CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

MARA SIMPSON “Our Good Sides” - CLARENCE BUCARO “Pendulum” - BROOKS WILLIAMS “My Turn Now” - GUY VERLINDE “Rooted In The Blues” - WEST MY FRIEND “Quiet Hum” - REBECCA PRONSKY “Known Objects” - WILD PONIES “Radiant” - ELLY KELLNER “Zinken & Zweven” - RODNEY DECROO “Campfires On The Moon” - DAVE MCGRAW & MANDY FER “Off-Grid Lo-Fi” - BJ BAARTMANS & MIKE ROELOFS “Ins Blaue Hinein” - ROB HERON AND THE TEA PAD ORCHESTRA “Something Blue” - LITTLE KIM AND THE ALLEY APPLE 3 “The Longest Mile” - THE LOWEST PAIR “Uncertain As It Is Uneven” en “Fern Girl & Ice Man” - HIDDEN AGENDA DELUXE “Pan Alley Fever” - ROD MELANCON “LA 14” - KACY & CLAYTON “Strange Country” - LILLY HIATT “Royal Blue” - MICHAEL FRACASSO “Here Come The Savages” - MARKUS RILL & THE TROUBLEMAKERS “Dream Anyway” - BILL PRITCHARD “Mother Town Hall” - KYLA BROX “Throw Away Your Blues”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

MARA SIMPSON “Our Good Sides” (AWAL)

(4****)

Als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan zal deze mooie Britse binnen de kortste keren de (roots)wereld weten in te pakken met haar stem en liedjes. In de vakpers in haar thuisland werd ze louter op basis van haar vocale prestaties onder meer al vergeleken met sirenes als Norah Jones en Annie Lennox, maar onze gedachten dwaalden bij het horen van die geweldige stem van ‘r al bij al toch net wat meer af richting dames als een Mary Chapin Carpenter, een Joni Mitchell en een Shawn Colvin. Richting een buurt waar het als liefhebber van hun habitat tussen (roots) pop en folk hebbende liedjes goed toeven is dus. Richting een buurt waar het je soulvol inleven in een liedje nog schering en inslag is.

“Our Good Sides”, Simpsons debuutplaat, blijkt werkelijk tot de nok toe gevuld met beklijvende songs. Liedjes gezegend met beurtelings catchy en wat meer van de luisteraar eisende melodieën en opgehangen aan aansprekende teksten. Met als primus inter pares wat ons betreft ontegensprekelijk het atmosferische “Ghosts”. Andere echte topmomenten: de ingetogen, met Olly Knights van Turin Brakes gebrachte beauty “In The Water”, het op bedaarde wijze en met vaste hand ook wat rock in het geheel injecterende “Keep Holding On”, met ditmaal een gastrol voor Ben Ottewell van Gomez, en vooral ook het ongemeen soulvolle “What I Would Give”. In verband met dat laatste zouden we hier zelfs durven te gewagen van een echte moordsong.

Voor de productie van het werkelijk bloedmooie “Our Good Sides” tekende Tim Bidwell.

Mara Simpson

 

CLARENCE BUCARO “Pendulum” (Twenty Twenty Records)

(4****)

Wat hebben we aan deze man al veel plezier beleefd! De mini “Still Wide With Wonder” meegerekend inmiddels tien platen diep in z’n carrière is Clarence Bucaro hier door de jaren heen zo’n beetje tot het meubilair gaan behoren. Z’n langspelers “New Orleans”, “Sense Of Light”, “Sweet Corn”, “’Til Spring”, “Walls Of The World”, “Dreaming From The Heart Of New York”, “Hills To Home”, “Like The 1st Time” en nu ook “Pendulum” wisten en weten bij ons altijd weer de juiste snaar te raken. En dat eigenlijk al jarenlang met altijd weer ongeveer dezelfde ingrediënten.

En dan hebben we het natuurlijk in de eerste plaats over die honingzoete, fluweelzachte baritonstem van de man. Om van weg te smelten zo mooi! En als je zo’n fabuleus geschenk van moeder natuur dan ook nog eens met een flink uit de kluiten gewassen talent voor het schrijven van immer melodieuze liedjes weet te combineren, ja dan… Dan wordt weerstand proberen te bieden inderdaad zowat een compleet nutteloze onderneming. Dan duik je als luisteraar met het grootste plezier onvervaard in de vaak intimistische diepten van het zich voor je aandienende liedgoed.

Voor wat productionele bijstand bij het inblikken van z’n nieuwe worp wist Bucaro de u vast ook wel van z’n werk met onder anderen Ryan Adams en Wilco bekende Tom Schick te strikken. Samen tekenen ze voor tien veritabele melodieuze schoonheden van songs. Liedjes opgehangen aan bijzonder aansprekende, immer openhartige teksten. En ook dat schept natuurlijk een band. Probeert u bij wijze van proevertjes bijvoorbeeld maar eens de fraaie pianoballade “Love Like The Last Chance”, de ons terloops best wel wat aan die van Crowded House herinnerende roots pop beauties “My Heart Won’t”, “Tragedy” en “Watching You Grow”, het ergens in de buurt van de ongecompliceerde werkstukken van z’n collega Josh Rouse uitkomende streepje zomer “Barcelona”, het met de immer geweldige Alisson Moorer gepende en gedeelde ingetogen kleinood “Strangers” of titelnummer “Pendulum”. Wij kunnen het ons amper voorstellen, dat zulke fraaie liedjes als deze u volledig onberoerd zouden laten…

Clarence Bucaro

 

BROOKS WILLIAMS “My Turn Now” (CRS)

(3,5****)

Er zijn zo van die artiesten waarover een mens zich afvraagt, waarom ze nog niet lang veel en veel meer naambekendheid genieten dan dat vooralsnog het geval is. Echte talenten die eigenlijk al jarenlang meegaan zonder noemenswaardige successen te boeken. Brooks Williams is er zo eentje. De vanuit Statesboro, Georgia actieve Amerikaan is een prima zanger en een uitstekende songsmid en ook op de gitaar kan hij een alleraardigst eindje uit de voeten. Achtentwintig jaar lang al zit hij ondertussen in het vak. En z’n discografie oogt dan ook stilaan indrukwekkend. Maar zeg eens eerlijk, hoeveel van ’s mans platen zou u zo uit het blote hoofd kunnen opsommen? Dat dacht ik al, ja… Hoog tijd dan ook om daarin verandering te brengen. Laat ons alvast maar eens beginnen met een recensie van ’s mans nieuwste, het net verschenen “My Turn Now”.

Prima plaatje, hoor, dat in totaal elf songeenheden tellende geheel. Zeven daarvan droeg Williams zelf aan. En voorts zijn er ook nog “Your Mind Is On Vacation”, een wervelende lezing van die Mose Allison classic, het naar onze bescheiden mening werkelijk bloedmooie, bij Kris Kristofferson geleende “Nobody Wins” en van een nieuw arrangement voorziene versies van de traditionals “Hesitation Blues” en “Sitting On Top Of The World”.

