ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2006

 

 

archief

 

november     december     januari     februari

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Shane Alexander “Stargazer”Trespassers William “Different Stars”Eric Bibb “A Ship Called Love” - The Green Fuse “Sink Me”I See Hawks In L.A. “California Country”Ruben Hoeke Band “Sugar” - Bob Delevante “Columbus And The Colossal Mistake”Yvonne Lyon “Fearless”Albert Lee “Road Runner”Rodrigo Y Gabriela “Rodrigo Y Gabriela” - Jeffrey Foucault “Ghost Repeater”Steven Mark “Aloneaphobe”Les P’tits Belges “Chanson” - James Hand “The Truth Will Set You Free”Eef Barzelay “Bitter Honey”Jason Collett “Idols Of Exile” - James Hunter “People Gonna Talk”Christian Kjellvander “Faya”Jodi Shaw “Snow On Saturn”Matt Bauer “Wasps And White Roses E.P.” - Reagan Boggs “Never Looking Behind”Wrinkle Neck Mules “Pull The Brake”(Laughing) Gravy “Goat”Ane Brun “Duets” - RobinElla “Solace For The Lonely”Willie Nelson “You Don’t Know Me: The Songs Of Cindy Walker”Rhonda Towns “I Wanna Be Loved By You”H.T. Roberts “Acres Of Time”Lambchop “ The Decline Of The Country & Western Civilization (1993-1999)”Minor Majority “Reasons To Hang Around”Mike Gunther & His Restless Souls “Burn It Down For The Nails”Seth Kauffman “Ting” - Calexico “Garden Ruin”Bruce Robison “Eleven Stories” - Drive-By Truckers “A Blessing And A Curse”Southern Culture On The Skids “Doublewide And Live”Miss Mary Ann & The Ragtime Wranglers “Rock It On Down To My House”The Earl Brothers “Troubles To Blame”Lila Downs “La Cantina”Honky Tonk Disciples “Honky Tonk Disciples” - Josh Ritter “The Animal Years”Tom Russell “Love & Fear”Willy Clay Band “Rebecca Drive”Drowsy “Snow On Moss On Stone” - The Lancaster Orchestra “With Help From Absent Friends”Neko Case “Fox Confessor Brings The Flood”Sam Baker “Mercy” - Elliott Brood “Ambassador”The Little Willies “The Little Willies”Jesse Dayton “South Austin Sessions” - Kris Kristofferson “This Old Road”Marty Stuart & The Fabulous Superlatives “Live At The Ryman”Elvis Costello Live With The Metropole Orkest “My Flame Turns Blue” - Bryan Sutton “Not Too Far From The Tree”Smutfish “Through A Slightly Open Door”Chuck Brodsky “Tulips For Lunch”Drew Nelson “Immigrant Son” - Van Morrison “Pay The Devil”The Gourds “Heavy Ornamentals”Neal Casal “No Wish To Reminisce”Ian Love “Ian Love”Josh Rouse “Subtítulo”Tony Gilkyson “Goodbye Guitar” - Sean Watkins “Blinders On”Bray Vista “Sing My Darling” - Tres Chicas “Bloom, Red & The Ordinary Girl”Dolly Parton “Those Were The Days”Scott Miller & The Commonwealth “Citation” - The Subdudes “Behind The Levee”Waylon Jennings “Live From Austin, TX” (DVD)Merle Haggard “Live From Austin, TX” (DVD)Tony Joe White “Live From Austin, TX” (DVD) - The Taters “Just One Night”Stook “The Soundtrack To My Minneapolis”Mikki Brisk “Distance And Miles”Leaving, TX “100 Miles To Sunday” - Rocky Votolato “Makers”Matt Shipman “Highway Shoes”JJ Baron “Brand New Stranger”White Sands “Alma”

 

SHANE ALEXANDER

“Stargazer”

(Lucky Dice Music)

(3,5) J J J J

 

 

Erg mooie tweede plaat van de vooral in Nederland al door heel wat liefhebbers van singer-songwritermateriaal in het hart gesloten jongeling uit Los Angeles. Andermaal illustreert Shane Alexander hier van heel wat markten thuis te zijn. Net als op zijn debuut “The Middle Way” etaleert hij naast een werkelijk voortreffelijke gitaartechniek ook nu weer het nodige Fingerspitzengefühl voor het schrijven van enigszins melancholische, maar desalniettemin erg catchy liedjes. En dan is er natuurlijk nog die stem. Wat een instrument! Hoog of laag, het maakt Alexander klaarblijkelijk allemaal niet zo heel erg veel uit, hij kan beide probleemloos aan. Iets wat hem in staat stelt beurtelings eerder mellow en behoorlijk rauw uit de hoek te komen. Nu eens herinnert hij zodoende eerder aan iemand als een Jackson Browne, dan weer lijken Damien Rice en Jeff Buckley betere referenties. Feit is, dat de man in staat moet worden geacht om in het kielzog van lui als een James Blunt, een Daniel Powter of een Katie Melua voor velen onverwachterwijze zijn opwachting te maken in de hitlijsten. Songs als het met strijkers en een fameus orgeltje opgewaardeerde zonnestraaltje “Spaces In Between” of het volledig akoestisch gebrachte, door de geboorte van zijn dochtertje geïnspireerde “Little Woman” lijken daartoe alvast de ideale wapens. Ongelooflijk eigenlijk dat een danig af klinkende collectie liedjes in amper vier dagen en grotendeels live werd ingeblikt. Producers Heroes & Villains verdienen dan ook een serieuze pluim.

 

Shane Alexander tourt binnenkort overigens opnieuw doorheen Nederland. Hieronder alvast de juiste datums en locaties:

 

dinsdag 25 april (19.30 uur): Paradiso, Amsterdam

donderdag 27 april (14.00 uur): 747Live, Desmet, Amsterdam

donderdag 27 april (20.00 uur): Witte Bal, Assen

vrijdag 28 april: BinneNach: Singer & Songs, Den Haag

maandag 1 mei (21.00 uur): De Schalm, Westwoud

dinsdag 2 mei (20.30 uur): In The Woods, Lage Vuursche

 

Shane Alexander

Lucky Dice Music

 

 

TRESPASSERS WILLIAM

“Different Stars”

(Nettwerk / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Net nu de groep met “Having” zopas een nieuw album afleverde krijgt het al van 2002 daterende “Different Stars” om voor ons niet meteen duidelijke redenen ook hier te lande een promotioneel duwtje in de rug. Nu, ons niet gelaten, hoor. Die tweede CD van het Californische collectief Trespassers William was immers erg mooi. Prachtige, van melancholie doordrongen etherische liedjes gedragen door de hemelse stem van de een weinig aan Aimee Mann herinnerende Anna-Lynne Williams bleken de specialité de la maison. Dromerige dingen die de groep en masse vergelijkingen opleverden met acts als Mazzy Star, de Red House Painters en zelfs Coldplay. Te situeren daar waar de paden van de Britse shoegazers en genres als ambient, folk en pop zich kruisen met andere woorden.

Trespassers William

Nettwerk

 

 

ERIC BIBB

“A Ship Called Love”

(Treola / Telarc)

(3,5) J J J J

 

 

Mag je wat ons betreft zondermeer tot de allermooiste soul- en bluesstemmen van het moment rekenen, deze Eric Bibb. Op zijn nieuwe CD “A Ship Called Love” neemt de man ons andermaal mee op een trip doorheen een muzikaal universum waarin het beste van pop, blues, soul, gospel en reggae voortdurend in perfecte harmonie leven. Alles klinkt hier echt ongelooflijk af. En dat hoeft eigenlijk ook helemaal niet te verwonderen. Bibb zelf is immers een verstokte perfectionist. En gasten als de Dixie Hummingbirds, de Memphis Horns, Ruthie Foster, Cyd Cassone, B.J. Cole, Amar Sundy en Danny Flowers doen de rest. Enkele van de vele uitschieters op dit bijzonder warm aanvoelende geheel zijn de volop knapen als good old Curtis Mayfield – Aan wie de CD ook werd opgedragen! - en Otis Redding in herinnering roepende, broeierige soulsleper “That’s What I Do”, het in duet met de onvolprezen Ruthie Foster gebrachte akoestische back porch bluesje “Troubadour”, de soulvolle gospel van het met The Dixie Hummingbirds gedeelde titelnummer en het een swampy sfeertje uitstralende “Like Aretha Loves To Sing”. Mooi zondermeer.

Eric Bibb

Telarc

 

 

THE GREEN FUSE

“Sink Me”

(Evanston ’67)

(3,5) J J J J

 

 

“Sink Me” is het tweede album van The Green Fuse, een vanuit Chicago opererend tweetal bestaande uit zanger-songwriter Chris Toft en multi-instrumentalist-producer Liam Davis. Aangevuld met een handvol muzikanten uit hun thuishaven levert het duo een in totaal twaalf songs in beslag nemende collectie af, die meteen in positieve zin opvalt. Vooral dan door de enorme diepgang van de liedjes, waarin quasi terloops een veelheid aan invloeden worden verwerkt. Toft en Davis werden zeker beïnvloed door groten uit het singer-songwritergenre als een Dylan, een Zevon of een Costello, maar ook pop, punk, (roots) rock, country, bluegrass, folk en blues zijn hen duidelijk niet vreemd. Het kan hier dan ook voortdurend echt alle kanten op. “Backwards Into You”, gebracht met de onvolprezen Kelly Hogan, is zo een stukje in alle opzichten aan de Jayhawks verwante alt. country, “Manchester ‘66” heeft zowel iets met de muziek van Ol’ Bawb als met punk en blues, “Can O’ Peaches” en “Morning At The Magnolia” staan voor fraaie ingetogen roots rock, voor “Careless Love” mag de term pianoballade uit de kast, “Stretchin’ (The Natives Are Restless)” speelt met een subtiel bluegrassmotiefje, “Leave Me A Dress” is nerveuze rock ergens halverwege Stones en Replacements, “Montgomery” en “Meadowlark” zijn twee zeer aparte staaltjes van dramatische pop en prijsbeest “The Gingerman” injecteert roots rock met een shot radiogeniek punkgeweld genre The Clash.

Een lekker gevarieerde, maar bovenal ook zeer sympathieke plaat, als je ’t ons vraagt.

The Green Fuse

CD Baby

 

 

I SEE HAWKS IN L.A.

“California Country”

(Western Seeds)

(3,5) J J J J

 

 

Hoe aangeven in welk vakje je thuishoort? Er zijn er nogal wat die het doen het met zo’n handige aanduiding van het type”File under”, maar het kan dus klaarblijkelijk nóg gemakkelijker. Je plaat gewoon de naam meegeven van het genre dat je er op brengt! Die van I See Hawks In L.A. vonden het alvast een goede zet. Zij deden het met de onlangs verschenen opvolger van hun zo ongeveer alom op het nodige gejubel onthaalde tweede CD “Grapevine” uit 2004. Rob Waller (lead vocals, akoestische gitaar), Paul Lacques (gitaren, lap steel, dobro, zang), Paul Marshall (bas, zang), Shawn Nourse (drums) en gasten als Brantley Kearns (fiddle), Dave Zirbel (pedal Steel), Danny McGough (orgel, celeste, harmonium), Cody Bryant (banjo), Chris Hillman (mandoline), Rick Shea (akoestische en elektrische gitaar, mandoline), Tommy Funderburk (zang) en Marcus Watkins (gitaar) laten op “California Country” ongegeneerd de hoogdagen van het kosmische countrygenre herleven. Van de eerste tot de laatste noot van het album dompelen ze je als luisteraar onder in een eigentijdse versie van de muziek waarmee een act als The Flying Burrito Brothers jaren geleden een serieuze reputatie wist te vergaren. Andere goede referentiepunten zijn ons inziens de Eagles en de Byrds. Melodieuze countryrock troef hier met andere woorden. Zwaar retro, maar tegelijk ook zwaar verslavend…

I See Hawks In L.A.

CD Baby

 

 

RUBEN HOEKE BAND

“Sugar”

(Munich Records)

(3,5) J J J J

 

 

De naam Hoeke wordt nog altijd makkelijker verbonden met de figuur van pa Rob dan met die van zoonlief Ruben, maar daar zou na “Sugar”, het voortreffelijke debuut van laatstgenoemde, wel eens snel verandering in kunnen gaan komen. De jongeling liet de voorbije tien jaar werkelijk geen kans onbenut om ervaring te sprokkelen en daar draagt hij nu de vruchten van. Naast eigen bands als Blues On The Road, The Hurricane Bluesband, Stonefreak en Skelter prijken op zijn c.v. ondermeer ook samenwerkingen met zo uiteenlopende acts als Shirley King, pa Rob, Eelco Gelling, Herman Brood, Kaz Lux, Roberto Jacketti & The Scooters en Thé Lau. Ondanks zijn gesnuffel aan heel wat verschillende genrepotjes bleef Hoeke al die tijd echter in eerste instantie een blues man. En dat zullen we op “Sugar” geweten hebben ook. Samen met zanger Frank Van Pardo, bassist Dave Besse en drummer Remco Van Der Sluis geeft de jonge gitaarbeul er hier een serieuze lap op. En dat hij daarbij mocht rekenen op de steun van gastmuzikanten als David Hollestelle Jr., Tineke Schoemaker, Jan Akkerman, Gerben Deves, Wouter Planteijdt, Jan Peter Bast, Thé Lau, Edgar Koelemeijer, Kaz Lux, Hans Mulder en Boris Vander Lek doet de zaak ook geen kwaad natuurlijk. Lekker gevarieerd schijfje, dat “Sugar”. Felle, op werkelijk fulminant snarenwerk van Hoeke zelf geënte bluesrockescapades als het titelnummer en “Dirty Little Women” worden erop afgewisseld met ingetogen akoestische dingen à la “Lord I Feel Tired”, met de kont richting New Orleans gedraaid spul als het van Ivory Joe Hunter in bruikleen genomen “Cherry Red”, het heerlijk vanuit de heupen swingende “Backdoor Blues” en het al even energieke, met Tineke Schoemaker gedeelde “Enough Of That Stuff”, het duistere, zijn titel alle eer aandoende “Swamp” of de broeierige, flink richting wijlen Stevie Ray Vaughan overhellende sleper “Midnight Prayer”.

Gaan we tijdens de zomermaanden vast nog het een en ander van horen, van dit collectief! Festivalorganisatoren hebben er bij dezen immers een stel graag geziene gasten bij.

Ruben Hoeke Band

Munich Records

 

 

BOB DELEVANTE

Columbus And The Colossal Mistake”

(Relay Records)

(4) J J J J

 

 

 

Herinnert u zich deze nog? Waar is de tijd gebleven, dat gladde Nederlandse radiojongens je vrijwel om het uur met die strijdkreet om de oren sloegen bij het uit de gracht takelen van telkens weer andere overjaarse hitkoeien? Je wordt ouder, papa… Heel toepasselijk wel, die jingle, als we het hier nog eens hebben over Bob Delevante. Ergens halverwege de jaren negentig vormde die samen met zijn broer Mike de fantastische Delevantes, die met hun combinatie van heerlijke, zwaar aan de Everlys schatplichtige harmonieën en lekkere roots rock zo menig een positieve recensie wisten te vergaren, zonder daar evenwel direct commercieel voordeel uit te kunnen putten. Hun door Garry Tallent geproduceerde albums “Long About That Time” uit ’95 en “Postcards From Along The Way” uit ’97 zijn hier nog altijd graag geziene gasten. Evenals “Porchlight” trouwens, het solodebuut van Bob Delevante uit ’99. Het doet dan ook enorm veel plezier om na ruim zeven jaar eindelijk nog eens iets van de man te vernemen. Niet dat hij al die tijd heeft stilgezeten hoor, dat zeker niet. Delevante was de voorbije jaren gewoon op andere vlakken aan de slag. Hij verdiende zijn brood ondermeer als fotograaf, grafisch designer en producer (onder andere van platen van Greg Trooper en Duane Jarvis).

“Columbus And The Colossal Mistake”, ondertitel “A Collection Of Songs And Photographs”, is wat wij zouden willen noemen een “retour de force”. Delevante schrijft nog altijd fantastische songs en met een ware “who’s who” aan gasten uit zowel de Americana- als de pophoek aan zijn zijde weet hij die ook bijzonder aanstekelijk neer te leggen. Emmylou Harris, Buddy Miller, Southside Johnny, Fats Kaplin, Walter Egan Jr., Dave Jacques, Phil Madeira, Garry Tallent, Dave Coleman, David Henry en nog een handvol anderen werden graag bereid gevonden om een handje te komen toesteken aan ’s mans nieuwe project. Harris leende zo bijvoorbeeld haar stem aan de met veel gevoel gebrachte countryeske sleper “The Things I Long To Hear”, Miller is gitaargewijs behoorlijk nadrukkelijk aanwezig in het snedig rockende “Like A Meadowlark Blues”, Egan geeft van achter een draaitafel letterlijk en figuurlijk een moderne draai aan het volop naar de klassieke New Jersey sound verwijzende “Texarkana State Of Mind” en Southside Johnny’s mondharmonica was van grote hulp bij het inkleuren van het sombere “Venice Is Sinking”. Net als de overige negen nummers zijn het stuk voor stuk staaltjes van het betere rootsrockwerk.

Als je je nog mocht afvragen, hoe het album aan zijn ondertitel kwam, dan verwijzen we hier graag ook nog naar een reeks fraaie zwart-wit-foto’s die aan het geheel werden toegevoegd. Zij illustreren en passant ook nog snel even dat andere talent van de veelzijdige Delevante.

Bob Delevante

Miles Of Music

 

 

YVONNE LYON

“Fearless”

(Foundry Music Lab)

(3,5) J J J J

 

 

 

Een bijzonder aangename verrassing, dit album. Op haar derde CD strooit de jonge Schotse singer-songwriter Yvonne Lyon immers kwistig in het rond met erg mooie liedjes uit het grensgebied tussen folk, Americana en pop. Zichzelf daarbij begeleidend op akoestische gitaar en piano neemt ze je mee op een boeiende trip doorheen Heartland. In een productie van Graeme Duffin en Sandy Jones zingt de schone Lyon vrijwel voortdurend de sterren van de hemel naar beneden. Nu eens neigt ze daarbij voorzichtig naar country en Americana zoals in prijsnummer “Colours” of het vlotte “Mariana”, dan weer voeren folk of pop de boventoon zoals in de ballades “Fearless” en “Unknown Smiles”. Beslist de moeite van het checken (En het kopen!) waard!

Yvonne Lyon

 

 

ALBERT LEE

“Road Runner”

(Sugar Hill / Munich)

(3) J J J

 

 

De vooral om zijn snarenwerk achter Emmylou Harris in de Hot Band geroemde Albert Lee houdt er dezer dagen een naar zijn normen aardig tempo op na waar het zijn eigen output betreft. Een kleine twee jaar na zijn vorige CD “Heartbreak Hill” pakt hij alweer uit met een nieuwe CD. “Road Runner” heet die. Wellicht zoiets als een verwijzing naar zijn eigen nogal rusteloze bestaan “on the road”.

Op die nieuwe CD etaleert Lee naast de van hem welbekende kwikzilveren gitaartouch ook uitgebreid zijn voorliefde voor een ander instrument. De man is immers ook een prima pianist. En dat bewijst hij hier ondermeer in het bluesy “I’ll Stop Loving You”, in het een aardig eindje weg swingende countryrockertje “Didn’t Start Living” en in de in duet met zijn dochter Alexandra gebrachte sleper “Dimming Of The Day”.

De sterkste momenten van dit nieuwe Lee-album zijn wat ons betreft echter enkele andere nummers, met name het van John Hiatt geleende en behoorlijk Everly-eske “Rock Of Your Love”, een snedige, met Buddy Miller gedeelde cover van de Junior Walker-hit “(I’m A) Road Runner” en prima lezingen van “Julie’s House” van Leo Kottke en “The Moon Is A Harsh Mistress” van Jimmy Webb.

