CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JUNI 2017

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

DOUG MACLEOD “Break The Chain” - TROND SVENDSEN & TUXEDO “Palomino Hotel” - RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics II” - DOWN HARRISON “Possessed” - SLAID CLEAVES “Ghost On The Car Radio” - THE BRANDOS “Los Brandos” - THE PALADINS “New World” - DANIEL ROMANO “Modern Pressure” - GOSPELBEACH “Another Summer Of Love” - JUSTIN TOWNES EARLE “Kids In The Street” - HARPER’S WEEKLY “Morning Comes” - CLARENCE BUCARO “Tableau” - MIKE YOUNGER “Little Folks Like You And Me” - CURSE OF LONO “Severed” - JEFF FINLIN “The Guru In The Girl”

 

DOUG MACLEOD “Break The Chain” (Reference Recordings / Music & Words)

(3,5****)

De naam Doug MacLeod op een cd aantreffen is eigenlijk zoveel als een kwaliteitsgarantie. Echt wereldschokkende dingen hoef je van de beste man niet te verwachten, maar wat hij inblikt is zowat altijd van goede tot ronduit uitstekende makelij. Van alle in de akoestische bluessector actieve zingende liedjesschrijvers is MacLeod zeker één van de besten. En dan hadden we het nog niet eens over zijn meesterlijke benadering van de snaren.

Op “Break The Chain”, zijn nieuwe album, exploreert die MacLeod verder de condition humaine. In twaalf vaak heel erg persoonlijke nieuwe liedjes tackelt hij op lekker gevarieerde wijze nogal wat onderwerpen. Met als meest in het oog springende zijn verdienstelijke poging om het al eeuwenoude probleem van huiselijk geweld onder de aandacht te brengen. Met het samen met zijn zoon Jesse gepende titelnummer meer bepaald. Ooit zelf een slachtoffer wilde MacLeod naar eigen zeggen met dat liedje een vicieuze cirkel (helpen) doorbreken.

Het album werd geproduceerd door MacLeod zelf en Janice Mancusco. Andere betrokkenen waren verder nog zoonlief Jesse op gitaar, bassist Denny Croy, drummer Jimi Bott en percussionist Oliver Brown. Al naargelang waar een nummer om vroeg sprongen zij MacLeod ter hulp in duo-, trio- of kwartetbezettingen.

Enkele luistertips: het al genoemde titelnummer, het ook al werkelijk bloedmooie, door MacLeod op z’n National neergelegde instrumentale eerbetoon aan één van z’n eigen helden “One For Tampa Red” en het lekker nerveuze “This Road I’m Walking”.

Doug MacLeod

 

TROND SVENDSEN & TUXEDO “Palomino Hotel” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

De Noor Trond Svendsen en zijn maats Lars Linkas (gitaren en andere snaren), Vidar Tyriberget (bas), Tommy Kristiansen (drums en percussie) en Lars Viken (Hammond-orgel) oftewel Tuxedo namen zich ruimschoots de tijd voor hun debuut. Pas nu, bijna twee jaar na het inblikken van het eerste liedje van het lot, pakken ze uit met het geheel.

Onder stoom komen doen Svendsen en de zijnen met het ronduit heerlijke “Love Like This”, een nummer dat mede dankzij een wel bijzonder fraai mondharmonicaatje bij z’n begin zó uit de koker van Springsteen ten tijde van “Darkness On The Edge Of Town” of “The River” had kunnen stammen. Vervolgens is er de ook al erg mooie folky trage “Old Bridges”. “Don’t You Hate It When They Go” is op zijn beurt een van de passie bulkende streep trage roots rock met mooi vocaal weerwerk van Aud Ingebjørg Barstad, “Something About Rivers” een op rinkelende snaren geënte warmbloedige Americana rocker en “No Tattoos Please”, een duetje met Julie S. Christensen, een beauty van een pianoballade. Wat ons betreft ontegensprekelijk het mooiste liedje van allemaal, dat laatste. Echt een kippenvelmomentje!

“Vintage Diesel” rammelt er meteen in het zog daarvan stevig op los, “Blessing” is op zijn beurt donker ingekleed verhalend spul, “Big White” een lekker strakke countryrocker en “Going Down That Road” een lange tijd zo goed als spiernaakt gehouden folky trage. Het van de sfeer bulkende en ons op de één of andere manier een beetje aan Chris Isaak herinnernde “Devil At My Heels” is daarna een tweede absoluut hoogtepunt en afsluiter “Blue Moon Above” doet het weer bijna bedeesd sierlijk. Meer dan ooit valt dan op, welk een mooie stem die Svendsen eigenlijk wel heeft. Doet een beetje denken aan die van Eric Brace van Last Train Home of die van Pat DiNizio van de Smithereeens.