De feestelijkheden worden voor geopend verklaard met het nerveuze Americana bluesje “Crazy Dance”. Vervolgens is er de groovy blues rocker “My Turn Now”. Dat laatste vonden wij één van dé absolute smaakmakers op Williams’ nieuwe. Samen met andere klasse-deunen als het speelse, her en der best wel wat aan het werk van Ry Cooder herinnerende tweetal “Nine Days’ Wonder” en “Darkness”, het op ingetogen wijze nog eens op de fatale sprong van stuntman Evil Knievel ingaande “Year Began” en het monumentale, louter groove-gewijs ergens in de buurt van J.J. Cale strandende “Joker’s Wild”.

Wat ons betreft heeft Williams overschot van gelijk met de titel van z’n nieuwe plaat: misschien moesten we hem met z’n allen inderdaad eindelijk maar eens die welverdiende beurt gunnen.

Brooks Williams

 

GUY VERLINDE “Rooted In The Blues” (Parsifal Records / DixieFrog)

(5*****)

The blues, the whole blues and nothing but the blues, da’s waar het op de nieuwe van (Lightnin’) Guy Verlinde gelukkig weer allemaal om draait. Op de opvolger van “Better Days Ahead” graaft de Vlaming niet enkel diep in het verleden van het genre dat hem al van jongs af aan zo lief is, maar troont hij ons terloops ook mee naar z’n eigen roots. Sommige van de liedjes op “Rooted In The Blues” dateren al van z’n dagen bij andere bandjes als Smokin’ Chillums, Backbone en Mo’ Rice, andere vormen ook nu nog vaste prik op het repertoire van de Mighty Gators. Iets wat op quasi volledig organische wijze heeft geleid tot een heerlijk gevarieerd geheel, tot een wellicht door zo goed als elke bluesliefhebber op luidkeels gejuich onthaald geschenk voor de nakende zomer. Want dat Verlinde hiermee gaat scoren op de planken van diverse podia hier te lande en ook tot ver daarbuiten, dat staat immers nu reeds onomstotelijk vast.

Samen met een aantal van de allerfijnste Belgische en Nederlandse muzikanten actief in de sectoren blues en roots scoort Verlinde hier met dertien originele lappen old school blues. We hebben het dan over schoon volk als Richard van Bergen (gitaren en backing vocals), Tiny Legs Tim (zang en gitaren), Steven Troch (harps), René Stock (elektrische en double bass), Frederik Van Den Berghe (drums en percussie) en Patrick Cuyvers (piano, Hammond en backing vocals). Een echt dream team zeg maar.

Afgetrapt wordt er met het echt van de joie de vivre barstende “I’ve Got You”, een lekkere shuffle ter ere van de lichtjes geniale Little Walter. Vervolgens is er het ook al heel erg lekkere “Soul Jivin’”, een nummer dat sommigen onder jullie misschien al zullen kennen van het in 2010 verschenen album “The Banana Peel Sessions”. Al wijkt de hier gebrachte versie van dat nummer behoorlijk af van die live-uitvoering. Ze is wat langzamer en leunt op een heerlijk diepe groove om ons het verhaal van Verlindes bekering tot de blues te vertellen.

Met “Drivin’ Home To You” volgt vervolgens één van onze absolute favorieten van “Rooted In The Blues”. Met dat nummer pikte Verlinde naar eigen zeggen aan bij de aanpak van good old Jimmie Vaughan. Het resultaat is een bijzonder smakelijk uitgevallen rock & roll shuffle, nu al een uitgesproken favoriet op z’n live-repertoire. Met het zomers lijzige “Thinkin’ About My Baby” gaat het daarna op soulvolle wijze richting Stax en Booker T. & The MG’s meer bepaald, prijsnummer “Goin’ Down To Missy Sippy” doet in het kielzog daarvan samen met Tiny Legs Tim de gelijknamige blues club in het Gentse aan en “Jump & Jive” is op zijn beurt een wervelende pot old school swing blues.

Een volgend uitgesproken hoogtepunt is meteen daarop de uit puur hartzeer opgetrokken sleper “I’d Rather Feel Lonely Tonight”. I guess that’s why they call it the blues… Wow! Gitaar, toetsen, harmonica, werkelijk alles klopt hier! En datzelfde kan je eigenlijk net zo goed zeggen van de daaropvolgende, duidelijk door Freddy King geïnspireerde instrumental “Nite Trippin’”. Al zijn het daarin met name de gitaar van Verlinde zelf en het Hammond-orgel van Patrick Cuyvers die de lakens naar zich toe trekken.

Een heus slotoffensief wordt vervolgens ingezet met de hypernerveuze boogie-opstoot “Winter Blues”. Samen met de op z’n Muddy Waters’ seksueel gekruide schuifelaar “A Whole Lot Of Lovin’”, het bij nader inzicht zowel door wijlen J.J. Cale, als door John Mooney en Sonny Landreth geïnspireerde slide-vehikel “Take Your Time”, het rauwe, jaren geleden al tijdens één van z’n vele bezoeken aan de Gentse Feesten gepende en nog maar eens z’n liefde voor Hound Dog Taylor betuigende “Let’s Have A Party” en de afsluitende shuffle “Treat Me Right” goed voor een machtig einde aan een überhaupt machtige plaat.

Als ons aller Duivels binnenkort even groots uitpakken als deze landgenoot hier, dan worden we gegarandeerd Europees kampioen. En mocht dat uiteindelijk toch niet het geval blijken, nu ja, dan bouwen we toch gewoon een feestje op de tonen van Guy Verlinde zeker…

Guy Verlinde

 

WEST MY FRIEND “Quiet Hum” (Grammar Fight Records)

(3,5****)

“Quiet Hum” is als ik het goed heb het ondertussen derde album van het vanuit het Canadese Vancouver actieve kwartet West My Friend. Eerder waren er immers ook al hun in 2012 verschenen debuut “Place” en “When The Ink Dries”, de erg knappe opvolger daarvan van een jaar of twee geleden. Twee albums waarop Eden Oliver (zang en gitaar), Alex Rempel (zang en mandoline), Jeff Poynter (zang en accordeon) en Nick Mintenko (zang en bas) er zo ongeveer alles aan deden om tussen de polen indie roots en kamerfolk zo origineel mogelijk uit de hoek te komen. Iets wat hen bijna als vanzelfsprekend al snel ook de nodige aandacht opleverde. En terecht ook! Hun muziekjes vielen immers vrijwel zonder uitzondering op door een catchy soort van speelsheid. Door een kunstig zijn zonder gekunsteld over te komen ook. Het maakte van de liedjes van West My Friend uitstekend radiovoer tout court.

En dan doen we even een copy-paste. Alles wat we hier al over de beide voorgangers van “Quiet Hum” te vertellen wisten, blijkt immers ook weer op te gaan voor dat nieuwe album van West My Friend. De lenige zang van met name Eden Oliver, het op vaak niets minder dan sprankelende wijze samengaan van akoestische gitaar en bas, mandoline en accordeon, de op geheel en al organische wijze richting andere genres als pop, jazz en klassiek meanderende folk- en rootsdeuntjes van het viertal, meer dan redenen genoeg om ook van het op “Quiet Hum” gebodene weer met volle teugen te genieten.

