ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Arno Adams “Ich Weit Desse D’r Bus” - Ongenode Gaste “Veur Dees Nach”Zoe Speaks “Birds Fly South”Laura Veirs “Carbon Glacier”Michael Fracasso “A Pocketful Of Rain”R.D. Roth & The Issues “Fear Not The Breakdown” - Natalie Merchant “The House Carpenter’s Daughter”Moot Davis “Moot Davis”Battery Life “Shotgun Loudmouth” - Allison Moorer “The Duel”Last Call “10” - Jon Langford “All The Fame Of Lofty Deeds”Sarah Harmer “All Of Our Names”Becca Sutlive “One Bedroom Apartment”Eric Burdon “My Secret Life” - Steve Owen “The Turlock 2”Quiet Loner “Secret Ruler Of The World” - Paul Edelman & The Jangling Sparrows “North American & Susquehanna”Christine Mims “Perfect For A Rainy Day” - Sam Bush “King Of My World”Friend Of Howard “Friend Of Howard” - Cindy Cashdollar “Slide Show”Remedy Motel “A Better Life” - Jarrod Birmingham “Stages”The Betweeners “Matador Karma”Deadstring Brothers “Deadstring Brothers” - Colin Gilmore “The Day The World Stopped And Spun The Other Way”Various Artists “Moon Over The Downs – The Trailer Star Tribute” en Trailer Star “The Floodplain Demos” - Sarah Lee Guthrie & Johnny Irion “Entirely Live”Michael De Jong “23, Rue Boyer” - Jeff Plankenhorn “Plank”JW Roy “Kitchen Table Blues”Powderblue “Powderblue”Jamie Hoover & Bill Lloyd “Paparazzi”Michael Hill “The New World”Audra Kubat “Million Year Old Sand” - Bones “Who Stole Fun?”Grey De Lisle “The Graceful Ghost”Gibson Brothers “Long Way Back Home” - 10,000 Maniacs “Campfire Songs”The Bigger Lovers “This Affair Never Happened… And Here Are Eleven Songs About It” - Jackson Parten & Folktronic “The Sum Of All Parts”First Prize Killers “The Powdery Parade”Mike Kindred “Handstand” - Dysseldonk “33 1/3”Tom Russell “Indians Cowboys Horses Dogs”Jimmie Dale Gilmore “Don’t Look For A Heartache” - Peter Mulvey “Kitchen Radio”Jenny Queen “Girls Who Cry Need Cake”BR549 “Tangled In The Pines”Dale Keys “Dale Keys” - Raul Malo, Pat Flynn, Rob Ickes & Dave Pomeroy “The Nashville Acoustic Sessions”Gingersol “Eastern”Slaid Cleaves “Wishbones”

 

ARNO ADAMS

“Ich Weit Desse D’r Bus”

(Inbetweens Records)

(4) J J J J

 

Mensen als een Arno Adams dwingen van ons een grenzeloze bewondering af. Door als singer-songwriter te kiezen voor het zingen in je eigen streektaal leg je de lat voor jezelf immers erg hoog. In dat opzicht, dat je bij voorbaat weet, dat dialectplaten sowieso uitnodigen tot veel actiever luisteren en dat je ‘t je dus absoluut niet kan permitteren om met banaliteiten voor de dag te komen. Het is een beetje als meters hoog boven de grond balanceren op een touw zonder vangnet. Een misstap is op elk moment uit den boze of je bent er geweest.

Nu heeft Adams daar gelukkig niet al te veel last van. Het gros van de liedjes op “Ich Weit Desse D’r Bus” kwam immers tot stand terwijl hij verbleef in Paschalis, een afkickcentrum in Oostrum. Drank, drugs en gokken hadden hun tol van hem geëist. En zoals dat wel vaker het geval is, leveren de meest extreme omstandigheden ook de fraaiste liedjes op. Men denke in dat verband bijvoorbeeld ook maar aan de wonderbaarlijke wederopstanding van Steve Earle in vergelijkbare omstandigheden een aantal jaren geleden.

“Ich Weit Desse D’r Bus” wordt voornamelijk bevolkt door enigszins weemoedige liedjes, waarin Adams in het reine komt met zichzelf en zijn verleden. Een erg knap voorbeeld daarvan is “Ut Is Wie Ut Is”, een streepje ingetogen pop, waarin Adams zich knus rondwentelend onder een warm aanvoelende orgel- en gitaardeken verkondigt het leven voortaan te zullen nemen zoals het komt. Of ook wel het aan zijn vader opgedragen “Haaj Opa Leef”, waarin alle grote en kleine ruzies die in het verleden leidden tot een breuk liefdevol worden weggezongen.

Maar het kan ook anders. “Sjaakmat” en de verborgen bonus track zijn gitzwarte rockliedjes. En “Effe Biechte”, waarin Adams verwikkeld is in een persoonlijk gevecht met de duivel over wat goed is en slecht, lijkt wel te zijn weggelopen uit de catalogus van die andere Arno (Hintjens met name). “Huel Soms” en het de vaak spijkerharde christelijke opvoeding van weleer onder de loep nemende “Kloesters Van Welier” zijn dan weer eerder jazzy riedeltjes. En “Baeter Nag Den Vreeje” is zelfs regelrecht funky.

Eén van de allermooiste liedjes van de plaat, “Kus Mich Dan”, waarin piano en viool iets heel moois met elkaar hebben, is een bekoorlijk liefdesliefdje met een tekst geschreven door de uit Venlo afkomstige journalist Twan Mientjes. Meteen ook het enige nummer van het geheel dat Adams niet zelf schreef.

Al bij al is “Ich Weit Desse D’r Bus” een pracht van een plaat die met elk nummer een tipje van de sluier van het leven van Adams meer oplicht. Je krijgt al snel het gevoel dat je de man al jarenlang kent. En wat meer is, heel vaak leidt wat hij zingt tot een zekere vorm van herkenning. Zonder daarvoor noodzakelijk dezelfde hel te hebben moeten doorstaan als Adams zal je ontegensprekelijk raakvlakken met je eigen leven kunnen aanwijzen. En precies dat is het, wat een behoorlijk intense band schept… Een heel bijzondere collectie liedjes dus!

www.inbetweens.com

 

 

ONGENODE GASTE

“Veur Dees Nach”

(Insbetweens Records)

(4) J J J J

 

Het was met de nodige argwaan, dat we onze Nederlandse spitsbroeders de jongste weken in bijzonder lyrische bewoordingen de loftrompet hoorden afsteken over de Limburgse dialectband Ongenode Gaste. Chauvinisme en hype blijken immers al te vaak als goede vrienden door het leven te stappen. En als je dan zo’n knaap als zanger-gitarist Peter Beeker vergeleken weet met iemand als Ryan Adams en zijn band met groten als de Black Crowes of de Stones, dan ga je als nuchtere Vlaming de wenkbrauwen toch even fronsen. Maar… De nieuwsgierigheid behaalde zoals vrijwel steeds vrij snel de bovenhand en amper één beluistering verder konden we nauwelijks anders dan onze noorderburen in hun devotie bijtreden. De al in 1990 opgerichte Ongenode Gaste blijken immers een retestrak op elkaar ingespeeld gezelschap, dat met zijn aanstekelijke in het Limburgse dialect gebrachte rockliedjes ook wat ons betreft de jongste worpen van Ryan Adams met de nodige lengtes achter zich laat. Beeker is als songwriter een echte revelatie. En wat hij ons met zijn maats Jan Willem Eleveld (bas) en John Snels (drums) en een stel genode gasten als BJ Baartmans (gitaar), Dicky Franssen (Hammond), Mike Roelofs (keyboards) en Sjoerd Rutten (percussie) op “Veur Dees Nach” voorschotelt, is nagenoeg onweerstaanbare, bij momenten inderdaad wat Crowes-georiënteerde dialectrock, waar ongetwijfeld ook niet-Limburgers wel raad mee zullen weten. Opener “Ik Wil Dich” bijvoorbeeld is een stukje zonnige gitaarrock dat gewoon schreeuwt om wat radio-erkenning. En het ingehouden op een breuk afsturende “De Langste Nach” hoeft daar amper voor onder te doen. Als Beeker passioneel besluit met de woorden “Ik heb te lang gerend um noow inens stil te staon. Kin se mich vergaete vanaaf now,” kan je nauwelijks anders dan meevoelen met “het slachtoffer” van zijn zucht naar vrijheid. En dan is er nog het breekbare “Taegeleech”, dat ons in één en dezelfde beweging zowel aan Grant Lee Buffalo als aan Whiskeytown deed denken. Veel mooier zal je de met een afscheid gepaard gaande emoties niet snel horen verklanken. Een wereldnummer gewoon! En zo gaat het hier maar door: via het aangenaam wegrockende tweetal “Donderloch” en “Duuvels En Ingels” over het alweer adembenemend mooie, in een overwegend akoestische setting gebrachte “Ik Draag Waat ’T Waegt” tot het pittige “Zonder Gêne”, het broeierige “Dich Hats Mich Motte Zeen” of de afsluitende, met producer BJ Baartmans gebrachte ballade “Alles”.

Negen nummers lang is het hier volop genieten geblazen. En wij haasten ons dan ook om een inhaalmanoeuvre in te zetten en op zoek te gaan naar het al in februari van 2000 verschenen debuutalbum van deze bende, “Arizona Stop” (Sky / Telstar). Met in het achterhoofd de gevleugelde woorden die streekgenoot Jack Poels van Rowwen Hèze ooit verkondigde: “’t Is een kwestie van geduld, rustig wachten op de dag dat heel Holland Limburgs lult.” En wat ons betreft mag je daar vanaf nu zelfs rustig Vlaanderen aan toevoegen!

www.inbetweens.com

 

 

ZOE SPEAKS

“Birds Fly South”

(Redbird Records)

(3.5) J J J J

 

In onze recensie van één van de mooiste albums die we de jongste weken bespraken, “Matador Karma” van The Betweeners, kwamen ze zijdelings al even ter sprake en vandaag zijn ze zelf aan de beurt, het in Kentucky geboren en getogen koppel Mitch Barrett en Carla Gover, oftewel Zoe Speaks. Op hun tweede CD brengen deze voormalige winnaars van zowel Kerrville’s New Folk Contest, Kerrville’s Music To Life Contest, als de al even gereputeerde Chris Austin Songwriting Contest op het jaarlijks weerkerende Merlefest in Wilkesboro, North Carolina een eerbetoon aan hun roots, te weten de muziek van de Appalachen. “Birds Fly South” groeit zo uit tot een mooie collectie opgevuld met ingetogen versies van traditionele ballades, opgewekte fiddledeunen en gospelliedjes uit de kinderjaren van het stel, aangevuld met kwalitatief erg sterke nieuwe eigen nummers. In het grensgebied tussen folk en bluegrass tonen Barrett en Gover zich bijzonder getalenteerde chroniqueurs van het leven van alledag in het Zuiden. Het best komt dat tot uiting in werkelijk oorstrelend mooie liedjes als het introspectieve openingsnummer “I Believe”, het bedrieglijk opgewekte titelnummer over de lokroep van een betere toekomst in de industriesteden van het Noorden en het even eenvoudige, als aanstekelijke “Viola” over een dienstertje in een truck stop.

www.zoespeaks.com

 

 

LAURA VEIRS

“Carbon Glacier”

(Bella Union)

(3.5) J J J J

 

Op haar ondertussen toch ook alweer vierde CD, de opvolger van het hier vorig jaar nog behoorlijk lovend onthaalde “Troubled By The Fire”, het naar een gletsjer aan de noorderkant van Mount Rainier vernoemde “Carbon Glacier”, strooit de in Seattle woonachtige liedjesschrijfster-zangeres Laura Veirs weer kwistig in het rond met dromerig aandoende ballades. De eigenzinnige muzikale invulling ervan verleent aan het album een bepaald apart karakter. In een kristalheldere productie van Tucker Martine (Jesse Sykes, Howe Gelb, Jim White) leveren zo diverse instrumenten als de banjo, de ukelele, de vibraphonette, het glockenspiel, de trombone, de viool en de cello elk zo hun eigen bijdrage tot het creëren van een onderkoelde, enigszins hypnotiserende atmosfeer. Al zal het feit dat de liedjes zonder één enkele uitzondering tot stand kwamen tijdens de voorbije wintermaanden ook wel niet helemaal vreemd zijn aan de opvallend winterse aard ervan. En als je daar bovendien nog aan toevoegt, dat Veirs ze ijselijk mooi vertolkt – denk daarbij bijvoorbeeld maar aan een Sinéad O’Connor, een Suzanne Vega of een Ani DiFranco als referentiepunten, dan is het plaatje wel zo ongeveer compleet. Intrigerend materiaal zondermeer. En als dusdanig vormt deze verzameling liedjes over zo uiteenlopende onderwerpen als schipbreuk lijden, sneeuwstormen, piratenvrouwen, schoorsteenvegers, sterfelijkheid en moderne technologie een welgekomen aanvulling voor elke zichzelf respecterende neo-folkcollectie.

www.lauraveirs.com

www.bellaunion.com

www.luckydice.nl

 

 

MICHAEL FRACASSO

“A Pocketful Of Rain”

(Lone Star Records / Texas Music Group)

(4) J J J J

 

Als kind van Italiaanse migranten groeide Michael Fracasso op in Mingo Junction, Ohio. Het al bij al vrij uitzichtloze bestaan in dat stadje zou hij evenwel al snel na zijn collegejaren achter zich laten om op zoek te gaan naar zijn muze. Zo belandde hij vooreerst in New York, alwaar hij de stiel van songwriter probeerde te leren. Maar ook dat bleek vlug geen eindstation te zijn, want in 1990 trok hij met zijn hele hebben en houden zuidwaarts om zich vooralsnog definitief te vestigen in Austin en van daaruit zijn carrière uit te bouwen. Dat leverde tot op heden vier goede tot zeer goede platen op, die de man een alsmaar groeiende reputatie binnen kennerskringen bezorgden.

