CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2013

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

FRIDA & THE COOLANTS “Wild Hearted Diamond” - CHIP TAYLOR “Block Out The Sirens Of This Lonely World” - IAN MCFERON “Time Will Take You” - THE DIRTY GUV’NAHS “Somewhere Beneath These Southern Skies” - ANNIKA FEHLING “Fireflies” - THE DEL-LORDS “Elvis Club” - I SEE HAWKS IN LA “Mystery Drug” - US RAILS “Heartbreak Superstar” - SUSAN JAMES “Driving Toward The Sun” - JUDE JOHNSTONE “Shatter” - ANDERS & KENDALL “Wild Chorus” - THE WHIGS “Enjoy The Company” - SLAID CLEAVES “Still Fighting The War” - DIVERSE ARTIESTEN “The Golden Demon, New Songs About Chaos & Transition” - DIVERSE ARTIESTEN “The Beautiful Old, Turn-Of-The-Century Songs” - DAVE ARCARI & THE HELLSINKI HELLRAISERS “Whisky In My Blood” - PETER BEEKER& ONGENODE GASTE “Exota” - THE MERCY BROTHERS “Holy Ghost Power!” - SHANE ALEXANDER “Ladera” - MARIECKE BORGER “Through My Eyes”

 

 

FRIDA& THE COOLANTS “Wild Hearted Diamond” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Wild Hearted Woman”, de eersteling van het Zweedse vijftal Frida & The Coolants, is op de keper beschouwd een debuut en een comeback in één. Een dubbele comeback eigenlijk zelfs. Van leadzangeres Frida Snell werd na 2002 immers zo goed als helemaal niks meer vernomen en Björn Petterson Thuuri en Reine Tuoremaa ontvluchten met The Coolants aan een periode van ogenschijnlijke creatieve droogte bij de door ons erg gesmaakte Willy Clay Band. Aangevuld met gitarist Mattias Kenttä en drummer Mattias Pääjärvi bezorgen die twee laatsten Snell een heerlijk gevarieerde muzikale achtergrond, waartegen ze haar kunstjes als zangeres echt ten volle kan etaleren. Van eigentijdse pop (“Fool Fool Fool”, “Have Mercy”) over rockabilly (“Never Been Tamed”) tot blue-eyed soul (“One Step Away”, “What About Love?”), country (“This Could Be The Beginning Of The End”, “When The Saint Comes Stumblin’ In”), Americana (“The Monkey & The Mule”) en folk (“Only A Heart”, “Fisherman’s Revenge”), de knappe Zweedse en haar kompanen brengen het hier allemaal. En ze doen dat bij nader inzicht eerder “onopvallend goed”. Waardoor wij van onze kant “Wild Hearted Diamond” zouden willen bestempelen als een album, waarvoor je misschien niet meteen naar je platenhandelaar dient te snellen, maar dat je wel zo menig een half uur aangenaam verteer zal bezorgen eenmaal je het in je bezit hebt.

Rootsy, Sonic Rendezvous

 

CHIP TAYLOR “Block Out The Sirens Of This Lonely World” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Veel van de allermooiste platen vinden hun oorsprong in gevoelens geworteld in diep menselijk leed. Daarmee vertellen we hier uiteraard absoluut niks nieuws. Maar dat hoeft ook niet. Met dat ene zinnetje wilden we gewoon al even aangeven, dat de nieuwe van singer-songwriter Chip Taylor echt een dijk van een plaat geworden is en dat ze bovendien bepaald niet vrolijk van aard is. En dat laatste is an sich ook niet echt onlogisch te noemen. Ze ontstond immers in de nasleep van een voor Taylor behoorlijk traumatische ervaring zo’n twee jaar geleden. Toen Anders Behring Breivik op 22 juli 2011 met zijn laaghartige aanslagen in Oslo en met name ook op een zomerkamp op het eiland Utøya diepe voren doorheen het collectieve Noorse bewustzijn trok, zou Taylor net aantreden op een festival aldaar. Hij proefde dus van nabij de ontzetting van een natie. Meer nog, hij voelde intens mee met de vele direct of indirect door de massamoord getroffenen. Speciaal voor hen schreef hij “there & then” zelfs het nummer “This Darkest Day”, dat hij later op een benefiet ter ere van de slachtoffers ook ten gehore zou brengen. Op het door Goran Grini geproduceerde “Block Out The Sirens Of This Lonely World” staat het echter niet. Daarop prijken elf andere, eveneens in mistroostigheid badende deuntjes. Daarin reflecteert Taylor over zijn eigen en andermans dagdagelijkse realiteit. Een lang niet altijd even rooskleurige werkelijkheid. En geen wonder dan ook, dat hij ze als het ware van zich af probeert te schrijven. En dat in een aangepaste setting, waarin er onder meer voor akoestische en elektrische gitaren, bas, viool, cello, pedal steel, piano, harmonium, glockenspiel, wat koperblazers, mondharmonica, orgel (B3 en Farfisa) en drums plaats blijkt. Veelal heerlijk desolaat van karakter, van een ongekende intensiteit alleszins. En dat lijkt ook Taylor zelf zich maar al te goed te hebben gerealiseerd. Hoe moeten we anders het tweede, als bonus aan “Block Out The Sirens Of This Lonely World” toegevoegde schijfje verklaren? Daarop onder het motto “Is that the final take? – The last minute fun stuff” een handvol veel luchtigere liedjes, door Taylor “verbannen” naar een apart schijfje, omdat ze gevoelsmatig nu eenmaal niet aansloten bij het profiel dat hij voor het materiaal op die nieuwe van ‘m voor ogen had. Leuk vooral als emotioneel tegengewicht voor het behoorlijk zwaarmoedige spul op wat naar ons gevoel zo ongeveer één van de knapste platen van 2013 so far moet zijn.