Zoals van het van de zorgvuldig opgebouwde spanning erin levende “No Good Monster” bijvoorbeeld. Een liedje, waarin op bijna speelse wijze wordt ingegaan op het vaak verlammende effect van perfectie nastreven. Nog zo’n beauty is de mede door Olivers fraaie uithalen de middelmaat ver overstijgende rootshybride “A Birthday”. Wij werden er voorwaar even helemaal sprakeloos van. Welbeschouwd heel eventjes maar. Want met het op subtiele wijze accordeongestuurde “Spruce Top” diende zich al snel één van de volgende hoogtepuntjes aan.

En tot dat selecte kransje zouden we hier verder zeker ook nog het bij hun landgenoot Zachary Gough geleende en van een Iers folkarrangementje voorziene “All Day Long”, het volledig in het Frans gebrachte “Tombée” en het door het wat aparte inzetten van Poynters accordeon erin meteen tussen de rest opvallende en zich tekstueel terloops op het thema kolonialisme stortende “The New World” willen rekenen.

Intrigerend spul zonder meer!

West My Friend

 

REBECCA PRONSKY “Known Objects” (Acme Hall Studios)

(3,5****)

Oorspronkelijk was het Rebecca Pronsky’s bedoeling geweest om haar nieuwe album “Known Objects”, de opvolger van het redelijk succesvolle “Only Daughter” van ondertussen zo’n jaar of drie geleden, gewoon weer samen met haar vaste partner in crime Rich Bennett op te nemen. Als duo dus eigenlijk. Vooral terugvallend op haar eigen fluwelen stem en de gitaarkunstjes van haar maatje. Maar het lot beschikte er enigszins anders over.

Nadat ze kort voordien samen een eigen opnamestudio uit de grond hadden gestampt bleek de verleiding plots immers te groot om daar ook niet zelf optimaal gebruik van te maken. Nogal wat plaatselijke muzikanten die er aan nieuwe projecten kwamen werken werden tot Pronsky’s groot jolijt graag bereid gevonden om een steentje tot “Known Objects” bij te dragen. En zo gebeurde het, dat haar nieuwe uitgroeide tot een heerlijk voldragen muzikaal geheel. Dat ze met andere woorden de ideale voedingsbodem vond voor haar als immer sublieme vocale prestaties. Prestaties, waarvoor her en der al wel eens vergelijkingen met die van K.D. Lang opdoken, om u enigszins een idee te geven.

Negen van de tien liedjes op “Known Objects” zijn eigen schrijfselen. Het tiende is een werkelijk zalige atmosferische cover van “Heatwave” van het lichtjes geweldige Schotse popgroepje The Blue Nile. Meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Known Objects”. Al staat de plaat daar echt wel vol mee, hoor! We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag ook nog de redelijk nerveuze alternatieve country van openingsnummer “Bag Of Bones”, de melodieuze Americana pop van “Nothing Yet”, de beklijvende pianoballade “Did You Know”, het verstilde “Shadow”, het net niet rockende en ons best wel wat aan Nanci Griffith herinnerende “Snowing Sideways” en afsluiter “No Matter”.

Best wel fijn spul!

Rebecca Pronsky

 

WILD PONIES “Radiant” (No Evil Records)

(4****)

“Radiant”, de nieuwe van het nu toch al een poosje als de Wild Ponies door het leven stappende tweetal Doug en Telisha Williams, is een lekker gevarieerde eigentijdse countryplaat geworden. Met zo ongeveer voor elk wat wils en voor elke mood een deun.

Afgetrapt wordt er met de door de twee samen met collega Amy Speace gepende omineuze rootsy rocksleper “Born With A Broken Heart”. De trein staat daarmee meteen stevig op de rails. Aansluitend daarop is er het titelnummer. Een mooie ballad is dat, goed voor net geen vier minuten introvert alternatief countryplezier. Via de pakkende country noir van “Tower And The Wheel”, het door Doug op z’n Joe Ely’s vurig aangejaagde countryrockertje “Mom And Pop” en het ongemeen snedige streepje wereldkritiek “Unplug The Machine”, een co-write met Robby Hecht nota bene, belanden we vervolgens bij “The Night We Never Met”, naar onze bescheiden mening één van de allermooiste nummers van het lot, een streepje innemende onderkoelde slow retro twang met een ontegensprekelijke hoofdrol voor de immer prachtige steel van Fats Kaplan.

“Big Blue Sun” blijkt op zijn beurt dan weer country rock van het wat je noemt eerder catchy soort, best wel een beetje funky ook, “Lullaby” lijkt in het zog daarvan te overleven van een op het geluid van neerkomende houwelen gebaseerd ritme en met “Home Is Where The Road Goes” belanden we mede dankzij Amelia White plots zomaar in de coole slipstream van Neko Case, alvorens er met het knappe “Graveyard Train” graag een bluesy blokje bij op het rockende countryvuur mag. Afgesloten wordt er met de bijna louter en alleen van de ingehouden spanning en passie erin levende duoprestatie “Love Is Not A Sin”. ’n Beetje op z’n Buddy & Julie’s, zeg maar…

Wild Ponies

 

ELLY KELLNER “Zinken & Zweven” (Elly Kellner)

(3,5****)

De Nederlandse Elly Kellner is met “Zinken & Zweven” inmiddels al aan haar vierde plaat toe. Eerder verschenen van haar ook reeds de EP’s “Elly Kellner” en “Ellybellyrep” en de volwaardige langspeler “Successfool”. Maar de kans is al bij al vrij groot, dat u haar eerder kent van enkele andere wapenfeiten. De afgelopen jaren toerde Kellner immers zowel met Matthews’ Southern Comfort als met Shannon Lyon. En ook op de albums “Broken Things” en “The Lights Behind” van die laatste was ze te horen, evenals op “Kind Of Life” van Matthews’ Southern Comfort.

Voor haar volledig in het Nederlands gebrachte nieuwe plaat ging Kellner een samenwerkingsverband met de hier de voorbije dagen wel eens meer opgedoken BJ Baartmans aan. Samen tekenden ze voor de productie van “Zinken & Zweven”. Baartmans leverde verder bijdragen op diverse gitaren, mandoline, bas, drums en wat percussie-instrumenten. Kellner zelf deed het op de akoestische, de fitnessbal, de belly rub, de casio en een zeldzame keer ook de elektrische gitaar.

Het resultaat van die gezamenlijke inspanningen is een heerlijk pure, hoegenaamd nergens gekunsteld aandoende collectie liedjes van een artieste die duidelijk weet wat ze wil. Een artieste, die het absoluut ook niet schuwt om haar eigen leven als uitgangspunt voor haar kunst te gebruiken. Voor liedjes rijk aan diepgang, geworteld in echte emoties. Een steeds zeldzamer wordend fenomeen, helaas…

Noem het kleinkunst, noem het folk, noem het roots, noem het wat ons betreft wat je wil, feit is, dat Kellner met haar liedjes weet te raken. Diep weet te raken zelfs. En dat hoeft geeneens te verwonderen ook, als je weet wat haar voornaamste betrachting ermee was. “Voor mijn nieuwe cd wilde ik graag zonder zelfcensuur schrijven en zingen over dingen die veel gevoeld worden maar zelden beschreven worden in een lied,” aldus de Nederlandse zelf daarover. En zoiets schept natuurlijk een band. Zelfs met een doorgaans vrij nuchtere Vlaming…

Eén enkele luistertip zal gegarandeerd volstaan! Probeer het maar eens droog te houden bij de ongelooflijk persoonlijke uitdrukking van hartzeer die het frêle “Buikpijn” is. Mooier worden ze ons inziens amper nog gemaakt!