Voor zijn teksten liet diezelfde Svendsen zich zowel inspireren door wat hij in zijn dagelijkse bestaan als misdaadreporter voor de kiezen krijgt als door het leven zelf. En uiteraard is er daarbij her en der ook wat ruimte voor l’amour.

Wat ons betreft een debuut dat nu al volop doet snakken naar meer!

Trond Svendsen & Tuxedo

 

RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics II” (Beeswing Records / Proper)

(4****)

Het moet zijn, dat zijn vorige akoestische uitstapje hem heel goed bevallen is, want nu, amper drie jaar later, waagt Richard Thompson zich opnieuw aan een setje uitgeklede versies van eigen originelen. En er is zelfs nog meer, want naast dat “Acoustic Claassics II” wordt nu ook al een volgend volume, het later dit jaar te verschijnen “Acoustic Rarities”, aangekondigd. Zijn fans zullen het graag horen!

Voor het materiaal op zijn nieuwe worp deed Thompson liefst dertien verschillende albums uit het verleden aan. Uit zijn Fairport Convention-periode om te beginnen “Unhalfbricking” (“Genesis Hall”), “Liege & Lief” (“Crazy Man Michael”) en “What We Did On Our Holidays” (“Meet On The Ledge”). Van zijn met zijn toenmalige wederhelft Linda ingeblikte schijven “Pour Down Like Silver” (“Jet Plane In A Rocking Chair”) en “Hokey Pokey” (“A Heart Needs A Home”). En verder ook nog eens acht eigen platen dus. Te situeren tussen 1983 met “Hand Of Kindness” (“Devonside”) en 2007 met “Sweet Warrior” (“Guns Are The Tongues”). Haltes tussen die twee albums in zijn in chronologische volgorde “Across A Crowded Room” uit 1985 (het geweldige “She Twists The Knife Again”), “Amnesia” uit 1988 (“Pharaoh”), “Rumor And Sigh” uit 1991 (als enige met twee bijdragen, met name “Keep Your Distance” en “Why Must I Plead?”), de dubbelaar “You? Me? Us?” uit 1996 (“The Ghost Of You Walks”), “Mock Tudor” uit 1999 (“Bathsheba Smiles”) en “The Old Kit Bag” uit 2003 (“Gethsemane”).

Het resultaat is een aangenaam gevarieerd geheel met naast Thompsons trademark nerveuze, soms wat houterig aandoende folk rock in akoestische uitvoering ook tal van ballads en andere verhalende tragen. Precies zoals we de beste man hier het liefst hebben eigenlijk. De aandacht kan zo immers volop naar zijn twee voornaamste troeven gaan. En dat zijn tot nader order nog altijd zijn inventieve, sterk expressieve gitaarspel en zijn liedjes. Zijn stem daar ben je voor of niet. Is louter een kwestie van smaak natuurlijk.

Enkel ter informatie hier ook nog even meegeven, dat later dit jaar speciale versies van dit album en de hoger al even vermelde opvolger ervan zullen worden aangeboden. En dat dan zowel op vinyl (3 lp’s) als op cd (een dubbelaar). Maar daarvoor dien je dan wel nu reeds in te tekenen via Pledge Music. Elders zullen die gehelen naar verluidt immers niet beschikbaar worden gesteld.

Richard Thompson

 

DOWN HARRISON “Possessed” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Down Harrison is de enigszins misleidende groepsnaam – Geef toe je verwachtte toch ook een solo act! – waaronder de Zweedse songsmid Jesper Willaume (zang, gitaar en harmonica) en zijn maats Micke Wedberg (gitaren, keyboards en zang), Tommy Cassemar (bas) en Pelle Alsing (drums en percussie) ons nu al ten tweeden male in nauwelijks meer dan een jaar tijd van hun niet geringe kwaliteiten proberen te overtuigen. Na hun vorig jaar verschenen titelloze debuut is er sinds kort nu immers ook “Possessed”. Daarop acht eigen liedjes en een eigenzinnige adaptatie van “A Coat”, een gedicht van W.B. Yates. En die mogen er wat ons betreft zonder uitzondering zijn.

