CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

HOGJAW “Rise To The Mountains” - ANDY SHAUF “The Bearer Of Bad News” - SPUYTEN DUYVIL “The Social Music Hour Vol. 1” - GORDIE TENTREES “Less Is More” - LEE PALMER “Like Elway” - BROCK ZEMAN “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” - JOHN COINMAN “Already Are” - EILEN JEWELL “Sundown Over Ghost Town” - DANNY & THE CHAMPIONS OF THE WORLD “What Kind Of Love” - AD VANDERVEEN “Presents Of The Past / Requests Revisited” - BEN REEL “7th - DONNA ULISSE “The Songwriter In Me, The Demo Recordings” - ALECTRO “School Of Desire” - THE WYNNTOWN MARSHALS “The End Of The Golden Age” - GIANT SAND “Heartbreak Pass” - DAR WILLIAMS “Emerald” - GUY VERLINDE “Better Days Ahead” - THE BLACK SORROWS “Endless Sleep” - SHELBY LYNNE “I Can’t Imagine” - ELLIOTT MURPHY “Aquashow Deconstructed” - DARRELL SCOTT “10 - Songs Of Ben Bullington” - ELISA WAUT “Portraits And Landscapes” - BOB WAYNE “Hits The Hits” - BOH FOI TOCH “Sòh!”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

HOGJAW “Rise To The Mountains” (Swamp Jaw Bea Music)

(4****)

Hogjaw is een naar een kleine, vrijwel meteen door z’n hoogst aparte naam opvallende gemeenschap in Arkansas vernoemd Amerikaans rockcollectiefje dat al sinds 2007 flink aan de weg timmert. Het uit J.B. Jones (rockstrot pur sang en gitaar), Jimmy Rose (leadgitaar en backing vocals), Elvis D (bas) en Kwall (drums en backing vocals) bestaande viertal bracht tussen 2008 en 2013 in eigen beheer al vier albums uit: “Devil In The Details” (2008), “Ironwood” (2010), “Sons Of The Western Skies” (2012) en “If It Ain’t Broke” (2013). Met andere woorden, met het zopas op de wereld losgelaten “Rise To The Mountains” is men ondertussen al aan nummer vijf toe. En die vijfde, beste vrienden, vinden wij hier een verdomd lekkere plaat.

Tien nummers lang illustreren Jones en co hier, waarom ze ondertussen in grote delen van de States en Europa een graag geziene live act zijn. In het grensgebied tussen (Southern) rock, blues en country geven ze hem echt wel serieus van jetje. Met “a boogie sound that can tear paint off the wall”, om het met de gevleugelde woorden van het pershulpje van dienst te formuleren, nodigen de vier heren hun luisteraars uitgebreid uit tot het hanteren van de luchtgitaar.

Songs als titelnummer “Rise To The Mountain”, eerste single “Where Have You Gone”, het wervelende “Over Before You Know It” en vele andere hier zouden bezoekers van zo menig een zomerfestival een flinke adrenalineopstoot moeten kunnen bezorgen. Met als main attractions de werkelijk fenomenale, hoger ook al even geroemde pipes van zanger J.B. Jones en de onwaarschijnlijk vaardige vingers van gitarist Jimmy Rose.

Great stuff!

Hogjaw

 

ANDY SHAUF “The Bearer Of Bad News” (Party Damage Records / Tender Loving Empire)

(4****)

Wie houdt van het werk van acts als wijlen Elliott Smith, Ron Sexsmith en Fleet Foxes zal zich beslist ook geen buil vallen aan “The Bearer Of Bad News” van de jonge Canadees Andy Shauf. Diens niet zelden rond de thema’s liefde en berouw cirkelende “soft tales with strong bones” sluiten immers vrijwel naadloos aan bij het werk van genoemde acts. Tedere verleiders zijn het. Liedjes, die je met zachte hand mee naar binnen tronen in het fascinerende universum van Shauf.

De elf deunen op “The Bearer Of Bad News” hebben op de keper beschouwd eigenlijk gewoon iets volstrekt tijdloos over zich. Een prachtstem, dito songteksten en betoverende melodieën vinden er hun delicate voedingsbodem in. En dingen als het voorzichtig luchtige “Hometown Hero”, het ongemeen sfeervolle “I’m Not Falling Asleep”, de op dramatische wijze een overspelsituatie bezegelende murder ballad “Wendell Walker” en de afsluitende pianoballade “My Dear Helen” verdienen wat ons betreft dan ook een zeer ruim publiek.

Wie haalt er deze knaap snel eens naar ons land?

Andy Shauf

 

SPUYTEN DUYVIL “The Social Music Hour Vol. 1” (Spuyten Duyvil)

(3,5****)

Spuyten Duyvil is de naam van een me tot voor kort volslagen onbekend zestal vernoemd naar een buurt in de Bronx in hun eigen thuishaven New York City. In een productie van Joe Iadanza leverde dat collectiefje onlangs nochtans al z’n derde cd af. Naar eigen zeggen op te vatten als a love letter to Harry Smith’s “Anthology Of American Music”, dat werkstuk. En het bestaat dan ook zo goed als uitsluitend uit herinterpretaties van traditionals opgediept uit die vermaarde rootsmuziekbijbel.

En opvallend daarbij is met name de buitengewoon hechte manier waarop er wordt gemusiceerd. Kopstukken Beth Jamie Kaufman (Wat een stem!) en Mark Miller en hun kornuiten voelen en vullen elkaar werkelijk perfect aan. En dat zorgde op zijn beurt bij mij als luisteraar voor een lekker warm gevoel vanbinnen. Het maakte het op de keper beschouwd verdomd gemakkelijk om mee te gaan in Spuyten Duyvils nochtans eigenzinnige vertaling van al dat muzikale erfgoed naar het hier en nu. Vintage, ja. Oubollig, absoluut niet.

Met name dingen als “Keep Your Skillet Good And Greasy”, “Daniel”, “Barbara Allen”, “Reno Factory”, “The Cruel War” en het met gaste Dena Miller gedeelde “Make Me A Pallet” bleven me bij. Om het met onze Waalse medemens te zeggen: “Très sympa!”

Spuyten Duyvil

 

GORDIE TENTREES “Less Is More” (Buckaroo Records / Continental Record Services)

(4****)

Gordie Tentrees is wat je noemt een storyteller pur sang. Het soort van songsmid waarvoor je bij gelegenheid maar wat graag even alles aan de kant zet. Keer op keer weer weet de Canadees met z’n liedjes te beklijven. En dat is met het elftal op z’n door z’n gereputeerde landgenoot Bob Hamilton geproduceerde jongste weer niet anders. Dat van de veelzeggende titel “Less Is More” voorziene zesde album van de beste man is misschien zelfs wel z’n allerbeste so far. De vergelijkingen met knapen als een John Prine, een Fred Eaglesmith en in iets mindere mate ook een Bob Dylan mogen er wat ons betreft zeker weer voor uit de kast.

Het strafste staaltje van Tentrees’ kunnen is ditmaal naar ons gevoel het bepaald Dylan-esk aandoende “Somebody’s Child”. Dat schreef hij in april 2013 kort nadat hij getuige was van de bomaanslagen tijdens de marathon van Boston. De geruime tijd onbeantwoord gebleven vraag of zijn vrouw, één van de vele duizenden deelnemers aan dat evenement, al dan niet de aankomstlijn gehaald had, liet begrijpelijkerwijze diepe sporen na.

