CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

CHIP TAYLOR “Rock And Roll Joe - A Tribute To The Unsung Heroes Of Rock N’ Roll” - ZOE MUTH AND THE LOST HIGH ROLLERS “Starlight Hotel” - DAVID GELMAN “All Roads Lead Here” - JENNIE LOWE STEARNS & THE FIRE CHOIR “Blurry Edges” - POKEY LAFARGE & THE SOUTH CITY THREE “Middle Of Everywhere” - RORY BLOCK “Shake ‘Em On Down: A Tribute To Mississippi Fred McDowell” - THE BLACK SWANS “Don’t Blame The Stars” - LUCY WAINWRIGHT ROCHE “Lucy” - JOSEPH PARSONS “Hope For Centuries” - JT NERO “Mountains / Forests” - SARAH MACDOUGALL “Across The Atlantic” - THE SILOS “Florizona” - OH MY DARLING “In The Lonesome Hours” - MATRACA BERG “The Dreaming Fields” - LAURA CANTRELL “Kitty Wells Dresses” - RUSTIES “Wild Dogs” - LEVON HELM “Ramble At The Ryman” - DIANE SCHUUR “The Gathering” - THE LONG RYDERS “Native Sons / 10-5-60 / Radio Tokyo / 5 By 5 (Deluxe Reissue)” 

 

CHIP TAYLOR “Rock And Roll Joe – A Tribute To The Unsung Heroes Of Rock N’ Roll” (Train Wreck Records / CRS / Munich / V2)

(3,5****)

Tijdens een recente tournee doorheen Scandinavië raakten Chip Taylor en de leden van zijn begeleidingsgroep aan de praat over wat zij beschouwen als de “Unsung Heroes of Rock N’ Roll”. Artiesten, muzikanten, songwriters, producers en anderen, die op de één of andere manier erg belangrijk waren voor het genre, maar eigenlijk nooit echt kregen, waar ze recht op hadden. Een bestaan in de marge bleef immers hun deel. Mensen als een Mickey Baker of een Hank Garland bijvoorbeeld. Voor hen is de nieuwe van Taylor bestemd. Met die plaat en ook wel middels een onlangs door hemzelf in het leven geroepen webstek, wil Taylor hen vooralsnog hun plaatsje in de spotlights gunnen. Een even nobel als interessant initiatief, dat voor ons als liefhebbers van goede Americana alvast als prettig gevolg heeft, dat we weer een lekkere Taylor-plaat rijker zijn. Al is het op “Rock And Roll Joe” zeker niet al Taylor wat de klok slaat. Ook John Platania (elektrische gitaar en zang) en Kendell Carson (fiddle en zang) treden regelmatig op het voorplan. Voor het overige deed Taylor tijdens de opnames een beroep op bassist Ron Eoff, toetsenman Seth Farber en drummer Bryan Owings. Nu eens helpen zij hun broodheer aan een (voorzichtig) rockend geluid, dan weer gaat het eerder richting country dan wel Americana. Met als absolute stand-outs wat ons betreft ontegensprekelijk het ronduit fantastische titelnummer, het verstilde, ook al samen met John Platania gezongen “Malmo Nights”, de ongegeneerd naar de op veel vlakken zoveel meer passionele jaren zestig snakkende trage “Couldn’t We Use Some Of That Now” en het echt als een tiet swingende “Hot Rod Carson”. Maar voor alle duidelijkheid vooral toch nog maar even meegeven, dat je hierop vruchteloos op zoek zal gaan naar ook maar één enkel echt minder moment. Warm aanbevolen!

Chip Taylor

Rock And Roll Joe

Continental Records Services

 

ZOE MUTH AND THE LOST HIGH ROLLERS “Starlight Hotel” (Signature Sounds / CRS)

(4****)

En weer lacht de toekomst Zoe Muth weer wat rooskleuriger toe! Wie haar na haar gewoon naar zichzelf vernoemde vorige nog niet aan het hart had gedrukt, kan om deze nieuwe worp immers absoluut niet meer heen. De vanuit Seattle actieve chanteuse weet daarop andermaal tien nummers lang heel mooi het midden te houden tussen traditionele en wat alternatiever ingestelde country. Stemgewijs daarbij beurtelings een beetje aan Natalie Merchant ten tijde van 10,000 Maniacs, Iris DeMent en Caroline Herring herinnerend. En laat ons dat nu toch net stuk voor stuk verre van kwade referenties vinden!

Afgetrapt wordt er met “I’ve Been Gone”, aan een typisch Cash-galopje, inclusief zomers schetterend blaaswerk van Billy Joe Huels, je wellicht ook bekend van de geweldige Dusty 45s. “Whatever’s Left” zoekt vervolgens rustigere rootspopwateren op, “Let’s Just Be Friends For Tonight” is klassiek traag honky-tonkspul, “Before The Night Is Gone” ingetogen een weinig naar folk neigende singer-songwriter Americana en “Harvest Moon Blues” verhalende country, zoals we die ooit ook regelmatig door de grote Kris Kristofferson geserveerd kregen.

