ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2007

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Two Dollar Pistols “Here Tomorrow, Gone Today” - The Mannish Boys “Big Plans”Bill Hearne’s Roadhouse Revue “Heartaches & Honky-Tonks”John Doe “A Year In The Wilderness”Ana Popovic “Still Making History” - Josh Rouse “Country Mouse City House”The Gourds “Noble Creatures” - T-99 “Vagabonds”The Coffinshakers “The Coffinshakers”Bek-Jean Stewart “Junior Years” - Hackensaw Boys “Look Out!”Various Artists “Anchored In Love: A Tribute To June Carter Cash” - Misty River “Stories”Elvis Costello “Rock And Roll Music” - Traveling Wilburys “The Traveling Wilburys Collection”Dale Watson “The Little Darlin’ Sessions”Crooked Still “Hop High”Jimmy LaFave “Cimarron Manifesto” - Van den Heuvel “Meanwhile At The Moon Parlor”Porter Wagoner “Wagonmaster”Candye Kane “Guitar’d And Feathered”Stephen Simmons “Last Call” - Lynne Hanson “Things I Miss”Cliff Wagner & The Old #7 “My Native Land”Charlotte Kendrick “North Of New York” - Gretchen Peters “Burnt Toast & Offerings”Point Blank “Reloaded” - Steven Mark “Racing Grey”

 

TWO DOLLAR PISTOLS

“Here Tomorrow, Gone Today”

(8th House Records)

(3,5) J J J J

 

 

Altijd al een stevige boon voor gehad, voor dit viertal uit North Carolina, en dat hangt wellicht voor een groot stuk samen met het feit dat zanger John Howie, Jr. en de zijnen in tegenstelling tot zoveel andere acts uit de alternatieve countryhoek steeds de voorkeur zijn blijven geven aan een flink aandeel voor de countrycomponent uit de naam van dat genre. Wat de Two Dollar Pistols brachten én brengen is altijd duidelijk country gebleven, zij het dan wel uitgevoerd met een scherp randje en dus ook alternatief. En dat is op hun nieuwe, door Rick Miller van Southern Culture On The Skids geproduceerde CD “Here Tomorrow, Gone Today” niet anders. Nummers als de met S.C.O.T.S.-zangeres Mary Huff gedeelde sleper “Stranger Things Have Happened”, het door Lynn Blakey en Tonya Lamm van Tres Chicas van fraaie backings voorziene “Anyone Else But Me”, de door Clyde Mattocks op de pedal steel onderbouwde tranentrekker “Tortured Mind”, het behoedzaam rockende titelnummer, het old-timey “You Cleared Every Hurdle”, het behoorlijk traditioneel opgevatte “Were You Pushed (Or Did You Fall)” of het heerlijk swingende “I Don’t Know You (But I Don’t Like You)” (Inclusief leuk Farfisa-orgel signé Scott McCall!) gaan er hier weer in als zoete koek.

Gewoon de zoveelste lekkere schijf van “a country band that likes R&B, that likes rock 'n' roll, that likes rockabilly, that likes The Beatles, but not a rock 'n' roll band that likes country music”.

Two Dollar Pisols

CD Baby

 

 

THE MANNISH BOYS

“Big Plans”

(Delta Groove / Munich)

(4) J J J J

 

 

The Mannish Boys is een blues-supergroep van het allerzuiverste kaliber. En typisch zo’n geval ook van een som veel groter uitvallend dan het geheel der aparte delen. Individueel talent zat nochtans hier met een organogram ingevuld met Finis Tasby (zang), Johnny Dyer (zang, harmonica), Randy Chortkoff (zang, harmonica), Frank “Paris Slim” Goldwasser (zang, slide, slaggitaar), Kid Ramos (lead-, slide- en baritongitaren), Kirk “Eli” Fletcher (lead- en slaggitaren), Leon Blue (zang, piano), Tom Leavey (bas) en Richard “Big Foot” Innes (drums). En als je daar nog gastperformances van Jody Williams (zang en leadgitaar), Bobby Jones (zang), Rick Holmstrom (slaggitaar), Mitch Kashmar (harmonica), Rob Rio (zang, piano), Larry Taylor (contrabas), Jeff Turmes (eveneens contrabas en altsax) en David “Woody” Woodford (tenor- en baritonsax) aan toevoegt, dan begrijp je dat hier wel zeer speciale dingen móeten gebeuren. En dat is dan ook het geval! Deze opvolger van groepsdebuut “That Represent Man” en de in-concert set “Live And In Demand” is zo mogelijk nog beter dan die twee toch ook al lichtjes fantastische schijven. Gelijk van bij het heerlijk rollende openingsnummer, een vocaal door Finis Tasby en gitaargewijs door Kirk “Eli” Fletcher gedragen versie van John T. Hunters “Border Town Blues” zit de sfeer er goed in. En dat blijft zo ruim vijftien nummers lang. In eerste instantie nog via de sympathiek voorbij hikkende Goldwasser-compositie “I Can’t Stand Here” en de soulvolle sleper “I Get So Worried”, vervolgens via de aanstekelijke R&B van het door Chicago-veteraan Bobby Jones gebrachte “Mary Jane”, het dreigende “Carpet Bagger Blues” ván en dóór Rob Rio en het door Johnny Dyer van zowel een lekker rauwe zangpartij als een gemeen potje mondharmonica voorziene “Just To Be With You” en nog een stuk of wat tussenstations tot de geweldige, zich in jazzigheid wentelende afsluiter “California Blues”, met opnieuw een glansrol voor Bobby Jones. Heerlijk gevarieerd allemaal! En wat meer is: “All killer no filler!”

The Mannish Boys

Delta Groove Music

 

 

BILL HEARNE’S ROADHOUSE REVUE

“Heartaches & Honky-Tonks”

(Frogville Records / Lucky Dice Music)

(3,5) J J J J

 

 

Bill Hearne kennen we vooral van enkele zeer fraaie Americana-platen, die hij samen met zijn eveneens visueel gehandicapte wederhelft Bonnie afleverde. We denken in dat verband vooral aan “Diamonds In The Rough” uit ’97 en het vier jaar later verschenen “Watching Life Through A Windshield”, waarop de twee zo ongeveer de perfecte symbiose tussen country en folk realiseerden.

Wat Hearne aan het hoofd van zijn eigen Roadhouse Revue brengt, is echter van een geheel andere strekking. De titel van hun jongste CD vertelt eigenlijk al het gehele verhaal. “Heartaches & Honky-Tonks” staat immers bol van de traditionele countrydeunen, die je ruim drieënveertig minuten lang meenemen op een muzikale reis doorheen de tijd, straight back naar de genrehoogdagen van weleer. In het gezelschap van Cathy Faber (bas, zang), Bob Goldstein (elektrische gitaar, gut string, mandoline, banjo), Auge Hays (pedal steel) en gasten als zijn vrouw Bonnie (zang), Johnny Gimble (fiddle, zang) en Chris Carpenter (drums) tackelt de corpulente Texaan (zelf akoestische gitaren en uiteraard ook de leadzang) bekende en minder bekende nummers van artiesten en schrijvers als Harlan Howard, Red Simpson, Merle Haggard, Bob Wills, Bill Anderson, Fred Rose, Mel Tillis, Wynn Stewart en Faron Young. Opvallendste songkeuze is die van het behoedzaam (country)rockende “Road Too Long” van Slaid Cleaves. De meerderheid der hier gebrachte liedjes zijn immers een flink stuk ouder. Oordeel zelf maar: “Close Up The Honky-Tonks”, “Sing Me Back Home”, “The End Of The Line”, “Somewhere Between”, “Wishful Thinking”, “Old Faithful”, “Wine Me Up”, “Odds And Ends (Bits & Pieces)”,… Hearne eigent zich die nochtans veelal al suf gecoverde deunen met zo’n sprekend gemak toe, dat je nauwelijks anders kan dan voor de bijl gaan. Vooral Red Simpsons “Close Up The Honky-Tonks”, Faron Youngs lekker “tonkende” “Wine Me Up”, de met z’n eigen Bonnie gedeelde versie van de Bonnie Owens-Merle Haggard-hit “Somewhere Between” en Wynn Stewarts “Wishful Thinking”, gebracht in duet met Cathy Faber, vielen ons op dit snoepje voor liefhebbers van traditioneel countryspul vrijwel meteen in zeer positieve zin op. De rest zou echter snel volgen…

