ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Gabriel Minnikin “Hard Feelings”Doyle Lawson & Quicksilver “A School Of Bluegrass” - Cyndi Boste “Scrambled Eggs (The Rose St Sessions)” - Terri Hendrix “The Art Of Removing Wallpaper”The Jackson Taylor Band “Goin’ Down Swingin’” - Chris Stamey “Travels In The South”The Honky Tonk Hangovers “Giant Country” - Tim Graves & Daryl Mosley “Remembering The Beacon Brothers”The Yearlings “Utrecht”Jasper Stone “Back 40 Star”Railbenders “Segundo”For Stars “It Falls Apart”Tex Beaumont “Rose Tattoo” - New Riders Of The Purple Sage “Boston Music Hall 12/5/72” en “Worcester, Ma 4/4/73”Alise Marlane “Stillness Hold On” - Jay Farrar “Stone, Steel & Bright Lights”Patterson Hood “Killers And Stars” - Dave Alvin “Ashgrove”Buddy & Julie Miller “Love Snuck Up” - Melanie Horsnell “The Adventures Of…”Wanda Jackson “Heart Trouble” - Tres Chicas “Sweetwater”Big Sandy & His Fly-Rite Boys “Rockin’ Big Sandy” - The Happiness Factor “Avoid Danger”Larry Stephenson Band “Clinch Mountain Mystery”Chill Mamma “Last Minute” - Josh Williams “Lonesome Highway”The Avett Brothers “Mignonette”Jim Stringer & The AM Band “In My Hand”Floramay Holliday “Trouble And A Truer Sound”Jesse McReynolds & The Virginia Boys “New Horizons”Rob Ickes With Blue Highway “Big Time”Gary P Nunn “Something For The Trail”Tanya Dennis “Apartment #9” - Open Road “… In The Life”Lori McKenna “Bittertown”Various Artists “Presenting The Alan Lomax Collection” - Dale Watson “Dreamland”Railroad Earth “The Good Life”

 

GABRIEL MINNIKIN

“Hard Feelings”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4.5) J J J J J

 

The Guthries zijn niet meer. Maar of we daar nu echt rouwig om moeten zijn is nog maar de vraag. Zolang de voormalige groepsleden met enige regelmaat blijven uitpakken met knappe platen lijkt daar alvast weinig aanleiding toe. Enkele weken geleden spraken we hier zo al vol lof over een door Ruth Minnikin afgeleverd EP’tje. En nu is het de beurt aan haar broer Gabe. En ook die weet moeiteloos te overtuigen. Met zijn uitzonderlijk diepe stem baant hij zich vrijwel ogenblikkelijk een weg tot in de verste uithoeken van je ziel. Als je valt voor donkerbruine “instrumenten” als die van Tony Joe White, Johnny Cash, Nick Cave, Scott Walker en Brad Roberts van de Crash Test Dummies dan is “Hard Feelings” met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook aan jou besteed. De twaalf liedjes op dat album behoren immers zondermeer tot het allermooiste wat we op americanavlak al mochten begroeten dit jaar. In al hun ingetogenheid zijn pareltjes als het met speelse Mardi Gras-blazers opgeluisterde “Why”, het met zus Ruth gebrachte “All I Got” en “Closer To Me” – om er maar een paar te noemen – liedjes die je als een bijzonder agressief virus overvallen om je niet al te snel meer uit hun wurggreep te lossen. Minnikin beperkt zich dan ook allesbehalve tot het in rootsmiddens gebruikelijke instrumentarium. Naast een fiddle, een mandoline, een banjo of een steelgitaar stoot je hier haast even vaak op minder courante instrumenten als de klarinet, de tuba, de autoharp en het Glockenspiel. En dat alles verleent aan “Hard Feelings” bijna als vanzelfsprekend een wat apart melancholisch geluid. Enkel het speelse countrydeuntje “Train Wreck” en het dartele popliedje “Blinking Heavy” vormen wat dat betreft uitzonderingen, daarin mogen alle remmen immers heel even los. Maar dat zijn niet meer dan de gebruikelijke uitzonderingen die de regel bevestigen.

Wij hebben ze alvast aan onze verzameling jaarlijstjesplaten toegevoegd, deze “Hard Feelings”. Nu jij nog!

www.gabeminnikin.com

 

 

DOYLE LAWSON & QUICKSILVER

“A School Of Bluegrass

(Crossroads)

(3.5) J J J J

 

Doyle Lawson mag in onze kontreien dan al niet dezelfde naambekendheid genieten als pakweg een Ralph Stanley of een Bill Monroe, het belang van de man en zijn band Quicksilver voor de huidige bluegrass scene kan nauwelijks worden overschat. Sedert haar ontstaan aan het eind van de jaren zeventig heeft de groep immers zowat doorlopend gefungeerd als kweekvijver voor veelbelovende jonge talenten. De twee mooiste voorbeelden om die stelling mee te onderbouwen zijn wellicht IIIrd Tyme Out en Mountain Heart, twee van de populairste bluegrass acts van het moment, beide met hun roots in Quicksilver. Vandaar dan ook de niet helemaal misplaatste titel van deze carrière-overspannende dubbelaar van Lawson en kompanen, “A School Of Bluegrass”.

Wat we voorgeschoteld krijgen is een smakelijke collectie voorheen niet verkrijgbare live-opnames, outtakes en tijdens oefensessies geregistreerde deuntjes van Doyle Lawson & Quicksilver in elk van de dertien sedert 1979 opgedoken bezettingen van de groep. De geluidskwaliteit ervan is helaas lang niet altijd even bevredigend. Wie daar echter geen aanstoot aan neemt, vindt hier ruim vijftig nummers lang bluegrassplezier. Van a capella gospel hoogstandjes tot vingervlugge grassexercities, van schitterend harmonieerwerk tot Quicksilver-interpretaties van tal van klassiekers uit het genre, vrijwel elk facet van het veelzijdige talent van mandolinegrootmeester Lawson wordt wel even belicht. En als dusdanig vormt deze vijfentwintig jaar overbruggende verzamelaar een bijzonder waardevolle aanvulling voor elke zichzelf respecterende collectie.

www.doylelawson.com

www.crossroadsmusic.com

 

 

CYNDI BOSTE

“Scrambled Eggs (The Rose St Sessions)”

(Sound Vault Records)

(3.5) J J J J

 

De keukentafelplaat, een fenomeen waar we de voorbije maanden al uitgebreid mochten mee kennismaken. En meestal met erg goed gevolg ook. Denken we bijvoorbeeld maar aan het bloedstollend mooie “Fantasia Ball” van Diana Darby of aan de al even schitterende laatste van JW Roy. Toen we onlangs vernamen dat ook de Australische alt. country artieste Cyndi Boste (Spreek uit: Boost.) met een dergelijk album zou gaan uitpakken, vonden we dat dan ook een prettig vooruitzicht. En we worden allerminst ontgoocheld ook. Boste zelf beschouwt deze set bij haar thuis tussen de huisdieren ingeblikte (voornamelijk) akoestische deuntjes als een tussendoortje in afwachting van haar in de steigers staande opvolger voor haar prima CD “Push Comes To Shove”. Voortdurend met je eigen songs in de weer zijn kan op den duur een heel erg eenzame bedoening worden, vindt ze, en dus nam ze de eerste de beste zich aandienende gelegenheid te baat om wat liedjes van bevriende of bewonderde songwriters op te nemen. Zo stoten we hier bijvoorbeeld op pennenvruchten van Vikki Simpson van The Waifs (“Company”), Barb Waters (“My Brother’s First Girlfriend”), Suzannah Espie van het fantastische Git (“Car Outside The Bar”) Nicole Brophy en Jodi Moore van Dirty Lucy (“Ride”), Tiffany Eckhart (“Think About You”) en een stel ons vooralsnog nobele onbekenden. Liedjes die Boste zich overigens allemaal geheel eigen maakt. Begeleid door steeds weer wisselende muzikale vrienden dompelt de Australische de liedjes vrijwel zonder uitzondering onder in een licht rootsy of bluesy aandoend folkbadje. Daardoor creëert ze het soort intimiteit dat door elke rechtgeaarde liefhebber van kwaliteitssinger-songwriter-materiaal op gejuich onthaald zal worden. Enkel het afsluitende drietal van de plaat wijkt af van de eerder gehanteerde formule. Dat zijn immers eigen liedjes en bovendien werden de twee laatste (“Holy Waters” en “Roller”) vorig jaar live ingeblikt op het Port Fairy Folk Festival.

Boste levert met deze plaat alvast een afdoend bewijs voor de stelling dat ze veel meer is dan gewoon maar de Australische Lucinda Williams. Al zullen fans van deze laatste ons inziens ook wel raad weten met deze erg mooie plaat.

www.cyndiboste.com.au

CD Baby

 

 

TERRI HENDRIX

“The Art Of Removing Wallpaper”

(Wilory Records)

(4) J J J J

 

Als relatief onbekende naam sierde ze ooit – in 2000 meer bepaald – nog de affiche van het prestigieuze Blue Highways-festival in Utrecht. In de jaren die sedertdien voorbijgingen is Terri Hendrix echter bepaald niet ter plaatse blijven trappelen, zo blijkt. Op haar ondertussen ook alweer zevende album “The Art Of Removing Wallpaper” presenteert ze zich als een gerijpte artieste, die perfect de gouden middenweg tussen een veelheid aan genres als folk, pop, country, blues, americana en andere weet te vinden. En in haar teksten gaat ze zowel in de clinch met haar persoonlijke demonen als met vraagstukken die dezer dagen wel meer mensen bezighouden. Het licht gospeleske “Jugment Day” – met harmonieën van Ruthie Foster en haar maatje Cyd Cassone – is zo bijvoorbeeld een behoorlijk scherpe veroordeling van de opvatting dat men God en geloof als rechtvaardiging voor al zijn daden mag inroepen. “Everybody wants to use God / When they’ve nobody but themselves to blame / Everybody wants to use God when they do their / Dirty deeds in his name,” klinkt het strijdvaardig. (Amerikaanse politici fronsen nu wellicht even de wenkbrauwen…) En dat is slechts één van de vele hoogstandjes hier. Erg leuk zijn verder bijvoorbeeld ook nog de unisex-versie van de LL Cool J / Luka Bloom-hit “I Need Love”, het een beetje aan de popgrass van de Dixie Chicks verwante “Monopoly”, de rootsy folk pop van opener “Breakdown” en het ingetogen “Quiet Me”. Voor dat laatste liedje ging Hendrix opnieuw in de leen bij Jeff Barbra en Sarah Pirkle, van wie ze eerder voor haar album “The Ring” ook al het mooie “Prayer For My Friends” opnam en die hier eerder dit jaar al op flink wat bijval mochten rekenen voor hun CD “Barb Hollow Sessions”. It’s a small world…

Samenvattend kunnen we stellen, dat het samen met Lloyd Maines geproduceerde en met klasbakken als ondermeer Glenn Fukunaga (bas) en Paul Pearcy (drums, percussie) ingespeelde “The Art Of Removing Wallpaper” zondermeer Terri Hendrix’ beste plaat tot op heden is en dat het dus misschien wel weer tijd wordt om haar nog eens naar de Lage Landen te halen. Wij zullen dan alvast graag van de partij zijn.

www.terrihendrix.com

CD Baby

 

 

THE JACKSON TAYLOR BAND

“Goin’ Down Swingin’”

(Gaske Records)

(4) J J J J

 

In de dezer dagen zoveel aandacht genietende voetballerij heeft men een mooie term om een prestatie zoals die hier geleverd wordt door de Jackson Taylor Band mee te omschrijven: een loepzuivere hattrick. Met zijn vierde CD – zijn derde in goed twee jaar tijd, vandaar dus… - bevestigt de jonge Texaan immers al het goede wat we hier al over voorgangers “Gypsies & Drifters” en “Hollow Eyed & Wasted” schreven. “Goin’ Down Swingin’” staat inderdaad opnieuw boordevol outlaw country met een rock & roll-randje. In de voetsporen van illustere voorgangers als een Waylon Jennings, een David Allan Coe, een Billy Joe Shaver of een Hank Williams, Jr. geven Taylor en kornuiten hem twaalf nummers lang flink van jetje. Negen eigen liedjes worden afgewisseld met stomende versies van Williams Jr.’s “Country State Of Mind” en komiek Rodney Carrington z’n “Titties & Beer” en een mooie doorleefde, maar gespierde interpretatie van Shavers “Ragged Old Truck”. Vrijwel voortdurend stelt Jackson Lee Taylor zich daarbij op als een stoere jongen. (Jackass Taylor, zegt hij zelf…) En precies die branie is het die deze plaat zo zeer doet opvallen tussen het huidige countryaanbod. Niks regeltjes hier, gewoon fun all the way. En is het dat niet wat we allemaal wel een beetje willen?