In navolging van dat viertal verschenen zopas vrijwel gelijktijdig de dubbele verzamelaar “Retrospective” en ’s mans eerste nieuwe studioplaat in goed zes jaar, “A Pocketful Of Rain”. En het heeft er alle aanschijn van, dat dit zowat zijn “carrièreplaat” moet gaan worden. Kosten noch moeite werden alvast gespaard om er iets speciaals van te maken. Eén blik op de guest list zegt wat dat betreft genoeg. Met de namen van klasbakken als een Patty Griffin, een Eliza Gilkyson en een Beaver Nelson erop oogt die bijzonder veelbelovend. Alle ingrediënten voor een vliegende nieuwe start lijken dus voorhanden.

En onze hooggespannen verwachtingen worden ook volop ingelost. Van bij de erg mooie ingetogen Americana van de samen met Patty Griffin gebrachte opener “All Or Nothing” voelden we ons hier meteen helemaal thuis. En als Fracasso er elf tracks verder met het al even prachtige “Shoot’n For Love” een punt achter zet, dan hebben we ons geen moment verveeld. Er is het dekselse bluesy “Devil’s Deal” (opnieuw met Patty Griffin), er is het knappe rootspopliedje “Turned You Down” (met zijn bekoorlijk rinkelende gitaren), er is het verstilde “Whiskey Mother” (met fraai herfstig cellowerk van Brian Standefer) en natuurlijk ook nog het infectieuze “K.C.” (met de Diva Sextion, oftewel Gilkyson en Griffin, tekenend voor de broeierige backings).

Wat ons betreft moet het met deze plaat eindelijk maar eens gaan gebeuren voor Michael Fracasso. De man schrijft immers uitstekende liedjes en weet ze ook op voortreffelijke wijze te vertolken. Slechts één cover op deze plaat trouwens en ook die getuigt van goede smaak. Samen met de al jaren als één van de grootste talenten onder de meute jonge Texaanse songwriters geldende Beaver Nelson laat Fracasso Townes Van Zandts “Loretta” openbloeien tot een heerlijk stukje rootspop dat zich met geen stokken meer uit je hoofd laat wegdrijven.

Erg knappe plaat dus!

www.michaelfracasso.com

www.txmusicgroup.com

 

 

RD ROTH & THE ISSUES

“Fear Not The Breakdown”

(Floating Moon)

(4) J J J J

 

Toen we hier zowat een jaar geleden “From The Ears Down” bespraken, het debuut van singer-songwriter R.D. Roth, staken we onze bewondering voor de man al niet echt onder stoelen of banken. En met “Fear Not The Breakdown”, zijn “moeilijke tweede”, bewijst hij opnieuw alle aandacht meer dan waard (geweest) te zijn. Op die door haar bijzonder eclectische benadering opvallende plaat komt Roth steeds meer in het vaarwater van het avant-gardistische countrygezelschap Lambchop terecht. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de in een duistere, wat desperate sfeer ondergedompelde opener “The Fiddle” (met zijn knappe baritonsaxbijdrage door Deanna Varagona) of naar het vaag ook wel een beetje aan The Animals herinnerende “The Brentwood” en je zal onmiddellijk begrijpen wat we bedoelen. Elders, zoals in “Ear To The Ground” of “Hey All You Hipsters”, hadden dan weer eerder Roths vriend Paul K. of Neil Young & Crazy Horse model hebben kunnen staan. In dat laatste nummer, een pittige gitaarrocker, gunt de artiest ons over een humeurig geluidslandschap heen een blik op zijn houding ten overstaan van “de hippe kant van de actuele muziekbiz”.

Dé prijsnummers hier zijn wat ons betreft echter de knappe, samen met Janet Beveridge Bean van Freakwater gebrachte countryballade “When I Left”, het door het gebruik van een speelgoedpianootje en een orgel in een bevreemdend (aan de vroege Triffids verwant) sfeertje badende “Here Comes The Ground” en het radiogenieke “Love In The Alley” – met zijn soulvolle blazers en de zalige achtergrondvocalen van Laura Caragher zo’n beetje de vreemde eend in de bijt hier.

R.D. Roth bevestigt dus volop! En de liefhebbers van singer-songwritermateriaal waarop niet zo alledaagse paden worden bewandeld zullen hun plezier met dit album niet op kunnen. Warm aanbevolen derhalve!

www.rdroth.com

 

 

NATALIE MERCHANT

“The House Carpenter’s Daughter”

(Myth America Records / CRS)

(4) J J J J

 

Sinds ze in de jaren negentig de succesvolle folkrockformatie 10,000 Maniacs de rug toekeerde, bracht Natalie Merchant met wisselend succes vier albums op eigen benen uit. Noch “Tigerlily” (1995) of “Ophelia” (1998), noch het live-album “Live In Concert” (1999) of “Motherland” (2001) wisten echter in hun totaliteit te bekoren. Ondanks de handvol mooie liedjes die zich op elk van die platen wel lieten aanwijzen, leek het erop dat Natalie Merchant toch vooral zoekende was. Op zoek naar zichzelf en naar de plaats die er voor haar nog was weggelegd in een alsmaar rasser evoluerende muziekbusiness. Dat bracht haar uiteindelijk zover om haar jongste CD “The House Carpenter’s Daughter”, een collectie nieuw leven ingeblazen traditionele en contemporaine folkliedjes, geheel voor eigen rekening uit te brengen. Ze stampte daartoe haar eigen platenlabel Myth America Records uit de grond. En aanvankelijk was het album zelfs uitsluitend verkrijgbaar via haar eigen website. Maar gezien het warme onthaal ervan door zowel fans als critici over de gehele wereld zou het uiteindelijk toch ook via andere kanalen worden aangeboden. En sinds kort is het dankzij CRS nu ook voor muziekliefhebbers in de Lage Landen een stuk makkelijker verkrijgbaar.

Op “The House Carpenter’s Daughter” leren we Merchant van een geheel andere kant kennen. Bijzonder liefdevol ontfermt ze zich over een verzameling liedjes die haar vanuit diverse hoeken kwamen toewaaien. Daarbij wordt ze ondermeer bijgestaan door gitaristen Erik Della Penna en de hier ook niet geheel onbekende Gabriel Gordon, bassist Graham Maby, drumster Allison Miller en het nog van The Horseflies bekende tweetal Judy Hyman en Richie Stearns op respectievelijk viool en banjo. De backing vocals worden verzorgd door The Menfolk en voor een occasionele piano-, orgel- of accordeonbijdrage tekent Elizabeth Steen.

In dat selecte gezelschap klinkt Natalie Merchant beter dan ooit tevoren. Elf nummers lang is er sprake van een zekere magie. Vooral dan in het heerlijke countryfolkdeuntje “Bury Me Under The Weeping Willow”, in het cajuneske “Down On Penny’s Farm” en in het liedje waaraan het album zijn titel ontleende, “House Carpenter”. Het eerste van dat drietal was het allereerste nummer dat The Carter Family in 1927 voor het nageslacht vereeuwigde. Terwijl de andere twee Merchant bereikten via respectievelijk Harry Smith’s standaardwerk “The Anthology Of American Folk Music” en Jeff Tweedy van Wilco. Verder springen ook de perfecte, door een sombere baslijn gedragen moordballade “Diver Boy”, het uit het songbook van de Fairport Convention geplukte “Crazy Man Michael” en het beklemmende mijnwerkersliedje “Which Side Are You On?” in het oog. Op geen enkel ogenblik laat Merchant zich tot gemakzucht verleiden. Alles klinkt eigenlijk even bevlogen. De opvallende gedrevenheid waarmee ze zich hier van haar taak kwijt is te allen tijde voorbeeldig te noemen.

Voeg daar nog aan toe het fraaie, uitstekend gedocumenteerde artwork van eigen hand en je houd een knap staaltje folk voor een nieuwe generatie in de hand. Laat ons dan ook hopen, dat het niet bij een eenmalige onderneming blijft.

www.nataliemerchant.com

www.continental.nl

 

 

MOOT DAVIS

“Moot Davis

(Little Dog Records)

(4) J J J J

 

Voor wie zijn country nog graag lekker puur geserveerd krijgt, heeft Pete Anderson, de man die als producer en gitarist Dwight Yoakam mee groot hielp maken, een nieuwe serieuze verrassing in petto. Op zijn label Little Dog Records debuteerde immers zopas de uit Trenton, New Jersey afkomstige, maar via een ommetje langs Nashville in Californië belande Moot Davis. En wat die knaap op zijn eersteling klaarmaakt, zal zo menig een countryhart al vlug een paar slagen sneller doen slaan. Daarbij vakbekwaam bijgestaan door zijn mentor Anderson baant hij zich een weg doorheen tien heerlijke honky tonk liedjes, die het muzikale erfgoed van gerespecteerde voorgangers als pakweg een Faron Young of een Ray Price met veel bravoure de eenentwintigste eeuw binnensmokkelen.

Om het met de titel van een niet zo heel erg lang geleden verschenen compilatiereeks gewijd aan de oude grootmeesters zelf te zeggen: honky tonk as good as it gets! Yoakam en kompanen hebben er met Moot Davis & The Cool Deal een te duchten concurrent bij, maar dat zal ons een grote zorg zijn. Wij genieten al enkele dagen met volle teugen van dit werkelijk fenomenale debuut!

www.mootdavis.com

www.littledogrecords.com

 

 

BATTERY LIFE

“Shotgun Loudmouth”

(Avebury Records)

(2.5) J J J

 

Paul Almanza (zang, gitaren), Mike Lawrence (zang, bas, mondharmonica) en Scott Hillman (drums) stappen gezamenlijk door het leven als Battery Life, een rootsy gitaarrockbende, die duidelijk goed bij de les is geweest toen het hoofdstuk Hüsker Dü ter sprake kwam. Net als die Amerikaanse punkiconen lijkt het drietal uit Los Angeles het op zijn debuut immers vooral te moeten hebben van snelle, puntige liedjes die aan je voorbijgeraasd zijn voor je er goed en wel erg in hebt. Anders dan de cultgroep uit Minneapolis laten de heren zich echter niet vastpinnen op één enkel genre. Er blijkt vrijwel voortdurend voldoende ruimte over te blijven voor wat meer rootsgericht materiaal ook. Voorbeelden daarvan zouden kunnen zijn het op een bliksemsnel countryritme voortjakkerende tweetal “Typical Thinking Man’s Blues” en “Gone Home” en het melodieuze “I Am The Trade”, dat er hier duidelijk tussen uitspringt met zijn vrolijk jengelende gitaren en zijn knappe samenzang.