Met “New Mexico” dient zich verder ook een hele mooie alternatieve countrysleper aan, “If I Can’t Trust You With A Quarter (How Can I Trust You With My Heart?)” vlijt zich op z’n Loretta Lynns over een weldoende deken aan pedal-steelklanken, “Tired Worker’s Song” zoekt en vindt op ingetogen wijze aansluiting bij een wat jongere Emmylou Harris, titelnummer “Starlight Hotel” doet dat nog eens heel fraai over en het afsluitende “Come Inside” is wat je noemt honky-tonk op z’n Texaans pur.

Tien songs, tienmaal prijs! In op economisch vlak bij momenten niet altijd even gemakkelijke tijden noem je zoiets al vlug een regelrecht koopje…

Zoe Muth And The Lost High Rollers

Continental Record Services

 

DAVID GELMAN “All Roads Lead Here” (Incremental Music)

(3***)

David Gelman is een vanuit hartje New York actieve singer-songwriter. Jaren geleden al besloot de beste man muziek te gaan studeren, iets wat uiteindelijk ook zou resulteren in een job als songsmid. Maar die baan liet hij al vrij snel weer varen om wat beter in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en om zijn zoon te helpen opvoeden. Een paar decennia vergingen sindsdien. Maar oude liefde roest, zoals het spreekwoord het wil, niet en dus zou Gelman ook in zijn oude gewoontes hervallen. Met als resultaat hier en nu “All Roads Lead Here”. Op die door de ondermeer van zijn werk met Death Cab For Cutie, The Damnwells, Steve Earle en Marshall Crenshaw gekende Tim Hatfield geproduceerde plaat tapt de New Yorker volop uit het vat des levens zelve. Ergens tussen pop, rock, folk en country vindt hij, zichzelf daarbij beurtelings begeleidend op onder andere piano en akoestische gitaar, telkens wel weer de juiste niche voor zijn overpeinzingen rond als eerder universeel te bestempelen ervaringen. En ook muzikaal zit het allemaal best wel snor, ondermeer mede dankzij de inbreng van kleppers als David Mansfield, Ann Klein en Sammy Merendino. Het enige minpuntje van “All Roads Lead Here” is wat ons betreft het wat al te brave karakter ervan. Alle scherpe randjes eraan lijken vooraf wel minutieus te zijn weg gevijld. Gelmans songs komen daardoor nog wel mooi, maar ook nogal onopvallend over. En dat is best wel jammer, want hier had naar ons gevoel toch wel meer in gezeten.

David Gelman

CD Baby

 

JENNIE LOWE STEARNS & THE FIRE CHOIR “Blurry Edges” (Continental Record Services)

(5*****)

Sorry Emmylou, Steve, Buddy, Lucinda en nog wel wat anderen… Jullie laatste platen waren echt wel heel goed, maar dit… Dit is het voor mij gewoon. Ik denk, dat ik mijn plaat van het jaar hiermee wel definitief beet heb. Als er de komende maanden ook nog maar één betere verschijnt, dan ga ik spontaan te voet naar Scherpenheuvel!

De opvolger van “Sing Desire” en “Bird’s Fall” is in één woord B-R-I-L-J-A-N-T! Stearns, dezer dagen door het leven stappend als Jennie Lowe Stearns, recruteerde voor de opnames van “Blurry Edges” voor het eerst een eigen band. Zelf tekent ze daarin naast voor de zang ook voor wat akoestisch gitaarwerk. Michael Stark ondersteunt op toetsen, Matt Saccuccimorano drumt, Brian Dozoretz hanteert diverse bassen, Joe Novelli levert bijdragen op de slide en de hier een aantal weken terug nog zelf de sterren in geprezen Emily Arin verrijkt een handvol liedjes met fraaie backing vocals.

Het resultaat van hun samenwerking is een heerlijk organisch aandoend geheel, dat leeft van een buitengewoon zorgvuldige invulling. Sfeer was hier duidelijk een sleutelwoord. En in een met toetsenist Stark gedeelde productie heeft Stearns er klaarblijkelijk alles aan gedaan om voor elk liedje toch maar zeker de juiste snaar te beroeren. Je voelt hier echt aan alles, dat deze collectie songs haar heel erg dierbaar is. Ze representeert dan ook een wat moeilijkere periode in haar eigen leven. En daar past die zalige klaagstem van Stearns zelve natuurlijk perfect bij. In combinatie met de uiterst omzichtige instrumentale bijdragen van haar begeleiders creëert ze er de ene intimistische Americana-parel na de andere mee. Kippenvel gegarandeerd!