Ijzersterke countryrockplaat dus van een man die we duidelijk niet als een eendagsvlieg hoeven af te doen!

www.jacksontaylorband.com

 

 

CHRIS STAMEY

“Travels In The South”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Een plaat waar wellicht niemand meer echt op gerekend had, maar die snel zieltjes voor zich zal gaan winnen is “Travels In The South”, de comeback-CD van Chris Stamey. Onder impuls van Ryan Adams himself liet het brein achter bijzonder invloedrijke alt. pop bandjes als Sneakers en de dB’s zich eindelijk weer eens overhalen om de producersstoel in te ruilen voor een eigen plaatsje achter de microfoon. En de man die in de voorbije jaren ondermeer acts als Whiskeytown, Alejandro Escovedo, Tift Merritt, de Squirrel Nut Zippers, Caitlin Cary, Flat Duo Jets, Thad Cockrell en Mayflies USA aan hun geluid hielp, blijkt nog niks van zijn kunstjes te hebben verleerd. “Travels In The South” staat immers bol van de heerlijke melodieuze popliedjes. Medeverantwoordelijk daarvoor is The Mod Squad, een naar Stamey’s eigen Modern Recording studio in Chapel Hill, NC genoemd gelegenheidscollectief bestaande uit Superchunk drummer Jon Wurster, ex-Backsliders en -Tremblers Danny Kurtz, ex-Jayhawks toetsenman Jen Gunderman, Greg Readling van Tift Merritts oude groep The Carbines en plaatselijke gitaarheld Brian Dennis, dat alles in de juiste banen helpt leiden. En daarnaast mocht Stamey ook op flink wat muzikale wederdiensten rekenen. Naast de al eerder genoemde Ryan Adams kwamen ook Ben Folds, Tift Merritt, Caitlin Cary, Thad Cockrell, Peter Holsapple en Don Dixon graag hun duit in het zakje doen.

Markantste liedjes op het veelal rond de thema’s tijd, de dood en religie werkende “Travels In The South” zijn het opvallend getitelde “In Spanish Harlem” en het van een licht bluesy introotje voorziene “The Sound You Hear”. Dat laatste vooral omdat het één van de twee liedjes is waaraan Ryan Adams zowel vocaal als gitaargewijs een bijdrage levert. Het eerste omdat de goddelijke Tift Merritt tekent voor ronduit zalige harmonieën en omdat het ons – net als enkele andere liedjes hier trouwens – een weinig deed denken aan de zielenroerselen van die andere geluidsperfectionist, Paddy McAloon van Prefab Sprout. Mooi hoe Stamey hier Ben E. King en Phil Spector gebruikt als inspiratiebron voor een droom van een popliedje. Erg knap zijn verder trouwens ook het eveneens sterk naar het geluid van Prefab Sprout overhellende “And I Love Her” en het fraaie, breed uitwaaierende “Alive”.

Al bij al is “Travels In The South” een plaat die luisterbeurt na luisterbeurt net zo onbezorgd als de helderblauwe wolken op haar hoesje aan je voorbijtrekt. Welcome back, Mr. Stamey!

www.chrisstamey.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

THE HONKY TONK HANGOVERS

“Giant Country”

(Big Bender Records)

(3) J J J

 

Voila, dit is dus typisch zo’n bandje dat voor ons thuishoort in een berookte bar vol lallende cowboys, waar enkel het voor het podium aangebrachte kippengaas belet dat je vroeg of laat een leeg Coronaflesje tegen je kanis geduveld krijgt. Noem het wat ons betreft klinkt-het-niet-dan-botst-het-maar-honky-tonk. Muziek die in onze ogen de originele groepsnaam alvast perfect rechtvaardigt. Een kater hieraan overhouden lijkt immers nauwelijks uit te sluiten. Zij het dan wel in de positieve zin van het woord…

Verwacht hier dus alleszins geen perfectie! Zanger-leadgitarist Dave Hall klinkt bij momenten alsof hij zijn eerste vat voor de avond al achterover heeft. En ook zijn begeleiders lijken het begrip clean in hoge mate te verafschuwen. Dat neemt echter niet weg, dat “Giant Country” net als z’n voorganger “Every Little Honky Tonk” een erg aanstekelijke plaat is geworden. (Misschien is het zelfs wel juist de reden daarvoor…) Mensen die wel eens iets van de Derailers, BR549 of Wayne Hancock consumeren doen er alvast goed aan om ook de Honky Tonk Hangovers even te checken. Net als die acts dompelen deze knapen je immers onder in retro honky-tonk van het allerzuiverste kaliber. Naast veertien eigen liedjes treffen we zo op de CD ondermeer ook covers van Marty Robbins’ “Begging To You” en de Red Sovine-hit “Girl On The Billboard” aan. Uitschieters zijn tot meezingen uitnodigende dingen als het Tex-Mex getinte “Uno Mas Beso”, de zwierige honky-tonk van “The Kissing Song” en “Let’s Pretend”, en zeker ook het stuiterende eerbetoon aan lokale countrylegende Denver Joe.

www.honkytonkhangovers.com

www.bigbender.net

 

 

TIM GRAVES & DARYL MOSLEY

“Remembering The Beacon Brothers”

(Pinecastle Records)

(3.5) J J J J

 

The Beacon Brothers waren een voornamelijk in de jaren vijftig actief muzikaal broederpaar bestaande uit zanger-dobrospeler Rufus Beacon en diens voor de harmonieën tekenende broer Felix. Mede onder invloed van de muzikale aardverschuiving die de opkomst van de jonge Elvis veroorzaakte – en waardoor duo’s plots niet meer “in” waren - zouden ze hun carrière nooit echt van de grond krijgen. Meer nog, de plaat die hun doorbraak moest betekenen, het in 1956 ingeblikte “The Nashville Sessions”, werd zelfs nooit uitgebracht. Iets wat vanzelfsprekend leidde tot mateloze frustratie - en daaraan gekoppeld overmatig drankgebruik - en uiteindelijk zelfs tot het vroegtijdige einde van het duo, zodat muziekliefhebbers met het hart op de juiste plaats voorgoed verstoken zouden blijven van het werk van dit ergens tussen de Delmores, de Louvins en de Everlys agerende duo.

En daar hopen Tim Graves (zang, dobro) en Daryl Mosley (zang, bas) – beiden bekend van hun werk bij de Osborne Brothers - nu verandering in te brengen. Met het onder de bezielende productionele leiding van Sonny Osborne opgenomen “Remembering The Beacon Brothers” recreëren ze op minutieuze wijze het geluid van hun voorbeelden. Heel wat van de liedjes op “Remembering…” plukten ze van de onuitgebrachte plaat van de Beacon Brothers. De overige songs zijn voornamelijk favorieten op het live-repertoire van het onderwerp van dit eerbetoon. Zo krijgen we in het grensgebied tussen bluegrass en country mooie versies van nummers als “Why You Been Gone So Long”, “Blue Side Of Lonesome”, “Tupelo County Jail”, “Satan’s Jeweled Crown” en “Knoxville Girl” voorgeschoteld, aangevuld met Tim Mensey’s “Driftwood” en Mosley’s eigen “Friend Like Mine”.

Mocht dit zo’n lekker ouderwetse plak vinyl zijn, dan zou een mens al vlug geneigd zijn om te zeggen dat de spelvreugde werkelijk uit de groeven spat. Maar dat is het niet. En dus houden we het er maar op, dat Graves en Mosley met “Remembering The Beacon Brothers” een zowel vocaal als instrumentaal gezien erg verzorgd labour of love hebben afgeleverd, waar vooral in bluegrasskringen nog het nodige plezier aan beleefd zal worden.

www.pinecastle.com

 

 

THE YEARLINGS

“Utrecht”

(Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Oranje boven! Op voetbalgebied is het de voorbije dagen wel eens even anders geweest. Op muzikaal vlak is het daarentegen moeilijk om die kreet niet voortdurend bij te treden. Er gaat immers nauwelijks nog een maand voorbij zonder dat we op ijzersterk materiaal van boven de Moerdijk worden getrakteerd. Zo is het nu bijvoorbeeld weer de beurt aan “Utrecht”, de met veel heisa er omheen aangekondigde tweede van The Yearlings. Veel was er op voorhand te doen rond de wat aparte titel van de plaat. Een soort statement van de heren Koeneman en Goudswaard en co om de aandacht te vestigen op de in alle stilte florerende muziekscène in hun thuisstad. “Here nowadays / It’s no longer just a little town / Cause nobody knows / What the hell is going down,” klinkt het strijdvaardig in de melodieus rockende opener van het album. The Yearlings combineren daarin elementen uit alt. country, (power) pop en gitaarrock op een manier die zeer verfrissend overkomt. En als vervolgens het prachtige “Cure For The Antidote” wordt ingezet besef je al snel waar je dit aan doet denken. Die rinkelende gitaren, die wat nasale stem, het lijkt verdorie wel R.E.M. ten tijde van het goddelijke “So. Central Rain”. Om maar te zeggen dat we hier inderdaad heel erg hoog mee oplopen. Zalige, volop van zeer prettige gitaarpartijen en dito samenzang tussen de twee kopstukken van de groep profiterende liedjes als “Satellite” en “Teenage Lullabies” zijn gewoon verplichte radiokost. En wat meer rootsy materiaal als “Cold Goodbyes”, “(The Faster I Get) Home” of “Charlie Tears” heeft ook al iets bepaald onweerstaanbaars over zich. We gaan hier dan ook absoluut niet moeilijk over doen. Ijzersterke plaat gewoon, waar de klasse echt bij beekjes van afdruipt! Utrecht boven!

www.theyearlings.com

www.sonic.nl

 

 

JASPER STONE

“Back 40 Star”

(In eigen beheer uitgebracht! / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Het uit Azle – een klein stadje in de buurt van Dallas – afkomstige bandje Jasper Stone vormt als het ware een levende illustratie bij de fameuze wet van Murphy. Zowat alles wat fout kon lopen, ging de voorbije jaren ook effectief verkeerd voor deze Texaanse rootsrockers. Terwijl de groep al volop in de weer was met de opnamen van haar derde CD “Back 40 Star” verloor zanger-gitarist Ed Voyles ei zo na een wijsvinger bij een ongeval in zijn eigen zagerij. En toen die uiteindelijk op wonderbaarlijke wijze toch terug genas en de heren het opportuun vonden om weer wat studiotijd te boeken, sloeg het noodlot opnieuw toe. En ditmaal nog een stuk harder. Drummer Henry “Hank” Meyer en zijn vrouw Heather raakten immers betrokken bij een auto-ongeval met dodelijke afloop. Je zou voor minder wanhopig worden…

Het siert die van Jasper Stone evenwel dat ze zich zelfs door zoveel tegenslag niet uit het lood lieten slaan. Na een korte rouwperiode werden Dave Mitchell (drums) en Treg Voyles (bas) bij de groep ingelijfd om samen met Ed Voyles (zang, gitaar, mandoline), Dan Stewart (bas, B-3, harmonica, backing vocals) en Ron Geida (gitaren, banjo, backing vocals) als een soort laatste eerbetoon aan hun overleden compadre Meyer “Back 40 Star” toch te completeren.