Openingsnummer “Possessed” is zo alternatieve country van het genre waarvoor we in de jaren negentig van de vorige eeuw met z’n allen graag overstag gingen, het dromerige “Too Slow To Live This Fast” zalige weidse folkrock en “Fire In The Trees” gewoon een knap ingehouden popliedje tout court. “Brake & Turn” is vervolgens opnieuw countryrock met een bepaald hoog West-Coastgehalte en “Monkey See Monkey Do” neemt flink wat gas terug en betovert volop vanop een ijl wolkje folkpop. Met “Day One” wordt aansluitend daarop iets moois geserveerd wat bij ons de aandacht beurtelings deed afdwalen richting Neil Young en Ryan Adams in hun wat bezadigdere momenten.

“Two Days Of Nights”, “het al even aangestipte “A Coat” en “Chain” vervolledigen het kransje. Het eerste van dat drietal mag wat ons betreft mede door de ongelooflijk knappe harmonieën erin mee op de foto met “Brake & Turn”, het tweede blijkt een knap ingetogen americanamomentje met de prominent aanwezige mandoline van gastmuzikant Ola Gustafsson als zeker surplus en de door wat psychedelische invloeden overspoelde ballade “Chain” ten slotte drijft af richting voor een wat groter publiek bestemde popoorden.

Al bij al gewoon een prima plaatje!

Down Harrison

 

SLAID CLEAVES “Ghost On The Car Radio” (Candy House Media / CRS)

(4****)

Een nieuwe plaat van Slaid Cleaves, da’s altijd weer iets om naar uit te kijken! De Texaanse woordkunstenaar ontgoochelde immers nog nooit. Wel integendeel! ’s Mans liedjes behoren zonder meer tot het allerbeste wat het americanagenre nu toch al aardig wat jaren te bieden heeft. En als hij het dan zelf, zoals nu, naar aanleiding van zijn nieuwe worp “Ghost On The Car Radio”, heeft over “liedjes, oud en nieuw, levensmoe maar toch strijdvaardig, bedoeld om ons met z’n allen door deze “interessante tijden” te loodsen”, dan schept dat vanzelfsprekend weer hoge verwachtingen.

Verwachtingen die Cleaves weer schijnbaar moeiteloos inlost. Onder de productionele hoede van Scrappy Jud Newcomb en in de studio verder bijgestaan door onder meer drummer John Chipman, bassisten Harmoni Kelley en Kevin Smith, fiddler Chojo Jacques, toetsenist David Boyle en diezelfde Newcomb op tal van besnaarde instrumenten en Miles Zuniga voor wat zang in “So Good To Me” lukt Cleaves moeiteloos een zoveelste homerun. Twaalf nummers lang beroert hij met z’n liedjes vrijwel constant de juiste snaar. Het lijkt hem absoluut geen moeite te kosten om je als luisteraar quasi niets vermoedend zijn gedachtenwereld binnen te loodsen. En eenmaal daar binnen vallen de knappe songs en verhalen je als rijpe vruchten om het hoofd. Songs, waarvoor Cleaves zich ditmaal tijdens het schrijfproces niet enkel liet bijstaan door zijn vaste maatje Rod Picott, maar verder ook door Karen Poston, Nathan Hamilton, Graham Weber, Mike Morgan en Jeff Elliott. Schoon volk met andere woorden.

En dus lijkt het ons maar niet meer dan normaal ook, dat het weer aangenaam toeven is in het gezelschap van knappe deunen als het nog volop country ademende “The Old Guard”, het lekker rockende “Already Gone”, het samen met Picott uitgediepte meesterwerkje “Drunken Barber’s Hand” of de ballad “If I Had A Heart”. Vier willekeurig gekozen voorbeelden. Vraag ons morgen om er vier te noemen en er zullen er wellicht een paar andere tussen zitten.

Sommige dingen lijken alleen maar beter te worden met de jaren. Slaid Cleaves mag je wat ons betreft ook daartoe rekenen.

Slaid Cleaves

 

THE BRANDOS “Los Brandos” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3***)

Er valt heel wat te zeggen over Dave Kincaid, maar hyperactief kan je hem nu niet meteen noemen. Als kopstuk van The Brandos doet hij de dingen vooral graag aan zijn eigen tempo. En dat ligt, om het beleefd te houden, aan de toch wel eerder lage kant. Negen jaar na hun laatste worp “Over The Border”, waarop we toen ook al ruim acht jaar hadden moeten wachten, is er eindelijk weer eens een nieuw album van Kincaid en de zijnen.