Elly Kellner

 

RODNEY DECROO “Campfires On The Moon” (Tonic Records)

(4****)

Zowat een jaar geleden ondertussen al verscheen met “Campfires On The Moon” in zijn thuisland de comebackplaat van de een poosje volledig van onze radar verdwenen Canadese songsmid Rodney Decroo. In de vijf jaren die verstreken na het uitbrengen van de plaat die op de keper beschouwd zijn grote doorbraak hier had moeten bezegelen, het knappe “Queen Mary Trash”, leefde de beste man immers volledig teruggetrokken op zijn appartementje in East Vancouver. Zijn besluit stond vast: voor hij zich weer zou gaan concentreren op zijn carrière als muzikant moest eerst en vooral zijn eigen leven weer degelijk op de rails worden gezet. Alles stond voortaan in het teken van zijn herstel van een zo’n twintig jaar eerder al voor het eerst bij hem vastgestelde posttraumatische stressstoornis en van afkicken van de drank.

Dat een dergelijke intense periode ook haar sporen zou gaan nalaten op zijn eerstvolgende release stond eigenlijk al bij voorbaat al wel vast. En het geschiedde dan ook. De tien liedjes op “Campfires On The Moon” gaan wat er gebeurde in het eigen gevoelshuishouden zeker niet uit de weg. Ze zijn van wat je noemt het eerder persoonlijke type. En dan is een muzikale omkadering zoals die ons hier wordt voorgeschoteld ook echt wel op maat. Wat akoestische gitaar, een double bass, een piano, de fijne harmony vocals van Ida Nilsen en verder niets. Quiet maar weer eens als the new loud. Rootsy pop met een bij momenten bijna klassiek randje. Met front and centre altijd weer het fijne gruis van Decroo’s stembanden.

Onze luistertips: het op ongemeen fraaie wijze meteen de toon zettende titelnummer “Campfires On The Moon”, de heerlijk intense pianoballade “Ashes After Fire” en vooral ook het verstilde kleinood “Tear All Lovers Down”. Met nummers van dat kaliber zou het Decroo probleemloos moeten kunnen lukken om ook hier op redelijk grote schaal door te breken. We duimen voor ‘m!

(“Campfires On The Moon” is sinds kort eindelijk ook hier officieel verkrijgbaar!)

Rodney Decroo

 

DAVE MCGRAW & MANDY FER “Off-Grid Lo-Fi” (Dave And Mandy Music / Lucky Dice Music)

(3,5****)

Veel puurder dan zoals door Dave McGraw en Mandy Fer op hun nieuwe album “Off-Grid Lo-Fi” worden ze amper nog gemaakt. Ver weg van de hektiek van het leven van alledag zochten en vonden de twee door de wol geverfde natuurliefhebbers ook ditmaal weer inspiratie zat voor een twaalftal fraaie nieuwe liedjes, die bij adepten van rootsy Americana ongetwijfeld weer hoge ogen zullen gooien.

Toen aan de twee werd gevraagd, of ze het zagen zitten om een drietal maanden lang een op een afgelegen eiland gelegen boerderijtje te gaan runnen, zagen ze daarin al snel een geweldige opportuniteit. Zó lang samen in alle rust aan nieuw materiaal kunnen werken, het sprak hen vrijwel onmiddellijk heel erg aan. Bootje met het hoogstnodige geladen dus maar en weg waren ze! Volledig aangewezen zijn op wind- en zonne-energie tijdens het inblikken van je materiaal, het bleek eens wat geheel en al anders.

Minder leidde al snel tot meer. Veel meer zelfs. Een karaktertrek als de uit rauwheid geboren oprechtheid van “Off-Grid Lo-Fi” kan je immers nergens kopen. Die ontstaat gewoon spontaan. Of net niet. Probeer het je maar eens voor te stellen: de twee zitten op slechts enkele meters van je verwijderd en maken je deelachtig aan hun tijdens hun vele reizen opgedane ervaringen. Zonder zich daarbij al te zeer te bekommeren om de uiteindelijke afwerking van hun in liedjes gegoten verhalen pakken ze je schijnbaar moeiteloos in. Het heeft allemaal iets ongelooflijk intens over zich. Iets heel erg puurs ook. En als het dan louter technisch gesprokend al niet allemaal perfect blijkt, who cares

Onze, zoals steeds onverbintelijke luistertips: het banjogestuurde duo “Magnolia Trees” en “Way Out Here”, de werkelijk bloedmooie trage “Need A Mountain” en het redelijk scherp daarmee contrasterende, door de elektrische van McGraw opengereten “Deliver My Peace”. Met deze en andere liedjes op “Off-Grid Lo-Fi” verdienen McGraw en Fer zich wat ons betreft een prominent plaatsje ergens in het kielzog van hun hier veel bekendere collega’s Gillian Welch en haar partner in crime Dave Rawlings.

Dave McGraw & Mandy Fer

 

BJ BAARTMANS & MIKE ROELOFS “Ins Blaue Hinein” (CRS)

(3,5****)

Met “Ins Blaue Hinein” kwamen BJ Baartmans en zijn secondant Mike Roelofs er onlangs eindelijk toe om echt vorm te geven aan een idee, dat al in 2004, tijdens het maken van Baartmans’ album “Where Lovers Go” meer bepaald, ontstond. Het opzet was een instrumentaal album, ingeblikt met z’n tweeën, in twee dagen tijd. Iets compleet anders dan anders dus.

Twee dagen lang fietsten Baartmans (elektrische en akoestische (slide)gitaren, resonator, elektrische sitar en bas) en Roelofs (piano, Fender Rhodes, Hammond B3, drums en percussie) samen doorheen wat aanvankelijk enkel wat ruwe schetsen waren. De meeste van de elf stukken op “Ins Blaue Hinein” ontstonden zo gewoon “on the spot” in Studio Wild Verband in het Nederlandse Boxmeer. Het had allemaal wel iets van een jazz-aanpak eigenlijk. En jazz is dan ook één van de vele genres die hun weg vonden richting de in aangename zin opvallende mix van het duo. Jazz, maar ook blues, soul, country, flamenco en andere.

Sfeer vormt daarbij verwachtingsgetrouw vrijwel voortdurend hét sleutelwoord. Sfeer én het elkaar op werkelijk wonderbaarlijke wijze aanvoelen van twee muzikanten die al sinds jaar en dag met elkaar optrekken. Zet Baartmans en Roelofs samen in een studio en woorden worden vrijwel compleet overbodig, dat voel je hier quasi voortdurend aan alles. Hoe ze met z’n tweeën tegelijk één enkel muzikaal portret weten in te kleuren zonder elkaar daarbij ook maar één enkele keer voor de voeten te lopen, spreekt hoegenaamd tot de verbeelding en het levert quasi en passant ook nog eens een knappe soundtrack voor achter het leven van alledag zelve af. Het soort van plaat dat je middels haar ongedwongen schoonheid helpt om van de kleine dingen des levens nog net dat tikkeltje meer te gaan genieten.

