ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2008

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

MARK HUFF “Gravity” - KATHLEEN HASKARD “Don’t Tell” - OLD 97’S “Blame It On Gravity” - SOUTHERN TENANT FOLK UNION “Revivals, Rituals & Union Songs” - JOHN HIATT “Same Old Man” - THE SEATSNIFFERS “Turbulence” - ROBYN LUDWICK “Too Much Desire” - TIM O’BRIEN “Chameleon” - HOUSTON MARCHMAN “Naked – The Best Of”

 

MARK HUFF “Gravity” (Exodus)

(3,5****)

Met CD’s als het in ’98 verschenen “Skeleton Faith” en het van drie jaar later daterende “Clean” onder de arm beschikte Mark Huff over het geknipte materiaal om het in zijn thuishaven Las Vegas in no time tot een graag geziene gast op rootsrockvriendelijke podia te schoppen. Vooral door zijn werk als voorprogramma voor veel bekendere collega’s als Bob Dylan, Willie Nelson, Chris Isaak, Matthew Sweet, Peter Case, Chris Whitley, de Smithereens, de Fabulous Thunderbirds en anderen wist hij een behoorlijk ruime schare van steeds nieuwe getrouwen aan zich te binden. In die mate zelfs, dat hij er zelf op den duur rotsvast van overtuigd geraakte in Vegas zo ongeveer wel het onderste uit de kan te hebben gehaald en in 2003 verkaste naar Nashville. Daar werd hij al snel beste maatjes met Allison Moorer. En zoals dat wel vaker gebeurt in zo’n geval kwam van het een het ander. Mevrouw Earle nodigde hem uit om als haar voorprogramma te fungeren tijdens drie van haar tournees doorheen de States. En dat leidde er dan op zijn beurt dan weer toe, dat haar gitarist Adam Landry aanbood om Huffs eerstvolgende plaat te produceren. Dat album, “Gravity”, is inmiddels een feit. En Landry deed heel wat meer dan de boel in goede banen leiden alleen. Met Bucky Baxter (gitaar), Dan Baird (bas en gitaar) en Brad Pemberton (drums) wist hij enkele van Nashville’s hotste muzikanten te strikken om samen met hem aan Huffs nieuwste te werken. En dan zouden we bijna nog vergeten te vermelden, dat ook Allison Moorer bereid werd gevonden om haar duit in het zakje te komen doen. Zij zingt immers een mondje mee in het oersympathieke countryrockertje “Wrong Or Right”, één van de beste momenten van “Gravity”. Voor het overige is die plaat gevuld met een weinig aan Ryan Adams herinnerend rootsrock en –popmateriaal, dat het voornamelijk moet hebben van Huffs (Lekkere!) gruizige stem en het pittige gitaarwerk erop. Al is zijn “whisky- en sigarettenpop”, hoe melodieus dan ook, al bij al toch net iets minder toegankelijk als de meerderheid van Adams’ werk. Maar dat vinden wij hoegenaamd geen bezwaar.

Mark Huff

Shut Eye Records

 

KATHLEEN HASKARD “Don’t Tell” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Negen lange jaren deed de haar tijd tussen een Londens appartementje en een tipi in de bergen rond Santa Monica verdelende Amerikaanse Kathleen Haskard erover om met een opvolger voor haar nochtans fel bejubelde debuutplaat “In Too Deep” uit te pakken. In de tijd die sedertdien verstreek werkte ze ondermeer samen met Lowen & Navarro, Stacey Earle en recent nog Neil Young. Lees er de liner notes van diens “Living With War” nog maar eens rustig op na…