Bill Hearne

Frogville Records

Lucky Dice Music

 

 

JOHN DOE

“A Year In The Wilderness”

(Yep Roc / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Mede dankzij zijn bijdrage aan het gerenommeerde punkcollectief X wordt John Doe nog altijd gezien als één van de invloedrijkste Amerikaanse muzikanten van de jaren tachtig. Hij geldt in die hoedanigheid als één van de grote wegbereiders van een scene die pas vele jaren later definitief tot ontplooiing zou komen. Doe zelf koos begin de jaren negentig resoluut voor een ander pad. Met het in ’90 verschenen “Meet John Doe” ontpopte hij zich vrijwel meteen tot een excellente rootsrocker. Het succes van X zou hij evenwel nooit meer echt evenaren.

Nu, bijna twintig jaar en zes albums later, komt hij dan ook een weinig berustend over. Z’n nieuwe album “A Year In The Wilderness” kent alvast opvallend veel ingetogen momenten. En daarop laat hij zich bijstaan door enkele opvallende gasten. Voor Kathleen Edwards, Jill Sobule en Aimee Mann is zo bijvoorbeeld de eer weggelegd om hem net als Exene Cervenka indertijd vocaal weerwerk te bieden, terwijl ex-X-maatje Dave Alvin, pedal steel-virtuoos Greg Leisz en Dan Auerbach van The Black Keys voor een instrumentaal toemaatje zorgen. Blaster Alvin doet dat gitaargewijs in het stomende “Hotel Ghost”, één van de relatief weinige momenten hier die nog volop aan Doe’s verleden herinneren. Elders gaat het er veelal een stuk bedaarder aan toe. “The Golden State” klinkt zo bijvoorbeeld als een kruising tussen iets van Neil Young en iets van Paul Westerberg, “Darling Underdog” is heerlijk subtiele folkrock, “A Little More Time” (Grote klasse!), een sombere terugblik op een teloorgegane liefde, zelfs gewoon folk tout court. Stuk voor stuk zijn het nummers die zondermeer tot Doe’s sterkste tot op heden dienen te worden gerekend.

John Doe

Yep Roc

 

 

ANA POPOVIC

“Still Making History”

(Eclecto Groove / Delta Groove / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Zondermeer één van dé bluestalenten voor de nabije toekomst, deze jonge Servische! Ze ziet er niet alleen geweldig uit, ze heeft bovendien ook nog eens een dijk van een stem en speelt een fantastisch potje gitaar. Vooral dat laatste leverde haar al vergelijkingen op met betreurde groten der aarde als een Stevie Ray Vaughan en een Jimi Hendrix. En al zijn dat natuurlijk monumenten in hun genre, er valt toch wel iets voor te zeggen, hoor. Als je hoort, hoe de dezer dagen in Nederland residerende Popovic ‘m van jetje geeft in het elektrificerende, uit gelijke delen, rock, funk en blues opgetrokken “U Complete Me”, kan je daar gewoonweg niet omheen. Elders, zoals in “Hold On”, “Hungry”, “Sexiest Man Alive” en “Calendars”, haalt de soulzangeres het van de blonde gitaarwervelwind. “Between Our Worlds” stoeit op zijn beurt dan weer met reggae, “Is This Everything There Is?” doet hetzelfde met pop en rock en doorheen “Doubt Everyone But Me” waait een luchtig jazzwindje. Dé absolute prijsbeesten hier zijn echter het met een flinke snuif swing gekruide “You Don’t Move Me”, het aanstekelijk heupwiegende “How’d You Learn To Shake It Like That?” en het lang uitgesponnen, met een vermanend vingertje omhoog gebrachte titelnummer, waarin Popovic ons te allen prijze aan ons verstand wil brengen, dat geschiedenis niet enkel iets is waarover je in schoolboeken leest, maar een levend gegeven waaraan je zelf op elk moment van de dag weer actief meeschrijft. De boodschap is duidelijk: “Why don’t we give peace another chance? Be sure, we’re still making history.” Het klinkt allemaal nog net iets indringender uit de mond van iemand die ooit z’n eigen, door oorlogen geteisterd en gehavend land moest verlaten.

Solomon Burke is al een fan van deze blonde vamp, nu u nog…

Ana Popovic

Delta Groove Music

 

 

JOSH ROUSE

Country Mouse City House”

(Bedroom Classics / Nettwerk / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Met Josh Rouse gaat alles goed, dankuwel. De man vond onlangs in Spanje niet enkel de vrouw van zijn dromen, maar getuige zijn recente arbeidsritme ook zo ongeveer de ideale voedingsbodem voor het vervaardigen van zijn liedjes. Met Americana heeft wat hij doet van langsom steeds minder van doen, maar dat neemt niet weg, dat hij hier een zeer graag geziene gast bleef en wellicht ook altijd blijven zal. De man verstaat immers als geen ander de kunst om innemende popliedjes uit de mouw te schudden. Op “Country Mouse City House”, zijn ondertussen toch ook alweer zevende CD, staan er zo weer negen. Het lieflijke “Sweetie” bijvoorbeeld al, waarin de stemmen van Rouse en z’n vriendinnetje Paz Suay, een veelal ergens op de achtergrond behoedzaam twangend gitaartje en een steel ergens tussen pop en roots iets heel moois weten los te maken. Of het lome “Italian Dry Ice” ook, dat mede door een stel oordeelkundig ingezette blazers als een zachte zomerbries aan je voorbij waait. Pure pop voor net iets bruiner als normaal door het leven stappende afficionados, zoiets… En dat geldt eigenlijk even goed voor dingen als het ingetogen swingende “Hollywood Bass Player”, het heerlijk relaxte “God, Please Let Me Go Back”, het helder als een bergbeekje klaterende “Nice To Fit In”, waarmee Rouse in de jaren tachtig ongetwijfeld een dijk van een hit gescoord zou hebben, het op z’n Steely Dans enigszins jazzy aandoende “Pilgrim”, het voorzichtig met soul flirtende “Domesticated Lovers” en de zweverige afsluiters “London Bridges” en “Snowy”. Ideaal luistervoer voor lange, zwoele zomeravonden!