Bijna even aangrijpend is vervolgens ‘s mans sprankelende ode aan het adres van z’n onfortuinlijke landgenote Jessica Frotten. Zo’n beetje het Canadese equivalent van onze eigenste Marieke “Wielemie” Vervoort, die buitengewoon moedige rolstoelatlete. Verdere standouts op “Less Is More”: het zich bijna onopvallend een weinig richting bluegrass ontrollende en en passant met het onderwerp liefde dollende “Keno City”, het aan de verhalen van diverse “helden van alledag” opgehangen “Broken Hero” en het op werkelijk hartverwarmende wijze op uit hun rol vallende vaders inzingende “Deadbeat Dad”. En dan vergaten we bijna nog het in Nederland gepende titelnummer. Dat schreef Tentrees nadat hij de nacht had doorgebracht in een bed waarin ook de grote Townes Van Zandt kort voor z’n dood nog geslapen had.

Enige vreemde in de bijt is op “Less Is More” het door collega’s Mary Gauthier en Kerri Powers aangedragen “Camelot Hotel”, je wellicht ook al wel bekend van het album “Filth& Fire” van de eerste van dat tweetal. Dat liedje krijgt van Tentrees een nagenoeg perfect bij de rest hier aansluitende vertolking mee.

Gordie Tentrees, CRS

 

LEE PALMER “Like Elway” (On The Fly Music)

(3,5****)

Voor Lee Palmer gaat het de jongste jaren plots allemaal wel heel erg snel. Na een leven gevuld met muziek debuteerde de beste man in 2013 uiteindelijk met de concertregistratie “One Take: Live At Canterbury”. De vele positieve feedback daarop gaf vervolgens al heel snel aanleiding tot een opvolger. Die verscheen nauwelijks een jaar later met “60 Clicks”. En nu is er met “Like Elway” dus ook al een derde van de Canadese singer-songwriter, die ons stemgewijs soms een heel klein beetje herinnert aan z’n Amerikaanse collega Bob Cheevers.

Met dat nieuwe album onderstreept Palmer andermaal vooral de stelling, dat hij niet gemakkelijk te categoriseren is. Met een eigenzinnige mix van elementen uit genres als country, folk, Americana, blues en jazz bestrijkt hij immers nogal wat rootsterrein. En dus blijkt de ondertitel van “Like Elway” achteraf gezien ook best wel gerechtvaardigd. Daarin heeft Palmer het met betrekking tot z’n nieuwe materiaal immers over “an original collection of roots music”. Van de accordeongewijs met wat bayou spice opgewaardeerde rootsy rocker “Rockin’ This Chair” over de mooie, ergens tussen roots pop en country strandende pianoballade “Life’s A Mess”, het lijzige, überhaupt behoorlijk jazzy uitgevallen “Those Winter Blues” en het zacht swingende “Lonely At The Top” tot de door gaste Mary McKay van wat fraaie vocale ondersteuning voorziene talking country blues van het titelnummer, van het door Roly Platt op de mondharmonica ingeleide en ook verder onderbouwde “This Feels Like One Of Those Days” tot het volop van mooi ingetogen accordeonwerk van Lance Anderson profiterende “Maybe That’s Why”, het zijn heil nadrukkelijk in een rock groove zoekende “Have A Wonderful Life” en catchy afsluiter “Axe To Grind”, negen zeker onder die vlag passende ladingen levert hij er ons mee af. De ene eerder serieus, de andere juist heel lichtvoetig. Variatie op elk vlak troef, moet je maar denken.

Voor de productie van “Like Elway” tekende Palmer zelf samen met z’n maatje Elmer Ferrer. En op de gastenlijst stootten we naast op de namen van de al genoemde Mary McKay en Roly Platt ook op die van Joaquin Nunez, die bijdragen leverde op cajon en wat percussie-instrumenten.

Lee Palmer

 

BROCK ZEMAN “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” (Busted Flat Records)

(4****)

Ik mag mezelf graag zien als een fan van het eerste uur van Brock Zeman. Gelijk al van bij “Cold Winter Comes Back” uit 2003 en het daaropvolgende “Songs From The Mud” uit 2005 zat ik op de eerste rij voor die Canadese songsmid. Steeds weer wist hij me door de jaren heen te charmeren met z’n liedjes en z’n verhalen. Vooral de wat rustigere dan. Daarmee vond hij wat mij betreft z’n eigen stekje ergens heel dicht in het kielzog van groten der aarde als een Townes Van Zandt en een Steve Earle.

Ondertussen zijn we elf albums diep in ’s mans carrière aanbeland en vallen bij het beluisteren van z’n nieuwe worp eigenlijk vrijwel meteen twee dingen op. Enerzijds kan je er absoluut niet naast luisteren, dat hij tekstueel nog steeds op een bijzonder hoog niveau acteert. Anderzijds valt echter vooral zijn shift naar andere muzikale wateren op. Met de tien liedjes op “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” lijkt Zeman nadrukkelijk een water ruimer publiek te willen aanspreken. Zonder zichzelf daarvoor compleet te verloochenen lonkt hij daarop net geen drieënveertig minuten lang naar wat meer erkenning. En als er al zoiets als rechtvaardigheid bestaat, dan zal hij die met z’n nieuwe songgoed oogsten ook.

Van het meer gesproken dan gezongen op de eigen creatieve werkzaamheden ingaande titelnummer tot het zachtjes rockende “Walking In The Dark”, van het wat grimmig aandoende alternatieve popdeuntje “Sweat” tot de een stuk radiovriendelijkere alternatieven daarop “Don’t Think About You Anymore” en “Little Details”, van de heerlijke rootsy rocker “Some Things Stay” tot de al even aansprekende pianoballade “10 Year Fight”, het voorzichtig funky uit de hoek komende “Drop Your Bucket” en het afsluitende tweetal “Dead Mans Shoes” en “Everybody Loves Elvis”, het blijken immers weer stuk voor stuk bijzonder lekkere liedjes. Minder rootsy dan voorheen, dat zeker, maar wel minstens nog even goed.

Brock Zeman, Busted Flat Records

 

JOHN COINMAN “Already Are” (Cavalier Recordings)

(3,5****)

Wel, wel, wel… Dat was al een poosje geleden! Van maart 2005 meer bepaald. Toen lieten we ons hier nog behoorlijk positief uit over “Songs From The Modern West”, de door Teddy Morgan geproduceerde laatste soloplaat van John Coinman, die – Zo zou weinig later blijken! – titelgewijs al een hint bevatte richting ’s mans eigen toekomst. Na die plaat cijferde Coinman zichzelf immers jarenlang weg voor een rol in de rugdekking van acteur Kevin Costner. Hij was zo’n beetje de drijvende kracht achter diens haar naam aan Coinmans laatste album ontlenende begeleidingsgroep Modern West. Vijf platen nam hij daarmee ondertussen ook reeds op. En niets lijkt erop te wijzen, dat het bij die vijf zal blijven ook. Of het zou Coinmans eigen onlangs verschenen zesde soloplaat moeten zijn dan.

Op die elf nieuwe liedjes van eigen hand bevattende worp laat de Amerikaan horen de voorbije jaren op muzikaal vlak flink geëvolueerd te zijn. In het gezelschap van Blair Forward (bas), Larry Cobb (drums, harmony vocals), Neil Harry (pedal steel), Peter McLaughlin (akoestische gitaren, harmony vocals), Teddy Morgan (productie, elektrische en akoestische gitaren, harmony vocals), Jon Coleman (keyboards) en de je wellicht ook van Twilight Hotel bekende Brandy Zdan (harmony vocals) vaart hij daarop immers vrijwel doorlopend een meer (roots)rockende koers. En ik moet eerlijk bekennen, dat ik dat nu niet meteen een echte verbetering vind. Ik mis bij nader inzicht het wat meer gevarieerde karakter van eerder genoemde voorganger.