BJ Baartmans

 

ROB HERON AND THE TEA PAD ORCHESTRA “Something Blue” (Tea Pad Recordings)

(5*****)      

De Brit Rob Heron en z’n Tea Pad Orchestra zijn één van de vele acts die op zondag 15 mei aanstaande hun opwachting zullen maken op het rootsfestival Down By The River net over de grens in het Nederlandse Venlo. Poppodium Grenswerk verwelkomt dan verder onder meer ook nog David Corley, Mandolin Orange, Nilkki Lane, de Wood Brothers, Meschiya Lake & The Little Big Horns en onze eigenste Tiny Legs Tim. Een bijzonder fijne affiche, als u het ons vraagt!

En ons zou het alvast niet verbazen, mochten de hoger al even genoemde Heron en de zijnen daar voor velen dé verrassing van de dag worden. Zeker gezien de in onze contreien nog gestaag toenemende populariteit van de tot op zekere hoogte vergelijkbare Pokey LaFarge. Net als die laatste is immers ook Rob Heron een uitermate swingend door het leven stappend heerschap. En net als LaFarge mag hij zich daarvoor graag bedienen van elementen uit genres als Western swing, country, blues, ragtime, hokum en andere. Drie albums lang nu al. Met “Something Blue” maakt hij immers de al in 2012 met “Money Isn’t Everything” ingeleide en twee jaar later met “Talk About The Weather” voortgezette muzikale hattrick vol. Meer nog: het is gewoon zijn allerbeste plaat so far. Niets minder dan fijnkost voor eclectisch ingestelde geesten.

Ruim drie kwartier en twaalf nummers lang gijzelen Heron en co met een brede grijns op het gelaat al wie openstaat voor een potje aanstekelijk retrovermaak. Van het welig ergens tussen jazz, blues, rockabilly en Tom Waits tierende titelnummer over het van Western swing en andersoortige trad country doordrongen “Still Go Honky Tonkin’” tot het fijntjes wegrockende “Honest Man Blues”, van het krols swingende “Flat Tonic Water” en “Lost & Forgotten”, een wat lijzigere variant op hetzelfde thema, over de stemmige, best wel wat aan Hank Williams verwante trage “Leftovers” tot “Hundreds Of Miles”, een openlijk tussen blues en rock & roll twijfelende adrenalineopstoot van formaat, van het ouderwets lekker jazzy uit de hoek komende “Cats & Chickens” en het stomende “Mary Can’t Dance” over “Stealin’ Gene”, van Jonny Kearney en als dusdanig de enige vreemde eend in de bijt hier, tot het afsluitende tweetal bestaande uit een reprise van titelnummer “Something Blue” en de catchy gospel swing van “The Devil Wears A Blue Tie”, echt wel zonder uitzondering is wat Heron en de zijnen hier brengen top te noemen.

Oók heel knap: het perfect bij het plaatje passende retro artwork van Marcel Bontempi. Oók daarvoor van hieruit dus een dikke pluim!

Rob Heron And The Tea Pad Orchestra

 

LITTLE KIM AND THE ALLEY APPLE 3 “The Longest Mile” (TDP)

(4****)

Ook in eigen land worden tot ons genoegen almaar vaker prima rootsplaten gemaakt. Neem nu zoiets als “The Longest Mile”, de derde langspeler van het lichtjes geweldige viertal Little Kim And The Alley Apple 3. Ik daag u van hieruit uit om die plaat proberen te beluisteren zonder er de nodige verslavingsverschijnselen aan over te houden. En al zeker als u houdt van acts als Pokey LaFarge, Rob Heron & The Tea Pad Orchestra, Meschiya Lake & The Little Big Horns, de Hot Club Of Cowtown, C.W. Stoneking en aanverwanten. Collectiefjes die net als de ravissante Kimberley Claeys (zang) en haar kompanen Selim Meiresonne (double bass), Patrick Cattoir (Weissenborn, National resonator, lap steel en dobro) en Tom De Poorter (gitaren, mandoline, banjo, cabasa, glockenspiel en ukelele) het merendeel van de tijd opereren onder het motto “It don’t mean a thing, if it ain’t got that swing!”.

In het geval van nachtegaaltje Claeys en haar kornuiten betekent dat hier en nu twaalf nummers lang spelen met invloeden uit genres als onder meer (Western) swing, Americana, country blues en manouche. En dat doen ze opvallend genoeg voornamelijk met eigen materiaal. Enkel voor het herfstige “There Is A Time” en het een weinig creepy neergelegde “The Wobblin’ Goblin” ging men in de leen bij anderen. Voor het eerste bij de legendarische Dillards met name, voor het tweede bij de al even vermaarde, hier allicht beter bekende Rosemary Clooney.

Voor het overige echter uitsluitend eigen originelen. En of die er mogen zijn! Gelijk van bij het werkelijk reteswingend de spits afbijtende “The Kings Of Goblin Market” waren wij hooked! Die heerlijke sensuele stem! Die al even verslavend werkende gitaar! Wow! Als dat een waardemeter zou gaan blijken voor wat nog volgen moest, dan zaten we hier verdomd goed! En weet u wat? Het was inderdaad nog maar het eerste van vele, vele muzikale pareltjes. Van de ergens tussen swing, rockabilly en jazz strandende story song “A Body In The Garden” tot de innemende Americana ballad “The Longest Mile”, van het onder meer banjogewijs richting Tom Waits-territorium fietsende “Pea Picker Blues” tot het lentefrisse “The Dewdropper”, van de hier hoger al even vernoemde Rosemary Clooney cover tot de op een enigszins apart gypsy swingritme en een aan die van Marc Ribot verwante gitaarsound geënte instrumental “Zazou”, van het heerlijke “Ms. Brandy”, een echt wel extreem catchy liefdesverklaring aan de gelijknamige drank, tot adaptatie nummer twee, “There Is A Time” van The Dillards, van het door een exotisch briesje bezochte “Punkin’ Farewell” tot de pakkende trage “Ponderosa Lodge” en de afsluitende reprise van “The Kings Of Goblin Market”, ruim zevenendertig minuten lang is het hier volop genieten geblazen.

Van internationale klasse! En als dusdanig ook een echte aanrader van formaat!

Little Kim And The Alley Apple 3

 

THE LOWEST PAIR “Uncertain As It Is Uneven” en “Fern Girl & Ice Man” (Team Love Records)

(4,5*****) en (5*****)

The Lowest Pair zijn Kendl Winter en Palmer T. Lee, een americana-duo uit Olympia, Minneapolis, dat onder meer met de albums “36¢”, “The Sacred Heart Sessions” en “I Reckon I’m Fixin’ On Kickin’ Round To Pick A Little” de voorbije twee jaren al herhaaldelijk in positieve zin op zich attent maakte. Naar hun muziek luisteren was er meteen ook voor vallen. Onvoorwaardelijk. Bijna zoals met die van Gillian Welch en Dave Rawlings indertijd. Dat heerlijke samengaan van de banjo’s van de twee en het zo mogelijk nog betere matchen van hun stemmen! Meer moest dat voor ons absoluut niet zijn! En meermaals viel in verband met hun platen ook elders de term meesterwerk.