Josh Rouse

Nettwerk

 

 

THE GOURDS

“Noble Creatures”

(Yep Roc /Munich)

(4) J J J J

 

 

Americana? Wa’s da? Het is een vraag, die ons wel eens vaker door mensen uit onze ruimere kennissenkring wordt voorgeschoteld. Het is nu eenmaal niet hét allerbekendste genre, he. En om ellenlange, voor een leek sowieso toch maar half te verstane theorieën uit de weg te gaan, volstaan wij in een poging tot het beantwoorden van die vraag dan gewoonlijk met enkele fragmentjes van een willekeurige plaat van The Gourds. Niet één act voldoet wat ons betreft immers beter aan wat wij onder Americana menen te mogen verstaan als dat Texaanse collectief. ’t Is intelligent, grappig vaak ook, het rammelt (sympathiek) langs alle kanten, maar bovenal, het put uit zo ongeveer elk beschikbaar Amerikaans rootsmuziekgenre zonder daarbij ook maar enigszins aan eigenheid te verliezen. Integendeel! Het is juist hun eclectische aanpak, die de Gourds onderscheidt van zoveel anderen in hetzelfde vijvertje. En eigenlijk klonken ze daarbij nooit beter dan op hun tiende CD sinds hun in ’97 verschenen debuut, “Noble Creatures”. Het ene zalige liedje volgt daarop het andere aan een regelrechte rotvaart op. Van de zomerse Americana meets Southern soul van opener “How Will You Shine?” tot het bedaard rockende “Kicks In The Sun”, van de alweer zeer soulvolle sleper “Promenade” tot de intelligente pop van het bij momenten behoorlijk woordoverspelige “A Few Extra Kilos”, van de knappe rootsrocktrage “Last Letter” tot het orgelgewijs duidelijk bij Doug Sahm en de zijnen in de leer geweest zijnde “The Gyroscopic”, van de “Americana pur” van de sfeervolle ballade “Moon Gone Down” tot het als een tiet swingende countryniemendalletje “Red Letter Day” tot, tot, tot… Niet één enkel minder moment te bespeuren hier! Met als absolute klapstuk het van een serieuze shot cajun bediende “Cranky Mulatto”, dat als aanslag op dansgrage benen al kan tellen!

Absolute aanrader!

The Gourds

Yep Roc

 

 

T-99

“Vagabonds”

(Cool Buzz)

(4) J J J J

 

 

Elke nieuwe CD van het Amsterdamse trio T-99 is iets waar je als liefhebber van het betere rootsrockwerk wel móet naar uitkijken! De heren den Haring (zang, akoestische, elektrische en slidegitaren, mandoline, banjo, bluesharp), de Ruiter (zang, drums, percussie, trashkit) en la Fontaine (zang, contrabas, slaggitaar, trompet, fluit, banjo, ukelele) behoren immers zondermeer tot het beste wat de Europese roots scene de jongste jaren heeft voortgebracht. Vooral op de originaliteitsmeter scoren de drie steeds weer ontzettend hoog. Hun aanstekelijke mix van rootsy, rockende en bluesgerichte elementen kent absoluut z’n gelijke niet. En precies daardoor wordt elke plaat van het drietal weer zo’n lekker spannende aangelegenheid. Variatie troef! En zo mogen wij het hier graag hebben! Openingsnummer “Drunk” is zo een lekker gemene, zichzelf vrijwel voortdurend enigszins voorbijsnellende rootsrocker, waarin een gitaar als bezeten aan haar kettingen snokt op zoek naar wat “room to move”, “Betty” een tussen jazz en akoestische blues twijfelend liedje over een onbeantwoord blijvende liefde, “Hey Hey” een wat aparte muzikale late night stroll doorheen de volop naar allerhande sporen van nachtbrakerij geurende achterbuurten van een grootstad, “Fichez Le Camp” doet iets fraais met surfgitaren, een exotisch ritme en de taal van Voltaire, “Hope It’s Gonna Rain” verklankt op onnavolgbare wijze het onvermijdelijk op fatale relationele problemen volgende gevoel van eenzaamheid, “3 X Rooster” geeft er op z’n Paladins een venijnige lap op en “Human Canonball” is een als een horde jonge veulens voorbijhossende gitaarinstrumental. En dat zijn dan nog maar enkele voorbeelden van wat er hier allemaal te beleven valt! Hier is wat ons betreft dan ook maar één advies mogelijk: “Kopen, die handel!”

T-99

Sonic Rendezvous

 

 

THE COFFINSHAKERS

“The Coffinshakers”

(Cobra Records / Bertus)

(3) J J J

 

 

Had er indertijd in plaats van een vergeeld exemplaar van de Bijbel een Bram Stoker-omnibus op het nachtkastje van The Man In Black gelegen, dan had hij wellicht geklonken zoals deze vier Zweedse knapen luisterend naar veelzeggende schuilnamen als Rob Coffinshaker, Andy Bones, Joe Undertaker en Fang. Zelf noemen die wat ze doen death country en vampirabilly en daarmee is eigenlijk al veel, zoniet alles gezegd. Een sinistere, zwaar aan die van Johnny Cash verwante stem gidst je tegen een achtergrond van country en psychobilly doorheen een wereld bevolkt door vampiers, mummies, heksen, doodgravers en andere “fraaie” creaturen. De aanschaf van dit als een macaber stripverhaal wegluisterend album komt dan ook zo ongeveer overeen met een retourtje tussen Transylvanië en de hel op Walpurgisnacht. Niet echt iets voor watjes dus…

The Coffinshakers

Cobra Records

Bertus

 

 

BEK-JEAN STEWART

“Junior Years”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Het Australische Laughing Outlaw Records heeft ons al regelmatig verrast met uitstekende singer-songwriters uit de eigen regio en dat doet het ook met Bek-Jean Stewart weer. Die noemt zelf de Replacements, Neil Young en Aimee Mann als haar voornaamste referentiepunten. En vooral in het eerste van die drie kunnen ook wij ons wel vinden. Wat Stewart op “Junior Years” doet, sluit inderdaad behoorlijk aan bij het latere werk van de Mats en het vroege solomateriaal van Paul Westerberg in het bijzonder. Het album is een twaalf eenheden tellende collectie eigen liedjes rond de thema’s liefde en haat, twee emoties waar Stewart naar eigen zeggen nogal vertrouwd mee is. Het geheel is dan ook eigenlijk een terugblik op haar adolescentiejaren en haar leven als jongvolwassene. Met haar lichthese stem bekoort Stewart beurtelings in gitaarzwangere en o zo radiovriendelijke rockdeuntjes als “Modern Primitive” en “Driving Night Holy Night”, ballades met een scherp randje à la “Lover Come Over” en van ingehouden spanning levende dingen genre “Sweet Light” en “When I Was”. En het zijn ons inziens vooral de tot die laatste categorie behorende dingen die fans van acts als de al genoemde Replacements, hun kopstuk Paul Westerberg en zelfs Ryan Adams zouden moeten kunnen aanspreken. Wij zijn alvast verkocht!

Laughing Outlaw Records

Bertus

 

 

HACKENSAW BOYS

“Look Out!”

(Nettwerk / Munich)

(4) J J J J

 

 

Nieuwe worp van het Amerikaanse zestal, dat zich misschien nog het best laat omschrijven als de Pogues van het bluegrassgenre. “Look out (…) for the joy of living expressed in the extreme tempo at which most of this album will careen from your speakers,” lezen we op het hoesje en daarmee zijn we meteen gewaarschuwd. Ook ditmaal weer musiceren de Boys met een enthousiasme, een vuur, dat absoluut geen weerstand duldt. De snaren van alle mogelijke akoestische instrumenten binnen handbereik worden andermaal gegeseld dat het een lieve lust is. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar speedgrass-opdondertjes als “Gospel Plow”, “Sweet Petunia” en “Look Out Dog, Slow Down Train” en probeer er meer dan vijf tellen lang stil bij te blijven zitten. Slaag je daarin, dan dringt een spoedig doktersbezoek zich op. Dan scheelt er iets met je… Voor wat tegengewicht zorgen enkele wat “bezadigdere” momenten als het tot meezingen uitnodigende tweetal “Oh, Girl” en “Baltimore” en het licht jazzy “Too Much Time”.

De Hackensaw Boys bevestigen wat ons betreft met deze nieuwe schijf op overtuigende wijze hun reputatie van ultieme feestband. Net op tijd voor de op komst zijnde zomerfestivals! (Bijdehante organisatoren weten bij dezen wat hun te doen staat!)