Chip Taylor, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

IAN MCFERON “Time Will Take You” (Ian McFeron)

(4****)

Goed een jaar of twee geleden hadden we het hier voor het eerst over de jonge Amerikaanse songsmid Ian McFeron. En ook toen al wist hij ons best wel te bekoren. Dat was naar aanleiding van zijn vorige cd, het mooie “Summer Nights”. Vier sterren hadden we daar toen voor veil. En die zijn er ook ditmaal weer, voor zijn nieuwe album “Time Will Take You”. Zijn zevende ondertussen al! En net als voor “Summer Nights” nodigde McFeron daarvoor de gerenommeerde Doug Lancio als producer uit. En die bracht op zijn beurt bij wijze van bedankje niet enkel een heleboel gitaren en andere snaarinstrumenten mee, maar ook een waar topteam aan bevriende muzikanten uit de begeleidingsgroepen van respectievelijk Ryan Adams, Patty Griffin en John Hiatt. En nu de naam toch al gevallen is: ja, McFerons stem en manier van zingen hebben inderdaad wel iets van die van Adams. En met die Adams deelt hij ook dezelfde muzikale speeltuin. Die van de alternatieve country of Americana inderdaad. Al zou je sommige van zijn nummers zeker ook als folk rock of roots pop kunnen bestempelen. ’n Beetje Adams, ’n beetje Earle, ’n beetje Dylan. Sterke verhalen, verpakt in al even pakkende melodieën. Het ene moment heerlijk rustig (het soulvolle “Good To Be Back Home” en de pianoballades “The First Cold Day Of Fall” en “That’s The Truth”), het andere juist erg snedig (de lekkere rockertjes “Bringin’ It Back” en “Down The Road”). Soms ook gewoon straight edge country (het aanstekelijke “Long Weekend”), folky (de ballade “You Are Like The Sun”), zachtjes (jazzy) swingend (het met wat fraaie vocale ondersteuning van Alisa Milner gebrachte “You And Me”) of gekruid met een bijkomende dosis rootsgevoel (“Back To The Farm (Life Is Good)”).

Ian McFeron

 

THE DIRTY GUV’NAHS “Somewhere Beneath These Southern Skies” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Dit is nu eens precies het soort van plaat, dat nodig was om de lente definitief mee uit de startblokken te helpen! Veel lekkerder worden ze eigenlijk amper nog gemaakt! Heerlijke, weer vrijwel ogenblikkelijk tot meezingen uitnodigende liedjes “rulen” ook op de derde van het vanuit Knoxville, TN actieve zestal The Dirty Guv’nahs. Je weet wel, dat buitengewoon vitale groepje rond de stemgewijs en ook wel qua manier van zingen bij momenten aardig aan Caleb Followill van Kings Of Leon herinnerende James Trimble. Wat een geweldige (hese) rockstrot heeft die man toch! Moet je vroeg of laat gewoon op grote schaal mee kunnen doorbreken, zo lijkt ons. En al zeker, als je je, zoals die Trimble, ook nog eens geflankeerd weet door twee kanjers van (lead)gitaristen als Michael Jenkins en Cozmo Holloway, een uitstekend op elkaar ingespeelde ritmetandem als de broers Justin (bas) en Aaron Hoskins (drums) en een toetsenist van het kaliber van Chris Doody. Met z’n allen tekenen zij op “Somewhere Beneath These Southern Skies” voor een veertien songs rijke lading luistervoer, uitermate geschikt voor fans van acts als de al genoemde Kings Of Leon, maar vooral ook van die van de blik wat meer zuidwaarts gericht hebbende groepen als de Black Crowes, de Faces, Lucero en andere. Rock met een hoofdletter R regeert hier vrijwel voortdurend nadrukkelijk. En soms mag daar dan het bijvoeglijke naamwoord Southern voor, elders de specificatie roots. Maar ook de omschrijving rock tout court is geregeld best wel op z’n plaats. Zoals bijvoorbeeld in het echt wel extreem catchy openingsnummer “Can You Feel It” of het daar nauwelijks voor onder doende “Temptation”. (Twee potentiële hits in wording!) En wat sluimerende soul mag her en der best ook wel. Het met een stel zomerse blazers opgewaardeerde “Good Luck Charm” en het heerlijk met de kont schuddende “Honey You” illustreren die stelling zo ongeveer perfect. Als tegengewicht voor al dat geweld zijn er tot slot dingen als de (“valse”) tragen “Fairlane”, “Lead Kindly Light”, “One Dance Left” en “Dear Alice”. Spul, waar ooit in grote concertzalen allicht nog uitgebreid brandende aanstekers voor de lucht in zullen gaan. Maar goed, dat is vooralsnog zorg voor later… Nu gaat het hoegenaamd van de passie bruisende “Somewhere Beneath These Southern Skies” nog gewoon een tijdje dagelijks mee in de cd-speler in de wagen. Met het raampje omlaag natuurlijk… Iedereen mag immers horen, hoe wij deze songkostelijkheden (nu al) graag mogen meebrullen…

The Dirty Guv’nahs, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

ANNIKA FEHLING “Fireflies” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Annika Fehling grossiert op haar jongste plaat in wat wij graag als radiovriendelijke Americana zouden willen omschrijven. Zonder daarvoor ook maar ergens haar principes te moeten verloochenen levert ze onder de vakbekwame productionele hoede van Will Kimbrough twaalf nieuwe liedjes af, die ook op het betere popstation zó mee zouden moeten kunnen. Voor die in Nashville ingeblikte plaat deed ze verder ondermeer ook een beroep op knapen als een Fats Kaplin, een Bryan Owings, een Tim Marks, een Eric Fritsch, een Paul Griffin en een Dave Jacques. Kwaliteit troef met andere woorden! En dan hadden we het nog niet over de grofgevooisde Zweedse topper Peter LeMarc, met wie ze de fraaie ballade “Lonely Love” brengt, en over singer-songwriterlegende David Olney, met wie ze het afsluitende “I Know Better” deelt. “Meeting and writing and performing with Annika was a pure pleasure. She has charm and wit combined with musical chops. Annika rules!”, liet die laatste voldaan over zijn samenwerking met Fehling optekenen. En eenzelfde voldaanheid overviel ook ons bij het beluisteren van “Fireflies”. Van de rootsy pop van “Coming Around” tot de romantisch-melancholische Americana van het al genoemde “Lonely Love”, van het intens met folk flirtende “Shine Your Light” tot het zomers speelse “With Me”, van het met een fraai streepje mondharmonica omrande “Summersong” tot het op catchy wijze enigszins ingehouden naar rock overhellende titelnummer, hier valt immers nogal wat te beleven!