Jennie Lowe Stearns

Continental Records Services

 

POKEY LAFARGE & THE SOUTH CITY THREE “Middle Of Everywhere” (Continental Song City)

(3,5****)

Een voor ons enigszins onverwachte hoogvlieger in de Euro Americana Chart van deze maand waren Pokey LaFarge en zijn South City Three. Met hun “Middle Of Everywhere” bleken ze prompt goed voor de derde plaats in die lijst, enkel nog voorafgegaan door de nieuwe schijven van de onvolprezen Shiner Twins en icoon Steve Earle. De Europese rootmuziekgemeenschap viel dus zo’n beetje als een blok voor de aanstekelijke gumbo van LaFarge en de zijnen op ‘s mans ondertussen toch ook alweer vierde plaat. De excentrieke, ondermeer door White Stripes-kopstuk Jack White erg gewaardeerde jonge Amerikaan uit St. Louis, Missouri (zang, gitaren, banjo en guitjo) en zijn maats Joey Glynn (bas), Adam Hoskins (gitaar, guitjo, lap steel en zang) en Ryan Koenig (harmonica, drums, wasbord en zang) en gasten Shaye Cohn (kornet), Charlie Halloran (trombone) en Andrew Ratcliffe (bijkomende drums) maken er op “Middle Of Everywhere” dan ook echt wel een potje van. Als geen ander weten ze muzikaal erfgoed van bij het begin van de twintigste eeuw naar het hier en nu te vertalen. Hun nieuwe worp blijkt op de keper beschouwd een rete-aanstekelijke kruisbestuiving van swing, (country) blues en jug band music. Heerlijk divers en superswingend! En wat het allemaal nog net wat mooier maakt, is het feit dat alle dertien nummers uit de eigen veder van LaFarge blijken te stammen. Wel retro, maar ook authentiek dus.

Pokey LaFarge & The South City Three

Continental Records Services

 

RORY BLOCK “Shake ‘Em On Down: A Tribute To Mississippi Fred McDowell” (Stony Plain / CRS)

(4****)

“Shake ‘Em On Down: A Tribute To Mississippi Fred McDowell” is na “The Lady & Mr. Johnson” uit 2006 en het drie jaar geleden verschenen “Blues Walkin’ Like A Man: A Tribute To Son House” het ondertussen ook alweer derde deel in de door Rory Block ingezette reeks eerbetonen aan haar mentoren. En net als die beide voorgangers is ook dit weer een echt plaatje van een plaat geworden. Rory en haar producer Rob Davis hebben er duidelijk een punt van gemaakt om het maximaal haalbare uit de liedjes van McDowell te halen en ook de vier door haar op de één of andere manier aan haar idool gewijde eigen nummers zijn ronduit subliem. Stilistisch gezien sluiten ze vrijwel zonder uitzondering perfect aan bij gecoverd materiaal als “Kokomo Blues”, “Good Morning Little School Girl”, “Woke Up This Morning” en “Shake ‘Em On Down” en in hun teksten groeien we her en der met Block mee in haar bewondering voor Mississippi Fred. Daarbij klinkt La Block hier als vanouds weer geweldig. Zowel uit haar bijzonder geïnspireerde zang als uit haar werkelijk impeccabele gitaarspel blijkt een buitengewoon diep respect voor McDowell. Hier wordt met zoveel liefde en overgave gemusiceerd, dat je het er spontaan warm van binnen van krijgt. En wij kijken dan ook nu al uit naar volgende platen, door Block opgedragen aan andere van haar helden als bijvoorbeeld Skip James, Bukka White en Reverend Gary Davis. Onze luistertips: het ongemeen intens gebrachte titelnummer, het enigszins aparte, voorzichtig richting wereldmuziek overhellende “Ancestral Home” en openingsnummer “Steady Freddy”, één van de andere Block-originelen hier, waarin ze haar voorbeeld zo ongeveer zijn eigen leven laat bezingen. Erg knap!

Rory Block

Stony Plain Records

Continental Records Services

 

THE BLACK SWANS “Don’t Blame The Stars” (Misra / Bloodshot / Bertus)

(4****)

Toen The Black Swans zo’n jaar of drie geleden aan “Don’t Blame The Stars” begonnen, hadden ze daarbij van in den beginne een soort van agnostische tegenhanger voor Willie Nelsons hem door zijn geloof ingegeven “Yesterday’s Wine” uit ’91 in gedachten. De enige loyaliteit, waartoe de Swans zich bereid wilden verklaren, was deze aanleiding gevend tot of juist voortvloeiend uit persoonlijke relaties. Geen plaats daarin voor God. Een gevoel, dat wellicht alleen nog maar versterkt werd door de dood van hun violist Noel Sayre, die net in die periode verdronk. En kopstuk Jerry DeCicca hier horen mijmeren over thema’s als vriendschap, de onvoorspelbaarheid van het leven en soelaas vinden in de muziek houdt dan ook perfect steek. Ontzettend diep, bij tijd en wijle echt intens verdrietig croonend stuwt hij het materiaal op “Don’t Blame The Stars” beurtelings richting dezelfde vaarwateren, waarin ook acts als Lambchop, Tindersticks, Bill Callahan, Will Oldham – Met wie DeCicca recentelijk nog samenwerkte! – en Roger Dean Young & The Tin Cup graag mogen vertoeven. Maar het is lang niet allemaal kommer en kwel hier. “Joe Tex”, een eerbetoon aan wijlen de grote R&B-zanger, en ook “Windshield Wipers” vallen zelfs zondermeer onder de noemer “lichtvoetig”. En als dusdanig vormen zij ook het als het ware ideale tegengewicht voor het wel nog nadrukkelijk in de meerderheid zijnde zwaarmoedigere spul van “Don’t Blame The Stars”. Een plaat, die zich aan liefhebbers van het materiaal van zo ongeveer elk van de hoger opgesomde namen dan ook van harte laat aanbevelen.