Hackensaw Boys

Nettwerk

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Anchored In Love”

(A Tribute To June Carter Cash)

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Muzikale eerbetonen zijn de jongste jaren zo ongeveer dagelijkse kost geworden. En da’s niet eens echt verwonderlijk te noemen is, gezien het feit dat ze voor platenlabels eigenlijk een vrij gemakkelijke manier vormen om snel wat centen te rapen. Het concept is simpel, de onderwerpen liggen voor het oprapen en ook artiesten lijken telkens weer graag bereid om eraan mee te werken. Die “tributes” vormen, mits goed uitgevoerd, dan ook een win-winsituatie voor alle betrokkenen. Platenhuizen slaan financieel een eenvoudig slaatje, artiesten vinden een breder publiek en op die manier mogelijk wat nieuwe fans en voor ons als kopers valt er met wat meeval hier of daar ook wel wat nieuws te ontdekken. An sich dus helemaal niks mis mee, met die muzikale “tip of the hats”. Als ze tenminste met de juiste ingesteldheid geconcipieerd worden en dat is lang niet altijd het geval…

Het Amerikaanse label Dualtone heeft wat dat betreft echter een uitstekende reputatie. Eerdere albums gewijd aan Johnny Cash en Waylon Jennings waren al prima voorbeelden van hoe het eigenlijk zou moeten en ook het nagelnieuwe “Anchored In Love: A Tribute To June Carter Cash” voldoet weer ruimschoots aan de door ons gehanteerde kwaliteitsnormen. In een productie van John Carter Cash nemen een zestiental acts twaalf van de bekendste nummers op het repertoire van wijlen de vrouw van The Man In Black onder handen. En dat levert door de band genomen goede tot uitstekende resultaten op. Erg knap zijn vooral de door Rosanne Cash met veel gevoel voor drama gebrachte versie van “Wings Of Angels”, “Far Side Banks Of Jordan”, een unieke samenwerking tussen Patty Loveless en Kris Kristofferson, een ook in de aparte (poppy) uitvoering van Elvis Costello zinderend “Ring Of Fire”, Loretta Lynns doorleefde aanpak in “Wildwood Flower”, “If I Were A Carpenter” en “Road To Kaintuck”, allianties tussen respectievelijk Sheryl Crow en Willie Nelson en Billy Bob Thornton en de hier vooral omwille van hun gesmaakte bijdrage aan de succesprent “O Brother, Where Art Thou?” bekende Peasall Sisters, Billy Joe Shavers kippenvel verwekkende lezing van “Kneeling Drunkard’s Plea”, Ralph Stanley’s bluegrass-kijk op de standard “Will The Circle Be Unbroken” en afsluiter “Song To John”, waarin Emmylou Harris naar goede gewoonte weer de sterren van de hemel naar beneden zingt. Net iets minder, maar zeker ook niet slecht: “Jackson” door gelegenheidsduo Carlene Carter en Ronnie Dunn (van hat act Brooks & Dunn), “Keep On The Sunny Side” door neo-traditionalist Brad Paisley en “Big Yellow Peaches” door Grey DeLisle, die zich daarin andermaal tot een waardige erfgename van Carter-Cash ontpopt. De rekening is in deze door examens geteisterde tijden dan ook snel gemaakt: met “Anchored In Love” zijn de initiatiefnemers met brio geslaagd in hun opzet. June lacht zich ergens daarboven wellicht flink geflatteerd de tanden bloot. En ook wij kunnen een brede glimlach amper onderdrukken…

Dualtone

Bertus

 

 

MISTY RIVER

“Stories”

(Misty River)

(4,5) J J J J J

 

 

Wij zijn momenteel behoorlijk in de ban van het exclusief vrouwelijke Amerikaanse rootsviertal Misty River. Als liefhebbers van lekker strak harmonieerwerk raakt wat Dana Abel (zang, accordeon), Carol Harley (zang, gitaar, banjo), Chris Kokesh (zang, fiddle, gitaar) en Laura Quigley (zang, bas) op “Stories” doen ons telkens weer tot diep in ons binnenste. Je kan hun samenzang misschien nog het best vergelijken met wat Emmylou Harris, Linda Ronstadt en Dolly Parton op hun Trio-platen deden, al dringen ook de namen van Alison Krauss, Claire Lynch, Rhonda Vincent en de Be Good Tanyas zich gelijk op.

Bluegrass en old-time string music vormen ook hier het uitgangspunt, maar kruisbestuivingen met andere genres als Americana, country, folk en pop zijn daarbij toch eerder regel dan uitzondering. En dat levert regelmatig waanzinnig mooie resultaten op. Zoals de Jerry Garcia-Robert Hunter-cover “Black Muddy River” bijvoorbeeld, waarin een melancholische accordeonbijdrage en een behoedzaam beplukte banjo zo ongeveer de perfecte achtergrond blijken voor de stem van Kokesh. Of de eigen compositie “Times Goes By” ook, waarin diezelfde Kokesh ingetogen mijmert over de zich van tijd tot tijd opdringende noodzaak aan loslaten en verdergaan. Dat laatste nummer blijkt overigens wél weer eerder uitzondering dan regel. Harley, Abel en Kokesh komen weliswaar sporadisch met eigen materiaal op de proppen, maar de hoofdmoot hier vormen toch vertolkingen van nummers van anderen. Zo buigt men zich ondermeer ook nog over “Branching Out” van John Gorka, “Old Memories (Mean Nothing To Me)” van Steve Young, “Daylight Again” van Stephen Stills, “Black Hawk” van Daniel Lanois en “A Prayer Like Any Other” van Kevin Welch en een stel traditionals.

Huiveringwekkend mooi gewoon! “Compelling Voices of Acoustic Americana,” lazen we op het hoesje en daar is hoegenaamd geen letter van overdreven!

Misty River

CD Baby

 

 

ELVIS COSTELLO

“Rock And Roll Music”

(Hip-O / Universal)

(3,5) J J J J

 

 

Eerste in een reeks door Costello zelf samengestelde thematische compilaties, die ‘s mans omvangrijke oeuvre nog maar eens vanuit een ander perspectief belichten. Tweeëntwintig tracks lang maakt deze collectie haar naam meer dan waar. “Rock And Roll Music” is een soort van “portrait of the artist as an angry young man”. Wat we hier opgediend krijgen zijn dus vooral songs die de intelligente (punk)rocker in Costello wisten te vinden. Bekende dingen als “(I Don’t Want To Go To) Chelsea”, “Pump It Up”, “(What’s So Funny ‘Bout) Peace, Love & Understanding” en “Girls Talk”, maar evengoed een veelheid aan albumtracks, live ingespeeld spul en obscure en minder obscure B-kantjes. Opvallende trekpleisters voor verzamelaars zijn twee volgens de liner notes niet eerder verschenen nummers: een alternate version van “Honey, Are You Straight Or Are You Blind?” en een demo van “Welcome To The Working Week”. En bovendien is het ook nog eens zo, dat je je door de aanschaf van “Rock And Roll Music” toegang kan verschaffen tot door brillemans online aangeboden exclusief materiaal.

Elvis Costello

 

 

TRAVELING WILBURYS

“The Traveling Wilburys Collection”

(Rhino / Warner)

(5) J J J J J

 

 

Hier zullen velen onder jullie hun geluk wellicht niet mee op kunnen! Deze naar goede gewoonte weer prachtig vormgegeven Rhino-compilatie bevat immers het complete oeuvre van de ooit als bij toeval ontstane roots-supergroep bestaande uit kleppers George Harrison, Jeff Lynne, Roy Orbison, Tom Petty en Bob Dylan.

