CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2010

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

MOTHER JAMES “Brute Noir” - AUSTIN COLLINS & THE RAINBIRDS “Wrong Control” - TIFT MERRITT “See You On The Moon” - THE SLUMMERS “Love Of The Amateur” - RICH HOPKINS & THE LUMINARIOS “El Otro Lado / The Other Side” - SUSAN COWSILL “Lighthouse” - CADILLAC SKY “Letters In The Deep” - THE HALYARDS “Fortune Smiles” - CANTEEN KNOCKOUT “Broken Down Town” - WATERMELON SLIM “Ringers” - GREAT LAKE SWIMMERS “The Legion Sessions” - ROD PICOTT “Tiger Tom Dixon Blues (10th Anniversary Acoustic Edition)” - MISS LESLIE “Wrong Is What I Do Best” - PETER MAYER AND FRIENDS “Goodbye Hello” - RUDY & HIS FASCINATORS “Rudymentary” - GUTHRIE KENNARD “Matchbox” - TIM EASTON “Live At Water Canyon” - CAROLYN ALROY “Through A Screen Door Darkly” - SI KAHN “Courage” - MARS ARIZONA “High Desert” - THE LOVELL SISTERS BAND “When Forever Rolls Around” - CORTINA “Been A Long Time”

 

 

MOTHER JAMES “Brute Noir” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Voor ons één van dé onbetwiste hoogtepunten van 2010 so far, dit tweede album van het Zweedse collectief Mother James. De groep, die in 2008 naar aanleiding van haar debuut “Stomping Grounds” al onder de superlatieven bedolven werd en in filmmaker Quentin Tarantino zelfs een onverwachte bewonderaar vond, koppelt op deze door Per Nordmark geproduceerde opvolger daarvan rammelende blues aan een ontegensprekelijk door de vuigste delen van New Orleans geïnspireerd geluid. En met name zanger Stefan Petersson eist daarbij een hoofdrol op. Zijn ook wel een weinig aan de al genoemde Waits herinnerende shouterstem voelt zich duidelijk als een vis in het water in deze door platenlabel Rootsy als een ware “geluidsorgie” omschreven omgeving, met als betrokkenen ondermeer prettig gestoorde gitaren, een haar hondenhok regelmatig ontvluchtende akoestische bas, rauwe jazzy blazers (sax, tuba, klarinet, trompet), als bezeten bepotelde piano’s en andere. Bezwerend is wat ons betreft zowat het enige juiste woord hiervoor. Deze soundtrack voor nachtelijke dwalingen doorheen ongure achterbuurten grijpt je ogenblikkelijk stevig bij je nekvel en lijkt absoluut niet geneigd om dat zo snel weer los te laten. Neen, dit is echt niets minder dan huiveringwekkend goed! Enkele luistertips nog: het heerlijk uit de bocht gaande “Transformation Blues” en het bijzonder soulvolle, z’n omineuze titel ook muzikaal gezien alle eer aandoende “Whistling Down The Barrel Of A Gun”.

Mother James op MySpace

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

AUSTIN COLLINS & THE RAINBIRDS “Wrong Control” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Steeds meer artiesten vallend onder de ruime noemer Americana opteren dezer dagen voor een redelijk abrupte koerswijziging. Kon je hier elders al lezen, hoe Tift Merritt op haar nieuwste voorzichtig haar eerste slagen in commerciëlere wateren slaat, dan moeten we nu weer vaststellen, dat Austin Collins op “Wrong Control”, zijn verse worp, net in de tegenovergestelde richting evolueert. De singer-songwriter uit Houston gaat daarop voor een beduidend meer rockgeoriënteerd geluid. Onder de productionele hoede van Will Johnson laten Collins zelf en zijn secondant Dylan McDougall vrijwel voortdurend hun gitaren spreken. Daardoor bij momenten een flink eind verwijderd gerakend van de roots rock op z’n Texaans, waarvoor hij eerder toch vooral bekendheid genoot, lijkt Collins zijn kansen op een doorbraak bij een aan trends verslaafd publiek zo aardig aan te scherpen. Zijn songs en zijn heerlijk ruwe schuurpapieren stem blijven daarbij als vanouds zijn voornaamste troeven. Al willen we hier zeker ook de rol van zijn handlangers van de Rainbirds niet onderschatten. De al genoemde Dylan McDougall op gitaren en Craig Bagby op bas, piano, keyboards en tal van percussie-instrumenten vormen immers een perfect geoliede begeleidingsgroep en samen met gasten als producer Johnson, Todd Pertll en Jeff Joiner helpen ze Collins aan een geluid om u tegen te zeggen. Een geluid, waarvoor er op termijn ergens tussen Neil Young, Ryan Adams, Son Volt en Slobberbone vast nog wel ergens een plaatsje vrij zal blijken.