Albert Lee

Sugar Hill Records

 

 

RODRIGO Y GABRIELA

“Rodrigo Y Gabriela”

(Rubyworks / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Aan al wie op muzikaal vlak zo nu en dan wat verder kijkt dan zijn neus lang is zouden we bij dezen graag het album “Rodrigo Y Gabriela” willen aanbevelen. Op die samen met John Leckie geproduceerde plaat etaleert het duo Sanchez-Quintero een aan het ongelooflijke grenzende instrumentbeheersing. Mexicaanse folk, flamenco en gypsy jazz vormen de hoofdingrediënten van negen flamboyante gitaarinstrumentals, waarvan het duo er zeven zelf aandroeg. De overige twee zijn verbluffend mooie interpretaties van de Led Zeppelin classic “Stairway To Heaven” en van het van Metallica bekende “Orion”. Wellicht vooral door de toevoeging van deze twee nummers scoorde het duo in Ierland met deze plaat inmiddels al een kanjer van een hit. De twee kwamen er zomaar vanuit het niets op 1 binnen in de album top 100 en lieten daarbij en passant ondermeer het hippe Arctic Monkeys en Johnny Cash achter zich. Iets wat ons mits de nodige airplay ook hier niet helemaal ondenkbaar lijkt overigens.

De gelimiteerde eerste oplage van het album bevat naast de eigenlijke CD ook nog een bonus-DVD met interviews, live-spul, wat “didactisch materiaal” en een gallerij.

Rodrigo Y Gabriela

Rubyworks

 

 

JEFFREY FOUCAULT

“Ghost Repeater”

(Signature Sounds / Rounder Europe / Munich)

(4,5) J J J J J

 

 

 

Voor Jeffrey Foucault lijkt zo stilaan het moment aangebroken om te beginnen oogsten wat hij met zijn voortreffelijke debuutplaat “Miles From The Lightning” uit 2001, het drie jaar later verschenen “Stripping Cane” en zijn samenwerking met Peter Mulvey en Kris Delmhorst onder de Redbird-vlag zaaide. Het feit dat hij op 22 april aanstaande zaal Vredenburg in Utrecht aandoet voor het gerenommeerde Blue Highways Festival lijkt dat trouwens alleen maar te beamen. Evenals het gegeven dat hij voor zijn derde CD “Ghost Repeater” niemand minder dan het ondermeer van zijn werk met Lucinda Williams en Greg Brown bekende gitaarfenomeen Bo Ramsey als producer wist te strikken. Die plaat zal pas diep in mei verkrijgbaar zijn in de States, maar om voor de hand liggende redenen is ze hier nu al uit. En wat meer is, de eerste persing ervan gaat vergezeld van een alleraardigst bonus-CD’tje. Daarop staan naast drie songs van zijn eerdere platen ook nog eens twee outtakes van “Ghost Repeater”. En da’s mooi meegenomen, toch?

“Ghost Repeater” – vernoemd naar de veelheid aan verlaten radiostations die over heel Amerika instaan voor het verspreiden van kant-en-klaar-programma’s - heeft dat soort van handige verkooptrucs overigens helemaal niet nodig. Het is immers een voorbeeldige singer-songwriterplaat van een man die ook ditmaal weer niet lijkt te willen kiezen tussen country en blues. Een soort van consumentvriendelijkere uitvoering van een Kelly Joe Phelps, een Peter Mulvey of een Chris Whitley eigenlijk. Mooie diepe stem, knap gitaarspel, prachtige teksten. In deze laatsten spelen zowel zijn persoonlijke levenservaringen als de niet altijd even vrolijke tijden waarin we leven een belangrijke rol.

Muzikale bijstand krijgt Foucault (zang, akoestische gitaar) ditmaal van Bo Ramsey (elektrische gitaar, resonator en Weissenborn), Rick Cicalo (bassen), Steve Hayes (drums, percussie), Dave Moore (accordeon), Eric Heywood (pedal steel), Nate Basinger (Hammond, Wurlitzer) en Redbird-collega Kris Delmhorst (zang). In dat uitgelezen gezelschap levert hij een bijzonder warm aandoend album af, dat hier alvast liefdevol in de armen werd gesloten.

 

Je kan Jeffrey Foucault op vrijdag 21 april overigens ook nog aan het werk zien in Toogenblik in Haren-Brussel.

 

Jeffrey Foucault

Rounder Europe

 

 

STEVEN MARK

“Aloneaphobe”

(Basset Records)

(3,5) J J J J

 

 

 

“You deserve a song for all the crap you gave me.” Het klinkt bijna even wrang als het welgemeende “I wish you luck with a capital F” waarop Elvis Costello een ex ooit trakteerde in één van zijn liedjes. Galspuwer van dienst is de uit New York afkomstige singer-songwriter Steven Mark. “Homespun Vanilla Pie”, het nummer waaraan we de bewuste regel ontleenden, is terug te vinden op ’s mans weldra te verschijnen tweede CD “Aloneaphobe”. Die door Matt Wilcox geproduceerde plaat staat boordevol met intelligente popliedjes met een stevige hang naar zowel sixties psychedelica als het unplugged grunge-gebeuren van de vroege jaren negentig. Tekstueel gezien is het album een soort kroniek van zijn aan-uit-verhouding met zijn voormalige vriendin. Mark verpakt de ups & downs van die relatie in melodieuze pop songs die meer dan eens herinneren aan het werk van lui als een Michael Penn. En laat ons daar nu net een grote boon voor hebben…

Steven Mark

 

 

LES P’TITS BELGES

“Chanson”

(Munich Records)

(3,5) J J J J

 

 

 

Les P’tits Belges doen het op hun derde met het chanson in zijn puurste vorm. Jopie Jonkers (zang), Gwen Cresens (accordeon), Cesar Jansens (drums), Rinus Raaijmakers (contrabas en zang), de onvolprezen Koen De Cauter (zang, gitaar en sopraansax) en gasten Tcha Limberger (gitaar) en Vilmos Csikós (contrabas) grijpen daarbij geregeld terug naar groten van het genre zoals een Moustaki, een Brassens en een Francis Lemarque. Enkele eigen composities van De Cauter en Cresens en een verrassende adaptatie van werk van Georges Rodenbach zorgen voor de finishing touch. Vooral de ontwapenend mooie zang van Jonkers en het zwierige accordeonwerk van Cresens verlenen aan dit album z’n charme. Zo ongeveer de ideale soundtrack voor een lome namiddag zomers terrassen ergens hartje Frankrijk.

De Cauter Familie

Munich Records

 

 

JAMES HAND

“The Truth Will Set You Free”

(Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

 

Ze worden dus wel degelijk nog gemaakt, meneer. Echte countryplaten met een hart zo groot en grillig als de Lone Star State zelve. Zo ongeveer elke op “The Truth Will Set You Free” van James Hand gespeelde noot kan dienen als bewijsmateriaal. Dit is muziek geboren in godvergeten honky-tonks en saloons, waar de appreciatie voor wat je doet vooralsnog als enige criterium geldt om geld in de tip jar te zien deponeren. Waar de geur van bier en rook zich vermengen met die van verse koeienstront onder de boots van een loopje met alle regels omtrent lichaamshygiëne nemende echte cowboys, die tussen twee bezoeken aan hun stallen door ook wel eens blijk willen geven van een droge keel en een goede smaak inzake muziek. James Hand blijkt een graag geziene gast in dat soort van etablissementen. En dat zegt in dit geval veel. Dit is inderdaad “the real thing”. Hand maakt muziek die schaamteloos lonkt naar de good old days. Fiddles à volonté dus, een vrijwel continu zachtjes mee jammerende pedal steel ook, geplukte bas, dobro en dies meer. In een productie van Ray Benson van Asleep At The Wheel en Lloyd Maines (akoestische gitaar, pedal steel, dobro) en in het gezelschap van ander schoon volk als Redd Volkaert (elektrische gitaar), Will Indian (elektrische gitaar), B.B. Morse (bas), Woz (drums), Jason Roberts (fiddle) en Layton Depenning (backing vocals) scoort de Texaan zowel met ongegeneerd zo menig een traan in je veel te warme bier plengende ballades à la “If I Live Long Enough To Heal” of “I’ve Got A Lot Of Hiding Left To Do” als met heerlijke swingers zoals “Baby, Baby, Don’t Tell Me That” of “In The Corner, At The Table, By The Jukebox” of wat stevigere, van een shot rock & roll bediende dingen genre “Little Bitty Slip”. Dit is country “the way it was always meant to be”. Doe er dus vooral je voordeel mee!

James Hand

Rounder Europe

 

 

EEF BARZELAY

“Bitter Honey”

(Fargo / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

 

Eef Barzelay, als zanger, gitarist en voornaamste songleverancier ontegensprekelijk de drijvende kracht achter het ook hier in bepaalde kringen behoorlijk populaire Clem Snide, ontpopt zich op “Bitter Honey” vrij onverwachterwijze tot een uitgesproken volgeling van het “minder is meer”-principe. In de tien stukken van zijn eerste solo-CD vertrouwt hij uitsluitend op zijn eigen stem en akoestische gitaar. Ver weg van het rijkelijk georkestreerde geluid van de groep waarin hij zich de voorbije jaren een serieuze naam als songwriter wist te verwerven gaat Barzelay op zoek naar zijn roots. Als een soort van eigentijdse Donovan bezingt hij in eigenlijk alleen maar als pure folk te omschrijven deuntjes het leven van alledag. Beurtelings teder, beurtelings behoorlijk getormenteerd en heftig uit de hoek komend haalt hij daarbij wat ons betreft duidelijk zijn slag thuis. De songs op “Bitter Honey” kruipen in al hun eenvoud immers toch tot diep onder je huid. Dit is emotie puur. De enige vraag die je je bij zoveel integere schoonheid eigenlijk kan stellen is, of ook de vaste fanschare van Clem Snide hieraan zal willen. Want al ontstonden de hier in net iets meer dan een half uur afgewerkte liedjes dan ook zonder uitzondering in dezelfde geest als die van hun favorieten, ze wijken er al bij al toch behoorlijk van af, zeker dan van die van ”End Of Love”, het recentste album van de groep. Liefhebbers van in bloed, zweet en tranen gedrenkt singer-songwriterspul daarentegen zullen hierover wellicht geen seconde hoeven te twijfelen.

Eef Barzelay

Clem Snide

Fargo Records

 

 

JASON COLLETT

“Idols Of Exile”

(Arts & Crafts / V2)

(3,5) J J J J

 

 

 

Net als de hier elders besproken Eef Barzelay van Clem Snide ontvlucht ook Jason Collett op “Idols Of Exile” het nest waaraan hij zijn naambekendheid grotendeels te danken heeft. Collett, die in het dagelijkse leven het beleg op zijn brood verdient als gitarist bij het vanuit het Canadese Toronto opererende en in atmosferische rock grossierende collectief Broken Social Scene, opteert op zijn door Howie Beck geproduceerde nieuwe solo-CD voor een beduidend andere aanpak. Op “Idols Of Exile” wordt nadrukkelijk zijn singer-songwriterkant naar voren geschoven. De vertrouwde gitaar wordt er nog enkel bij gesleurd als een liedje daar uitdrukkelijk om vraagt. En dat levert zeer fraaie resultaten op. Collett blijkt immers niet alleen een erg getalenteerde songsmid te zijn, hij beschikt daarnaast ook over een erg knappe stem. Zacht, een weinig hees ook en daardoor erg expressief en een te duchten bijkomend wapen. Muzikaal gezien zoekt de beste man twaalf nummers lang zijn weg doorheen genres als Americana, folk en (country)pop. In tegenstelling tot heel wat vergelijkbare acts legt hij zich bij de invulling van zijn songs amper beperkingen op. Niet het voor het genre inmiddels zo ongeveer klassiek geworden instrumentarium van gitaar, bas, drums en eventueel wat strijkers of een steelgitaar dus, maar ook een weelde aan minder verwachte gasten. Synthesizer, vibrafoon, blazers, tamboerijn, zingende zaag, Glockenspiel, je zegt het maar. Mede daardoor straalt van “Idols Of Exile” een zeer warme gloed af. Men denke in dat verband bijvoorbeeld aan het werk van een Josh Rouse, een Neal Casal of een Tom Petty. Bijzonder mooi vonden wij het zomers lijzig voortkabbelende “Hangover Days”, een met Emily Haines van Metric gebracht duet, het op beschaafde wijze rockende “I’ll Bring The Sun”, het voorwaar zelfs even aan iets van George Harrison herinnerende, radiovriendelijke popdeuntje “Pavement Puddle Stars”, de gloedvolle – duidelijk op de leest van de Jayhawks geschoeide - Americana-trage “Pink Night” en de al even heerlijke akoestische sleper “Almost Summer”. Let wel, dat zijn maar enkele van de vele krenten in een pap die daar werkelijk vol mee lijkt te zitten.

Jason Collett

V2 Records

 

 

JAMES HUNTER

“People Gonna Talk”

(GO Records / Rounder Europe / Munich)

(5) J J J J J

 

 

Van Morrison noemt James Hunter “één van de beste stemmen en één van de best bewaarde geheimen in het Britse R&B- en soulcircuit überhaupt” en gelijk heeft hij nog ook verdomme. ’s Mans nieuwe CD “People Gonna Talk” sloeg hier alvast in als een bom. Bij momenten heb je daarop sterk de indruk met een reïncarnatie van Sam Cooke zaliger te maken te hebben. Net als die legendarische soul performer beschikt immers ook Hunter over een stem die elke liefhebber van het genre in een wip op de knieën zal hebben. En bovendien blijkt hij ook nog eens een begenadigde gitarist en songwriter. Prachtig gewoon, hoe hij de soul scene van de jaren zestig laat herleven in veertien eigen songs, die nergens minder dan briljant zijn. Op voorzichtig stuiterende R&B- en skaritmes geënte dingen als het bijzonder catchy titelnummer en “You Can’t Win” worden daarbij afgewisseld met door geile blazerspartijen aangejaagde funky ditties als “No Smoke Without Fire” en “Riot In My Heart”en op de klassieke leest geschoeide slepers als “Mollena” en “I’ll Walk Away”. Het moet zo ongeveer geleden zijn van “One Night Stand: Sam Cooke Live At The Harlem Square Club, 1963” dat we nog met zoveel plezier van een soulplaat hebben genoten als van deze “People Gonna Talk”. Briljant gewoon!

James Hunter

Rounder Europe

 

 

CHRISTIAN KJELLVANDER

“Faya”

(V2 Records)

(4) J J J J

 

 

Samen met gelijkgestemde geesten als een Thomas Dybdahl, een Thomas Denver Jonsson, een Nicolai Dunger en een Mattias Hellberg behoort Christian Kjellvander tot de absolute top van de stilaan een behoorlijk indrukwekkende boom kennende Scandinavische alt. country-folk-singer-songwriter scene. Wat Kjellvander daarbij van het gros van zijn streekgenoten onderscheidt is dat hij zijn jeugd in de States doorbracht. En op die manier valt natuurlijk net iets makkelijker te traceren, wat zo’n koele Zweed nu precies aantrekt in een muzikaal jargon eigen aan een land zo ver weg. Kjellvander groeide door de jaren heen eigenlijk gewoon uit tot een soort van bevoorrechte vertaler daarvan. Eerst nog met zijn groep Loosegoats of met het met zijn broer Gustaf gerunde project Songs Of Soil, later met knappe platen voor eigen rekening als het in 2002 verschenen “Songs From A Two Room Chapel”. Kjellvanders muziek klonk daarop reeds als een sfeervolle midzomernachtvariant op een Amerikaans thema en dat gevoel wordt nu ook doorgetrokken naar zijn nieuwe CD “Faya”. Ook die plaat moet het hebben van een tegelijk duister-melancholische en amper weerstaanbare sfeer waarin zowel de uitgestrektheid van zijn jeugdheimat als het ruwe klimaat van zijn huidige Scandinavische thuishaven vervat zitten. Daardoor ontstaat een volstrekt unieke Americana-variant, die je gedragen door Kjellvanders warme stem en een basisinstrumentarium bestaande uit gitaar, bas, piano en drums doorlopend lijkt te willen onderdompelen in wat wij zouden willen noemen een typisch herfstgevoel. Een gevoel van melancholie, onrust, verlangen en dies meer. Neem bij gelegenheid maar eens even de tijd om je te onderwerpen aan songs als de met een broeierig streepje pedal steel beduidend opgewaardeerde ballade “Chose The City”, het van z’n voorzichtig opgebouwde spanning levende “Drunken Hands” of het van opzet aan de Cowboy Junkies refererende “Roaring 40’s”, een duet met Nina Persson van de Cardigans, en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. Dit is buitengewoon zwaar verslavend spul als je ’t ons vraagt.

Christian Kjellvander

V2 Records

 

 

JODI SHAW

“Snow On Saturn”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Eén enkele beluistering van het op haar webstek als gratis download aangeboden “Starling” volstond ruimschoots om ons razend benieuwd te maken naar “Snow On Saturn”, de vierde CD van de dezer dagen in Brooklyn residerende Canadese zingende liedjesschrijfster Jodi Shaw. Een prachtig stukje Americana is dat. Een lieflijk liedje over een spreeuw, verpakt in heerlijke muziek. Steve Addabo en Thad Debrock stelen daarbij de show op respectievelijk de akoestische gitaar en dobro en mandoline. Spijtig genoeg blijkt dat nummer niet echt representatief voor de rest van het album. Shaws ding blijkt immers vooral popgetinte folk – Of was het toch eerder folkgetinte pop? – en niet zo zeer Americana. Dat doet evenwel niets af aan de kwaliteit van “Snow On Saturn”! Het merendeel van de op twee na allemaal zelf gepende liedjes op haar nieuwe CD plaatsen haar in het rijtje Suzanne Vega – Shawn Colvin - Nanci Griffith. Voorwaar geen slecht gezelschap als je ’t ons vraagt! Shaw blijkt net als die drie gezegend met een erg warme stem en kiest doorgaans ook voor een eerder spaarzame aankleding van haar liedjes. Enkele akoestische gitaren, een bas, keyboards en links en rechts wat strijkers en een trompetje volstaan ruimschoots om haar muziek tot een aardig eind boven de middelmaat uit te tillen. En of ze het in haar teksten nu heeft over de amoureuze kant van haar leven dan wel over meer wereldse zaken, ze doet dat telkens weer even betoverend. Fans van hoger genoemde dames zouden bij dezen dan ook genoeg moeten weten. Warm aanbevolen!

Jodi Shaw

CD Baby

 

 

MATT BAUER

“Wasps And White Roses E.P.”

(Crossbill Records)

(4) J J J J

 

 

Met het in 2004 verschenen “Nandina” maakte Matt Bauer hier een danig verpletterende indruk, dat hij er probleemloos onze eindejaarslijstjes mee wist te halen. Dat we al een poosje zaten uit te kijken naar een opvolger van die plaat is dan ook een serieus understatement. En met “Wasps And White Roses” wordt nu eindelijk ook daadwerkelijk aan onze wensen tegemoetgekomen. Het betreft een zeven liedjes tellend EP’tje, dat we allicht eerder moeten zien als “een tussendoortje in afwachting van” dan als de echte opvolger van “Nandina”. Bauer bewandelt daarop ondertussen bekende paden. Met zijn hese, aan Richard Buckner herinnerende stem neemt hij ons andermaal mee op een hoogst aangename trip doorheen een muzikaal land waar Koning Melancholie met vaste hand regeert. Folk, bluegrass, old-time en country lopen in de liedjes van songwriter hors catégorie Bauer naadloos in elkaar over. Een prominente rol is daarbij weggelegd voor zijn met veel gevoel betokkelde banjo. Twee van de gebrachte nummers zijn instrumentals (“White Horse” en “The Owl And The Snake”). Twee andere geactualiseerde traditionals (“Sea Lion Woman” en “Heap Of Little Horses”). Dé absolute blikvanger is het sombere openingsnummer “Carve It Out”. Daarin deelt Bauer de vocals met de onvolprezen Jolie Holland. Samen wagen ze zich aan gitzwarte poëzie van het genre:

“My head feels like a buffalo

My heart’s a nail sticking from a

board

I’ll find a hammer to pound it

down

I’ll find a knife and carve it out”

Een mooi voorbeeld van de aparte beeldspraak waaraan Bauer zich vrijwel voortdurend bezondigt. Deze verleent samen met zijn hier al eerder aangekaarte banjo-escapades aan zijn muziek een werkelijk uniek karakter. En een beetje liefhebber van alt. country singer-songwriters heeft aan “Wasps And White Roses” dan ook opnieuw een flinke kluif.