En de zijnen dat zijn in dit geval drummer Tommy Goss, bassist Sal Maida en gitarist Frank Giordano. Voor al de rest tekende Kincaid zelf. Ook voor de productie en voor het gros van de gebrachte nummers. Enkel het bij Astor Piazzolla geleende “Jacinto Chiclana” en de verrockte Tex-Mex van “A Todo Dar” van Ignacio Jaime vormen wat dat laatste betreft uitzonderingen op de regel. Dat laatste is overigens ook lang niet de enige flirt met het Spaans hier. In totaal vijf nummers worden op z’n minst gedeeltelijk in de taal van Cortés gebracht. Wat er uiteraard voor zorgt, dat het geheel bij momenten een wat exotisch tintje meekrijgt.

Voor het overige vooral veel business as usual hier. Veel (melodieuze) recht-toe-recht-aan rock dus, waarvoor meestal bij wijze van uitbreiding ook nog het woordje roots mag. Wie van één van de zes eerdere studioalbums van de Brandos hield, zal zich hier dan ook geen bult aan vallen. Toekomstige klassiekers genre een “Gettysburg”, een “Strychnine” of een “Honor Among Thieves” staan hier naar ons gevoel echter niet op.

The Brandos

 

THE PALADINS “New World” (Lux Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Toen Dave Gonzalez in 2002 samen met zijn maatje Chris Gaffney en een stel anderen de Hacienda Brothers in het leven riep om zich volop aan country soul over te geven, leek de stekker even definitief uit zijn eerdere groep The Paladins te gaan. En zelfs het feit dat Gaffney in april 2008 aan leverkanker overleed, deed Gonzalez aanvankelijk niet op z’n stappen terugkeren. Samen met onder anderen de van de Hollisters bekende Mike Barfield regelde hij de Stone River Boys en kon z’n missie gewoon worden verdergezet. Tot nu, that is!

Met “New World” verscheen zopas immers de eerste nieuwe studioplaat van The Paladins sedert “El Matador” uit 2003. En da’s een opvallend rijk geheel geworden. Roots rock in de ruimste zin van het woord. Met zo goed als voor elk wat wils. Zo zijn er om te beginnen bijvoorbeeld het zich eerder bedaard over een wereld in verandering buigende titelnummer “New World”, de groovy lijzige blues rock van “Waterman”, de ogenblikkelijk attractief werkende boogaloo beat van “Things Keep Changin’”, de bezwerende exotica van de instrumental “Mar Solitar” en de lekkere R&B van “If You Were Only Mine”.

De tweede helft van het geheel begint opnieuw op exotische voet. Met het geweldige “Wicked” meer bepaald. In het zog daarvan volgen het eveneens instrumentale, zij het een pak soulvollere “Should Have Been Dreamin’”, het daar al heupwiegend perfect bij aansluitende “I Know I’m Not Wanted”, de catchy swingescapade “Magic Touch”, het wat meer richting country neigende “Without Love” en de werkelijk fenomenaal mooie countrysoulsleper “No Pain Anymore”. Dat laatste nummer alleen al is ons inziens de aanschaf van deze plaat meer dan waard.

The Paladins

 

DANIEL ROMANO “Modern Pressure” (New West Records / PIAS)

(4****)

De vanuit het Canadese Ontario de wereld telkens weer graag op het verkeerde been zettende Daniel Romano is een speciale, zoveel is ondertussen al wel even duidelijk. Van het nieuwe countryicoon dat hij aanvankelijk op basis van met name het in 2013 verschenen “Come Cry With Me” en het van twee jaar later stammende “If I’ve Only One Time Askin’” leek te zullen gaan worden is ondertussen zo goed als geen spaander meer heel. Op het ons vorig jaar al compleet vloerende “Mosey” regeerde eensklaps psychedelische pop. En ook op ’s mans nieuwe worp, het zopas verschenen “Modern Pressure” is het weer van dattum.

Meer nog, op “Modern Pressure” gaat Romano zelfs nog wat verder. Dat geheel krijgt daardoor iets bepaald kaleidoscopisch over zich. Er wordt voortdurend gewisseld van mood en van aanpak dat het een lieve lust is. Zoals bijvoorbeeld ooit ook die van XTC dat zo goed konden. De liedjes zijn doorgaans prachtig van wezen, maar je moet er soms wel voor door wat laagjes heen. Lekker spannend!