Austin Collins

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

TIFT MERRITT “See You On The Moon” (Fantasy / Concord Music Group)

(4****)

Met haar vierde studioplaat “See You On The Moon” lijkt Tift Merritt niet langer uitsluitend op een rootsmuziekminnend publiek te willen mikken. Gelijk van bij openingsnummer “Mixtape”, een zomers, door een enigszins apart gitaartje aangedreven niemendalletje, wordt duidelijk, dat ze haar pijlen this time around wat meer richting mainstream zal gaan afvuren. Al dient daar dan wel meteen te worden aan toegevoegd, dat dit liedje zo’n beetje de vreemde eend in de bijt is hier. Voor het overige verdeelt Merritt haar aandacht keurig over met veel gevoel neergelegde ballades en behoedzame rockertjes. “Engine To Turn”, “All The Reasons We Don’t Have To Fight” en “Six More Days Of Rain” zijn goede voorbeelden van dat laatste soort van liedjes. Dingen als “The Things That Everybody Does”, “Feel Of The World”, “Never Talk About It” en andere illustreren dan weer perfect Merritts zachtere kant, met daarbij opvallend veel ruimte voor bijdragen op piano, strijkers en blazers. In een productie van Tucker Martine belandt ze zo in quasi hetzelfde straatje als onlangs nog Allison Moorer. En daarin is er ook plaats voor covers van “Live Till You Die” van Emmitt Rhodes en “Danny’s Song” van Kenny Loggins. Toegegeven, het was aanvankelijk allemaal een beetje wennen, maar na zo’n luisterbeurt of drie gingen we hier als naar goede gewoonte toch weer met volle teugen van genieten. Merritt is en blijft nu eenmaal een dijk van een zangeres.

Tift Merritt

Concord Music Group

 

THE SLUMMERS “Love Of The Amateur” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5***)

Zij die dachten, dat ex-Green On Red-kopstuk Dan Stuart het na zijn dagen bij die groep en enkele soloplaten stilaan definitief voor bekeken had gehouden, mochten hun mening de voorbije jaren reeds herhaaldelijk herzien en mogen dat ook nu weer doen. Na de even korte als spraakmakende reünie van Green On Red en de ook al onverwachte tweede plaat van Danny & Dusty met Steve Wynn is er nu “Love Of The Amateur”, het debuut van Stuarts nieuwe band The Slummers. Dat blijkt op de keper beschouwd een Amerikaans-Italiaanse aangelegenheid, waarvan naast Stuart zelf en alom geprezen multi-instrumentalist JD Foster ook Diego Sapignoli en Antonio Gramentieri deel uitmaken. Met z’n vieren tekenen ze voor een behoorlijk eclectische visie op rootsy rock & roll anno nu. Van schreeuwerige gitaarrock (“Rift Valley Evolutionary Blues”) tot aan elektronica opgehangen power pop (“Last One Out”), van aan Neil Young en Paul Westerberg herinnerende melancholische roots rock (type “East Broadway” en “All About You”) tot met een shot zeventiger jaren-Stones gekruid spul (“Bowery Boy”), van akoestisch gehouden psychedelische folk (“Ironbound”) tot iets aan Green On Red schatplichtigs (“Bread & Water”) en zelfs door de mangel gehaalde glam rock (“Who Knows?”), je kan het zo gek niet bedenken, of Stuart en co proberen het hier wel even. Het resultaat? Een erg eigenzinnig, maar al bij al ook behoorlijk indrukwekkend debuut! Benieuwd, hoe lang Stuart het this time around zal uithouden.

The Slummers op MySpace

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

RICH HOPKINS & THE LUMINARIOS “El Otro Lado / The Other Side” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Next stop Tucson, Arizona voor een portie als vanouds behoorlijk compromisloze rock & roll, signé Rich Hopkins. Diens nieuwe plaat, “El Otro Lado / The Other Side”, zijn eerste in vier jaar tijd onder de vlag der Luminarios, is misschien wel zijn beste ooit. Psychedelische pop met een bij momenten aardig hoog Byrds-gehalte, gortdroog woestijngeweld, semi-akoestische folkrockers, flarden Tex-Mex en natuurlijk nogal wat van ver aan Neil Youngs Crazy Horse verwant gitaargestoei hier, met andermaal een behoorlijk prominente rol voor Hopkins’ kersverse “liefde van zijn leven” Lisa Novak. Zo valt haar naam in de hoedanigheid van co-producer, blijkt ze enkele songs te hebben mogen aandragen, tekent ze voor gitaar- en percussiebijdragen en vormt haar nasale stem een mooi tegengewicht voor Hopkins’ eigen schurende scheur. Misschien was het Novak wel, die ervoor zorgde, dat Hopkins en co net iets toegankelijker werden als dat in het verleden wel eens het geval was. En misschien, héél misschien, lag ze daarmee wel aan de basis van een wat ruimere erkenning voor de Luminarios. Iets wat die – Eerlijk is eerlijk! – eigenlijk gewoon al heel erg lang verdienen.