En ons zal je daarover alvast niet horen klagen. Met zijn gruizige, een beetje aan Steve Earle verwante stem grijpt Voyles je immers stevig bij de hand om je doorheen dertien aangenaam wegluisterende Texaanse rootsrockliedjes annex verhaaltjes te gidsen. Lekkere rockertjes als “Back On The Road”, “Trust Fund Drifter” of “Late September” zijn daarbij duidelijk in de meerderheid. Maar ook meer country- of bluesgetint materiaal kan. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar “Raised To Ramble” of de lekker smeuïge shuffle “Let The Blues Play Again”. En dan zijn er ook nog de singer-songwriter-zijde van Voyles wat meer belichtende spulletjes als “Sunshine Hotel”.

Het resultaat is een al bij al lekker gevarieerde rootsrockplaat. Zelden echt spectaculair, maar bij momenten wel bijzonder catchy en als dusdanig toch wel een welgekomen begeleider voor de nakende vakantiemaanden.

www.jasper-stone.com

www.sonic.nl

 

 

RAILBENDERS

“Segundo”

(Big Bender Records)

(4) J J J J

 

Jim Dalton (zang, gitaren), Tyson Murray (staande bas) en Graham Haworth (drums, backing vocals) oftewel The Railbenders brengen op de opvolger van hun ook al behoorlijk opwindende debuutplaat “Southbound” opnieuw een kingsize portie onversneden country met een lekker scherp randje. Net zoals bijvoorbeeld ook de Bastard Sons Of Johnny Cash of de Two Dollar Pistols dat zo goed kunnen, vindt dit uit Denver, Colorado afkomstige drietal steeds weer het perfecte evenwicht tussen een respectvolle benadering van traditionele countrywaarden en een hoog anno nu-gehalte. Zo hoor je in het gedreven “Tombstone Serenade” bijvoorbeeld erg duidelijk dat de heren met enige regelmaat wel eens iets van Johnny Cash plegen te beluisteren, maar tegelijk wordt het tempo er net genoeg in opgeschroefd om er zonder tegenspraak toch het label Railbenders op te mogen kleven. En in het sfeervolle, in duet met Eddie Spaghetti van de Supersuckers gebrachte “O.D.’d In Denver” wordt op gepaste wijze eer betoond aan Hank Williams, Jr. Neil Diamonds “Sweet Caroline” – eveneens met Spaghetti, de tweede cover die de plaat haalde, krijgt een danig krachtige speedcountry-injectie, dat hij wat ons betreft zomaar een plaatsje mag krijgen naast de verschroeiende versie die Jason & The Scorchers in hun begindagen inblikten van Dylans “Absolutely Sweet Marie”. Voor het overige enkel eigen composities van Dalton hier. En het moet gezegd dat die man de kunst verstaat om een lekker liedje uit de pen te knijpen. Als beklijvendste momenten onthielden wij het alweer razendsnelle “(One Hand On The Bottle) One Foot In The Grave”, de bijzonder swingende opener “Whiskey Rain”, het melodieuze “Country Song” en het ritmegewijs zijn titel alle eer aandoende “Midnight Train”.

Plezier doorlopend gegarandeerd! En onze conclusie is dan ook nogal voor de hand liggend. “Segundo” van de Railbenders delen we zonder ook maar de minste aarzeling in bij de meest opwindende countryplaten die we dit jaar al te horen kregen.

www.railbenders.com

www.bigbender.net

 

 

FOR STARS

“It Falls Apart”

(Munich)

(3.5) J J J J

 

Toen we deze plaat enkele dagen geleden voor het eerst aan onze CD-speler toevertrouwden was het buiten onder een loodzware zon naar adem happen als een karper op het droge geblazen en had het er alle aanschijn van dat de zomer definitief zijn intrede aan het doen was. Dat had als gevolg dat de wat aparte muziek erop zowat volledig de mist inging. De eerste nieuwe CD van For Stars in goed twee jaar – en hun vijfde in totaal al - is er immers één die opvalt door zijn bijzonder donkere eigenheid. En dus werd hij ook meteen weer opgeborgen tot een wat geschikter moment voor de “consumptie” ervan zich zou aandienen. Late avond, druilerig regenweer, zoiets… En in die omstandigheden werkte het inderdaad allemaal wél wat zanger Carlos Forster en de zijnen hier klaarmaken. Hun vaak wat zweverige liedjes blijken dan zelfs zo ongeveer de ideale kompanen. De ingehouden schoonheid van op subtiele piano- en keyboardtapijten opgetrokken songs als “Calm Down, Baby” of “In The End” sturen dan vrijwel onwillekeurig op een vergelijking met de betere momenten van Radiohead aan. De muur van gitaren die elders (zoals in “It Doesn’t Really Matter” bijvoorbeeld) wordt opgetrokken, onderlijnt anderzijds het vrij unieke karakter van de muziek van For Stars. Het zijn vaak slechts luttele seconden die volstrekte naaktheid en bombast hier van elkaar scheiden. En dat levert bijna als vanzelfsprekend een bijzonder intrigerend totaalgeluid op, dat slechts bij mondjesmaat zijn vele geheimen ontsluierd. En zodoende bevestigt “It Falls Apart” eigenlijk alleen maar al het goede wat al na voorganger “We Are All Beautiful People” over For Stars werd geschreven.

www.forstarsmusic.com

www.munichrecords.com

 

 

TEX BEAUMONT

“Rose Tattoo”

(Heartbreak Records)

(3) J J J

 

Regelmatig belanden er op onze schrijftafel CD’s ter bespreking van artiesten die zich nog wentelen in relatieve onbekendheid. Dat heeft enerzijds altijd wel weer iets prikkelends, maar kan anderzijds ook tot frustratie leiden. Natuurlijk blijft het bijzonder boeiend om op onderzoek uit te trekken, maar groot is soms de teleurstelling als dat dan weinig of geen resultaten oplevert. En precies in dat geval verkeerden we ook weer naar aanleiding van de nieuwe CD van Tex Beaumont, “Rose Tattoo”. Van hem schaften we ons enkele jaren geleden (in 1996) al de – overigens best wel genietbare - CD “One Eyed Jacks” aan. Maar veel meer dan dat deze knaap op ondertussen middelbare leeftijd met die plaat in Europese countrykringen op behoorlijk wat bijval kon rekenen en dat er met “Restless Heart” in 1998 ook nog een opvolger verscheen, liet zich zelfs op het internet niet ontdekken. Maar Beaumont is dan ook niet meteen het type countryartiest waarmee vooral de grotere platenmaatschappijen nogal graag uitpakken. Hij benadert het genre met een ingesteldheid een weinig verwant aan die van de pubrockers van de jaren zeventig. Het ene moment stoeit hij met snedige countryrockertjes – veelal met enigszins nonsensicale teksten – (“Insect Woman”, “Hey Kitten”), het andere zoekt hij het in soulvolle rootsrockwateren à la Nick Lowe (“Jealousy”). Maar ook Tex-Mex (“Girl With The Rose Tattoo”), border (style) songs (“Color Of The Rose”, “New Moon Over Kansas”), tear in your beer country (“They’re Leaving Together”) en zelfs singer-songwritermateriaal (“7 Beer Girl”) behoren volop tot de mogelijkheden. En precies die veelzijdigheid is het, die van “Rose Tattoo” net als van “One Eyed Jacks” indertijd aangenaam countryluistervoer maakt. Zelden echt spectaculair weliswaar, maar sympathiek dan weer des te meer.

CD Baby

 

 

NEW RIDERS OF THE PURPLE SAGE

Boston Music Hall 12/5/72”

(3) J J J

“Worcester, Ma 4/4/73”

(2) J J

(Kufala Recordings / Bertus)

 

The New Riders Of The Purple Sage ontstonden in 1969 uit een aantal spontane jamsessies tussen Grateful Dead-leden Jerry Garcia, Phil Lesh en Mickey Hart en hun vrienden John Dawson en David Nelson. En ondanks behoorlijk wat veranderingen in de personeelsbezetting van de Riders zou het lot van die groep ook nog geruime tijd onlosmakelijk verbonden blijven met dat van de Dead. Dat gegeven alleen al en hun imago van psychedelische cowboys zou de groep al vrij snel een stevige fanbasis opleveren. Zo eentje van het hondstrouwe type bovendien. En dat verklaart wellicht waarom men het meer dan dertig jaar later nog opportuun acht om liefst twee dubbele concertregistraties van deze oer-countryrockers op ons los te laten.