Maar nu is er dus “Don’t Tell”. En dat is een echte groeiplaat geworden. Met elke nieuwe beurt leer je ze beter lezen. Voor de productie ervan tekenden Chuck Prophet en de ondermeer van zijn werk voor Devendra Banhart en Badly Drawn Boy bekende Simon Alpin. Zij “sturen” Haskard op een plaat die binnen het rootsrockgenre steevast net iets meer op het scherpe randje focust. En dat is gezien de thematiek ervan ook absoluut niet abnormaal. De activiste in Haskard moest ditmaal immers wijken voor een haar pijlen op de donkere kantjes van de liefde richtende chanteuse. Dat levert bij momenten gitzwart, een weinig in het vaarwater van good old Patti Smith belandend materiaal op, waarin Haskard zich zowel wat betreft haar krachtige diepe zangpartijen, als wat betreft haar clevere songteksten in bijzonder aangename zin doet opmerken. En met het lijzige “Traffic Starts To Hum” houdt ze als je ’t ons vraagt zelfs een potentiële radiohit in handen.

Kathleen Haskard

Sonic Rendezvous

 

OLD 97’S “Blame It On Gravity” (New West / Sonic Rendezvous)

(4****)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: het door Salim Nourallah geproduceerde “Blame It On Gravity” is de beste Old 97’s-plaat in jaren. En misschien zelfs wel hun allerbeste ooit! Een plaat, waarop adrenaline regeert en alt. country, rootsrock, power pop en britrock bij tijd en wijle iets heel moois met elkaar hebben. Van het zomers voorbij stuiterende en tegelijk aan The Clash en The Replacements in betere tijden herinnerende “The Fool” tot het geslaagde huwelijk tussen Latin, surf en rootsrock luisterend naar de titel “Dance With Me”, van de het album aan z’n titel helpende trage “No Baby I” tot het niet enkel gitaargewijs zwaar naar de late sixties in de UK lonkende “My Two Feet”, van het zomers zwoele “She Loves The Sunset” tot het ogenschijnlijk zó uit het grote songbook van Kinks-maestro Ray Davies weggeglipte “I Will Remain”, van het onder stevige gitaren kreunende deluxe-rockertje “Early Morning” tot het een zekere wijsheid op jaren etalerende “The Easy Way (Gets Harder All The Time)” of het afsluitende, jachtig hun jaren als youngsters in het “geschäft” schetsende “The One”, de pareltjes liggen hier voortdurend gewoon voor het oprapen. En goeie zwijnen als wij zijn laten wij ons dan maar wat graag gaan… En we verwachten van jou eigenlijk gewoon hetzelfde!

Old 97’s

New West Records

Sonic Rendezvous

 

SOUTHERN TENANT FOLK UNION “Revivals, Rituals & Union Songs” (Ugly Nephew Records / Bertus)

(4****)

“Revivals, Rituals & Union Songs” is de tweede van het onder aanvoering van banjovirtuoos Pat McGarvey vanuit Londen actieve zestal Southern Tenant Folk Union. Die in Belfast geboren en in Londen grootgebrachte snarentovenaar en de zijnen doen met hun nieuwe precies dát, waar de meeste anderen alleen maar kunnen van dromen. “Revivals, Rituals & Union Songs” bevestigt immers niet enkel al het goede van hun debuut, maar overtreft dat gewoon ruimschoots. Hier wordt zó creatief met het gegeven bluegrass omgesprongen, dat die benaming als dusdanig eigenlijk niet langer écht representatief meer is. McGarvey en co leggen zichzelf amper (nog) stilistische beperkingen op. Ergens tussen folk op z’n Brits, Americana en Oost-Europese zigeunermuziek ontstaat zo het op een bepaald aparte manier aanstekelijke “Cocaine” (De eerste single!), in “Back To Front” botst Keltische soul op bluegrass en in “Can You Light A Flame” klopt met name samenzanggewijs een enorm groot countryhart. Die eclectische aanpak opgeteld met het werkelijk onberispelijke vakmanschap van alle betrokkenen resulteert in een plaat, die het wat ons betreft absoluut verdient om gehoord te worden. En of je nu houdt van Americana, country, bluegrass, dan wel folk, lijkt ons daarbij zelfs niet relevant. Dit is immers gewoon superieure rootsmuziek.

