CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2012

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

KATJA MARIA WERKER “Mitten im Sturm” - MARC & THE WILD ONES “The Rockin’ Beat Of…” - THE 44s “Americana” - MARVIN ETZIONI “Marvin Country!” - THE REFUGEES “Three” - I SEE HAWKS IN L.A. “New Kind Of Lonely” - MORGAN O’KANE “Pendulum” - WRINKLE NECK MULES “Apprentice To Ghosts” - THE RUMBLEJETTS “Motor Honey” - LOUDON WAINWRIGHT III “Older Than My Old Man Now” - SONNY LANDRETH “Elemental Journey” - JASON HEATH AND THE GREEDY SOULS “Packed For Exile” - THE BISCUIT GRABBERS “The Biscuit Grabbers” - BO WALTON “Waiting On A Dream” - EMMY LOU AND THE RHYTHM BOYS “Bye Bye Baby” - KATE CAMPBELL “1000 Pound Machine” - ARNO LORIAUX “He’ll Leave No Stone Unharmed” - LIEVEN TAVERNIER “Witzand” - THE LONESOME SISTERS “Deep Water”

 

 

KATJA MARIA WERKER “Mitten im Sturm” (Stockfisch-Records / In-Akustik)

(4****)

Goede Duitstalige platen krijgen we hier bepaald niet alle dagen voorgeschoteld. Niet dat die niet worden gemaakt of zo, neen dat niet, ze bereiken ons gewoon niet, that’s it. En eigenlijk vind ik dat best wel jammer. In tegenstelling tot heel wat anderen vind ik het Duits als muziektaal immers best wel wat hebben. En om je daarvan te overtuigen nodig ik je uit om snel eens kennis te maken met “Mitten im Sturm”, de nieuwe van Katja Maria Werker. Die nam die nieuwe schijf van ‘r op in de hier al wel vaker geprezen studio van Günter Pauler van Stockfisch-Records. Samen met vaardige studioratten als Ian Melrose (gitaren, whistle), Lutz Möller (Fender Rhodes, Mellotron), Alessandro Gulino (bas), Hans-Jörg Maucksch (bas), Martin Großkurth (Hammond B3), Peter Funk (dobro), Lucille Chaubard (cello), Beo Brockhausen (ondermeer saxofoon) en Lea Morris (backing vocals), je wellicht al wel bekend van hun werk met onder anderen David Munyon en Sara K., brengt Werker voornamelijk liedjes in haar eigen moedertaal. Enkel haar folky lezingen van “Crossfire” van Killers-kopstuk Brandon Flowers en “Here Comes The Flood” van Peter Gabriel vormen wat dat betreft uitzonderingen. Dankbare hapjes voor attente radiojongens, die twee liedjes, maar niet echt voor ons. Wij vielen wél als een blok voor een aantal andere songs hier. Met name het ingetogen “Tief im Innern”, titelnummer “Mitten im Sturm”, “Die Zeit mit dir (100%)”, het op een melodie van Theodorakis geënte “Zusammenleben” en covers van “Vom selben Stern” van de hitgroep Ich+Ich en de Duitse klassieker “Über sieben Brücken musst du gehn” (Karat). Daarin komt de breekbare stem van Werker het best tot haar recht. En dat is eigenlijk haar voornaamste troefkaart. Al zijn ook haar teksten absoluut niet te versmaden, hoor! Met name in het verwoorden van (diepere) gevoelens blijkt Werker een echte kanjer, dat doet ze hier op een geregeld flink tot de verbeelding sprekende poëtische wijze.

Katja Maria Werker, Stockfisch-Records

 

MARC & THE WILD ONES “The Rockin’ Beat Of…” (Rhythm Bomb Records)

(4,5*****)

Wat we hier hebben is het verbluffend straffe debuut van een collectiefje, dat z’n naam absoluut niet gestolen blijkt te hebben. Wild is immers daadwerkelijk het sleutelwoord voor dit jonge Duitse rockabillygezelschap. De vier vonden elkaar pas in april van vorig jaar. En nauwelijks enkele weken later ging de bal al goed aan het rollen voor Marc Valentine (zang, slaggitaar), Rene Rottmann (leadgitaar), Andy Hümmer (double bass) en Stefan Dürrbeck (drums). Op basis van hun eerste demo kregen ze zowel vanuit hun thuisland als vanuit België, Nederland en Oostenrijk aanvraag op aanvraag binnen om optredens te komen verzorgen. Met hun “high voltage show” en okselfrisse authentieke rockabillydeunen wisten ze zich in geen tijd van een flinke reputatie binnen het circuit te verzekeren. En een eerste volwaardige langspeler kon dan natuurlijk ook niet al te lang meer uitblijven. Vandaar dus nu “The Rockin’ Beat Of... Marc & The Wild Ones”. Met daarop liefst dertien Valentine-originelen! Enkel voor “Stutterin’ Cindy” pieste men even langs de pot. Dat werd immers op overtuigende wijze aan de songcatalogus van good old Charlie Feathers onttrokken. Samen met dingen als het als een heuse wervelwind uit de startblokken schietende “Boppin’ Mary Lou”, het op buitengewoon energieke wijze country absorberende “Why Did You Make Me Cry”, het dartele lijflied “Wild One” en het uitnodigende “Rock With Me” meteen één van onze absolute favorieten hier. Al vinden we op dit visitekaartje op de keper beschouwd eigenlijk gewoon alles goed. Valentine schrijft immers buitengewoon catchy songs en heeft ook een exceptioneel performante stem, Rottmann blijkt een zondermeer uitmuntende gitarist en ook op de ritmetandem Hümmer-Dürrbeck valt duidelijk staat te maken. Een echte dijk van een plaat, als je het ons vraagt…