Om echt op te vallen in het huidige (over)aanbod klinkt “Shotgun Loudmouth” naar onze bescheiden mening echter toch net iets te gewoontjes. Dan lijkt Battery Life ons eerder zo’n bandje dat je live aan het werk gezien moet hebben. In een zwaar berookte tent, waar het bier in sloten stroomt, komt dit soort van energiek materiaal door de band genomen immers een stuk beter tot zijn recht, dan wanneer je er thuis vanuit de luie zetel aan moet.

www.aveburyrecords.com

 

 

ALLISON MOORER

“The Duel”

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J

 

Zoals we hier enige tijd geleden al berichtten, maakte de bekoorlijke Allison Moorer kort na het inblikken van haar live-album “Show” de overstap van Universal South naar het een uitstekende reputatie genietende independent label Sugar Hill – onlangs bijvoorbeeld ook nog verantwoordelijk voor de bijzonder geslaagde nieuwe van Grey De Lisle. En de eerste plaat die uit die samenwerking resulteert, is er meteen eentje om zonder verpinken in je hart te sluiten. In het gezelschap van haar vaste producer R.S. Field (voor de gelegenheid ook achter het drumstel postvattend), haar wederhelft Butch Primm, Adam Landry (Stateside, The Sways, zang en gitaren), John Davis (Superdrag, zang, bas, gitaren, steel, orgel, piano), Steve Conn (piano) en Sonny Red (harmonica) perst Moorer er haar ruwste diamant tot op heden uit. Een stuk luider dan voorheen, zonder dat je er daarvoor meteen de term rockplaat voor dient te hanteren. Opvallend is wel, dat heel wat van de door Moorer en Primm gecomponeerde liedjes zich hier uitstekend thuis lijken te voelen in de buurt van beheerst rockende gitaren. Daardoor gaat het geheel toch iets minder country dan wel soulvol aanvoelen dan haar vorige platen. In plaats daarvan wint “The Duel” echter enorm aan diepgang. “Alle liedjes op dit album hadden eigenlijk “The Duel” kunnen heten,” zegt Moorer zelf daarover. “Ze gaan allemaal over het gevecht, niet over de afloop ervan. In het resultaat heeft men het immers altijd over de winnaars – maar tijdens het gevecht zelf denken de verliezers nog altijd een kans te maken.” Een interessante invalshoek!

En die bovendien een apart licht werpt op liedjes als “Melancholy Polly”, een knappe rootspopdeun met autobiografische trekjes, waarin Moorer zich bij momenten weer de ziel uit het lijf zingt. Elders gaat het er sporadisch lekker pittig aan toe, zoals bijvoorbeeld al in het rootsrockertje bij het begin van het album “I Ain’t Giving Up On You” of in het verbeten “Believe You Me”. Maar op haar best blijft Moorer als je ’t ons vraagt toch wanneer het allemaal wat kalmer aan mag. Lekker soulvol zoals in het vanuit het standpunt van een smekende dronkaard aan een bar geschreven “One On The House”, pakkend akoestisch zoals in het titelnummer met enkel Steve Conn op de piano en Sonny Red op de harmonica in de buurt (over iemand die samen met zijn / haar geliefde ook zijn / haar geloof verliest) of verstild zoals in het bijzonder mooie afscheidsliedje “Sing Me To Sleep”, waarin het laatste verzoek van een stervende luidt:

“I’m asking please don’t say goodbye

Sing me to sleep one more time.”

Al moeten we onszelf dan toch ook weer even tegenspreken, want het mooiste nummer van de plaat is het soulvolle stukje Americana “Louise Is In The Blue Moon”, waarin Moorers stem en het orgel van Conn en de elektrische gitaar van Adam Landry een magisch huwelijk aangaan.

“The Duel” zou commercieel gezien voor Allison Moorer een stap achteruit kunnen betekenen, maar artistiek gezien is het dat dus zeker niet. En eigenlijk hopen we gewoon heimelijk, dat ze net als Dolly Parton - ook al ondergebracht bij Sugar Hill - toch massa’s platen mag verkopen van dit erg knappe album.

www.allisonmoorer.com

www.sugarhillrecords.com

 

 

LAST CALL

“10”

(Red White ‘n’ Blues / Music & Words)

(4) J J J J

 

“Dit is Belgisch!” Het was ooit de vlag die een fiere jonge garde Belgische modeontwerpers dekte, maar wij draperen ze liefdevol over een stel jonge (en ondertussen al minder jonge) honden, die België de voorbije jaren stormenderhand op de blueswereldkaart plaatsten. Van de inmiddels alweer ter ziele gegane Electric Kings tot het bruisende El Fish, van de rootsy Seatsniffers tot het eclectisch ingestelde Last Call en nog een hele trits anderen – blues leeft in Vlaanderen, zoveel is ondertussen wel zeker.

Het doet dan ook enorm veel plezier om het Antwerpse Last Call zijn tiende verjaardag te zien vieren met zijn passend getiteld vierde album “10”. Daarop blijkt RC Stock op bas vervangen te zijn door Luc Michiels, een man die zijn sporen eerder verdiende bij het relatief succesvolle funk(pop)combo Wizzards Of Ooze. Met Henk Van Der Sypt (zang, diatonische trekharmonica, mondharmonica, gitaar, bajo sexto, washboard), Luke Alexander (ex-Electric Kings en gitaren) en Steve Wouters (drums) vormt hij de line-up van een groep die met haar nieuwe album ook in de States vaste voet aan de grond wil gaan krijgen. En gezien de constant erg hoge kwaliteit van de door de tandem Alexander-Van Der Sypt aangedragen liedjes zouden ze best wel eens in dat opzet kunnen slagen ook.

Zoals dat voorheen ook al steeds het geval was, beperkt Last Call zich ook ditmaal allesbehalve tot louter de blues. Hun muziek is één grote smeltkroes van elementen uit Tex-Mex, cajun, country, r&b, blues en andere in de zuidelijke staten van Amerika courante stijlen. Wat het eindresultaat er natuurlijk alleen maar om zo intrigerender op maakt.

Via de wat sloom aandoende, door de gitaar van Luke Alexander gedragen opener “Stronger Man” belanden we zo al snel bij een stukje dampende moderne (rhythm &)blues luisterend naar de titel “Nighttime Radio” en volop profiterend van de tenorsaxtalenten van gastmuzikant J.B. Biesmans. Diezelfde Biesmans treffen we trouwens wat verderop nog eens aan op het al even stomende, mede door zijn honkende bijdrage wat aan de Seatsniffers herinnerende “Welcome”. Tussendoor genoten we vooral van een bijzonder knappe, enigszins lome cajuneske bewerking van Moon Martin z’n klassieke “Cadillac Walk”, van de pure roots van het met een fraaie Tex-Mex (accordeon) touch gezegende “Thinkin’ About You”, van de ijzig mooie country van “Waiting To Go” (met maatje Raf Timmermans excellerend op respectievelijk dobro, lap steel en mandoline) en zeker ook van de soon to be funky live-favoriet “Bite The Bullet”.

Stof genoeg dus alleszins om de veelzijdigheid van deze bende gedreven muzikanten eens te meer te accentueren. Een goede raad daarom: als je ze één dezer ergens in de buurt live aan de slag kan zien, aarzel dan vooral geen moment. Ondertussen kan “10” alvast dienst doen als een bijzonder geslaagd alternatief voor huis- en tuingebruik.

www.last-call.net

www.musicwords.nl

 

 

JON LANGFORD

“All The Fame Of Lofty Deeds”

(Bloodshot / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Een gebrek aan ijver is wel zo ongeveer het allerlaatste wat je de in Chicago verzeild geraakte Welshman Jon Langford kan verwijten. Tussen zijn bedrijvigheden bij de Mekons, de Waco Brothers en de Pine Valley Cosmonauts door heeft hij nu weer de tijd gevonden om ons een tweede soloplaat voor te schotelen.

Het wederom met prachtig artwork van eigen hand uitgedoste “All The Fame Of Lofty Deeds” schetst het verhaal van een zanger die het weliswaar van obscuriteit tot rijkdom weet te schoppen, maar die gefnuikt door nodeloze compromissen en verraad ook snel weer in de goot beland. Zoals we dat van Langford ondertussen gewoon zijn geraakt, is daarbij de scheidingslijn tussen punk en (alt.) country bewust weer erg vaag gehouden. Met de gedrevenheid van een jonge Strummer werkt hij zich doorheen een elf songs omvattende reeks even gevarieerde, als knappe liedjes, waarbij het maar moelijk stilzitten blijkt.

Titelnummer “The Fame Of Lofty Deeds” is zo lome country noir, waarvoor ook de Pine Valley Cosmonauts toevallig in de buurt bleken. En ook onder de live ingeblikte slome, bluesy honky-tonker “Trouble In Mind” treffen we hun naam aan. Samen met het opgewekte “Constanz” (met voorwaar zelfs een leuke cajun accordeonbijdrage), waarvoor hij de hulp inriep van Hillbilly Lovechild, zijn dat echter de enige drie momenten waarop Langford de klus niet in zijn eentje klaart.

Het rootsy “Sputnik 57” herkauwt vanuit zeer persoonlijk perspectief over een fraai streepje dobro van Jon Rice een stukje wereldgeschiedenis. Terwijl “The Country Is Young” het moet hebben van een trage Americana-aanpak, waarin een centrale rol is weggelegd voor een piano. Een heel ander paar mouwen is dan “Hard Times”. Bij die lap oercountry is het moeilijk om niet ogenblikkelijk aan Johnny Cash te gaan denken.

Ook heel leuk: het speelse rootsrockertje “Nashville Radio”, waarin Langford zijn r nog nadrukkelijker lijkt te willen laten rollen als elders. The Clash goes country, denkt een mens dan… En als Jon Rice ‘m aansluitend in “Living In A Lie” serieus van jetje komt geven op de mandoline, dan wordt de daardoor uitgelokte brede glimlach eigenlijk alleen nog maar een flink stuk breder.

Met “All The Fame Of Lofty Deeds” levert Langford met andere woorden een zoveelste bewijs voor de stelling, dat hij als één van de markantste figuren uit de geschiedenis van alt. country als genre dient te worden gezien. Meer nog, met het ouder worden lijkt de man alleen nog maar aan zeggingskracht te winnen. En daar kunnen we met z’n allen alleen maar gelukkig om zijn, niet toch?

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.nl

 

 

SARAH HARMER

“All Of Our Names”

(Zoë Records / CRS)

(4) J J J J

 

Zelfverzekerd blikt de mooie Sarah Harmer vanop het hoesje van haar nieuwe album “All Of Our Names” de toekomst tegemoet. En daar heeft ze alle reden toe ook! De opvolger van het in haar thuishaven Canada met platina gehonoreerde en zowat overal ter wereld door de critici lovend onthaalde “You Were Here” is immers opnieuw een prachtplaat geworden. Een album dat haar mits wat meeval ook elders in de gunst der volkeren zou moeten kunnen stuwen. Vooral diegenen onder jullie die Suzanne Vega een warm hart toedragen zullen aan Harmers derde een flinke kluif hebben. De Canadese zangeres-liedjesschrijfster bevaart daarop immers met een zekere regelmaat dezelfde muzikale wateren als deze die door haar veel bekendere collega op haar eerste twee platen werden aangedaan. Vooral veel vrij intimistische, folk georiënteerde popliedjes hier dus, die zich ogenblikkelijk knus tussen je oren nestelen.

“All Of Our Names” werd grotendeels gewoon bij Harmer thuis in de buurt van Kingston, Ontario ingeblikt. En daarbij werd de muzikale inkleding beperkt tot het hoogst noodzakelijke. Tekstueel gezien schotelt de Canadese ons een reeks verleidelijke kortverhalen voor, waarin vooral haar natuurverbondenheid en de tijd een centrale rol lijken te spelen. Het geheel wordt daardoor iets minder persoonlijk als zijn voorganger, al is dat natuurlijk allemaal relatief. Wanneer iemand zich immers, zoals dat hier het geval is, presenteert als een observator van het leven van alledag, dan kan je het eigen ik nooit helemaal uitsluiten. En dat hoeft natuurlijk ook helemaal niet.

De ruggengraat van het album noemt Harmer zelf het na een trip naar Amsterdam geschreven “Dandelions In Bullet Holes”. In dat dromerige folkdeuntje roept ze haar medemensen op om elk voor zich een steentje bij te dragen tot het veranderen van het huidige wereldbeeld. Hoe hopeloos dat ook lijkt, zegt ze, het kan. “Silver Road” bleef ons al meteen na de eerste beluistering bij als persoonlijke favoriet. Prachtige folky pop is dat, met die heerlijke falsetto-accentjes van Harmer zelf en het schitterende gitaarwerk van haar landgenoot Jim Bryson als kers op de taart. En uit datzelfde vaatje wordt hier wel meer getapt! Ook de relaxte opener “Pendulums” en het beheerst rockende “Almost” zijn catchy as hell. En dan is er nog het wat donkerdere “Took It All”. Harmer schreef dat liedje over hebzucht op verzoek van een radiojongen die werkte aan een reeks over de 7 hoofdzonden. Net als “Silver Road” is het een nummer dat zich zo snel niet meer uit je hoofd laat bannen. Een speciale vermelding tenslotte ook nog voor “Go To Sleep”. Daarin toont Harmer zich op haar kwetsbaarst: gitaar, wurlitzer,… Pure klasse!