Matt Bauer

CD Baby

 

 

REAGAN BOGGS

“Never Looking Behind”

(IndieRec)

(3,5) J J J J

 

 

 

Goed tien jaar geleden was het, dat de knappe Reagan Boggs nog eens met een solo-CD uitpakte. Wellicht teveel om handen gehad met andere projecten om zich daarom te kunnen bekommeren. Zoals met haar groep Carbon Blue bijvoorbeeld, waarvan in 2004 nog de CD “I Can Handle Crazy” verscheen. Maar nu is er dus wel die “Never Looking Behind”. En dat is een album dat ons al vanaf een eerste beluistering ervan serieus wist te imponeren. Boggs geeft zelf graag toe, dat de dag waarop ze het alt. country-genre ontdekte voor haar zeer belangrijk is geweest. Dankzij artiesten als Lucinda Williams, Buddy & Julie Miller en Mindy Smith vond ze laat vooralsnog haar roeping. En net als het genoemde drietal weet ook zij op “Never Looking Behind” zeer mooi het midden te houden tussen country, alt. country en Americana. Heel wat van het materiaal op dat schijfje beschikt daardoor over een zekere commerciële potentie.

Acht van de tien liedjes op “Never Looking Back” schreef Boggs zelf. Van de overige drie springen er twee meteen in het oog. (Oor?) Het eerste is een erg mooie, door Al Perkins in een warm aandoend bad van steelklanken ondergedompelde versie van de van Son Volt bekende ballade “Tear Stained Eye”, het andere een lentefrisse, met Scott Miller gebrachte versie van het Johnny & June-duet “Jackson”. Très sympa allebei! En dat geldt zeer zeker ook voor het van singer-songwriter Scotty Melton geleende “The Way I’m Lovin’ You”, een echt juweel van een soulvolle Americanasleper op z’n Lucinda’s.

Scott Millers Commonwealth-maatje Eric Fritsch was het, die “Never Looking Behind” produceerde. Hij zag, hoe naast de al genoemde Al Perkins (pedal & lap steel, dobro) en zijn baas (zang) ook Stuart Duncan (fiddle, mandoline), Park Chisolm (bas, akoestische gitaar, backing vocals), Matt Crouse (drums) en Sara Beck (backing vocals) acte de présence gaven. Zelf nam hij werk op de elektrische gitaar, banjo, mandoline, piano, orgel en Wurlitzer voor zijn rekening.

Trek uit het voorgaande echter vooral geen verkeerde conclusies! Het zijn zeker niet alleen de songs van anderen die de fraaie stem van Boggs het best tot hun recht laten komen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de knappe, levendige Americana van “Share Them With You”, naar de rustige countryballades “Wrong Last Name” en “Stars In Your Eyes” of het ingehouden rootsrockende “Why Don’t You Say It” en laat je net als ons snel van het tegendeel overtuigen. Boggs heeft kortom gewoon alles mee: ze ziet er niet alleen geweldig uit, ze heeft bovendien ook een dijk van een stem en schudt met gemak een knap liedje uit de pen. Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn…

Reagan Boggs

Amazon

 

 

WRINKLE NECK MULES

“Pull The Brake.”

(Shut Eye Records)

(4) J J J J

 

 

 

Wij kunnen ons zeer goed voorstellen, dat nogal wat mensen na “Minor Enough”, hun voortreffelijke debuutplaat uit 2003, en het EP’tje “Liza” van enkele maanden geleden vol ongeduld hebben zitten uitkijken naar deze tweede full CD van de Wrinkle Neck Mules. Andy Stepanian (zang, gitaar, mandoline), Mason Brent (zang, gitaar, mandoline, pedal steel), Brian Gregory (zang, bas), Stuart Gunter (drums) en Chase Heard (zang, gitaar, banjo) brengen dan ook zo ongeveer alles wat een alt. country-hart maar verlangen kan. De vijf combineren bluegrass met elementen uit country en (roots)rock en belanden zo vrijwel terloops in het kielzog van groepen als Uncle Tupelo en The Gourds. Met knappe, nu eens wat meer richting bluegrass, dan weer eerder naar alt. country neigende songs, waarin elektrische gitaren, banjo’s en mandolines voortdurend elkaars beste vrienden blijken bekoren Stepanian en co ruim een uur lang. Voor de spreekwoordelijke kers op de taart zorgt Bonnie “Prince” Billy. Hij maakt zijn opwachting in het ingetogen “Lowlight”, meteen ook één van de absolute hoogtepunten op dit in zijn geheel uitstekende album.

Wrinkle Neck Mules

Shut Eye Records

CD Baby

 

 

(LAUGHING) GRAVY

“Goat”

(Folkwit Records)

(3,5) J J J J

 

 

Ook in het Verenigd Koninkrijk neemt de aandacht voor met genres als alt. country en Americana flirtende platen alsmaar toe. Dat bewijst de gestaag toenemende stroom aan materiaal die ons ook vanuit die hoek bereikt overvloedig. Zo belandde deze week nog een stapeltje door het nog relatief jonge label Folkwit Records uitgebrachte dingen op onze schrijftafel. Veruit het interessantste schijfje daarvan bleek “Goat” van (Laughing) Gravy, een groep gevormd door singer-songwriter Charlie “Bones” Stewart (zang, akoestische gitaar, harmonica) en diens maten Paul “Dank” Bishop (akoestische en elektrische banjo’s), Micky Danby aka Mr. Beam (backing vocals, akoestische bas, conga’s, “bierflesje-op-radiator”) en Trevor King “Bo” (drums). Op “Goat” realiseert dat viertal zo ongeveer de ideale kruisbestuiving van Waitsiaanse rammelblues, roots rock à la Sixteen Horsepower zaliger en Americana van het type van de Be Good Tanyas. Als hun voornaamste troeven daarbij mag je zondermeer de rauwe voordracht van kopstuk Stewart en het ronduit geweldige banjowerk van Bishop aanstippen.

“Goat” is een lekker gevarieerd geheel, dat voortdurend heen en weer laveert tussen behoorlijk uit de bocht gaande bluesy escapades en rustiger materiaal, waarin invloeden uit zowel Americana, folk als jazz aanwijsbaar blijken. Bijzonder knap gedaan!

(Laughing) Gravy

Folkwit Records

 

 

ANE BRUN

“Duets”

(DetErMine Records / V2)

(3,5) J J J J

 

 

Veel meer dan een tussendoortje moet je achter het nieuwe album van Ane Brun niet zoeken. De plaat bestaat zoals de titel dat al laat vermoeden uitsluitend uit duetten. Die nam de Noorse gespreid over een periode van ongeveer een jaar met tien telkens andere partners op. Sommige ervan verschenen overigens al eerder op plaatwerk van anderen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het met Lars Bygdén gebrachte “This Road”, voor de met Liv Widell opgenomen Sam Brown-cover “Stop” en voor “Song No. 6” met Ron Sexsmith. De overige songs, samenwerkingen met respectievelijk Syd Matters, Madrugada, Teitur, Ellekari (The Tiny), Tingsek, Tobia Fröberg en Wendy McNeill, zijn stuk voor stuk nieuw. Het betreft daarbij veelal eerder introvert singer-songwritermateriaal met vrij hoge pop-folk-inslag. En Brun blijkt bij de keuze van haar duetmaatjes een bijzonder gelukkige hand te hebben gehad. Haar naar het ijle neigende stem kleurt immers wondermooi bij die van alle andere betrokkenen. Vooral het met de heren van Madrugada gebrachte “Lift Me”, de voorzichtige Americana van “This Road”, haar samenwerking met Lars Bygdén, en het breekbare “Love & Misery” met Tobias Fröberg zijn wat ons betreft echte blijvertjes.

Ane Brun

V2 Records

 

 

ROBINELLA

“Solace For The Lonely”

(Dualtone / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

 

RobinElla Contreras is een zeer eigenzinnige tante. Het blijkt dan ook zo goed als onmogelijk om haar muziek in het één of andere netjes omlijnde hokje onder te brengen. Haar credo? Doen wat ze wil, wanneer ze dat ook maar wil. Desnoods zelfs binnen één en hetzelfde liedje. Pop, funk, country, bluegrass, mountain folk, hot jazz, je kan het zo gek niet bedenken of je komt het op haar nieuwe CD “Solace For The Lonely” wel ergens tegen. Dat die CD desondanks toch uitgroeide tot één coherent geheel is grotendeels te wijten aan de vocale krachtpatserijen van La Contreras zelf. Nog meer dan op haar doorbraakplaat “RobinElla And The CC Stringband” klinkt ze hier bij momenten als een soort van eigentijdse uitvoering van Billie Holiday. Wellicht óók omdat ze zich bij de instrumentale invulling van de liedjes op die nieuwe CD wat minder nadrukkelijk aan akoestische instrumenten en strijkers heeft vastgehouden. De inbreng van bijvoorbeeld een Rhodes, een piano, een pedal steel, wat meer percussie ook, zorgt ervoor dat RobinElla’s nieuwe een stuk voller klinkt dan zijn voorganger. Het is dan ook volop genieten geblazen bij zo uiteenlopende hoogstandjes als de kabbelende Americana van “Down The Mountain”, het atmosferische “Press On”, het in jazz gedrenkte titelnummer, de mountain folk van “Whippin’ Wind”, de perfecte roots pop van “Come Back My Way”, de knappe Melanie-cover “Brand New Key” of het countrywalsje “Teardrops”. Deze plaat scheert duidelijk niet voor niets al enkele weken hoge toppen in de AMA Chart.

RobinElla

Dualtone

Bertus

 

 

WILLIE NELSON

“You Don’t Know Me”

(The Songs Of Cindy Walker)

(Lost Highway / UMG)

(3,5) J J J J

 

 

Van good old Willie Nelson verscheen sinds hij onderdak vond bij het Lost Highway-label van Lucinda Williams al een hele karrenvracht aan nieuwe platen. Jammer genoeg waren die lang niet allemaal van een kwaliteit zijn naam waardig. Met als absoluut dieptepunt de vorig jaar op de markt gebrachte flirt met reggae “Countryman”. Neen, geef ons dan maar zijn nieuwste, het volop in nostalgie zwelgende “You Don’t Know Me”. In een productie van Fred Foster (zie ondermeer ook Roy Orbison, Dolly Parton en Kris Kristofferson) covert Nelson daarop naast het vooral in de uitvoering van Eddy Arnold bekende titelnummer deuntjes als “Bubbles In My Beer”, “Cherokee Maiden”, “Miss Molly” (alle drie Bob Wills), “The Warm Red Wine” (Ernest Tubb), “I Don’t Care” (Webb Pierce), “Don’t Be Ashamed Of Your Age” (Ernest Tubb & Red Foley), “Take Me In Your Arms And Hold Me” (Eddy Arnold) en “It’s All Your Fault” (Wade Ray), stuk voor stuk nummers stammend uit de koker van de ergens halverwege de vorige eeuw zeer in trek zijnde liedjesschrijfster Cindy Walker. En hij doet dat met bijzonder veel flair. Zich daarbij ondermeer in de rug gesteund wetend door Johnny Gimble, zelf ooit nog aan de slag als fiddler bij Bob Wills, pedal steel ace Buddy Emmons, streekgenoot Radney Foster, de legendarische Jordanaires en een hele stoet aan op vanuit Nashville gelanceerde platen als “usual suspects” opvallende namen wisselt Nelson relaxt swingende momenten af met stijlvol balladewerk. Daardoor ontstaat een album waarvan de man onlangs zelf nog beweerde dat het een soort van countryversie van zijn in ’78 verschenen collectie pop standards “Stardust” was. Een knap eerbetoon aan Walker is het alleszins. En een verademing na “Countryman” al evenzeer…

Willie Nelson

Lost Highway Records

 

 

RHONDA TOWNS

“I Wanna Be Loved By You”

(Dawn Records)

(2) J J

 

 

 

“I Wanna Be Loved By You” is het soort van countryplaat waarvoor wij hier met plezier de neus ophalen. Commerciële mooizingerij is het, waarbij zo goed als elk greintje aan echte emotie vakkundig uit de weg wordt gegaan. Traditional country with a modern flair? Laat ons niet lachen! Dit is gewoon materiaal waarmee men je dezer dagen in Nashville dood gooit. Dat aldaar behoorlijk populaire producers als Harold Shedd, Norro Wilson en Jim Cotton zich maar wat graag over deze schone ontfermden, spreekt wat dat betreft trouwens boekdelen. Dit kan zo naast iets van pakweg LeAnn Rimes in de rekken… Enkele gelukkige uitzonderingen zijn het zwaar naar de late 70’s lonkende meezingertje “Plenty More Love”, het voorwaar zelfs voorzichtig “tonkende” “Go On With Yourself” en de met verve gebrachte sleper “I’ve Heard The Wind Blow Before”. Daarin laat Towns horen, dat ze mits een wat betere repertoirekeuze misschien wél tot mooie dingen in staat moet worden geacht.

Volgendeuh!!!

Rhonda Towns

 

 

H.T. ROBERTS

“Acres Of Time”

(Misty-Music House / LC Music)

(4) J J J J

 

 

H.T. Roberts was ons tot op heden vooral bekend als de man die samen met ondermeer ook Lieven Tavernier, Bruno Deneckere en Derek aan de wieg stond van het eclectisch ingestelde Gentse gezelschap Het Gespuis. Dat hij met “Following The Buffalo”, “King Of The Rooftops” en “Second Thoughts” ook reeds drie platen voor eigen rekening had ingeblikt was ons gewoon compleet ontgaan. Doodjammer! Roberts blijkt immers een talent van een voor ons land hoogst uitzonderlijk kaliber. ’s Mans nieuwe CD “Acres Of Time” puilt werkelijk uit van de songs waarvoor groten uit het wereldje der singer-songwriters als een John Prine, een Guy Clark, een Jerry Jeff Walker of zelfs een Dylan zich absoluut niet zouden schamen. Heerlijk melodieuze dingen zijn het, die bovendien gezegend blijken met teksten om u tegen te zeggen. Country en de alt.-variant daarvan van een niveau waarvoor zo menig een Amerikaanse tegenvoeter met plezier zijn arm zou geven.

De hoogtepunten? Om te beginnen het heerlijk twangende “Saints And Outlaws”, een met de tong stevig in de wang geplant gebrachte ode aan The King, Hank en Jezus. Maar zeker ook dingen als de sfeervolle ballade “Lou-Ellen”, de Border country van het titelnummer, het door Gijs Hollebosch met een zalig streepje dobro opgewaardeerde “Chilly Autumn Daybreak”, het Dylaneske “The Road To Damascus” en de werkelijk betoverende cover van het door Scott Davis gepende en vooral in de uitvoering van Elvis bekende “In The Ghetto”.

Americana niet leefbaar in België? Laat ons niet lachen! Na de nieuwe Grand Theft is “Acres Of Time” van H.T. Roberts binnen enkele weken tijd alweer het tweede uitstekende voorbeeld om juist het tegendeel mee te bewijzen.

H.T. Roberts

LC Music

 

 

LAMBCHOP

“The Decline Of The Country & Western Civilization (1993-1999)”

(City Slang / V2)

(3) J J J

 

 

“The Decline Of The Country & Western Civilization”, de nieuwe van Lambchop, is eigenlijk gewoon een zeventien tracks tellende retrospectieve gevuld met zeldzame songs stammend uit de periode vervat tussen 1993 en 1999. Het album verzamelt zo goed als alle vroege (en ondertussen eerder moeilijk verkrijgbare) singles van Kurt Wagner en co en een stel vooralsnog onuitgegeven nummers. Materiaal van ten tijde van zulke albums als “I Hope You’re Sitting Down”, de cult-klassieker “How I Quit Smoking”, “Hank”, “Thriller” en “What Another Man Spills”, platen waardoor die van Lambchop in no time tot de chouchous van heel wat critici en liefhebbers van indie-materiaal wisten uit te groeien. Op de daarvan getrokken singles lieten ze zich creatief nogal eens gaan, wat tot aardig van de albumoriginelen afwijkende versies leidde. Vaak mijlen ver verwijderd nog van het gestroomlijnde geluid waardoor hun voorlopig laatste worpen werden gekenmerkt. Vooral voer voor verzamelaars, nostalgici en een complete collectie ambiërende fans van het eerste uur met andere woorden, dit erg gevarieerde schijfje.

Lambchop

City Slang

V2 Records

 

 

MINOR MAJORITY

“Reasons To Hang Around”

(Big Dipper Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

“Reasons To Hang Around”, het vierde album van Minor Majority, het Noorse gezelschap rond de zoetgevooisde Pål Angelskår, wijkt eigenlijk in niet zo heel erg veel af van zijn voorganger, het van vorig jaar daterende “Up For You & I”. Simon & Garfunkel, de akoestische Neil Young, Tindersticks en Hobotalk vormen ook ditmaal weer de meest voor de hand liggende referentiepunten voor de vaak nagenoeg in melancholie verzuipende (liefdes)liedjes van Angelskår en co. Typische herfstmuziek noemden we hier wat de Noren op hun vorige CD brachten, maar dat mag toch wel een beetje worden bijgesteld. Ook als soundtrack bij een ondanks nog behoorlijk venijnige koudeprikken toch stilaan op zijn einde lopende winter doen deze liedjes wonderen. Akoestisch van opzet, maar dan wel met een scherp randje, vonden we eerder. Wat dat betreft veranderde er niet al te veel. Akoestische gitaren en strijkers mogen voor Angelskår en zijn maats dan nog altijd het basisinstrumentarium vormen bij het realiseren van hun muziek, door het gedoseerd inzetten van een aantal elektrische – En andere! – instrumenten houden ze het allemaal lekker spannend. Wij vinden dit dan ook een mooie plaat.

Minor Majority

Sonic Rendezvous

 

 

MIKE GUNTHER & HIS RESTLESS SOULS

“Burn It Down For The Nails”

(Rosa Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Enkele jaren geleden waren wij aan deze kanten “one of the lucky few” om kennis te mogen maken met “Every Dream That’s Dropped And Died”, het debuut van de uit de buurt van Minneapolis afkomstige Mike Gunther, een singer-songwriter van zeg maar het originelere soort. En wij waren – En da’s nog zacht uitgedrukt! – serieus onder de invloed van die plaat. Het doet ons dan ook enorm veel plezier om vast te stellen, dat de beste man op voorspraak van de hier ook al op handen gedragen Ben Weaver onderdak heeft gevonden bij het nog jonge Nederlandse label Rosa Records. Op die manier zullen ook in Europa woonachtige liefhebbers van “het betere lied” eindelijk een stuk makkelijker met ‘m kennis kunnen maken.

Gunther grossiert op zijn nieuwe CD “Burn It Down For The Nails” in pakkende songs, die volop verwijzen naar het volstrekt tijdloze materiaal van grootheden als Robert Johnson, Hank Williams, Captain Beefheart en Tom Waits. Met dat laatste tweetal deelt hij naast een naar het schorre neigende stem ook een zeer eclectische kijk op muziek maken, met de eerste twee naast de gave een puntgaaf liedje af te leveren een zekere hang naar genres als blues en country. Toch is die nieuwe plaat van Gunther zeker geen blues- of countryplaat in de strikte zin van het woord. Je vindt immers even goed elementen uit rock (& roll), soul, gospel en andere genres terug in het eigenzinnige brouwel dat hij ook ditmaal weer aflevert.

Beklijvend is het woord dat het best past bij ’s mans naar het maniakale neigende songs, die ‘m als de logica een beetje gerespecteerd wordt hier weldra fans bij bosjes zullen gaan opleveren.