The Black Swans

Misra

Bertus

 

LUCY WAINWRIGHT ROCHE “Lucy” (Strike Back / Bertus)

(4****)

Een album, waar wellicht niet weinigen onder jullie flink naar zullen hebben uitgekeken… Het betreft hier immers het plaatdebuut van de dochter van singer-songwriter Loudon Wainwright III en Suzzy Roche en als dusdanig ook de halfzus van Rufus en Martha, die twee andere godenkinderen. En die heeft, dat wisten we sinds de ep’s “8 Songs” en “8 More” en de daaruit resulterende optredens toch al een poosje, een werkelijk verbluffend mooie stem. Ergens tussen een Patty Griffin, een Alison Krauss, een Joni Mitchell en een Kasey Chambers in, zeg maar. En met dat geweldige instrument zet ze op haar eersteling ook moeiteloos een elftal liedjes – Plus verborgen bonus track met This American Life’s Ira Glass! – naar haar hand. Folk- en countrydeuntjes met popinslag, waarin gastvocalisten als pa Loudon, de Roches, Kelly Hogan, Girlyman en de Indigo Girls en instrumentale begeleiders als David Mansfield, Stewart Lerman, Steuart Smith – Zie ondermeer Rodney Crowell en The Eagles! – en anderen er met de nodige omzichtigheid zorg voor dragen, dat “Miss Lucy” vooral niets tekort komt. Het resultaat is een heerlijk melodieus schijfje, op basis waarvan we haar hier meteen een bijzonder rooskleurige toekomst menen te mogen toedichten. Er is immers niet enkel die fraaie stem, ook haar schrijversgaven heeft juffrouw Wainwright Roche duidelijk van geen vreemden. En als ze toch al eens even “vreemdgaat”, zoals in het afsluitende “America”, je bekend van Paul Simon, dan doet ze ook dat op een zodanig overtuigende manier, dat er je als luisteraar spontaan een gevoel van welbehagen van gaat bekruipen. Neen, hier kunnen we maar bitter weinig verkeerds over schrijven! Deze zingende elf sluiten we echt met het allergrootste plezier nog wat steviger in de armen…

Lucy Wainwright Roche

Bertus

 

JOSEPH PARSONS “Hope For Centuries” (Meer Music Records / Rough Trade / India Media Group)

(3,5****)

Joseph Parsons’ achtste verschijnt via het onlangs opnieuw opgerichte Meer Music Records. Weg van zijn vorige werkgever, het Duitse Blue Rose, hoopt de Amerikaanse singer-songwriter vooral een wat ruimer publiek aan zich te kunnen binden. “Hope For Centuries” werd opgenomen in de Kawari Sound Studio in Philadelphia – Lang Parsons’ thuishaven voor hij naar Europa verkaste! – en geproduceerd door de ondermeer van zijn werk met Steve Forbert, Norah Jones en Amos Lee bekende Devin Greenwood. Daarbij deed hij een beroep op een eerder internationaal getinte band bestaande uit de Duitse drummer Sven Hansen, de Amerikaanse gitaarvirtuoos Ross Bellenoit en de Nederlandse bassist Freddi Lubbitz. En dat drietal doet zijn songs duidelijk goed! Vooral wat zachtere, op aangename wijze een folky karakter aan een poppy uiterlijk koppelende nummers als “Float” en “Never Know” worden zo bijzonder trefzeker. Diepzinnigheid verpakt in licht verteerbare muzikale kost, echt iets voor fijnproevers! Wat steviger kan het hier echter zeker ook. Of wat te denken van het verbeten, meer uitgespuwde dan gezongen “Broken Vows”, het zenuwachtige “The Meditation” en het ook al onder een veelzeggende vlag varende “Cruel Hard World”, waarin het centrale thema hier, hopen, maar dan wel een beetje tegen beter weten in, wel erg nadrukkelijk aan bod komt. Het zijn slechts drie van de vele liedjes op “Hope For Centuries”, waarin Parsons wat ons betreft zijn reputatie van uitstekende songsmid wederom alle eer weet aan te doen. Hoog tijd eigenlijk, dat de beste man inderdaad eens op wat grotere schaal gaat doorbreken! Het geschikte materiaal daartoe lijkt hij hiermee alvast in handen te houden.