Op zaterdag 3 april staat ze naar aanleiding van het tweede Roots Of Heaven-festival op de planken van Het Patronaat te Haarlem. En het zou ons in het geheel niet verbazen mocht ze daar met deze collectie liedjes heel wat nieuwe zieltjes voor zich winnen.

www.sarahharmer.com

www.continental.nl

 

 

BECCA SUTLIVE

“One Bedroom Apartment”

(Madfence Music)

(3.5) J J J J

 

Lucinda Williams, Bruce Springsteen, Van Morrison, Tom Petty, Gillian Welch, Steve Earle, Gram Parsons, Richard Buckner, Bob Dylan, Johnny Cash… Het lijstje met invloeden dat de jonge, vanuit San Francisco debuterende zangeres-liedjesschrijfster Becca Sutlive ons voorlegde oogt bepaald impressionant. En aandachtig geluisterd heeft ze! Zoveel is wel zeker na het genieten van haar geslaagde eersteling. Op die plaat pakt Sutlive immers uit met tien sterke zelfgepende liedjes, die – gedragen door haar werkelijk prachtige stem, die klinkt als een soort kruising tussen Lucinda Williams, Aimee Mann en vooral ook Chrissie Hynde van de Pretenders – stuk voor stuk niet zouden misstaan op de radio. Hartverscheurende ballades (zoals “Bay Love” en “She Came Back”) worden afgewisseld met lekkere folk- en countryrockertjes (als het titelnummer en “Just Too Much”), die met elke draaibeurt een wat diepere indruk op je trommelvliezen achterlaten. “One Bedroom Apartment” is eigenlijk het soort plaat zoals je ze eerder verwacht van een min of meer gevestigd label als Lost Highway dan van een voor eigen rekening opererende debutant. En Becca Sutlive is een bijzonder zelfverzekerde tante die zich ruimschoots de tijd heeft genomen voor haar muzikaal visitekaartje en daarbij bovendien mocht rekenen op flink wat hulp van kleppers als een Will Jennings (harmonica) of een Dave Zollo (keyboards) en leden van Shame Train, The Letterpress Opry, Big Wooden Radio, de Diplomats Of Solid Sound en de Kelly Pardekooper Band. Iets waar zich natuurlijk niet naast laat luisteren…

Van ons mag deze Sutlive dan ook zo in het rijtje van de Williamsen, de Harmers, de Merritts, de Stearnsen en ander schoon actueel rootsy vrouwvolk. Sterk debuut!

www.beccasutlive.com

Miles Of Music

 

 

ERIC BURDON

“My Secret Life”

(SPV)

(3) J J J

 

Eric Burdon behoort al sinds jaar en dag tot het selecte clubje van muzikale grootheden dat niet zonodig meer iets hoeft te bewijzen. Vooral zijn dagen als kopstuk van The Animals en hun - ook na duizenden luisterbeurten gewoonweg niet kapot te krijgen – hits als “House Of The Rising Sun” en “Don’t Let Me Be Misunderstood” zullen immers voor eeuwig in het collectieve geheugen der mensheid gegrift blijven.

Het is dan ook een prettige gewaarwording om toch weer eens iets van de man te mogen vernemen. Op zijn nieuwe CD “My Secret Life” blijkt Burdon – in tegenstelling tot flink wat van zijn generatiegenoten - nog steeds bijzonder goed bij stem en waagt hij zich gedurfd aan een veelheid van stijlen. Via de fraaie soulvolle opener “Once Upon A Time” gaat het zo over de jazzy exotica van “Motorcycle Girl” in snel tempo naar het gezapig rockende “Over The Border” en de mysterieuze, met een subtiele scheut reggae aangelengde pop van “The Secret”. Eén van de stand-outs hier is aansluitend het spaarzaam begeleide “Factory Girl”. Al was het maar omdat in dat beklijvende liedje overduidelijk sporen van ’s mans hoogdagen herkenbaar zijn. Andere erg knappe momenten zijn het een beetje aan Tony Joe White’s swamp rock verwante “Highway 62”, het op een olijke skabeat rondtollende “Black And White World”, het venijnig rockende “Devil Slide” en de net als het openingsnummer erg soulvolle titeltrack.

Enkel zijn (melige) jazzy uitvoering van de Talking Heads classic “Heaven” had de man wat ons betreft beter achterwege gelaten. Voor het overige gewoon een aangename plaat van een hele grote meneer.

www.spv.de

 

 

STEVE OWEN

“The Turlock 2”

(Ethic Recordings)

(4) J J J J

 

 “The Turlock 2” is de enigszins misleidende titel van de bijzonder knappe vierde CD van singer-songwriter Steve Owen. De man die ons in 2000 al in aangename zin wist te verrassen met “… Like An Atheist In Nashville” is in de voorbije jaren muzikaal duidelijk nog flink gegroeid. En dat leidt op zijn in het gezelschap van Kurt Stevenson van Ruby Rakes (dobro, fiddle, upright bass, gitaar, backing vocals) en David Reidy (mandoline, gitaar, upright bass, drums, piano, backing vocals) ingeblikte nieuwe album tot tien fraaie country-folk-liedjes die beurtelings tot een glimlach en een traan bewegen. Het meest in het oog springende daarvan is zonder ook maar de minste twijfel het ludieke “Power Tools And Alcohol” over een door drank “in de hand gewerkt” arbeidsongeval, waarbij één van de betrokkenen zich een spijker door de hand schiet, “right through the palm, just like Jesus Christ”. Het is een treffend voorbeeld om te illustreren, dat liedjesschrijvers van het kaliber van Owen aan het leven van alledag een ruimschoots voldoende bron van inspiratie voor hun teksten hebben.

Ander bijzonder leuke momenten zijn het met een flinke shot bluegrass geïnjecteerde “Today Is The Day”, het een beetje aan Guy Clark herinnerende “A Pair Of Brown Shoes”, het tekstueel ook weer bijzonder sterke “I’m Sorry Jimmie Rodgers” – I hate trains – en een ingetogen cover van het al van de Replacements bekende “Skyway”.

Al bij al is “The Turlock 2” één van de betere Americanaplaten die ons dit jaar al bereikten. En Steve Owen zelf? Da’s er duidelijk eentje voor de toekomst!

www.steveowen.com

www.shuteyerecords.com

Miles Of Music

 

 

QUIET LONER

“Secret Ruler Of The World”

(Circus65 Records)

(3.5) J J J J

 

Quiet Loner is een vier man sterk collectief rond de uit Manchester afkomstige singer-songwriter Matt Hill. Samen met zijn maat Alan Cook (Adam Masterson, The Good Sons) en de tweeling Mike en Dave Davies (Hired Gun, The Witnesses) timmert de man al sinds 2001 serieus aan de alt. country-weg. En via een reeks in eigen beheer uitgebrachte EP’s resulteerde dat ook reeds tot enige bekendheid in de eigen Britse achtertuin. Engelse bladen en e-zines als Uncut, Americana-UK en Comes With A Smile noemen Hill zelfs al in één adem met klasbakken als een Richard Buckner en een Elvis Costello.

Genoeg alvast om onze nieuwsgierigheid op te wekken! En dus trokken we gewapend met een flinke dosis achterdocht op onderzoek uit en moesten we – een beetje tot onze eigen grote verbazing eigenlijk – vaststellen, dat Hill de hem vooruit snellende reputatie best wel te rechtvaardigen vermag. De man is gezegend met een aangename, uit dezelfde lade als die van Costello en John Wesley Harding gevallen stem en zijn liedjes hoeven beslist niet onder te doen voor die van veel bekendere Amerikaanse voorgangers.

Op “Secret Ruler Of The World” worden de wat donkerdere achterbuurten van (Alt.)Countryland verkend, zonder dat dit meteen hoeft te leiden tot een geheel en al mistroostige muzikale bedoening. Zo wanhopig als de teksten van Hill vaak klinken, zo opgeruimd komen de liedjes in hun totaliteit regelmatig over. Het klinkt een beetje paradoxaal, maar dat is het hoegenaamd niet. Als Morrissey – in navolging van de eerder al even genoemde Costello bijvoorbeeld – ooit zou besluiten tot het maken van een alt.country-album over te gaan, dan is de kans behoorlijk groot, dat het eindresultaat van dat voornemen zich ergens in de buurt van Quiet Loner zal laten situeren, om maar iets te zeggen…

Een pluim trouwens ook nog vlug even voor Kirsty McGee die zich hier in bijzonder positieve zin doet opmerken met haar fraaie vocale gastbijdragen. Andere “prominente” gasten zijn ook nog Sian Webley (van Anna Kashafi) en Quiet Loner’s stalgenoten van The Havenots.

www.quietloner.com

 

 

PAUL EDELMAN & THE JANGLING SPARROWS

“North American & Susquehanna”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

 “North American & Susquehanna” is de eerste CD van Paul Edelman & The Jangling Sparrows, een zestal uit Philadelphia geschaard rond de eeuwig optimistische singer-songwriter, die we eerder ook al aantroffen in bekende en minder bekende gezelschappen als She-Haw, de Boxcars, Naked Omaha en The Butcher Holler Boys. En dat debuut kan je eigenlijk bestempelen als een schoolvoorbeeld van een Americanaplaat. Warme vocalen, prachtige harmonieën, een geluid waarin volop ruimte blijkt voor tal van akoestische instrumenten en vooral dan de met liefde door Mike “Slo Mo” Brenner gehanteerde pedal steel, knappe liedjes rond eerder klassieke thema’s als treinen, auto’s, Civil War-soldaten en Abraham Lincoln – hoegenaamd alle ingrediënten voor een aangenaam wegluisterende CD zijn voorhanden. Dit in een productie van Edan Cohen ingeblikte album verdient het dan ook volop om hier even in de schijnwerpers te worden geplaatst. Al wie het net als ons een kans geeft, zal het er snel mee eens zijn, dat fraaie songs als het ingetogen “When It’s Gone”, het soulvolle “Letter In The Dirt” of de puike alt. country van openingsnummer “Ode To An Illinois Lawyer” en vooral ook afsluiter “”The Deacon And The Lighthouse Keeper” bij elke draaibeurt weer een beetje aan aantrekkingskracht bijwinnen.

Mooi zondermeer!

CD Baby (Hier kan je alle liedjes ook al even beluisteren!)

 

 

CHRISTINE MIMS

“Perfect For A Rainy Day”

(Yellow Rose Records)

(3) J J J

 

Christine Mims is een jonge Texaanse schone die op haar eersteling aan het productionele handje van Bobby Flores bewijst van heel wat countrymarkten thuis te zijn. Het ene moment swingt ze lekker je huiskamer binnen (zoals in titelnummer “Perfect For A Rainy Day” bijvoorbeeld), het andere croont ze zich een weg door een klassieker als “Cry Me A River” en terloops grossiert ze vooral ook in fraai gezongen countryliedjes op zowat eenieders maat. Zo steekt ze in “Don’t Touch Me” ongegeneerd andere zangvogeltjes als Patsy Cline of Mandy Barnett naar de kroon, blaast ze Buck Owens’ “Under Your Spell Again” nieuw leven in, levert ze een doorleefde versie van het door Ray Price gepende “Each Time” af en zingt ze ook in “Lonely Street” en “Another Chance” gewoon lekker de sterren van de hemel.

Wie zijn country nog graag op grootmoeders wijze geserveerd weet, zal hier dan ook het nodige plezier aan beleven. Mims kent immers duidelijk haar klassiekers. En als iemand van het kaliber van Bobby Flores zich over je talenten ontfermt, dan is dat meestal ook al een zeer goed teken…

www.christinemims.com

www.yellowroserecords.com

 

 

SAM BUSH

“King Of My World”

(Sugar Hill / Munich)

(3.5) J J J J

 

Sam Bush behoeft hier wellicht nauwelijks nog enige voorstelling. Al ruim dertig jaar lang staat de mandolinevirtuoos in het vak en nadat hij het leeuwendeel daarvan voornamelijk sleet in collectieven als de Bluegrass Alliance, New Grass Revival en Emmylou Harris’ begeleidingsgroep de Nash Ramblers of in de rug van anderen, ging hij zich de jongste jaren vooral toeleggen op het uitbouwen van een eigen carrière. Zo is “King Of My World” dan ook al zijn vijfde CD voor eigen rekening. Op de opvolger van het live-album “Ice Caps: Peaks Of The Telluride” treffen we Bush opnieuw in de studio aan. En in het selecte gezelschap van kanjers als Jon Randall Stewart (zang, gitaar), Byron House (zang, bas), Chris Brown (drums), Brad Davis (zang, gitaar), Reese Wynans (piano), Andrea Zonn (zang, viool) en Larry Atamanuik (drums) laat de man zich ook ditmaal weer niet gewoon voor één gat vangen. Bush excelleert beurtelings op de mandoline, de fiddle, de gitaar, de slide en de banjo en laat zich ook wat de repertoirekeuze betreft niet de minste beperking opleggen. Zo maakt hij zich ondermeer het fraaie “A Better Man” van zijn copain Keb’ Mo’ eigen, tackelt enkele songs van de door hem (en ons) op handen gedragen singer-songwriter Jeff Black (met name het spetterende “They’re Gonna Miss Me When I’m Gone” en titelnummer “King Of The World”), tovert Johnny Cleggs “Spirit Is The Soul” om tot reggaegrass, sluit jazzy swingend af met het een beetje aan Lyle Lovett herinnerende “The Wizard Of Oz” en vereeuwigt eindelijk ook het al een poosje op zijn setlist prijkende “Eight More Miles To Louisville” van countrylegende Grandpa Jones.