Mike Gunther

Sonic Rendezvous

 

 

SETH KAUFFMAN

“Ting”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

“Ting”, het solodebuut van de van zijn werk bij roots-soul band The Choosy Beggars bekende Seth Kauffman, is nu niet meteen het soort van plaat dat je verwacht van een label als Hightone Records. Country, singer-songwriters, rockabilly en blues vormen immers de specialismen van dat huis van vertrouwen en Kauffman hoort strikt genomen eigenlijk in geen van die vier vakjes echt thuis. Akkoord, elementen uit een aantal van die stijlen – vooral delta blues dan - zitten zeer nadrukkelijk verwerkt in de muziek op “Ting”, maar als geheel staat dat album toch eerder voor het soort van muzikale spielereien waarvoor iemand als Beck door velen op handen wordt gedragen. Daarvoor zorgt een kruisbestuiving met talloze andere genres, waaronder rock, jazz, soul, Afro en Latin. Zij het dan wel allemaal vanuit een wat meer rootsgeoriënteerd perspectief dan bij Beckmans. De platenfirma spreekt van “lo-fi North Carolina funk”. Een term die eigenlijk alleen nog maar meer onderlijnt, dat Kauffman in zijn muziek maar moeilijk voor één gat te vangen blijkt. Knap is alleszins, dat hij werkelijk alles in zijn eentje deed. Hij schreef alle songs, bespeelde alle instrumenten – En dat zijn er nogal wat! - en tekende ook zelf voor de productie.

Seth Kauffman

Hightone Records

Sonic Rendezvous

 

 

CALEXICO

“Garden Ruin”

(Quarterstick / City Slang / V2)

(4) J J J J

 

 

Van een verrassing gesproken! Die van Calexico leveren met “Garden Ruin” de zondermeer meest toegankelijke plaat uit hun bestaan af. “Not Even Stevie Nicks” van het in 2003 verschenen “Feast Of Wire” had het al voorzichtig laten doorschemeren: de heren Convertino en Burns hebben wel degelijk een alleraardigste pop song in de vingers. En met hun nieuwe CD verkennen ze dat totnogtoe door hen vrijwel onbetreden gebied ten volle. In een productie van de ondermeer ook om zijn werk met Richard Buckner bekende J.D. Foster strooit het duo met liedjes die over een vrij hoge aaibaarheidsfactor beschikken. Luister bijvoorbeeld maar eens naar iets als het bevreemdend mooie openingsnummer “Cruel”, wat duidelijk minstens evenveel met de rijke Britse songwritertraditie als met hun Americana van voorheen gemeen heeft. Of naar het ingetogen, zwaar op een met veel gevoel betaste akoestische gitaar leunende “Yours And Mine”. Of naar het naar hun thuishaven vernoemde “Bisbee Blue”, een popliedje op z’n Crowded House, waarin enkel een verdwaalde banjo nog af en toe naar het verleden van de band verwijst. Wedden dat radiomakers zich zullen verdringen om dit kleinood zelfs maar in hun programma’s te mogen draaien? En dat geldt best wel voor meer van de hier geserveerde delicatessen: we denken dan in eerste instantie aan het delicate “Panic Open String”, aan het qua sfeer opnieuw aan Neil Finn en co herinnerende “Lucky Dime” en aan de door een horde blaffende, maar net niet bijtende gitaren aangejaagde en in meer dan één opzicht naar de jaren tachtig verwijzende bloednerveuze rocker “Deep Down”. Het oude Calexico waart dan weer wel nog zeer nadrukkelijk rond in spul als “Roka (Danza De La Muerte)”, een beurtelings met de enkels diep in brandend woestijnzand geplant en gekruist over elkaar rustend op een bestoft tafeltje in de één of andere schaars bevolkte cantina in het diepe Zuiden van de States gebrachte licht jazzy sleper - inclusief Spaanse zang (van Amparo Sanchez van Amparanoia) en mariachi-trompetjes, of wat dacht u! En ook “Nom De Plume”, met zijn spaghetti-western-versus-chanson-instelling, biedt een aanknopingspunt. Al lalt de Morricone in kwestie dan ook een aardig potje belegen Frans.

Al bij al echter een behoorlijk indrukwekkende koerswijziging! En opnieuw een grote plaat…

Calexico

City Slang

V2 Records

 

 

BRUCE ROBISON

“Eleven Stories”

(Sustain Records)

(4) J J J J

 

 

Bruce Robison is een hele grote meneer. Letterlijk en figuurlijk dan. De boomlange Texaan is immers een fenomenale songmid. Hij is één van de weinigen die erin slaagt om telkens weer met materiaal op de proppen te komen dat het zowel in commerciële middens als bij liefhebbers van “the real deal” goed doet. Als hij zijn liedjes zelf brengt hangt half Texas geboeid aan zijn lippen, als countrysterren als Tim McGraw, Garth Brooks, de Dixie Chicks of Lee Ann Womack zich eraan wagen begint men in Nashville alvast z’n dollars te tellen.

’s Mans nieuwe CD is opnieuw een uitstekende illustratie bij die stelling. Dat van de veelzeggende titel “Eleven Stories” voorziene schijfje staat immers weer vol met songs waarin Robison op onnavolgbare wijze het leven van alledag met al zijn snikken en grimlachjes portretteert. Emoties en gevoelens, daar draait het hier allemaal om. Om vreugde en pijn en alles wat daar tussenin vervat ligt. En wat Robison doet afsteken tegen heel wat van zijn collega’s is dat hij daarbij “het grote gebaar” voortdurend uit de weg weet te gaan. Simpelheid wordt door de man uitgespeeld als een troef, niet als een beperking.

Je kan er dan ook donder op zeggen, dat enkele van de songs op “Eleven Stories” binnenkort wel weer door de één of andere countrygrootheid uit Nashville de charts zullen worden ingezongen. Keuze genoeg hier! Bijzonder mooi zijn de als duet met zijn wederhelft Kelly Willis gebrachte en nagenoeg in zijn eigen hartzeer verzuipende traditionele sleper “More And More”, het soulvolle “Don’t Call It Love”, de swingende honky-tonk van “You Really Let Yourself Go”, het confessionele “I Never Fly”, het losjes uit de pols gebrachte “Kitchen Blues” en het zijn titel alle eer aandoende en bij momenten volop aan de altijd goed gevulde balzalen van weleer herinnerende “Bandera Waltz”.

Très joli!

Bruce Robison

Sustain Records

 

 

DRIVE-BY TRUCKERS

“A Blessing And A Curse”

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

 

Zonen van het Zuiden de Drive-By Truckers consolideren met hun zevende CD “A Blessing And A Curse” hun positie aan de top van het Americana-gebeuren afdeling rockzaken. Gelijk van bij de al een poosje als gratis download via het internet aangeboden opener “Feb 14” wordt duidelijk dat Pattersoon Hood en kompanen in de vorm van hun leven verkeren. Sporen van de Replacements in hun beste dagen zijn daarin à volonté aanwijsbaar. Heerlijk twangende gitaren vervolgens in “Gravity’s Gone”, waarmee de vijf Southern rockers volop lijken te solliciteren naar wat meer radio airplay, ook in de piekuren. En wat te denken van de vlammende gitaren die het bij de beesten af rockende “Easy On Yourself” vakkundig aan stukken rijten? Of van de bij de Faces in de leer geweest zijnde lap vitaliteit die “Aftermath USA” is? Messcherpe, hookbeladen songs zijn het, zoals zo ongeveer alles wat hier wordt gebracht. Materiaal dat gewoon schreeuwt om nog vettere live-uitvoeringen. Belooft dus voor hun nakende doortocht doorheen de lage landen.

De sterkste songs hier zijn op de keper beschouwd net die, waarin de dood op de één of andere manier in de ogen wordt gekeken: de de luxe rocker “Wednesday”, waarin een man een vrouw verliest, “Little Bonnie”, over een lang geleden overleden nichtje, het ingetogen “Space City”, waarin Mike Cooley verhaalt over zijn eigen grootvader en de door die man geleverde strijd na de dood van zijn vrouw, en “A World Of Hurt”, een verbale kruistocht tegen suïcidale neigingen. Klinkt allemaal behoorlijk somber en deprimerend, niet? Toch is de ondertoon van “A Blessing And A Curse” er eerder één van hoop, van strijdvaardigheid. De woorden op de laatste bladzijde van de inlay zijn in die optiek bijzonder veelzeggend: “It’s great to be alive!”

Drive-By Truckers

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

SOUTHERN CULTURE ON THE SKIDS

“Doublewide And Live”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

De - omdat dat nu eenmaal een stuk makkelijker bekt - door de jaren heen steeds vaker tot SCOTS herdoopte Southern Culture On The Skids zijn één van de opwindendste momenteel in het Americana-circuit actieve bandjes. Dat wordt met de nieuwe live-CD “Doublewide And Live” andermaal lekker vet onderstreept. Dat verspreid over een drie dagen durende “sessie” in hun stamclub Local 506 in Chapel Hill, NC ingeblikte geheel is één langgerekte naar zweet en bier stinkende, lillende lap rock & rollvlees, gedrenkt in een dikke jus van rockabilly, surf, country en blues. De SCOTS racen werkelijk aan een rotvaart doorheen songs uit zowat elk stadium van hun carrière. Het resultaat is een regelrechte aanslag op dansgrage benen. Probeer zelf maar eens stil te blijven zitten bij heerlijke “kontschudders” als het Diddley-eske “Whole Lotta Things”, het met een Tex-Mex-pepertje in de pijnlijke reet rondhuppelende “Liquored Up”, power country genre “Cheap Motels”, zich in een poel van moddervette surfgitaren rondwentelende wilde schoonheden als “The Wet Spot” en “Doublewide”, het met een shot R&B geïnjecteerde “Come & Get It”, een bloedgeile boogie als “Mojo Box” of het mede door Mary Huffs zang als de B-52’s onder rocksteroïden klinkende “Hittin’ On Nothin’”. Zó en niet anders hoort een live-plaat dus te klinken! De opwinding is hier gewoon tastbaar…

Voor wie na de zestien tracks op de reguliere CD niet volstaan is er trouwens ook nog een speciaal verpakte deluxe-versie met naast drie bonus tracks ook videomateriaal.

SCOTS

Yep Roc Records

Sonic Rendezvous

 

 

MISS MARY ANN & THE RAGTIME WRANGLERS

“Rock It On Down To My House”

(Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Miss Mary Ann is één van die alsmaar schaarser wordende écht authentieke talenten waar je als Belg de Nederlanders wel moet om benijden. De voorheen vooral als één helft van de wereldwijd gerespecteerde Ranch Girls bekendheid genietende zangeres gaat tegenwoordig voor eigen eer en glorie. Daarbij laat de “Hollandse” schone zich bijstaan door Sietse Heslinga (drums, percussie, backing vocals), Huey Moor (bas, backing vocals) en Joe Sixpack (gitaar, steel, backing vocals) aka The Ragtime Wranglers en speciale gasten als Carl Sonny Leyland (piano) en Jeremy Wakefield (steelgitaar). Haar nieuwe CD “Rock It On Down To My House” maakt – om maar meteen met de deur in huis te vallen - zijn titel meer dan waar. Eén groot rock & roll- en rockabilly-feest is het, een open invitatie om je luie krent terstond richting de dichtstbijzijnde dansvloer te reppen en er de benen eens flink los te gooien. Daarbij duikt Miss Mary Ann terloops zo menig een obscuur pareltje uit het verleden op. Prachtig gewoon hoe ze met die klok van een stem van d’r swingende “ditties” als Justin Tubbs “Rock It On Down To My House”, Peggy Uptons “Sweet Sugar Booger” of Clifford Croffords “What Am I Doing Here” – Met prachtige “doo-wahs” van de Wranglers! – naar haar hand weet te zetten. Voor de variatie worden verder ook genres als country (Faron Youngs “Forget About The Past” en George Jones’ ballade “Don’t Stop The Music”), R&B (het door Henry Glover geschreven “Watchdog”) en jazz (Big Maybelle’s “Tell Me Who”) aangedaan. Speciale aandacht graag ook voor “Don’t Lie To Me”. Dat is het enige hier door Miss Mary Ann zelf aangedragen liedje, een fabuleuze snelle jiver en zondermeer één van de sterkste nummers van de plaat. Moest ze dus dringend maar eens meer gaan doen, dat zelf schrijven!

Grote, grote klasse!

Miss Mary Ann

Sonic Rendezvous

 

 

THE EARL BROTHERS

“Troubles To Blame”

(Big Hen Music)

(4) J J J J

 

 

Ondanks het feit dat hun muziek meer dan eens zeer levendige herinneringen oproept aan traditionele genregrootheden à la de Stanley Brothers hoort het reeds met termen als “honky-tonk bluegrass”, “hillbilly gothic” en “neo-traditional” omschreven werk van de Earl Brothers veeleer thuis in het hokje waarin ook collectieven als Chatham County Line en de Old Crow Medicine Show een plaatsje vonden dan tussen de Gibson Brothers en de Blue Ridgen van deze wereld. Het door Bobby Earl Davis (lead vocals, banjo) en John McKelvy (lead vocals, gitaar) volledig eigenhandig aangedragen oeuvre van de groep staat met één voet nog stevig in het verleden en met de andere al volop in de toekomst. Samen met Larry Hughes (mandoline, zang) en Josh Sidman (bas, zang) creëren ze een geluid dat weliswaar nog stoelt op wat hen door traditionele rolmodellen werd aangereikt maar dat tegelijk ook een stuk wilder en dus gewaagder overkomt. Het is onmiskenbaar nog bluegrass maar dan wel aangelengd met een serieuze geut country en hier en daar zelfs blues. Vocaal vuurwerk gegarandeerd als deze vier knapen in hun zwarte pakken uit of all places San Francisco zich rond één enkele microfoon scharen en al harmoniërend hun vaak gitzwarte teksten ten gehore brengen. Titels als “Oh Death Is Calling Me”, “Rattlesnake Poison” en “Dreadful Days” zijn wat dat betreft trouwens veelzeggend. Een goede raad daarom: vooral snel aanschaffen deze opvolger van “Whiskey, Women & Death”, het al in 2004 verschenen debuut van de heren, je wil ‘m immers echt niet missen!

The Earl Brothers

CD Baby

 

 

LILA DOWNS

“La Cantina”

(Narada / Virgin / EMI)

(3,5) J J J J

 

 

Vorig jaar ging Lila Downs al aan de haal met een Latin Grammy en het zou ons absoluut niet verbazen mocht ze dat huzarenstukje dit jaar nog eens kunnen overdoen. Met “La Cantina – Entre Copa Y Copa…” trekt ze alvast goed gewapend ten strijde. Dat nieuwe album is een soort van eerbetoon aan de muziek waarmee ze vooral dankzij haar moeder opgroeide. De Mexicaans-Amerikaanse zangeres springt daarbij zeer creatief om met het muzikale erfgoed van haar land van herkomst. De cumbias, rancheras en andere Tex-Mex-varianten waarmee ze hier uitpakt klinken een pak minder traditioneel - zeg maar oubollig - dan dat bij anderen vaak het geval is. Downs zocht en vond de gouden middenweg tussen traditie en vernieuwing. Door knapen als Flaco Jimenez (accordeon), Max Baca (bajo sexto, bas, drums) en Michael Ramos (keyboards, accordeon) in te schakelen tijdens de opnames van haar nieuwe album wist ze zich daarbij alvast van de juiste back-up te verzekeren. Het zijn echter niet alleen het eeuwig frisse accordeonspel van El Flaco of de bijdragen van Baca en Ramos die dit deels in New York, deels in Mexico City, deels in San Antonio, deels in Austin opgenomen album tot het aparte geheel dat het is maken. Naast de diepe, maar vertederende stem van Downs zelf zijn het eigenlijk vooral de “kleine technische ingreepjes” waarmee hier te pas en te onpas wordt uitgepakt die het onderscheiden van het gros van de in het genre verschijnende platen. Vreemde geluidjes, al even weirde effecten, gesproken stukjes, zelfs een flard rap, het kan op “La Cantina” echt allemaal. Bepaald niet “your typical Tex-Mex” dus, maar daarom zeker niet minder aantrekkelijk.

Lila Downs

Narada

EMI

 

 

HONKY TONK DISCIPLES

“Honky Tonk Disciples”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

Door de huidige stortvloed aan releases van grote namen uit het genre zou je voorwaar compleet uit het oog gaan verliezen dat ook door wat kleinere acts nog nieuwe platen worden afgeleverd. Niet dus! Een mooi voorbeeld daarvan vormt de titelloze, vijf songs tellende debuut-EP van de Honky Tonk Disciples, een viertal uit Louisiana. De groepsnaam geeft al voorzichtig aan dat het kwartet bepaald niet vies is van een flinke scheut traditionele country à la een Buck Owens of een Hank Williams. Maar door de aders van Michael Howes (zang, elektrische en akoestische gitaren, percussie), Danny Bond (leadgitaar en harmonica), David Hyde (bas en baritongitaar) en Randy Colona (drums) stroomt wel degelijk ook rock & roll-bloed. Luister bijvoorbeeld bij gelegenheid maar eens naar “Too Late For Me” of “Wedding Bells” en stel met eigen oren vast, dat ook een Gram Parsons of de Stones van invloed zijn geweest op de vier.

Persoonlijk wisten wij vooral de volop naar de countrydagen van weleer lonkende kant van Howes en co naar waarde te schatten. We denken dan bijvoorbeeld aan de met een leuk streepje pianowerk van “Honorary Disciple” Nelson Blanchard opgesmukte hillbilly ballad “Hard As Hell”, het aanstekelijke, maar van opzet duidelijk aan Buck Owens schatplichtige “Kissing The Bottle” en het radiogenieke “Truck Stop Girl”.

Benieuwd wat de toekomst ván en vóór deze nieuwkomers in petto houdt, dit is immers een verre van kwaad begin.

Honky Tonk Disciples

 

 

JOSH RITTER

“The Animal Years”

(V2)

(4) J J J J

 

 

Met “The Animal Years”, de titel van zijn vierde CD – na zijn titelloze debuut, het in 2002 verschenen “Golden Age Of Radio” en het magistrale “Hello Starling” van nu bijna twee jaar geleden, zinspeelt Josh Ritter openhartig op de zestien maanden volgend op de release van zijn laatste plaat, waarin het leven “on the road” zijn dagdagelijkse bestaan grondig ontregelde. Een normaal leven zat er voor de beste man in die periode gewoonweg niet meer in. Als een dier op zoek naar telkens weer een nieuwe prooi zag ook hij zich genoodzaakt om tussen een veelheid aan gigs door een soort van naar het heden vertaald primitief jagersbestaan te gaan leiden om te kunnen overleven. Slapen, eten, werken, eten, slapen, zoiets…En dat dag na dag opnieuw! Een bepaald vreemde gewaarwording voor een nuchtere knaap als Ritter.

Met “The Animal Years” breekt Ritter op vrij resolute wijze met zijn muzikale verleden. Het voornamelijk folkgeoriënteerde geluid van de voorgangers van die nieuwe plaat moest plaatsruimen voor een veel vollere pop en rock sound. Daarbij vakkundig bijgestaan door de recentelijk ook al wonderen voor Iron & Wine verrichtende producer Brian Deck kiest Ritter hier en nu voor een aanpak die hem in hetzelfde straatje als pakweg Bright Eyes of Wilco doet aanbelanden. Uitgangspunt blijven vanzelfsprekend nog wel ’s mans als vanouds geweldige songs, maar daarin blijkt nu ook een prominente rol weggelegd voor moderne elektronica, Hammond, piano en vooral ook elektrische gitaren.

In thematisch zwaar geladen songs als “Girl In The War” en “Thin Blue Flame” – wellicht niet geheel toevallig ook twee van de sterkste liedjes van het geheel – zorgt dat ook wat het muzikale aspect betreft voor de broodnodige spanning. In het eerste, een echt juweel van een popdeun, gaat Ritter in op de voor het Westen alsmaar reëler wordende dreiging ten gevolge van het aanslepende Midden-Oosten-conflict. In het tweede formuleert hij honderduit zijn visie op een wereld die mede door toedoen van religieus fanatisme aan een rotvaart naar de kloten dreigt te gaan.

Duidelijk niet meer de romantisch ingestelde Ritter van weleer dus, maar daarom zeker niet minder interessant. Integendeel zelfs! Dit zou best wel eens de plaat kunnen blijken waarmee hij eindelijk zijn grote doorbraak forceert.