Annika Fehling, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

THE DEL-LORDS “Elvis Club” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Noem dit maar een blij weerzien! Een bijzonder blij weerzien zelfs… Vooral ook omdat we er niet echt meer op gerekend hadden… Nooit gedacht, dat Scott Kempner (zang en gitaren), Eric “Roscoe” Ambel (gitaren en keys) en Frank Funaro (drums en percussie) elkaar nog eens terug in de armen zouden gaan sluiten! Maar goed, precies dat gebeurt nu dus wel en daar mogen we met z’n allen best wel blij om zijn. Aangevuld met nieuwkomer Michael DucLos op bas etaleren de heren op “Elvis Club”, hun eerste teken van leven sinds het in 1990 verschenen “Lovers Who Wander”, immers een hoegenaamd benijdenswaardig vormpeil. Schijnbaar moeiteloos halen ze hier hetzelfde torenhoge niveau als op die laatste plaat en de door ons ook al heel erg gewaardeerde voorgangers daarvan, “Frontier Days” uit 1984, “Johnny Comes Marching Home” uit 1986 en “Based On A True Story” uit 1988. Albums, die nu goed een jaar of vier geleden overigens door het American Beat-label volkomen terecht van onder het stof vandaan werden gehaald. En mocht dat ondertussen nog niet gebeurd zijn, doe daar dan vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen. Je zal het je bepaald niet beklagen! Iets wat zeker ook geldt voor een aanschaf van “Elvis Club” trouwens! Van de twaalf nummers daarop is er wat ons betreft immers niet één van mindere kwaliteit. Gelijk van bij het melodieus rockend de feestelijkheden voor geopend verklarende “When The Drugs Kick In” is het als vanouds goed prijs. In no time nestelen dat en andere nummers zich knus tussen je oren, niet meteen van plan om daar snel weer terug te vertrekken! Van het rauwe “Princess” over het hyperkinetische, quasi terloops wat meer naar z’n (blues)roots lonkende “Chicks, Man!” tot het door gast Nate Schweber van wat fraai harmonicawerk voorziene knappe eerste rustpuntje “Flying”, van het enigszins weemoedig ingekleurde, ook al op een wolk van een melodie drijvende “All Of My Life” tot de catchy rootspop van “Everyday”, het behoorlijk heavy overkomende, met name sfeergewijs z’n titel alle eer aandoende “Me And The Lord Blues”, de mooie trage “Letter (Unmailed)”, het lekker strak (country)rockende “Damaged” tot gedroomde singlekandidaat “Silverlake” en andere, naar onze bescheiden mening “all killer, no filler”! En hopelijk beperkt deze hernieuwde samenwerking zich dan ook niet tot dit ene schijfje!

Del-Lords, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

I SEE HAWKS IN LA “Mystery Drug” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Mocht u met vragen zitten met betrekking tot de leefbaarheid van Cosmic American Music anno nu, dan kunnen we u bij deze van hieruit geruststellen. In I See Hawks In L.A. heeft het genre ondertussen immers een meer dan waardige erfgenaam voor acts als Gram Parsons, de Flying Burrito Brothers, de New Riders Of The Purple Sage en anderen gevonden. Dat ook effectief vanuit L.A. actieve collectiefje rond Rob Waller en Paul Lacques is met “Mystery Drug” – De verzamelaar “Shoulda Been Gold” gemakshalve even meegerekend! – inmiddels al aan zijn zevende cd toe. En persoonlijk vind ik het één van hun allerbeste ook! Dertien nummers lang wisten ze mij alvast weer moeiteloos te boeien. Ik noem in dat verband bijvoorbeeld graag het op ongemeen sfeervolle wijze verhalende “Oklahoma’s Going Dry”, het al even heerlijke titelnummer, het tegen een pedal steel-bijdrage van Rick Shea aan leunende “Yesterday’s Coffee”, het met een bluesy ondertoontje gezegende en überhaupt wat pittiger uit de hoek komende “The Beauty Of The Better States”, de prachtballade “We Could All Be In Laughlin Tonight” en de voorwaar zelfs even epische proporties aannemende afsluiter “The River Knows”. Durf ik zonder schroom van harte aan te bevelen, dit fraaie Americana-kleinood, en dat heus niet enkel aan nostalgisch ingestelde zielen!