Té eclectisch wellicht allemaal voor bluegrasspuristen, maar voor wie zich wat ruimdenkender opstelt een knappe rootsplaat waar naar goede Bush-gewoonte de spelvreugde weer van de eerste tot de laatste noot van af spat.

www.sambush.com

www.sugarhillrecords.com

 

 

FRIEND OF HOWARD

“Friend Of Howard”

(Little Brother Records)

(3) J J J

 

Friend Of Howard zijn een in het schemergebied tussen folk(rock) en Americana opererend viertal geschaard rond zangeres-liedjesschrijfster Martha Berner. De groep die naast de zoetgevooisde Berner zelf (zang, gitaar, trompet, harmonica en percussie) bestaat uit David Sarkis (gitaar, bas), Michael Wild (drums) en Jack Fantastic (keyboards) serveert op zijn titelloze debuut-EP vijf eerder lieflijk aandoende liedjes, die zowel de liefhebbers van pakweg een Edie Brickell, een Natalie Merchant of een Shawn Colvin als die van meer Americana-getint akoestisch materiaal zouden moeten kunnen bekoren. Echt spectaculair wordt het allemaal zelden, maar aangenaam luistervoer is het zeker wel.

www.friendofhoward.com

 

 

CINDY CASHDOLLAR

“Slide Show”

(Silver Shot Records / Texas Music Round Up)

(3.5) J J J J

 

Als graag geziene sessiemuzikanten vroeg of laat uiteindelijk toch eens aan eigen plaatwerk toekomen, dan is het meestal zo, dat collega’s aan wie zij ooit hun diensten aanboden in lijn staan te wachten om met een wederdienst te kunnen bedanken. En dat is in het geval van het debuut van slide- en dobro-virtuoos Cindy Cashdollar, “Slide Show”, niet anders. Ook op daarop wordt een aardig vaatje aan prominente gasten aangeboord. Cashdollar is dan ook bepaald niet de eerste de beste. Zo werkte ze in het verleden ondermeer samen met kleppers als een Bob Dylan, een Graham Parker, een Leon Redbone en BeauSoleil en was ze acht jaar lang de vaste steelgitarist van het Texaanse superswingcollectief Asleep At The Wheel.

En op haar door Dave Sanger geproduceerde eersteling illustreert Cashdollar nogmaals ten voeten uit, waarom haar naam zo vaak op de hoesjes van ons vanuit Texas bereikende albums prijkt. Zelden klonk een steelgitaar zo mooi als hier. Zoals in het weemoedige openingsnummer “Sliding Home” meteen al, waarin de lap steel van Cashdollar en de Fender Stratocaster van Sonny Landreth elkaar op een bijzonder liefdevolle manier omarmen. Oorstrelend mooi gewoon. En da’s dan nog maar het begin! Er is bijvoorbeeld ook nog het zacht swingende “Midnight In Amarillo”, met ook die andere steelgitaarlegende Herb Remington in de buurt. Of het door het flamboyante pianospel van Marcia Ball aangevuurde “Something I Can’t Do” - één van de enige twee niet-instrumentals hier. Ball en Johnny Nicholas (ook al van Asleep At The Wheel-faam) laten je daarin even geloven in Louisiana verzeild geraakt te zijn. En titelnummer “Slide Show” dendert (mede dankzij de inbreng van Steve James) dan weer aan je voorbij als een HST. Terwijl “The Other Woman In My Life” en “Keep My Heart”, beide met de helpende vingers van Mike Auldridge, Redd Volkaert en Jason Roberts in de buurt, gewoon lekkere instrumentale countryniemendalletjes zijn.

De mooiste liedjes zijn echter zondermeer de rustige momenten. Van “Living In A Moment” met Jorma Kaukonen (Jefferson Airplane, Hot Tuna), “Spanish Fandango” met opnieuw Steve James en “Locust Grove” met naast gitarist Artie Traum ook Jay Ungar (violen) en Molly Mason (bas) aan boord word je vanzelf even heel stil.

Geen enkel spoor van drang naar muzikale zelfbevestiging hier dus. Wel integendeel! Zo liefdevol als Cashdollar en haar gasten er op los musiceren, hoor je het eigenlijk nog veel te weinig gebeuren.

www.cindycashdollar.com

Texas Music Round Up

 

 

REMEDY MOTEL

“A Better Life”

(Porch Rock)

(3.5) J J J J

 

De besneeuwde bergtoppen van Utah inruilen voor het zonovergoten zuiden van Californië, het lijkt onoverkomelijk te moeten leiden naar een nauwelijks overbrugbare muzikale barrière, maar die van Remedy Motel zetten de stap toch met veel bravoure. Op de opvolger van hun “6 Days In Westchester”, “A Better Life”, prijken weerom twaalf liedjes die pop, rock en Americana op een unieke manier versmelten tot een zeer aanstekelijke soundtrack bij het leven van alledag. Deze muziek die beurtelings lijkt terug te vallen op het erfgoed van respectievelijk R.E.M., Ryan Adams, Tom Petty en zelfs wijlen Johnny Cash heeft iets bepaald innemends. Daardoor werden singer-songwriter Mica Johnson en de zijnen in het verleden verrassenderwijze zelfs door de surfgoegemeente in de armen gesloten. Men ging zelfs zo ver om hen te bestempelen als “the sound of the American surf culture”. Nooit geweten dat surfers en Americana zoveel gemeen hadden…

Want laat dat duidelijk zijn, dit fraaie twaalftal valt wel degelijk onder de noemer rootsmuziek! Porch rock noemen ze ’t zelf. In een productie van de alom op handen gedragen Niko Bolas (Neil Young, Warren Zevon, Melissa Etheridge) grossiert Remedy Motel in knappe poppy Americana, waarin zowel de een weinig aan Michael Stipe herinnerende stem van Johnson, als het knappe gitaarwerk van de tandem Nate Semerad – Shawn Ryan voortdurend in het oog springen. Van de mooi breed uitwaaierende opener “We’re Alright” over de het leven in een groepje beschrijvende prachtsong “I’m In A Band” tot de trage bluesy rock van “Any Old Time” of het afsluitende, volop naar Texas lonkende streepje country rock “Boise”, één ding hebben alle op “A Better Life” aanwezige songs gemeen: ze zorgen er zonder uitzondering voor, dat je je meteen erg in je nopjes gaat voelen. En dat is dezer dagen niet echt veel platen meer gegeven.

www.remedymotel.com

CD Baby

 

 

JARROD BIRMINGHAM

“Stages”

(Bad Side Music)

(3.5) J J J J

 

De dagen dat letterlijk zo ongeveer alles wat ons vanuit de Lone Star State wist te bereiken zondermeer als goed kon worden bestempeld liggen jammer genoeg alweer een poosje achter ons. Ook in muziek-Mekka Texas heeft de commercie immers genadeloos hard om zich heen gemept. Gelukkig zijn er nog altijd de uitzonderingen om de regel zo nu en dan te bevestigen. En de jonge ex-rodeorijder Jarrod Birmingham is er zo één. Samen met de hier op handen gedragen Jackson Taylor blaast hij de een langzame dood gestorven outlaw-beweging weer wat nieuw leven in. Op de opvolger van zijn geslaagde debuutplaat “Waitin’ And A Wishin’”, “Stages”, bewijst de man opnieuw elf nummers lang uit het goede countryhout gesneden te zijn. Daarbij beurtelings herinnerend aan gerespecteerde voorgangers als wijlen Waylon Jennings, Hank Williams, Jr. en zelfs Dwight Yoakam baant hij zich een weg doorheen een karrenvracht aan uitstekende eigen composities, aangevuld met covers van “Whiskey & Lies” van Jeremy Halliburton en “All The Way To Waycross” van Brian Rung.

Opvallendste momenten zijn daarbij het een beetje aan het werk van streekgenoot Kevin Fowler verwante statement “If That Ain’t Country”, het met Steven Davis, Jr. gepende “Cheap Wine”, de al eerder aangesproken trage “Whiskey & Lies” – met een pakkende accordeonbijdrage van Gary Herrera – en een intens duet met die andere grote Texaanse belofte Bonnie Bishop, “I Can’t Imagine (Not Loving You)”.

“Stages” is al bij al zo’n album dat het vermag om je weer volop te verzoenen met het meer traditionele countrygenre. En Jarrod Birmingham verdient het wat ons betreft gewoon om binnen de kortste keren tot een hele grote uit te groeien. Als hij tenminste – zoals dat hier nog overduidelijk het geval is - zijn roots trouw wil blijven…

www.jarrodbirmingham.com

 

 

THE BETWEENERS

“Matador Karma”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

The Betweeners zijn een nieuwe akoestische band opgericht door de uit Hazard, Kentucky afkomstige Stephen Couch (leadzang, gitaren, mandoline), die hier bewijst naast zijn rol van multi-instrumentalist in het momenteel een weinig furore makende duo Zoe Speaks en de bluegrassgroep The Kettleheads ook perfect die van dragende kracht van een groep aan te kunnen. De man schrijft werkelijk fantastische songs en heeft een beklijvende, lekker lijzige stem. Samen met bassist Owen Reynolds en gitarist Eddy Green en een stel gastmuzikanten verkent hij op de eersteling van de groep het uitgestrekte gebied tussen blues en bluegrass. En net als bij hun grote voorbeelden Ry Cooder, Willie Nelson, Mose Allison en John Prine ligt de nadruk daarbij voortdurend op eerlijke en intelligente liedjes.

Heerlijke bluesy Americanadeunen als “No New Tales” (over een vrouw die weinig geluk kent bij de keuze van de mannen in haar leven), titelnummer “Matador Karma” of “Fishers Of Men” worden afgewisseld met spetterende bluegrassliedjes als “Law Of Gravity” en “East Kentucky Water” en een occasionele wat meer countrygerichte song als “Beanstalk In My Bed” of “360 Degrees”.

De Betweeners koppelen in hun muzikale doen en laten die o zo kenmerkende vanzelfsprekendheid van The Band aan de vitaliteit van The Gourds en de virtuositeit van hele generaties bluegrassgroten. Verrassing van de maand in een maand die sowieso al tjokvol zat met bijzonder aangename muzikale verrassingen. Zondermeer heet aanbevolen dan ook!

www.thebetweeners.com

CD Baby

 

 

DEADSTRING BROTHERS

“Deadstring Brothers”

(Times Beach Records / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Voor wie maar moeilijk een keuze kan maken tussen het rootsy werk van de Stones in hun betere dagen en de knappe songs van de Jayhawks zijn er nu de vanuit Motor City Detroit opererende Deadstring Brothers. Debuterend op het Times Beach Records-label, dat ons in de voorbije maanden ook al wist te verrassen met sterke platen van Ethan Daniel Davidson en Audra Kubat, pakt dat vijftal op zijn titelloze eersteling uit met elf heerlijke alt. countryliedjes, waarin naast die van de al geciteerde namen ook voortdurend de geesten van seventies groten als The Band en Gram Parsons rondwaren. Referenties die kunnen tellen dus…

Blikvangers zijn enerzijds de werkelijk ijzersterke liedjes van Kurt Marschke, anderzijds diens meer dan zomaar een klein beetje aan de jonge Mick Jagger herinnerende vocalen. Die twee ijzersterke troeven worden gekoppeld aan een wel erg warm aanvoelend totaalgeluid, waarin verder vooral de bijzonder knappe pedal steel-bijdragen van Pete Ballard opvallen. Het resultaat is een album dat al vanaf het eerste moment weet te boeien en zich maar met grote tegenzin weer uit de CD-wisselaar laat verwijderen.

www.timesbeachrecords.com

www.bertus.nl

 

 

COLIN GILMORE

“The Day The World Stopped

And Spun The Other Way”

(Squirm Records)

(3.5) J J J J

 

Als je pa toevallig Jimmie Dale Gilmore heet en als lid van de Flatlanders de status van levende legende geniet, dan gaat er al snel een zware druk op je schouders rusten als je ook zelf een carrière in de muziek ambieert. Uiteraard geniet je het voordeel van de ruimere belangstelling die je muziek sowieso te beurt zal vallen vanwege je beroemde vader. Maar anderzijds schept die muzikale band ook een zeker verwachtingspatroon. En dan gaat ‘m het schoentje al vlug nijpen.