En dat zal ook met betrekking tot hun twee nieuwe schijven weer gaan gebeuren, geloof ons vrij! Met het old-timey, in al z’n instrumentale naaktheid quasi perfect bij hun eerdere werk aansluitende “Uncertain As It Is Uneven”, maar ook – En misschien nog wel meer! – met het al bij al wat experimenteler opgevatte “Fern Girl & Ice Man”.

“Uncertain As It Is Uneven” namen de twee op samen met Erik Koskinen. Hij tekende niet enkel voor de productie van de plaat, maar deed ook een flinke duit in het zakje op respectievelijk bas en pedal steel. De fiddle van Barbara Jean Meyers en de cello van Eamon McLain zijn de twee enige andere vreemde eenden in de bijt op “Uncertain As It Is Uneven”. Voorts horen we enkel de gitaren en de banjo’s van Winter en Lee en occasioneel ook de harmonica van die laatste. Naast uiteraard hun beide, elkaar als die van een broer en een zus aanvoelende en aanvullende stemmen.

De elf nummers op “Uncertain As It Is Uneven” zijn zonder uitzondering originelen. En ook die van het door Koskinen samen met Dave Simmonett geproduceerde “Fern Girl & Ice Man” stammen bij nader inzicht allemaal uit de eigen koker. Wat het gepresteerde er alleen nog maar indrukwekkender op maakt, natuurlijk. Want dit zijn dus echt wel twee topplaten, hoor! Twee schoolvoorbeelden van hoe je kan omspringen met een traditie zonder in loutere herhaling ervan te verzanden. Uiteraard is het zo, dat hun manier van zingen en hun benadering van de banjo Winter en Lee bijna automatisch richting het hoekje met old-time americana en folk doet dringen. Maar op de één of andere manier verlenen ze aan alles wat ze doen toch een zekere eigentijdse twist. Iets wat maakt dat überhaupt ongemeen sfeervolle liedjes als het beklijvende “Tagged Ear”, het door Lee op z’n harmonica ingeleide “Stranger”, het lentefrisse “When They Dance The Mountains Shake” en andere in de nabije toekomst ook in wat alternatiever ingestelde kringen best wel eens op flink wat aandacht zouden kunnen mogen rekenen. Van ons zou het alvast mogen.

The Lowest Pair

 

HIDDEN AGENDA DELUXE “Pan Alley Fever” (CRS)

(4,5*****)

Niet iedereen zal het even graag horen, maar voor de beste rootsmuziek moet je ook in Nederland eigenlijk gewoon in het zuiden zijn. Dat wordt nog maar eens vet onderlijnd met “Pan Alley Fever”, de eerste plaat samen van singer-songwriters Eric Devries, BJ Baartmans en Sjoerd van Bommel. Aangevuld met bassist Gerald van Beuningen en toetsenist-accordeonist Rob Geboers nestelen zij zich met die maiden release knus in het kielzog van legendarische gezelschappen als The Band, Little Feat en Crosby, Stills, Nash & Young. Een veel mooier compliment kan je de heren ons inziens amper maken.

Dertien liedjes staan er op “Pan Alley Fever”. Voornamelijk eigen materiaal uiteraard. Met Eric Devries zo’n beetje als hofleverancier, want hij leverde zowat de helft van de nummers aan. Baartmans van zijn kant tekende voor vier originelen, van Bommel droeg er twee aan. Het dertiende nummer is een cover van – Hoe toepasselijk! – David Crosby’s “Long Time Gone”.

Gelijk vanaf openingsnummer “Shine” weet je gewoon dat je hier goed zit. Sprankelende snaren, fijn harmonieerwerk en een wolk van een melodie maken dat het zó een beetje zomer wordt in je hoofd. Zo deden ze dat ooit in de seventies ook zo lekker! Vervolgens is er Baartmans’ rijkelijk met wat bluesgevoel besprenkelde “Don’t Give Up Hope”. Ook al een echte knoeperd van een song. En zo gaat het maar door, want ook Devries’ countryrockertje “Tulsa Shining”, het qua ritmiek wat richting New Orleans wijzende “Mind Of Her Own” van van Bommel, de soulvolle trage “I Don’t Even Need You (To Bring Me Down)”, Baartmans’ daar perfect bij aansluitende, ons louter gevoelsmatig best wel wat aan het heerlijke “Tears Of God” van Los Lobos herinnerende “Don’t Forget To Leave”, de hoger al even vermelde adaptatie van David Crosby’s “Long Time Gone”, het bluesy “Jericho Walls”, de zomers lome Americana-oorwurm “Sweet Johanna’s Kiss” en andere, het zijn werkelijk zonder uitzondering prachtdeunen.

Noem het maar het uitkomen van an American dream, maar dan wel eentje verpakt op z’n Nederlands. Hoe dan ook een aanrader van formaat!

Hidden Agenda Deluxe

 

ROD MELANCON “LA 14” (Blue Elan Records)

(3,5****)

De strafste verhalen liggen vaak gewoon voor het oprapen. En dat is in het zuidelijke deel van Louisiana niet anders dan elders. Het was gewoon wachten op een vaardige pen om ze uit de zompige ondergrond aldaar te trekken. Een goed schrijvershandje zoals dat van Rod Melancon bijvoorbeeld. Die maakt er op z’n nieuwe EP alvast werk van om in de kleine stadjes weg van State Highway 14 op zoek te gaan naar pakkende stories voor z’n songs. En met bij momenten echt verbluffend knappe resultaten ook.

In een productie van de je wellicht ook als gitarist bij Dwight Yoakam bekende Brian Whelan doet hij er vijf binnen. Te beginnen met het funky countryrockertje “Perry”, opgehangen aan het tragische verhaal van een plaatselijke tough guy met het hart ondanks alles op de juiste plaats. Vervolgens is er de knappe rootsrocksleper “Dwayne And Me”. Over een achterneef met een ook al behoorlijk rusteloze ziel. “A Man Like Me Shouldn’t Own A Gun” is aansluitend daarop een aanstekelijk, eerder traditioneel uitgevallen streepje country swing en levert enkele minuten lang voldoende redenen om z’n titel volop te rechtvaardigen.

En dan is het tijd voor het echte pièce de résistance van “LA 14”. Dat is ons inziens ontegensprekelijk de sonoor gedeclameerde psychedelische bluesrocker “Lights Of Carencro”. Met z’n niets ontziende gitaaruithalen laat Brian Whelan daarin bepaald diepe voren achter. Afgerond wordt er dan met het ingetogen “By Her Side”. Daarin vertelt Melancon het verhaal van een oude piloot, “een sproeier”, die net z’n vrouw verloren heeft. Ook al bloedmooi.

Op de gastenlijst van “LA 14” troffen we onder meer de namen van Ted Russell Kamp, Gabe Witcher en Marty Rifkin aan.