Zowel het in 1972 in de Boston Music Hall ingeblikte exemplaar, als z’n enkele maanden later in de Clark University in Worcester, Mass. aan tape toevertrouwde metgezel bevatten notoire groepsfavorieten als “Groupie”, “Whiskey” en “Glendale Train” naast groovy covers van hits als “Willie And The Hand Jive”, “Hello Mary Lou”, “Down In The Boondocks” en “Long Black Veil”. Nogal wat overlappingen met andere woorden, waardoor deze sowieso toch al een beetje gedateerd overkomende dubbele worp naar ons gevoel een wat al te duidelijke aanslag op de geldbeugel van de volledigheid van zijn collectie nastrevende fan wordt. Als je echter staat op wat country-oubolligheid op z’n tijd of gewoon nostalgisch aangelegd bent en tegelijk ook een beetje economisch verantwoord te werk wil gaan, dan adviseren we je om te kiezen voor de Boston-helft van dit tweeluik. Niet alleen klinkt die plaat een stuk beter dan de andere, je treft er ook folkrocker Eric Andersen op aan, die een handje komt toesteken in het afsluitende tweetal, het licht ironische “I Love To Sing My Ballad, Mama (But They Only Wanna Hear Me Rock & Roll)” en het van de Stones geleende “Honky Tonk Women”. Als je ’t ons vraagt meteen twee van de leukste momenten van het geheel – of de gehelen, da’s maar hoe je ’t bekijkt natuurlijk…

(Volledigheidshalve vermelden we op de valreep ook nog even, dat het in beide gevallen gaat om de groepsbezetting met naast John Dawson en David Nelson ook bassist Dave Torbert, pedal steel-kanjer Buddy Cage en drummer Spencer Dryden aan boord. ’t Is maar dat je het weet…)

www.nrps.net

www.kufala.com

www.bertus.nl

 

 

ALISE MARLANE

“Stillness Hold On”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Via de homepage van Ian Tamblyn, één van Canada’s meest veelzijdige talenten van het ogenblik, werd ik attent gemaakt op het debuutalbum van Alise Marlane. Volgens Tamblyn bestaat deze CD uit een collectie songs welke – wellicht vanwege het lange rijpingsproces – zelfs na meerdere malen draaien beslist niet tot luistermoeheid leidt. Alise bleek ook een eigen homepage te voeren en daar werd mijn nieuwsgierigheid behoorlijk aangezwengeld door een audiofragment van het openingsnummer van de plaat, “Snowglobe”. Genoeg alvast om meer van deze eigenzinnige artieste uit Ottawa te willen horen, wier heldere stemgeluid en sobere gitaarspel je moeiteloos voort trekken. “Stillness Hold On” komt als geheel opmerkelijk volwassen over. De diverse vakkundige musici tekenen voor een zeer gevarieerd en liefdevol ingespeeld product. Geen egotripperij dus, maar uitsluitend het verlangen om in dienst te staan van de song. Marlane’s album telt 14 composities, waarvan ze het merendeel zelf heeft geschreven. Een uitzondering vormt Tamblyns “Angels Sail Away”. Het akoestische pallet helt soms wat over naar de wat meer jazzy kant. Maar binnen mijn perceptie blijft de muziek te allen tijde binnen de bandbreedte van folk / pop.

Alvorens zich op het muziekpad te begeven was deze folk-georiënteerde singer-songwriter overigens actief in de visuele kunstsector, hetgeen nog overduidelijk blijkt uit de zeggingskracht van de soms metaforische teksten / schilderingen. Pure Canadese muziek is dit. Ietwat traditioneel (Lees: Basic!) aandoend misschien, maar zeker rijk en origineel – het luisterplezier is er althans niet minder om. Een parallel met Kathleen Edwards? Die haal ik hier niet meteen uit, dan denk ik meer aan een Lynn Miles, een Joni Mitchell of – een ietsje obscuurder nog – een Pieta Brown. www.magma.ca/~marlane/

CD Baby

 

 

JAY FARRAR

“Stone, Steel & Bright Lights”

(Transmit Sounds / Artemis / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Een echt vrolijke Frans zal Jay Farrar wellicht nooit worden. Maar de vraag is maar of dat ook echt nodig is. Met een indrukwekkende staat van dienst als de zijne heb je immers te allen tijde recht op het nodige respect – in welke hoedanigheid je je dan ook presenteert. Want hoe invloedrijk acts als de Blasters, Los Lobos, Green On Red en anderen ook waren gebleken aan het begin van de jaren tachtig, het waren toch vooral bands als Farrars gedeelde geesteskinderen Uncle Tupelo en Son Volt die het later tot No Depression omgedoopte countryrock-/alt.countrygenre naar een even onverwachte als permanente renaissance hebben gestuwd. En dat is voorwaar geen geringe prestatie.

Toch doet het ons enorm veel plezier om diezelfde Farrar op zijn eerste live-plaat ooit heel erg ontspannen uit de hoek te horen komen. Het in september en oktober van vorig jaar ingeblikte “Stone, Steel & Bright Lights” is een soort bloemlezing uit ’s mans drie laatste platen, “Sebastopol” (2002), “ThirdShiftGrottoSlack” (2002) en “Terroir Blues” (2003). Daarnaast krijgen we met het protestliedje “Doesn’t Have To Be This Way” en “6 String Belief” ook twee nieuwe nummers aangereikt. En dan zijn er ook nog de twee covers aan het eind van het album, die heel wat van ’s mans fans in vuur en vlam zullen zetten. Het betreft immers bijzonder flamboyante, gitaarzwangere versies van Pink Floyds “Lucifer Sam” en Neil Youngs “Like A Hurricane”, waarin zijn begeleiders van het uit Washington DC afkomstige alt.-rockgezelschap Canyon hem even flink van jetje mogen geven.

Opvallend gegeven is dat heel wat van Farrars liedjes in hun live-versies de studio-originelen eigenlijk gemakkelijk overtreffen. De spontaniteit van de performances zit de songs immers een stuk beter dan het eerder afgeleverde studiomaatwerk. Iets waarvan we trouwens ook het visuele bewijs meegeleverd krijgen. “Stone, Steel & Bright Lights” bevat immers ook de elf tracks tellende DVD “Live At Slim’s” met daarop de hoogtepunten van één van de voor de plaat gebruikte optredens. En dat betekent dat je hier goed zit voor een paar uur van “Horen, zien en zwijgen”.

www.jayfarrar.net

www.transmitsound.com

www.artemisrecords.com

www.sonic.nl

 

 

PATTERSON HOOD

“Killers And Stars”

(New West / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 “Southern Rock Opera”, de ambitieuze dubbelaar waarmee de Drive-By Truckers in 2001 definitief de poort naar het grote succes inbeukten, was een plaat die bepaald niet zonder slag of stoot het levenslicht zag. Heel even zag het er zelfs naar uit dat wat de career record van de bende moest worden meteen ook hun zwanenzang zou inleiden. De tol die het album op persoonlijk vlak van diverse groepsleden eiste was immers immens zwaar. Zo zag leadzanger Patterson Hood zijn privé-leven in die periode herschapen tot één grote puinhoop als gevolg van een pijnlijke scheiding. De blues alom dus… En zoals dat wel vaker het geval is, leidden die extreme emoties tot een karrenvracht aan nieuwe songs. Een aantal daarvan belandden op het volgende Truckers-album “Decoration Day”. Maar Hood weerhield ook voldoende nummers voor een eigen soloplaat. De man nam het materiaal voor “Killers And Stars” ergens vroeg in maart van 2001 gewoon in zijn eigen keuken op, zodat je, als je goed luistert, het gekraak van stoelen en het gesnurk van de hond nog kan ontwaren. Het album was oorspronkelijk dan ook eigenlijk helemaal niet bestemd om uitgebracht te worden. Noem het eerder therapeutisch aan de slag zijn. Maar ja, je weet hoe dat gaat, he… Enkele zelf gebrande kopietjes worden vroeg of laat toch aangeboden op shows en gaan vervolgens als verzamelobject een eigen leven leiden. En dan is het als artiest nog maar moeilijk weerstaan aan de drang om de plaat toch op grotere schaal verkrijgbaar te maken. Zeker als dat kan via een label als New West, ook de thuisbasis van de Drive-By Truckers. En zo geschiede dus ook.

“Killers And Stars” klinkt als geheel flink wat ingetogener en een stuk duisterder dan het flamboyante materiaal van de DBT. Naast akoestische gitaren, een mandoline en een stel stemmen zijn er enkel de liedjes van Hood om je aandacht vast te houden. Een mooie verstilde versie bijvoorbeeld van “Uncle Disney”, een nummer dat sommigen onder jullie wellicht ook al wel zullen kennen van Truckers-shows, of een weinig aan Neil Youngs meer ingetogen momenten herinnerende songs als “Hobo”, “Rising Son” en “The Assassin”. Enige vreemde eend in de bijt is het wat speelsere “Pay No Attention To Alice”, dat Hood aantrof in het songbook van Tom T. Hall.

www.pattersonhood.com

www.drivebytruckers.com

www.newwestrecords.com

www.sonic.nl

 

 

DAVE ALVIN

“Ashgrove”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Het was ons al niet ontgaan tijdens zijn jongste doortocht door ons land, het nieuwe materiaal van ex-Blasters-kopstuk Dave Alvin klinkt opnieuw een stuk gitaargeoriënteerder dan dat met de liedjes op zijn jongste platen het geval was. Bewust, aldus de man zelf, die op die manier tegemoet hoopt te komen aan de wensen van heel wat van zijn devote fans, die hem te kennen hadden gegeven hem het succes van zijn folk en blues project “Public Domain” weliswaar van harte te gunnen, maar in de toekomst vergelijkbare songs toch liever ingebed te zien in een lekker ouderwets rockend Alvin-werkstuk. En als een gevolg daarvan sluit ’s mans nieuwe album “Ashgrove” in essentie eerder aan bij het al uit 1991 stammende “Blue Boulevard” dan bij eender welke van de platen die daarop in de loop der jaren nog zouden volgen. Om dat te kunnen bewerkstelligen schoof hij zelfs zijn vaste begeleiders van The Guilty Men tijdelijk aan de kant. De vacante plaatsen werden vervolgens ingevuld door meester-gitarist Greg Leisz (die trouwens ook voor de productie tekende), bassist Bob Glaub (Jackson Browne, John Fogerty) en drummer Don Heffington (Bob Dylan, Emmylou Harris). Met occasionele gastbijdragen van Chris Gaffney (zang), Patrick Warren (keyboards) en David Piltch (akoestische bas) om het muzikale plaatje te completeren.

Het totaalbeeld van “Ashgrove” stoelt daardoor voornamelijk op een bij momenten behoorlijk potig overkomend elektrisch bluesrockgeluid. Sterke voorbeelden daarvan zijn het op een stevige groove leunende titel- en openingsnummer over een folk & blues club in L.A. waar Alvin flink wat tijd van zijn jeugd sleet en het al even robuust rockende “Black Sky”. Sommige van de hier door Alvin vertolkte liedjes doken eerder ook elders reeds op. Het ingetogen “Nine Volt Heart” schreef hij bijvoorbeeld samen met Rod Hodges als titelnummer voor de jongste van The Iguanas. En het samen met Tom Russell gepende “Rio Grande” zullen velen herkennen als een liedje dat ze in 2002 in een compleet andere versie al op Russells CD “Borderland” aantroffen. Of “Somewhere In Time” ook, geschreven met David Hidalgo en Louie Perez van Los Lobos en ook al terug te vinden op “The Ride”, het recentste album van dat eclectisch ingestelde gezelschap. En dan is er nog het ronduit schitterende “The Man In The Bed”, een bijzonder breekbaar en persoonlijk liedje geïnspireerd door het recente overlijden van zijn vader en pas nog gesitueerd op “Parkinsong”, een dubbelaar bedoeld om geld in het laatje van het onderzoek naar de ziekte van Parkinson te krijgen. Andere erg knappe momenten zijn het zachtjes voortkabbelende, weer meer naar de folkkant neigende “Everett Ruess”, het in blues gedrenkte, samen met Shannon McNally aan papier toevertrouwde “Sinful Daughter” en het stomende “Black Haired Girl”.