Maar de jonge Colin Gilmore lijkt al bij al niet erg onder de indruk van dat gegeven. De knaap heeft immers het vaste voornemen opgevat om resoluut zijn eigen paden te gaan bewandelen. Op zijn eerste full CD “The Day The World Stopped And Spun The Other Way” laat hij zich in een productie van Mark Hallman (Ani DiFranco, Eliza Gilkyson, Tom Russell) bijstaan door Rob Gjersoe (gitaar), Rob Hooper (drums), Kris Nelson (bas) en Bukka Allen (accordeon en orgel) voor een collectie bijzonder lekkere, voor het merendeel eigen rootspopliedjes. Uitzonderingen op die regel vormen de van zijn jeugdhelden The Clash geleende reggaerock van “White Man In Hammersmith Palais” en de samen met Audrey Auld gebrachte Terry Allen-compositie “The Beautiful Waitress”, een juweel van een ballade. De Australische is trouwens behoorlijk nadrukkelijk aanwezig hier. Iets verderop duikt ze immers ook nog op in het springerige countrydeuntje “2150” en in het afsluitende “Every Tear”.

De echte aandachtstrekkers zijn echter zondermeer de liedjes van Gimore zelf. Bijzonder knap vonden wij vooral de met een minuscuul scheutje cajun en Tex-Mex besprenkelde opener “Good Times Stay”, het aardig wegrockende tweetal “Slippin’” en “Good Night My Darling” en de dartele rootspop van “The You That I Knew”.

De conclusie ligt dan ook eerder voor de hand. Voortaan zijn er duidelijk twee Gilmores waar we rekening mee zullen moeten gaan houden…

www.colingilmore.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Moon Over The Downs

(The Trailer Star Tribute)

(Super Tiny Records)

(4) J J J J

 

Shaun Belcher, maker van de voortreffelijke, volledig aan Americana gewijde website Flyin Shoes, verraste ons onlangs met de bijzonder fraaie, aan zijn “bij een tragisch verkeersongeval om het leven gekomen folk country alter ego Trailer Star” gewijde compilatie “Moon Over The Downs”. Belcher schreef “bij wijze van laatste groet aan zijn andere ik” een stel knappe teksten die door een groepje bevriende muzikanten op passende wijze muzikaal werden ingekleed. En de betrokkenen zijn bepaald niet van de minsten! We overlopen samen even het lijstje: James McSweeney, Cicero Buck, Brian Lillie, Ronny Elliott, Steve Roberts, Diana Darby, Kevin Meisel, Robert Burke Warren, Jim Roll, Deanna Varagona, Claudia Scott & Fats Kaplin, Bob Cheevers, Dan Israel, Terry Clarke en Ian Kearey. Toegegeven, het zijn niet meteen de meest tot de verbeelding sprekende namen, maar een beetje Americana-liefhebber weet dat ze stuk voor stuk wel een garantie voor kwaliteit vormen. En we worden dan ook bepaald niet ontgoocheld.

Vooral de heerlijke verstilde Americana van “The Devil’s Address”, dat door Ronny Elliott met die markante grafstem van ‘m tot op ongekende hoogten wordt getild, is van uitzonderlijke klasse. De woorden “If you want to find me / Post a letter to “Happiness”/ Mark it care of the devil’s address” illustreren daarin perfect de vaak wat sombere kijk op het leven die grote delen van dit album kenmerken. Andere sublieme momenten zijn het met James McSweeney’s roestige voordracht gezegende “My Little Town”, het over de verwoestende kracht van water verhalende “The Lynton Flood” van Kevin Meisel, het enigszins bluesy opgevatte, een beetje aan de jonge Michelle Shocked herinnerende “Bled Dry” van Deanna Varagona, de traditionele folk van “The Devil’s House” van Claudia Scott & Fats Kaplin en vooral ook Bob Cheevers’ “These Wishing Fields”. Samen met de andere betrokkenen doen zij “Moon Over The Downs” uitgroeien tot een erg knap eerbetoon aan “a star that never was”. Met een speciale vermelding voor Belchers teksten die al evenzeer van een constant erg hoge kwaliteit blijken. En mocht je nog één reden meer nodig hebben om je dit album onverwijld aan te schaffen, weet dan, dat een groot deel van de opbrengst ervan wordt afgestaan aan Cancer Research UK. Een goede plaat voor een goed doel dus…

(Mocht je trouwens een exemplaar van de Trailer Star-CD “The Floodplain Demos” op de kop kunnen tikken, dan moet je dat zeker ook niet laten. Ook de herfstige country folk van Trailer Star zelf baadt immers in een soort van tijdloze schoonheid en zal je beslist niet ontgoochelen. Je vindt dit album trouwens ook in z’n totaliteit als gratis download op ’s mans website.)

www.supertinyrecords.com

 

 

SARAH LEE GUTHRIE & JOHNNY IRION

“Entirely Live”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

In afwachting van hun zeer binnenkort te verschijnen eerste album samen, waaraan ze onlangs onder de vakbekwame leiding van Gary Louris van The Jayhawks de laatste hand legden, verblijden Sarah Lee Guthrie en haar wederhelft Johnny Irion ons nu alvast met de zeven tracks tellende EP “Entirely Live”. En die kan als smaakmakertje tellen!

Met hun prachtige samenzang tillen ze eigen composities als de country pur-deun “Georgia Pine” en het een weinig naar het rustigere werk van Neil Young neigende “Gervais” – beide gesigneerd Irion – en het knappe “River” – van Guthrie – met sprekend gemak naar een adembenemend hoog niveau. Daarbij blijken een gitaar en een mondharmonica ruimschoots te volstaan als aanvulling voor hun fraaie stemmen. Verder konden de aanwezigen in het Page Auditorium in Durham, North Carolina in maart van vorig jaar genieten van excellente covers van Mike Paxtons traditional “Thirty Inch Coal” - inclusief acapella-inleiding door Irion – en Hoyt Axtons “In A Young Girl’s Mind” én van het op een tekst van wijlen Sarah Lee’s grootvader Woody Guthrie gebaseerde “There’ll Be No Church Tonight”. Voor die laatste twee nummers en het ertussen gevangen zittende “DC Niner” van Johnny Irion kwamen ook papa Arlo en Abe Guthrie even voorbij. Zij droegen hun steentje bij tot het muzikaal inkleuren ervan met naast een gezongen bijdrage ook werk op respectievelijk gitaar en mondharmonica en keyboards.

Het absolute hoogtepunt van het schijfje vormt ontegensprekelijk het afsluitende “There’ll Be No Church Tonight”, waarin Guthrie en Irion met de allure van een jonge Gram en Emmylou het erfgoed van Woody Guthrie koppelen aan hemelse harmonieën. Dat nummer alleen al zou een aanschaf van “Entirely Live” gerechtvaardigd hebben. En het doet nu alvast reikhalzend uitkijken naar die op komst zijnde eerste studioplaat van het tweetal.

www.sarahleeandjohnny.com

CD Baby

 

 

MICHAEL DE JONG

“23, Rue Boyer”

(CoraZong Records)

(3.5) J J J J

 

Zijn tragische verhaal is naar je mag aannemen genoegzaam bekend. Geboren aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk als zoon van een Baskische moeder en een Friese vader. Een tijdje in Alkmaar gewoond. Vervolgens naar Grand Rapids, Michigan in de States verkast en er een behoorlijk harde jeugd doorgemaakt. Op zijn dertiende het licht gezien en beginnen te musiceren. Om dan als een gevolg daarvan achtereenvolgens in Detroit, New Orleans en San Francisco te belanden. Daar stond hij met tal van klasbakken op het podium. Professor Longhair, Jerry Garcia, Paul Butterfield, Albert Collins, Jimmy Reed en John Lee Hooker, om er maar een paar te noemen. Maar hij ging er ook steeds zwaarder leven. En drank en drugs zouden een alsmaar gevaarlijkere tol gaan eisen. Afkicken dus maar. En net toen alle ellende voorbij leek en Michael De Jong zich volledig clean in Dordrecht settelde, sloeg het lot nog één keer opnieuw ongenadig hard toe. Hij bleek immers besmet met het HIV-virus en werd ongeneeslijk ziek.

Als het dus inderdaad al zo is, dat je songs om ze op een geloofwaardige manier te kunnen brengen moet geleefd hebben, dan zitten we bij Michael De Jong wel degelijk aan het juiste adres. En dat wordt bijzonder passend geïllustreerd op ’s mans nieuwste, “23, Rue Boyer”, een op diverse locaties in Nederland en Frankrijk geregistreerd live-album, dat de ware De Jong laat horen: een man met zijn gitaar, zijn uit het leven gegrepen verhalen en liedjes én zijn passie, meer niet. What you see is what you get: een zijn laatste levensdagen op een ongewoon intense manier met zijn publiek delende artiest. De Jong laat zich zodoende het best vergelijken met groten uit het vak als een Townes Van Zandt of een David Olney. Net als die twee graaft hij erg diep in zijn eigen wezen voor zijn liedjes en streeft hij daarbij te allen tijde naar een zo waarheidsgetrouw mogelijk resultaat.

Met uitzondering van Bob Dylans “All Along The Watchtower” bevat “23, Rue Boyer” dan ook uitsluitend eigen liedjes. En da’s maar best zo ook. Als er immers al iets is, wat prachtsongs als “Second Hand Shoes”, “Immaculate Deception” of “Pretty Girl Why” onderlijnen, dan is het wel, dat De Jong andermans werk absoluut niet nodig heeft om uit te blinken. En als hij op de cover van dit album stelt “…till the next Time. Keep The Faith!”, dan kan je eigenlijk alleen maar uit de grond van je hart hopen, dat die volgende keer er inderdaad nog komen mag. Afscheid te moeten nemen van Michael De Jong zou immers betekenen één van de origineelste talenten die het Nederlandse Americana-landschap momenteel bevolken verliezen.

Wie aan die laatste vaststelling nog zou twijfelen raden we aan om zo snel mogelijk een exemplaar van “23, Rue Boyer” op de kop te tikken. Deze ongemeen doorleefd klinkende singer-songwriterplaat is immers een absolute aanrader.

www.corazong.com

 

 

JEFF PLANKENHORN

“Plank”

(Blue Corn / Lucky Dice Music)

(3.5) J J J J

 

Jeff Plankenhorn draait in zijn thuishaven Texas al een tijdje mee als zeer gewaardeerd sessiemuzikant. Zo liet de multi-instrumentalist Plankenhorn zich ondermeer al opmerken in de buurt van lokale grootheden als een Slaid Cleaves (Ondermeer ook op diens fantastische nieuwe plaat “Wishbones”!), een Bruce Robison, een Caroline Herring, een Willis Alan Ramsey, een Eliza Gilkyson en een Ray Wylie Hubbard. En het was met name deze laatste die hem na jaren eindelijk zo ver wist te krijgen om nu ook maar eens eindelijk zijn eigen niet geringe vocale talenten aan de buitenwereld te laten horen. Het resultaat is zijn in een coproductie met Gurf Morlix opgenomen debuut “Plank”. Daarop toont de man inderdaad gezegend te zijn met een bijzonder warme stem. En daarnaast manifesteert hij zich vooral ook als een uitstekende liedjesschrijver. Tien van de twaalf songs op zijn eersteling zijn eigen composities. Met als opvallendste vreemde eend in de bijt de prachtige, samen met Eliza Gilkyson gebrachte ballade “Picture Cards” van de legendarische Blaze Foley.

“Plank” is boven alles een zeer gevarieerde plaat, waarop Plankenhorn op zijn eigen manier te kennen geeft van heel wat muzikale walletjes mee te willen eten. Van knappe Tex-Mex in “Hurting You” tot lekker pittige blues in “Lovesick Woman”, van Zuidelijke soul in “Go Now” tot pure Americana in “I’m So Low”, van typisch singer-songwritermateriaal als “Home Again” of “What You Need” tot jazzy stuff in “Not Be Lonely” of lekker in het gehoor liggende country in “Teresa”, Plankenhorn lijkt werkelijk nergens zijn hand voor om te draaien. Dat alles zorgt ervoor, dat “Plank” uitgroeit tot een aangenaam wegluisterende plaat van een man die beurtelings Lyle Lovett, John Hiatt en zijn maatje Slaid Cleaves in herinnering roept. De liefhebbers van het betere singer-songwritermateriaal weten daarmee meer dan genoeg!

www.bluecornmusic.com

www.luckydicemusic.com

 

 

JW ROY

“Kitchen Table Blues”

(V2 Records)

(5) J J J J J

 

JW Roy is zo stilaan aan het uitgroeien tot de Marco Van Basten van het Nederlandse Americana-gebeuren. Telkens de man in de buurt van het doel opduikt, mag je je zondermeer aan de allermooiste dingen verwachten. Met zijn knappe debuut “Round Here” uit ’97 en de al even geslaagde opvolger daarvan, het in ‘99 verschenen “Deeper Shades”, wist hij zijn naam meteen te vestigen. En het 2 jaar geleden na de breuk met zijn vaste begeleiders van de One Night Band opgenomen “Keep It Coming”, een rootsrockalbum pur sang, verstevigde die goede reputatie alleen nog maar. Des te opmerkelijker is dan ook het gegeven, dat de singer-songwriter op zijn nieuwe plaat opnieuw nadrukkelijk voor een meer akoestische aanpak kiest. “Kitchen Table Blues” is een verbluffend mooie collectie liedjes, waarop opnieuw Roys schuurpapieren melancholische stem in het middelpunt van de belangstelling staat. In een productie van de tandem Gabriël Peeters en Kees Spruit en met wel bijzonder schoon volk in de buurt als Chuck Leavell (Al sinds jaar en dag de vaste pianist en organist van de Stones!), Carrie Rodriguez (viool), Roel Spanjers (toetsen), Richard Van Bergen (gitaar en net als Spanjers ex-One Night Band), Eric van Dijsseldonk (gitaar) en Ruud van den Boogaard (gitaar) groeien Roys eigen nieuwe songs en een stel occasionele covers uit tot zijn veruit beste CD tot op heden. En neemt u het gerust van ons aan, dat wil in zijn geval heel wat zeggen!