Marc & The Wild Ones, Rhythm Bomb Records

 

THE 44s “Americana” (Rip Cat Records)

(4****)

Aan energie ook op de tweede van het met gasten Kid Ramos (gitaar) en Ron Dziubla (sax) occasioneel tot een heus sextet uitgebreide Amerikaanse blues- en rootsgezelschap The 44s weer absoluut geen gebrek. Gelijk van bij het nog volop aan de “Boogie Disease” uit de titel van hun in 2011 verschenen eersteling lijdende openingsnummer is het weer volle bak prijs. Johnny Main (zang, gitaar), Tex Nakamura (harmonica), Mike Turturo (bas) en J.R. Lozano (drums) tonen zich echt in bloedvorm. En dat zal ook ditmaal weer resulteren in dertien lappen zinderende geactualiseerde West Coast en Chicago blues. En niet in Americana dus, zoals de titel van deze tweede van The 44s toch wel enigszins misleidend suggereert. Al zullen er ook onder jullie vast wel enkelen te vinden zijn, die blues gewoon als één van de vele subgenres van Americana beschouwen… En al speelt men in “Dixie” dan ook nadrukkelijk met een aan het hillbillygenre ontleend motiefje. Knap nummer trouwens, die deun! Heerlijk energiek gebracht. En dat geldt voor wel meer dingen hier. Als daar zijn bijvoorbeeld de geweldige Chicago bluesstamper “Pleading My Case” (met Kid Ramos excellerend op de slide), de zalige streep Willie Dixon-R&B die “You’ll Be Mine” is en het stomende “99 To Life”. Andere regelrechte uppercuts hier: de slow-burner “Hard Times”, een mede dankzij een pittige harmonicabijdrage van Tex Nakamura verbluffend knap uitgevallen lezing van Howlin’ Wolfs “Mr. Highway Man”, de soulvolle “valse trage” “Lady Luck” en de haar titel getrouw verslavende nevenwerkingen uitlokkende dosis R&B Chicago style “Cocaine”.

The 44s, Rip Cat Records

 

MARVIN ETZIONI “Marvin Country!” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Marvin Etzioni, ook wel The Mandolin Man, geniet vooral naambekendheid als één van de stichtende leden van het cowpunkgezelschap Lone Justice, de groep waarin ook Maria McKee medio de jaren tachtig haar eerste stappen richting faam zette. Na twee redelijk succesvolle platen met dat bandje gingen zowat alle betrokkenen hun eigen muzikale wegen. En voor Etzioni betekende dit zowel het afleveren van een reeks soloplaten als productiewerk voor onder anderen Peter Case, Counting Crows en Toad The Wet Sprocket. En op de keper beschouwd eigenlijk wel meer dat laatste. Voor “Weapons Of The Spirit”, de voorganger van “Marvin Country!”, zijn vierde voor eigen rekening, moeten we immers al meer dan een decennium – Bijna twee zelfs! – terug in de tijd. En dat is afgaande op de kwaliteit van die nieuwe van ‘m best jammer te noemen, want dat is echt wel een heel mooie plaat geworden. En een heel speciale ook. Een dubbelaar met gezongen gastbijdragen van Maria McKee, John Doe, The Dixie Hummingbirds, Lucinda Williams, Buddy Miller, Steve Earle, Richard Thompson, Shane Fontayne, Jon Wayne, Grey deLisle, Trevor Menear, The Holy Brothers en Chris Pierce. Soms traditionele country, soms de outlaw-variant daarop, soms alternatieve, soms… Marvin Country! Gebracht met een dunne, wat aan die van Cash in z’n nadagen of aan die van Chip Taylor herinnerende hese stem. Ideaal materiaal om mee te vertellen dus. En dat doet Etzioni hier dan ook uitgebreid, daartoe inspiratie vindend in geloof, hoop en liefde, bij Dylan, de Great Depression en wel meer. Zelf bespeelde Etzioni tijdens de opnames van “Marvin Country!” ondermeer mandoline, mandocello, gitaren, bas, piano en drums. Vrienden en collega’s als Donald Lindley, Gurf Morlix, Duane Jarvis, Tammy Rodgers, Buddy Miller, Steve Fishell, Greg Leisz, Don Heffington, Jerry Scheff, Phil Parlapiano, Steve Earle, David Ralicke en tal van anderen deden graag de rest. Enkele daarbij ontstane highlights: “You Possess Me”, een pakkend duet met z’n ex-Lone Justice-collega Maria McKee, het enigszins bevreemdende “Bob Dylan Is Dead”, de met The Holy Brothers gebrachte en echt ronduit schitterende Americana-elegie “Ain’t No Work In Mississippi” en de hartverscheurende countryballade “Hard To Build A Home”. Wil je absoluut niet missen!