Laten we het dus maar houden op een bijzonder gevarieerd geheel. En de fans die in dezen zoals eerder gesteld vragende partij waren, zullen met deze stevige pot Alvin dan ook zeker hun weg wel weten. Al zal hij er wellicht geen Grammy mee in de wacht slepen, zoals dat met “Public Domain” eerder wél het geval was…

www.davealvin.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

BUDDY & JULIE MILLER

“Love Snuck Up”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Wie - net als ons – op de soloplaten van het gerespecteerde rootsrockkoppel Buddy & Julie Miller steeds weer gecharmeerd werd door hun samenwerkingen met elkaar kan zich vanaf nu alvast de moeite van een zelf gebrande compilatie besparen. In hun compileerwoede van de voorbije maanden kwamen de verantwoordelijken van Hightone Records immers op het lumineuze idee om het in alle vriendschap van het label afscheid nemende stel uit te zwaaien met een duettenverzameling met daarop het beste van hun zeven tot dusverre verschenen platen. De enige nieuwkomer van het geheel is een bitsig rockende versie van het eerder ook al op de CD “Buddy & Julie Miller” verkrijgbare “You Make My Heart Beat Too fast”. Daarnaast blijft het natuurlijk genieten geblazen van beauties als hun knappe folkrock-uitvoering van Dylans “Wallflower”, het al even briljante “You’re Running Wild” waarvoor ze harmoniegewijs in de leen gingen bij de legendarische Louvin Brothers, het aan tal van klassieke seventies countryduetten herinnerende titelnummer van deze collectie, het lekker wegrockende “Out In The Rain” en heel wat van de andere hier opgediste liedjes.

Wat ons betreft een absolute aanrader derhalve deze 14 tracks tellende plaat. Zélfs voor diegenen onder jullie die al met een Miller-collectie op volle oorlogssterkte lopen te pronken. (Al zal daar wel weer niet iedereen het mee eens zijn…)

www.buddyandjulie.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

MELANIE HORSNELL

“The Adventures Of …”

(Me & My Americana Records / CRS)

(4) J J J J

 

Muzikale verrassingen – ze bestaan nog, meneer. Neem nu dit schatje. Amper vijf was ze toen ze voor het eerst de gitaar ter hand nam. En nauwelijks twee jaar later ontdekte ze ook al de genoegens van het busken. Op haar vijftiende schreef en bracht ze vervolgens ook eigen nummers. En dat zou uiteindelijk leiden tot een jaar vol gigs in respectievelijk Frankrijk, Engeland en Ierland. Na een stel in eigen beheer uitgebrachte singles en EP’s was de tijd dan ook meer dan rijp voor het feitelijke (full) CD-debuut van deze jonge Australische. Zelf citeert ze Chrissie Amphlett, Courtney Love en de BeeGees ten tijde van “NY Mining Disaster” en “I Started A Joke” als haar voornaamste inspiratiebronnen. En vooral die laatste vergelijking lijkt ook wel een beetje op te gaan ook. Alleen moet je er dan wel een kristalheldere stem te situeren ergens in het gouden driehoekje tussen Harriet Wheeler van The Sundays, Kasey Chambers en Edie Brickell bijdenken, want Melanie Horsnell zingt echt wel engelachtig mooi. Zo’n liedje als het door Simon Cox aangedragen “Sometimes” blijft bijvoorbeeld luisterbeurt na luisterbeurt goed voor kippenvel. In al haar kwetsbaarheid toont Horsnell zich daarin tegelijk ook heel erg sterk als ze stelt dat wat haar zo nu en dan kwelt ook anderen treft en dat ze dus eigenlijk helemaal geen uitzondering vormt. Elders, zoals in het speelse “I Just Want Some Love” roept ze een soort aangenaam sixties-gevoel op, dat zowel de Beatles als de eerder al vermelde BeeGees incorporeert. Maar op haar best is Horsnell wat ons betreft in prachtige ingetogen popliedjes als “Deep Blue Sea”, “Beautiful Excuse” en “Roundabout”, waarin ook tekstueel heel wat te rapen valt. Een echte revelatie dus!

www.melaniehorsnell.com

www.continental.nl

 

 

WANDA JACKSON

“Heart Trouble”

(CMH / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

 “Heart Trouble” markeert de terugkeer langs de grote poort van de peetmoeder van de rockabilly, Wanda Jackson. De ten tijde van de opnamen 65 jaar oude diva levert met deze set het perfecte anti-statement af voor Pete Townshends legendarische woorden “I hope I die before I get old”. Wij van onze kant hopen dat we op die toch al behoorlijk gezegende leeftijd nog even vitaal uit de hoek mogen komen als La Jackson of op z’n minst toch nog geen last zullen hebben gehad van de in de titel van deze plaat aangekaarte problemen.

In het gezelschap van gerenommeerde (nog net iets jongere) hipsters als The Cramps (“Funnel Of Love” en “Riot In Cellblock #9”), ex-Stray Cat Lee Rocker (“Woman Walk Out The Door”), Elvis Costello (“Cryin’ Time”), The Cadillac Angels (“Hard Headed Woman”), Rosie Flores (“Let’s Have A Party”) en Dave Alvin (“It Happens Every Time”, “Rockabilly Fever” en “It’ll Be Me”) laat Wanda Jackson horen nog weinig of geen van haar pluimen te zijn verloren. Eigen klassiekertjes als “Mean Mean Man” en het door Neil Larsons flamboyante pianowerk aangejaagde “Let’s Have A Party” blazen in hun nieuwe jasjes zelfs nog menig een veel jongere act losjes van de sokken. Respect!

www.wandajackson.com

www.cmhrecords.com

www.sonic.nl

 

 

TRES CHICAS

“Sweetwater”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Dit moet zowat de allereerste all-female alt. country supergroep zijn. Als het ware geboren uit een gelijktijdig plasje (annex babbel) dat Caitlin Cary (ex-Whiskeytown), Tonya Lamm (ex-Hazeldine) en Lynn Blakey (ex-Let’s Active en Oh OK en dezer dagen actief in Glory Fountain) enkele jaren geleden samenbracht tijdens een optreden van de lichtjes fantastische Backsliders. Niet veel later vertolkten de drie zelf in een ondertussen opgedoekte club in Raleigh na een optreden van Alejandro Escovedo samen tot in de vroege uurtjes spontaan wat van hun nieuwe songs voor die man en een select, maar bijzonder gecharmeerd publiek. Het zaad van Tres Chicas was daarmee definitief gezaaid. En ondanks hun (toen nog) drukke schema’s zouden de dames steeds weer blijven zoeken naar gelegenheden om samen aan de slag te kunnen.

Dat moest vroeg of laat dus wel resulteren in gezamenlijk plaatwerk en met “Sweetwater” zijn we daar uiteindelijk ook aan toe. In een productie van de semi-legendarische Chris Stamey – van wie eerdaags met “Travels In The South” voor het eerst in jaren ook weer eens nieuw materiaal verschijnt – en met verder ondermeer ook Skillet Gillmore (Whiskeytown, Patty Hurst Shifter) en leden van het okselfrisse bluegrass-gezelschap Chatham County Line werden zeven eigen liedjes en covers van George Jones’ “Take The Devil Out Of Me”, Lucinda Williams’ “Am I Too Blue” en Loretta Lynns “Deep As Your Pocket” ingeblikt. De nadruk ligt daarbij vrijwel voortdurend op de hemelse samenzang van de drie dames. Het resultaat zijn prachtige, veelal melancholische alt. countryliedjes die al het goede wat je vooraf van zo’n samenwerking verwacht confirmeren. Vooral de versie die Cary, Lamm en Blakey van Lucinda Williams’ “Am I Too Blue” afleveren laat zich al even met geen stokken meer uit ons hoofd verdrijven. Het bluegrass-accentje dat de knapen van Chatham County Line eraan verlenen laat dat an sich al fantastische nummer pas echt helemaal openbloeien. Tres Chicas – très joli!

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

BIG SANDY & HIS FLY-RITE BOYS

“Rockin’ Big Sandy

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

De voorbije maanden stonden bij het nochtans een uitstekende reputatie genietende Hightone Records enigszins in het teken van een algehele leegloop. En dus concentreert men zich bij dat label nu maar een beetje op het uitbrengen van compilaties gewijd aan de artiesten die afscheid namen. Zo mochten we eerder dit jaar al leuke collecties verwelkomen van Rosie Flores, Jimmie Dale Gilmore en Buddy & Julie Miller, en met “Rockin’ Big Sandy” krijgen we nu een flinke moot Big Sandy & The Fly-Rite Boys voorgeschoteld. Geput wordt daarbij uit de albums “Jumpin’ From 6 To 6”, “Swingin’ West”, “Feelin’ Kinda Lucky”, “Dedicated To You”, “Night Tide” en de EP “Radio Favorites”. Extraatjes zijn het voorheen enkel als vinyl single verkrijgbare “Backdoor Dan (X-Rated Version)” en een video van “My Sinful Days Are Over”. Vijftien tracks lang is het hier genieten geblazen van één van de meest authentieke rockabilly / hillbilly acts die de voorbije jaren hun opwachting maakten. Big Sandy en de zijnen catapulteren je terug naar een tijd waarin lekker ritmisch basgepluk, een swingende steelgitaar, wulpse fiddles en speelse gitaren nog gemeengoed waren. Zo aan het eind van de jaren vijftig zeg maar. Retro as hell, maar dan wél van een kwaliteit zoals je die vandaag de dag maar zelden meer tegen komt. Deze anthology is dan ook een ideaal inhaalmanoeuvre voor al diegenen onder jullie die dit gezelschap pas onlangs of nog niet leerden kennen. Of gewoon een plaat die je elkeen met een zekere voorliefde voor honky-tonk, hillbilly boogie, Western swing, rockabilly en aanverwanten kan aanbevelen, want dat alles en nog veel meer lekkers vind je erop terug.

www.bigsandy.net

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

THE HAPPINESS FACTOR

“Avoid Danger”

(Paisley Pop Records)

(3.5) J J J J

 

The Happiness Factor is een soortement supergroepje rond de vanuit Dallas, Texas hard aan de weg timmerende Salim Nourallah. En wat die hier in het gezelschap van lokale helden als Carter Albrecht (The Sparrows, Edie Brickell), John Dufilho (Deathray Davies), Danny Balis (Sorta), Steve Duncan (Chemistry Set), Jason Garner (eveneens Deathray Davies), Doug Cox (A Hard Day’s Night) en Danny DeLaMatyr (The Days en - net als Nourallah zelf - Rhett Miller’s Instigators) presenteert, is een potje bijzonder catchy pop. Op het uit louter tijdsdruk in amper twee weken ingeblikte “Avoid Danger” positioneert hij zich als een soort ver achterneefje van indrukwekkende songwriters als een John Lennon (“Weight Of The World”), een Elvis Costello (“Proper Channels”) en een Paul Weller (“The In-Crowd”). Maar dat blijken lang niet de enige invloeden van dit bebrilde anti-idool te zijn. Bij “Soft” moesten wij bijvoorbeeld al van in den beginne heel erg denken aan The Replacements. En “Insane Lodger” heeft overduidelijk iets met T. Rex. Terwijl The Clash dan weer model lijkt te hebben gestaan voor het springerige “The Hand That Feeds”.