Afgetrapt wordt er met de werkelijk wonderschone, wat herfstig aanvoelende keukentafeldramatiek van het titelnummer. Leavells ingetogen pianospel, Rodriguez die al meteen de gevoelige (viool)snaar weet te raken en dan die stem… Wat ons betreft mag “Kitchen Table Blues” nu al in één adem worden genoemd met de enigszins verwante John Hiatt-klassieker “Have A Little Faith In Me”. Doorleefder hoor je ze niet al te vaak meer!

Vervolgens is er het welhaast even pakkende “Next Stop” met een in het oog springende elektrische gitaarbijdrage van Roys jeugdvriend van den Boogaard. Ook hiervoor volstaat enkel en alleen de omschrijving huiveringwekkend mooi. En het mooie aan de hele zaak is, dat dit torenhoge niveau eigenlijk gewoon de hele plaat lang wordt volgehouden: over de catchy rootsrock van “Straight Back To You” en de bluesy Americana van “There Are You” tot de verrassende Stones-cover “No Expectations”. Dat nummer van het legendarische “Beggars Banquet”-album bloeit hier open tot een verstilde schoonheid met Leavell opnieuw excellerend aan de piano en verder enkel Roys tedere rasp en akoestische gitaar. Da’s trouwens niet de enige cover op “Kitchen Table Blues”. Iets verderop moet ook Bruce Springsteens “Better Days” eraan geloven. En ook dat klinkt in Roys versie op zijn minst erg verfrissend. De stevige rocker van The Boss werkt in de breekbare uitvoering van de Brabander eigenlijk zelfs gewoon een stuk beter.

En laten we het dan ook nog maar eens hebben over één van de absolute highlights van het album. “Thrill Is Gone” is JW Roy ten voeten uit: een soulvolle trage, waarin zijn gepassioneerde voordracht een ideale voedingsbodem vindt op het gevoelvolle orgelwerk van Roel Spanjers. En met bovendien ook nog Gabriël Peeters en Eric van Dijsseldonk van de partij om met respectievelijk hun piano- en elektrische gitaar-contributies het plaatje passend te vervolledigen. Opnieuw kippenvel gegarandeerd!

Wat rest zijn het enigszins aan het werk op voorganger “Keep It Coming” verwante rootsrockertje “Later”, de pakkende ballade “Leave On A Light”, het wat lichtvoetigere “Seems”, de diepgravende trage “Again And Again” en een instrumentale herneming van het titelnummer.

In alle eerlijkheid, niet één moment van zwakte te bekennen hier. Op school krijg je daarvoor met sprekend gemak een tien op tien. En daar sluiten wij ons graag bij aan. Een moordplaat is dit!

www.jwroy.nl

 

 

POWDERBLUE

“Powderblue”

(Basta)

(4) J J J J

 

Zij een uiterst getalenteerde liedjesschrijfster-gitariste voorzien van een glasheldere stem. Hij een kanjer op zowat alles wat maar snaren (akoestische en elektrische gitaren, dobro, basgitaar, banjo, pedal steel) heeft. Samen maken ze een fantastisch album binnen het gouden driehoekje country/folk/singer-songwriter stuff. Het doet in heel wat opzichten denken aan een stukje uit de bio van Gillian Welch en David Rawlings. Feit is echter, dat we ’t hebben over een voormalige winnares van de Grote Prijs van Nederland en haar wederhelft. Met name over Marjolein van der Klauw en haar partner Jac Bico. Samen vormen ze als Powderblue één van de beste roots acts van de Lage Landen van het ogenblik. Samen met contrabassist Ger-Jan Blom, drummer Boyd Small en Ton van Bergeijk op de mondharmonica tekenen van der Klauw en Bico op hun titelloze tweede CD – de opvolger van het ook al erg lovend onthaalde “So Much To Cover” uit 2002 – voor een onwaarschijnlijk mooie collectie liedjes, die eigenlijk on-Nederlands goed klinkt. Als het je niet op voorhand verteld was, zou je nooit of te nimmer een Nederlandse act achter dit album gezocht hebben, zo grensoverschrijdend knap klinkt het.

Al van bij de eerste tonen van het zwaar op een voor één keer niet triest aandoende pedal steel leunende, speelse openingsnummer “Upstairs, Downstairs” weet je dat het hier goed zit. Zo lekker verfrissend hoor je rootsy country dezer dagen immers niet al te vaak meer brengen. En die eerste indruk vindt al gauw bevestiging in de volgende liedjes. “Look Me In The Eye” is een zalige ballad, waarin Bico nadrukkelijk zijn talenten als snarenvirtuoos mag laten blijken. En het een desolate indruk nalatende “New Year’s Eve” is desert country van een zodanig goed niveau, dat heel wat Amerikaanse collega’s van het duo er een punt kunnen aan zuigen. Van der Klauws stem zoekt hier nadrukkelijk een eigen niche tussen die van pakweg Gillian Welch, de jonge Emmylou Harris en Chitlin’ Fooks’ Carol Van Dyk. En dan is er de beklemmende intimiteit van de prijsballade “Things To Do”, waarin Bico met de accuratesse van een oude grootmeester de wonderlijkste tonen uit zijn dobro tovert. En zo gaat het maar door. Van het op een apart countrymotiefje voortdravende “Leave Me In The Morning” over het in regelrechte fingerpicking-stijl ingeblikte “Rosie” of het uptempo door fijn banjowerk omlijste “I Wear Your Jeans” tot de afsluitende cover van het door Welch en Rawlings gepende “Dry Town” – als je op zoek bent naar ook maar één enkel moment van zwakte, dan kom je hier bedrogen uit. Wat dit stel op zijn gewoon bij Bico thuis opgenomen “moeilijke tweede” klaarspeelt, rechtvaardigt als dusdanig zowat om het even welk superlatief dat je ervoor zou willen bovenhalen. Alles klinkt hier gewoon even warm en even charmerend. En het zou ons eerlijk gezegd dan ook niet in het minst verbazen, als van der Klauw en Bico binnenkort ook in de States aan de bak zouden komen. Wij zouden alleszins geen moment aarzelen om een exemplaar van deze bijzonder knappe plaat op de schrijftafel van één van de recensenten van het gerespecteerde No Depression te doen belanden. Je weet maar nooit…

www.powderblue.nl

www.basta.nl

 

 

JAMIE HOOVER & BILL LLOYD

“Paparazzi”

(The Paisley Pop Label)

(3.5) J J J J

 

Jamie Hoover van de Spongetones en de hier vooral als één helft van het countryduo Foster & Lloyd bekendstaande Bill Lloyd hebben zopas in het gezelschap van Dennis Diken, de drummer van de lichtjes fantastische Smithereens, een wolk van een jangle-pop-album afgeleverd. Hun “Paparazzi” is typisch zo’n plaat waarvoor je meteen even alle zorgen van je afzet om er ten volle van te kunnen genieten. Twaalf songs lang vliegen rinkelende gitaren, perfecte harmonieën en extreem catchy hooks hier in het rond alsof het net solden erin geweest is. Echo’s van de Beatles, Big Star, de Beach Boys, Phil Spector, XTC, Todd Rundgren, Marshall Crenshaw en tal van andere popgrootmeesters versmelten op “Paparazzi” tot buitengewoon aanstekelijke liedjes die absoluut geen weerstand dulden. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar het op een kamerbreed gitarentapijt opgetrokken “The Bucks Stop Here” of het de hoogdagen van Rockpile op een haar na benaderende openingsnummer “Show & Tell The World” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen.

Als geheel laat “Paparazzi” zich misschien nog het best vergelijken met die eerste zwaluw, die elk jaar opnieuw weer de zomer mag komen inluiden. Een bijzonder warm klinkend popschijfje is het alleszins!

www.paisleypop.com

Miles of Music

 

 

MICHAEL HILL

“The New World

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Van Michael Hill bespraken we hier eerder ook al diens solodebuut, de mini “Yours Truly”. Het voormalige groepslid van respectievelijk 12 Lb. Test en Slobberbone kwam daarop zeer verrassend uit de hoek en deed ons bij momenten denken aan de vroege Steve Earle. En dat is op zijn eerste full CD “The New World” in essentie niet anders. Op dat gewoon thuis opgenomen en in eigen beheer uitgebrachte album verkent Hill verder het schemergebied tussen country, folk, pop en bluegrass. En hij profileert zich daarbij eens te meer als een uitermate begenadigde songwriter. Zowel in vlottere, countryeske deunen als “Hard To Believe” of “Thanks For Nothing” als in verstilde pareltjes als (het met erg mooi cellowerk van zijn maatje Dylan Rieck opgesmukte) titelnummer “The New World” of het old-timy “Left Behind” maakt hij duidelijk, dat we in de toekomst wel degelijk rekening met hem zullen moeten gaan houden. Zijn muzikale kortverhalen geven immers tegelijkertijd blijk van een verfrissende eenvoud en van een ontwapenende schoonheid. En zo’n liedje als het een slecht aflopende ruzie tussen geliefden bezingende “Anthem” is gewoon een echte killer song.

Wij durven dit album dan ook met een gerust geweten aan te bevelen aan de fans van enigszins vergelijkbare artiesten als een Rod Picott, een Slaid Cleaves of – zoals al eerder gesteld – de jonge Steve Earle. Een singer-songwriter met het hart op de juiste plaats dus…

www.michael-hill.net

Miles of Music

 

 

AUDRA KUBAT

“Million Year Old Sand”

(Times Beach Records / Bertus)

(3.5) J J J J

 

De uit Detroit afkomstige Audra Kubat presenteert met haar derde CD “Million Year Old Sand” een valabel alternatief voor al je grijsgedraaide Joni Mitchell-, Sandy Denny- en Nick Drake-platen. In een coproductie met Gold Cash Gold’s Eric Hoegemeyer werkt ze zich doorheen een veertien eenheden tellende collectie zwaar naar lang vervlogen folkhoogdagen neigende, eerder introverte liedjes. Intriest, een beetje mysterieus ook wel en vooral heel erg etherisch doet het allemaal aan. Zodoende wordt “Million Year Old Sand” zo ongeveer de ideale compagnon voor in de late uurtjes. Pas als de nacht als een aangenaam aanvoelende deken van rust de hektiek van alledag versmoort, komen wat dromerige songs als “Lonely Child”, “In The Morning” of “Tomorrow Never Comes” echt goed tot hun recht. Knap gedaan!

www.audrakubat.com

www.timesbeachrecords.com

www.bertus.nl

 

 

BONES

“Who Stole Fun?”