Marvin Etzioni, Sonic Rendezvous

 

THE REFUGEES “Three” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Wat een mooie plaat alweer, deze nieuwe van het uit de gerenommeerde dames Cindy Bullens, Deborah Holland en Wendy Waldman bestaande trio The Refugees! Hun in tegenstelling tot wat de titel je zou kunnen doen denken tweede langspeler is er echt één om duimen en vingers bij af te likken! Elf nummers lang serveren de drie ronduit heerlijk harmonieerwerk. Denk aan Crosby, Stills & Nash in hun hoogdagen en aan de Indigo Girls ook wel. Maar dan wel gecast in een Americana-decorum.  Veelal akoestisch gehouden, soms even richting bluegrass, zydeco of folk blues neigend, maar vooral bedaard en bijzonder lekker groovend en (country)rockend toch. Soms in herwerkingen van oudere eigen nummers, veelal echter met nieuw materiaal. Aan het coveren slaat men welgeteld één enkele keer, met name in de door Waldman van een nieuw arrangement voorziene traditional “Green Rocky Road”. Onze lievelingsnummers: het door de drie samen gepende en lekker ingehouden rockende “Rosalinda”, het door Holland met vaardige hand met weemoedige accordeonklanken besprenkelde “January Sky” en het echt wel rete-catchy uit de speakers rollende “Chain Stores, Malls And Restaurants”. Kregen we het vrijwel ogenblikkelijk heel erg warm vanbinnen van!

The Refugees, Blue Rose Records, Sonic RendezVous

 

I SEE HAWKS IN L.A. “New Kind Of Lonely” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Rob Waller, Paul Lacques en Paul Marshall hebben zich de voorbije elf jaar in alle rust opgewerkt tot één van de allerbeste roots acts überhaupt. Het vanuit Californië actieve drietal wordt ondertussen door zowel critici als een hele meute liefhebbers van ouderwets lekkere Americana op handen gedragen. En geloof ons vrij, dat zal na “New Kind Of Lonely” alleen nog maar meer het geval gaan zijn. Met dat album krijgen hun vaak memorabele akoestische shows van de voorbije jaren nu immers eindelijk ook een verlengstuk op cd. In het gezelschap van vrienden en collega’s als Gabe Witcher (fiddle), Cliff Wagner (banjo), Richie Lawrence (accordeon), Dave Raven (drums) en Bubba Hernandez (backing vocals) toveren de drie heren weer dertien veritabele pareltjes uit de spreekwoordelijke hoge hoed. Toonbeelden van eenvoud, gedragen door de fraaie gebronsde stem van Waller, heerlijk harmonieerwerk en veelal erg subtiel gehouden akoestisch gitaarwerk. Het merendeel van die songs schreef het duo Waller-Lacques. Slechts onder een vijftal stuks prijken naast minstens één hunner namen ook die van anderen. Onze favorieten hier? Het wel bijzonder sfeervol ingevulde “Bohemian Highway”, het titelnummer, het lang niet enkel met een leuke titel gezegende “I Fell In Love With The Grateful Dead”, het intimistische “Mary Austin Sky” en het resoluut op de kuiten mikkende “Hunger Mountain Breakdown”, waarin gasten Witcher en Wagner volop aan de bak mogen.