Joseph Parsons

 

JT NERO “Mountains / Forests” (Chicago Bird Music / Lucky Dice Music)

(4****)

Het is verdomd moeilijk om niet meteen als een blok te vallen voor de muziek van JT Nero. Veel moeilijker alleszins dan het is om er wel gelijk volledig in op te gaan. JT Nero is het kleinere rootsy trio van de je wellicht al van JT & The Clouds bekende Jeremy Lindsay. Vorig jaar hier nog goed voor de nodige bijval met het album “Caledonia”. Een plaat, grotendeels gedragen door de ongemeen soulvolle zang van Lindsay zelve. En dat geldt eigenlijk ook wel voor “Mountains / Forests”. Daarop kiezen JT en zijn beide vrouwelijke secondanten, de van Po’ Girl geleende Allison Russell en zijn oude maatje Michelle McGrath, voor een overwegend “stripped down” gehouden aanpak. Veel akoestische gitaarklanken, banjo en dobro daardoor hier en vooral ook nauwelijks anders dan als hemels te omschrijven harmonieën. Heerlijk, hoe de stemmen van de drie protagonisten van dienst samengaan. Ze laten je als het ware achter in een zomerse roes. Roots pop, folk, country, gospel en soul blijken hier zo dicht bij elkaar te liggen, dat het niet altijd eenvoudig meer is om de grenzen tussen die genres duidelijk te trekken. Maar dat hoeft eigenlijk ook helemaal niet. Als songs zo mooi zijn als het tiental hier, dan heb je eigenlijk helemaal geen boodschap meer aan categorisering. Dan is het enige wat nog telt genieten. Met volle teugen genieten zelfs! Zoals van het voorzichtig met een bedaard rockmotiefje flirtende “North Star” bijvoorbeeld. Of van het door Drew Lindsay van achter de piano voortgestuwde rootspopjuweel “Grey Ghost”, het speelse, enigszins gospelesk opgevatte “Lowlanders”, het broeierige titelnummer en de fraaie Americana van het ingetogen “Red Balloon”. Heerlijke muziek gewoon!

JT & The Clouds

Lucky Dice Music

 

SARAH MACDOUGALL “Across The Atlantic” (Sarah MacDougall)

(3,5****)

Haar naam mag het dan al allerminst doen vermoeden, maar Sarah MacDougall is wel degelijk van Zweedse afkomst. Haar wieg stond in Malmö en daar zou ze ook ruim twintig jaar van haar jonge leven slijten. Vervolgens brachten haar studies haar achtereenvolgens naar Australië en naar Canada. En dáár, in Vancouver meer bepaald, vestigde ze zich definitief. En niet alleen dát, ze gaf er eindelijk ook toe aan haar eerste liefde: de muziek. Iets wat in 2005 uiteindelijk resulteerde in haar eerste plaat, “Headed For The Hills”, een album, waarvoor nog redelijk nadrukkelijk het predicaat alt. country uit de kast mocht. En dat is voor opvolger “Across The Atlantic” al bij al toch heel wat minder het geval. Die “moeilijke tweede” vermengt immers op bijzonder sfeervolle wijze elementen uit Americana, folk en pop. En wat daaruit voortvloeit, is echt ongemeen mooie luistermuziek, die met enige regelmaat in de buurt van Lucinda Williams’ wat introvertere momenten uitkomt. Een heel mooi voorbeeld bij die stelling vormt het volop van fraai melancholisch snarenwerk profiterende “I’ve Got Your Back”, een nummer, nu al voorbestemd tot een lang leven op de Ctrl. Alt. Country-iPod. En dat laatste geldt wellicht ook voor de “country noir” van “Biggest Mistake”, waarin MacDougall zich tegen een overduidelijk door wijlen Johnny Cash geïnspireerd ritme ook al van haar beste kant laat bewonderen, en de intimistische sleper “I’ve Got Sorrow”. Dringend gaan ontdekken, zouden wij zo zeggen, je zal het je absoluut niet beklagen!

(Voor dit schijfje vielen we hier graag in herhaling. Al in maart van 2009 prezen we het via Ctrl. Alt. Country uitgebreid aan. Sindsdien verscheen er van Sarah MacDougall geen nieuw plaatwerk meer. Daar ze momenteel doorheen Europa trekt, visten we onze recensie van indertijd dus gewoon nog maar eens even op…)

Sarah MacDougall

 