Wat echter niet wegneemt, dat je me met liedjes van het kaliber van “Oklahoma City”, “Five Minutes From America”, “Hey Man What About You” of de behoorlijk persoonlijk uitgevallen trage “Trusted Friend” altijd nog mag komen lastigvallen. Meer nog, die doen me nu alweer reikhalzend uitkijken naar Coinmans volgende doortocht doorheen Europa in oktober van dit jaar.

John Coinman, Cavalier Recordings

 

EILEN JEWELL “Sundown Over Ghost Town” (Signature Sounds)

(4,5*****)

Heeft eigenlijk nog nooit echt ontgoocheld, deze Eilen Jewell, en dat doet ze ook ditmaal weer absoluut niet. “Sundown Over Ghost Town”, haar inmiddels vijfde studioplaat onder eigen vlag, streelt andermaal twaalf nummers lang uitgebreid de zinnen. Die stem alleen al! Zachter dan het zachtste fluweel! Van een ontwapenende sensualiteit ook. Mooier worden ze eigenlijk gewoon niet meer gemaakt…

In het gezelschap van Jason Beek (drums, percussie en zang), Mavis Beek (zang), Steve Fulton (Hammond, Wurlitzer en zang), Jack Gardner (trompet), Jake Hoffman (pedal steel), de onvolprezen Jerry Miller (elektrische gitaar en mandoline) en Johnny Sciascia (staande bas) schildert Jewell hier in de schemerzone tussen country, folk en roots rock ruim zevenendertig minuten lang weer de mooiste miniatuurtjes. Soms heerlijk onderkoeld twangend zoals in het aan haar thuishaven Boise in Idaho gewijde streepje country noir “My Hometown” of het met leuk koperwerk gelardeerde “Rio Grande”, maar veelal toch in eerder rustige modus. Bedaarde singer-songwriter Americana genre openingsnummer “Worried Mind”, “Hallelujah Band” en “Half-Broke Horse” overheerst op “Sundown Over Ghost Town”. De ene keer wat meer overhellend richting traditionele dan wel alternatieve country (“Needle & Thread” en “Down The Road”), de andere richting Americana (de moordballade “Some Things Weren’t Meant To Be”), country rock (“Pages”), ja zelfs jazz en blues (“Here With Me”).

Thematisch worden door Jewell this time around onder meer de geboorte van haar eerste kindje en haar recente terugkeer naar het hoger al even vermelde Boise aangekaart. Twee gebeurtenissen, die haar, afgaande op de eraan ontsproten fraaie muziekjes, duidelijk heel erg veel deugd hebben gedaan.

Eilen Jewell, Signature Sounds

 

DANNY & THE CHAMPIONS OF THE WORLD “What Kind Of Love” (Loose Music / Bertus)

(4,5*****)

Met “What Kind Of Love”, de ondertussen toch ook alweer vijfde studioplaat van Danny & The Champions Of The World, knallen we de deur naar de zomer nu hopelijk eindelijk definitief wagenwijd open. Danny George Wilson en de zijnen zorgen nu alvast tien nummers lang voor de zo ongeveer perfecte soundtrack daarbij. Laat ze dus maar komen, die schier eindeloze zonovergoten dagen…

Met hun catchy mix van elementen uit soul, alternatieve country en rootsy folk rock slaan oud Grand Drive-kopstuk Wilson en z’n kampioenen hier voortdurend spijkers met koppen. Met als centraal thema nogal wat verschillende, niet zelden eerder onverwachte facetten van “l’amour” serveren ze echt de ene veritabele oorwurm na de andere. Ons daarbij her en der herinnerend aan ander schoon volk als een Southside Johnny, een Boz Scaggs, een Nils Lofgren, een Willy DeVille en een Jimmy LaFave.

Onwaarschijnlijk eigenlijk, dat Wilson een Brit is, z’n muziek is immers echt door en door Amerikaans. Mocht je daarvan na ook al geweldige eerdere albums als “Danny And The Champions Of The World”, “Streets Of Our Time”, “Hearts & Arrows”, “Stay True” en de live-dubbelaar “Live Champs” van vorig jaar nog overtuigd moeten worden, dan kan dat bijvoorbeeld met behulp van volgende luistersuggesties.

Wij gingen immers compleet overstag voor het met uitermate fijne blazers opgewaardeerde streepje soulvolle rock “Clear Water”, het tegen een met Motown flirtende beat neergelegde “Precious Cargo”, het hoegenaamd niets met de gelijknamige PIL-deun te maken hebbende countrysoul-kleinood “This Is Not A Love Song”, het onder meer met sprankelend gitaarwerk en dito koortjes echt wel schaamteloos om radioaandacht bedelende “Can I Change My Mind” en het zachtjes even aan de grote Eddie Hinton refererende slepertje “What Kind Of Love”.

Wie nog om een ideetje voor z’n zomerfestival verlegen zou zitten: deze Wilson is uw man!

Danny & The Champions Of The World, Loose Music

 

AD VANDERVEEN “Presents Of The Past / Requests Revisited” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Heel wat van Ad Vanderveens al wat oudere albums zijn al een poosje niet meer verkrijgbaar. Dat gegeven en het feit dat z’n fans tijdens optredens toch steeds weer naar nummers van die platen bleven vragen, deden onze noorderbuur ertoe besluiten om een aantal van die songs opnieuw op te nemen. “Requests Revisited” dus. Meer bepaald de songs “First Feeling”, “Anchor”, “Blues So Bad”, “Emigrant Family”, “The Moment That Matters”, “Well Of Wonder”, “Soul Power”, “Wonders Of The World”, “Driftwood”, “Still Now” en de als lang uitgesponnen hidden bonus track aangeboden Personnel-classic “Water Under The Bridge”. “Het voelt bijna alsof ik mezelf cover,” aldus Vanderveen zelf (zang, gitaren, harmonica, bas, percussie en autoharp) over de oogst van z’n noeste arbeid samen met René Kaaij (drums, bas, piano, Hammond, accordeon, percussie en zang), Kersten DeLigny (zang en percussie), Jim Morrison (viool), Karen Joy McCoy (viool), Maaike Peterse (cello), Timon van Heerdt (mandoline), Rob van Duuren (pedal steel) en Dimitri Vlaanderen (percussie).

Tijdens de looptijd van “Requests Revisited” groeiden echter ook een heleboel nieuwe nummers. En ook die werden door Vanderveen ingeblikt. Zij het dan wel op een iets andere manier. Met een akoestisch combo in een klein theater zonder publiek meer bepaald. En die aanpak resulteerde bijna als vanzelfsprekend in een meer vintage aandoend (akoestisch) rootsgeluid. Met als absolute uitschieter wat ons betreft het door gaste Lynn Miles van wat fraaie harmony vocals voorziene “The Future Has Changed”. Gedachten aan Neil en Nicolette waren hier daarbij even niet al te ver weg…

Eigenlijk gewoon het beste van twee werelden, deze knappe dubbelaar… Enerzijds ideaal als opstapje voor allen die nog niet vertrouwd waren met Vanderveens wat oudere werk, anderzijds gewoon ook een prima nieuwe plaat. Waar wacht u eigenlijk nog op?