I See Hawks In L.A., Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MORGAN O’KANE “Pendulum” (Dollartone / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Morgan O’Kane is een regelrecht fenomeen. Een heus natuurverschijnsel! De verbetenheid, waarmee hij zijn banjo en mandoline tergt, spreekt vrijwel meteen zwaar tot de verbeelding. En zowat overal ter wereld vallen persjongens dan ook haast over hun woorden bij het omschrijven van ’s mans wervelende kunstjes. “Als Jimi Hendrix banjo gespeeld had, dan had hij wellicht op Morgan O’Kane geleken,” lazen we zo ondermeer al en die lofbetuiging kwam misschien nog het dichtst in de buurt van de essentie. De uit Charlottesville, Virginia afkomstige, maar als busker in de straten van New York gerijpte O’Kane staat immers ook garant voor bijna aan het bezetene grenzende muzikale passie. Zijn songs zijn rauw, zijn zang wild en zijn spel op zowel banjo als mandoline tegelijk inventief en enorm energiek. O’Kane vertimmert op “Pendulum” zonder ook maar de minste vorm van gêne traditionele muziekwaarden. Oude fundamenten kraken onder zijn revolutionaire gehamer op met name de eigen banjo. Bluegrass klonk eigenlijk nog nooit zo intens als hier. In een productie van Vic Thrill en verder ondermeer met de nodige hand- en spandiensten van Ferd Moyse van de Hackensaw Boys op fiddle, de recent tot de Carolina Chocolate Drops toegetreden Leyla McCalla op cello, Ezekiel Healy op dobro, Liam Crill met spoons, JR Hankins op flugelhorn en Domino Kirke voor bijkomende zang vindt O’Kane het genre als het ware opnieuw uit. Dat klinkt misschien allemaal een weinig overdreven, maar dat is het zeker niet! Luister zelf bij gelegenheid maar eens naar dingen als “Hello Soul”, “Hello And Go” of “Pendulum” en je zal allicht ook snel tot het kransje van diep gelovigen toetreden. Met de veertien songs van deze tweede van O’Kane moet het dak er gewoon van af! We’re deeply impressed! Nu jij nog…

Morgan O’Kane, Sonic Rendezvous

 

WRINKLE NECK MULES “Apprentice To Ghosts” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Is al bij al beduidend meer rockgeoriënteerd opgevat dan z’n voorgangers “Minor Enough”, “The Wicks Have Met”, “Pull The Brakes” en “Let The Lead Fly” deze nieuwe van de Wrinkle Neck Mules. In tegenstelling tot op die platen zijn het hier bij momenten voornamelijk de elektrische gitaren die regeren. De schuurdeuren worden zo door Andy Stepanian en zijn maats als het ware (Definitief?) achter zich dichtgetrokken. Minder banjo en mandoline, het betekent hier eigenlijk gewoon nadrukkelijk kiezen voor een stadiongerichte aanpak. Meer nog dan vroeger treedt men op deze vijfde in de voetsporen van Neil Young en Crazy Horse. Andere invloeden blijven “nach wie vor” de Bottle Rockets, Richmond Fontaine, Son Volt en Steve Earle. Al horen we die laatste twee hier al veel minder dan voorheen terug. Enkel nog in het de feestelijkheden langzaam op gang trekkende “When The Wheels Touch Down”, in het met steelgitaarklanken overgoten titelnummer, in het nog wel op mandolinegepingel van Mason Brent geënte “Parting Of The Clouds” en in het door mooi harmonieerwerk en een banjobijdrage van Chase Heard opvallende “Leaving Chattanooga” eigenlijk. Voor het overige lijken de vijf uit Richmond, Virginia ditmaal vooral hun wat jongere fans te hebben willen behagen. En daartoe werd er, zoals reeds gesteld, met enige regelmaat lekker loos gegaan op de elektrische: in het behoorlijk bezwerend uit de hoek komende “On Wounded Knee” bijvoorbeeld of in het lekker rommelige “Patience In The Shadows” ook wel. Sterke Americana van het type anno nu, zeg maar…

Wrinkle Neck Mules, Blue Rose Records, Sonic RendezVous

 

THE RUMBLEJETTS “Motor Honey” (Money Wolf Music)

(3,5****)

Al ruim vijftien jaar lang behoort dit vanuit Kansas City actieve drietal tot het allerbeste wat rockabilly te bieden heeft. En dat onderstrepen ze ook op hun nieuwe cd “Motor Honey” weer. Twaalf nummers lang herinneren Pedro Mora (staande bas en zang), Jim Holopter (gitaren) en Jeff Holt (drums) er ons aan, waarom “rock & roll nu precies zo’n zegen voor de ziel is”. Meer rock & roll dan we van hen gewend zijn misschien wel, maar dat kan de pret absoluut niet drukken. Er wordt echt vlijmscherp geopend met het zijn titel volop eer aandoende “Jump Kid, Jump!”. Vervolgens gaat het middels een dosis speedcountry (“Sugar Daddy”) en een streep psycho (“Zombie Girl”) richting het eerste rockabilly-wapenfeit (“Rocket To The Moon”). En dat is meteen ook één van de allerleukste nummers hier. Het herinnerde ons voorwaar een klein beetje aan de Stray Cats in hun beste dagen. Stevig scheurend (“Anchor Down”) gaat het aansluitend “Full Throttle” rockend richting een volgend hoogtepunt. Want dat is “Truck Stop Waitress” ontegensprekelijk. Rete-aanstekelijke “topbilly” gewoon, met bij momenten werkelijk subliem gitaarwerk van Jim Holopter! Volgen nog: het ook al superswingende “Chicken Shack Boogie”, het werkelijk alle speed limits aan z’n laars lappende titelnummer, het energiek pompende “Trucker Crank”, “Juke Joint” en de wervelende rocker “Commando”. Meer dan genoeg om nu alvast reikhalzend uit te kijken naar de optredens die deze drie Amerikanen in de volgende weken in onze kontreien zullen afwerken.