CD 1 bevat een geluidstechnisch opgewaardeerde versie van hun bijzonder succesvolle eersteling “Volume One”, aangevuld met twee tot op heden niet verkrijgbare tracks, het bijzonder radiovriendelijke meezingertje “Maxine” en het met name door Dylans geneuzel flink wat ingetogener overkomende “Like A Ship”. CD 2 doet het met het na de dood van Orbison in 1990 verschenen “Vol. 3” plus het van de gelijknamige benefietplaat geleende “Nobody’s Child” en de Del Shannon-cover “Runaway”, indertijd het B-kantje van de geweldige single “She’s My Baby”. Een derde schijfje garandeert dan weer het nodige kijkplezier. Die DVD bevat naast de docu “The True History Of The Traveling Wilburys” verder ook nog videoclips bij de nummers “Handle With Care”, “End Of The Line”, “She’s My Baby”, “Inside Out” en “Wilbury Twist”. Een fraai booklet rondt het geheel op gepaste wijze af. Merci, Rhino, denken wij dan op ondertussen geheel en al ontblote knieën…

Traveling Wilburys

Rhino

 

 

DALE WATSON

“The Little Darlin’ Sessions”

(Koch Records)

(4) J J J J

 

 

Toen Dale Watson een aantal jaren geleden zijn handtekening plaatste onder een overeenkomst die hem bond aan het toen nog flink aan de weg timmerende, maar ondertussen tot Koch herdoopte Audium Records, sprak hij de expliciete wens uit om iets te mogen doen met Little Darlin’-materiaal. Net als heel wat liefhebbers van hard country is ook de Texaan immers een enorme fan van het geluid van heel wat indertijd door producer Aubrey Mayhew afgewerkte platen en met name dan die van Johnny Paycheck. Dat men hem in augustus van 2005 koppelde aan Mayhew om een nieuw album in te blikken zal hem dan ook wel enorm deugd veel gedaan hebben. Mayhew stuurde hem een vijfenzeventigtal songs op en vroeg Watson om er ook zelf een aantal aan te dragen. Uiteindelijk zouden er slechts vijftien het hier besproken album halen en daar zit er niet één van Watson tussen. Wél van de partij klassiek spul als “Touch My Heart”, “Jukebox Charlie” en “Apartment #9” en een hele trits andere reeds door Johnny Paycheck ingeblikte liedjes.

In de studio kreeg Watson bijstand van een heus dream team. Zo wist hij zich ondermeer geruggensteund door Lloyd Green op de pedal steel, Hargus “Pig” Robbins op de piano, Hoot Hester op de fiddle, gitaristen Pete Wade en Billy Sanford, bassist Dennis Crouch en drummer Gene Chrisman. Heel wat van de namen dus, die zich ook indertijd al op zo menig een Little Darlin’ classic lieten aantreffen. Dat deze nieuwe van de eigenzinnige Texaan bij zo menig een liefhebber van “the real deal” de gevoelige snaar zal weten te raken, staat voor ons dan ook als een paal boven water. Hier wordt immers meer dan ooit duidelijk wat voor een dijk van een countryzanger hij wel is. Best wel jammer eigenlijk, dat het album zo lang bij Watsons oude werkgever op de plank bleef liggen…

Dale Watson

Koch Records

 

 

CROOKED STILL

“Hop High”

(Signature Sounds / Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Wellicht onder invloed van het goede onthaal dat hun vorig jaar verschenen tweede CD “Shaken By A Low Sound” hier te beurt viel eindelijk goed bevonden voor een Europese release, deze prima eersteling van Crooked Still. Ook op die ondertussen al zo’n drie jaar oude plaat bewezen Aoife O’Donovan (zang, gitaar), Rushad Eggleston (cello, gitaar), Gregory Liszt (banjo) en Corey DiMario (bas) al, dat ze tot de interessantste nieuwe acts van hun generatie behoren. O’Donovan is een ronduit fantastische zangeres en haar metgezellen zijn ondanks hun nog relatief jonge leeftijden stuk voor stuk briljante instrumentalisten. Onder de productionele hoede van Hanneke Cassel en met wat bijstand van Brittany Haas (5 string fiddle), Richie Barshay (percussie), Ruth Ungar en Jake Armerding (beiden zang) sloegen de vier met als uitvalsbasis bluegrass een brug tussen een veelheid aan genres. Zo hoor je ondermeer klassiek, folk, pop, blues en alt. country de revue passeren. Opvallendste momenten zijn daarbij wat ons betreft een even eigenzinnige als ijzersterke, door pulserend cellowerk van Eggleston aangejaagde cover van “Orphan Girl” van Gillian Welch, een al even aparte benadering van “Last Fair Deal Gone Down” van Robert Johnson en de fraaie ballade “Lonesome Road”, waarin de knappe O’Donovan nadrukkelijk andere nachtegaaltjes als een Alison Krauss of een Rhonda Vincent naar de kroon steekt. Ook zéér mooi: het hypernerveuze, van Dirk Powell geleende “Lulu Gal” en het al in talloze andere uitvoeringen bekende “Rank Stranger” van Albert E. Brumley, dat hier ondermeer door zeer fraai harmonieerwerk uitgroeit tot een stukje superieure vernieuwende Americana.

Crooked Still

Signature Sounds

Rounder Europe

 

 

JIMMY LAFAVE

Cimarron Manifesto”

(Red House / Music & Words)

(5) J J J J J

 

 

Ondertussen ook al weer even erg hoge ogen gooiend in zowel de AMA, de Euro Americana als de FAR Chart, deze nieuwe van Jimmy LaFave, en dat zou eigenlijk al meer dan genoeg moeten zeggen! Net als z’n voorganger “Blue Nightfall” is ook “Cimarron Manifesto” weer een plaat die in de collectie van geen enkele zichzelf respecterende rootsmuziekliefhebber zou mogen ontbreken. De uit Austin afkomstige LaFave klinkt daarop immers beter dan ooit. En dat wil in zijn geval al iets zeggen. Met tijdloze prachtplaten als “Highway Trance”, “Buffalo Return To The Plains”, het eerder al genoemde “Blue Nightfall” en andere op z’n actief hoefde LaFave immers al lang niets meer te bewijzen. Met als voornaamste wapen zijn hoogst aparte nasale stem doet hij dat echter net wel. Twaalf nummers lang komt hij hier weer bijzonder soulvol uit de hoek. In het gezelschap van ondermeer John Inmon (gitaar, lap steel), Andrew Hardin (gitaar), Radoslav Lorkovic (Hammond B3, piano), Jeff May (bas), Wally Doggett (drums) en Jeff Plankenhorn (dobro, lap steel) en gastvocalistes Ruthie Foster, Carrie Rodriguez en Kacy Crowley serveert LaFave ons ondermeer knappe covers van “Catch The Wind” van Donovan, “Not Dark Yet” van Bob Dylan en “Walk A Mile In My Shoes” van Joe South. De échte hoogtepunten van het album zijn echter een aantal van zijn eigen liedjes. We denken dan in eerste instantie aan heerlijke Americana-luisterliedjes als het met de mooie Rodriguez gebrachte tweetal “This Land” en “Hideaway Girl”, het verstilde “Lucky Man” of het met de onvolprezen Kacey Crowley gedeelde “Car Outside”. Veel mooier worden ze niet meer gemaakt…

Quasi terloops eert LaFave persoonlijke helden als Woody Guthrie en J.J. Cale en laat hij zich kritisch uit over de toestand van zijn thuisland. Andere door de man verkende thema’s zijn ondermeer de onontkoombare lokroep van een zwerversbestaan, het steeds meer universele oorlog en verlies.

Een echt juweeltje!