THE SILOS “Florizona” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

2010 markeerde voor Walter Salas-Humara een kwart eeuw aan het hoofd van The Silos, maar of hij dat jubileum ook daadwerkelijk gevierd heeft, is nog maar de vraag. Met de in 2008 overleden Drew Glackin verloor hij immers niet enkel zijn vaste bassist, maar ook een vriend voor het leven. En dat de opvolger van het doorgaans eerder lovend onthaalde “Come On Like The Fast Lane” uit 2007 behoorlijk lang op zich heeft laten wachten, hoeft vanuit die optiek dan ook niet echt te verwonderen. Salas-Humara moest immers op zoek naar een waardige vervanger voor Glackin en het duurde zo z’n tijd voor hij die uiteindelijk vond in Rod Hohl. Niet de enige nieuwkomer op de vijftiende ondertussen toch ook alweer van The Silos trouwens, die Hohl. Ook supergitarist Jason Victor, je ondermeer bekend van heel wat bijdragen aan platen van Steve Wynn, en toetsenman Bruce Martin kwamen de rangen van de groep vervoegen. En het moet gezegd: ze weten zich met z’n drieën probleemloos een eigen stek binnen The Silos toe te eigenen. In die mate zelfs, dat “Florizona” eigenlijk gewoon tot het allerbeste behoort, wat The Silos in hun toch behoorlijk rijk gevulde geschiedenis al hebben afgeleverd. Het is een ongelooflijk vitaal album geworden, waarop Salas-Humara zijn als vanouds lekker scherpe teksten mag declameren tegen bij momenten best wel strakke ritmes, zich daarbij bovendien geruggensteund wetend door Victors ook hier weer zalig priemende en scheurende gitaar. ’n Beetje alternatieve country, wat woestijnzand uit de buurt van Arizona, wat Velvet Underground, shaken not stirred, en je krijgt een vrij goed beeld van wat je hier te wachten staat.

The Silos

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

OH MY DARLING “In The Lonesome Hours” (Oh My Darling Music)

(3,5****)

Tot nader order één van de beter bewaard gebleven geheimen van de Canadese rootscène, dit kwartet bestaande uit de dames Marie-Josée Dandeneau, Allison De Groot, Rosalyn Dennett en Vanessa Kozina. Met z’n vieren brengen ze een volstrekt unieke vorm van country. Tegelijk heerlijk ouderwets aandoend en toch voorzien van zoiets als een eigentijdse toets. Bluegrass, authentieke Appalachen-country, Southern twang en Francofone folk versmelten op “In The Lonesome Hours” tot een gelijk vanaf een eerste beluistering ervan tot veelvuldige consumptie aanzettend geheel. Mooie stemmen, subliem banjogetokkel clawhammer-stijl, al even gedreven gestoei op fiddle en bas en bovenal ook een veelheid aan knappe songs laten hier maar bitter weinig te wensen over. Opmerkelijk is overigens, dat zo goed als alle liedjes op “In The Lonesome Hours” eigen originelen zijn. Enkel voor de van een nieuw kleedje voorziene traditional “A La Claire Fontaine” zocht men z’n heil elders.

(Tussen 9 en 16 juni doen de dames Nederland aan voor een viertal optredens. Meer info vind je daaromtrent hier.)

Oh My Darling

 

MATRACA BERG “The Dreaming Fields” (Dualtone / Bertus)

(4****)

Onwaarschijnlijk mooie comebackplaat van de veel te lang van het voorplan verdwenen Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Matraca Berg. Na het ook al verre van misse drietal “Lying To The Moon” uit ’90, “The Speed Of Grace” uit ’94 en “Sunday Morning To Saturday Night” uit ’97 werd het plots heel erg stil rond haar. Veertien lange jaren zou het uiteindelijk duren alvorens ze met nieuw plaatwerk op de proppen zou komen. Maar dat is dan ook wel een echte beauty van jewelste! “The Dreaming Fields” sluit sfeermatig regelmatig vrij dicht aan bij het latere werk van Emmylou Harris. De songs erop zijn veelal eerder melancholisch van aard. Berg “beschäftigt” zich erin met name met vrouwenlevens. Het hele spectrum vervat tussen pijn en triomf wordt daarbij vakkundig in kaart gebracht. En zingen kan Berg natuurlijk ook als geen ander. Met haar heerlijk heldere stem zal ze met name fans van dames als de eerder al genoemde Emmylou Harris, Gretchen Peters, Kim Richey, Patty Loveless en Suzy Bogguss ook wel over de streep weten te krijgen. Een veel beter instrument om haar emotioneel behoorlijk diepgaande liedjes mee aan de man te brengen lijkt ons amper denkbaar. Al verdient ook de gitaarinbreng van Doug Lancio hier zeker een speciale vermelding. Hij is als het ware Bergs eigen Daniel Lanois. Ongemeen sfeervol, wat die man allemaal uit zijn snaren weet te schudden! Onze, als naar goede huisgewoonte volledig vrijblijvende, luistertips: het intimistische pareltje “Oh Cumberland” en het voorzichtig swampy aandoende, ons best wel een weinig aan Bobby Gentry herinnerende “Your Husband’s Cheating On Us”.