The Rumblejetts

 

LOUDON WAINWRIGHT III “Older Than My Old Man Now” (Proper Records / Rough Trade)

(4,5*****)

“Nogal wat collega’s van me publiceerden onlangs hun memoires of autobiografieën,” aldus Loudon Wainwright III onlangs. “Zelf besloot ik daarom te proberen het verhaal van mijn leven in een liedje van drieënhalve minuut te vatten.” En dan heeft hij het daarbij meer bepaald over “The Here & The Now”, het openingsnummer van zijn nieuwe cd, waarvoor hij naast jazzgitaargrootheid John Scofield ook alle vier zijn kinderen – Rufus en Martha Wainwright, Lucy Wainwright Roche en Lexie Kelly Wainwright – evenals twee van de drie moeders daarvan – Suzzy Roche en Ritamarie Kelly – in de studio mocht begroeten. Andere in het oog springende gasten op het onder een wel erg veelzeggende titel kreunende “Older Than My Old Man Now”: Chris Smither, Chaim Tannenbaum, Ramblin’ Jack Elliott en Dame Edna Everage. En natuurlijk ook een bonte veelheid aan uitstekende muzikanten, zoals bijvoorbeeld de van zijn werk voor ondermeer Sufjan Stevens en Arcade Fire bekende strijker Rob Moose en jazz-klasbakken als een Erik Friedlander, een Steve Elson, een Marcus Rojas en de eerder al genoemde Scofield. Zij en anderen waren bevoorrechte getuigen van duetten tussen Wainwright en zijn dochters Martha en Lucy, zijn zoon Rufus, zijn ex-vrouw Suzzy Roche en alle hoger al genoemde genodigden. Nogal wat liedjes over “death ‘n’ decay” kregen ze met z’n allen te horen. Wainwright op z’n allerpersoonlijkst, op z’n zesenzestigste duidelijk al bezig met een ook voor hem stilaan wenkende dood. En dat in een veelal akoestisch gehouden context. Met veel nog behoorlijk nadrukkelijk op een seventies-leest geschoeide pop ballads, wat traditionele folk- en bluesuitstapjes, een enkele lijzige ragtime-bevlieging (“My Meds”) en wat jazz ook (Ondermeer het hilarische “I Remember Sex” met Dame Edna Everage!). Niet enkel tekstueel erg sterk daardoor, maar ook op muzikaal vlak een echt groeibriljantje. Wat ons betreft een echte aanrader zondermeer!

Loudon Wainwright III, Proper Records

 

SONNY LANDRETH “Elemental Journey” (Proper / Rough Trade)

(3,5****)

Zo hoorde je Sonny Landreth dus nog nooit! Op z’n elfde gaat de slidevirtuoos uit Louisiana immers voor het eerst volledig instrumentaal. En dat blijkt lang niet de enige verandering hier. Ook op muzikaal vlak tapt het snarenwonder uit een geheel ander vaatje dan gebruikelijk. Naast voor vertrouwde ingrediënten als roots rock, blues en cajun blijkt er op “Elemental Journey” immers ook plaats voor invloeden uit ondermeer jazz en klassiek. Het door gitaarbeul Joe Satriani met  subliem gitaarwerk opgewaardeerde “Gaia Tribe” versmelt zo bijvoorbeeld op werkelijk sublieme wijze rock en jazz, “Forgotten Story” heeft iets met calypso en reggae tegelijk en “Wonderide” strandt ergens op het zo op het eerste gezicht eerder onwaarschijnlijke muzikale kruispunt tussen zydeco en klassiek. Kruisbestuivingen van die aard maken van “Elemental Journey” vooral een snoepje voor muzikale avonturiers en liefhebbers van (eerder experimentele) gitaarmuziek. Een eerste indruk die door de aanwezigheid van snarenmaestro’s als de al genoemde Satriani en Eric Johnson alleen maar nog maar versterkt wordt.

Sonny Landreth, Proper Records

 

JASON HEATH AND THE GREEDY SOULS “Packed For Exile” (Still Small Recordings)

(3,5****)

Op de één of andere manier ben ik er zo’n jaar of vier geleden in geslaagd om “The Vain Hope Of Horse”, het naar verluidt nochtans erg knappe debuut van Jason Heath en zijn Greedy Souls, compleet over het hoofd te zien. En dat is, afgaande op de kwaliteit van “Packed For Exile”, de tweede van dat gezelschap, een dikke stommiteit geweest. De me stemgewijs bij momenten best wel wat aan Pat Monahan van Train herinnerende Heath en zijn maten Jason Federici (“de zoon van” en hier verantwoordelijk voor toetsen, accordeon en melodica), Aaron Gitnick (elektrische gitaren), Abraham Etz (drums en percussie) en Will Mack (diverse bassen) kunnen hier veertien nummers lang niet goed kiezen tussen “folk met karakter”, Americana en rock (met her en der een bescheiden punkrandje). Sterke melodieën worden gebruikt voor het aankaarten van onrecht op zowel persoonlijk, spiritueel als maatschappelijk vlak. En vooral als dat gebeurt met de hand op de rem levert dat echt wel heel mooie momenten op. Wij denken dan bijvoorbeeld aan het zwaar melancholische, door gaste Alexa George van fraaie ondersteunende vocalen voorziene “Ghost In My Home”, aan de erg radiogenieke eerste single “California Wine” of aan het enigszins Petty-esk aandoende “God’s Name In Vain”. Tof spul zondermeer!