I See Hawks In L.A., Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

US RAILS “Heartbreak Superstar” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hun recept mag dan ondertussen zo stilaan al onder de noemer beproefd beginnen te vallen, ook wat Joseph Parsons, Tom Gillam, Ben Arnold, Scott Bricklin en Matt Muir op hun ondertussen vijfde plaat samen in nog geen drie jaar tijd brengen, smaakt weer volop naar meer. De vijf heren lijken muzikaal gezien immers steeds beter op elkaar afgestemd te raken. En dat resulteert op “Heartbreak Superstar” in een dertiental erg knappe nummers. Met ook nu weer elementen uit Americana, folk, pop en rock als voornaamste bouwstenen. En met ook ditmaal weer duidelijk herkenbare bijdragen van alle betrokkenen. Ben Arnold trakteert zo bijvoorbeeld op het lijzig (soulvol) rockende titelnummer, de “valse trage” “Old Faithful” en het buitengewoon sfeervolle “Eagle & Crow”, huisfavoriet Joseph Parsons op zijn beurt charmeert in het ons volop aan een deel van onze jeugd in de seventies herinnerende “Fearless” en de ronduit schitterende ballade “Most Of It”, Matt Muir doet het met het met “ploegmaat” Arnold gepende “Follow The Lights”, Scott Bricklin mag aan de bak met het zich ergens in de buurt van groepen als de Eagles en Poco ophoudende “Drag Me Down” en het ingetogen “For Now” en van Tom Gillam stoten we “en passant” op het onheilzwangere “Devil In My Hands” en het op pure lust opgetrokken funky rockertje “Love Reaction”. Op hun best zijn de “Rails” echter wanneer ze lekker samen aan de bak gaan. Voor echt magische momenten zorgen dan hun elkaar op wonderlijke wijze aanvullende stemmen. Luister bij gelegenheid zelf maar eens ergens naar dingen als het bedaard rootsrockende “Time” of het afsluitende momentje van inkeer “Heart Sings True” en je zal meteen aanvoelen, wat we daarmee precies bedoelen! Met liedjes van dat kaliber rechtvaardigen Parsons, Gillam, Arnold, Muir en Bricklin naar onze bescheiden mening de door heel wat liefhebbers van het genre vanaf dag één in verband met hun hobbyclubje gebruikte term “supergroep” volop. Om het allemaal met één enkel zinnetje uit slotmoment “Heart Sings True” samen te vatten: “I wouldn’t change a single track…”

US Rails, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

SUSAN JAMES “Driving Toward The Sun” (Susan James Music)

(4****)

Genregrootheid Ryan Adams is naar verluidt een serieuze fan van deze Susan James. En mocht u zich nog afvragen waarom, dan raden we u aan om met “gezwinde spoed” ergens kennis te gaan maken met haar nieuwste worp “Driving Toward The Sun”. Dat door de onder meer omwille van zijn werk met George Harrison en Tom Petty bekende Ryan Ulyate geproduceerde album is immers een werkelijk puntgave collectie vrijblijvende Americana- en folk(rock)kleinoden. Sterke songs, overtuigende teksten, knappe zang, dito muzikale invulling. Kortom, zo’n beetje alles wat je als doorgewinterde luisteraar van een goede plaat verwacht. Over haar eigen “Wall of Intimacy” mag James het daaromtrent graag hebben. Over een zo akoestisch als maar mogelijk gehouden plaat met andere woorden, maar dan wel eentje met een “groot geluid”. Geen wonder, dat ze er zelf zo ontzettend trots op is! Wie al van voorganger “Highways, Ghosts, Hearts & Home” hield, kan zich dit schijfje gewoon blind aanschaffen! Wie die plaat nog niet zou kennen, is hier “in for a real treat”! Onze luistertips: het tot lekker samen weg dromen uitnodigende “House Of Love”, het werkelijk verbluffend knappe titelnummer en zeker ook “Wandering”, het misschien wel mooiste Americana-nummer hier. Warm aanbevolen!

Susan James

 

JUDE JOHNSTONE “Shatter” (BoJak Records)

(3,5****)

Zó gevarieerd als hier hoorde je Jude Johnstone nog nooit! Vrijwel voortdurend verandert de Amerikaanse liedjesschrijfster op haar nieuwe cd “Shatter” het muzikale geweer immers van schouder. En louter stilistisch bekeken val je hier als luisteraar dan ook van de ene varrassing in de andere. Is openingsnummer “Shatter” een nog relatief traditioneel opgevatte pianoballade (met voorzichtige soulinbreng) dan gaat het in het hypernerveuze “What A Fool” voor het eerst nadrukkelijk richting “music city” New Orleans, doet “When Does Love Get Easier” op bijzonder geïnspireerde wijze het grote songbook van de mid-seventies aan, verzeilt “The Underground Man” in ook wel eens door Tom Waits gefrequenteerde, in late night jazz ondergedompelde achterbuurten en brengt “Girl Afraid” Johnstone flirtend met folk muzikalerwijze dichtbij één van haar regelmatige liedjesklanten, te weten Trisha Yearwood. Bij het sfeervolle “Alcohol” dachten wij vervolgens spontaan aan het werk van de grote Randy Newman, bij “Touchdown Jesus” en “Who Could Ask For More” een tweede en een derde keer aan Tom Waits en “Halfway Home” is gewoon een heel mooi gecroond jazz-niemendalletje. Blijven dan nog te gaan: de ingetogen pianosleper “Your Side Of The Bed” en de volbloed-popdeun “Free Man”, waarin zelfs een heuse prise reggae verwerkt blijkt. Kortom: een buitengewoon boeiend werkstukje!

Jude Johnstone

 

ANDERS& KENDALL “Wild Chorus” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Singer-songwriter-multi-instrumentalist Anders Parker was jarenlang één van de drijvende krachten achter de gezelschappen Varnaline en Space Needle. Echt aan het rijzen ging zijn ster echter pas nadat hij onder de nom de plume Gob Iron met Jay Farrar samenwerkte aan “Death Songs for the Living” en misschien nog wel meer dankzij het in 2012 verschenen Woody Guthrie-eerbetoon “New Multitudes”, dat hij inblikte met diezelfde Farrar, Will Johnson van Centro-Matic en Yim Yames van My Morning Jacket. Kendall Meade van haar kant is vooral bekend van haar band Mascott, die door het Amerikaanse Spin Magazine ooit heel erg treffend omschreven werd als “a tender indie rock project that combines soft piano and guitar pop with diary-like lyrical intimacy”.