Jimmy LaFave

Red House Records

Music & Words

 

 

VAN DEN HEUVEL

“Meanwhile At The Moon Parlor”

(LC Music)

(4) J J J J

 

 

”Meanwhile At The Moon Parlor” is een verrassend sterke Belgische rootsplaat vanuit eerder onverwachte hoek. Piet Van den Heuvel kennen we immers vooral als de drijvende kracht achter de groep Scooter, die eind jaren zeventig begin jaren tachtig enkele knoeperds van hits scoorde met aanstekelijke popsongs als “You” en “Minute By Minute”. Of ook van zijn latere werk met het al even fris van de lever spelende Catalog Of Cool. Dat de beste man ook een plaat als deze in de vingers had, hadden wellicht echter maar weinigen vermoed. Gelijk van bij het swampy openingsnummer van het album, het muzikaal gezien een weinig aan knapen als Robbie Robertson, J.J. Cale en Tony Joe White herinnerende en met knap mondharmonicawerk van Steven De Bruin opgeluisterde “Better Wake Up Soon”, grijpt Van den Heuvel je stevig bij je nekvel om je pas goed vijfenveertig minuten later weer los te laten. Dingen als het door producer Tom Van Stiphout van een streepje mandoline voorziene “Paper Moon (June Bound)”, het funky rockende en stompende “Five Little Monkeys”, de sfeervolle, zijn titel alle eer aandoende instumentale “Swamp Talk” en het daarop volgende “Ju-Ju Time”, het zich loom voorbij slepende “Last Day Of Summer” en de wel bijzonder radiovriendelijke Americana van “Half Past Time” zijn stuk voor stuk steengoede nummers, die met sprekend gemak elke vergelijking met eender welke buitenlandse act kunnen doorstaan. En dan hadden we het nog niet over het door Van den Heuvel samen met snarenvirtuoos Van Stiphout gepende “Crossing The Attic”, de geslaagde Dylan-cover “Buckets Of Rain”, de sfeervolle trage “Comes True Love”, het een weinig aan het werk van Daniel Lanois refererende “Shoveling Dreams” en het bluesy “A Mile Wide, An Inch Deep”… Je kan eigenlijk alleen maar hopen, dat het Van den Heuvel van de zomer massa’s optredens mag opleveren. Als hij dit ook op een podium kan brengen, zal zijn platenverkoop daardoor wellicht flink worden aangezwengeld. En geloof ons vrij, dat verdient hij echt wel ten volle!

LC Music

 

 

PORTER WAGONER

“Wagonmaster”

(ANTI-/PIAS)

(4) J J J J

 

 

 

We moeten heel eerlijk toegeven, dat we een plaat van dit kaliber van Porter Wagoner absoluut niet meer verwacht had. Meer zelfs nog, we hadden van de ontdekker van Dolly Parton eigenlijk helemaal geen nieuw plaatwerk meer verwacht. Niet zo heel erg lang geleden stond het country-icoon immers nog oog in oog met Magere Hein. Hartproblemen zorgden er toen bijna voor, dat Wagoner een one way ticket richting Eeuwige Jachtvelden in handen geduwd kreeg.

Maar zie daar, aan de vooravond van zijn tachtigste verjaardag ligt nu plots toch nog een nieuwe schijf van de beste man voor ons. En wat voor één! In het kielzog van Johnny Cash en diens in de nadagen van zijn leven samen met Rick Rubin afgeleverde meesterwerken is Wagoner na Merle Haggard (Remember het fenomenale “If I Could Only Fly”!) en Ramblin’ Jack Elliott al de derde legendarische countryartiest om via het stilaan een flinke reputatie genietende ANTI-label van Andy Kaulkin naar het einde van zijn loopbaan toe onverwachterwijze nog met een écht grote plaat uit te pakken. Want dat ís “Wagonmaster”, een écht grote plaat. In het gezelschap van de voor de productie tekenende Marty Stuart en zijn onvolprezen begeleiders van de Fabulous Superlatives (Kenny Vaughan, Brian Glenn, Harry Stinson) en andere gasten als Stuart Duncan (fiddle), Buck Trent (banjo) en Fred Newell (pedal steel) tekent Wagoner hier voor een zeventien tracks durende trip richting de hemelse hoogdagen van het countrygenre. Traditionalisme viert daarbij hoogtij, zonder evenwel ook maar één enkel ogenblik gedateerd te klinken.

Hét absolute klapstuk van “Wagonmaster” is “Committed To Parkview”, het nummer dat eigenlijk aan de basis lag van de samenwerking tussen Wagoner en Stuart. Toen die laatste zijn idool vorig jaar benaderde met dat door wijlen zijn baas Johnny Cash speciaal voor hem geschreven nummer over het gerenommeerde sanatorium (lees: afkickkliniek) in Nashville, waar Wagoner (Net als Cash zelf!) enige tijd verbleef, was één en ander snel beklonken. De oude grootmeester klinkt hier voorwaar even weer als de evenknie van The Man In Black zelve.

Andere absoluut beklijvende momenten zijn het op z’n Buck Owens honky-tonkende “Fool Like Me”, het beklemmende, volop aan zijn vroege meesterwerken herinnerende “Late Love Of Mine”, het door Stuart gitaargewijs van een flinke injectie twang bediende “Be A Little Quieter”, de klassieke sleper “Who Knows Right From Wrong” en het kippenvelverwekkende verhaal van “Albert Erving”, een man die Wagoner tijdens zijn kinderdagen kende. Die grijsaard leefde compleet geïsoleerd en totaal zonder liefde. Dat zette er hem uiteindelijk toe aan om uit hout een imaginaire partner te creëren. “Zijn Kathleen” was gewoon de verpersoonlijking van de vrouw waar hij al die jaren stilletjes van gedroomd had, maar die er uiteindelijk nooit zou komen. Briljant spul en net als het eerder beschreven “Committed To Parkview” eigenlijk an sich al de prijs van een hele CD waard!

Porter Wagoner

ANTI-

 

 

CANDYE KANE

“Guitar’d And Feathered”

(Ruf / Munich)

(4) J J J J

 

 

“Guitar’d and Feathered”, het is de bijzonder spitsvondige titel van de fantastische nieuwe van Candye Kane. Pek en snaren, zeg maar, al verlies je met die – Al zeggen we ’t zelf! – ook wel leuke adaptatie naar de taal onzer voorvaderen wél een stuk van de oorspronkelijke woordspeling. De veren uit de titel zullen immers wel terugslaan op de bonte boa die op de cover van het album sensueel rond het voluptueuze lijf van La Kane slingert en op die manier perfect haar manier van zingen symboliseert. Verleidelijker dan ooit geeft wulpse Candye ‘m hier uit volle borst van jetje. En geloof ons vrij, dat wil in haar geval iets zeggen!

Het gitarengedeelte uit de titel slaat dan weer op door de zangeres en haar co-producer geheiligde aanpak hier. Al naargelang de mood van het gebrachte nummer nodigde Kane telkens weer andere gitaristen uit om haar te ondersteunen. En niet direct van de minsten ook! In het als een tiet swingende “My Country Man” geeft zo bijvoorbeeld Junior Watson de snaren er flink van langs, in het rootsy backporch-bluesje “Back With My Old Friends” bekoren Dave Alvin en Bob Margolin op respectievelijk National Steel en slide, in het stomende”When I Put The Blues On You” excelleren opnieuw Margolin en de flamboyante Sue Foley, in de old-time jazz-sleper “I’m Not Gonna Cry Today” doet Jeff Ross het op de Del Arte-gitaar, in het van Guitar Slim geleende “I Done Got Over It” steelt opnieuw Sue Foley de show, in het dankzij de versie van Lou Rawls ondertussen alom bekende “Fine Brown Frame” draagt Kid Ramos z’n steentje bij op de akoestische, in het groovy “I’m Lucky” mag Ana Popovic even van de ketting, in het heerlijk rockende “Crazy Little Thing” is het de beurt aan Popa Chubby en de gospel “Jesus And Mohammed” blijkt gesneden koek voor de vaardige vingers van grootmeester Bob Brozman. Een bepaald indrukwekkende gastenlijst als u het ons vraagt! En het feit dat Kane niet verzuipt in een poel met zoveel talent, zegt andermaal iets over haar kwaliteiten als zangeres. Ze toont zich hier als een bijzonder veelzijdige vertolkster. Ze schuwt het risico hoegenaamd niet en lijkt met zo ongeveer elk facet van het bluesgenre minstens even kortstondig te willen flirten. En dat doet ze met zoveel verve, dat “Guitar’d and Feathered” wat ons betreft zonder blikken of blozen mag worden aangeprezen als een absolute aanrader.