Rich Hopkins & The Luminarios op MySpace

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

SUSAN COWSILL “Lighthouse” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Er zijn zo van die platen, die je echt geleefd moet hebben om ze te kunnen maken. Platen, die de diepe, door het leven zelf geslagen bressen op de één of andere manier weer lijken te helpen dichten. Bressen, die je wat je daarvoor voor vanzelfsprekend hield plots heel anders gaan doen bekijken. Bressen, die je met andere woorden echt leren waarderen, wat je waardering ook daadwerkelijk verdient. “Lighthouse”, de nieuwe van Susan Cowsill, is zo’n plaat. Onwaarschijnlijk, hoe dicht tristesse en joie de vivre hier bij elkaar liggen! Onwaarschijnlijk ook, met hoeveel overtuiging Cowsill hier ongegeneerd haar liefde uit voor alles wat haar nauw aan het hart ligt: haar kind, haar wederhelft, haar naasten en familie, haar (zwaar geteisterde) thuishaven, kortom zo goed als haar hele wezen. “Lighthouse” ademt uit hoegenaamd elke porie New Orleans. Of tenminste Cowsills volledig nieuwe kijk op het leven (aldaar) na de verwoestende doortocht van Katrina, die haar naast zo ongeveer haar hele hebben en houden ook twee broers kostte. En dus is “Lighthouse” eigenlijk niets minder dan een met ongelooflijk veel toewijding vervaardigde lappendeken van alles wat er haar nog restte: haar gevoelens, haar herinneringen en vooral ook haar hoop. Een trio, dat ze verklankt in een twaalftal het Americana-genre lekker ruim houdende deunen. Van ingetogen folk over groovy Southern en roots rock tot alternatieve country, Cowsill houdt het hier lekker gevarieerd. Daarbij zo nu en dan voorzichtig even aan de grote Lucinda Williams en ook wel aan Bonnie Raitt herinnerend maakt ze wat ons betreft zelfs een bescheiden meesterwerkje. Enkel de Jimmy Webb-klassieker “Galveston” en wijlen haar broer Barry’s “River Of Love” blijken daarbij een vreemde eenden in de bijt, de overige liedjes schreef Cowsill in haar eentje of met echtgenoot Russ Broussard of bassist Tad Armstrong. Onze persoonlijke favorieten bleken na verloop van tijd het op bijzonder emotionele wijze gebrachte en aan haar thuishaven gewijde “ONOLA” en het afsluitende, ook al in die richting wijzende “Crescent City Sneaux”.

Susan Cowsill

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

CADILLAC SKY “Letters In The Deep” (Dualtone / Bertus)

(4****)

“Letters In The Deep” is na “Blind Man Walking” uit 2007 en “Gravity’s My Enemy” van een jaar later al het derde album van het zich in contemporaine bluegrass specialiserende Amerikaanse vijftal Cadillac Sky. En het is, dat mag hier en nu al wel gezegd, een bijzonder ambitieus project geworden. Onder de productionele auspiciën van Dan Auerbach van The Black Keys gaan Bryan Simpson en de zijnen ditmaal resoluut voor een meer extreme vorm van rootsmuziek, waarvoor bluegrass weliswaar meestal nog het uitgangspunt vormt, maar vaak ook al niet meer veel meer dan dat. “Letters In The Deep” is eigenlijk een soort van hybride bestaande uit elementen uit genres als bluegrass, Americana en folk enerzijds en rock en punk anderzijds. Nerveuze, weldoende huiveringen over je ruggengraat jagende dingen als “Trapped Under The Sea” en “3rd Degree” komen daardoor dichter in de buurt van wat collectieven als 16 Horsepower, Woven Hand en The Handsome Family brengen dan in deze van wat klassieke en zelfs veel andere actuele progressieve bluegrass acts doen. Het maakt van “Letters In The Deep” het soort van plaat, waarvan je ergens diep in je binnenste hoopt, dat ze even succesvol moge worden als “I And Love And You” van de Avett Brothers onlangs. En misschien zit dat er ook effectief wel in. De eerste commentaren zijn alvast unaniem lovend. En termen als “origineel”, “innovatief” en “onbevreesd” vatten ook wat ons betreft best wel goed samen, waarvoor die van Cadillac Sky dezer dagen staan. De banjo en andere voor het bluegrassgenre typische instrumenten met meer sexappeal dan ooit tevoren! Sterk verslavend spul!

Cadillac Sky

Dualtone

Bertus

 

THE HALYARDS “Fortune Smiles” (Cheshire Records / Shut Eye Records)

(3,5****)

De namen Larry Mason en Carl Funk doen wellicht vooral een belletje rinkelen bij fans van de Brandos. Funk schreef ondermeer mee aan enkele van de bekendste nummers van die groep, “Gettysburg” en “Anna Lee”, en Mason maakte er jarenlang zelf deel van uit. Nu, bijna twintig jaar later, vinden de twee elkaar opnieuw binnen The Halyards. Onder de productionele hoede van de ook verder nogal prominent aanwezige Eric Tingstad debuteren ze met “Fortune Smiles”. Een plaat, die bijna uitsluitend Funk-composities bevat. Al liet hij zich voor een vijftal daarvan wel een handje helpen door alweer Tingsted. Enkel voor een remake van de traditional “The Streets Of Laredo” werd echter écht vreemdgegaan. In de twaalf liedjes die hun eerste worp rijk is, valt vooral de harmonieuze samenzang van de heren Funk en Mason in positieve zin op. Ze brengen een relaxte kruising van Americana en roots rock, waarin verder vooral de rol van de gitaren ons niet te onderschatten lijkt. Zo’n beetje op het kruispunt tussen acts als The Rembrandts, Crowded House, Tom Petty en John Hiatt, vonden wij. En dus ook zeker niet zonder de nodige commerciële potentie!