Enkele van de vele nummers hier die ons onmiddellijk bij ons nekvel hadden en die we derhalve graag serveren als luistertips: het enigszins Beatle-esk aandoende “What’s To Become Of The Meaning Of Love”, de knappe popdeunen “Impossible Dream” en “Jennifer Castle” en titelnummer “Modern Pressure”.

Daniel Romano

 

GOSPELBEACH “Another Summer Of Love” (Alive Naturalsound / V2)

(4****)

“Another Summer Of Love” is na het ondertussen een jaar of twee geleden verschenen “Pacific Surf Line” het tweede teken van leven van GospelbeacH, de groep rond zanger-songsmid Brent Rademaker, je ongetwijfeld ook nog wel bekend van Beachwood Sparks. Waren bij het opnemen van die gesmaakte voorganger onder meer ook Neal Casal en Kip Boardman van de partij, dan doen Rademaker en gitaarwonder Jaso Soda het ditmaal met de hulp van onder anderen Pearl Charles en Miranda Lee Richards en voorts ook nog wat leden van Wilco, Eels, Mapache en Grand Ole Echo.

Het resultaat is een werkelijk puntgaaf songelftal dat zo lijkt te zijn weggelopen uit de vroege seventies. West Coast rock & roll van het werkelijk allerbeste soort regeert hier ruim tweeënveertig minuten lang. Vintage early seventies FM rock met her en der een vleugje country als toegevoegde waarde. Volop terend op de introvert lijzige zang van Rademaker zelf, fijne samenzang met telkens weer andere betrokkenen, knappe gitaarpartijen en niet zelden ook verfijnd toetsenwerk van Jonny Niemann. Van het geheel straalt daardoor onmiskenbaar veel warmte af. Niet dat zulks bij de temperaturen van de laatste dagen nog nodig zou zijn, maar toch…

Aan hoogtepunten wat ons betreft absoluut geen gebrek hier. Wij onthielden op de keper beschouwd vooral het viertal “In The Desert”, “California Fantasy”, “(I Wanna See U) All The Time” en “Strange Days”. Al moesten we er daar met het onder rinkelende gitaarklanken bedolven “Sad Country Boy” op de valreep misschien toch maar vijf van maken…

GospelbeacH

 

JUSTIN TOWNES EARLE “Kids In The Street” (New West Records / PIAS)

(5*****)

“Kids In The Street” is het ondertussen toch ook al zevende album van zoon van zijn vader Justin Townes Earle. En net als zijn ouweheer is de jonge Earle ondertussen ook zelf stilaan een authoriteit in Amerikaanse rootsmiddens. Iemand naar wie men opkijkt. Omwille van zijn vaardige pen, maar misschien nog wel weer omwille van zijn muzikale onbevreesdheid. Om zijn durf om het steeds weer over een andere boeg te gooien. En da’s ook naar aanleiding van zijn nieuwe worp weer niet anders.

Voor de opnames van “Kids In The Street” verliet Earle Jr. nu ook voor het eerst het hem zo vertrouwde Nashville. Daartoe aangezet door de eerste producer ooit die zich aan zijn werk mocht wagen, de je wellicht ook al wel van zijn werk met onder meer Connor Oberst, M. Ward en First Aid Kit bekende Mike Mogis, toog hij naar Omaha, Nebraska. En daar verliet hij in het gezelschap van met uitzondering van zijn vaste gitarist Paul Niehaus uitsluitend lokale muzikanten met succes zijn zogeheten comfort zone. Het leverde hem zijn als je het ons vraagt allerbeste plaat tot op heden op. En dat wil na eerdere schoonheden van albums als pakweg “Midnight At The Movies”, “Nothing’s Gonna Change The Way You Feel About Me Now”, “Harlem River Blues”, “Absent Fathers” en “Single Mothers” best wel wat zeggen.

De ondertussen van de straat geraakte, gehuwde en zelfs al een kind verwachtende Earle kijkt op “Kids In The Street” meer dan ooit om zich heen. Met name wat er de jongste jaren in zijn thuishaven Nashville aan het gebeuren is, laat hem duidelijk niet onberoerd. De gestage teloorgang van echte working-classbuurten aldaar baart hem zorgen, zoveel is zonneklaar. Titelnummer “Kids In The Street” is in al zijn ingetogen pracht een zeer mooi voorbeeld bij die stelling.