Rod Melancon

 

KACY & CLAYTON “Strange Country” (New West Records / PIAS)

(4****)

“Strange Country” betekent een tweede rondje voor de hele zaak namens de Canadese youngsters Clayton Linthicum, je misschien ook wel bekend van z’n snarenbijdragen aan The Deep Dark Woods, en z’n nog piepjonge nicht Kacy Anderson. Amper achttien jaar oud is die, maar ze wordt nu al volop vergeleken met wijlen Sandy Denny. En wat het allemaal nog wat uitzonderlijker maakt, is dat het niet eens overdreven is ook. Net als haar grote voorbeeld beschikt Anderson immers over een werkelijk fantastische stem. Een stem die überhaupt veel ouder dan haar bezitster lijkt.

Wat de twee onder de productionele hoede van Shuyler Jansen op hun moeilijke tweede brengen blijkt andermaal een amalgaam van elementen uit het door hen heel erg bewonderde Britse folkgebeuren van ten tijde van de prille Fairport Convention, de al even invloedrijke Greenwich Village folk scene en de meer rurale muziek die sinds jaar en dag onlosmakelijk verbonden is met de zuidelijke Appalachen. Ze springen met andere woorden creatief om het verleden. Een verleden, dat ze, gezien hun nog jonge leeftijd, zelf hebben moeten uitgraven. En misschien is het wel precies dat gegeven, dat het de twee heeft mogelijk gemaakt om er een wat aparte, wat meer eigentijdse twist aan te verlenen, waardoor ook jongere generaties anno nu wel eens met bosjes zouden kunnen gaan vallen voor hun creaties.

Bestaande overigens uit voornamelijk origineel materiaal, die creaties. Enkel de nummers “Seven Yellow Gypsies”, “Over The River Charlie” en “The Plains Of Mexico” blijken door de twee hun eigen muzikale universum binnengeloodste traditionals. Songs die op de keper beschouwd het werkelijk tijdloze karakter van “Strange Country” alleen nog maar meer accentueren. Net als voorganger “The Day Is Past And Gone” van iets meer dan twee jaar geleden wordt dit daardoor het soort van geheel, waarvan je als luisteraar nu al weet dat je er over pakweg twintig of dertig jaar nog met evenveel plezier zal naar luisteren als nu.

Kacy & Clayton, New West Records

 

LILLY HIATT “Royal Blue” (Normaltown Records / PIAS)

(3,5****)

En alweer maar eens hetzelfde verhaal… Ruim een jaar geleden al verschenen in de States, nu eindelijk ook hier. We hebben het daarbij over de tweede van de dochter van. De opvolger van het al in 2012 verschenen en al bij al aardig lovend onthaalde “Let Down”. Een hoogst eigenzinnig visitekaartje van een dochter die niet teveel van de naambekendheid van haar vader leek te willen profiteren.

En dat is ook met betrekking tot haar moeilijke tweede duidelijk weer het geval. Wat de jonge Hiatt daarop doet heeft immers maar bitter weinig van zien met het repertoire van haar bekende ouweheer. De vanuit het de jongste jaren aardig hippe East Nashville actieve, zingende liedjesschrijfster bestrijkt op haar nieuwe worp onwaarschijnlijk veel muzikaal terrein. En lang niet enkel terrein, dat je van een jonge Amerikaanse verwachten zou. Wel integendeel!

In openingsnummer “Far Away” huizen zo bijvoorbeeld een vaagweg aan de Cure verwant synthmotiefje en een strakke rock & roll beat, het ook al heel erg nineties aandoende “Off Track” herinnerde ons zowel aan de groep Texas, aan New Order als aan de Pretenders en het sensuele “Too Bad” lonkt nadrukkelijk naar een omschrijving als rootsy post-punk.

En dat is nog lang niet alles! Er is zo onder meer ook nog de wave pop van het met de dadendrang van een jonge Chrissie Hynde neergelegde “Get This Right”, er is de zweverig soulvolle trage “Worth It”, er is de stijlvolle rootsy tip of the hat aan het adres van haar pa “Somebody’s Daughter”, er is de fijne rootsrocker “Jesus Would’ve Let Me Pick The Restaurant”, er is het ijle, met een soort van verkapt reggaemotiefje uitpakkende “Heart Attack”, er is de magistrale poppy Americana van de ballad “Your Choice”, er is met “Machine” een streepje country rock zoals je die van pakweg de jonge Costello verwacht zou hebben, er is het bedaarde, in een enigszins filmisch aandoende context op zijn beurt ook voor de nodige deining zorgende “I Don’t Do Those Things Anymore” en er is ten slotte ook nog de knappe country noir van titelnummer “Royal Blue”.

In haar teksten heeft de jonge Hiatt het naar eigen zeggen vooral over de grandeur van melancholie. Over het aanvaarden van de droevigere kantjes van het leven en er rust en vrede in vinden. “Royal Blue” is dan ook een soort van break-upplaat. Zij het dan ook niet zoals we die gewoon zijn.

Voor de productie van “Royal Blue” tekende de je misschien ook al wel van zijn werk met Deer Tick of Hollis Brown bekende Adam Landry.

Lilly Hiatt, Normaltown Records

 

MICHAEL FRACASSO “Here Come The Savages” (Blue Door Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Precies op tijd om nog mee de koffer in te kunnen tijdens het voorjaarstoeren doorheen Europa met BettySoo is er de nieuwe cd van Texaan uit vrije wil Michael Fracasso. En de een ondertussen flink gevorderd leven geleden hebbende, als zoon van Italiaanse ouders in Steubenville, Ohio geboren en via een ommetje langs New York uiteindelijk in Austin belande singer-songwriter toont zich daarop wat ons betreft van zijn werkelijk allerbeste kant. Als een uitzonderlijk zanger, maar vooral ook als een dijk van een songsmid.

Volop genieten geblazen is het daardoor van dingen als de oorstrelend mooie, als de Beatles op bezoek in de Live Music Capital of the World klinkende ballads “Boy In A Bubble” en “Open”, de aan Crowded House in z’n betere dagen herinnerende sfeervolle rootspoptrage “Say”, het ook al heel erg ingetogen neergelegde duo “Daisy” en “Blind Man On A Bicycle”, titelnummer “Here Come The Savages” en het met de ons volslagen onbekende Nakia Reynoso gepende “Little Scar”.

En ook de covers op “Here Come The Savages” mogen er wat ons betreft absoluut zijn. Van Beach Boy Brian Wilsons “Caroline, No”, “How Can I Be Sure” van de Young Rascals, de ooit nog door de onnavolgbare Dawn Penn de eeuwigheid ingezongen reggae classic “You Don’t Love Me (No, No, No)”, Johnny Thunders’ cult ballad “You Can’t Put Your Arms Around A Memory” en de vergeten Kinks-oorwurm “Better Things” met name.

Allemaal samen goed voor één van Michael Fracasso’s allerbeste platen tot op heden. En dat wil, gezien ‘s mans ondertussen stilaan indrukwekkende staat van dienst, absoluut wel iets zeggen!