Jason Heath & The Greedy Souls

 

THE BISCUIT GRABBERS “The Biscuit Grabbers” (Rhythm Bomb Records)

(3,5****)

Ondanks het feit dat ze op het frontje van hun titelloze eerste cd worden voorgesteld als “The Lone Star State Jazz Swing Trio” begon het muzikale levensverhaal van Matt Thomas (gitaar, steel en zang), Enrico Garcia (drums en backing vocals) en Huck Johnson (staande bas en backing vocals) samen in Nederland. De drie ontmoetten er elkaar ergens backstage toen hun respectieve bands van het moment samen geprogrammeerd stonden. Al snel kwamen ze erachter, dat ze een zekere voorliefde voor Western swing en aanverwante genres deelden. En toen enkele optredens onverwacht werden afgelast trokken ze daarom samen richting een lokaal café en sloegen er spontaan aan het jammen met het ondertussen bekende resultaat: weinig later werden inderdaad The Biscuit Grabbers geboren. En die debuteren dus nu met een plaat, die niet enkel fans van het werk van enigszins vergelijkbare orkestjes als Asleep At The Wheel, The Great Recession Orchestra en The Hot Club Of Cowtown hoogdringend eens zouden moeten verkennen. Het in de Sellar Door Studio in Austin ingeblikte visitekaartje van Thomas, Johnson en Garcia blijkt immers een prima roots-geheel tout court. Veelal eerder laid back van aard, zo goed als te allen tijde swingend, maar met zo nu en dan ook wel de nodige uitstapjes richting roots  & roll en blues. Zowat de helft van de gebrachte liedjes blijken daarbij eigen originelen, de overige nummers leende men bij ondermeer Bob Wills en Tommy Duncan (de classic “Take Me Back To Tulsa”), Skeets McDonald (“Tattooed Lady”), Leon McAuliffe (het instrumentale “Panhandle Rag”) en Cab Calloway (“Reefer Man”). Met speciale vermeldingen voor het sprankelende, door Huck Johnson samen met Eddie Biebel en Wayne “The Train” Hancock gepende “Interstate Boogie” en de door Kristen Thomas gezongen sensuele sleper “Got These Blues”. Andere gasten tijdens de opnames waren ondermeer de hier net ook al even genoemde Eddie Biebel, Bo Porter en gitaristen Fred Johnson en Jim Stringer.

The Biscuit Grabbers (ReverbNation), Rhythm Bomb Records

 

BO WALTON “Waiting On A Dream” (Tabitha Records)

(4****)

Deze jonge Brit doet wat het merendeel der dezer dagen actieve rock & roll en rockabilly acts graag vergeten mag, met name die genres een genereuze injectie eigentijdse eigenheid verkopen. Hij gebruikt eigen muzikale helden als een Elvis, een Eddie Cochran, een Johnny Burnette en anderen louter en alleen als een bron van inspiratie, imiteren staat hoegenaamd niet in zijn woordenboek. Je zou zijn modus operandi een weinig kunnen vergelijken met die van acts als een Chris Isaak of een Monte Warden. Net als die beide heren slaagt Walton er alvast in om rock  & roll en rockabilly op bijzonder inventieve wijze naar 2012 te vertalen. En daarbij bestrijkt hij stilistisch gezien nogal wat terrein. Met twaalf voornamelijk door hemzelf en producer John David gepende liedjes slaat hij zo menig een muzikale homerun. Van het ongemeen aanstekelijke, op z’n Dave Edmunds rockende “Hangin’ On” tot de feelgood rockabilly van zijn ogenblikkelijk meezingbare nieuwe single “I Like It Like That”, van het met een flinke dosis country(rock)gevoel gekruide en ons van opzet voorwaar een beetje aan Marshall Crenshaw herinnerende “That’s Not Love” tot de zomaar langs de betere momenten van Chris Isaak geposteerde sleper “Wicked Moon”, van het onstuimig swingende “’S Too Much” tot het al rockend naar wijlen Johnny Cash lonkende en door Mark Knopfler van wat gitaarwerk voorziene “Miss You Bad”, van de sfeervolle slow twang van “Heartbreak Town” tot het niet te stuiten rockertje “Down In A Blaze Of Love”, het Orbison-eske “My Heart On Fire”, het z’n titel alle eer aandoende “Wild At Heart” en andere, hiervoor mag wat ons betreft graag weer eens de omschrijving “All killer, no filler!” uit de kast. “Waiting On A Dream” staat eigenlijk gewoon barstensvol potentiële radiohits. Een absoluut niet te missen debuut dan ook!