The Halyards

Shut Eye Records

CD Baby

 

CANTEEN KNOCKOUT “Broken Down Town” (weewerk)

(4****)

Eerlijk is eerlijk, ons zei de naam Canteen Knockout tot voor kort helemaal niets. En toch hebben we hier wel degelijk al te maken met de tweede plaat van dat Canadese zestal. Debuteren deden de heren immers al in 2008 met “Navajo Steel”. Een plaat, die, als we het begeleidende schrijven bij deze tweede mogen geloven tenminste, zowat overal ter wereld redelijk lovend werd onthaald. En daar kunnen we ons afgaande op de kracht van de twaalf op “Broken Down Town” ten gehore gebrachte liedjes wel in vinden. Zonder daarvoor nu direct als epigonen dienen te worden bestempeld deden Andre Skinner en de zijnen ons regelmatig terugdenken aan de hoogdagen van de Flying Burrito Brothers, aan Wilco in betere tijden en aan de Stones in een country mood. Met elf eigen liedjes en een even pakkende als “creepy” versie van Gordon Lightfoots “The Wreck Of The Edmund Fitzgerald” droegen ze vrijwel ogenblikkelijk onze goedkeuring weg. Van heerlijk twangende rock in het door prominent gitaarwerk gedragen “Whiskey Drains The Pain” gaat het over loepzuivere singer-songwriter Americana in “Knife In My Side” en “Winter Time” tot kosmisch getint spul in topnummer “Louisiana” en country pur in “This Is The Last Time” en terug. Niet één minder moment te bekennen hier! En dit verdient het dan ook om van hier uit van ganser harte te worden aanbevolen.

Canteen Knockout op MySpace

(weewerk) records

 

WATERMELON SLIM “Ringers” (Northern Blues / Bertus)

(3,5****)

“Ringers” is  Watermelon Slims tweede in Nashville ingeblikte cd. En echt helemaal onlogisch kan je het dan ook niet noemen, dat de bluesgrootheid hier meer dan ooit voorheen in de weer is met country. Niet het in Nashville gebruikelijke gladde spul, neen, dat zeker niet. In een productie van Miles Wilkinson en omringd door Gary Nicholson (akoestische gitaar), Kenny Greenberg (elektrische gitaar), Steven Mackey (elektrische bas), Lynn Williams (drums), Kevin McKendree (piano en Hammond B-3) en Paul Franklin (steelgitaar) voor de “elektrische” stukken en “Darrell Scott (akoestische gitaren en mandoline), Kenny Malone (drums) en Charlie Chadwick (contrabas) voor de “akoestische” stukken en met verder ook nog Stuart Duncan (twin fiddles), Kristin Wilkinson en Pam Sixfin (strijkers), Lucas Leigh (orgel) en vocalisten Rebecca Homans, Verlon Thomas, Jonell Mosser, Suzi Ragsdale, Vivkie Carrico en Miles Wilkinson in de buurt zoekt Bill “Watermelon Slim” Homans veertien nummers lang naar een evenwicht tussen Americana, country, blues en rock. En dat doet hij wat ons betreft op hoogst bevredigende wijze. Met name de bluesy vertolking van Jimmy Buffetts “He Went To Paris”, die hij hier ten beste geeft, de fraaie rootsy Americana van “If There Is Any Heaven”, het openlijk tussen blues en rock twijfelende “No Way To Reach Nirvana”, de knappe singer-songwriter country van “Cowboys Are Common As Sin” en het heerlijk rammelende “End Of The Line” gooiden bij ons heel erg hoge ogen. Maar eigenlijk is dit gewoon een lekkere plaat in haar geheel.

Watermelon Slim

Northern Blues

 

GREAT LAKE SWIMMERS “The Legion Sessions” (weewerk / Nettwerk)

(4****)

Dit moet zowat hét snoepje van de maand zijn. Voor zowat de helft van de prijs, die je normaal voor een cd neertelt, verrassen de Great Lake Swimmers met een nieuw album. Voor “The Legion Sessions” neemt men zelf graag de term EP in de mond, maar met een speelduur van ruim tweeëndertig minuten is het eigenlijk gewoon een volwaardige plaat. Negen nummers staan erop. Ingeblikt in volledig akoestische bezetting. Je hoort naast de stemmen van Tony Dekker en Julie Fader zo enkel wat akoestische gitaar, banjo, contrabas en ingehouden slagwerk. Het resultaat onderlijnt op sublieme wijze nog eens de sterkste kant van de Great Lake Swimmers. Breekbare schoonheid is inderdaad ook hier weer vrijwel voortdurend hét sleutelwoord. Ergens tussen Americana en folk groeien “Palmistry”, “Everything Is Moving So Fast”, “Pulling On A Line”, “Concrete Heart”, “She Comes To Me In Dreams”, “The Chorus In The Underground”, “Stealing Tomorrow” en “Still” en “New Light” op ingetogen wijze uit tot echte blijvertjes, die ook fans van acts als Bonnie “Prince” Billy, Iron & Wine, Cowboy Junkies en aanverwanten diep zouden moeten kunnen beroeren. Warm aanbevolen derhalve ook, deze andere kijk op driekwart van het vorig jaar verschenen album “Lost Channels”.