Ad Vanderveen, Blue Rose Records

 

BEN REEL “7th” (B. Reel Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

De ster van Ben Reel is duidelijk rijzende. “7th”, zijn wel heel erg toepasselijk getitelde nieuwe, zou als u het ons vraagt wel eens ‘s mans definitieve doorbraak kunnen gaan betekenen. En die verdient de Ierse songsmid wat ons betreft ook volop. Met het ook al vrijwel unaniem lovend onthaalde “Darkness & The Light” van een jaar of twee geleden pakte hij ons al eens genadeloos in en dat doet hij met die zevende worp spelenderwijze opnieuw.

Heerlijk gewoon, hoe de beste man daarop uit een veelheid aan stijlen toch een samenhangend geheel met een eigen smoelwerk weet te puren. Rock, soul, blues, Americana, folk, country,… U zegt het maar! Reel staat hier eigenlijk open voor zo ongeveer alles. Net geen vierenvijftig minuten lang fietst hij behendig tussen tal van stijlen heen en weer. En dat levert en passant nogal wat beklijvende momenten op.

We noemen er hier alvast enkele. Openingsnummer “Lucky Streak” bijvoorbeeld meteen al. Dat blijkt immers een werkelijk rete-aanstekelijk rootsrockdeuntje. En het meteen daaropvolgende “One Of These Days” doet bijna op z’n Mellencamps iets heel moois tussen country en rock. Oorwurm “Say” op zijn beurt moet het dan weer hebben van een behoorlijk sixties aandoende vibe, “Reflection Of The Blues” flirt zonder schroom met het genre uit z’n titel en “Back On The Road” is Heartland rock van het betere soort.

Verder ook nog als ronduit uitstekend te bestempelen: het soulvol een aardig eindje wegrockende “Meant To Be”, de sfeervolle alternatieve countrysleper “Many A Time”, het sympathieke stampertje “Gimme Some Room”, de ook al van de soul bulkende trage “Given It All” en de daar perfect bij aansluitende pîanoballade “Coming Around Again”.

Echt een heerlijke plaat! Zo ongeveer de ideale soundtrack voor een hopelijk lange en hete zomer.

Ben Reel

 

DONNA ULISSE “The Songwriter In Me, The Demo Recordings” (Hadley Music Group)

(3,5****)

Sinds haar geslaagde overstap naar het bluegrassgenre nu zo’n jaar of acht geleden is ook de ster van Donna Ulisse als songsmid almaar helderder gaan stralen. Onder meer Claire Lynch, Diana Jones, Doyle Lawson & Quicksilver en de Del McCoury Band bedienden zich de voorbije jaren maar wat graag van haar liedjes. Dat gegeven en het feit, dat ze ook als instructrice van songwriting workshops een erg graag geziene gaste werd, zetten Ulisse er vorig jaar toe aan om met een eerste eigen boek uit te pakken.

Dat laatste is opgevat als een soort van eerbetoon aan de kracht van verbeelding, werd gekruid met nogal wat persoonlijke anekdotes en is ook bepaald genereus bij het verstrekken van inzichten voor het schrijven van liedjes. En als een soort van toetje bevatte het ook de teksten van vierentwintig liedjes van Ulisse, bedoeld naar eigen zeggen vooral om de lezer ervan in te wijden in rijm, metrum en songstructuur. En aan die collectie songs werd nu ook een nieuwe cd besteed. Opgenomen als het ware als demo’s, eerder schaars geïnstrumenteerd dus. Met als doel “to truly showcase the song”. En het moet gezegd, dat leidt hier tot bij momenten echt wel verbluffend mooie resultaten. Veel meer dan de akoestische gitaren van Glen Duncan, Kenny Smith of Tony King is er doorgaans niet nodig om nachtegaaltje Ulisse volop te laten schitteren. Een occasioneel opduikende banjo of fiddle en de vrijwel alomtegenwoordige harmonies van Rick Stanley even buiten beschouwing gelaten dan.

Heel wat van de liedjes op “The Songwriter In Me” belandden eerder al wel op andere releases van Ulisse. Deren doet dat echter niet echt, aangezien het daarbij om instrumentaal gezien wél flink in het pak gestoken versies ging, terwijl hier, zoals eerder al gesteld, juist de naakte schoonheid van de liedjes centraal staat. Een aantal van de overige deuntjes mogen we, aldus Ulisse zelve, al zien als een soort van voorbode op een binnenkort te verschijnen nieuwe cd.

RIYL: Emmylou Harris, Dolly Parton, Claire Lynch, Alison Krauss.

Donna Ulisse

 

ALECTRO “School Of Desire” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Alectro, nooit van gehoord,” zegt u? Troost u, u bent wellicht lang niet de enige. Ook wij bijvoorbeeld al fronsten de wenkbrauwen flink bij het horen van die naam. We verwachtten er om eerlijk te zijn zelfs allesbehalve een rootscollectiefje achter. En toch blijkt dat het geval. Nu ja, een collectiefje, een duo eigenlijk. Een duo bestaande uit veteranen Jeff Eyrich en Steve Kirkman. En vooral de naam van die eerste zou wél een belletje moeten doen rinkelen. Als producer was die Eyrich immers mee verantwoordelijk voor enkele albums, waarvan u er vast wel één of meer op de plank heeft staan. We denken dan bijvoorbeeld aan dingen als “The Hard Line” van The Blasters, “Everywhere At Once” van The Plimsouls, “The Las Vegas Story” van de Gun Club, “Long Gone Dead” van Rank & File en “Proof Through The Night” van T-Bone Burnett. Meer dan genoeg, lijkt ons, om uw aandacht serieus mee aangewakkerd te hebben…

Samen met z’n maatje Steve Kirkman, een veelgevraagd gitarist en producer, trekt hij op “School Of Desire” aardig wat registers open. Probeert u het zich maar eens voor te stellen… Je houdt van surfgitaren, de spaghetti western soundtracks van Ennio Morricone, Duane Eddy twang, blues, country, rock & roll en wel meer en dat moet dan allemaal onder één en hetzelfde muzikale dak. Zó en niet anders klinkt “School Of Desire”! Als één lange weirde trip langsheen alle mogelijke muzikale voorkeuren van het duo Eyrich en Kirkman. En als het even kan vaak zelfs liefst meerdere in één en hetzelfde nummer.

Negen eigen nummers van beide betrokkenen worden op “School Of Desire” afgewisseld met covers van “Hard Travelin’” van Woody Guthrie en “Tobacco Road” van John D. Loudermilk, u allicht beter bekend in de uitvoering van The Nashville Teens.

Hoogst apart allemaal, maar allicht juist ook mede daardoor heel aantrekkelijk!

Alectro, Blue Rose Records

 

THE WYNNTOWN MARSHALS “The End Of The Golden Age” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Album nummer drie ondertussen toch ook alweer voor het vanuit het Schotse Edinburgh de wereld op regelmatige basis een weinig opvrolijkende collectiefje The Wynntown Marshals. En net als z’n beide voorgangers, “Westerner” uit 2009 en “The Long Haul” van zo’n jaar of vier later, is ook die derde worp weer een erg knap geheel geworden. Een geheel, dat in zich het beste van twee werelden tracht te verenigen. Eén lange stoelendans tussen de Schotse roots van kopstuk Keith Benzie en de zijnen en hun nadrukkelijke voorliefde voor all things Americana als het ware. Lekker, lekker, lekker!