Bo Walton, Tabitha Records

 

EMMY LOU AND THE RHYTHM BOYS “Bye Bye Baby” (Vintjärn Records)

(3,5****)

Een plaat, waar ik de voorbije dagen al erg veel plezier aan heb beleefd, is “Bye Bye Baby” van het Zweedse vijftal Emmy Lou And The Rhythm Boys. Dat nog piepjonge kwintet uit de buurt van Göteborg heeft met Emma Bojort Gustafsson een werkelijk formidabele frontvrouw in z’n rangen. Die stem! Het lijkt wel een reïncarnatie van de jonge Wanda Jackson! En met een energie vergelijkbaar aan die van die rock & rolldiva in haar hoogdagen wordt hier ook gemusiceerd. Emmy Lou en haar kompanen staan garant voor een kingsize portie authentieke vijftiger jaren rock & roll en rockabilly. Vinnig om zich heen stampend zoals in “Buddy I Got You”, “Eenie Meenie Miney Mo”, “Honey Bop”, “Everybody’s Gone And Done It” of titelnummer “Bye Bye Baby”, ingehouden met de heupen wiegend zoals in hun versie van de genre-classic “Train Kept A Rollin’”, op sensuele wijze met R&B flirtend zoals in “Doggone It Baby”, meestal sterk ritmisch, behalve dan in een schuifelaar als “Last Kiss” of iets als “I Don’t Know”, wat je misschien nog het best als teen beat zou kunnen omschrijven. Moet je beslist eens even proberen! Loont echt wel de moeite!

Emmy Lou And The Rhythm Boys (ReverbNation)

 

KATE CAMPBELL “1000 Pound Machine” (Large River Music)

(4,5*****)

Al vrij snel na haar vorige, het live ingeblikte “Two Nights In Texas”, meent Kate Campbell ons alweer met een nieuwe worp te moeten verblijden en wie zijn wij dan om daar “Neen!” tegen te zeggen, he? Wij hebben het hier immers altijd al wel een beetje voor die Amerikaanse zingende songschrijfster gehad. Wij vinden haar minstens even goed als bijvoorbeeld een Nanci Griffith, een Patty Griffin of een Lucinda Williams. En al zeker na deze nieuwe schijf. Die is immers echt wel bloedmooi! Het is het soort van plaat, waarvoor je graag even achteroverleunt. Het soort van plaat, waarvan je met volle teugen geniet, wanneer na een vermoeiende dagtaak de voorbije uren weer voorzichtig van je afglijden. Balsem voor de ziel is het! Levend van de elementen uit zowel country, folk, gospel, blues als soul. Gebracht op bijzonder broeierige wijze, met een neuzelende Campbell bij momenten weer in haar vertrouwde rol van vrouwelijke Neil Young. Zij het dan ook met veel meer soul dan deze laatste. Iets wat door de orgelbijdragen van Spooner Oldham alleen nog maar meer geaccentueerd wordt. Andere gasten, waarop Campbell ditmaal ondermeer ook nog mocht rekenen: Will Kimbrough (Die ook produceerde!), David Hood, John Deaderick, Dave Jacques, Paul Griffith, David Henry, Walt Aldridge, Sloan Wainwright en de grote Emmylou Harris. Samen tillen zij “1000 Pound Machine” naar een voortdurend ontzettend hoog niveau. Sterke zang, een daaraan perfect beantwoordende muzikale invulling, geweldige liedjes… Aan deze plaat klopt gewoonweg alles! En ze je hier niet van ganser harte aanbevelen zou dan ook allesbehalve fair zijn. Ermee kennismaken kan je wat ons betreft nog het best aan de hand van het sfeergewijs zijn titel echt alle eer aandoende en met Emmylou Harris gedeelde “Alabama Department Of Corrections Mediation Blues”, het werkelijk van de soul druipende “Wait For Another Day” of het zoals te verwachten viel aan de legendarische Spooner Oldham opgedragen “Spoonerville”. Betere verkoopsargumenten zijn naar onze bescheiden mening amper denkbaar.