Elders klinkt Earle hier vaak juist heel opgewekt, voor zijn doen bijna uitgelaten. Zoals in eerste single “Champagne Corolla” bijvoorbeeld, met z’n zomerse R&B touch, in het door zwierig pianogepingel aangejaagde “15-25” ook, in het sympathiek schokschouderend voorbijglijdende “Short Hair Woman” en in Earles eigenzinnige update van de blues classic “Stagolee”.

Aan variatie hoe dan ook geen gebrek op “Kids In The Street”. De catchy heartland rock van “Maybe A Moment” had zo van het repertoire van The Boss kunnen stammen, “There Go A Fool” is werkelijk bloedmooie country soul, “What’s She Crying” is wat je noemt een ouderwets lekkere country shuffle, “Faded Valentine” doet het op zijn beurt dan weer aan walstempo en “What’s Goin’ Wrong” en “If I Was The Devil” zijn bepaald knappe countrybluesjes.

Wat ons betreft een plaat met een heel lange houdbaarheidsdatum. Noem het maar een klassiekertje in wording.

Justin Townes Earle

 

HARPER’S WEEKLY “Morning Comes” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Harper’s Weekly was een Amerikaans geïllustreerd weekblad dat in z’n thuisland op een gegeven ogenblik met name door z’n berichtgeving over de Civil War een behoorlijk ruime oplage wist te behalen. Het laatste nummer van de publicatie verscheen op 13 mei 1916. Daarna ging ze op in het in New York en later ook in Boston verdeelde blad The Independent. Nu, ruim honderd jaar later, duikt de naam Harper’s Weekly plots opnieuw op. Zij het dan ook in een geheel andere context. In Zweedse americanamiddens meer bepaald. Als nom de plume van een rond singer-songwriter Gustav Johansson en gitarist Tobias Sundström opgetrokken vijftal, dat met “Morning Comes” een zeer sterk debuut aflevert.

De muziek van de vijf daarop is overduidelijk beïnvloed door die van acts als Ryan Adams, Townes Van Zandt, Phosphorescent en de Cowboy Junkies. Zonder daarbij te vervallen in louter epigonisme evenwel. Die klip omzeilt Johansson naar onze bescheiden mening met brio door steeds weer voldoende eigenheid in z’n liedjes te stoppen.

Melodieuze opener “Take Me Back” flirt zo bijvoorbeeld in een eigentijdse setting onopvallend met old-time stringband music, de ballad “Rosie” baant zich sierlijk bewegend over bedaard gitaarwerk van Sundström en opnieuw de banjo van Torbjörn Erlands vrijwel onmiddellijk een weg naar je hart, terwijl in het echt ongemeen sfeervolle “Go With Me” op zijn beurt vooral de hemelse interactie tussen stemmen en snaren opvalt.

“Morning Comes” twangt vervolgens ingehouden een eindje weg richting een meer countrygetint geluid, “Where I Wanna Be” dient zich aan als één van de meer uitgesproken redenen waarom we Ryan Adams hier hoger als een invloed vernoemden en “Find Out” heeft voorwaar zelfs een countrysoulrandje. En met de mooie tragen “Lost And Free” en “Oh My” en het duo “Walk In The Rain” en “I Was Lost” wordt “Morning Comes” ook op een aardig hoog niveau afgerond.

Harper’s Weekly

 

CLARENCE BUCARO “Tableau” (Twenty Twenty Records)

(4****)

Zo’n vijftien jaar lang ondertussen al weet Clarence Bucaro ons steeds opnieuw te bekoren. Met albums als “New Orleans”, “Sense Of Light”, “Sweet Corn”, “’Til Spring”, “Walls Of The World”, “Dreaming From The Heart Of New York”, “Hills To Home”, “Like The 1st Time” en recenter nog “Pendulum” raakte hij hier keer op keer de juiste snaar. Die fluwelen stem, die verhalen, dat poëtische talent! Meer moest dat voor ons absoluut niet zijn. Moest en moet! Ook het hier en nu heeft immers weer een leuke Bucaro-verrassing voor ons in petto. Zijn inmiddels tiende studioalbum heet “Tableau” en bevat tien nieuwe songschoonheden van eigen hand.