Een schier eindeloos geval van namedropping lijkt het wel. En daardoor zou je als lezer als snel de indruk kunnen gaan krijgen, dat dit schijfje qua originaliteit niet al te hoog scoort. Maar dat is dus absoluut niet het geval. Wel integendeel. Nourallah absorbeert immers gewoon alle geciteerde invloeden en wat er uit zijn sponsje loopt als hij aan het uitwringen slaat, is wel degelijk van hém en wat meer is, het smaakt bijzonder lekker. “Avoid Danger” bevat namelijk tal van songs die zich als jonge pitbulls speels in je oorschelpen vastbijten.

www.happinessfactor.com

www.paisleypop.com

 

 

THE LARRY STEPHENSON BAND

Clinch Mountain Mystery”

(Pinecastle Records)

(4) J J J J

 

Larry Stephenson is door de jaren heen eigenlijk best wel een beetje onopvallend uitgegroeid tot één van de knapste hoge tenorstemmen die het bluegrassgenre dezer dagen rijk is. Met “Clinch Mountain Mystery”, z’n nieuwe worp, vieren hij en zijn band ondertussen dan ook al hun vijftiende verjaardag in het vak. En ze doen dat zoals het hoort. In stijl dus. In een productie van David Parmley groeit het album immers makkelijk uit tot één van hun allerbeste tot op heden. Stephenson blijkt vocaal in grote doen en speelt als naar gewoonte de sterren van de hemel op zijn mandoline. Aaron McDarris, Randy Barnes en Dustin Benson doen de rest op respectievelijk de banjo en de akoestische bas en harmoniegewijs. En op de gastenlijst treffen we bij wijze van aanvulling ook nog de namen van gevestigde waarden als een Bryan Sutton, een Bobby Hicks en een Ron Stewart aan.

Samen staan ze twaalf nummers lang garant voor kwaliteitsbluegrass. Niet één enkel moment van zwakte te bekennen hier. Tussen de gedreven opener “Dixieland For Me” en de al even jachtige, zelf gepende afsluiter “My Baby Back To Me” stoten we op tal van memorabele liedjes. Zo onthielden wij bijvoorbeeld meteen al het door Tom T. en Dixie Hall geleverde titelnummer, de country gone bluegrass van klassiekertjes als “Why Don’t You Haul Off And Love Me” en “Those Gone And Left Me Blues” en een ouderwets lekkere tweede bijdrage van de Halls “The Pretty Blue Dress”. Maar het is best mogelijk, dat je, als je ons binnen enkele weken naar favorieten op dit album vraagt, een heel ander lijstje voorgeschoteld krijgt. Alles luistert hier immers vrijwel even aangenaam weg. Het erfgoed van Bill Monroe lijkt ons dan ook in heel goede handen bij Stephenson.

www.larrystephensonband.com

www.pinecastle.com

 

 

CHILL MAMMA

“Last Minute”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(2.5) J J J

 

Gouwgenoten aan het werk. Dan spits je al bij al toch net iets vlugger de oren, ook al lijkt het in eerste instantie dan misschien niet meteen aan te sluiten bij de genres waar je je normaliter mee inlaat. Chill Mamma is de veelzeggende naam van een zeskoppig Maaslands gezelschap bestaande uit Jessie Errico en Ilse Hoeven (zang), Marieke Verschelde (drums), Riccardo Straccia (bas), Bernd Annaert (piano, keyboard, rap) en Christiaan Franz (gitaar). Dat laatste tweetal is trouwens ook verantwoordelijk voor de negen op dit debuut aangedragen songs. Emo noemen de youngsters het zelf, wat ze brengen op “Last Minute”. Maar die vlag dekt ons inziens deze lading toch niet echt adequaat. Daarvoor hinken de zes nog een beetje teveel op diverse muzikale gedachten. Funky niemendalletjes als “Freakman” en “Just A Trip” onderstrepen enerzijds een gezien de jonge leeftijd van deze bende bewonderenswaardige mate van instrumentbeheersing, maar maken anderzijds ook duidelijk dat er productioneel gezien best nog wat meer aan het geheel geschaafd had mogen worden. En een Spielerei als het drietalige, quasi gerapte “Harry Potter” had men wat ons betreft al helemaal achterwege mogen laten. Met dat soort van nummers vermaak je een studentikoos publiek live wellicht mateloos, maar op plaat is het nauwelijks meer dan een na enkele draaibeurten behoorlijk storende gimmick.

Wanneer de voet van het gaspedaal gaat gebeuren er plots echter wel heel erg fraaie dingen. Ingetogen liedjes als het openingsnummer van de plaat, “Sky Scraper”, het door zijn voortdurende tempowisselingen lekker spannende “Ribe” en het via een bijna klassieke piano-intro in jazzy popwateren aanbelandende “Floating” – met heel mooi toetsenwerk van Bernd Annaert - profiteren volop van de prachtige glasheldere stem van leadzangeres Jessie Errico. Vergelijkingen met een groep als het veel te vroeg ter ziele gegane Twarres en tal van Amerikaanse Lillith Fair acts dringen zich dan onwillekeurig op. Het lijkt ons dan ook niet echt aanmatigend om de groep in dit prille stadium van haar bestaan als goede raad mee te geven zich in het verdere verloop van haar carrière wat meer toe te spitsen op precies dat aspect van het hier gehanteerde muzikale palet. Die voorzichtig naar folkrock neigende liedjes smaken wat ons betreft immers volop naar meer en zouden het radiogewijs ook verre van kwaad doen.

Contact: bercelona@hotmail.com

 

 

JOSH WILLIAMS

“Lonesome Highway”

(Pinecastle Records)

(4) J J J J

 

De amper drieëntwintigjarige Josh Williams geldt al een paar jaar als één van dé aanstormende talenten van het bluegrassgenre. De jongeman koppelt een aangename honingzoete baritonstem dan ook aan een zijn jonge leeftijd vrijwel voortdurend verloochenende virtuositeit op zowel de akoestische gitaar als de mandoline. Deze laatste ontwikkelde hij via werk met zijn eigen band High Gear en het gerespecteerde Special Consensus alvorens hij in 2001 uitpakte met zijn lovend onthaalde solodebuut “Now That You’re Gone”.

En nu is er dus nummer twee, “Lonesome Highway”. En daarop mag Williams rekenen op de steun van flink wat prominente gasten. Zo doet Don Rigsby tenorgewijs bijvoorbeeld een aardige duit in het zakje van het wulpse, door Tom T. en Dixie Hall aangedragen openingsnummer “Killer On The Loose”, in de schitterende Flatt & Scruggs-cover “The Legend Of The Johnson Boys”, in het door Mark Mathewson gepende “Mordecai” en in Charlie Edsalls “Cold Virginia Rain”. En vrijwel omnipresent zijn andere klasbakken als Randy Kohrs (Resophonic en Wabash), Missie Raines (akoestische bas), J.D. Crowe (banjo), Ron Stewart (fiddle) en Dwight McCall (tenor). Geen wonder dan ook, dat “Lonesome Highway” de belofte van Williams’ debuut letterlijk en figuurlijk spelenderwijs inlost. Naast de eerder al aangestipte prachtsongs zijn het vooral de bijzonder geïnspireerde (vingervlugge) instrumental “Golden Pond Getaway”, de met een flinke snuif swingende country gekruide versie van Jim Eanes’ “Don’t Stop Now” en het rootsy “The Cave”, die vol zelfvertrouwen aankondigen dat we ooit over Josh Williams zullen praten als één van de allergrootsten van het genre. Grote klasse gewoon!

www.pinecastle.com

 

 

THE AVETT BROTHERS

“Mignonette”

(Ramseur Records)

(3.5) J J J J

 

Een sympathieke radiocollega van een flink eind boven de Moerdijk zette ons vorig jaar op het spoor van “A Carolina Jubilee”, het vierde album van The Avett Brothers, en daar zijn we hem tot op heden nog steeds dankbaar voor. (Thanks, Theo!) Dat uit Piedmont, North Carolina afkomstige trio bestaande uit de broers Scott en Seth Avett en Bob Crawford dweilt immers voortdurend het straatje tussen roots country en Americana enerzijds en bluegrass anderzijds op en neer. En net als in het geval van vergelijkbare acts als The Gourds, Old Crow Medicine Show, de Hackensaw Boys of de hier eerder dit jaar nog jubelend onthaalde Betweeners leidt dat op de nieuwe CD van de drie, “Mignonette”, vrijwel continu tot een hoogst bekoorlijk muzikaal totaalbeeld, waarin naast de ijzersterke songs van deze knapen, vooral ook hun speelse harmonieën en hun gedrevenheid de aandacht blijven trekken. Live moet dit nagenoeg onweerstaanbaar zijn, vooral dan de feestnummertjes van het type “Nothing Short Of Thankful”, “At The Beach” en “Hard Worker”, waarin de banjo, de akoestische gitaar en de staande bas er voortdurend flink van langs krijgen. Maar ook wat ingetogener momenten als de melancholische single “Swept Away”, “Letter To A Pretty Girl” of “The New Love Song” zijn van een zeer hoog niveau.

Bovendien staat dit in een coproductie met Dolph Ramseur ingeblikte album voor een zeer goede prijs-kwaliteitverhouding. Met twintig tracks afgeklokt op 73 minuten en 15 seconden krijg je immers heel veel (prima) waar voor je geld!

www.theavettbrothers.com

www.ramseurrecords.com

 

 

JIM STRINGER & THE AM BAND

“In My Hand”

(The Music Room)

(4) J J J J

 

Elk jaar weer als de zomer voorzichtig zijn opwachting maakt en de rest van platenland stilaan achteroverleunt voor een welverdiende vakantie neemt in Texas de productie om de één of andere onverklaarbare reden plots gestaag toe. En dat is ook dit jaar weer niet anders. De voorbije dagen vielen hier dan ook al behoorlijk wat recensies van platen vanuit die hoek te lezen. En ook vandaag is het weer zover. Dit keer zijn het Jim Stringer en z’n AM - voluit Austin Music - Band die ons met nieuw materiaal verblijden. Verblijden inderdaad, want Stringer en de zijnen hadden met eerdere platen als “Swang!” en “On The Radio” al bewezen tot het beste te behoren wat er op het kruispunt tussen country en rockabilly in de Lone Star State te rapen valt. En daarvan krijgen we op “In My Hand” andermaal een bevestiging. Het album opent in onvervalste, zwaar naar Johnny Cash overhellende honky-tonk stijl met een verhaal zo oud als de straat: twee mannen, één vrouw, een geweer en de rest laat zich wel raden zeker... Vervolgens is er een up tempo countryrockversie van Joni Mitchells “Raised On Robbery” met de hier zeer gewaardeerde Karen Poston als Stringers rechterhand van dienst. Da’s één van de twee welgekozen covers waaraan de man zich op “In My Hand” waagt. Ook in de andere, een bijzonder knappe versie van de Frank Ifield-hit “I Remember You”, krijgt hij daarbij hulp van een Texaans nachtegaaltje. Daarin is het Susanna Van Tassel die naar goede gewoonte de sterren van de hemel zingt. En ook Stringers dochter Stacy Walters gaat een duet aan met haar vader. Samen tekenen ze voor het een weinig aan Waylon Jennings herinnerende “Three Wishes”. Heel knap vonden wij verder ook nog de beheerste rockabilly van “Pink Tornado”, de gedreven countryrock van het clevere aftelrijmpje “The Smartest Man Alive” en het soulvolle “I’ll Give You Miles” – met zeer mooi pedal steel-werk van Tommy Detamore.