Great Lake Swimmers

(weewerk) records

 

ROD PICOTT “Tiger Tom Dixon Blues (10th Anniversary Acoustic Edition)” (Welding Rod)

(5*****)

Terwijl zowat half Vlaanderen al wekenlang in de ban is van een knaap, die, daarbij - O, hemeltje! - slechts gewapend met een akoestische gitaar, muziekminnend Europa probeert in te palmen met een eerder middelmatig liedje, acht Rod Picott het moment rijp om ons te tonen, hoe het allemaal zoveel beter kan. Zijn fenomenale debuutplaat “Tiger Tom Dixon Blues” was al een poosje niet meer verkrijgbaar via reguliere kanalen. En met ergens in het achterhoofd de wetenschap, dat het precies tien jaar geleden was, dat die plaat zowat overal ter wereld flink wat deuren voor hem deed opengaan, besloot Picott daarom er speciaal voor de gelegenheid een nieuwe versie van in te blikken. Volledig “stripped to the bone”. Drie microfoons, de eigen akoestische en die heerlijke rasp van ’n stem van ‘m volstonden ruimschoots om er in amper een paar uur tijd een compleet nieuwe plaat van te maken. “Round 2”, zoals hij dit schijfje zelf op de hoes ervan noemt, bevat van alle overbodige franje ontdane en juist daardoor vaak nóg beter klinkende versies van Picott-meesterwerkjes als titelnummer “Tiger Tom Dixon’s Blues”, het met Rod Picott gepende tweetal “Broke Down” en “Bring It On”, “Haunted Man”, het met collega Fred Eaglesmith geconcipieerde “Gettin’ To Me”, “On And On”, “Torn In Two” en andere. Veel van zijn sterkste liedjes eigenlijk, nu gewoon nog wat aangrijpender gebracht. Het maakt van deze nieuwe uitvoering van Picotts eersteling meteen onze persoonlijke favoriet op zijn repertoire. Een plaat om te hebben en voor de rest van je leven intens van te houden, punt uit. (Eens benieuwd, of ze dat over “Me And My Guitar” binnen enkele jaren ook nog zullen zeggen…)

Rod Picott

Village Records

 

MISS LESLIE “Wrong Is What I Do Best” (Zero Label Records)

(4,5*****)

Leslie Anne “Miss Leslie” Sloane doet zichzelf met de titel van haar jongste plaat ernstig tekort, vinden wij. Als er immers één ding is, waarin ze héél erg goed is, dan is dat wel het laten herleven van de hoogdagen van het countrygenre. Traditioneler kan amper! En als er al zoiets als een honky-tonkhemel bestaat, dan heeft ze haar plaatsje daarin wat ons betreft al lang verdiend. Noem om het even welke vrouwelijke countrycoryfee (Patsy Cline, Loretta Lynn, Connie Smith,…) en Sloane steekt haar hier wel even naar de kroon. Veertien nummers lang zorgt ze voor weldoend kippenvel. Dertien daarvan blijken bovendien eigen liedjes, waarin woelige liefdes nogal eens centraal durven te staan. Sloane vertolkt hier met veel flair het hele palet aan gevoelens vlak vóór, op het moment van en vlak ná een liefdesbreuk. Daarbij krijgt ze ondermeer de hulp van de vooral uit de entourage van Dale Watson bekende pedal steel-virtuoos Ricky Davis, gitaristen Tommy Detamore en Dave Biller, bassist Ric Ramirez en drummer Timmy Campbell. Voorts noteerden we ook een leuke vocale bijdrage van Jason Allen, met wie Sloane doorheen het zwierige, aardig hoopvol opgevatte “Let’s Start Over” schuifelt. Voor de productie van “Wrong Is What I Do Best” tekende Miss Leslie overigens ook zelf, zij het dan ook samen met Davis en Detamore. Samen stonden ze in voor een plaat “so country it hurts”. En daarvoor, beste vrienden, kunnen we haar met z’n allen eigenlijk alleen maar heel erg dankbaar zijn.

Miss Leslie

CD Baby

 

PETER MAYER AND FRIENDS “Goodbye Hello” (Little Flock Music)

(3***)

Iedere keer opnieuw stellen we ons de vraag. Iedere keer opnieuw, als er iemand zo vermetel is om een heel album te durven vullen met herinterpretaties van Beatles-songs. Wat bezielt ze toch in godsnaam? Liedjes, zó perfect en zó diep in het collectieve bewustzijn gegrift als die van John, Paul, George en Ringo, daar blijf je toch gewoon van af zeker? Als je zo nodig op je bek wil gaan, ga dan schaatsen of zo, maar raak alstublieft niet aan het erfgoed van de Fab Four. Vreemd genoeg lijkt ook Peter Mayer dat te beseffen. In de liner notes van zijn nieuwe cd “Goodbye Hello” verkondigt hij immers: “There is simply no way to improve on how the Beatles performed this music in its original form or deliver it better than it was originally given to the world. But we can celebrate it again and again: on a banged up acoustic guitar, with a string section, or with technology that the Beatles might have imagined, but did not have when they caught miracles on a four-track recorder. We let our imaginations run with these Beatle songs. If we don't disappoint or thrill, offend or gratify anyone in the process, I will be surprised. I will take comfort in knowing it will have been because the music of the Beatles will always matter in a world forever searching for the heart of the matter.” ‘s Mans instelling met betrekking tot zijn sujet klopt dus alvast wel. Maar hoe zit het met het uiteindelijke resultaat van zijn bemoeienissen? Wel, het moet gezegd, dat mag eigenlijk best wel worden gehoord. Mayer en zijn vrienden koppelen in hun covers van songs als “Ob-La-Di, Ob-La-Da”, “Come Together”, “Penny Lane”, “Michelle”, “I Feel Fine” en andere verbeelding immers aan het hier o zo nodige respect. Ze stoeien weliswaar met het songgoed van hun vermaarde voorbeelden, maar gaan daarin zelden echt té ver. En, eerlijk is eerlijk, de als een soort van kruising tussen Paul Simon en James Taylor klinkende Mayer heeft de juiste stem voor deze job. Vooral de wat speelsere songs van de Britse monumenten klinken hier daardoor bij momenten bepaald zonnig. Minder geslaagd vinden wij dan weer Mayers vertolkingen van een aantal slows op het repertoire van Lennon en McCartney en co. De kruisbestuiving van dingen als “Michelle” en “Fool On The Hill” met Braziliaanse (jazz)ritmes bijvoorbeeld of het met een enerverende bamboefluitpartij ingeleide “Norwegian Wood” zullen ons de originelen ervan allesbehalve doen vergeten. Evenmin als een nogal rommelig aandoende versie van “We Can Work It Out”. Maar goed, het kon, zoals al gezegd, allemaal véél en véél slechter. Mayer krijgt dus van ons - In tegenstelling tot heel wat anderen die hem voorafgingen! - wél het voordeel van de twijfel. En da’s toch al iets, niet?