Southern Tenant Folk Union

Bertus

 

JOHN HIATT “Same Old Man” (New West Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Net zoals goede wijn lijkt ook singer-songwriter/rootsrocker John Hiatt alleen maar beter te worden met de jaren. Met “Same Old Man”, zijn eerste nieuwe plaat sinds het in 2005 verschenen en door heel wat critici prompt tot bescheiden meesterwerkje gebombardeerde “Master Of Disaster”, tapt hij wat ons betreft alvast andermaal uit het juiste vaatje. En over meesterwerkjes gesproken, dit is er pas écht één! “Same Old Man” moet zowat Hiatts beste plaat zijn sinds zijn doorbraakalbum “Bring The Family” uit ’87. De beste man tekende voor de gelegenheid zelf voor de productie en wist zich net als ten tijde van ondertussen tot heuse Americana-evergreens uitgegroeide juweeltjes als “Have A Little Faith In Me”, “Thing Called Love” en “Lipstick Sunset” te omringen met een stel formidabele begeleiders. De meest in het oog springende is andermaal North Mississippi Allstar Luther Dickinson. Die zorgt er met bijzonder genuanceerde bijdragen op de akoestische en elektrische, de mandoline en vooral ook de National Resonator voor, dat Hiatts bij momenten ook zó weer erg aangrijpende zangpartijen alleen nog maar beter tot hun recht komen. Minder opvallend, maar daarom zeker niet minder efficiënt is de inbreng van bassist Patrick O’Hearn en drummer Kenneth Blevins. Hiatt zelf vult aan met wat plukwerk op gitaren en 6-snarige bas en een occasionele harmoniumtoets. En niet te vergeten, hij troonde ook zijn dochter Lilly even mee de studio in voor wat ronduit zalig harmonieerwerk in de sleper “Love You Again” en het sfeergewijs bij momenten een weinig aan Rodney Crowells “Shame On The Moon” herinnerende “What Love Can Do”. Die twee liedjes laten overigens al een beetje doorschemeren, waar Hiatt ditmaal wat betreft de thematiek van het gebrachte de mosterd ging zoeken. Heel wat van de songs op “Same Old Man” dansen immers dartel als de jonge Ali rond op het canvas van een de tand des tijds tartende liefde. De ondertoon is er daarbij eentje van eeuwige hoop. Zo zingt hij in het titelnummer, nu al een echte klassieker in wording, ergens tussen berusting en twijfel, “I’m still the same old man that you married way back when, a few less brain cells, a lot less hair, honey tell me do you still care?” Koude rillingen over je ruggengraat gegarandeerd!

Andere hoogtepunten op dit schijfje vol daarmee: “Old Days”, een knappe rootsy toetapper, waarin Hiatt met de tong diep in de wang geplant terugblikt op zijn eigen jonge artiestenjaren, daarbij terloops op hilarische wijze ontmoetingen met bluesgroten als een John Lee Hooker en een Clarence Gatemouth Brown verwoordend, het afsluitende “Let’s Give This Love A Try”, een heerlijke ballade van het type waarmee ook JW Roy ons in het verleden wel eens wist te vloeren, en het al even prachtige, ongemeen bezadigd aandoende “Hurt My Baby”.

Sublieme plaat gewoon!

John Hiatt

New West Records

Sonic Rendezvous

 

THE SEATSNIFFERS “Turbulence” (Sonic Rendezvous)

(4****)

De sector amusement van ons land heeft recentelijk weer een paar serieuze knauwen te verduren gekregen. Op het Eurovisiesongfestival werd zo bijvoorbeeld door de (Volledig onterechte!) afgang van Ishtar nog maar eens duidelijk, dat onze rol in die wedstrijd voortaan wellicht beperkt zal blijven tot een voetnoot. Daarnaast verloren we op korte tijd onze twee voornaamste tenniscoryfeeën en zagen we onze nationale voetbaltrots (?) veel meer dan ons lief was met de billen volledig bloot gaan (Geen zicht overigens!).