Catchy rootsy rock songs als het behoorlijk sixties aandoende “There Was A Time”, het voorwaar zelfs even nadrukkelijk met power pop flirtende “Dead Flowers”, het met Hannah Elton-Wall van The Redlands Palomino Company gebrachte “Red Clay Hill” en het in al zijn vinnigheid de Replacements-fan in ons vrijwel probleemloos in vervoering brengende “Better Than Yesterday” worden op “The End Of The Golden Age” afgewisseld met wat meer ingetogen momenten als het op beeldige wijze op een stukgelopen relatie terugkomende “Being Lazy”, “The Girl On The Hill”, een prachtig requiem voor een veel te jong overleden vriend, en het echt ongemeen sfeervolle “Idaho”.

En daarnaast zijn er natuurlijk ook nog de voor de Marshals ondertussen zo’n beetje typisch geworden verhalende liedjes. Onder die vlag horen this time around onder meer het licht psychedelische “Metagama” en het klaaglijke “Moby Doll” thuis.

Als u het ons vraagt echt wel een uitstekende plaat, deze nieuwe van Benzie en co.

The Wynntwon Marshals, Blue Rose Records

 

GIANT SAND “Heartbreak Pass” (New West Records / ADA Warner Music)

(3,5****)

Op 21 mei aanstaande is Howe Gelb weer eens in het land. Met Giant Sand doet hij dan meer bepaald Het Depot in Leuven aan. En in afwachting daarvan is er nu alvast reeds het de dertigste verjaardag van die band bezegelende “Heartbreak Pass”.

Voor de productie daarvan tekende Gelb zelf. En dat was wellicht geen kwaad idee. Zijn experimenteerdrift kent op “Heartbreak Pass” als vanouds immers weer absoluut geen grenzen. Zelf vindt hij dat de plaat mede daardoor eigenlijk in drie volumes uiteenvalt. Het eerste daarvan noemt hij “a loud and lucky abandon, as if there’s no choice”, het tweede valt eerder onder de noemer Americana, het derde is bedoeld voor “late night musings”.

Inblikken deed Gelb “Heartbreak Pass” met de dezer dagen uit Thøger Lund, Gabriel Sullivan, Brian Lopez, Jon Villa, Peter Dombernowsky, Nikolaj Heyman, Anders Pedersen, Iris Jakobsen en Asger Christian bestaande line-up van Giant Sand. Naast usual suspects op de gastenlijst als Maggie Björklund (pedal steel) en Lonna Beth Kelly (zang) waren vooral zij het, die Gelbs ideeënrijkdom naar iets tastbaars hielpen verklanken. Nu ja, aan gasten anders ook geen gebrek, hoor! Zo merkten we en passant onder meer ook nog bijdragen van Jason Lytle van Grandaddy, Steve Shelley van Sonic Youth, Grant-Lee Phillips, de Italiaanse groep Sacri Cuori, onze noorderburen van The Common Linnets, PJ Harvey-maatje John Parish en oud Sand-drummer Winston Watson op.

Zeker geen gemakkelijke plaat, dit. Al is ze naar Gelb-normen eigenlijk al bij al nog redelijk toegankelijk.

Onze onverbintelijke luistertips: de echt wel héél erg lekkere garagerocker “Hurtin’ Habit”, de fraaie, met Ilse Delange in een opvallende gastrol ingeblikte alternatieve countrysleper “Man On A String” en ingetogen beauty “Eye Opening”.

Giant Sand, New West Records

 

DAR WILLIAMS “Emerald” (Bread & Better Music / Bertus)

(4****)

Ik zou nu, na amper een paar luisterbeurten, al zo ver durven te gaan, om “Emerald”, de ondertussen veertiende volwaardige langspeler van de Amerikaanse Dar Williams, als haar allerbeste tot op heden te bestempelen. Haar meest ambitieuze so far is het hoe dan ook. Een vlugge blik op de werkelijk tot de rand toe gevulde gastenlijst volstaat allicht al om je daarvan te overtuigen. Vrienden als een Richard Thompson, een Courtney Jaye, een Jonny Polonsky, een Jill Sobule, een Jim Lauderdale, de Hooters, de Milk Carton Kids en Lucy Wainwright Roche en haar moeder Suzzy werden door Williams graag bereid gevonden om een handje toe te komen steken tijdens het realiseren van haar nieuwe worp. En dat vertaalde zich uiteindelijk naar net geen drie kwartier folk pop van het betere soort.

Van het met name door de lap steel van Josh Kaler en de harmony vocals van Courtney Jaye flink opgewaardeerde sfeerstukje “Something To Get Through” tot het met onder meer Jonny Polonsky en Jill Sobule op nagenoeg onweerstaanbare wijze recht richting het object uit z’n titel gecatapulteerde “FM Radio”, het ijle “Empty Plane” of het met Richard Thompson gasterend op de elektrische gebrachte titelnummer, van het samen met Jim Lauderdale gepende en ook in duet met deze laatste gebrachte streepje poppy country soul “Slippery Slope” tot het op ongemeen catchy wijze op liefdestwijfels ingaande “Here Tonight”, de heerlijke ballade “Girl Of The World”, het met de wonderlijke Milk Carton Kids gedeelde “Mad River”, het met Suzzy en Lucy Wainwright Roche een aardig eindje richting de sterren gezongen “Weight Of The World”, het zachtjes twangende “Johnny Appleseed”, gebracht met de je ongetwijfeld ook nog wel van hun wereldhit “Satellite” uit 1987 bekende rockband The Hooters, en de afsluitende late night piano ballad “New York Is A Harbor”, je zal je hier als luisteraar echt hoegenaamd geen moment lang vervelen.

Knappe teksten verpakt in puntgave liedjes, gebracht door een zangeres met een fantastisch mooie stem, begeleid door louter topmuzikanten, zeg nu zelf, wat kan een mens zich nog meer wensen? Niet echt veel, toch…?

Dar Williams

 

GUY VERLINDE “Better Days Ahead” (Parsifal / DixieFrog / Bertus)

(4****)

Nu al zo’n zeven jaar lang verbaast Vlaming Guy Verlinde keer op keer opnieuw zowel vriend als vijand met z’n platen. Als Lightnin’ Guy nam hij in diezelfde periode liefst zeven albums op, vertegenwoordigde ons land op de prestigieuze European Blues Challenge en speelde als solo act dan wel met z’n Mighty Gators het dak van zo menig een binnen- en buitenlandse zaal eraf. Het leverde hem in eigen contreien alvast de eretitel van “hardest working blues artist” überhaupt op.

Maar die vlag dekt eigenlijk al lang niet meer de gehele lading van Verlinde. Z’n eerste liefde, het bluesgenre, is al even niet langer z’n enige vlam. En als dusdanig valt z’n recente naamsverandering dan ook perfect te duiden. Vond hij het ooit nog een noodzaak om onder een ogenblikkelijk met de blues vereenzelvigd alias aan de slag te gaan, dan acht hij nu de tijd rijp om met een veel ruimer rootspakketje naar z’n eigen naam terug te keren. En dus prijkt op het hoesje van z’n achtste album so far gewoon Guy Verlinde en niet langer Lightnin’ Guy.