Parker en Meade kenden elkaar al jaren. Als vrienden, maar vooral ook als collega’s. Al van in de jaren negentig meer bepaald. En al jarenlang wilden ze ook wel eens iets samen doen. Alleen, hun agenda’s waren elkaar niet zo vriendelijk gezind. Tot een klein jaar geleden, that is. Toen wisten ze elkaar namelijk eindelijk (eens mét de benodigde tijd) te vinden in de Wild Chorus in Knoxville, de recentelijk afgewerkte analoge studio van collega Scott Minor van Sparklehorse. En daar werden dan meteen ook maar de elf liedjes van hun eersteling samen afgewerkt én ingeblikt. Een songelftal, dat bij nader inzicht nadrukkelijk elementen van het werk van beide betrokkenen blijkt te bevatten. Zowel het grote, steeds weer met Americana (en folk) flirtende muzikale ego van Parker als de indie-achtergrond van Meade vonden hun weg naar het totaalgeluid van het toepasselijkerwijze naar de plaats van z’n ontstaan vernoemde “Wild Chorus”. En net die symbiose zou het album ons inziens wel eens aan een zeer ruime schare aan (alternatief ingestelde) fans kunnen gaan helpen.

“Wild Chorus” staat immers bol van de nummers, waaraan met name liefhebbers van dezer dagen behoorlijk populaire acts als Civil Wars, Shovels And Rope en aanverwanten zich absoluut geen buil zullen vallen. Behoorlijk moody spul, vaak eerder laid back gebracht, gedragen veelal door de twee elkaar op geweldige wijze complementerende stemmen van Parker en Meade. Zij de “beauty”, hij het “beast”. Zij zachtjes, betoverend als het ware, hij eerder ruw, ruig zeg maar. Met een resultaat dat op de keper beschouwd iets van een bezwerend randje kreeg. Nummers als het over een buitengewoon groovy bedje van gitaar- en orgelklanken uitgespreide “We’re On Fire, Babe”, het door Meade een “lente-lome” kant uitgestuurde “City Of Greats”, het wat nerveuzere, al bij al net iets meer naar pop en rock overhellende “Let’s Get Lost” of het sfeermatig z’n titel alle eer aandoende “Sleepwalking” pakken je als luisteraar met elke nieuwe beluistering alleszins telkens weer wat meer in. Very charming indeed!

Anders& Kendall, Nine Mile Records, Sonic Rendezvous

 

THE WHIGS “Enjoy The Company” (New West Records/ Rough Trade)

(3,5****)

In een productie van de in het verleden onder meer in de buurt van Dinosaur Jr, Sonic Youth, Steve Wynn en Son Volt zijn sporen al ruimschoots verdiend hebbende John Agnello laat het uit Athens, Georgia afkomstige drietal The Whigs er ook op z’n vierde, het zopas verschenen “Enjoy The Company”, andermaal weer geen twijfel over ontstaan, waarom we het tot de meest opwindende acts van het moment moeten blijven rekenen. Tien nummers lang serveren Parker Gispert, Julian Doro en Timothy Deaux spul dat werkelijk alles in zich heeft om vroeg of laat op net zo grote schaal te gaan verkopen als dat van hun veelgeprezen streekgenoten van R.E.M. Dit is rock met een echt wel gigantisch groot hart! Energiek, bij wijlen erg soulvol en heel erg melodieus bovenal ook. Laat je bij gelegenheid – Net als ons! – maar eens compleet van je sokken blazen door het bruisende, de acht-minutengrens nochtans ruim overschrijdende “Staying Alive”, het op eigentijdse wijze het FM-rockgebeuren van de jaren zeventig evocerende “Gospel”, het stomende “Tiny Treasures” of het moody “After Dark”. En… Enjoy the company!

The Whigs, New West Records

 

SLAID CLEAVES “Still Fighting The War” (Music Road Records)

(5*****)

Noem dit wat ons betreft gerust maar een geval van liefde op het eerste gehoor! Eén enkele keer horen en we waren meteen gevloerd… Maar wat een mooie plaat ook weer! Misschien wel de meest ambitieuze so far van onze favoriete Texaanse songsmid Slaid Cleaves. Alleszins eentje waaraan zo ongeveer alles lijkt te kloppen. Met dank aan muzikale gasten als een Jimmy LaFave, een Kelley McCarty, een Terri Hendrix en een Eliza Gilkyson in de eerste plaats. Maar zeker ook aan producers Scrappy Jud Newcomb, Lloyd Maines en Mark Hallman, co-writers Rod Picott, Ron Coy, Jeff Elliott, Mike Morgan en Nicole St Pierre en bijkomende muzikanten met dienst als John Chipman, Elana James, Kevin Smith, John Silva, Richard Bowden en Oliver Steck. Zij zorgden er met z’n allen immers voor, dat Cleaves met een minstens even straffe opvolger voor an sich ook al buitengewoon knappe eerdere platen als “Broke Down”, “Wishbones” en “Everything You Love Will Be Taken Away” op de proppen kon komen. Met als centraal stuk het met Ron Coy geschreven en met collega Jimmy LaFave gebrachte titelnummer over door hun verleden emotioneel zo zwaar getekende oorlogsveteranen, dat er als het ware nooit nog een eind komt aan hun strijd van weleer. Werkelijk subliem spul, dat nummer! En die omschrijving geldt hier naar onze bescheiden mening voor wel meer dingen. We noemen in dat verband bijvoorbeeld ook graag nog het met Rod Picott gepende tweetal “Rust Belt Fields” en “Welding Burns”, het aan Don Walser gewijde en door Cleaves effectief ook deels gejodelde “God’s Own Yodeler”, het met Terri Hendrix gedeelde “Texas Love Song”, de met harmony vocals van Eliza Gilkyson opgewaardeerde ballade “In The Rain en vooral ook het door Oliver Steck van wat soulvol koperblaaswerk voorziene “Without Her”. Liedjes van dat kaliber doen nu alweer reikhalzend uitkijken naar de maanden september en oktober, wanneer Cleaves Europa weer eens zal aandoen voor een reeks optredens.