Josh Ritter

V2 Records

 

 

TOM RUSSELL

“Love & Fear”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Dat de nieuwe CD van Tom Russell anders zou gaan klinken dan de rest van zijn recente output, daar kon je al vanaf het moment dat bekend raakte dat hij met producers Gurf Morlix (Lucinda Williams, Mary Gauthier, Ray Wylie Hubbard, e.v.a.) en Mark Hallman in zee was gegaan van op aan. Die Morlix heeft nu eenmaal de gewoonte om zijn stempel te drukken op projecten waar hij bij betrokken wordt. Echt verbazen deed het ons dan ook niet om Russell in het openingsnummer van “Love & Fear”, “The Pugilist At 59”, voorzichtig de heartlandrocktoer op te horen gaan, of hem vervolgens zo ongeveer op zijn Robbie Robertsons “Beautiful Trouble” te weten declameren. Zelfs aan het door Joel Guzman van een frisse streep accordeon voorziene en aanvankelijk wel nog een weinig aan ’s mans folkverleden herinnerende rockertje “Stealing Electricity” voel je dat ook Russell zelf wel eens wat anders wou. Enkel in dingen als het broze, in duet met Gretchen Peters gebrachte “The Sound Of One Heart Breaking”, het al even ingetogen “It Goes Away” of “Stolen Children” waart nog enigszins de geest rond van de Texaanse singer-songwriter zoals we die door de jaren heen steeds meer waren gaan appreciëren. Maar daar staan dan ook onmiddellijk weer een stel totaal andere dingen tegenover als de gemeen bekkende bluesy rocker “Four Chambered Heart”, het over een wijds nagalmende gitaar neergelegde “All The Fine Young Ladies” en het nogal nadrukkelijk naar late night jazz ruikende “Old Heart”.

Duidelijk anders dan anders dus, maar wél opnieuw een heel mooie en voor één keer ook heel erg persoonlijke plaat en ook dat verwondert ons van Tom Russell eigenlijk helemaal niet.

Tom Russell

Hightone Records

Sonic Rendezvous

 

 

WILLY CLAY BAND

Rebecca Drive

(Blackstone / Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

“Rebecca Drive” van de Willy Clay Band staat voor een nieuwe, alweer adembenemend goede dosis Americana “upsa Zwöds”. Het uit het Zweedse mijnstadje Kiruna afkomstige vijftal koppelt op dat in Nashville onder de productionele hoede van Will Kimbrough opgenomen album een duidelijke voorliefde voor de muziek van in de jaren zeventig furore makende acts als de Eagles, Crosby, Stills, Nash & Young of The Band aan een aantal kwaliteiten, die heel wat Amerikaanse acts dezer dagen niet meer of in veel mindere mate kunnen voorleggen. Zo beschikt de groep in Tony Björkenvall (zang, elektrische en akoestische gitaar, mandoline, piano), Björn Pettersson (zang, bas, percussie) en Reine Tuoremaa (zang, akoestische gitaar, harmonica) over drie uitstekende songwriters, die bovendien ook alle drie vocaal zeer sterk uit de hoek komen. Alle drie nemen ze een deel van de lead vocals voor hun rekening en grossieren ze in bij momenten werkelijk oorstrelend mooie harmonieën. Voeg daar nog aan toe, dat het gezelschap in Örjan Mäki (elektrische gitaar, lap steel, dobro) en Fredrik Elenius (drums, percussie) een heus snarenwonder en een uitstekende slagwerker in de rangen telt en dat er gastbijdragen worden geleverd door Garth Hudson (The Band) en pedal steel-virtuoos Bucky Baxter(Dylan, Earle, e.v.a.), en je begrijpt, dat zo goed als alle ingrediënten aanwezig zijn voor een succesvolle toekomst.

Prachtig, hoe de vijf de muziek van hun voorbeelden vertalen naar het hier en nu, maar vooral ook naar hun eigen leefwereld. Americana dus, maar dan wél opgewaardeerd met “a touch of Sweden”. “Rebecca Drive” klinkt dientengevolge ook nergens gedateerd. De bijzonder melodieuze liedjes van het hoger genoemde drietal mogen dan bij momenten al een vrij hoog Eagles-gehalte hebben, door ook een oor te luister te leggen bij hun iets minder in de ban van perfectie werkende Amerikaanse alt. country- en Americana-tegenvoeters weten de vijf hun muziek te allen tijde spannend te houden en “Rebecca Drive” groeit daardoor uit tot een echte wolk van een countryrockplaat. Graag meer van dattum!

Willy Clay Band

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

 

DROWSY

“Snow On Moss On Stone”

(Fat Cat / PIAS)

(3,5) J J J J

 

 

Met “Snow On Moss On Stone” richten we de blik op de Finse hoofdstad Helsinki, sinds kort de thuishaven van de eigenzinnige singer-songwriter Mauri Heikkinen aka Drowsy. De ondertussen drieëntwintig jaar oude Fin doet op zijn in alt. en acid folk gedrenkte tweede langspeler andermaal een geslaagde poging om aansluiting te vinden bij gerespecteerde voorbeelden als Nick Drake, Robert Wyatt en Syd Barrett. Het album herbergt net als zijn voorganger een collectie allerminst gemakkelijk toegankelijke songs, ook al focust het thematisch gezien dan ook al een stuk meer op het leven van alledag dan “Growing Green”. Heikkinen buigt zich in het gezelschap van zijn bas spelende neef Odkid (Otto Venäläinen) over onderwerpen als zijn familie, herinneringen aan zijn kinderjaren en de “schone tijd van toen”. Vooral als hij, daarbij slechts gewapend met zijn akoestische gitaar, mijmerend, bijna fluisterend op je inpraat zoals in “Hues” of “Go Well” haalt Drowsy wat ons betreft volop zijn slag thuis. Op die momenten weet je, van deze knaap horen we nog. Dan benadert hij immers niet alleen het beste van zo’n Drake, maar vindt hij ook moeiteloos aansluiting bij een momenteel erg hippe act als Iron & Wine. Doe er dus vooral je voordeel mee!

Fat Cat

PIAS

 

 

THE LANCASTER ORCHESTRA

“With Help From Absent Friends”

(Nonofon / Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

Misschien moesten we bij het voorbereiden van onze volgende vakantie de blikken toch maar eens stilaan naar het Hoge Noorden beginnen te laten afdwalen. Wat dezer dagen vanuit die hoek – en met name dan vanuit Zweden en Noorwegen – aan prachtige muziek op de wereld wordt losgelaten is immers ronduit indrukwekkend te noemen. Christian Kjellvander, Nicolai Dunger, Janove Ottesen, Thomas Denver Jonsson, Thomas Dybdahl, Mattias Hellberg, Motorpsycho, het lijstje blijft maar aangroeien…

Van de week was het bijvoorbeeld nog de beurt aan The Lancaster Orchestra om ons compleet van onze sokken te blazen. Dat enkele jaren geleden nog als een duo opgestarte collectief is ondertussen eigenlijk gewoon een one man band geworden. Calle Mathson schrijft en arrangeert immers zo goed als alle nummers, hij zingt ze zelf en hanteert ook de gitaar. Al naargelang de noodzaak daaraan omringt hij zich met steeds weer andere gelijkgestemde geesten uit de florerende Zweedse alt. country scene om zijn ideeën naar de praktijk te vertalen. Voor zijn debuutalbum “With Help From Absent Friends” liet hij The Lancaster Orchestra zo tot een tien man sterk collectief uitdijen. En dat bleek alvast ruimschoots te volstaan om met één van de mooiste platen van – het weliswaar nog relatief prille – jaar uit te pakken. Een in melancholie zwelgend meesterwerkje is het. Net als de Noor Thomas Dybdahl blijkt ook Mathson een echte meester in het creëren van herfstig aandoende sfeertjes, die je beurtelings een heel erg warm gevoel vanbinnen bezorgen en tot op de rand van een depressie drijven. Het merendeel van de negen eigen songs ontleent z’n intimistische uitstraling voor een groot stuk aan Mathsons breekbare voordracht, een met veel liefde behandelde akoestische gitaar en een al even omzichtig bespeelde piano. Enkel als dat echt nodig bleek werd er ook een beroep gedaan op instrumenten als een pedal steel, een banjo, een viool, een cello, een pomporgel, een zingende zaag, een Hammond, een bas en drums. Een benadering waaraan overigens ook de enige cover op de plaat, een quasi dronken voor zich uit gemijmerde versie van het van de Smiths bekende “Please Please Please Let Me Get What I Want”, niet ontsnapt. Enkel het door een losgeslagen banjo aangejaagde en daardoor qua uitstraling voorzichtig aan iets van Sixteen Horsepower herinnerende “Bad Horse” vormt een uitzondering op de regel. Daarin wint de ritmiek het voor één keer van de intimiteit.

In één woord: adembenemend!

The Lancaster Orchestra

Sonic Rendezvous

 

 

NEKO CASE

“Fox Confessor Brings The Flood”

(Anti / PIAS)

(4,5) J J J J J

 

 

Lucinda Williams wordt door velen – En op basis van haar stilaan indrukwekkende proporties aannemende oeuvre wellicht terecht ook! – als de onomstreden “queen of alt. country” gezien. De vraag is maar, hoe lang ze dat nog zal blijven. Wat Neko Case op haar vierde studioplaat “Fox Confessor Brings The Flood” doet, is immers danig indrukwekkend, dat ze zich wel zeer nadrukkelijk als een ernstig te nemen kroonpretendente presenteert. Case is gewoon vlees en bloed geworden verleiding. Die stem, daar kan je gewoonweg niet omheen! Wat ze er hier ook mee doet, altijd weer blijkt het goed voor een aangename opstoot van rillingen over je ruggengraat. Of het daarbij nu gaat om iets als het ingetogen swingend het kielzog van Loretta Lynn zoekende “Margaret Vs. Pauline”, het met een vocale gastbijdrage van goudhaantje Kelly Hogan opgewaardeerde en desolaat twangende “Star Witness”, het op een wolk van bij de Byrds grootgebrachte gitaarakkoorden drijvende “Hold On, Hold On”, de bevreemdende folk van “A Widow’s Toast”, de zweverige ballades “That Teenage Feeling” of “Dirty Knife”, het mede door de gitaarbijdragen van Paul Rigby en Howe Gelb als een door een schrale wind opgejaagde wolk woestijnzand op je huid striemende “Fox Confessor Brings The Flood”, de in het gezelschap van schoon volk als de heren Convertino en Burns van Calexico, snarenwonder Jon Rauhouse en Garth Hudson van The Band naar anno nu vertaalde traditional “John Saw That That Number”, het voorzichtig naar de grandeur van Etta James lonkende “Lion’s Jaws” of de spannende power pop van “The Needle Has Landed”, Case ziet de dingen hier voortdurend heel erg groots. En als ze je al niet vloert met haar geweldige stem dan doet ze het wel met haar al even innemende songs of met het kamerbrede geluid waarin deze voor de gelegenheid werden verpakt. Het woord uniek is hier wat ons betreft meer dan waar ook op zijn plaats.

Neko Case

Anti

PIAS

 

 

SAM BAKER

“Mercy”

(Bull Creek / Reckless Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Het is met het nodige schaamrood op de wangen dat we moeten toegeven, dat dit juweel van een singer-songwriter-CD ons in eerste instantie compleet ontgaan was. “Mercy” van de Texaan Sam Baker verscheen immers reeds in 2004. Wij leerden de man echter pas kennen door zijn bijdrage aan “A Case For Case”, het hier recent nog besproken eerbetoon aan Peter Case. Het toeval wil dat het door Bill Chambers en Audrey Auld gerunde Reckless Records nét nu de man onder de arm heeft genomen. En zo krijgt dit prachtalbum vooralsnog waar het al lang recht op had.

Het eerste wat opvalt wanneer je de plaat wat grondiger bestudeert zijn de zonder uitzondering extreem kort gehouden titels van de nummers. “Waves”, “Truale”, “Baseball”, “Thursday”, “Change”, “Pony”, “Kitchen”, “Iron”, “Prelude”, “Steel”, “Angels”, “Mercy” – één enkel woord blijkt voor elk van de gebrachte songs te volstaan. En dat staat eigenlijk in schril contrast met de stortvloed aan woorden waarmee Baker in zijn liedjes zelf uitpakt. Hij ontpopt zich daarin als een belezen verteller van verhalen, die zonder al te veel problemen in de voetsporen van illustere voorgangers als een Townes Van Zandt, een Guy Clark of de hier eerder al genoemde Bill Chambers zou moeten kunnen treden. Zelfs zijn wat gruizige stem valt in dat toch wel behoorlijk indrukwekkende lijstje absoluut niet uit de toon.

Bovendien mag Baker zijn ding hier doen in uitgelezen gezelschap. Voor de productie tekenden zo bijvoorbeeld al Walt Wilkins, zelf een kei van een singer-songwriter, en Tim Lorsch. En de vaste studioband bestond tijdens de opnamen van “Mercy” naast Sam Baker zelf (zang, gitaar, harmonica) uit Mike Daly (pedal steel, dobro), Ron DeLaVega (akoestische bas, cello), Mickey Grim (drums, percussie) en diezelfde Lorsch (diverse strijkinstrumenten, mandoline) en Wilkins (zang, gitaar). Het is echter vooral de guest list die indruk maakt. Daarop prijken ondermeer de namen van Jessi Colter, Stephanie Urbina Jones, Michael Kelsh, Randy Wayne Sitzler, Kevin Welch en de onvolprezen Joy Lynn White. Met die laatste tekent Baker met “Iron” voor één van de allermooiste liedjes die wij in tijden hebben gehoord. Dat nummer vertelt het verhaal van een door drank aan de pijn van zijn dagdagelijkse bestaan ontsnappende arbeider die na jaren van geruzie met zijn vrouw eindelijk het licht ziet en stopt met drinken. Aandoenlijk.

“Mercy” staat boordevol met dat soort van prachtsongs. Het is dan ook een album waarvan we nu al met zekerheid durven te stellen dat we het nog jaren zullen blijven draaien. En dat is hier lang niet zo evident, geloof ons daarin vrij…

Sam Baker

Reckless Records

 

 

ELLIOTT BROOD

“Ambassador”

(Six Shooter / Bertus)

(4) J J J J

 

 

In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden is Elliott Brood wel degelijk gewoon een bandje. Een trio meer bepaald, bestaande uit Mark Sasso (lead vocals, banjo, gitaar), Casey Laforet (gitaar, lap steel, piano, zang) en Steve Pitkin (drums, “suitcases”). Voor de opnames van z’n eerste volwaardige langspeler trok dat Canadese drietal zich enkele dagen terug in een verlaten vilbeluik. Daar ontstond een geheel dat zich in menig een opzicht laat vergelijken met het werk van het ondertussen jammer genoeg ter ziele gegane Sixteen Horsepower. Gitzwarte, gruizige neo folk, country en bluegrass bevat het, opgehangen aan de ogenschijnlijk door sloten whisky en menig een sigaretje teveel aangetaste zang van Sasso, een eigenzinnig bepotelde banjo, een dreunend orgel en een als bezeten bewerkte akoestische gitaar. “Death country” noemt de platenfirma het en daar valt eigenlijk nog niet zo heel erg veel tegen in te brengen ook. Evenmin als tegen het feit dat Elliott Brood dient te worden gezien als één van dé hotste nieuwkomers van het moment. Dit zijn indie-favorieten in wording, zoveel is nu al wel zeker…

Elliott Brood

Six Shooter Records

Bertus

 

 

THE LITTLE WILLIES

“The Little Willies”

(Milking Bull / EMI)

(3,5) J J J J

 

 

Leuke naam, leuke bende, leuke plaat… Daarmee lijkt misschien al zo ongeveer alles gezegd. Niet dus! Dit in 2003 in New York opgerichte en naar Willie Nelson vernoemde bandje telt immers ene zekere Norah Jones in zijn rangen. En die zingt hier als naar goede gewoonte weer de sterren van de hemel. In tegenstelling tot wat ze op haar eigen platen doet begeeft La Jones (zang, piano) zich hier in het gezelschap van Lee Alexander (bas), Jim Campilongo (elektrische gitaar), Richard Julian (gitaar, zang), Dan Rieser (drums), The Ordinaires (background vocals) en speciale gast Jon Dryden (orgel, accordeon) op countrygrond. Het is onwillekeurig terugdenken aan de hoogdagen van het Western swing-genre toen jazz, country en blues ook nooit ver uit elkaars buurt bleken. Hier wordt heerlijk relaxt gemusiceerd en het feit dat de groep in Norah Jones en Richard Julian liefst twee uitstekende vocalisten in haar rangen telt, doet dat alleen nog maar beter uit de verf komen. Jones en Julian nemen beurtelings de lead vocals voor hun rekening doorheen een set bestaande uit eigen liedjes en covers van classics als “Roly Poly” (Bob Wills), “I’ll Never Get Out Of This World Alive” (Hank Williams), “Love Me” (Elvis), “Best Of All Possible Worlds” (Kris Kristofferson), “No Place To Fall” (Townes Van Zandt), “I Gotta Get Drunk” (Willie Nelson) en “Streets Of Baltimore” (Gram Parsons, Bobby Bare en vele anderen). En dat gebeurt voortdurend op zo’n aanstekelijke manier, dat het voor alle betrokken partijen een bijna zekere win-win-situatie oplevert. Voor ons als luisteraars omdat we er een prachtige plaat aan overhouden, voor de Willies omdat ze zich klaarblijkelijk rot geamuseerd hebben tijdens de opnamen daarvan. Iedereen happy - case closed!

The Little Willies

EMI

 

 

JESSE DAYTON

South Austin Days”

(Stag Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

“South Austin Sessions” moet worden gezien als een soort van tussendoortje van Jesse Dayton. Eigenlijk is het niet meer dan een compilatie van studio outtakes die om uiteenlopende redenen niet op zijn eerder verschenen albums terechtkwamen. Dat wil echter absoluut niet zeggen, dat de Texaan hier met kwalitatief gezien minderwaardig materiaal zou uitpakken. Wel integendeel! Voor Dayton zelf vormen de liedjes op zijn nieuwe CD klaarblijkelijk een tip of the hat van zijnentwege aan het adres van collega’s die hem op de één of andere manier beïnvloed hebben. Zo vergast hij ons ondermeer op knappe versies van “Loretta” van Townes Van Zandt, van “Waymore’s Blues” van Waylon Jennings, van “Cornbread, Peas And Black Molassas” van Sonny Terry en Brownie McGhee, van “Why Do I Love You” van Jim Lauderdale, van ZZ Top’s “Mexican Blackbird” en van “Roadworn & Weary” van de Supersuckers. Wat minder verwachte namen zijn die van Vic Gerard (van Two Hoots And A Holler) en Herman Brock Jr., die voor de resterende vier songs verantwoordelijk waren.

Helpende handen vond hij ondermeer in Redd Volkaert, Riley Osbourn, Eric Hokkanen, Carolyn Wonderland, Casper Rawls en Bradley Jaye Williams. The usual suspects met andere woorden. En zo goed als een kwaliteitsgarantie. “South Austin Sessions” is dan ook een voldragen geheel geworden, dat werkelijk van de eerste tot de laatste noot bulkt van de voorbeeldige rootsy country, Tex-Mex en blues. Niet in de laatste plaats omdat Dayton zelf vocaal weer voortdurend het beste van zichzelf geeft. Wat een prachtige stem heeft die man toch!