Candye Kane

Ruf Records

 

 

STEPHEN SIMMONS

“Last Call”

(Rounder Europe / Munich)

(4,5) J J J J J

 

 

In het zog van z’n goed onthaalde laatste “Drink Ring Jesus” eindelijk aan haar Europese release toe, deze al in 2004 verschenen regelrechte moordplaat van de veelbelovende jonge Amerikaanse singer-songwriter Stephen Simmons! En in zo’n geval vallen we graag nog eens even in herhaling. Dit is wat we indertijd al schreven: “Aardig wat erg knappe nieuwe platen gehoord de jongste weken, maar deze steekt er toch echt wel met kop en schouders bovenuit. Dit in Nashville met producer-muzikant Eric Fritsch – zie bijvoorbeeld ook Scott Miller – en verder ook collega’s als Paul Griffith (drums , percussie), Dave Jacques (bas), David Henry (cello), Paul Niehaus (pedal steel), Kenny Vaughn (elektrische gitaar), Casey Driesen en Ward Stout (fiddles) opgenomen tweede album van de in het stadje Woodbury in Tennessee opgegroeide singer-songwriter Stephen Simmons is wat onze Duitse medemensen “ein echter Leckerbissen” zouden noemen. Een bijzonder smakelijk muzikaal hapje dus, boordevol materiaal dat zowel door Simmons hees-gruizige voordracht als door zijn oog voor het detail bij het beschrijven van de eerder donkere kant van het leven op de buiten beurtelings verwijst naar collega’s als Steve Earle, Robert Earl Keen, Chris Knight en Slaid Cleaves. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar het tragisch aflopende verhaal van door uit verveling keet schoppende jongeren uit de buurt moe getergde “old man Johnson”, die in “Loserville” het recht in eigen handen probeert te nemen, en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. ’t Is dat de man er niet woont natuurlijk, anders zouden we deze Simmons hier en nu al een grote toekomst als Texaanse troubadour voorspellen. Heerlijke plaat gewoon!”

Stephen Simmons

Rounder Europe

 

 

LYNNE HANSON

“Things I Miss”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Wederom een excellente nieuwe Canadese zingende liedjesschrijfster! De uit Ottawa afkomstige Lynne Hanson ontpopt zich op haar debuutplaat “Things I Miss” tot iemand die wel eens in de smaak zou kunnen vallen bij liefhebbers van veel bekendere collega’s als een Mary Chapin Carpenter, een Gillian Welch, een Lucinda Williams, een Mary Gauthier, een Caroline Herring of een Lynn Miles. Die laatste is trouwens ook te horen op de eersteling van Hanson. Ze neemt in de nummers “I Won’t Ask Why”, “Fell Down A Wishing Well”, “Quarter To Five” en “Things I Miss” wat backing vocals voor haar rekening.

Hanson presenteert op “Things I Miss” een interessante mix van elementen uit Americana, country, folk, blues en jazz. Dat doet ze in twaalf voornamelijk eigen liedjes. Een aantal daarvan schreef ze samen met Brent Duquette en/of gitarist van dienst Paul Boudreau. Diens “River By My Side” en de traditional “Wayfaring Stranger” zijn trouwens de enige vreemde eenden in Hansons bijt. Van dat laatste liedje brengt ze een erg mooie, door de lap steel van Fred Guignon mee naar eenzame hoogten getilde versie.

Andere opvallende momenten? Zoals dat in het verleden ook op de platen van hoger genoemde dames meermaals het geval bleek, is het ook hier erg moeilijk om echte highlights aan te wijzen. “Things I Miss” moet het immers vooral hebben van zijn constant hoge kwaliteit. Of het nu gaat om eerder Americana-getinte deuntjes als “I Won’t Ask Why”, “Fell Down A Wishing Well” of het verstilde “Porch Light”, dan wel om een bluesy kleinood als “River By My Side” of de doorleefde country van “Pushed To Black”, met haar bezielde voordracht en haar knappe teksten weet Hanson doorlopend te overtuigen. Maar als we toch al één nummer zouden moeten aanwijzen, dat er een beetje boven uitsteekt, dan is het wel het werkelijk hartverscheurend mooie “Different Story”. Daarin zijn we tegen een achtergrond van akoestische gitaar en dobro getuige van het definitieve einde van een relatie. We zitten op de eerste rij als een gebroken man in een bar op verzoek zijn handtekening plaatst onder de hem door zijn dan bijna-ex voorgelegde echtscheidingspapieren. Zondermeer één van de mooiste liedjes die wij dit jaar al te horen kregen!

Hoogst genietbare plaat!

Lynne Hanson

CD Baby

 

 

CLIFF WAGNER & THE OLD #7

“My Native Land

(Wagco Records)

(4) J J J J

 

 

Een plaat die hier de voorbije dagen om eerder voor de hand liggende redenen de CD-wisselaar amper nog verlaten heeft is “My Native Land”, de nieuwe van Cliff Wagner & The Old #7. Wagner en de zijnen gebruiken daarop elementen uit bluegrass, honky-tonk en blues om tot een volstrekt onweerstaanbaar eigen geluid te komen. Het ruikt allemaal nog wel flink naar traditionele bluegrass, maar als geoefend luisteraar kan je niet anders dan vaststellen, dat hier veel meer aan de hand is. Niet enkel via zijn teksten, maar ook door enkele instrumentale kunstgreepjes vertaalt Cliff Wagner immers de “high lonesome sound” naar het hier en nu. In het met een flinke dosis folk gekruide “The Ghetto By The Sea” duikt zo bijvoorbeeld een heus conjuntobandje op en ook het gebruik van drums in liedjes als de voorzichtig cajuneske porch song “On To Louisian”, het swingende, door Wagners eigen banjo aangevuurde “Old Fire” en het aanstekelijk voorbijstuiterende meezingertje “We’ll Get By” zal wellicht zo menig een purist de wenkbrauwen doen fronsen. Maar al wie deze plaat met een ook maar enigszins open geest benadert, houdt er een flinke kluif aan over. Wagner (zang, banjo, fiddle), Devitt Feely (mandoline, harmony vocals), Craig Ferguson (gitaar, harmony vocals) en Andrew Paddock (bas) en gasten als Bill Bryson van Bluegrass Etc. (zang), Eric Uglem van Lost Highway (zang, gitaar), Mike Witcher van The Witcher Brothers (dobro) en Megan Lynch van Three Fox Drive (fiddle) musiceren hier immers met zoveel plezier en vuur, dat je ook als luisteraar vrij snel gegrepen wordt. Wij durven deze plaat van hieruit dan ook zonder schroom zowel aan liefhebbers van eerder traditionele bluegrass als aan fans van jonge honden als die van Chatham County Line of Old Crow Medicine Show aan te bevelen. Onze luistertip: het bedaarde, door Chris Stuart naar eigen zeggen speciaal voor Wagner en co geschreven “Old #7 & Me”.