Peter Mayer

CD Baby

 

RUDY & HIS FASCINATORS “Rudymentary” (Rudy & His Fascinators / Sonic Rendezvous)

(3***)

Als artiesten lak hebben aan wat anderen van hen denken en lekker eigenzinnig hun eigen ding (blijven) doen, dan leidt dat doorgaans tot nogal uiteenlopende resultaten. Soms ontstaan door die handelswijze echte meesterwerken, op andere momenten blijf je als luisteraar achter met materiaal, waarvan je niet echt goed weet, wat je er nu eigenlijk mee moet. En dat laatste gevoel overheerste hier jammer genoeg regelmatig een weinig naar aanleiding van “Rudymentary”, de eerste nieuwe cd in vijftien jaar tijd van Groninger Rudy Lentze, vooral bekend als het Indo-gitaarwonder van Bwana 3. Die beschouwt die nieuwe cd zelf als een geslaagde liefdesverklaring aan zijn twee kinderen, de tijdens het hoger aangehaalde hiaat in zijn carrière geboren Rahsaan en Joey. Benieuwd, of zij zich ook daadwerkelijk in dit sterk staaltje van eclecticisme zullen kunnen vinden. Hier kan immers zo ongeveer alles: van lijzige, Stones-getinte rock in “Purple & Dumb” tot dobrogestuurde Americana genre “Down In The Neighbourhood”, van folkbluesjes als de traditional “Reno Factory” en “(Picked Your) Cherry” of country zoals in “Rain Sleet Or Snow” tot experimentele pop en rock type “Rudy-o Daddy-o” en “Asia Gone”, van een doorleefde Beck-cover (“Hollow Log”) tot jazz in het bij pianist McCoy Tyner geleende en je misschien ook wel in de uitvoering van John Coltrane bekende “Aisha” en wel meer. Bij momenten nogal freaky aandoend spul, dat wellicht vooral door collega-gitaristen echt naar waarde zal worden geschat. Een gevoel, dat we in het verleden bijvoorbeeld ook met betrekking tot nieuw spul van collega Ry Cooder wel eens hadden. En als we dan toch al een aanknopingspunt zouden moeten opgeven, dan zou het ook die Cooder zijn. Met hem deelt Lentze naast zijn fenomenale spel immers ook een bewust zeer breed gehouden kijk op musiceren.

Rudy & His Fascinators op MySpace

Sonic Rendezvous

 

GUTHRIE KENNARD “Matchbox” (Rango Records)

(4,5*****)

Dit moet zowat één van de lekkerste platen van het moment zijn! Een dik half uur lang serveert Guthrie Kennard op zijn nieuwe cd immers roots & roll van het allerbeste soort. In een productie van zijn maatje Ray Wylie Hubbard en geassisteerd door schoon volk als Collin Brooks, Pat Manske, George Reiff, Rick Richards, Case James, Billy Cassis en diezelfde Hubbard trakteert hij ons op tien nieuwe songs, die heel knap het midden houden tussen Americana, roots rock en blues. Nu eens lekker vet en gruizig rockend en rollend, dan weer eerder ingetogen eist hij zich met veel branie een eigen stekje tussen knapen als een Steve Earle, een Shaver, een Ryan Bingham, een Gurf Morlix en een Ray Wylie Hubbard op. Met songs waarin men zich als luisteraar eenvoudig kan terugvinden slaat de Texaan zo goed als voortdurend spijkers met koppen. Met een stem zo ruw als tot op de draad versleten leer (‘n Beetje Prine, ‘n beetje Dylan, ‘n beetje Earle!) grijpt hij je meer vertellend dan zingend ogenblikkelijk bij de keel. In combinatie met atmosferisch twangend gitaarwerk en veelvuldige slidebijdragen zorgt die soulvolle scheur van ‘m constant voor sfeer met een hoofdletter s. Top notch spul!