Matraca Berg

Dualtone Music Group

Bertus

 

LAURA CANTRELL “Kitty Wells Dresses” (Shoeshine Records / Cadiz Music)

(4****)

Na het nu goed 3 jaar geleden enkel in digitale vorm verschenen “Trains And Boats And Planes” hadden wij hier de hoop op een echt pakkende nieuwe Laura Cantrell-plaat eigenlijk al zo’n beetje opgegeven. Echt groots kon je dat conceptalbum immers bezwaarlijk noemen. Maar zie daar! Met “Kitty Wells Dresses” bewijst Cantrell hier en nu ons grote ongelijk. Met die collectie “Songs Of The Queen Of Country Music” zit ze plots weer helemaal terug op het goede spoor. In een productie van grootmeester Mark Nevers trakteert ze ons op een bijzonder welgekomen bui aan zachte traditionele country en honky-tonk. Met als voornaamste bondgenoten natuurlijk weer die kristalheldere stem van ‘r en een flink uit de kluiten gewassen bataljon aan hoogbegaafde muzikanten-vrienden, waaronder Caitlin Rose, Fats Kaplin, Billy Contreras, Paul Niehaus, Chris Scruggs, Ben Hall, William Tyler en Mike Bub. Samen waden ze doorheen een negental bekende en minder bekende nummers van haar een beetje in de vergetelheid geraakte heldin Wells. Natuurlijk ontbreekt “It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels” daarbij niet op het appel. Maar ook tal van wellicht minder tot de collectieve verbeelding sprekende Wells-nummers passeren de revue. Daarin regeren, de gouden dagen van het countrygenre volledig getrouw, de ontrouwe manslui, hun bedrogen wederhelften, zich in verdriet wentelende schonen en aanverwanten nog volop. Zacht jammerende steelgitaren en als het ware meehuilende fiddles zorgen daarbij voor zo menig “een traan in je biertje”. Slechts één keer verlaat Cantrell het door haar bewandelde pad van covers. Dat is voor het door haar samen met Amy Allison aan haar grote voorbeeld gewijde titelnummer. Een liedje, dat louter gevoelsmatig overigens gewoon perfect aansluit bij de rest hier. Enkele opvallende momenten nog: het in duet met BR549-kopstuk Chuck Mead gebrachte “One By One” en de echt wel op buitengewoon fraaie wijze immens verdriet verklankende afsluiter “Searching For A Soldier’s Grave”. Zou dit het begin van een heuse Kitty Wells-revival kunnen zijn? Wie weet! De toekomst zal het moeten uitwijzen…

Laura Cantrell

Shoeshine Records

 

RUSTIES “Wild Dogs” (Tube Jam Records)

(3,5****)

Lang werden ze geroemd als beste Neil Young coverband van Europa, maar dat hoofdstuk van hun carrière samen lijken de vijf Milanezen van The Rusties nu toch wel stilaan te hebben afgesloten. Na hun in 2009 onder de veelzeggende vlag “Move Along” verschenen eerste plaat met eigen materiaal is er nu “Wild Dogs”, de logische volgende stap in hun ontwikkeling. In een productie van zanger-gitarist Marco Grompi worden de muzikale horizonten hier in vergelijking met de genoemde voorganger nog flink wat verruimd. “Lose My Love” en “This Rotten Track” geuren zo bijvoorbeeld aardig nadrukkelijk naar wat de Amerikaanse westkust doorgaans op muzikaal vlak te bieden heeft, “Wild Dogs” – Met verrukkelijke gastvocaliste Mary McCoughlan! – is behoorlijk verbeten aandoende protestrock, “Oh Rory” blijkt naast een ingetogen poppareltje ook een knap eerbetoon aan wijlen Rory Gallagher en “The Ungrateful Child” valt ondanks al z’n Youngiaanse gitaargeweld toch ook onder de ruime noemer Southern rock. Daarnaast natuurlijk nog heel wat andere links richting Ome Neil hier. Grompi’s stem lijkt nu eenmaal flink op die van z’n grote voorbeeld. En ook de snareninbreng van diezelfde Grompi en zijn secondant Osvaldo Ardenghi ademen nadrukkelijk het veelvuldig beluisteren van ’s mans platen uit. Maar het moet gezegd: Grompi en co springen op creatieve wijze om met Youngs erfgoed. En dus vinden wij het lekker gevarieerd aandoende “Wild Dogs” ook gewoon een hele goede plaat tout court.

Rusties

 

LEVON HELM “Ramble At The Ryman” (Dirt Farmer Music / Vanguard / EMI)

(4****)