Tien knappe rootskleinoden, tableautjes zo u wil, opgehangen tegen een eerder sober gehouden muzikale achtergrond, waarin een akoestische gitaar, een viool, een accordeon, een piano, keyboards en drums voornamelijk een dienende, een ondersteunende rol hebben. Front & center bevinden zich zo ongeveer te allen tijde de teksten, de verhalen van Bucaro zelf. En daarin blijkt ditmaal een opvallende rol weggelegd voor de tegenstelling tussen licht en donker. Dat leert ook een snelle blik op de titels van de nummers al. “Afraid Of The Dark”, “Cold Dark Night”, “Lord, Light Me A Candle”, het zijn de eerste verwijzingen naar wat je bijna een centraal thema zou durven noemen.

En met “Afraid Of The Dark” zit daar meteen ook één van onze absolute favorieten hier tussen. Alleen al maar omdat Bucaro ons daarin met z’n allen oproept om onze angsten in de ogen te durven kijken. Een boodschap die in tijden als deze toch wel een flinke extra dimensie meekrijgt. Recente voorvallen zoals die in Manchester, Londen en Parijs indachtig eigenlijk precies wat we nodig hadden.

Andere echte topmomentjes op “Tableau” zijn het ons volop aan zowel de jonge Paul Simon als aan wijlen Jim Croce herinnerende “Tallahassee”, de werkelijk bloedmooie slow “Timeless”, het enkele tellen lang op subtiele wijze ons steeds vaker tot zinloos geweld aanzettende systeem aan de kaak stellende “Cold Dark Night” en centerpiece “Lord, Light Me A Candle”, waarin Bucaro speels op zoek gaat naar dat ene, eeuwig aan de einder schijnende licht.

Net geen half uur lang folkpop van het allerbeste soort!

Clarence Bucaro

 

MIKE YOUNGER “Little Folks Like You And Me” (Mike Younger)

(4****)

Met “Little Folks Like You And Me” levert Mike Younger andermaal een bijzonder fraai staalkaartje van zijn kunnen af. Onder de vleugels van producer Bob Britt lukte hem ditmaal in Nashville een plaat die ons inziens met name bij liefhebbers van het materiaal van knapen als een Delbert McClinton, een John Hiatt en een Rodney Crowell hoge ogen zou moeten kunnen gooien. Daar waar folk, country, blues, R&B en soul elkaar liefdevol in de armen sluiten, daar is immers ook de Canadees thuis. En dat levert ook op zijn nieuwe plaat weer zo menig een pareltje op.

Of het nu gaat om de weer eens even volop naar de seventies verwijzende roots rock van openingsnummer “If I Was A Wheel”, om de werkelijk rete-aanstekelijke R&B-spring-in-‘t-veld “Never Was A Dancer”, om de mileubewuste blues & roots van “Poisoned Rivers”, om het een heel klein beetje aan JJ Cale herinnerende en op zijn eigen leven on the road terugkijkende “Drifter’s Lament”, om de zwierige countryopstoot “Rodeo Queen”, om het als een soort van wake up call voor zijn huidige generatie medemensen gebrachte luisterliedje “What Kind Of World”, om het bedaard rootsy rockende “With Every Heartbeat”, om de soulvolle trage “How To Tell A Friend Goodbye”, om het wat potentere, even Don Henley in herinnering roepende “Walk In The Mud” of om het zomers opgewekte en met bijzonder fijn toetsenwerk opgesmukte “The Living Daylights”, dit boeit eigenlijk gewoon van de allereerste tot de allerlaatste seconde. En dat in totaal ruim zevenenveertig minuten lang.

Moeten we hier dan ook niet al te lang over nadenken: dit schijfje bevelen we je graag van ganser harte aan! Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Mike Younger

 

CURSE OF LONO “Severed” (Submarine Cat Records)

(4****)

Het naar de cult classic van Hunter S. Thompson vernoemde Curse Of Lono is wat je noemt a breath of fresh air. De groep rond de eerder nog relatief succesvol in Hey Negrita actieve singer-songwriter Felix Bechtolsheimer is duidelijk niet voor één gat te vangen. Aan invloeden bepaald geen gebrek op de eerste volwaardige langspeler van het vijftal. En dat maakt dat hun liedjes lang niet allemaal even makkelijk te plaatsen zijn.