Jesse Dayton

Stag Records

Sonic Rendezvous

 

 

KRIS KRISTOFFERSON

“This Old Road

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Ruim zeven jaar was het alweer geleden dat Kris Kristofferson nog eens uitpakte met nieuw plaatwerk. Dat was in 1999 met “The Austin Sessions”, een album vol met aangepaste versies van zijn eigen grootste successen. Voor echt nieuw spul moet je zelfs nóg verder terug in de tijd. Het doet dan ook bijzonder veel plezier om de man aan de vooravond van zijn zeventigste verjaardag zo bijzonder sterk uit te hoek te zien komen als dat op “This Old Road” het geval is. Hij liet zich voor die plaat bijstaan door Don Was, die koos voor een zeer sterk aan de eerste samenwerkingen tussen wijlen Johnny Cash en Rick Rubin herinnerende aanpak. Centraal staan met andere woorden de stilaan toch serieus door het leven getekende stem van Kristofferson, zijn eigen akoestische gitaar en sporadisch ook zijn mondharmonica. Als er toch al eens een extra accentje mocht worden geplaatst deed Kristofferson daarvoor een beroep op zijn longtime buddy Stephen Bruton (gitaar, mandoline, harmony vocals), drummer Jim Keltner en producer Don Was (akoestische bas, piano). Het resultaat is een zeer warme plaat, die door haar wel bijzonder intimistische karakter snel veel vrienden zal gaan maken.

Het lijkt erop, dat Kristofferson stilaan begint te beseffen, dat ook zijn einde wel eens veel dichterbij zou kunnen zijn dan hem lief is. Op zo’n korte tijd zoveel vrienden en collega’s – Vaak leeftijdsgenoten! – zien sterven laat nu eenmaal zijn sporen na. Dat hij hier regelmatig met weemoed terugblikt in de tijd lijkt ons dan ook niet meer dan normaal. Dat hij ondanks alles toch ook nog behoorlijk strijdvaardig is moge blijken uit het feit dat hij terloops ook nog de tijd vindt om kritiek te uiten op de States anno nu.

Samenvattend zou je kunnen stellen dat “This Old Road” het soort van plaat is dat enkel en alleen door artiesten op hogere – en bijgevolg rijpere - leeftijd kan worden gemaakt. Cash en Haggard deden het al met veel brio met respectievelijk hun “American”- en “If I Could Only Fly”-albums, Kristofferson stelt daar nu zijn eigen pièce de résistance tegenover. Bloedmooi gewoon!

Kris Kristofferson

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

MARTY STUART AND THE FABULOUS SUPERLATIVES

“Live At The Ryman”

(Superlatone / universal South)

(4,5) J J J J J

 

 

Waar we gisteren in verband met “Not Too Far From The Tree” van Bryan Sutton nog spraken van een al bij al wat té braaf klinkende bluegrassplaat, mogen we vandaag alweer compleet uit ons dak gaan voor een andere plaat uit dat genre. Verantwoordelijk daarvoor is good old Marty Stuart. Samen met Kenny Vaughan (gitaar), “Uncle” Josh Graves (dobro), Charlie Cushman (banjo), Stuart Duncan (fiddle), Brian Glenn (akoestische bas) en Harry Stinson (drums) oftewel The Fabulous Superlatives wist hij op 24 juli 2003 het historische Ryman Auditorium flink op kooktemperatuur te krijgen. Zonder al teveel voorbereiding beklommen Stuart en de zijnen die avond het podium van wat door velen als dé ultieme countrytempel wordt gezien en stormden doorheen een voornamelijk uit bekende en minder bekende songs van anderen bestaande set. Wat ze toen nog niet wisten, was dat geluidsman Les Banks het concert ook opnam. En gelukkig maar ook! Je kan je immers afvragen, of het gezelschap even ongedwongen gemusiceerd zou hebben als men geweten zou hebben dat er een live-album in de maak was. Een pluim voor die Banks dus, die op die manier een werkelijk onvergetelijk optreden ook voor het nageslacht wist vast te leggen. Heerlijk is het om te horen, hoe spelvreugde hier voortdurend primeert op virtuositeit. Het klinkt weliswaar allemaal heel erg af, maar tegelijk ook zeer fris van de lever. En daar wil het toch bij heel wat bluegrassplaten nogal eens aan schorten. Werkelijk alle remmen gaan hier los. Van het alom bekende “Orange Blossom Special” over “No Hard Time Blues” of “Shuckin’ The Corn” tot “The Great Speckled Bird” of de afsluitende bluegrassbenadering van Stuarts eigen “Hillbilly Rock” is dit gewoon één groot feest voor het oor.

Opgeteld met zijn in augustus van vorig jaar verschenen en al even briljante gospelplaat “Soul’s Chapel” en het amper twee maanden later uitgebrachte “Badlands”, een aan de cultuur van de Sioux-indianen gewijde conceptplaat, bezegelt deze bruisende bluegrass-CD wat ons betreft dan ook een vrij unieke hattrick. Want zeg nu zelf, welke (country)artiest kan er dezer dagen nóg zo’n geslaagde opstoot van creativiteit voorleggen? Juist, ja…

Marty Stuart

Universal South

 

 

ELVIS COSTELLO LIVE WITH THE METROPOLE ORKEST

“My Flame Turns Blue”

(Deutsche Grammophon / UMG)

(3,5) J J J J

 

 

Er zijn maar weinig artiesten die hun fans zó vaak op het verkeerde been durven te zetten als deze Elvis Costello. Voor de bebrilde Brit lijkt er nog maar één criterium echt te tellen als het op zijn repertoire aankomt. Hij doet wat hij wil, waar hij dat wil en wanneer hij het maar wil. En zo kan het, dat na zijn lichtjes briljant debuut voor Lucinda’s Lost Highway-label, het even onverwachte, als pakkende “The Delivery Man”, met “My Flame Turns Blue” opnieuw een serieuze haarspeldbocht in zijn carrière wordt genomen. Dat nieuwe project – zijn vierde voor het voornamelijk op klassieke muziek focussende Deutsche Grammophon – is een registratie van het in 2004 door de man samen met het Metropole Orkest afgewerkt optreden op het prestigieuze North Sea Jazz Festival in Den Haag. Het album bevat een reeks door Costello zelf, zijn secondant Steve Nieve, jazzgrootheid Bill Frisell, Richard Harvey en anderen voor stem, piano en orkest gearrangeerde liedjes. Naast een aantal niet eerder opgenomen nummers (“Speak Darkly, My Angel” en het eerder enkel door bluesman Charles Brown als “I Wonder How She Knows” ingeblikte “Upon A Veil Of Midnight Blue”) en wat eigen klassiekers in een onverwacht kleedje (“Clubland”, “Almost Blue”, “Watching The Detectives” e.a.) stoten we daarbij ook op door Costello van een tekst voorziene liedjes van Charles Mingus (“Hora Decubitus”) en Billy Strayhorn (“My Flame Turns Blue (Blood Count)”) en één samenwerking met Burt Bacharach (3god Give Me Strength”).

Als bonus werd aan “My Flame Turns Blue” ook nog een CD toegevoegd met daarop de hoogtepunten uit “Il Sogno”, het ambitieuze, twee jaar geleden verschenen klassieke project dat Costello koppelde aan Michael Tilson Thomas en de London Symphony Orchestra.

Zonder daarmee iets aan de kwaliteit van het geheel te willen afdoen lijkt ons dit toch vooral voer voor ‘s mans écht devote fans en verzamelaars. Anderen wachten wellicht beter gewoon nog even op het vervolgstuk op “The Delivery Man”.

Elvis Costello

Deutsche Grammophon

 

 

BRYAN SUTTON

“Not Too Far From The Tree”

(Sugar Hill / Munich)

(3) J J J

 

 

 

Bryan Sutton is ontegensprekelijk één van de allerbeste bluegrassgitaristen ooit. De brave man is dan ook een bijzonder graag geziene gast op de platen van anderen. Aan werk dus zeker geen gebrek. Toch moet hij zo nu en dan ook zijn eigen ei even kwijt. Zoals ook nu weer. “No Too Far From The Tree” is zoals de ondertitel van het album dat al aangeeft “A Collection Of Guitar Duets With Heroes & Friends”. Een bepaald indrukwekkend lijstje gasten passeert daarbij de revue. Russ Barenberg, Norman Blake, Dan Crary, Jerry Douglas, David Grier, Jack Lawrence, Tony Rice, Earl Scruggs, George Shuffler, Ricky Skaggs, Jerry Sutton en Doc Watson doen stuk voor stuk hun duit in het zakje. Het repertoire dat daarbij wordt bestreken bestaat grotendeels uit traditionals. Dingen als “Forked Deer”, “Bully Of The Town”, “Billy In The Lowground”, “The Old Spinning Wheel”, “Big Sciota”, “Whiskey Before Breakfast”, “Carroll County Blues”, “Dusty Miller” en “Ragtime Annie” krijgen zo in telkens weer ander gezelschap een eigentijds jasje aangemeten. Verder stoten we ook nog op nieuwe versies van enkele klassieke nummers van anderen: van “Give Me The Roses” (met Earl Scruggs) over “Bonaparte’s Retreat” (met Jerry Douglas) en “Stoney Creek” (met Jack Lawrence) tot “The Nine Pound Hammer” (met George Shuffler) of “Lonesome Fiddle Blues” (met Tony Rice). In alle gebrachte nummers wordt technische perfectie nagestreefd en in het gros van de gevallen wordt die ook bereikt. Desalniettemin ontbreekt er iets om te kunnen spreken van een echte superplaat. Na ruim drie kwartier instrumentale bluegrass zoals die hier door Sutton en co wordt geserveerd snakt een mens gewoon naar wat meer leven in de brouwerij. Alle vingervlugge hoogstandjes ten spijt klinkt deze collectie immers nogal braafjes.

Bryan Sutton

Sugar Hill Records

 

 

Smutfish

“Through A Slightly Open Door”

(Munich Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Het zo’n beetje out of the blue komende “Lawnmower Mind” van het Haagse viertal Smutfish kreeg goed anderhalf jaar geleden ook deze doorgaans toch vrij nuchtere Vlaamse jongen even aan het zweven. Dit was naar lage landen-begrippen ongehoord goed. Meer nog, dit was alt. country van internationale klasse. Met de nodige belangstelling werd hier dan ook uitgekeken naar de zopas verschenen “moeilijke tweede” van Melle (zang, gitaar), Dick Zuilhof (gitaar), Rob Lagendijk (bas) en Sean de Vries (drums). En het goede nieuws is – om maar meteen met de deur in huis te vallen – dat onze hooggespannen verwachtingen volledig worden ingelost. Ze worden zelfs ruimschoots overtroffen. “Through A Slightly Open Door” is een twaalf eenheden tellende songcyclus van een groep die duidelijk zeer goed weet wat ze wil. Het resultaat daarvan is een zeer herkenbaar eigen geluid dat zich misschien nog het best laat omschrijven als alt. country noir. Sfeer blijkt hier immers voortdurend een sleutelwoord. Zowel tekstueel als instrumentaal gezien uit zich dat in een zekere rusteloosheid. Een gevoel waarvoor onze Duitse buren graag het woordje “unheimlich” uit de kast halen maakt zich daardoor van deze plaat meester. Een gegeven dat alleen nog maar versterkt wordt door de beklemmende, werkelijk door merg en been gaande (en een weinig aan Dan Stuart van Green On Red herinnerende) vocalen van beeldend kunstenaar-zanger Melle en het intrigerende gitaarspel van Dick Zuilhof. Om een lang verhaal kort te maken: dit nog toppen lijkt een schier onmogelijke opgave, “Through A Slightly Open Door” heeft immers echt alles in huis om op termijn uit te groeien tot een echte klassieker in zijn genre.

Smutfish

Munich Records

 

 

CHUCK BRODSKY

“Tulips For Lunch”

(Chuck Brodsky.com Records / Waterbug)

(4,5) J J J J J

 

 

Chuck Brodsky behoort al een poosje tot het selecte groepje singer-songwriters dat in onze ogen maar weinig verkeerd kan doen. Wat de man brengt is telkens weer van zo’n ontwapenende schoonheid, dat wij onszelf maar wat graag tot zijn “fans for life” rekenen. Zelf noemt Brodsky wat hij doet graag folk, maar door de instrumentale invulling van zijn songs is de link naar Americana toch geregeld zeer nadrukkelijk aanwezig. Draai “Tulips For Lunch” bijvoorbeeld maar eens na werk van een Jeff Talmadge, een Greg Brown of een Bill Morrissey en je zal al snel begrijpen wat we daarmee bedoelen. Met de laatste van dat drietal deelt Brodsky trouwens ook een zeer apart nasaal stemgeluid. Een zegen of een vloek? Wie zal het zeggen? De één zal er -zoals ons - onvoorwaardelijk voor vallen, de ander zal het er een stuk moeilijker mee hebben. Gelukkig is Brodsky een danig fenomenale verteller, dat veler aanvankelijke weerstand al snel als sneeuw voor de zon zal wegsmelten. Zijn liedjes zijn eigenlijk meer op muziek gezette kortverhalen dan songs in de strikte zin van dat woord. Op “Tulips For Lunch” staan er daarvan weer twaalf, het ene al beter dan het andere. Enkel voor “In The Beginning” ging Brodsky in de leen bij Nick Annis. De krenten in de pap? Gaan we hier niet aan beginnen. Dit album is immers gewoon één langgerekt hoogtepunt, dat zowel in kringen van folkliefhebbers als bij vrienden van Americana wel eens een zeer goed rapport zou kunnen gaan krijgen. Wij zetten er alvast een vet kruis achter op de lijst van voor onze eindejaarslijstjes te onthouden platen. Dat zou genoeg moeten zeggen…

Chuck Brodsky

CD Baby

 

 

DREW NELSON

“Immigrant Son”

(The Mackinaw Harvest Music Group)

(3,5) J J J J

 

 

Hier kan je maar bitter weinig op tegen hebben. Drew Nelson levert met “Immigrant Son” immers een debuut af, dat in de categorie “mannetje-met-gitaar” meteen zeer hoog scoort. De man is gezegend met een knappe, naar het hees-ruige neigende stem (genre Rod Picott), speelt een alleraardigst potje akoestische gitaar en weet bovenal een uitstekende song uit zijn pen te knijpen. Twee jaar deed hij erover om het materiaal voor “Immigrant Son” bij elkaar te schrijven, om het vervolgens in het gezelschap van producer Michael Crittenden in goed drie weken in te blikken. Deze laatste wist de plaat door een goed gedoseerde toevoeging van instrumenten als een piano, een mandoline, een fiddle, een slide, een pedal steel, een accordeon en een tin whistle een bijzonder warm en rootsy karakter mee te geven zonder daarbij, al was het ook maar voor even, de essentie – Nelsons liedjes dus – uit het oog te verliezen. En terecht zo blijkt. Die Nelson is immers een meesterlijke verteller, die zich door zijn gedreven manier van zingen meteen van je aandacht weet te verzekeren. In songs als het met een fraai streepje slide opgeluisterde “Summer Rain”, het ingehouden (country)rockende titelnummer, het zomers relaxte “Breathe”, de zalige Richard Shindell-cover “Next Best Western”, het gemene bluesje “Wal-Mart V2.0”, het gruizige portret van “Wealthy St.” en hét absolute prijsbeest hier, het op een aangename manier de eigen rusteloosheid bezingende “Anchorage” openbaart zich een grote belofte voor de toekomst. Voorlopig nemen we echter graag nog even genoegen met “Immigrant Son”. Dat album bevat immers wat ons betreft al meer dan materiaal genoeg om er nog even zoet mee te zijn.

(Erg fraaie digipack trouwens ook waarin het geheel verpakt zit!)

Drew Nelson

CD Baby

 

 

VAN MORRISON

“Pay The Devil”

(Lost Highway / UMG)

(3,5) J J J J

 

 

Lucinda Williams blijft op haar Lost Highway Records met een zekere regelmaat verwachte en minder verwachte ouwe knarren op de Americana-markt loslaten. Tot die tweede categorie behoort duidelijk ook Van Morrison. Zeker als je weet dat de Keltische soulgrootheid zich op zijn labeldebuut volledig onderdompelt in de traditionele country. En het moet gezegd, met bepaald niet misselijk resultaat ook. De karakteristieke stem van Morrison kleurt werkelijk  uitstekend bij alom bekende countrydeunen als “There Stands The Glass”, “Half As Much”, “Your Cheatin’ Heart”, “My Bucket’s Got A Hole In It” en “Til I Gain Control Again”. En al zeker als er ook een bescheiden scheutje blues mee in de mix mag zoals in het swingende “Playhouse”. Het is mooi om te horen hoe de toch vooral als een verstokte knorpot bekend staande Morrison zich bijzonder op zijn gemak lijkt te voelen tussen de steelgitaren, de fiddles en andere voor het countrygenre kenmerkende instrumenten. Akkoord, het is niet nieuw allemaal, het is al duizenden keren gedaan en wellicht véél beter dan hier ook, maar het heeft wel iets. En als we hier even zo vrij mogen zijn om een vergelijking te maken met ’s mans laatste albums, dan geniet “Pay The Devil” toch duidelijk onze voorkeur.

Van Morrison

Lost Highway Records

 

 

THE GOURDS

“Heavy Ornamentals”

(Eleven Thirty / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

The Gourds zijn in de tien jaar waarin ze de rootsmuziekwereld reeds verblijden met hun platen zo’n beetje uitgegroeid tot het XTC van dat genre. Altijd weer in beweging, altijd wel in voor iets nieuws en toch ó zo herkenbaar. Zeker wat betreft hun aanpak zijn er dus bepaalde gelijkenissen tussen The Gourds en de populaire Britse pop-experimentalisten aan te wijzen. Sinds hun debuut met “Dem’s Good Beeble” in ’97 zijn Kevin Russell (zang, gitaren, mandoline), Jimmy Smith (zang, bassen, gitaren), Keith Langford (drums, percussie), Claude Bernard (zang, keyboards, accordeon) en Max Johnston (zang, mandoline, fiddle, banjo, lap steel, resonator slide) eigenlijk nooit echt voor één gat te vangen geweest. Ze herdefiniëren zo ongeveer met elke nieuwe plaat weer het genre Americana. Zowel tekstueel als muzikaal gezien dan. Geen thema is te gek om in een Gourds-tekst aan bod te komen en hun rammelende gumbo van stijlen is zelden minder dan onweerstaanbaar. Wie bijvoorbeeld zijn stoel kan houden bij de onstuimige Tex-Mex van “Shake The Chandelier”, hun postuum eerbetoon aan Sir Douglas Sahm, is wellicht op sterven na dood. En liedjes als het in blues gedrenkte “New Roomate” (Neen, dit is geen spelfout!), het door Claude Bernard accordeongewijs met een wolkje cajun opgewaardeerde “Hooky Junk”, het behoorlijk poppy gebrachte “Weather Woman” en de rootsrockertjes “Decline-O-Meter” en “Mister Betty” lijken ook weer voorbestemd om snel in groten getale vrienden aan zich te binden. Laten we het er hier dus maar op houden, dat The Gourds tot nader order als schoolvoorbeeld van creatief omgaan met genres als (roots) rock, country, folk, blues, soul, Cajun, Zydeco en Tex-Mex kunnen blijven dienen.

The Gourds

Eleven Thirty Records

Sonic Rendezvous

 

 

NEAL CASAL

“No Wish To Reminisce”

(Fargo / Munich)

(4) J J J J

 

 

“No Wish To Reminisce” is de weinig aan de verbeelding overlatende titel, die Neal Casal aan zijn nieuwe CD meegaf. Vrij geïnterpreteerd: laat die oude koeien nu maar eens mooi waar ze zijn. Begrijpelijk ook, want Casal kreeg de jongste jaren meer dan zijn deel van de klappen te verwerken. Niet alleen zag hij zijn huwelijk op de klippen lopen, ook Magere Hein was ogenschijnlijk amper nog uit zijn buurt weg te slaan. Met enkele welgemikte uithalen van zijn zeis maakte die abrupt een einde aan het leven van ’s mans vader en een stel van zijn dichtste vrienden. Je zou voor minder snel een bladzijde in het draaiboek van je leven willen omslaan…

Maar de titel van Casals nieuwe plaat slaat niet alleen op wat er in de afgelopen maanden zo al fout liep in zijn privé-leven. Ook wat zijn muziek betreft wil de man duidelijk vooruit. Hij is zelf dan ook de eerste om toe te geven, dat hij het zo ongeveer wel gehad had met het soort van liedjes waaraan hij zijn nochtans uitstekende reputatie als singer-songwriter te danken heeft. “No Wish To Reminisce” toont dientengevolge een totaal andere, volledig onvermoede kant van de artiest Casal. In plaats van de mijmerende akoestische miniatuurtjes en subtiele countryrockertjes van weleer biedt zijn nieuwe CD sprankelende, rijk georkestreerde popliedjes, die zich gelijk van bij een eerste beluistering comfortabel tussen je oren nestelen, duidelijk met de bedoeling om daar niet al te snel meer op te stappen.