Guthrie Kennard

CD Baby

 

TIM EASTON “Live At Water Canyon” (Sonic Rendezvous)

(4****)

In tegenstelling tot veel van hun in de popsector actieve collega’s voelen singer-songwriters zich doorgaans pas écht goed in hun sas, als ze, daarbij veelal slechts gewapend met een akoestische en in het beste geval ook nog een mondharmonica, voor een handjevol écht geïnteresseerden hun ding mogen doen. De intimiteit van zo’n kleinschalige gig doet velen van hen ogenschijnlijk zodanig veel deugd, dat ze er vrijwel spontaan tot glansprestaties worden door aangespoord. Neem nu bijvoorbeeld een Tim Easton. Zijn studioplaten mogen dan al stuk voor stuk echte juweeltjes zijn, geen van alle komen ze naar ons gevoel zelfs ook maar in de buurt van wat hij tijdens z’n akoestische solo performances ten beste geeft. Ten getuige daarvan is er het in een klein zaaltje in het Amerikaanse Yucca Valley ingeblikte “Live At Water Canyon”. Tien nummers lang zingt en speelt Easton daarop letterlijk de sterren van de hemel. Heerlijk ongepolijst, bij momenten enigszins bluesy, maar bovenal héél erg doorleefd allemaal. Eigen nummers als “Special 20”, “All The Pretty Girls Leave Town”, “Baltimore”, “Reliable”, “They Will Bury You”, “Lexington Jail”, “Man That You Need”, “Tired And Hungry” en “Next To You” worden met verve van alle mogelijke overbodige muzikale ballast ontdaan en blijven zo goed als spiernaakt achter. Echt bloedmooi! En dan hadden we het nog niet eens over het ons door Easton gepresenteerde toetje! Dat is een ook al ongemeen knappe uitvoering van het door Sonny Terry en Brownie McGhee gepende “Lose Your Money”. Zalige schijf gewoon!

Tim Easton

Sonic Rendezvous

 

CAROLYN ALROY “Through A Screen Door Darkly” (Wussy Records)

(3***)

Eerlijk is eerlijk, als onze aandacht al getrokken werd door deze mini, dan was dan in niet geringe mate de verdienste van Matt Keating. Diens naam stond op het hoesje van “Through A Screen Door Darkly” immers vermeld als producer en met bijdragen op akoestische en elektrische gitaren, bas, keyboards, piano en wat percussie-instrumenten en de nodige backing vocals was hij zondermeer in grote mate mee bepalend voor het geluid van Carolyn Alroy. Die tekende overigens wél zelf voor de vijf songs hier. Als eerder dromerig te bestempelen liedjes, die keurig het midden houden tussen Americana anno nu en folk rock zoals die aan het eind van de jaren zestig op de Britse eilanden gemaakt werd. Met breekbare stem waadt Alroy hier doorheen een wat ons betreft veel té korte set. Amper dertien minuten, waarvoor je bijna negen dollar dient neer te tellen, het is in tijden van crisis niet meteen een schone geste te noemen… Maar goed, het gebodene is anderzijds dan weer wel dik in orde. Vooral bij nacht en ontij mogen deze intimistische kleinoden het wat ons betreft eigenlijk best wel goed doen.

Carolyn Alroy

CD Baby

 

SI KAHN “Courage” (Strictly Country Records)

(3,5****)

Si Kahn is wat je noemt een echte songwriter’s songwriter. Door heel wat veel bekendere collega’s wordt de man volkomen terecht op handen gedragen. Zij roemen vooral zijn unieke gave om politiek geladen onderwerpen te vertalen naar een voor iedereen gemakkelijk te begrijpen context. Ze zien hem als een grote denker, eerder toevallig - Of net niet! - gewapend met een mooie stem en een akoestische gitaar. Groot gedachtegoed en humor, een flink uit de kluiten gewassen observatievermogen en een meer dan aardig gevoel voor melodie gingen in het verleden bij Kahn dan ook steeds hand in hand. En dat is op ’s mans nieuwste worp, het zopas verschenen “Courage”, niet anders. Met een stilaan flink verweerd klinkende stem betoont de ondertussen zesenzestig jaar jonge Kahn daarop eer aan de mensen, waarmee hij de voorbije halve eeuw mocht kennismaken en samenwerken. De haar stem ook aan heel wat liedjes hier lenende Kathy Mattea vat het in de door haar geschreven liner notes als volgt samen: “Si has done a difficult thing here: with ease and grace, he’s told a heroic story by looking through small windows into the lives of everyday people. People like you and me, or maybe our family members, our ancestors or our children.” En daarmee slaat ze spijkers met koppen. Dat is immers inderdaad wat Kahn hier doet. Al gaat hij ook de grotere onderwerpen zeker weer niet uit de weg. Een heel mooi voorbeeld daarvan is “Peace Will Rise”. In dat mede door een met de nodige omzichtigheid betokkelde banjo gedragen liedje komt de activist in Kahn weer even nadrukkelijk aan het woord. De daarin uitgedragen boodschap is duidelijk universeel van aard. “If those who prayed for violence, and shed their children’s blood can work for peace that lasts beyond all time, the enemies in other lands may someday staunch the flood of war that breaks all hearts, both yours and mine,” klinkt het hoopvol, zij het dan ook nadrukkelijk in voorwaardelijke wijze. Kahn op z’n best! Andere topmomenten: het nadrukkelijk met de Ierse folktraditie aansluiting zoekende “Molly Maguire” en het grappige, over de moedige, maar vooral toch ook wat simpele hond van zijn maat Tom Chapin geschreven “Otis Flying”.