Prima plaat overigens, die achtste. Elf nieuwe Verlinde-liedjes staan erop, goed voor net geen drieënveertig minuten blues- en rootsmuziek van de bovenste plank. In een productie van Gert Jacobs en met als special guests Luc Alexander (elektrische gitaar), Steven Troch (blues harp), Patrick Cuyvers (Hammond), Wladimir Geels (bas), Frederik Van den Berghe (drums en percussie) en Gertjan Van Hellemont en Cleo Janse (Backing vocals) houdt onze man je met sprekend gemak de hele rit lang bij de les. Van bij de met een over een fusée beenharde gitaargestuurde bluesrock gedrapeerde positieve boodschap “Better Days Ahead” over het sympathieke, ons voorzichtig een weinig aan Sonny Landreth herinnerende rootsrockopdondertje “Heaven Inside My Head” en de zwaar op de harp van Troch en de twin guitars van Verlinde zelve en Alexander leunende “doordouwer” “Wild Nights” tot en met de lieflijke afsluitende ballade “Don’t Tell Me That You Love Me”, het kan gewoon niet anders, hier moet je wel van houden!

Laat je net als ons volledig inpakken door dingen als de zeer radiovriendelijk verpakte, bijna speels opgevatte levensles “The One”, het Verlinde echt wel volledig op het lijf geschreven bluesrocksalvo “Feel Alive”, het bezwerende, zich nu al als gegarandeerde toekomstige publiekslieveling profilerende “Release Yourself From Fear” (Die Resonator! Heerlijk gewoon!), de soulvolle trage “Call On Me” of het al schokschouderend flink wat R&B in zich opzuigende “Learnin’ How To Love You”, je zal het je allerminst beklagen! Songs van dat kaliber maken van “Better Days Ahead” voor elke vaderlandse blues- en rootsliefhebber ontegensprekelijk een verplichte aanschaf.

Guy Verlinde

 

THE BLACK SORROWS “Endless Sleep” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De Australische Black Sorrows waren ooit één van mijn absolute lievelingsbands. Met name hun in respectievelijk 1988 en 1990 verschenen albums “Hold On To Me” en “Harley And Rose” heb ik echt grijsgedraaid. In het gezelschap van het (toen nog) achtkoppige collectief rond zanger-songsmid Joe Camilleri voelde ik me indertijd zo ongeveer in de zevende rootshemel. Liedjes als “The Chosen Ones”, “The Crack-Up”, “Chained To The Wheel”, “In The Hands Of The Enemy”, “Hold On To Me”, “Glorybound”, “Harley And Rose”, “Never Let Me Go”, “Hold It Up To The Mirror” en vele andere, ik mag ze tot op de dag van vandaag nog steeds heel erg graag horen. Meer nog, als je me zou verplichten een lijstje met mijn tien “eilandplaten” op te stellen, dan zou er daar van het genoemde tweetal zeker eentje tussen zitten. Om maar te zeggen…

Op een gegeven moment werd het hier echter heel erg stil rond de Black Sorrows. Later leerde ik, dat het de extreme vliegangst van band leader Joe Camilleri was geweest, die hen zowat volledig van de Europese radar had doen verdwijnen. In eigen land bleven de Sorrows al die tijd echter wel actief. En dus mogen we hier en nu ook niet echt van een comeback spreken. Veeleer van een nieuwe poging om Europa in te pakken. Iets wat kan omdat Camilleri ondertussen volledig van “z’n schrik om van de grond te gaan” verlost zou zijn.

Het eerste hernieuwde teken van leven is een uit de songcollecties “Endless Sleep” en “One More Time” bestaande dubbelaar. De eerste een verzameling covers van nummers van artiesten die voor het helpen vormgeven van de muziek van Camilleri en co van cruciaal belang zijn geweest, de tweede een na al die jaren als ideaal ruggensteuntje te bestempelen terugblik op het verleden van de groep. Onder meer de haltes JJ Cale (“Devil In Disguise”), Lou Reed (“Dirty Boulevard”), Blind Willie McTell (“God Don’t Like It”), Big Maybelle (“That’s A Pretty Good Love”), Warren Zevon (“Excitable Boy”), Jody Reynolds (“Endless Sleep”), Hank Williams (“I’m So Lonesome I Could Cry”), Skip James (“Hard Time Killin Floor”), John Coltrane (“Lonnie’s Lament”), Gil Scott-Heron (“Better Days Ahead”), Mississippi Fred McDowell (“61 Highway”), King Floyd (“Baby Let Me Kiss You”), Willy DeVille (“Story Book Love”) en Eddie Hinton (“Just Like The  Fool That I Was”) worden op cd1 aangedaan. Verrassend genoeg niet Van Morrisson, de man met wie Camilleri in het verleden vooral stemgewijs meer dan eens werd vergeleken.

Op het tweede schijfje een soort van best of the Black Sorrows met achtereenvolgens “Lucky Charm”, “Lovers’ Story”, “Hold On To Me”, “Life’s Sad Parade”, “Chosen Ones”, “Snake Skin Shoes”, “Country Girls”, “Ain’t Love The Strangest Thing”, “Harley & Rose”, “Dear Children”, “Little Murders”, “Daughters Of Glory” en “A Fool And The Moon”. Leuk! Als “kennismaking met” dan wel als “geheugenopfrissertje”, dat mag je voor jezelf uitmaken…

Om je een idee te vormen van het geluid van de Sorrows volstaat het indien nodig om je het kruispunt tussen elk van de hoger genoemde invloeden in te beelden. Pop, (roots) rock, blues, funk, R&B, jazz, country, folk, je zegt het maar, Camilleri en co draaien de hand hier echt zo goed als nergens voor om…

The Black Sorrows, Rootsy

 

SHELBY LYNNE “I Can’t Imagine” (Rounder Records / Universal Music)

(5*****)

Er lijkt dezer dagen maar geen einde te willen komen aan de gestage stroom aan lichtjes fantastische platen. Er gaat hoegenaamd geen week voorbij, of er belanden hier wel een paar albums op de schrijftafel, die we zonder verpozen toevoegen aan de check list voor onze “definitieve tien” van 2015, straks aan het einde van het jaar. “I Can’t Imagine”, de zopas verschenen nieuwe van de als immer geweldige Shelby Lynne, is de volgende in het ondertussen al fameus lang geworden rijtje. Geen twijfel over mogelijk! Haar dertiende volwaardige langspeler behoort immers ontegensprekelijk tot het allerbeste op het repertoire van Lynne. Te situeren ergens in de buurt van haar eigen all-time classic “I Am Shelby Lynne” uit 2000!

Tien liedjes telt Lynne’s debuut voor huis van vertrouwen Rounder Records. Twee daarvan schreef ze samen met Ron Sexsmith, twee met Pete Donnelly (Figgs, NRBQ), eentje met haar producersrechterhand Ben Peeler, de rest gewoon in haar eentje. En er zitten verdorie nogal wat klassiekertjes in spe tussen! Van de werkelijk bloedmooie poëtische roots pop van openingsnummer “Paper Van Gogh” tot het al even fantastische streepje Southern soul dat “Back Door Front Porch” is, van het broeierige, in zo ongeveer dezelfde R&B-wateren als collega’s Bonnie Raitt en Susan Tedeschi actieve “Sold The Devil (Sunshine)” tot het op een bedaarde zuiderse rock groove leunende “Down Here”, van de met Ron Sexsmith gepende sensuele soulopstoot “Love Is Strong” tot de bezwerende schuifel-Americana van “Better”, van de door Leni Stern van een enigszins exotisch aandoende intro voorziene sleper “Following You” tot het afsluitende titelnummer en andere, je zal hier echt vergeefs op ook maar één enkel teken van zwakte zitten wachten.