Slaid Cleaves, Music Road Records

 

DIVERSE ARTIESTEN “The Golden Demon, New Songs About Chaos & Transition” (Hemifrån)

(4****)

Als er weer eens een verzamelaar van het Zweedse Hemifrån op onze schrijftafel belandt, dan weten we ondertussen bij voorbaat eigenlijk al, dat we het met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid weer met een topplaat te doen zullen hebben. Die door de onvolprezen Peter Holmstedt en z’n entourage vormgegeven compilaties blijken immers steevast gevuld met uitstekend, veelal exclusief materiaal. En dat is ook ditmaal, naar aanleiding van de copieuze dubbelaar “The Golden Demon” weer niet anders. Daarop liefst vijfentwintig “New Songs About Chaos & Transition”. De ene al beter dan de andere. Met als absolute hoogtepunten voor ons op de eerste cd het verhalende titelnummer van de hand van meester-singer-songwriter Greg Copeland, een ook al ronduit beklijvende alternatieve versie van Julie Christensens “Ten People”, het door Peter Holmstedt samen met Mikael Persson gepende en door Luisa Jordan-Hilloran treffend verklankte tussendoortje “The Room Of The Demon”, het op sympathiek rammelende wijze volop de legendarische Pete Seeger in herinnering roepende “Right ‘Round The Bend” van Sid Griffin, het op buitengewoon sfeervolle wijze tussen blues en roots strandende “Jesse & Frank” van Annie Gallup en Peter Gallway oftewel Hat Check Girl, het door Stephen David Austin duidelijk op een Byrds-leest geschoeide “Laurel Canyon” en The Good Intentions’ “Woody Guthrie’s Rulin’s”. Verder ook nog van de partij op dat eerste schijfje: Steve Noonan, Jenai Huff, Doug Ingoldsby & Eugene Ruffolo, Kenny White, Jeff Larson en Ingrid Serban & Forest Sun. Op de tweede cd gooien naar onze, zoals steeds bescheiden, mening vooral Michael Weston King met de “Ghostwriter Remix” van z’n eigen “I Didn’t Raise My Boy To Be A Soldier”, songsmid Keith Miles met het zomers soulvolle “Until It All Makes Sense Again”, Bob Cheevers met het wel bijzonder strijdvaardige rockertje “Occupying Wall Street”, Janni Littlepage’s “Winds Of Change” en Mikael Perssons “What A Wonderful World” hoge ogen. Voor de rest tekenden op cd 2 in die volgorde: Luisa Jordan-Hilloran, Doug Ingoldsby, Allan Thomas, Michael Ward met Dogs & Fishes, Mietek, Kenny White en Sky Country.

Hemifrån

 

DIVERSE ARTIESTEN “The Beautiful Old, Turn-Of-The-Century Songs” (Doubloon Records)

(4****)

Producers Paul Marsteller en Gabriel Rhodes verrassen met een op voorbeeldige wijze naar het hier en nu vertaalde collectie “turn-of-the-century songs”. Al mogen we ons bij nader inzicht vooral niet blind staren op die term. Voor het oudste nummer, het instrumentale “The Last Rose Of Summer”, moeten we immers terug naar 1805, terwijl de twee jongste, het ook al instrumentale “Till We Meet Again” en het door Kim Richey gebrachte “Beautiful Ohio” beide dateren van 1918. Maar goed, door die begripsverwarring laten we ons hier maar beter niet teveel afleiden. Daarvoor is “The Beautiful Old” een veel te mooie verzameling geworden. Boordevol met liedjes die vederlicht over de dansvloer van het (ons hier in flink wat van de gevallen aardig in de steek latend) collectieve geheugen rondwalsen. Met daarbij niet zelden een centrale rol voor de piano van The Band’s Garth Hudson. Hij begeleidt – Op diverse instrumenten! – onder meer Richard Thompson en Christine Collister, Will Sexton en Simone Stevens, Kimmie Rhodes, de je van The Kinks bekende Dave Davies, Jolie Goodnight, Kim Richey en Eric Bibb. Samen met anderen als een Graham Parker, Heidi Talbot & John McCusker, Jimmy LaFave en Carrie Elkin en in het uitgelezen gezelschap van muzikanten als Floyd Domino, Hunt Sales, Gabriel Rhodes, Richard Bowden, Brian Standefer, Richard Greene, Michael Thompson, Dony Wynn, David Carroll en Josh Flowers, om er maar enkele te noemen, zeilen zij negentien nummers lang vaardig langsheen de kusten van een ondertussen in een ver verleden liggend muzikaal Eldorado. Overgeleverd als bladmuziek, regelmatig goed voor een verkoop van meer dan een miljoen exemplaren. Reflecterend over zulke tijdloze thema’s als de liefde, hartzeer, eenzaamheid, de eigen haard, verlies en spijt. Met als sterkste momenten naar ons gevoel het door Richard Thompson en Christine Collister op bijzonder zwierige wijze gedeelde “The Band Played On”, Graham Parkers bezielde benadering van “The Flying Trapeze”, Heidi Talbots engelachtige lezing van “Love’s Old Sweet Song”, Jimmy LaFave’s doorleefde kijk op “Long Time Ago”, het door Jolie Goodnight samen met violist Richard Bowden en producer Gabe Rhodes (op gitaar en dulcimer) gebrachte “Silver Dagger”, Carrie Elkins diep ontroerende benadering van “The Dying Californian”, Kim Richey’s al even diep rakende verklanking van een lang geleden ontluikende liefde in “Beautiful Ohio”, het gevoelige “Just A-Wearyin’ For You”, hier vertolkt door moderne bluesman Eric Bibb, en het door Kimmie Rhodes met veel gevoel gecroonde “Somewhere A Voice Is Calling”. Zoet als suikerstroop! Echt je reinste muzikale balsem voor de ziel!