Michael Fracasso, Lucky Dice Music

 

MARKUS RILL & THE TROUBLEMAKERS “Dream Anyway” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Dat het z’n beste plaat is, zal u ons hier niet horen beweren, daarvoor heeft de beste man er in het verleden al te veel goede gemaakt. Maar z’n meest toegankelijke so far is het zeer zeker wel, dit “Dream Anyway”. In die mate zelfs, dat het ons absoluut niet zou verbazen, als onze favoriete Duitser straks ook hier eindelijk de ether zou beginnen te halen. Door z’n huidige muzikale koers zou het zomaar eventjes kunnen.

Met het openingsnummer ervan, de catchy heartland rocker “Something Great”, positioneert hij zich eensklaps zomaar tussen groten der aarde als een John Mellencamp en een Bruce Springsteen. En ook het meteen daaropvolgende “Walk On Water” zou wel eens een heel groot publiek kunnen gaan aanspreken. Dat ingetogen folkrockertje buigt zich met de tong diep in de wang geplant op aanstekelijke wijze over de kleine leugentjes des levens. Het sfeervolle “The Pauper’s Daughter” zou je vervolgens kunnen bestempelen als vintage Rill.

Tegen een beklijvend decorum van gitaar, banjo en accordeon ontrolt zich vervolgens “Caroline’s Confession”. Niet enkel één van de moeilijkere songs op “Dream Anyway”, maar vooral ook één van de beste. Ook thematisch gezien. In die knappe ingehouden rootsrocker wijdt Rill immers uit over het met verleidingen bezaaide en daardoor lang niet altijd even gemakkelijk aan te houden pad van een celibatair bestaan. Vervolgens zijn er de ingetogen pareltjes “Poor Man’s Set Of Wheels” en “Losing My Mind”. In dat laatste laat Rill een Alzheimer-patiënt op erg realistische wijze de gevolgen van zijn gestaag voortschrijdende ziekte uit de doeken doen.

In het zomers speelse “The Girl In The Polka Dot Dress” kloppen in het kielzog daarvan beatgewijs de harten van zowel Buddy Holly als Bo Diddley, de pianoballade “Over Long Ago” snijdt dan weer zeer mooi het thema kindermishandeling aan en “Hands Of Mercy” lijkt wel weggelopen van het repertoire van good old Graham Parker ten tijde van het onnavolgbare “The Mona Lisa’s Sister”.

In het sombere, banjozwangere “Some Democracy” ventileert Rill vervolgens z’n bepaald kritische mening met betrekking tot de huidige politiek en “Better”, een echt wel fijn streepje roots pop, zou je op de keper beschouwd kunnen zien als een soort van muzikaal tegengewicht daarvoor. Het meteen daarop aansluitende “Roll Along” laat zich dan weer onderverdelen onder de hoofding Americana road songs en afsluiter “Dream Anyway” speelt andermaal uitbundig in het muzikale achtertuintje van The Boss & co.

Het moge ondertussen wel zo’n beetje duidelijk zijn: “Dream Anyway” lijkt een beetje te twijfelen tussen twee werelden. Tussen die van de Americana singer-songwriter van weleer en die van de rocker van “My Rocket Ship” met z’n Troublemakers uit 2013 meer bepaald. Benieuwd welke van de twee het in de nabije toekomst zal gaan halen…

Markus Rill, Blue Rose Records

 

BILL PRITCHARD “Mother Town Hall” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Op z’n vorige worp, het twee jaar geleden verschenen “A Trip To The Coast”, had hij ons ruim acht jaar laten wachten, deze Bill Pritchard. Zo lang duurde het ditmaal gelukkig niet. De Britse popbard is voor ons immers één van de weinige artiesten met écht zwaar verslavende werking. Eén keer je aan z’n spul zit, kom je er niet zo gemakkelijk meer van af. Rondhangen in ’s mans muzikale universum betekent volop zwelgen in nostalgie, je zo goed als volledig laten gaan, melancholisch terugdenkend aan de muzikaal nog zoveel puurdere sixties, dat op het randje af weeë romantische buikgevoel weer herbeleven, weet u wel.

De songs op “Mother Town Hall” blijken gelukkig vintage Pritchard. Tussen de vele toeters en bellen door sprankelen de gitaren als vanouds. Met melodieën om u tegen te zeggen en nogal wat refreintjes die uitnodigend een hand uitsteken, met bijna misselijk makend mooie ballads, met teksten bevolkt door schijnbaar alledaagse protagonisten met op de keper beschouwd toch aparte verhalen.

Van de inderdaad redelijk hemelse gitaarpop van het lentefrisse “Heaven” tot de ronduit zalige pianoballade “Dejá Vu Boutique”, van het lang niet enkel thematisch beklijvende “Vampire From New York” met z’n fijn banjogepingel tot het zowel sfeer- als melodiegewijs naar tal van Franse popdeuntjes uit de midsixties overhellende “Saturn And Co.”, van het naar ons gevoel werkelijk perfect op het lijf van z’n onderwerp geschreven zomers lijzige “My First Friendship” tot het misschien wel tot een lot als nieuwe “Angelique” – Pritchards enige echte radioklassieker uit 1988! – voorbestemde “Lilly Anne” en andere, je verveelt je hier als luisteraar echt geen seconde. Wel integendeel! Vijfenveertig minuten lang popperfectie worden je hier weer zomaar gegarandeerd!

Bill Pritchard, Tapete Records

 

KYLA BROX “Throw Away Your Blues” (Cadiz Music / Bertus)

(4****)

“Throw Away Your Blues” is de ondertussen toch ook alweer zesde studioplaat van de Australische Kyla Brox. En het mag eigenlijk een klein wonder heten dat ze hier nog niet veel meer naambekendheid geniet dan dat het geval is. Brox is immers wat je noemt een echt fenomeen. Een heus natuurtalent. Met haar heerlijk energieke stem slaat ze op werkelijk onnavolgbare wijze een brug tussen blues en soul. Zelden bleek de grens tussen die beide genres zo dun als hier.

Samen met haar levensgezel Danny Blomeley (basgitaar), gitarist Paul Farr, drummer Pablo Leon, toetsenist John Ellis en een handvol backing vocalists waadt Brox (zang en fluiten) hier ruim vijftig minuten lang doorheen eigen repertoire. Veertien songs in totaal, waarvan ze de meerderheid samen met haar echtgenoot schreef. Ingeblikt in het Nederlandse Dalfsen, in Jan Kisjes Studio.

Droegen daarvan vooral onze goedkeuring weg: de spijt zo ongeveer tot hogere kunst verheffende sleper “If You See Him”, het in tegenstelling tot wat z’n titel doet vermoeden werkelijk van de soul bulkende “Lifting The Blues”, het door Brox als een vrouwelijke evenknie van Al Green neergelegde “Road Home”, de speelse, over een soort van Chuck Berry backbeat gedropte cheating song “Ain’t Got Time”, de werkelijk onweerstaanbare broeierige deep soul van “Change Your Mind”, het funky “Lovin’ Your Love” en de alweer fenomenaal mooie schuifelaar “Honestly Blues”.

Huiveringwekkend goed gewoon!

Kyla Brox

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home