Je moet het ijzer smeden, als het heet is, moet Levon Helm gedacht hebben, want “hot on the heels of” zijn recente, wellicht tot zijn eigen grote verbazing erg lovend onthaalde en ook best wel aardig verkopende comebackplaten “Dirt Farmer” en “Electric Dirt” pakt hij nu alweer uit met het voor een publiek van kenners ingeblikte “Ramble At The Ryman”. Ook daar, in het hart van de Amerikaanse countrygemeenschap bleek hij na jaren plots weer welkom. Meer nog, hij vond zelfs een hele batterij aan bekende collega’s bereid om er zijn kunstjes nog wat meer kracht bij te komen zetten. En dat mondde uit in een set, die de op de avond van deze opnames in het vermaarde Ryman Auditorium aanwezigen zich allicht nog lang zullen heugen. Natuurlijk greep de Band-man daarbij regelmatig terug naar stukken van die legendarische groep. En al even vanzelfsprekend zijn heel wat bezoekjes aan het ten tijde van deze gig nog volop florerende “Dirt Farmer”-album. En zoals dat tijdens een goede “ramble” nu eenmaal hoort, werd er uiteraard ook flink wat af gecoverd. Slim Harpo’s “Baby Scratch My Back” passeert zo ondermeer de revue, evenals “No Depression In Heaven” van de Carter Family, “Deep Elm Blues” van de Grateful Dead en Buster Browns “Fannie Mae”. Hoogtepunten echt zat hier! Gelijk van bij het ondermeer door soulvolle blazers aangejaagde openingsnummer “Ophelia” zit de sfeer er goed in. En dat zal zo ruim zeventig minuten blijven! Lekker rockend, zoals in “Back To Memphis”, stomend bluesy, zoals in het met Little Sammy Davis gebrachte “Fannie Mae” en het hoger ook al vermelde “Baby Scratch My Back”, authentiek rootsy, zoals in het met Sheryl Crow gedeelde tweetal “Evangeline” en “No Depression In Heaven” of in “Anna Lee”, bonkend op de poorten van de Americana-hemel, zoals in “Wide River To Cross” met Buddy Miller en Sam Bush of het afsluitende “The Weight”, dé Band-klassieker tout court, mede door wat gezongen hulp van John Hiatt met brio naar het hier en nu vertaald. Zalig gewoon! Een schoolvoorbeeld eigenlijk van hoe een live-plaat hoort te klinken.

Levon Helm

Vanguard Records

 

DIANE SCHUUR “The Gathering” (Vanguard Records / EMI)

(3,5****)

Een plaat, die hier tijdens de er stilaan weer aankomende warme vakantiedagen ongetwijfeld nog regelmatig dienst zal gaan doen, is de nieuwe van Diane Schuur. De al van bij haar geboorte blind door het leven stappende jazzchanteuse koos ditmaal voor een conceptuele aanpak. Op “The Gathering” maakt ze zich onder de bezielde productionele leiding van veteraan Steve Buckingham een tiental, voornamelijk tijdens de gouden hoogdagen van het genre in de sixties gepende country classics eigen. Van Willie Nelsons “Healing Hands Of Time” over Tammy Wynette’s “Til I Can Make It On My Own” tot Merle Haggards “Today I Started Loving You Again” en een handvol andere overbekende kleinoden, altijd hangt er daarbij wel een klein beetje magie in de lucht dankzij Schuurs werkelijk fenomenale voordracht. Met af en toe wat passende gastbijdragen om het gebrachte nog wat meer kracht bij te zetten. Zo maakt Alison Krauss haar opwachting in het mooie “Don’t Touch Me”, komen voormalig Dire Straits-kopstuk Mark Knopfler en Kirk Whalum voorbij in het al genoemde “Healing Hands Of Time” en deelt “Deedles” “Today I Started Loving You Again” met ondermeer Vince Gill en Larry Carlton. Stuk voor stuk puntgave liedjes! Nauwelijks te geloven eigenlijk, dat dit hele album in niet eens een hele dag aan het eind van vorig jaar werd ingeblikt. En nog veel minder, dat heel wat van songs op “The Gathering” gewoon “first takes” zijn. Très sympa!

Diane Schuur

Vanguard Records

 

THE LONG RYDERS “Native Sons / 10-5-60 / Radio Tokyo / 5 By 5 (Deluxe Reissue)” (Prima Records)

(4****)

Samen met een handvol andere acts, waaronder Green On Red en Jason & The Scorchers, luidden The Long Ryders ergens halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw het tegenwoordig graag als alternatieve country bestempelde genre in. Met enkele releases vol met wat men toen nog graag als “cowpunk” omschreef wist die vanuit L.A. actieve groep rond zanger Sid Griffin en gitarist Stephen McCarthy zich gelijk vanaf z’n in ’83 verschenen debuut-ep “10-5-60” een stevige reputatie te verwerven. Al wordt de pas een jaar later verschenen volwaardige langspeler “Native Sons” door velen toch gezien als hun eerste echte “meesterzet”. Nummers als “(Sweet) Mental Revenge”, “Tell It To The Judge On Sunday”, “Never Got To Meet The Mom” en “Wreck Of The 809” waren er echt pal op. Ergens tussen country, roots rock en punk sloegen de “Ryders” spijkers met koppen. En dus hoeft het wat ons betreft ook helemaal niet te verbazen, dat beide platen nu, bijna drie decennia later, eindelijk de al zo lang verdiende “Deluxe Reissue”-behandeling mee krijgen. Samen met materiaal van “Radio Tokyo”, een al in ’82 ingeblikte reeks demo’s, de “5x5”-sessies uit ’85 en “I Had A Dream”, een tijdens de opnames van “Native Sons” gefabriceerd b-kantje. Goed voor 24 tracks jeugdsentiment van de bovenste plank en voor de “jonkies” onder jullie een essentieel stukje genregeschiedenis. Absoluut niet te versmaden!

The Long Ryders

Prima Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home