The Beautiful Old

 

DAVE ARCARI & THE HELLSINKI HELLRAISERS “Whisky In My Blood” (Buzz Records / Blue North Records)

(4,5*****)

De voornamelijk door zijn lange kluizenaarsbaard behoorlijk excentriek ogende en mede daardoor vrijwel meteen opvallende Schot Dave Arcari is met “Whisky In My Blood” inmiddels ook alweer aan zijn vijfde cd toe. En die nam hij op met de Finse muzikanten Juuso Haapasalo (akoestische en elektrische bas) en Honey Aaltonen (wasbord, snare drum en cimbaal), ook wel The Hellsinki Hellraisers. Klinkt behoorlijk vervaarlijk allemaal en dat doet de muziek op deze nieuwe van Arcari bij nader inzicht bij momenten ook. De Schotse bluesmaestro beperkt zich immers lang niet enkel tot dat ene specialisme, maar stoeit ook ongebreideld met elementen uit rock & roll, rockabilly en ja, zelfs punk. En dat zulks uiteindelijk een behoorlijk opwindende pot muziek kan opleveren, dat behoeft hier allicht maar weinig betoog. Gelijk van bij de eerste tonen van het de feestelijkheden voor geopend verklarende titelnummer, een potje uitnodigend rammelend bluesgestoei op de National steel, had Arcari ons weer stevig bij ons nekvel. En dat zou hij pas veertien nummers en ruim zevenendertig minuten later weer loslaten. Na het uitermate sympathieke countrybluesje “Cherry Wine”, het werkelijk retestrak swingende, met onvaste hand van een intraveneuze shot rockabilly bediende “Tell Me, Baby”, de in lichte Delta-looppas gebrachte Robert Johnson-cover “Travelling Riverside Blues”, het als trademark Arcari te bestempelen National steel-manoeuvre “Rough Justice”, het zo ongeveer als een perfect geslaagde hybride van rock & roll en blues te bestempelen “Day Job” en het banjogewijs wat meer richting old-time stringband music gestuwde “Still Friends”. En na twee verdere lekkere countrybluesjes, “Wherever I Go” en “See Me Laughing”, een flink met het bekken schuddende cover van Bukka White’s “Jitterbug Swing”, nog zo’n old-timey ding (het heerlijk energiek gebrachte “Third Time Lucky”), de moddervette trage “Delta-slider” “Heat Is Rising”, een op het randje van de waanzin balancerende interpretatie van Robert Johnsons “Preachin’ Blues” en de “cigar box steam punk blues” van het afsluitende “Get Outta My Way”. Samen veertien lappen eigentijds bluesplezier, die je nu alweer reikhalzend doen uitkijken naar ’s mans volgende doortocht doorheen ons land. Live is hij immers alleen nog maar beter dan hier! En geloof ons vrij, dat wil wat zeggen…

Dave Arcari, Buzz Records

 

PETER BEEKER & ONGENODE GASTE “Exota” (REMusic Records)

(4****)

Als je ons op een onbewaakt moment zou vragen om de naar ons gevoel beste rockband van Nederland aan te wijzen, dan zouden we daarover niet al te lang hoeven na te denken: Peter Beeker & Ongenode Gaste! Niet de geringste twijfel over mogelijk! De Limburgse dialectrocker kent wat ons betreft in eigen land zijn gelijke niet. Sinds jaar en dag al verwent de Venlonaar ons met van de passie druipende liedjes. En sinds 2011 ook met een hechte nieuwe band. Vandaar dat Beeker en co in verband met “EXOTA” graag mogen spreken over hun tweede album. Daarop elf nieuwe eigen liedjes, in grote lijnen variërend van licht rootsgetint spul tot rock tout court. Zeker, in de het verlangen naar een nieuwe motor uitschreeuwende opener “Splinterniej Mesjien” zit wat funk verwerkt. En in het Stonesy “Maondage Zien Blauw” neigen ook lang niet enkel de titel en de inhoud richting de blues. Maar het merendeel van de songs op “EXOTA” valt toch gewoon onder de noemer rock. Het ene moment eerder balladesk opgevat, het andere geheel en al ontketend ervoor gaand. Soms ook gewoon beide combinerend. Hoe dan ook steeds weer gekenmerkt door een ongelooflijke gedrevenheid. En of het daarbij nu gaat over het zich outen inzake de eigen eenzaamheid of onzekerheid (“Valentijn”, het al genoemde “Maondage Zien Blauw” en “Op Dien Slup”) of andere hete en minder hete, persoonlijke of meer universele hangijzers, dat doet eigenlijk maar bitter weinig terzake. Steeds weer weet Beeker de juiste woorden te vinden. Steeds weer raakt hij je met die rauwe stem van ‘m midscheeps. Daar is gewoon geen ontkomen aan! Luister bijvoorbeeld bij gelegenheid maar eens naar het van de contrasten erin levende “Laef Hard”, naar de grootse, zeker introgewijs een zekere voorliefde voor Led Zeppelin verradende oproep om zelfs in moeilijke tijden toch maar vooral de eigen waardigheid nooit in de steek te laten “Baedel Neet”, naar het als een flouë foto getormenteerd het nieuws van die dag vorig jaar overlopende “4 Juli”, naar de als een passionele rockballade aangeklede kroniek van een aangekondigd gebroken hart “Evalina” of het slepende, al een stap verder opgeschoten rootsrockertje “Hotel”. Zonder uitzondering briljante songs! Hoogst genietbaar, ook voor niet-Limburgers! (Al zal van hen inzake tekstbegrip natuurlijk wel een net wat grotere inspanning vereist blijken…)

Peter Beeker& Ongenode Gaste, REMusic Records

 