Cliff Wagner & The Old #7

CD Baby

 

 

CHARLOTTE KENDRICK

“North Of New York

(Wondermore Records)

(3,5) J J J J

 

 

Haar stem deed ons vrijwel meteen een beetje denken aan die van dames als een Nanci Griffith en een Lucy Kaplansky en ook muzikaal gezien situeert deze Charlotte Kendrick zich eigenlijk wel in dezelfde buurt. Termen als Americana en folk rock voldoen eigenlijk beide om haar muziek te vatten. Met een aangenaam zachte stem, die zo goed als ogenblikkelijk uitnodigt tot wat aandachtiger luisteren, brengt ze liedjes over de liefde, hoop en thuis. En die blijken doorgaans van werkelijk uitstekende makelij. Ons verwondert het alvast geenszins meer, dat Kendrick het tot in de finale van de New Folk Songwriting Competition op het prestigieuze Kerrville Festival schopte en een eervolle vermelding kreeg in de 2007 Telluride Troubadour Contest. Iets als “Thank You”, een dankjewel voor zoveel kleine dingen aan het adres van haar partner, is een liedje waar je je als luisteraar meteen kan in vinden. En dat geldt eigenlijk voor het gros van de songs hier. Luister bijvoorbeeld ook maar eens naar het van een likje bluegrass voorziene tweetal “Too Nice” en “Off The Tracks” of het fraaie verhaaltje “Caroline” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen.

Mooie plaat zondermeer!

Charlotte Kendrick

CD Baby

 

 

GRETCHEN PETERS

“Burnt Toast & Offerings”

(Curb Records)

(4) J J J J

 

 

Goed twintig jaar lang al doet Gretchen Peters van zich spreken als één van de beste liedjesschrijfsters die Nashville rijk is. In die periode schreef ze hits voor ondermeer George Strait, Martina McBride, Trisha Yearwood (Het heerlijke “On A Bus To St. Cloud”!), Faith Hill, Pam Tillis, Tanya Tucker en vele, vele anderen. Een beetje in de schaduw van dat bestaan maakt ze met een zekere regelmaat echter ook zelf platen. En daarop zoekt ze vooral bevestiging als singer-songwriter. Hits hoeven voor haar niet echt. Met wat ze verdient met het aanleveren van materiaal voor anderen kan ze zich die bewuste keuze voor artistieke vrijheid gemakkelijk veroorloven.

“Burnt Toast & Offerings” is zo al haar vijfde CD. En die gebruikt ze vooral om in het reine te komen met haar recente verleden. De voorbije drie jaar van haar leven stonden immers voornamelijk in het teken van het verwerken van de scheiding van haar voormalige echtgenoot. Dat heel wat van de songs op haar nieuwe plaat het reilen en zeilen in en rond relaties als thema hebben, is dan ook niet meer dan een normale zaak, zo lijkt het. Peters speelt daarbij echter vrijwel voortdurend met het dubbele gevoel dat ze aan haar echtscheiding overhield. Enerzijds is er het vanzelfsprekende verdriet om wat voorbij is, anderzijds echter ook al de hoop dat er achter de horizon nieuw geluk wacht. En precies dat laatste gevoel maakt van “Burnt Toast & Offerings” een erg warme plaat met tal van hoogtepunten. En daartoe mag je wat ons betreft zeker al de eerste single van het album, “Sunday Morning (Up And Down My Street)”, rekenen. Die ingehouden betokkelde akoestische gitaar, die voorzichtig aan de jonge Rickie Lee Jones verwante stem, die droommelodie… Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn! En het zou ons dan ook ten zeerste verbazen mocht er niet binnen de kortste keren één of ander hitkanon aan Peters’ bel hangen met het verzoek om zich van het nummer te mogen bedienen. De toekomst zal het leren… Andere hoogtepunten? Het ingetogen kwartet “This Town”, “Summer People”, “The Lady Of The House” en “Jezebel”, dat nog maar eens bevestigt, dat Peters meer singer-songwriter dan country is, het voorzichtig swingende “Thirsty” en het voornamelijk aan zijn ondertoon zijn titel ontlenende “England Blues”. Slechts één enkele keer bedient Peters zich van werk van anderen. Het betreft daarbij een wonderschone, door Barry Walsh van achter zijn piano ondersteunde en door Peters zelf vakkundig gecroonde versie van “One For My Baby” van Johnny Mercer en Harold Arlen.

Gretchen Peters

Curb Records

 

 

POINT BLANK

“Reloaded”

(Dixiefrog / Bertus)

(3) J J J

 

 

De term Southern rock zal door velen wellicht voor eeuwig en altijd vooral in verband worden gebracht met legendarische groepen als Lynyrd Skynyrd, The Allman Brothers Band en The Outlaws. En voor heel wat andere uitstekende acts is er daardoor eigenlijk amper meer dan een plaatsje in de schaduw weggelegd. Eén zo’n groep is het Texaanse Point Blank. Dat al van in de seventies actieve gezelschap rond zanger John O’Daniel en snarengeweldenaar Rusty Burns groeide uit tot een typische cultgroep. O’Daniel en kompanen worden al sinds jaar en dag op handen gedragen door een handjevol devote fans en connoisseurs, maar slaagden er vooralsnog niet in om op grotere schaal echt door te breken. En dat is iets waar wellicht ook met dit op 17 september 2005 in het Ridglea Theater in Fort Worth, Texas opgenomen live-reüniealbum geen verandering in zal komen, maar men bewijst er voor een stuk alvast het ongelijk van de “non-believers” mee. Op het programma stonden toen vooral nummers van hun bekendste CD’s “Point Blank” en “Second Season”. Songs als “Back In The Alley”, “Nasty Notions”, “Bad Bees”, de soulvolle trage “Stars & Scars” en vele andere laten een goed geoliede machine aan het werk horen, die het vooral moet hebben van de intense zang van haar frontman en het vlammende gitaarwerk van Burns en de ook van zijn werk voor John Mayall bekende Buddy Whittington. Noem het maar een open invitatie om de luchtgitaar boven te halen en een flink potje te gaan staan headbangen.

Dixiefrog

 

 

STEVEN MARK

“Racing Grey”

(Basset Records)

(4) J J J J

 

 

Net als z’n voorganger “Aloneaphobe” uit 2005 is “Racing Grey” van Steven Mark een plaat die liefhebbers van intelligente popliedjes keer op keer opnieuw bijzonder goedgeluimd zal achterlaten. Net als die schijf barst immers ook Marks nieuwe bijna uit haar voegen van de quasi perfecte popdeuntjes, die niet enkel kunnen bogen op ijzersterke teksten, maar ook melodiegewijs behoorlijk onweerstaanbaar blijken. Thematisch werkt hij daarbij ditmaal rond het gegeven sterfelijkheid. En dat levert meer dan één beklijvend moment op. We denken bijvoorbeeld aan het door de dood van zijn hond Luther geïnspireerde tweetal “Our Sun Must Set” en “Angel’s World” en aan het aan zijn vader opgedragen loflied “Father Journeys On” (Denk Paul McCartney meets Michael Penn!). Of aan het heerlijk wegrockende “Paris Hilton Generation” ook, dat in een wat rechtvaardigere wereld een hele zomer lang vrolijk-bitsig uit je radio zou blijven knallen. En dat geldt zeker ook voor de enige cover hier. De Sandy Shaw-hit “There’s Always Something There To Remind Me” klinkt in Marks compleet onthaaste versie eigenlijk gewoon beter dan ooit. Die lijzige zang, die strijkers, die zacht rinkelende gitaren, heerlijk gewoon!

Steven Mark

MySpace