Akkoord, dingen als het bedaarde “Each Time You Hurt” – Iets waaraan wijlen Johnny Cash een ferme kluif zou hebben gehad, als je het ons vraagt! – of het uit min of meer hetzelfde vaatje tappende “He Takes My Place” horen nog redelijk duidelijk onder de noemers Americana of country thuis. Maar wat met tal van andere deunen hier? Zoals het net als “He Takes My Place” ook al van een eerder verschenen EP bekende “London Rain” bijvoorbeeld. Daarvoor kunnen we hier inderdaad wel leven met de uit de promotiemachine rollende omschrijving gothic indie rock. Is met z’n in de verte wat aan de Doors schatplichtig orgeltje een echt toppertje trouwens, dat liedje. En what about “Just My Head”? Daarin zijn het blues & roots die even de neus aan het venster steken. Zij het dan ook niet zonder eerst wat poppy te zijn gepoederd.

“Five Miles” heeft op zijn beurt genoeg aan een zenuwachtige vibe om folkrockgewijs volop te bekoren, “Pick Up The Pieces” klinkt als Paul Simon met wat peper in de reet en “Send For The Whisky” is met zijn gevarieerd ritmische rootsy aanpak misschien wel het allermooiste nummer van allemaal hier. Het bedwelmende “All I Got” staat voor een momentje van absolute rust, het sfeervolle “Welcome Home” kan dan weer terugvallen op een bepaald filmisch karakter en datzelfde kan eigenlijk ook wel gezegd worden van de net wat ingetogener afgeleverde afsluiter “Don’t Look Down”.

Samenvattend zou je kunnen stellen, dat “Severed” een album is, dat je echt wel enkele keren moet hebben gehoord om de volle rijkdom ervan in te zien. Een groeibriljantje noemen ze zoiets gewoonlijk.

Curse Of Lono

 

JEFF FINLIN “The Guru In The Girl” (Continental Song City / CRS)

(4,5*****)

Waarom deze knaap nog steeds niet op een veel en veel grotere naambekendheid kan terugvallen, is voor ons één groot raadsel. Het materiaal van de Amerikaanse songsmid Jeff Finlin is doorgaans immers van een klasse apart. En dat is ook op deze tiende van ‘m weer niet anders. Tien nummers lang is hij andermaal zeer veeleisend voor zijn publiek, maar zo hebben we het hier graag. Meer nog: we zouden het zelfs helemaal niet anders willen. Niks zo fijn immers als je spiritueel laven aan de diepzinnige gedachten van Finlin.

Zijn nieuwe worp blikte de beste man in Nederland in. In Studio Wild Verband in Boxmeer meer bepaald. De thuishaven van de onvolprezen BJ Baartmans inderdaad. En die tekende samen met Finlin zelf ook voor de productie van het geheel. Om nog maar te zwijgen over zijn gesmaakte bijdragen op tal van gitaren, elektrische sitar, bas, piano en keyboards. Samen met drummer Sjoerd van Bommel, die voor een tweetal nummers acte de présence gaf, zorgde hij zowat voor de muzikale fundamenten waarop Finlin volop aan de slag kon. Al keek die zelf ook niet bepaald werkeloos toe, hoor. Onder meer op de akoestische, een enkele keer op de piano en voorts ook op de Fender Rhodes, drums en diverse percussie-instrumenten deed hij ruimschoots mee zijn duit in het zakje.

Het resultaat is een album dat gelijk opvalt door zijn wat aparte, veelal eerder ingetogen sfeer. Te situeren wat ons betreft ergens tussen Americana en (roots)pop. Volop levend van de bij momenten ronduit verbluffend te noemen interactie tussen de knauwzang van Finlin zelf en de snarenbijdragen van Baartmans. Hoe die Finlins woorden telkens weer fraai weet te onderlijnen is stuff that dreams are made of. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het zich lijzig verleidelijk een weg naar je onderbewustzijn banende “Angelou” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee precies bedoelen.

Dat liedje is meteen ook één van de vele hoogtepunten die “The Guru In The Girl” rijk is. Hier bleven verder vooral ook de sfeervolle opener “Her Love Will Light The Way”, het zachtjes rockende en zeer radiogenieke “Babylon”, het ons om de één of andere reden – we weten zelf ook niet goed waarom nu precies… – wat aan Springsteen in één van zijn bedaardere momenten herinnerende “Driving Wheel #72” en het afsluitende en werkelijk bloedmooie titelnummer hangen.

Jeff Finlin, Bandcamp (CRS)

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home