Conclusie: Stringer flikt het hem weer maar eens. En ook z’n volgende zullen wij derhalve alvast weer met genoegen tegemoet zien.

www.musicroom.org

 

 

FLORAMAY HOLLIDAY

“Trouble And A Truer Sound”

(Roseneath Records)

(4) J J J J

 

Floramay Holliday is een fraai ogende blondine die echt alles lijkt te hebben om het binnen afzienbare tijd heel erg ver te gaan schoppen in Texas, maar ook ver daarbuiten. Met een bijzonder krachtige stem die het midden houdt tussen die van Chrissie Hynde van de Pretenders en die van streekgenote Kelly Willis ploegt ze zich op haar tweede CD “Trouble And A Truer Sound” een weg doorheen dertien eigen liedjes en een cover van Guy Clarks “Anyhow, I Love You”. Daarin presenteert ze zich naast als uitstekende zangeres ook als een begenadigde liedjesschrijfster en gitariste. En bovenal ook als een baken van goede smaak in het snel veranderende muzikale landschap van de Lone Star State.

Openingsnummer “Baby’s Back In Texas” is zo bijvoorbeeld een lekker jazzy Western swing-duetje met Ray Benson van Asleep At The Wheel. En in “Tall Song” schotelt Holliday ons een heerlijke moot Texaanse country voor met die typische “City Of New Orleans”-feel. Het hoger al aangekaarte “Anyhow, I Love You” is dan weer een schitterende ballade, niet alleen van maar ook mét Guy Clark. En lekker rockend kan het ook. Dat bewijzen pittige liedjes als “My Friend”, “Don’t Ask Why”, “New Sun Rise” en het ijzersterke “Carolina Cowgirl”. Op haar best vinden we Floramay Holliday echter als ze de rootsy americana-kant opgaat. Met liedjes als het ingetogen “Fishin’” – waaraan de plaat overigens haar titel ontleende – en het aan haar familie en vrienden gewijde “Yellow Moon” raakt ze bij ons pas echt helemaal de gevoelige snaar.

Fans van Kelly Willis en aanverwanten zullen dit als je het ons vraagt dan ook absoluut niet willen missen. Ijzersterke plaat!

www.floramay.com

CD Baby

 

 

JESSE MCREYNOLDS & THE VIRGINIA BOYS

“New Horizons”

(Pinecastle Records)

(4) J J J J

 

Op oudejaarsdag 2002 verloor Jesse McReynolds zijn broer Jim met wie hij ruim 55 jaar samenwerkte als Jesse & Jim aan kanker. Bovendien had de man op hetzelfde ogenblik ook zelf af te rekenen met zware gezondheidsproblemen. Je kan het dus bezwaarlijk de beste dagen van zijn leven noemen. Des te meer plezier doet het om McReynolds met zijn groep de Virginia Boys een ijzersterke plaat te zien afleveren. Die hadden we eerlijk gezegd niet meteen meer verwacht.

Voor “New Horizons” vond de man in Charles Whitstein van de Whitstein Brothers de ideale rechterhand. Net zoals dat voorheen met zijn broer Jim het geval was, passen de stemmen van de twee immers wonderwel bij elkaar, wat resulteert in zeer fraaie harmonieën. McReynolds zegt zelf behoorlijk wat tijd te hebben gestoken in de songkeuze. De liedjes moesten nu immers wat meer aan zijn manier van zingen beantwoorden. Het resultaat klinkt dan ook een weinig anders dan wat we van Jim & Jesse gewoon waren. Eigenlijk balanceert “New Horizons” voortdurend tussen bluegrass en traditionele country, al ligt de nadruk daarbij toch wel vrij nadrukkelijk op het eerste genre. Dat blijkt al meteen uit de keuze van het openingsnummer, het vitale “There’s More Pretty Girls Than One” van de Delmore Brothers. Verder waagt McReynolds zich tussen drie eigen nummers door ondermeer aan “I Won’t Be Blue Anymore” en “Showboat Gambler” van Dan Seals, aan “Faded Love” van Bob Wills, aan de klassieker “In The Pines”, aan Pee Wee Kings “My Main Trial Is Yet To Come”, aan “New Partner Waltz” van de Louvin Brothers en aan John Prine’s “Paradise”. En vooral die laatste twee liedjes springen er op deze als geheel al erg overtuigende CD toch nog een beetje tussenuit. “New Partner Waltz” omdat het in al zijn schoonheid daadwerkelijk weer even de hoogdagen van de Louvin Brothers laat herleven, “Paradise” omdat John Prine bereid werd gevonden om de vocalen ervan met McReynolds te delen, wat tot zeer fraaie resultaten leidt.

De nieuwe horizonten die Jesse McReynolds hier verkent blijken dus bijzonder attractief. En je kan eigenlijk alleen maar hopen, dat de man er nog even mee door mag gaan. Zeker als dat vergelijkbare resultaten blijft opleveren. Want laat daarover vooral geen twijfel bestaan “New Horizons” is een ijzersterk album.

www.pinecastle.com

 

 

ROB ICKES WITH BLUE HIGHWAY

“Big Time”

(Rounder / CRS)

(4) J J J J

 

Rob Ickes (Spreek uit zoals “spikes”!) wordt algemeen beschouwd als één van de allerbeste dobrospelers van het moment. Hij wordt zelfs nu al in één adem genoemd met andere grootmeesters op dat instrument als een Mike Auldridge en een Jerry Douglas. En terecht ook! Door de jaren heen bewees hij immers zowel bij de groep Blue Highway als als sessiemuzikant – onlangs bijvoorbeeld nog op de uitstekende laatste CD van Raul Malo – dat zijn talent schier eindeloos is. En het hoeft dan ook niet meteen verwondering te wekken als zijn collega’s van Blue Highway op zijn derde CD voor eigen rekening “Big Time” voor één keer eerbiedig genoegen nemen met een plaatsje wat meer op de achtergrond. Enkel in het gedreven openingsnummer “Machine Gun Kelly” van de hand van Danny Kortchmar mogen Wayne Taylor en Shawn Lane nog even hun vocale kunnen illustreren. De andere twaalf liedjes zijn echter zonder uitzondering instrumentals. Big Time dus inderdaad voor Rob Ickes. En dat werkt op geen enkel ogenblik storend. Ickes gaat zich dan ook niet te buiten aan freaky gedoe, maar houdt het voortdurend bij pure bluegrass. Zijn bijzonder gevoelige uitvoering van de traditional “Matt Hyland”, knappe lezingen van “Wayfaring Stranger” en “I Am A Pilgrim”, het van de Carter Family geleende “I’m Thinking Tonight Of My Blue Eyes” en eigen liedjes als “Like Water” en “Born In A Barn” zullen liefhebbers van dat genre dan ook snel aan het watertanden krijgen. Dobro op zijn mooist!

www.robickes.com

www.rounder.com

www.continental.nl

 

 

GARY P NUNN

“Something For The Trail”

(Guacamole Records / Smith Group)

(3.5) J J J J

 

Gary P Nunn is één van die artiesten waar je zowat altijd kan op rekenen. De man, die met The Lost Gonzo Band ooit nog zulke countrycoryfeeën als een Jerry Jeff Walker, een Michael Martin Murphy en een Willie Nelson begeleidde, wordt zoals goede wijn eigenlijk alleen maar beter met de jaren. En dat onderlijnt hij op zijn nieuwe CD “Something For The Trail” nog maar eens uitgebreid. Met The Sons Of The Bunkhouse Band (met ondermeer Floyd Domino, Jason Roberts, Johnny Gimble en Gary Primich) serveert hij veertien nummers lang van het beste wat de Texaanse country scene te bieden heeft. Van Texas swing (“West Texas Swang Thang”), over een obligate two-step (“Two-Steppin’ Time Of Night”) of prachtige ballades (“Don’t Get Me Started”) tot aangename countryluisterliedjes (“Something For The Trail”), the usual stuff dus. Met als opvallendste momenten Thomas Michael Riley’s “Perfectly Normal”, een hilarische kijk op een alsmaar sneller veranderende maatschappij, het een voor het leven uit de hand gelopen “vriendschap voor één nacht” behandelende “One Night Stand” en vooral ook “Waltz With The Devil”. Dat laatste – een werkelijk subliem countrywalsje – moest Willie Nelson dringend ook maar eens onder handen nemen. Het is tenslotte ook alweer een poosje geleden dat die nog eens een echte knoeperd van een hit scoorde…

Wat ons betreft maakt Gary P Nunn de titel van zijn jongste CD dus alvast helemaal waar. Dit is er inderdaad zo eentje dat ons (vooral) onderweg nog flink wat diensten zal bewijzen…

www.garypnunn.com

 

 

TANYA DENNIS

Apartment #9

(PaLoma Records)

(3.5) J J J J

 

Net als de hier enkele dagen geleden nog besproken Lisa O’Kane is de in Nashville woonachtige singer-songwriter / multi-instrumentaliste Tanya Dennis (fiddle, mandoline, gitaar) één van die country-artiesten die met de blik volop op het heden gericht de traditie nooit helemaal achter zich laten. Met haar krachtige, een beetje bluesy stem tilt ze de liedjes op de opvolger van haar in ’99 verschenen debuut “Waterdance”, het aangenaam verrassende “Apartment #9”, tot ver boven de middelmaat uit.En al is het dan ook allemaal aan de eerder commerciële kant wat ze te bieden heeft, tussen de leuke shuffle aan het begin van de plaat, “I Can’t Feel A Thing”, en het afsluitende “Love Don’t Even Know My Name” staan flink wat lappen aangenaam weghappend (nog behoorlijk traditioneel aandoend) countrymateriaal. Namen als Joni Harms en Matraca Berg leken ons bijvoorbeeld goede referenties. Als “echte” country je nauw aan het hart ligt, raden we je dan ook ten stelligste aan om deze plaat even een kans te gunnen. Je zal het je vast niet beklagen! Dit is immers heel andere koek dan wat ze je dezer dagen in Nashville gewoonlijk serveren…

(Je kan Tanya Dennis binnenkort trouwens ook live aan het werk zien op het Floralia Country Festival in Oosterhout, dat plaatsvindt op 14 augustus.)

www.tanyadennis.com

 

 

OPEN ROAD

“… In The Life”

(Rounder / CRS)

(4.5) J J J J J

 

Stellen dat het het bluegrassgenre dezer dagen voor de wind gaat is eigenlijk nog een understatement van jewelste. Er hebben de jongste jaren immers nogal wat gebeurtenissen plaatsgevonden die in grote mate hebben bijgedragen tot een versnelde popularisering van deze voordien sinds jaar en dag als de speeltuin van echte afficionados bekend staande muzieksoort. Er was bijvoorbeeld de vrij onverwachte doorbraak op grote schaal van nachtegaaltje Alison Krauss. En natuurlijk ook de fel gesmaakte samenwerking tussen hardcore troubadour Steve Earle en de Del McCoury Band. Of Dolly Partons stijlvolle terugkeer naar haar roots. En niet in het minst natuurlijk het megasucces van de film “O Brother, Where Art Thou?”. Bluegrass werd plots behoorlijk hot. En dat merk je aan het nog voortdurend toenemende aantal platen dat vanuit die hoek blijft komen aanwaaien.