Gelukkig tellen we wél nog mee op rootsrockvlak! En veel meer dan dat zelfs nog, want met The Seatsniffers hebben we één van dé absolute topacts van Europa in huis. Iets wat Walter Broes en de zijnen op “Turbulence”, hun nieuwe, aan Lange Luc, James Brown, Lee Hazlewood, Link Wray en Ike Turner opgedragen CD andermaal maar wát graag onderlijnen. Met acht eigen songs en covers van Alex Chiltons “Bangkok”, Lee Hazlewoods “Dark In My Heart” en King Karls “Baby Come To Papa” geven ze aan het begrip opwinding weer een geheel eigen invulling. Dit is muziek die snakt naar zwetende lijven! Naar een totaal door het dak gaande, volledig opgenaaide meute! Rock & roll, rockabilly, R&B, blues, country en soul to the max! Eén langgerekt orgasme, dat het allerbeste laat vermoeden voor de nakende zomerfestivals! Van het mede door de immer prominent aanwezige sax van Roel Jacobs botergeile “Baby Come To Papa” tot de nerveus stomende meezinger “(You Need A) Checkup From The Neck Up”, van het samenzweerderige “Git’r Done” tot het aan het allerbeste van de Blasters herinnerende “She’s Mine”, van de pompende Chilton-cover “Bangkok” tot het bluesy schokschouderende “I’d Wait All Over”, van de rockabilly-hybride “Woman Is Her Name” tot het afsluitende “Thing” (En we vergeten er nog enkele!), niet één uit de toon vallende bijdrage te bekennen op “Turbulence”! Horen is ons inziens dan ook zo goed als gegarandeerd kopen!

The Seatsniffers

Sonic Rendezvous

 

ROBYN LUDWICK “Too Much Desire” (Freedom / Sonic Rendezvous)

(4****)

We hadden al zo’n vermoeden naar aanleiding van haar drie jaar geleden verschenen debuutplaat “For So Long”, maar nu mogen we het wel met zekerheid stellen: Robyn Ludwick is één van dé meest belovende nieuwkomers binnen de Texaanse singer-songwriter scene in jaren. Net als haar broers Bruce en Charlie Robison schudt ook zij immers schijnbaar achteloos de ene na de andere prachtdeun uit de mouw. En daarin steekt ze stilistisch gezien regelmatig coryfeeën als pakweg een Mary Gauthier of een Eliza Gilkyson naar de kroon. Die laatste is hier overigens ook zelf van de partij. Net als ondermeer de al genoemde Robisons, Karen Poston, Eleanor Whitmore en Warren Hood verzorgt ze in enkele nummers (“’72 Texas” en “Lolita”) de harmony vocals. Instrumentale bijdragen zijn er dan weer van kleppers als Mike Hardwick, Andrew Nafziger, echtgenoot John Ludwick, Eddie Cantu, Michael Ramos, Rich Brotherton, Kim Deschamps en nog eens Warren Hood.

Na het “droppen” van zoveel namen is het wellicht overbodig om nog eens extra te beklemtonen, dat “Too Much Desire” klankgewijs echt staat als een huis. Maar dat doen we toch! Ludwick zingt bijzonder passioneel, haar begeleiders spelen zich voortdurend de ziel uit het lijf en de songs zijn zonder uitzondering top. Van het poppy “Alright” over de weemoedige Americana van “’72 Texas” en “No Way Out” tot het wat meer richting folk neigende “Big Fall” of de strijkersgewijs van een licht klassiek randje voorziene afsluiter “Julia Odessa” en alles wat zich daar tussen in afspeelt, allemaal verdienen deze liedjes het met een vette hoofdletter te worden geschreven! Beklijvend spul is het, dat eigenlijk in geen enkele Americana-collectie hoort te ontbreken.