Net geen eenenveertig minuten lang onderstreept La Lynne andermaal een heel “grote madam” te zijn. En ik zou dit album dan ook voor geen geld in de wereld meer willen missen!

Shelby Lynne

 

ELLIOTT MURPHY “Aquashow Deconstructed” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ruim tweeënveertig jaar is het ondertussen ook alweer geleden, dat Elliott Murphy debuteerde. In 1973 was dat, met het ook nu nog altijd van harte aan te bevelen “Aquashow”. Een eersteling die wat ons betreft alle indertijd gespuide lovende kritieken volop verdiende.

Nu, op z’n toch ook al zesenzestigste, waagt de meester-songsmid zich aan een complete herinterpretatie van het bewuste album. Een beslissing naar eigen zeggen vooral ingegeven door het feit dat een aantal van de songs erop nog steeds vast deel uitmaken van z’n live-repertoire. Dingen als de klassieker “Last Of The Rock Stars”, het met name gevoelsmatig voorzichtig Bowie-eske “How’s The Family” en het heerlijk rockende “White Middle Class Blues”. Deze en andere songs worden op “Aquashow Deconstructed” op intrigerende wijze naar het hier en nu geloodst. Voorzien van compleet nieuwe arrangementen worden ze klaargestoomd voor een tweede leven. Murphy zelve (zang, diverse gitaren en piano’s en harmonica) en z’n vaste secondant Olivier Durand (gitaar, mandoline en dobro) tekenen naar goede recente gewoonte voor het leeuwendeel van het werk. Maar ook Murphy’s zoon Gaspard is behoorlijk nadrukkelijk van de partij. Hij tekende immers voor de productie en gaf terloops eveneens acte de présence op respectievelijk gitaar, bas, keyboards en wat percussie-instrumenten. Tom Daveau op drums, David Gaugué op cello en Thomas Roussel op viool doen de rest.

Of Murphy hier veel nieuwe fans mee zal winnen, ik durf het luidop te betwijfelen, maar verliezen zal hij er zeker ook geen mee. “Aquashow Deconstructed” is immers gewoon een zoveelste parel aan z’n kroon. Niets minder dan een instant classic voor z’n doorgewinterde volgelingen.

Elliott Murphy, Blue Rose Records

 

DARRELL SCOTT “10 - Songs Of Ben Bullington” (Full Light Records)

(5*****)

Zoals zoveel anderen maakten ook wij pas na de veel te vroeg gekomen dood van Ben Bullington kennis met het werk van die werkelijk fenomenaal goede singer-songwriter. Achtenvijftig mocht hij helaas maar worden, maar met de albums “Two Lane Highway”, “White Sulphur Springs”, “Satisfaction Garage”, “Lazy Moon” en “Ben Bullington” zorgde hij voor een nalatenschap die hem op termijn wellicht een roep zal gaan bezorgen van het kaliber van die van een Townes Van Zandt, een Blaze Foley of een Guy Clark. The kind of stuff that legends are made of, zeg maar. En da’s iets wat nogal wat van ‘s mans collega’s al wel langer leken te beseffen ook. Onder anderen Mary Chapin Carpenter, Rodney Crowell en Darrell Scott droegen hem echt op handen.

En die laatste pakt nu, zo’n anderhalf jaar na de dood van Bullington, uit met wat je zou kunnen omschrijven als het ultieme eerbetoon aan een vriend. Een album, dat eigenlijk al was ingezet nog voor het overlijden van de songsmid uit Colorado. In de laatste drie maanden van diens leven was Scott hem immers iPhone-opnamen van door hemzelf ingezongen interpretaties van zijn liedjes beginnen te sturen. Naar eigen zeggen om Bullington een ander perspectief op z’n songs te gunnen. “To hear songs with 1 degree of separation – like you’re hearing someone else’s songs.” Helaas zou hij er niet veel voordeel meer uit puren.

Eén zo’n opname, een gezien Bullingtons tragische einde toch nog net wat pakkender uitvallende lezing van “I’ve Got To Leave You Now”, sluit “10” af. Het einde van net geen tweeënvijftig minuten van het allermooist denkbare muzikale vertier. Tien liedjes gevangen in hun naakte essentie. Ingeblikt over een tijdsspanne van drie dagen in de studio van Dirk Powell in Breaux Bridge, Louisiana en gewoon bij de beste man thuis. Met Scott enkel en alleen terugvallend op z’n eigen soulvolle stem en een minimum aan instrumentarium. We noemen onder meer wat geleende gitaren van onder anderen Ben Bullington zelve, Guy Clark en Christine Balfa, een banjo van Dirk Powell, enkele piano’s, een pedal steel en een staande bas.

“The One I’m Still Thinking About”, “Born In ‘55”, “Lone Pine”, “Thanksgiving 1985”, “Green Heart”, “His Chosen Time”, “Sage After Rain” en “In The Light Of Day” krijgen zo een liefdevolle beurt mee. Een in Texas ingeblikte live-versie van “Country Music, I’m Talking To You” vervolledigt het geheel.

“Ben’s songs are timeless,” aldus Scott zelve in de liner notes van “10”. “I loved getting right in the middle of these songs and offering my best – these songs are great songs: period.” En wie zijn wij dan om dat tegen te spreken, hè? Wij kunnen eigenlijk alleen nog maar beamen door hierbij aan “10” gelijk de status van ernstige kandidaat voor de titel “Album van het Jaar” te verlenen. Een album voor de eeuwigheid, hoe dan ook…

Darrell Scott

 

ELISA WAUT “Portraits And Landscapes” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4****)

Oude liefde roest niet. Allez, da’s toch wat ze zeggen, hé. Zelfs tegen mensen als ondergetekende. Mensen met al meer dan voldoende levenskilometers op hun teller om die stelling doorgaans met een flinke korrel zout te durven nemen. Maar als het over Elisa Waut gaat, dan ben ik graag eens even niet zo sceptisch. Dan denk ook ik welwillend terug aan het verleden. Aan nagenoeg onweerstaanbare popdeunen als “Four Times More”, “After Today”, “Vanilla”, “We Sail Home Together” en andere, aan prachtalbums als “Commedia”, “Bloom Boom”, “Wood Nymph Blonde” en wel meer. Dat waren nog eens tijden!

U heeft het ondertussen al wel begrepen: het uit de ravissante Elsje Helewaut, haar broer Hans en haar levensgezel Chery Derycke bestaande Brugse trio was hier tussen 1985 en 1998 een bepaald graag geziene gast. Toen hield de groep na een eerdere tussenstop plots ogenschijnlijk definitief op te bestaan. Tot nu, that is. Want zo ongeveer out of the blue mogen we anno 2015 plots toch nog nieuw materiaal van Elisa Waut begroeten. En verdomd goed materiaal nog ook. Het allicht mooiste compliment dat je de drie met betrekking tot de twaalf nieuwe liedjes erop maken kan, is dat veel van het materiaal nagenoeg naadloos aansluit bij wat ze in hun topdagen brachten.

Noem het wat ons betreft maar pop met een gouden randje. Nogal nadrukkelijk mikkend op een al wat rijper publiek. Soms zweverig, soms luchtig. Behoorlijk sensueel bij momenten ook. Al hoeft dat natuurlijk niet echt te verwonderen met een stem als die van Elsje. Alsof er een engeltje op je tong piest, zo lekker! Ook zoveel jaren later nog! Zeventien om precies te zijn! Een geslaagde wedergeboorte in elk opzicht.