Kate Campbell

 

ARNO LORIAUX “He’ll Leave No Stone Unharmed” (Laterax Recordings)

(4,5*****)

Ik beluisterde dit jaar echt al ontzettend veel nieuwe singer-songwriter releases. Veel meer dan goed voor me was eigenlijk… En de tijd ontbrak dan ook om over elk van die schijfjes iets neer te pennen voor Ctrl. Alt. Country. Maar over “He’ll Leave No Stone Unharmed” van Arno Loriaux moest en zou ik absoluut wat schrijven! Als ik de voorbije maanden immers door één plaat serieus bij mijn nekvel ben gepakt, dan wel door deze. Wat een onwaarschijnlijke beauty, deze eerste volwaardige langspeler van Hagenaar Loriaux! Ongemeen sfeervol van aard. Gedragen door een prachtige stem ook. Een beetje donker, dat wel, maar o zo lekker! Je denkt aan Dylan, aan Cash, aan Townes Van Zandt, aan Tom Waits, aan Leonard Cohen, aan Nick Drake ook. Enfin, niets dan schoon volk eigenlijk. Invloeden, die op bijzonder bedachtzame wijze worden samengebracht in liedjes over ondermeer leven en liefdes, nadrukkelijk geworteld in Americana en ook ingevuld met een instrumentarium eigen aan dat genre, met naast de lap steel, dobro en mandoline van Jan van Bijnen ondermeer ook nog de double bass van Hans Custers, de viool van Simone Manuputty en de cello van Djoeke Reijseger. En met een speciale vermelding ook nog voor de hier al wel eens vaker aan bod gekomen Sonja Markowski. Haar gezongen bijdragen contrasteren immers zeer mooi met Loriaux’ stemmige bariton. Ik zou hier met plezier de nieuwe platen van mannen als bijvoorbeeld een Springsteen, een Ray Wylie Hubbard of een Todd Snider voor laten liggen… Zo goed? Neen,… nog beter!

Arno Loriaux

 

LIEVEN TAVERNIER “Witzand” (Coast To Coast)

(4****)

De wat ons betreft gewoon allerbeste Vlaamse songsmid überhaupt is met “Witzand” inmiddels al aan zijn vijfde cd toe. Lieven Tavernier, bij de grote massa vooralsnog vooral bekendheid genietend als de man die voor Jan De Wilde de klassieker “Eerste Sneeuw” schreef, serveert daarop andermaal tien veritabele schoonheden van liedjes. In een productie van Koen Gisen en met naast diezelfde Gisen op een veelheid aan instrumenten (akoestische en elektrische gitaren, basgitaar, percussie, trommels, drums, shaker, trommel, mandoline, sopraansax) ondermeer ook An Pierlé en Bruno Deneckere van de partij voor enkele gesmaakte muzikale bijdragen kerft hij geduldig zijn songs uit de bast van het leven van alledag. De liefde in al haar facetten, oude bekenden, de dood, herinneringen… zo ongeveer alles hier wordt gedrapeerd met een sluier van melancholie. Tavernier mag in zijn liedjes nu eenmaal graag over de eigen schouder blikken en met weinig woorden hele verhalen trachten te vatten. Veel heeft hij absoluut niet nodig om je tot zijn gedachtenwereld toe te laten. En dat is best wel interessant natuurlijk, want zo worden zijn belevenissen in geen tijd ook een beetje die van jou en dat schept natuurlijk een zekere band. Onze luistertips: het op sfeervolle wijze met een net niet helemaal verloren gewaande jongensdroom flirtende “Laura Gemser”, het bevreemdende zeemansverhaal “Witzand”, het speelse liefdesliedje “Sleutels” en vooral ook het afsluitende en tot diep onder de huid gaande “Aan De Stroom”. Dat laatste liedje vinden wij persoonlijk qua sfeerschepping minstens zo sterk als het al genoemde “Eerste Sneeuw”. Misschien ook wel een heus klassiekertje in wording dus…

Lieven Tavernier

 

THE LONESOME SISTERS “Deep Water” (Tin Halo Music)

(4,5*****)

Ook de vierde cd samen van Sarah Hawker en Debra Clifford is weer een echt juweeltje geworden! Onder hun “nom de plume” Lonesome Sisters vergasten ze ons ditmaal op zes originelen en vertolkingen van de traditionals “Poor Orphan Child”, “Oil In My Vessel”, “Hungry, And Faint And Poor” en “Long Time Sun”. En vrijwel geheel in de lijn van wat we op basis van voorgangers “The Lonesome Sisters”, “Going Home Shoes” en “Follow Me Down” van de dames dachten te mogen verwachten regeren ook op “Deep Water” weer die twee elkaar op zo wonderbaarlijke wijze aanvullende stemmen, een harmonium, akoestische gitaren en banjo’s. Hawker en Clifford vertalen tien nummers lang traditionele mountain music naar het hier en nu. Muziek, die na de Coen Brothers-prent “O Brother, Where Art Thou?” een poosje heel erg populair bleek. Muziek ook, die allicht moeiteloos de tand des tijds zal weerstaan. Aanbevolen bij dezen vooral aan liefhebbers van het werk van dames als een Gillian Welch, een Iris DeMent en een Alison Krauss. Gestoeld op harmonieerwerk van een welhaast onaardse schoonheid. High lonesome indeed! Sober van invulling, maar warm van hart. Kortom, gewoon adembenemend mooi!

The Lonesome Sisters, CD Baby

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home