Robyn Ludwick

Freedom Records

Sonic Rendezvous

 

TIM O’BRIEN “Chameleon” (Proper / Rough Trade)

(3,5****)

Dat Tim O’Brien zijn nieuwe CD “Chameleon” noemde, is als je ’t ons vraagt allesbehalve een toeval te noemen. Als geen ander beseft de Amerikaan immers ook zelf, dat hij in zijn muzikaal doen en laten niet voor één enkel gat te vangen is. Wars van alle trends doet hij sinds jaar en dag met veel brio zijn eigen ding. Iets wat in 2006 nog resulteerde in een Grammy voor beste traditionele folkplaat voor “Fiddler’s Green”, één van de twee albums die hij eind 2005 simultaan op ons afvuurde. In plaats van in het kielzog van dat succesnummer te kiezen voor de meest voor de hand liggende optie en het ijzer te smeden toen het nog heet was, nam O’Brien zich vervolgens alle tijd van de wereld om met een opvolger ervoor op de proppen te komen. Voor de opnames daarvan toog hij met zijn hele hebben en houden aan instrumenten naar de garage van Gary Paczosa, alwaar hij volledig in zijn eentje zestien eigen songs opnam. Daarbij veelal slechts gewapend met één van zijn vele snaarinstrumenten koos O’Brien voor een zelfs voor zijn doen buitengewoon sobere aanpak. Het resultaat van die eigenzinnige werkwijze is een aangenaam gevarieerd geheel. Behendig zijn weg zoekend tussen akoestische bluesjes, volbloed-Americana, old time-spul, bluegrass, singer-songwritermateriaal en traditionele folk speelt en zingt O’Brien zich herhaaldelijk in de kijker. Vooral dan met “The Garden”, titelnummer “Chameleon” en “When In Rome”, niet toevallig allicht de drie nummers waarvoor hij wat schrijfhulp kreeg van grootmeester David Olney en John Hadley. Al willen we met zo’n bedenking zeker geen afbreuk doen aan O’Briens eigen materiaal. Daarvoor zijn dingen als “Father Forgive Me” en het politieke statement “World Of Trouble” gewoon véél en véél te goed.

Tim O’Brien

Proper American

 

HOUSTON MARCHMAN “Naked – The Best Of” (BCD Music Group)

(4****)

Mooie, nagenoeg volledig akoestisch ingespeelde dwarsdoorsnede uit de acht eerder verschenen platen van de Texaanse singer-songwriter Houston Marchman. Een plaat, die naar eigen zeggen geboren werd uit de loutere behoefte aan simpelheid. Omringd door Will Sexton (gitaar), Brian Duckworth (mandoline), Jim Starboard (drums en percussie), George Kramer (bas) en speciale gast Uncle Dean (zang en akoestische gitaar in het nummer “Amelia Earhart”) stoft Marchman (zang, gitaar, banjo, chain bucket) op veelal eerder ingetogen wijze zo ongeveer elk voor zijn repertoire essentieel nummer af, ondermeer ook een aantal vroege, ondertussen eerder moeilijk verkrijgbare songs. We noemen bij wijze van voorbeeld eigen favorietjes als “Desperate Man”, “Viet-Nashville”, “Wichita Falls”, “Hank’s Angel”, “Leavin’ Dallas”, “Tryin’ For Home”, “Not Tonight”, “South Texas Rain”, “Broken Glass” en “Caleb”. Deze en andere liedjes zorgen er in al hun naaktheid voor, dat dit in de toekomst hier waarschijnlijk de meest beluisterde Houston Marchman-plaat zal worden. Minder blijkt in dit geval immers juist meer. Herleid tot hun pure essentie blinken de songs van Marchman nog meer uit dan voorheen.

Houston Marchman

 

Home