THE MERCY BROTHERS “Holy Ghost Power!” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Materiaal zó zwierig, dat je er zelfs de meest verstokte atheïst frenetisch mee aan het hipshaken zou kunnen krijgen. En dat terwijl het toch echt wel gaat om “Songs of Faith & Devotion, of Love & Despair, Songs of the Spirit, from Both Sides”, aldus The Mercy Brothers zelf. Songs met een gospeleske boodschap met andere woorden. Door de “Broeders” geïntroduceerd in lang niet altijd even godsvriendelijke holen. Daarbij als ware advocaten van de duivel doorheen zompige moerassen van pervers zaterdagavondvertier wadend, geven de heren Sekhani, Meaux, Theriot, Stevenson en Walls zich volledig over aan de groove. “Holy Ghost Power!”, zeg maar. Naar goede Louisiana-gewoonte puttend uit een veelheid aan rootsgenres. Met als voornaamste ingrediënten wellicht rock & roll, country, gospel, de blues en de lokale funkvariant. En dat resulteert in een gumbo, waarmee door het vijftal binnen afzienbare tijd ongetwijfeld nog heel wat zieltjes zullen worden gewonnen. Onze Jef eraf, als nummers als het als een uitzinnige Mardi Gras Parade aan je voorbij dansende titelnummer, het best wel wat aan de Subdudes in hun vlottere momenten herinnerende “Get Right Now With Jesus”, het bepaald uitdagend met de kont schuddende “Rise, Devil, Rise”, het in de voetsporen van grote voorbeelden als The Band en de Stones heerlijk (roots)rockende “Keys To The Kingdom”, het al predikend country(rock) intraveneus een gezonde dosis honky-tonk toedienende “Following Jesus” en het echt moddervet rammelende “The Devil’s Food Tastes Like Cake” ook hier niet voor de nodige vonken kunnen zorgen!

The Mercy Brothers, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

SHANE ALEXANDER “Ladera” (BuddhaLand Records)

(3,5****)

De vanuit L.A. actieve singer-songwriter Shane Alexander is met “Ladera” inmiddels reeds aan zijn vijfde volwaardige langspeler toe. Op die opnieuw door Billy Mohler geproduceerde opvolger van “Mono Solo” van zo’n drie jaar geleden draait zo ongeveer alles rond de thema’s nostalgie, volwassen worden en spiritualiteit. En verpakken doet Alexander die op de keper beschouwd behoorlijk wat van zichzelf blootgevende zieleroerselen als vanouds in een niet zelden tussen oud en nieuw, tussen klassiek en modern twijfelende muzikale context. Een melange van met name folk-, (roots)pop- en psychedelische elementen. Ons zo nu en dan best wel een beetje herinnerend aan wat Simon & Garfunkel klaarmaakten ergens medio de jaren zestig, zo ongeveer ten tijde van het onder meer de hits “Scarborough Fair (Canticle)”, “Homeward Bound”, “The 59th Bridge Street Song (Feelin’ Groovy)” en “For Emily, Whenever I May Find Her” bevattende album “Parsley, Sage, Rosemary And Thyme”. En ook wel aan een andere klassieker, met name “Meddle” van Pink Floyd. En dat, beste vrienden, vinden wij bepaald geen slecht gezelschap. Het maakt van liedjes als het beklijvende, een bijna fatale overdosis van een dichte vriend bezingende “Low”, het als een doorleefd eerbetoon aan z’n thuishaven opgevatte “Skyway Drive-In”, het een zekere “klassieke air” etalerende titelnummer en “One So Young” dingen die je keer op keer opnieuw zal willen blijven beluisteren. Geen wonder, dat Alexanders liedjes graag opgevoerde gasten blijken in nogal wat Amerikaanse tv-reeksen. Subtiel uitgevoerd als ze zijn weten ze immers steeds weer de juiste (emotionele) snaar te raken.

Shane Alexander

 

MARIECKE BORGER “Through My Eyes” (Volkoren / PIAS)

(4,5*****)

Na broerlief Johan met z’n door ons zo ongelooflijk gesmaakte debuutplaat “Sometimes” en de al even knappe opvolger daarvan “Wild Geese Calling” van enkele maanden geleden opnieuw een lid van het muzikale gezin Borger uit het Nederlandse Ermelo, dat met één welgemikte pijl dwars door het hart ambitieus aanspraak maakt op een muzikale liefde voor het leven. Mariecke is haar naam. En misschien kende je haar al wel van haar bijdragen aan Minco Eggersmans project ME of de platen van haar hier al eerder genoemde broer Johan. Maar “Through My Eyes” is wel degelijk haar eerste soloplaat. En wat voor één! Met elf eigen liedjes zingt Mariecke zich tot ergens heel dicht in de buurt van grote collega’s als een Joni Mitchell, een Judy Collins of een Gillian Welch. Wat een geweldige stem heeft ze toch! En ook al de rest klopt echt als een bus. Haar uit de vergeethoeken van het leven van alledag geplukte verhalen, ingebed in vaak eerder dromerig aandoende, volop aan de singer-songwriter-seventies refererende liedjes zijn zonder uitzondering van grote klasse. En ook het geluid is zondermeer top te noemen. Wat haar broer Jan in hun een paar jaar geleden tot opnamestudio omgetoverde woonkamer wist te vereeuwigen hoeft in hoegenaamd niets onder te doen voor wat we op heel wat andere, in vaak veel duurdere etablissementen opgenomen albums te horen krijgen. En aan haar andere broer Jesse (basgitaar), Mischa Porte (drums en percussie), Bram van de Glind (elektrische gitaren), Floris de Vries (banjo), broer nummer drie Johan (akoestische gitaar en banjo), vader Jan Borger Sr. (Hammond), Bertolf Lentink (dobro, pedal en lap steel), Niels Broos (Fender Rhodes), Gerald van Dijk (trompet) en het Red Limo String Quartet had Borger tijdens de opnames ook de als het ware ideale begeleiders. Ze hielpen haar alvast bij het van zich af zingen van elke bij nader inzicht totaal misplaatst blijkende vorm van schroom. Met als resultaat een album dat met liedjes als het titelnummer, het werkelijk weergaloze “Hope You Understand”, “Rose” en “Real Love”, om er maar enkele van te noemen, zo menig een veritabel kippenvelmoment bevat. Werkelijk van ganser harte aanbevolen derhalve dan ook, dit bloedmooie kleinood!

Mariecke Borger, Volkoren

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home