Si Kahn

Strictly Country Records

 

MARS ARIZONA “High Desert” (Big Barn Records)

(4****)

“High Desert” is ondertussen toch ook alweer het vierde album, dat Nicole Storto en Paul Knowles onder hun alias Mars Arizona afleveren. En ook daarmee zullen ze het ongetwijfeld weel heel erg goed gaan doen in kringen waarin Americana bon ton is. Storto en Knowles doen het ditmaal met acht eigen originelen en covers van “Sweet Virginia” van de Stones, Neil Youngs “For The Turnstiles”, Robert Hunters “Must Have Been The Roses” en de traditional “Alabama Bound”. Daarbij gaat het stuk voor stuk om erg fraaie herinterpretaties, maar dé echte delicatessen hier zijn wat ons betreft toch vooral te zoeken tussen het eigen materiaal van Knowles en Storto. Zo waren wij bijvoorbeeld zeer te spreken over de door Jack Kerouac beïnvloede, bezwerende lome roots rock van “Lookout Radio”, het Dylanesk rollende “Glad To Be Here” en de werkelijk messcherpe alternatieve country van titelnummer “High Desert”. Daarin hoor je een echte top act aan het werk. En als je dan ook nog even in rekening brengt, dat extreem getalenteerde knapen als Billy Block (Frank Black), Ken Coomer (Uncle Tupelo, Wilco) , Ollie O’Shea (Hank III) en Paul Lacques (I See Hawks In L.A.) graag een handje kwamen toesteken, dan weet je het wel weer. “High Desert” is na “Love Songs From The Apocalypse” uit 2003, “All Over The Road” uit 2005 en “Hello Cruel World” van goed twee jaar geleden inderdaad de vierde bull’s eye op rij voor Mars Arizona. Onder te brengen onder de noemers Americana, alternatieve country, folkadelica en roots rock en bij voorkeur met enige regelmaat te genieten.

Mars Arizona

CD Baby

 

THE LOVELL SISTERS BAND “When Forever Rolls Around” (Edvins / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Een eerder vreemd moment toch om uit te pakken met een promotiecampagne rond “When Forever Rolls Around”, het debuut van de Lovell Sisters Band, vinden wij. Als je weet, dat de groep inmiddels besloot om van naam te veranderen en voortaan zonder Jessica, één van de zussen, die de muziekwereld de rug toekeerde om in het huwelijksbootje te kunnen stappen en aansluitend opnieuw te gaan studeren, verder te gaan als Larkin Poe en dat onder die nieuwe vlag eerdaags een eerste teken van leven zal verschijnen, dan is het op z’n zachtst uitgedrukt erg eigenaardig om net dan een plaat uit 2005 weer op te diepen, niet? Maar goed, er zijn wel meer dingen, die wij niet begrijpen en dus laten we er toch maar even ons licht op schijnen. Net als het nog niet zo heel erg lang geleden in de Euro Americana Chart hoge ogen gooiende “Time To Grow” is “When Forever Rolls Around” een bijzonder lekker plaatje. “De drie youngsters zingen werkelijk heerlijk samen en bedienen zich voor hun volbloed-Americana op virtuoze wijze van echte instrumenten als een fiddle, een Resophonic, een lap steel, een mandoline en diverse akoestische gitaren,” schreven we daarover een klein half jaar geleden en dat kunnen we naar aanleiding van deze eersteling eigenlijk alleen maar herhalen. Tien nummers lang komen je namen als de Dixie Chicks, Alison Krauss en Rhonda Vincent voor de geest. De ondertoon hier is er met andere woorden duidelijk één van bluegrass. Sprankelend vertolkte bluegrass bovendien!

Lovell Sisters

Sonic Rendezvous

 

CORTINA “Been A Long Time” (Edvins / Sonic Rendezvous)

(4****)

Je mag over het Noorse Cortina zeggen en schrijven wat je wil, om één vaststelling kan je hoe dan ook niet heen en dat is dat hun materiaal “catchy as hell” is. Moet je het Americana met een West-Noorse twist noemen, zoals men dat ook in hun one sheet doet, dan wel pop met een aardig Amerikaans georiënteerd hart? Who cares! Feit is, dat wat de broederparen Hansen en Fossum afleveren meteen goed is voor een brede glimlach om je mondhoeken. Singer-songwriter Paul Hansen is een echte kanjer in zijn vak en roept met zijn niet zelden aan acts als zowel Coldplay als Ryan Adams en de Jayhawks refererende liedjes het soort van grote gevoelens op, dat uitnodigt tot ogenblikkelijke verslaving aan zijn spul. En wij zouden het dan ook helemaal niet als een verrassing zien, als de inmiddels ook als zanger van het veel bekendere Vamp fungerende Hansen en zijn cohorten (ook hier) ooit grote zalen en festivalweides naar hun hand zouden gaan zetten. Fluitend en tegen zomers rinkelende gitaren opboksend zoals in het van een extreem aanstekelijk refrein voorziene titelnummer, eerder melancholisch uit de hoek komend zoals in “Falling Star”, tussen de pedal steel- en harmonicaklanken voorzichtig countryrockend zoals in “Here I Stand”, de halte singer-songwriter Americana aandoend zoals in “Lift Me Up”, naar folkrock neigend zoals in het aanstekelijke “This Is How I Feel” of gewoon lekker ingetogen poppy zoals in de passionele ballade “Don’t Leave Me”, het klinkt werkelijk allemaal even hapklaar en smakelijk. Neen, neemt u het maar van ons aan, deze plaat zal de eerstkomende weken nooit ver uit de buurt van onze cd-speler weg te denken zijn. Bijzonder warm aanbevolen derhalve ook, dit schijfje!

Cortina op Facebook

Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home