In Michael Deming, bekend om zijn werk met ondermeer Beachwood Sparks, de Silver Jews en de Pernice Brothers, vond Casal de ideale metgezel om hem te helpen bij het voltooien van zijn toch wel gewaagde transformatie. Deming produceerde de plaat, verzorgde de mix ervan, bespeelde Hammond, Wurlitzer en synthesizer, nam de percussie voor zijn rekening en stond ook in voor de werkelijk briljante strijkersarrangementen. Casal zelf zong uiteraard, maar liet zich ook op instrumentaal vlak niet onbetuigd met gitaar-, piano-, orgel-, synthesizer- en percussiebijdragen. Dan Fadel en Jef Hill stonden in voor respectievelijk het bas- en drumwerk en gasten als John Ginty (Hammond), Marc Balling (snare drum), Jenni Muldaur (harmonieën) en Kathy Schiano, Arthur Masi, Martha Kayser en Lisa Rautenberg (strijkers) zorgden voor de spreekwoordelijke kers op de taart.

Het zal aanvankelijk best wel even wennen zijn voor ’s mans verstokte fans, maar elke muziekliefhebber die open-minded genoeg is om onbevooroordeeld met de nieuwe Casal kennis te maken zal naderhand met plezier willen toegeven dat de bonte muzikale waaier waarmee de songsmid hier voortdurend voor verkoeling zorgt er één is van het type waar je er in een rechtvaardige wereld tonnen van zou verkopen. Het is hem in elk geval van harte gegund!

Neal Casal

Fargo Records

 

 

IAN LOVE

“Ian Love”

(Limekiln Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Niets, maar dan ook hoegenaamd niets op het titelloze solodebuut van Ian Love doet vermoeden dat de New Yorker in een vorig leven nog deel uitmaakte van collectieven als de punk/hardcore band Burn, het ook hier relatief succesvolle Rival Schools – met ook Walter Schreifels (Quicksand) – en Cardia. Het materiaal op die plaat is eerder van die aard dat je het met een gerust gemoed zou durven aanbevelen aan liefhebbers van het werk van artiesten als een Jeff Buckley, een Nick Drake, een Jason Lytle, een Josh Ritter en een Josh Rouse. Eerder melancholische indie rock en pop dus, waarin hoofdrollen weggelegd blijken voor de hoge stem van Love zelf en een akoestische gitaar. Piano, bas en drums dienen ogenschijnlijk slechts ter vervolmaking van het geheel. Breekbare, op zijn eigen levenservaringen geënte miniatuurtjes als “Butterfly”, “Hear A Song” en “Don’t Let Go” profileren Love hier als een “interessante nieuwkomer”, die ook in het vaderlandse concertcircuit zijn mannetje zou moeten kunnen staan.

Ian Love

Limekiln Records

Sonic Rendezvous

 

 

JOSH ROUSE

“Subtítulo”

(Bedroom Classics / Nettwerk / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Nog niet zo heel erg lang geleden besloot Josh Rouse de States permanent de rug toe te keren en zich te vestigen in een klein stadje aan de Middellandse Zee in Spanje. En die verhuis lijkt ook zo zijn invloed te hebben gehad op ’s mans nieuwe plaatwerk. Nog nooit klonk Rouse immers zó ontspannen als op “Subtítulo”. Er vallen dan ook nog maar weinig raakpunten aan te wijzen met eerdere platen van ‘m als “Dressed Up Like Nebraska”, “Home”, “1972” en “Nashville”, behalve dan dat het weer allemaal zeer “smooth” klinkt.

Met “Quiet Town”, het wel bijzonder vrijblijvend gebrachte openingsnummer van de plaat, zoekt Rouse – om het met een term uit het wielrennen te omschrijven - resoluut het wiel op van knapen als een Nilsson, een Jim Croce of recenter een Jack Johnson. Al fluitend zet hij zodoende de toon voor een plaat, die je gerust als eerste voorbode van de zomer mag zien. Liedjes als het voorzichtig voortkabbelende “Summertime”, het weer volop naar de seventies lonkende popdeuntje “It Looks Like Love”, de lome instrumental “La Costa Blanca”, het met een snuif Zuid-Amerikaanse muzikale opgewektheid gekruide “His Majesty Rides” of de zonnige pop van radiohit-in-wording “Givin’ It Up” vormen als het ware één langgerekte lofzang op een leven vol zonneschijn. Enkel iets al het in melancholie zwelgende “Jersey Clowns” verwijst tussen de bedrijven door nog even naar de een stuk weemoediger klinkende oude Rouse. Wij hebben met “Subtítulo” onze ideale soundtrack voor een hopelijk weer lekker lange zomer alvast te pakken…

Josh Rouse

Nettwerk

 

 

TONY GILKYSON

“Goodbye Guitar”

(Rolling Sea Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Een knaap van dit kaliber nog voorstellen? Het lijkt ons ongeveer even overbodig als je huis op volle kracht verwarmen in het hart van de zomer. Maar voor al wie de voorbije dertig jaar met zijn hoofd in de wolken mocht hebben geleefd doen we volledigheidshalve toch maar even een voorzichtige poging…

In de jaren tachtig maakte Tony Gilkyson furore als gitarist van de legendarische bands X en Lone Justice. Later deed hij vooral van zich spreken als gitarist óp en producer ván andermans platen. Zijn snarenwerk valt zo ondermeer te bewonderen op albums van Dave Alvin, Bob Dylan, Jimmie Dale Gilmore, Kip Boardman, Peter Rowan en Sam Phillips. En produceren deed hij onder andere zijn ex-X-vriendinnetje Exene Cervenka, zijn zus Eliza, Chuck E. Weiss en de onvolprezen Eleni Mandell.

Enkel dat andere aspect van zijn artistieke persoonlijkheid, dat van de singer-songwriter, kwam tot nu toe niet echt uit de verf. Té druk bezig met andere dingen wellicht. Na het acht jaar geleden verschenen “Sparko” werd het op dat vlak zelfs heel stil rond Gilkyson. Maar met “Goodbye Guitar” maakt hij nu een retour langs de grote poort. In het gezelschap van collega’s en vrienden als Randy Weeks, Kip Boardman, Josh Grange, Don Heffington, Van Dyke Parks, Danny McGough, Chuck E. Weiss en zus Eliza weet Tony Gilkyson elf nummers lang de aandacht vast te houden. In een productie van Charlie McGovern en zijn jarenlange partner in crime Don Heffington slalomt hij behendig heen en weer tussen poortjes als (roots)rock, country, Americana, folk en andere. “Mojave High” heeft zo een lekker relaxt aandoende R&B feel, het met Amy Correia gebrachte “Wilton Bridge” en “Worthless” zijn loepzuivere countrydeunen, “Man About Town” – met zus Eliza – flirt met jazz en chanson, “Old Cracked Looking Glass” (van Woody Guthrie) klinkt als James McMurtry meets Doug Sahm, “My Eyes” is een intense Americana-sleper, titelnummer “Goodbye Guitar” – met een gastbijdrage van Chuck E. Weiss – ruikt mede door het banjogetokkel van Gilkyson zelf flink naar old-time, “Juanita” is een onderkoeld gebrachte border song, het aan Roy Nichols opgedragen en weer met zijn zus gedeelde “Gypsies In My Backyard” een knappe Americana story song en het afsluitende “Donut And A Dream” gewoon een wolk van een rootspopliedje.

Neen, meer moet dat voor ons absoluut niet zijn…

Tony Gilkyson

Rolling Sea Records

Sonic Rendezvous

 

 

SEAN WATKINS

“Blinders On”

(Sugar Hill / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Samen met zijn zus Sara en mandolinevirtuoos Chris Thile vormt de 28-jarige Sean Watkins al enkele jaren het in de States immens populaire bluegrasscollectief Nickel Creek. Tussen de bedrijven door vindt hij echter steeds weer de tijd om met eigen materiaal uit te pakken. Voor Watkins vormen die platen een soort van uitlaatklep. Hij houdt naar eigen zeggen wel enorm van zijn werk bij Nickel Creek, maar tegelijk mag hij graag wat experimenteren. Met wat meer elektronische geluiden bijvoorbeeld. En daartoe lenen die soloalbums zich dan uitstekend natuurlijk. Dat maakt, dat “Blinders On”, zijn derde CD voor eigen rekening so far, eerder te situeren valt in door popartiesten als Brian Wilson, Randy Newman, Elliott Smith, de Beatles en XTC gefrequenteerde muzikale buurten dan in een typische bluegrassomgeving. Zelfs Radiohead zou bij momenten als een goede referentie kunnen dienen. We denken dan vooral aan het grotendeels instrumentale, duidelijk als een soort van hommage aan die groep opgevatte “Happy New Year”, waarin een veelheid aan akoestische en elektrische instrumenten door de effectenmolen wordt gehaald, wat tot een bevreemdend, enigszins avant-gardistisch aandoend resultaat leidt.

Het mooist vinden wij echter die momenten, waarop Watkins kiest voor een simpele singer-songwriter-aanpak, zoals in het akoestische miniatuurtje “Hello… Goodbye” of in het ingetogen, van spijt en pijn overlopende popliedje “Run Away Girl”. Dan valt pas echt op, dat de man niet enkel een zeer vaardige songschrijver is, maar ook de gelukkige bezitter van een erg mooie stem.

En hoe zit het nu met de bluegrassinbreng, horen we je luidop denken. Welnu, Watkins houdt die eerder beperkt. Heel af en toe – zoals in het folky “No Lighted Windows” en in “Starve Them To Death” - doen het akoestische gitaar- en fiddlewerk je gedachten wel eens in die richting afdwalen, maar dat is het dan ook. Je zal er je gewoon bij neer moeten leggen, dat “Blinders On” een popplaat van een bluegrassartiest geworden is. En als je het ons vraagt een verre van kwade ook!

Nickel Creek

Sugar Hill Records

 

 

BRAY VISTA

“Sing My Darling”

(12 Sombrero Recordings)

(4) J J J J

 

 

“Sing My Darling”, de debuut-langspeler van Bray Vista, is het soort van plaat dat je eerder vanuit het diepe Zuiden van de States verwacht dan uit “of all places” Ierland. Het negenkoppige gezelschap onder aanvoering van Neil Tobin levert hier een album af waar zo menig een Amerikaanse act alleen maar met afgunst kan naar opkijken. In Tobin beschikt de groep dan ook over een werkelijk uitmuntende songleverancier en met diezelfde Tobin en Alison Byrne telt ze bovendien ook twee kanjers van vocalisten in haar rangen.

Het uitgangspunt voor de muziek van Bray Vista vormt wat men doorgaans als old-time music omschrijft. Tobin en co geven er echter een geheel eigen, zeer eigentijdse draai aan mee. Naast op de obligate fiddle, banjo en mandoline stuiten we daardoor ook regelmatig op een ogenschijnlijk vanuit een verloren hoek van de bar mee swingend pianootje, een als ijzersterke joker ingezette mondharmonica, een pedal steel en een stel vrijwel voortdurend speels rondhossende gitaren. Het resultaat is een werkelijk tijdloze melange van opgewekte instant-meezingers en prachtige ballades, waarin zowel op vocaal als op instrumentaal vlak voortdurend het onderste uit de kan wordt gehaald. Voor de vlekkeloze productie ervan tekende Karl Odlum.

We hebben het hier al wel eens vaker als verkoopsargument gebruikt, maar het is nu eenmaal ook dit keer weer zo: horen is kopen! “Sing My Darling” staat garant voor een dosis country en Americana op z’n best.

Bray Vista

 

 

TRES CHICAS

“Bloom, Red & The Ordinary Girl”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4,5) J J J J J

 

 

Wat een ongelooflijk mooie plaat is dit weer! Caitlin Cary, Tonya Lamm en Lynn Blakey overtreffen met “Bloom, Red & The Ordinary Girl” spelenderwijze het niveau van hun nochtans ook al lichtjes fantastische debuutplaat “Sweetwater” uit 2004. Hun samenzang is opnieuw niets minder dan goddelijk. En ook hun songs zijn weer van een adembenemende schoonheid.

Nochtans verschilt deze nieuwe schijf aanzienlijk van zijn voorganger. Wellicht in niet geringe mate, omdat het album door Cary en co in Engeland werd ingeblikt. Het waren de om zijn werk met ondermeer Nick Lowe, Bryan Ferry, Roxy Music en Tanita Tikaram geroemde producer Neil Brockbank en zijn maatje Robert Trehern – ook bekend als drummer van Nick Lowe en Van Morrison – die de drie er na een met hun poulain Geraint Watkins gedeelde show in Raleigh, NC wisten van te overtuigen om die oversteek naar Europa te wagen. In hun eigen studio in Londen koppelde het tweetal de Amerikaanse nachtegaaltjes aan studioratten als de al genoemde Geraint Watkins (piano en orgel), Matt Radford (bas), BJ Cole (pedal steel), Mark Creswell (gitaar), Bill Kirchen (gitaar), Nick Lowe (bas) en Bob Loveday (viool). Op die manier konden ze de Chicas een geluid garanderen, dat kwalitatief in niets hoeft onder te doen voor de door hen zelf geëtaleerde vocale hoogstandjes. “Bloom, Red & The Ordinary Girl” klinkt daardoor even warm en vol als bijvoorbeeld de recentere albums van Nick Lowe. En net als bij die CD’s is ook hier sprake van een behoorlijk hoog soulgehalte. In zoverre zelfs, dat het aspect country bij momenten een weinig op de achtergrond dreigt te belanden. Gelukkig zijn er nummers als de met een shot gospel geïnjecteerde opener “Drop Me Down”, het met een leuk twangend gitaartje opgewaardeerde “The Man Of The People”, de doorleefde ballade “400 Flamingos” en de voorzichtig two-steppende Johnny Carver-cover “If You Think It’s Alright” om de balans een weinig in evenwicht te houden.

Tres Chicas

Yep Roc Records

Sonic Rendezvous

 

 

DOLLY PARTON

“Those Were The Days”

(Sugar Hill / EMI)

(3,5) J J J J

 

 

In de States was dit album al een poosje te koop, maar dankzij EMI is het nu niet langer nodig om dure importpaden te bewandelen om er ook hier aan te geraken. “Those Were The Days” is een CD waarop Dolly Parton een aantal van haar favoriete songs uit de 60’s en 70’s tackelt, daarbij bijgestaan door heel wat van de originele uitvoerders en/of tal van andere collega-artiesten. Liedjes als “Those Were The Days”, “Blowin’ In The Wind”, “Where Have All The Flowers Gone”, “Me And Bobby McGee”, “Crimson And Clover”, “Turn, Turn, Turn”, “If I Were A Carpenter”, “Both Sides Now” en “Imagine” zullen bij zo menig een al wat oudere jongere alvast de nodige prettige herinneringen oproepen. En het feit dat zo schoon volk als Norah Jones, Alison Krauss, Kris Kristofferson, Judy Collins, Mary Hopkin, Yusuf Islam ( Zeg maar Cat Stevens…), Tommy James, Roger McGuinn, Nickel Creek, Mindy Smith, Rhonda Vincent, Lee Ann Womack, Keith Urban, Dan Tyminski, Porter Wagoner, Joe Nichols en David Foster graag bereid werd gevonden om een duit in het zakje te komen doen zal het album (commercieel gezien) zeker ook niet gaan schaden. Als geheel is het misschien net iets minder tijdloos van karakter allemaal dan haar de voorbije jaren met enige regelmaat verschenen bluegrassplaten, maar je houdt er al bij al toch een potje hoogst aangenaam amusement aan over. Als enkele van de sterkste momenten onthielden wij alvast graag een sfeervolle lezing van Dylans “Blowin’ In The Wind” samen met de extreem getalenteerde youngsters van Nickel Creek, een prachtig meerstemmig gebracht “Where Have All The Flowers Gone” met Norah Jones en Lee Ann Womack en een sprankelende bluegrassuitvoering van “Twelfth Of Never” met alleskunner Keith Urban.

Dolly Parton

Sugar Hill Records

EMI

 

 

SCOTT MILLER & THE COMMONWEALTH

“Citation”

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J

 

 

“Citation” is na de akoestische live-plaat “Are You With Me” uit 2000 en het voortreffelijke tweetal “Thus Always To Tyrants” uit 2001 en “Upside Downside” uit 2003 de vierde voor eigen rekening van voormalig V-Roys-kopstuk Scott Miller. Met zijn begeleiders van The Commonwealth zakte hij ditmaal tijdelijk af naar Memphis om daar in het gezelschap van de legendarische producer Jim Dickinson zijn zondermeer sterkste plaat tot op heden in te blikken. Die Dickinson stelde wellicht tot zijn eigen grote plezier vast, dat hij en Miller een zekere voorliefde voor obscure folkplaten deelden. En dat gegeven lijkt niet helemaal onbelangrijk te zijn geweest bij het tot stand komen van “Citation”. Miller kiest daarop immers opvallend vaak voor een folky countryaanpak. Een benadering die hem bijzonder goed ligt ook, zo blijkt. Nummers als “Wild Things”, het voorzichtig heupwiegende “The Only Road” of het aan iets van Steve Earle herinnerende “On A Roll” vormen het ideale tegengewicht voor rauschende rockers à la “Only Everything”, “8 Miles A Gallon” en “Jody”, waarin Miller zelf en Eric Fritsch gitaargewijs lekker van bil gaan, zich daarbij geruggensteund wetend door een fanatieke Shawn McWilliams achter het drumstel en een al even verbeten op zijn bas rammende Jeremy Pennebaker. Knappe cover verder ook van “Hawkes & Doves” van Neil Young. Miller is een Young-fan en dat onderstreept hij hier door absoluut niet onderuit te gaan in dat nummer. Meer nog, zijn gruizige stem doet “Hawks & Doves” effectief goed. En dat is een serieus compliment!

Ijzersterke plaat.

Scott Miller & The Commonwealth

Sugar Hill Records

 

 

THE SUBDUDES

“Behind The Levee”

(Back Porch / Virgin / EMI)

(4) J J J J

 

 

“File under: Rock” staat er op de achterkant van het hoesje van “Behind The Levee” van de Subdudes te lezen, maar eigenlijk verdienen de vijf uit New Orleans het minstens zo veel om onder de categorie soul te worden ingedeeld. Het in het kader van de recente gebeurtenissen in hun thuishaven tekstueel gezien misschien net iets té vrolijke nieuwe album van de heren drijft immers ook ditmaal weer voor een groot stuk op de soulvolle tenor van zanger-gitarist Tommy Malone. Díe stem, het delicate accordeon- en orgelwerk van John Magnie, de gesofisticeerde percussiebijdragen van Steve Amedée en vooral ook de voornamelijk door de groep zelf aangedragen nieuwe nummers maken van dit album één van dé rootsplaten van het ogenblik. Hoogtepunten zat hier: van de op z’n blote knieën om radiotijd smekende catchy opener “Papa Dukie & The Mud People” of “Looking At You”, een witheet funky duet met Rosie Ledet, tot de heerlijk relaxte, zijn titel alle eer aandoende Earl King Johnson-cover “Time For The Sun To Rise” (inclusief ontwakende vogeltjes) en de verstilde “grand finale” “Prayer Of Love”, een op werkelijk hemelse samenzang gebaseerde droom van een soulballade.

Voor de vlekkeloze productie tekende Kevin “Keb’ Mo’” Moore. Bijzonder gesmaakte gastbijdragen zijn er naast van de al genoemde Rosie Ledet ook nog van The Dirty Dozen Brass Band Horns en toetsenman Phil Chandler.