Zo is er nu bijvoorbeeld weer “… In The Life”, de derde van het uit Fort Collins, Colorado afkomstige gezelschap Open Road. Onder aanvoering van leadzanger-gitarist Bradford Lee Folk laat dat nog relatief jonge vijftal op zijn nieuwe CD de hoogdagen van acts als Bill Monroe en de Stanley Brothers herleven. Traditionele bluegrass en country classics worden erop afgewisseld met overgeleverd materiaal en een stel eigen nummers. En de mate van authenticiteit die zodoende wordt bereikt is echt wel heel uitzonderlijk te noemen. Als je dus van plan zou zijn om dit jaar maar één bluegrass act echt te ontdekken, dan lijkt het ons bepaald niet onverstandig om je geld op Open Road te zetten. Sprankelende stijloefeningen als het via de Vern Williams Band van de Louvins geleende “Bald Knob Arkansas”, de opzwepende instrumental “Grey Eagle”, het gevoelige “Mandy Jane” (van Roy McMillan) of okselfrisse eigen deunen als “Southern Track” of “I’m Not Perfect” zijn immers bluegrass van een andere wereld.

www.openroadbluegrass.com

www.rounder.com

www.continental.nl

 

 

LORI MCKENNA

“Bittertown”

(Continental Song City / CRS)

(4.5) J J J J J

 

We hebben hier wel eens eerder een lans gebroken voor Lori McKenna, maar – eerlijk is eerlijk – wat deze jonge moeder van vier kinderen uit Massachusetts op haar nieuwe album “Bittertown” presteert, dat overtreft zelfs onze stoutste verwachtingen. Na voorgangers “Paper Wings And Halo”, “Pieces Of Me” en het met minimale middelen in haar eigen keuken ingeblikte “The Kitchen Tapes” waren vergelijkingen met grootheden als een Nanci Griffith, een Patty Griffin, een Alanis Morissette, een Natalie Maines (Dixie Chicks) en een Lucinda Williams als niet van de lucht. En na haar jongste worp zal voortaan ook de naam Kasey Chambers her en der wel in dat lijstje gaan opduiken. Je mag dit wat ons betreft dan ook rustig het voorlopige magnum opus van deze door het leven al behoorlijk gerijpte vrouw noemen. Met haar van zo’n lekker snikje voorziene warme stem buigt McKenna zich op “Bittertown” over dertien eigen composities, de ene al beter dan de andere. Haar vermogen om verschillende verhaallijnen en gevoelens schijnbaar moeiteloos te laten overlappen getuigt van grote klasse. Niet alles verloopt naar wens in “Bittertown”, of wat dacht u. Heel wat van de liedjes hier cirkelen rond het verliezen van je illusies of het koesteren van een bijna absurde hoop. Toch ontaardt het album nooit in een sombere bedoening. Laat je bijvoorbeeld maar even meevoeren op het op een bedje van Hammondtonen neergelegde openingsnummer van de plaat “Bible Song” – met mooie harmonieën van Buddy Miller – en je zal het al snel met ons eens zijn: dit is gewoon prachtige rootspop, waaraan de fans van pakweg Lucinda Williams, Mary Gauthier of Patty Griffin met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heel wat plezier zullen beleven. Het met Chris Trapper gebrachte “One Man” koppelt elders schaamteloze romantiek aan een tastbare zucht naar lang vervlogen tijden en gebeurtenissen. Prachtig akoestisch slidewerk van stalgenoot Mark Erelli zorgt daarbij voor de ideale setting. Rustige folkpop serveert McKenna natuurlijk ook weer, met name in het een oeverloze jaloezie bezingende “My Sweetheart”. En met de catchy pop van “One Kiss Goodnight” is zelfs een single met potentieel voorhanden.

Wij mogen Lori McKenna echter het liefst horen als ze zich op ingetogen wijze en met veel gevoel volledig in haar teksten inleeft. Zo bezingt ze in “Stealing Kisses” – daarbij enkel begeleid op de akoestische gitaar en de piano – hartverscheurend mooi het lot van een met aan diggelen getrapte illusies aan haar verlangens overgelaten vrouw.

“I was stealing kisses from a boy

Now I’m begging affection from a man

In my housedress don’t you know who I am

Take a look at who I am, I am stealing kisses,”

klinkt het daarin verbitterd. “If You Ask” biedt bijna bij wijze van tegengewicht dan weer een heel ander perspectief. Ook daarin vervult de vrouw de rol van de underdog, maar dan wel die van een sterke, die van de in haar hoedanigheid van vergevingsgezinde wederhelft berustende namelijk. Heel erg dicht bij het leven dus allemaal en precies dat maakt van deze vierde van McKenna zo’n kanjer van een plaat. “Welcome to Bittertown” staat er op het hoesje, een uitnodiging die je dus maar best niet in de wind kan slaan.

www.lorimckenna.com

www.continental.nl

 

 

Various Artists

“Presenting The Alan Lomax Collection”

(CRS)

(4) J J J J

 

Als logisch verlengstuk op het lovend onthaalde “Tangle Eye – Alan Lomax’s Southern Journey Revisited” kan je dezer dagen middels de verzamelaar “Presenting The Alan Lomax Collection” voor een prikje ook de originele versies van de daarop geremixte nummers op de kop tikken. Slechts het topje van de door muzikale schattenjager Lomax blootgelegde ijsberg uiteraard, maar wel ideaal als uitnodiging tot verder prospectiewerk van onzetwege. Bekende en vooral ook minder bekende namen als Mississippi Fred McDowell, Bessie Jones, Ed Lewis, C.B. “88” Cook, Almeda Riddle en de Peerless Four brengen de oerversies ten gehore van songs als “John Henry”, “Whoa Buck”, “O Death” – hier vooral bekend in de uitvoering van Ralph Stanley op de soundtrack van de film “O Brother, Where Art Thou?” – en “Hangman Tree”. Muziek zoals die ruim vijftig jaar geleden in alle eenvoud gemaakt werd in het rurale Amerika. Naakt, rauw, echt zijn hier dan ook de sleutelwoorden. Heerlijke muziek!

www.alan-lomax.com

www.continental.nl

 

 

DALE WATSON

“Dreamland”

(Koch Records)

(4) J J J J

 

 “This is the best honky tonk record I’ve ever made,” belooft Dale Watson op de reclamesticker die het hoesje van zijn nieuwe CD “Dreamland” siert. Ja, ja, denken wij dan bijna automatisch, waar hebben we dat nog gehoord… Artiesten vertonen immers nogal vaak wat al te makkelijk de neiging om hun laatste plaatwerk te bestempelen als het beste wat ze ooit gedaan hebben. Om nogal voor de hand liggende redenen natuurlijk. Maar anderzijds gaat het hier dan weer wel om Dale Watson. En heeft die man integriteit juist niet altijd heel hoog in het vaandel gevoerd? Natuurlijk. Watson is country in hart en nieren en zou nog liever ter plaatse dood vallen dan het genre te verloochenen. Net als zijn grote idolen als een Haggard en een Cash waagt hij wel eens een subtiel zijsprongetje, maar helemaal vergeten waar hij vandaan komt zit er in zijn geval zeker niet in. En dus wijkt ons aanvankelijk wantrouwen al snel voor nieuwsgierigheid.

Van bij de swingende opener “Honky Tonkers Don’t Cry” krijgen we van de Texaan meteen lik op stuk voor ons ongeloof. Niet dat we hem daarom meteen op zijn woord zouden moeten gaan geloven, maar dat nummer belooft alvast wel het allerbeste voor het resterende gedeelte van het album. En ook dat luistert bijzonder prettig weg. “Ain’t A Cow In Texas” is zo eersteklas honky tonk stuff zoals we die van Watson ook al opgedist kregen in zijn beste dagen. En “Love At First Sight” krijgt dankzij speelse piano-, fiddle- en steelbijdragen daadwerkelijk dat vlinders-in-de-buik-gevoel mee, dat een prille affaire kenmerkt. “I Wish You’d Come Around” is dan weer een klassieke tear in your beer-stijl trage, die herinneringen oproept aan Watsons gevoelige afscheid van zijn veel te jong overleden vriendin Terri. Da’s echter één van de schaarse ingetogen momenten hier. De rest is overwegend materiaal waardoor dansvloeren vol zul lopen. Van het nog een weinig weemoedig aandoende “California Wine” over opgewekte stampertjes als “Never Ever” of “Fox On The Run” tot het met een snuifje blues gekruide “Way Down Texas Way” of de tot meebrallen uitnodigende afsluiter “Pretty Girls”, Watson heeft er weer zin in, zoveel is duidelijk.

En dat brengt ons terug bij de vraag van bij het begin van deze recensie. Moeten we de man nu echt op zijn woord geloven? Wat ons betreft zal de tijd dat moeten uitwijzen. “Dreamland” behoort zeker tot zijn betere platen, niet de minste twijfel over mogelijk. Maar om het nu meteen zijn beste te noemen, zover willen we nu ook weer niet direct gaan. Feit is echter wel, dat ’s mans fans van het eerste uur hier hun hartje nog eens flink mee zullen kunnen ophalen. En is dat niet het voornaamste?

www.dalewatson.com

www.kochrecords.com

 

 

RAILROAD EARTH

“The Good Life”

(Sugar Hill / Munich)

(3.5) J J J J

 

Railroad Earth is een zes man sterk gezelschap uit New Jersey, dat in 2001 eerder toevallig ontstond tijdens een open mic-sessie van de Pocono Bluegrass Society. Van dan af ging het echter allemaal razend snel. “The Good Life” is immers al het derde album van de band in even veel jaar tijd. Op de opvolger van de lovend onthaalde voorgangers “The Black Bear Sessions” (uit 2001) en “Bird In A House” (uit 2002) brouwen Todd Sheaffer (zang, gitaar), John Skehan (mandoline, bouzouki, piano, Hammond), Tim Carbone (viool, piano, accordeon, speelgoedpiano, harmonium, elektrische gitaar, kaen, achtergrondvocalen), Carey Harmon (drums, percussie, achtergrondvocalen), Andy Goessling (banjo, dobro, gitaar, mandoline, ukelele, penny whistle, bouzouki, enz.) en Johnny Grubb (bas) in een coproductie met Stewart Lerman – bekend om zijn werk met ondermeer Loudon Wainwright III en Dar Williams - opnieuw een behoorlijk onweerstaanbaar goedje, waarin elementen uit bluegrass, folk, country, jazz, Ierse volksmuziek, pop en rock uitmonden in een volstrekt uniek geluid. Noem het wat ons betreft rustig de perfecte cross-over tussen Amerikaanse en Europese rootsmuziek. De ideale soundtrack alleszins voor zonovergoten dagen. En een welkom alternatief voor al die andere, vaak zo erg op elkaar lijkende bandjes…

www.railroadearth.com

www.sugarhillrecords.com

www.munichrecords.com