuut uit 2015 “A Good American Life” al liet vermoeden alleen maar volop bevestigt. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Ed Dupas

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home