The Subdudes

Back Porch Records

EMI

 

 

Voor alweer een nieuwe worp CD’s en DVD’s gewijd aan het populaire Amerikaanse TV-programma Austin City Limits focussen die van New West Records op countrygrootheden Waylon Jennings en Merle Haggard en swamprat Tony Joe White. Het door het huis daarbij geheiligde principe is inmiddels wellicht bekend: de gepresenteerde items grijpen terug naar de volledige shows, waarvan kijklustige Amerikaanse muziekliefhebbers indertijd TV-gewijs slechts een half uurtje aangeboden kregen.

 

WAYLON JENNINGS

“Live From Austin, TX” (DVD)

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

In het geval van de aan wijlen Waylon Jennings gewijde DVD komt dat neer op ruim 56 minuten kijkplezier. Verwacht daarvan vooral geen spectaculaire bedoening, daarvoor moet je zoals ondertussen allicht geweten niet bij de mensen van Austin City Limits zijn. Wat je wel krijgt, is een op smaakvolle wijze in beeld gebracht optreden dat de man op 1 april 1989 in Austin ten beste gaf. Op het programma stonden zo ongeveer al zijn hits: van “I’m A Ramblin’ Man” of “Rainy Day Woman” tot “America” of “Amanda”, van Kristoffersons “Me And Bobby McGee” of “Trouble Man” tot het op guitige wijze gebrachte “duet zonder Willie Nelson” “Mamas Don’t Let Your Babies Grow Up To Be Cowboys” of “Good Ol’ Boys”, bekend uit “The Dukes Of Hazzard”, van “Are You Sure Hank Done It This Way” of “Good Hearted Woman” tot “I’ve Always Been Crazy”, “Luckenbach, Texas (Back To The Basics Of Love)” en “I Ain’t Living Long Like This”. Voor een zekere meerwaarde zorgen twee als duet met zijn wederhelft Jessi Colter gebrachte covers van respectievelijk “Suspicious Minds” en “Honky Tonk Angels”.

Sonic Rendezvous

 

 

MERLE HAGGARD

“Live From Austin, TX” (DVD)

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Zeker qua repertoirekeuze een stuk minder voorspelbaar is dan de aan Merle Haggard gewijde aflevering. De aan hem bestede DVD valt met amper 46 minuten naar “Live From Austin, TX”-normen weliswaar eerder aan de korte kant uit, maar aan variatie ontbreekt het bij het uit oktober van ’85 stammende optreden zeker niet. Uiteraard zijn ook hier een aantal niet te omzeilen hits als “Okie From Muskogee”, “Mama Tried”, “Silver Wings” en “I Think I’ll Just Stay Here And Drink” present, maar daarnaast trekt The Hag nog flink wat andere registers open ook. Behalve een aantal “nieuwere” songs vallen daarbij vooral zijn als eerbetoon aan de King of Western Swing Bob Wills gedachte bijdragen op. Nummers als “I Knew The Moment I Lost You”, “Take Me Back To Tulsa” en “Ida Red” klinken hier echt waar beter dan ooit.

Sonic Rendezvous

 

 

TONY JOE WHITE

“Live From Austin, TX” (DVD)

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Tenslotte is er een naar 5 december 1980 teruggrijpend volume met in de hoofdrol Tony Joe White. Country, blues, soul, swamp (rock), noem het wat ons betreft zoals je wil, maar lekker is het allemaal wel wat de heerlijk grofgevooisde White ons daarop aanreikt. “Mama Don’t Let Your Cowboys Grow Up To Be Babies”, “Red Neck Women”, “Rainy Night In Georgia”, “Willie And Laura Mae Jones”, “Polk Salad Annie”, “That’s The Way A Cowboy Rocks And Rolls”, ook deze knaap kent duidelijk zijn eigen klassiekers, want ze zijn allemaal keurig van de partij.

Sonic Rendezvous

 

Benieuwd wat de “Live From Austin, TX”-toekomst nog allemaal voor ons in petto heeft. Wij tippen voor de volgende volumes alvast op namen als Kris Kristofferson, Willie Nelson, Stevie Ray Vaughan, Whiskeytown en de Highwaymen. Al blijft dat natuurlijk wel natte-vinger-werk…

 

(Alle drie de bovenstaande DVD’s zijn overigens ook gewoon als CD verkrijgbaar!)

 

Austin City Limits DVD’s

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

THE TATERS

“Just One Night”

(Molio Town)

(3,5) J J J J

 

 

The Taters doen het op hun nieuwe CD “Just One Night” voor de gelegenheid compleet live. Het duo Craig Evans (zang, bas)-Brad Tucker (zang, gitaren) krijgt daarbij onstage de hulp van special guests Diana Carr (pedal steel), Stu Grimes (drums, zang), Jim Wark (elektrische gitaar), Ned Henson (elektrische gitaar en slide), de blazerssectie van de Grandsons en Mike Gribik, een Russische vocalist. En het resultaat, wou je weten? Wel, dat is naar goede Taters-gewoonte weer voortreffelijk. Ergens tussen de Torch & Twang van The Big O en het zalige harmonieerwerk van de Everly Brothers planten Evans en Tucker het zaad van melodieuze roots rock en alt. country. Met hun oerdegelijke songs steken ze daarbij hun voorbeelden geregeld serieus naar de kroon.

Doorgaans vertrouwen de twee vooral op eigen spul, maar ditmaal bleek er ook ruimte voor andermans materiaal. Zo haalden ook “publiekslievelingen” als “Goodbye” van Steve Earle, “The Boxer” van Simon & Garfunkel, “Delilah” van Tom Jones, “In Dreams” van Roy Orbison en “Bye Bye Love” van de Everly Brothers de uiteindelijke tracklisting. Daardoor luistert “Just One Night” nog net iets aangenamer weg. De factor herkenbaarheid, weet je wel… Het klinkt alleszins een stuk minder “gemaakt” dan wat een vergelijkbare act als de Mavericks doet (Deed?).

The Taters

CD Baby

 

 

STOOK

“The Soundtrack To My Minneapolis

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Wederom een debuut van het betere soort. Een echte oorwurm. “The Soundtrack To My Minneapolis” is de eersteling van Stook, een jonge singer-songwriter wiens liedjes naast een onmiskenbare voorliefde voor genres als roots rock en alt. country ook een zekere verwantschap met het materiaal van de jonge Stones en de Beatles vertonen. Met laatstgenoemden deelt hij een fenomenaal Fingerspitzengefühl wat betreft het pennen van met catchy hooks beladen songs, met Jagger en co een zekere vorm van gecontroleerde onstuimigheid. Luister bij gelegenheid maar eens naar nummers als het door Toby Lee Marshall van een heerlijk rollende pianobijdrage voorziene “When You Come Knockin’” of het al even stomende “Deliverance From Your Eyes” en je zal meteen begrijpen wat we daarmee bedoelen.

Andere uitstekende momenten hier zijn de over een zalig zoemend orgel neergelegde rootsrocktrage “Watching You Fall”, de eigenzinnige country van “A Song Is More Than A Song”, de pure pop van “When It All Comes Crashing Down” en “One Blue Teardrop” – Denk daarbij aan collectieven als Cake, Fastball of They Might Be Giants! – en de pianoballade “I Keep On Falling In Love With You”.

Zondermeer een aanwinst voor het genre, deze Stook.

Stook

CD Baby

 

 

MIKKI BRISK

“Distance And Miles”

(Albino Catfish Music)

(3,5) J J J J

 

 

“Distance And Miles” is een ronduit indrukwekkend te noemen maiden release. Mikki Brisk weet er zich meteen mee op het niveau van een Rosanne Cash, een Kathy Mattea, een Mary Chapin Carpenter of een Patty Loveless in een vergelijkbaar stadium van hun carrière te hijsen. Met haar loepzuivere stem beschikt ze over een te duchten wapen. En dan hadden we het nog niet over haar songs. Daarin zoekt Brisk duidelijk aansluiting bij andere sterke vrouwen als een Shawn Colvin en een Melissa Etheridge. Country en folk vormen vrijwel voortdurend de basisingrediënten voor haar liedjes. Een voorzichtige injectie met soul (“Red Boots”), cajun (“Me And Matthew”) en roots rock (“Desert Song”) gaat Brisk echter zeker ook niet uit de weg. En het zijn wat ons betreft net die kleine extraatjes die haar debuut een aardig stuk boven de middelmaat uit tillen. Niks lijkt in dit geval dan ook een mooie toekomst in de weg te staan. Is het niet als zangeres, dan toch zeker als leverancier van songs aan anderen.

Mikki Brisk

CD Baby

 

 

LEAVING, TX

“100 Miles To Sunday”

(Lucky Range Records)

(3) J J J

 

 

Vreemde naamkeuze toch voor een groep uit… Washington, DC. Leaving, TX is een nog relatief nieuw alt.-countrybandje bestaande uit Chris Patterson (zang, akoestische en elektrische gitaren), Gary Cecil (bas, backing vocals), Thor Smith (drums) en Andrew Buhler (leadgitaar, pedal steel). En om maar meteen met de deur in huis te vallen, hun debuut “100 Miles To Sunday” klinkt inderdaad zeer… Texaans. De met uitzondering van Nick Lowe z’n “Peace, Love And Understanding” allemaal door Patterson aangedragen composities variëren van potente Southern rockertjes tot radiovriendelijke alt.-countrydeunen en gruizige ballads. Sterkste troeven van de groep vormen daarbij de grofkorrelige stembanden van diezelfde Patterson en het vlekkeloze gitaarspel van Andrew Buhler. Echt iets voor de fans van bandjes à la Reckless Kelly, lijkt ons.

Leaving, TX

CD Baby

 

 

ROCKY VOTOLATO

“Makers”

(Eat Sleep / Second Nature / PIAS)

(3,5) J J J J

 

 

 

Afgaande op de prille commentaren die deze plaat oogstte is lang niet iedereen even zwaar onder de indruk van het nieuwe werk van de in Texas grootgebrachte maar dezer dagen in Seattle residerende singer-songwriter Rocky Votolato. En dat vinden wij best wel een beetje merkwaardig. Votolato’s derde profileert hem immers nadrukkelijk als een songsmid genre Josh Ritter en Josh Rouse, twee knapen die wereldwijd juist wel worden geapprecieerd voor vergelijkbaar materiaal.

De voorheen als kopstuk van Waxwing al enige bekendheid genietende Votolato fluister-zingt zich op “Makers” een weg doorheen elf eigen liedjes en een cover van “She Was Only In It For The Rain” van Piss Pissedoffherson. Het materiaal is veelal eerder intimistisch van karakter en wordt bij voorkeur nogal spaarzaam ingekleurd met akoestische gitaren, een mondharmonica, een bas, wat drums en percussie. Her en der zorgen een piano, keyboards, een viool en een pedal steel voor wat extra pigment. Nergens steekt Votolato daarbij weg, dat country van grote invloed op hem is geweest. Hij kent duidelijk zijn klassiekers. Maar toch is dit strikt genomen géén countryplaat. Het ene moment strandt Votolato nogal nadrukkelijk in de buurt van het hoger vernoemde alt.-folk-tweetal Ritter-Rouse, het andere steekt hij voorzichtig gevestigde waarden als een Springsteen of een Westerberg naar de kroon. Een enkele keer, zoals in het met een pedal steel-sausje overgoten titelnummer “Makers”, hoorden wij zelfs echo’s van Ryan Adams.

Voor het geval dat ondertussen nog niet duidelijk mocht zijn: wij mogen ‘m dus wel, deze Votolato.

 

Beluister hier de nummers “White Daisy Passing” en “Portland Is Leaving” en vorm je eigen oordeel!

 

Rocky Votolato

 

 

MATT SHIPMAN

“Highway Shoes”

(Shippy Music)

(3,5) J J J J

 

 

 

“Highway Shoes”, het solodebuut van de voorheen in enkel ín en óm New England bekende acts als The Mill City Ramblers en Splittin’ Hairs actieve singer-songwriter Matt Shipman, is van een zodanig ontwapenende eenvoud, dat je er keer op keer op nieuw naar blijft teruggrijpen. Met zijn aangename baritonstem brengt de beste man daarop vijftien eigen liedjes, waarin beurteling echo’s uit genres als (traditionele) country, bluegrass, folk, blues en swing weerklinken. Zelf hanteert hij daarbij terloops ook nog de akoestische gitaar en de mandoline. Gasten als Joyce Andersen (fiddle), Jon Nolan (pedal steel), Dave Talmage (fiddle, banjo, dobro, gitaar, harmony vocals), John Ross (mandoline) Steve Roy (bas, harmony vocals), Mary Dellea (eveneens bas), Roger Williams (dobro), Bruce Derr (pedal steel), Joe Walsh (mandoline), Todd Jones (banjo) en Robbie Kneeland (drums, harmony Vocals) doen de rest. Zij zorgen voor een warm, erg organisch aandoend geluid, dat werkelijk alle ingrediënten voor een geslaagd rootsalbum in zich draagt. Of het nu in bluegrassdeunen als “Big City Blues”, “Crossroads To Calvary” en “Granite State Seaport Town” is, in duidelijk bij de Texaanse country- en swingtraditie aansluiting zoekende niemendalletjes als “Lonesome For Someone” en “Honky Tonk Angel”, in puur singer-songwritermateriaal à la “After I’m Gone” en “The Old Elm” of in wat meer bluesgetint spul als “Them Times Are Past & Gone”, Shipman weet over de gehele lijn te overtuigen. Zeker even checken dus, deze knaap!

Matt Shipman

CD Baby

 

 

JJ BARON

“Brand New Stranger”

(Rhody Records)

(4) J J J J

 

 

 

JJ Baron is een drieëntwintigjarige singer-songwriter uit Providence, Rhode Island die onze aandacht in eerste instantie wist te trekken met “Set Em Up Boys”, een duet met de onvolprezen Slaid Cleaves. Maar nader onderzoek wees al snel uit dat er meer was. Veel meer zelfs… ’s Mans door Tom Newman geproduceerde debuut-CD “Brand New Stranger” is immers een ronduit verbluffend te noemen visitekaartje. In het gezelschap van knapen als Buddy Cage (New Riders Of The Purple Sage), Scott Murawski (Max Creek), Jim Weider (The Band), Stu Kimball (Bob Dylan), Steve Burke (Beaver Brown), Bill Lacaille (Tombstone Blues) en die Slaid Cleaves dus levert de jongeling een even smaakvol als gevarieerd album af, waarop elementen uit country, Americana, bluegrass en rock & roll worden samengesmolten tot één coherent geheel. Van de aan Rodney Crowells recentere spullen verwante country rock van “Dead Man’s Shoes” over de ingetogen Americana van het hoger al even vermelde duet of “Open Door”, het folky “I’m A Stranger Here Myself”, de fraaie, in steel gedrenkte country van “Still You Look For It” tot het swingende en bijzonder radiovriendelijke tweetal “Stereo Confessions” en “Baby Let’s Go”, Baron laat onderweg niet één steek vallen. Zelfvertrouwen te koop, zo lijkt het.

Hét absolute klapstuk van de CD is evenwel “Wildflower”, een helemaal aan het einde ervan verstopt old-timey eerbetoon aan June Carter, dat Baron schreef op de dag van haar overlijden. Heel even gingen de haartjes op onze armen daarvan recht omhoog staan en da’s over het algemeen een goed teken…

Niet laten liggen dus, deze plaat. Elke rechtgeaarde liefhebber van Americana zal hier immers zonder enige twijfel het nodige plezier aan beleven. JJ Baron is duidelijk een naam voor de toekomst!

JJ Baron

Rhody Records

CD Baby

 

 

WHITE SANDS

“Alma”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

 

Voor lekker hoef je – zelfs als het over Americana en aanverwanten gaat - lang niet altijd ver van huis te zijn. Een zoveelste klinkend bewijs voor die vaststelling levert het Haagse White Sands. Enkele weken geleden roemden we hier naar aanleiding van een recensie van “The Southern Sessions”, de nieuwe promotie-CD van de Zuid-Hollandse Popunie, al hun nummer “Calavera”. Ondertussen belandde ook hun demo-EP “Alma” op onze schrijftafel. En ook daar zijn we zéér over te spreken. Met zes eigen, in nauwelijks één dag opgenomen liedjes weet kopstuk Pascal Hallibert, een in Nederland verzeild geraakte Franse singer-songwriter, er ons ruimschoots van te overtuigen, dat hij en de zijnen één van dé acts van de toekomst zijn binnen het Nederlandse alt. countrygebeuren. Met intimistische liedjes als “Get There If You Can”, “West Coast”, “Days Of Steel” en “Harsh Moon”, waarin de geest van Nick Drake rondwaart in het gezelschap van ander schoon – Nog levend! – volk als een Steve Earle, een Grant-Lee Phillips of het duo Burns-Convertino van Calexico doet Hallibert nu al reikhalzend uitkijken naar het later dit jaar te verschijnen full length-debuut van White Sands. Voor zijn songwriting liet de beste man zich zowel beïnvloeden door filmmakers als een Jarmusch en een Van Zandt, als door schrijvers genre Bukowski en Coupland. Muzikaal gezien kiest hij voor een minimalistische aanpak. Door de aankleding van zijn nummers schaars te houden maar deze wel op de juiste momenten van de juiste nuances – een desolate slide, een spichtig sitarlijntje, enz. - te voorzien slaagt hij erin ze een flink surplus aan diepgang mee te geven. Zo horen échte emoties dus te klinken…

White Sands

 

 

Opgelet!!!!! Voortaan recycleren we onze eerdere besprekingen in een archief!!!!!

 

Klik hier voor de recensies van de maand februari.

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums van:

 

Jessi Colter “Out Of The Ashes”Amelia White “Black Doves”Hillbilly Idol “Lights Of Town”Phil Trigwell & Los Bandhagos “Boogie Woogie Cowboy” - Jenny Lewis With The Watson Twins “Rabbit Fur Coat”Cat Power “The Greatest”Hooverville “Follow That Trail Of Dust Back Home” - Hank III “Straight To Hell”Kevin Kerby “The Secret Lives Of All Night Radios”Dan Crump “Truth Is” - Brock Zeman & The Dirty Hands “Brock Zeman & The Dirty Hands”Mark Ambrose “Put The Hammer Down” - Kevin Banford “Between Heaven & L.A.”Boris (McCutcheon) & The Saltlicks “Cactusman versus the Blue Demon” - Johnny Dowd “Cruel Words”Amy LaVere “This World Is Not My Home” - Cuban Heels “Gutbucketmusic”Jack Johnson & Friends “Curious George”Cowboy Mouth “Voodoo Shoppe”Mark Lemhouse “The Great American Yard Sale” - Various Artists “Walk The Line – Original Motion Picture Soundtrack”Bottle Rockets “Live In Heilbronn / Germany July 17, 2005” - Sara Hamilton “Call My Name”Wayne Scott “This Weary Way”Duncan Sheik “White Limousine”Sara Tavares “Balancé” - Johnny Cash & June Carter Cash “Duets”Various Artists “The Southern Sessions” - Grand Theft “Lucky”The Cottars “Forerunner” - Isobel Campbell & Mark Lanegan “Ballad Of The Broken Seas”Julia P “Making Up For Lost Time”The Duhks “Your Daughters & Your Sons” - Patty Hurst Shifter “Too Crowded On The Losing End”The Great Crusades “Four Thirty” - Stevie Ray Vaughan “Collections”Dana Cooper “Made Of Mud”Various Artists “A Case For Case (A Tribute To The Songs Of Peter Case)”Hayes Carll “Little Rock”Rainravens “The Best Of Rainravens” - Sarah Harmer “I’m A Mountain”Alana Levandoski “Unsettled Down”Linda Ronstadt “The Best Of Linda Ronstadt – The Capitol Years”Kenny Rogers “21 Number Ones” - Rowwen Hèze “Kilomeaters – ‘t Beste Van 20 Joar Rowwen Hèze”Norman & Nancy Blake “Back Home In Sulphur Springs”John McCutcheon “Mightier Than The Sword”Marshall Chapman “Mellowicious!” - BR549 “Dog Days”Robyn Ludwick “For So Long”Jackie Morris “Where The Legends Grow Like Weeds” - Kenny Roby “The Mercy Filter”Will T. Massey “Alone”Frog Holler “Haywire”Th’ Legendary Shack*Shakers “Pandelerium”