Eerste single “Blossom” kende u ondertussen misschien al wel. Als amuse kon dat nummer zeker tellen. Terugdenken aan de Elisa van weleer mocht, al zullen er ook best wel wat geweest zijn die dat catchy kleinood maar wat graag in hetzelfde hoekje als veel van het materiaal van Hooverphonic hadden ondergebracht. Iets waaraan het überhaupt nogal weelderig uitgevallen arrangeerwerk van Hans Helewaut zeker niet vreemd geweest zal zijn. En da’s hier zo goed als een constante. Hans tekende overigens ook voor de productie van het geheel.

Vervolgens is er het onderweg ergens aan het album zijn titel schenkende “Portrait”. Opnieuw een streepje vintage Elisa Waut. En ook hier weer aan sfeer absoluut geen gebrek. En ook dat blijkt verderop zoveel als een constante. Want of we het nu hebben over het bedrieglijk lichthartige “Come Back To Me”, het onder een subtiel laagje eigentijdse soul bedolven “The Key”, het op de één of andere manier wat klassiek uitvallende “How Many Stars?”, de wat ons betreft gedroomde singlekandidaten “Why Must Things Come To An End?” en “I Don’t Want To Get Hurt” of één van de dan nog resterende prachtdeunen hier, één ding hebben ze zonder uitzondering gemeen, ze baden echt in de sfeer.

Laat ons vooral hopen, dat het hier geen eenmalige reünie betreft…

Elisa Waut, Starman Records

 

BOB WAYNE “Hits The Hits” (People Like You Records)

(3,5****)

Daartoe vooral geïnspireerd door de magistrale “American Recordings” van wijlen Johnny Cash waagt Bob Wayne zich op zijn nieuwe worp voor het eerst aan covers van het materiaal van anderen. Vooral pop- en rockdingen passeren daarbij de revue. Waar wijlen The Man In Black in z’n nadagen veelal koos voor een sobere akoestische aanpak, gaat Wayne op “Hits The Hits” echter voor een full band-benadering. En dat in onvervalste outlaw style uiteraard.

Zo worden achtereenvolgens Led Zeppelin (“Rock And Roll”), Adele (“Skyfall”), Guns N’ Roses (“Sweet Child O’ Mine”), de Stones (“Sympathy For The Devil”), Eric Clapton/Bob Marley (“I Shot The Sheriff”), Gnarls Barkley (“Crazy”), de Red Hot Chili Peppers (“Under The Bridge”), Imagine Dragons (“Radioactive”), de Beatles (“Come Together”), Rihanna (“Disturbia”), The Offspring (“The Kids Aren’t Alright”), Meghan Trainor (“All About That Bass”) en Ozzy Osbourne (“Crazy Train”) door de country-mangel gehaald. En met door de band genomen best wel sympathieke resultaten ook. Daarbij natuurlijk volop profiterend van de vanzelfsprekend grote mate van herkenning, maar dat geeft wat ons betreft hoegenaamd niet.

Wij waren zo bijvoorbeeld heel erg te spreken over de twangy boom-chicka-boom-versie van Adele’s Bond-hitje “Skyfall”, de met origineel banjo- en fiddlewerk opgewaardeerde lezing van “Sweet Child O’ Mine” van Axl Rose en co, een overduidelijk met Cash voor ogen neergelegd “Sympathy For The Devil” en de als een klassieke country train song aangeboden metal classic “Crazy Train” van Ozzy Osbourne.

Ideaal spul als je het ons vraagt om tijdens de zich stilaan weer aandienende zomer goed gevulde festivalweides in no time mee naar z’n hand te zetten! Jawel, neem het maar van ons aan, deze Bob Wayne zal tijdens de maanden juli en augustus ongetwijfeld nog uitgebreid van zich doen spreken…

Bob Wayne

 

BOH FOI TOCH “Sòh!” (BFT)

(4****)

Ik maak me sterk, dat ik één van de weinige Belgische fans van het eerste uur van het dit jaar z’n vijfentwintigjarige jubileum vierende Boh Foi Toch moet zijn. En daar ben ik best wel blij om ook. Niet omwille van het feit dat ik één van de enigen ben, wel omdat ik er al sinds het debuut van de heren, het al in ’92 verschenen “Zeet De Jongs”, en het geweldige, van een goed jaar later stammende “Veur Pauwen En Poeten” bij ben. Ik heb het me echt nog geen moment beklaagd. Met hun aanstekelijke gumbo van onder meer zydeco, Tex-Mex, folk en rock en hun uit het leven in de Achterhoek gegrepen dialectteksten bleken die van Boh Foi Toch voor mij door de jaren heen echte blijvertjes. Dingen als “’t Hundjen”, “Laot Mi-j Gaon”, “’t Montferland”, “Balkenbri-j”, “Deerntjen” en andere, ik hoor ze nu nog net zo graag als meer dan twintig jaar geleden.

En ik durf er eigenlijk flink wat om te verwedden, dat nogal wat van de dertien nieuwe nummers op “Sòh!”, het zopas verschenen zevende album van de dezer dagen uit Hans Keuper (harmonica, gitaar en zang), Han Mali (drums, percussie en zang), Paul Kemper (gitaar en zang) en Willem Te Molder (bas en zang) bestaande groep, een even lang leven beschoren zal blijken. Gelijk het eerste nummer al is weer zo’n typisch catchy Boh Foi Toch-niemendalletje. Op vaardige wijze het beste uit twee werelden – met name rock en Tex-Mex – combinerend wordt daarin bijzonder treffend een coup de foudre bezongen. ’t Is meteen alweer een beetje zomer…

Vervolgens gaat het via het door het “pensorgel” van Hans Keuper gedragen en met de tong diep in de wang geplant ongedierteproblemen in de tuin bezingende “Roepen Op De Moos” en het liefdevol een eindje rondwalsende “Draej, Draej” richting een volgend absoluut hoogtepunt. Quasi op z’n Rowwen Hèzes rockt “Mien Gouvernante” vrolijk rondstuiterend richting de status van toekomstige live-favoriet.

Als tegengewicht voor al dat vrolijks kan het bluesy “Herman” al tellen. Hoe de immer twijfelende protagonist uit dat liedje er zelfs al met een pakje geldbiljetten op zak toch niet in slaagt om onder het juk van z’n huwelijk vandaan te komen spreekt echt wel tot de verbeelding. En dan is het met “Anita” opnieuw volop feest. Ook van die passionele Tex-Mex-meezinger weet je nu al bijna zeker, dat hij het zeer goed zal gaan doen tijdens de nakende optredens van de band.

Volgen dan nog: het bedaard met een R&B-motiefje stoeiend een al bijna zekere liefdestoekomst bedeesd toch nog maar even voor zich uit schuivende “Later Wal”, het ergens tussen blues, zydeco en rock op tegelijk enigszins tragische en ongemeen grappige wijze, de toekomst van zo menig een ouderling bezingende “Olde Keerls Blues”, de Dylan-cover “Een Nacht” (van “On A Night Like THis” van “Planet Waves” meer bepaald), de sfeervolle ballade “Drieven”, het knap een nog niet helemaal verteerde liefdesbreuk als uitgangspunt gebruikende “Wat Za’k Now”, het verhalende “Streupers” en de fraaie folky afsluiter “’t Mooiste Wied Weg”.

Onze conclusie: als een potje dialect op z’n tijd en een lekker feestje geen bezwaar voor je vormen, dan is dit echt wel een aanrader van jewelste.

Boh Foi Toch

  

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home