(C Student Records)

(2) J J

 

Michael Miller (zang, gitaar), bassist van The Myrtles, van wie we hier niet zo heel erg lang geleden nog de lekkere alt. country-CD “Nowhere To Be Found” bespraken, pakt nu samen met Scott Campbell (drums, programmeerwerk) en Norman Roberts (bas) vermomd als Bones uit met de CD “Who Stole Fun?” En da’s een heel ander verhaal. Op deze negen tracks tellende collectie stoeien Miller en z’n maten immers met een behoorlijk rauwe, tot op het bot gaande, actuele rockvariant op de blues. Verbeten zang, loodzware basriffs, gortdroog drumwerk en dies meer maken van dit album dan ook eerder spek naar de bek van de liefhebbers van indie rock dan naar die van alt. country. Enkel het slome, een aardig eind in de richting van muzikale weirdos als Beck en Tom Waits overhellende “One Little Pill” kon hier ook op behoorlijk wat sympathie rekenen.

www.bonestheband.com

CD Baby

 

 

GREY DE LISLE

“The Graceful Ghost”

(Sugar Hill / Munich)

(5) J J J J J

 

Dat de bevallige Grey De Lisle niet zomaar voor één muzikaal gat te vangen was, bewees ze al uitgebreid op haar eerste drie, nog in eigen beheer uitgebrachte albums. Maar haar debuut voor het prestigieuze Sugar Hill-label overtreft toch onze stoutste verwachtingen. “The Graceful Ghost” is een album boordevol bitterzoete ballades met hoog old time-gehalte. De plaat die volledig bij De Lisle thuis werd ingeblikt met behulp van analoge apparatuur beantwoordt zodoende perfect aan het door haarzelf vooropgestelde doel, te weten het evoceren van een aan de periode voor de Civil War verwante atmosfeer. Daarvoor kon ze ditmaal een beroep doen op haar wederhelft Murry Hammond (Old 97’s), producer-snarenwonder Marvin Etzioni (Lone Justice), bassist Sheldon Gomberg en alomtegenwoordige klasbak Greg Leisz.

Regelmatig roept De Lisle in dat uitermate getalenteerde gezelschap herinneringen op aan zowel de jonge Dolly Parton als aan haar wat meer contemporaine collega Gillian Welch. Feit is in elk geval dat ze tussen de bluegrass-getinte opener “The Jewel Of Abilene” (inclusief jodelwerk van Murry) en de van een verzopen, ontstemd pianootje voorziene afsluiter “Pretty Little Dreamer” de bal niet één keer misslaat. Haar vierde album staat voor een stevig naar een overdosis neigende collectie ingetogen pareltjes, waarin hartzeer en pijnlijk verlies recurrente thema’s blijken. De religieus geïnspireerde, verstilde beauty “Sweet Savior’s Arms” is er eentje van het kaliber, dat je wel eens door wijlen Johnny Cash in de nadagen van diens carrière had willen horen brengen. En “Walking In A Line” is in onze ogen een ver neefje van de classic “Wayfaring Stranger”. Erg fraai zijn verder ook de momenten waarop De Lisle zich laat verleiden tot gedeelde vocalen met haar halve trouwboek Hammond als “Tell Me True”, “Turtle Dove” en “Black Haired Boy”. En een speciale vermelding willen we tenslotte ook nog even kwijt voor de enige cover op deze ronduit schitterende plaat, het De Lisle waarlijk op het lijf geschreven “This White Circle On My Finger” van Kitty Wells, een fraai staaltje van hartstochtelijke country met ondanks alles een hoog nu-gehalte.

We gaan er hier dan ook in het geheel geen doekjes om winden. “The Graceful Ghost” is zondermeer Grey De Lisle’s beste CD tot op heden en opnieuw een uitgesproken kandidaat voor plaat van het jaar. Zeg, dat wij het gezegd hebben!

www.greydelisle.com

www.sugarhillrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

GIBSON BROTHERS

“Long Way Back Home”

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J

 

Toen wij hier vorig jaar de CD “Bona Fide” van de Gibson Brothers onder de loep namen, ging het daarbij voor ons om een eerste kennismaking met de broertjes, die daarmee nochtans al aan hun vijfde plaat toe waren. Sedertdien is er echter heel wat gebeurd. Dat album heeft hier immers een zodanig onuitwisbare indruk nagelaten, dat we voortaan elke volgende schijf van Eric en Leigh Gibson met plezier tegemoet zullen blijven zien. Zo ook hun nieuwste dus, “Long Way Back Home”, waarop de Gibsons en hun kompanen Mike Barber (bas) en Marc MacGlashan (mandoline) hun virtuoze instrumentbeheersing wederom koppelen aan onberispelijke songs en een werkelijk benijdenswaardige dosis vitaliteit. Precies die eigenschappen zijn het, waardoor ze zowel bij liefhebbers van eerder traditionele bluegrass als bij die van het progressievere werk in de smaak zullen vallen. Hun prachtige harmonieën herinneren vrijwel voortdurend aan die van hun veel bekendere voorbeelden de Louvins, van wie ze ditmaal trouwens ook “Satan’s Jeweled Crown” coveren. Da’s meteen één van de meer traditionele momenten van het album. Elders, zoals bijvoorbeeld in “I Gotta Get Back To You” of “It’s All Right With Me”, sluipt er een flinke dosis pure country in hun geluid binnen. En in de knappe trage “Dreams That End Like This” heb je vrijwel voortdurend het gevoel te luisteren naar Roy Orbison bluegrass style. Terwijl iets verderop precies hetzelfde gebeurt, maar dan wel met de Everly Brothers. De echte klapstukken hier zijn voor ons evenwel onmiskenbaar het rootsy, van Gordon Lightfoot geleende titelnummer, dat als gevolg van een spontane jamsessie op een onbewaakt moment eerder toevallig op de plaat belandde, en het levendige “The Way I Feel”, dat ons met plezier weer even aan de vorige van de broers deed terugdenken.

Voor ons is dit na “Side By Side” van BlueRidge van een aantal weken geleden dan ook de tweede echt grote bluegrassplaat van het nog jonge jaar. En de Gibson Brothers wacht ontegensprekelijk een mooie toekomst, daar kan je gewoonweg niet naast kijken. Erics grote droom – dat binnen afzienbare tijd anderen hun songs zouden gaan vertolken zoals zij die van hun helden – zou dan ook wel eens veel eerder kunnen gaan uitkomen dan hij zelf durft te vermoeden.

www.gibsonbrothers.com

www.sugarhillrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

10,000 MANIACS

“Campfire Songs”

(Elektra / Rhino / Warner Music)

(4) J J J J

 

In de nog behoorlijke verse voetsporen van Natalie Merchants erg knappe jongste CD “The House Carpenter’s Daughter” pakt het gerenommeerde Rhino-label uit met een wel bijzonder fraaie dubbelaar gewijd aan de groep waarin ze voor het eerst het voetlicht haalde, met name 10,000 Maniacs. Op het eerste van de twee schijfjes, dat als titel “The Most Popular Recordings” meekreeg, treffen we alle nummers aan die het gezelschap groot maakten. Fraaie lappen poppy folkrock als daar zijn “Like The Weather”, “Don’t Talk”, “What’s The Matter Here?”, “Hey Jack Kerouac”, “Trouble Me”, “Eat For Two”, “These Are The Days” en de leuke cover van de Bruce Springsteen - Patti Smith – compositie “Because The Night”, indertijd in 1993 nog ingeblikt voor het toen waanzinnig populaire MTV Unplugged.

Het is echter vooral het tweede schijfje, oftewel “The Obscure & Unknown Recordings”, dat van deze collectie een echt hebbedingetje maakt. Daarop treffen we immers een vijftal niet eerder verkrijgbare opnames als “Poppy Selling Man” (een outtake van de “Secrets Of The I Ching”-sessies), “Can’t Ignore The Rain”, “Noah’s Dove”, “Circle Dream” en “Eden” (demo’s) aan. En bovendien een karrenvracht aan bij momenten echt wel waanzinnig goede (en vaak niet meer of moeilijk te bemachtigen) covers. De 10,000 Maniacs-versie van Cat Stevens’ “Peace Train” is wellicht genoegzaam bekend vanwege een klein radiohitje in deze contreien, maar what about ander fraais als “Wildwood Flower” (Carter Family), “Hello In There” (John Prine), “Everyday Is Like Sunday” (Morrissey), “These Days” (Jackson Browne), “I Hope I Don’t Fall In Love With You” (Tom Waits), “Starman” (David Bowie) en “Let There Be Mystery” (van Iris DeMent en mét David Byrne)? Of “To Sir With Love”, dat Merchant in duet met R.E.M.’s Michael Stipe brengt?

Enfin, er valt hier heel wat te genieten… En “Campfire Songs” is dan ook een warm aanbevolen samenvatting van het wel en wee van een groep die wat ons betreft gerust nog een eeuwigheid had mogen blijven doorgaan. En zoals we dat van Rhino door de jaren heen gewoon geworden zijn, steekt het geheel bovendien ook weer in een voorbeeldig vormgegeven hoesje.

www.maniacs.com

www.nataliemerchant.com

 

 

THE BIGGER LOVERS

“This Affair Never Happened…

And Here Are 11 Songs About It”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

Met “This Affair Never Happened… And Here Are 11 Songs About It” zijn Philly pop rockers The Bigger Lovers inmiddels al aan hun derde album toe. En in combinatie met de afbeelding van een bidsprinkhaanvrouwtje op de hoes ervan wordt de titel van die plaat wel heel erg veelzeggend. Dat wijfje houdt er immers de smakelijke gewoonte op na om onmiddellijk na het paringsspel haar mannelijke wederhelft met huid en haar te verorberen, als die zich niet snel uit de voeten maakt tenminste…

Een intelligente combinatie dus. En dat mag je eigenlijk wel stellen over het album zelf ook. Daarop gaan de minnaars zich immers te buiten aan oorvriendelijke powerpop, waarin de gitaren zich zoals dat hoort vrijwel voortdurend ongeremd mogen manifesteren: van lekker heftig (zoals in het openingsnummer “You (You, You)”) tot mooi breed uitwaaierend (zoals in “Ninja Suit”) of aangenaam slepend (zoals in “No Heroics” bijvoorbeeld). En vrijwel voortdurend doen de pittige liedjes op “This Affair…” denken aan die van illustere voorgangers uit het verleden zoals bijvoorbeeld de Posies of de La’s. Waaruit je meteen ook mag concluderen, dat ook de Bigger Lovers het inderdaad vooral moeten hebben van hun knappe melodieën.

Is dit dan echt zo’n geweldig album? Wij houden het eigenlijk liever op gewoon lekker. “This Affair…” ontbeert in onze ogen immers een paar echte lijsttrekkers – een paar uitgesproken singlekandidaten, die het album in de vaart der volken had kunnen opstoten. Misschien dat de heren zich daar bij een volgende gelegenheid wat meer kunnen op gaan toeleggen…

www.thebiggerlovers.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

JACKSON PARTEN AND FOLKTRONIC

“The Sum Of All Parts”

(ISOM Records)

(3.5) J J J J

 

De uit San Antonio, TX afkomstige Jackson Parten serveert met zijn band Folktronic op zijn tweede CD “The Sum Of All Parts” een muzikale cocktail die je niet meteen uitsluitend met de actuele Texaanse scène dient te associëren. De man groeide op met de muziek van de Beatles, Cash, Green Day, Dylan, Beethoven en Buddy Holly en gaat er prat op dat zijn eigen creaties ook effectief door elk van hen beïnvloed zijn. Zonder in epigonisme te vervallen overigens. “The Sum Of all Parts” is immers bovenal een bruisend statement van een jonge songwriter, die dan misschien wel zijn klassiekers mag kennen, maar die uit al die voorbeelden een zeer energieke eigen aanpak heeft gedistilleerd. Net zoals enigszins verwante groepen als Cross Canadian Ragweed en Reckless Kelly schuwen ook Parten en de zijnen daarbij het gebruik van de elektrische gitaar niet, waardoor zijn songs ook voor een wat jonger publiek zeer attractief worden. (“Not your father’s country music,” noemt hij het zelf!) Deze stomende smeltkroes van rock, country en folk heeft dan ook zo ongeveer alles om van Parten in navolging van Pat Green, Jack Ingram en het al eerder vermelde Cross Canadian Ragweed een grote te maken in eigen regio én ver daarbuiten: een lekker hese voordracht, viriele gitaren alom, melodieuze songs à volonté – voor ons alvast een echte revelatie deze knaap!

www.jacksonparten.com

Lone Star Music

 

 

FIRST PRIZE KILLERS

“The Powdery Parade”

(Eclectone Records)

(3) J J J

 

Wat weten wij over de First Prize Killers? Niet zo gek veel eigenlijk. Dat ze afkomstig zijn uit Minnesota, dat wel. En dat ze daar in 1996 werden opgericht door Paul DesCombaz als een soort studioproject. Dat ze er dan vervolgens ruim vijf jaar over deden om ook live te gaan spelen. En dat ze voor “The Powdery Parade”, hun onlangs verschenen eerste volwaardige CD, al wel twee EP’tjes hadden afgeleverd, met name “Randy Newman The Lion” en “Portuguese For Oven”. Maar dat is het dan ook zo ongeveer. Blijft er nog heel wat te ontdekken over dus…

Op hun eigenlijke debuutalbum bestaan de First Prize Killers naast DesCombaz (zang) verder uit Mike Andrew (gitaar, lap steel, zang), Mike Brady (drums, trombone, gitaar, banjo, zang), Tony Mogelson (gitaar, orgel, zang), Peter Robelia (bas, trompet, zang) en aanvullende werkkrachten Kevin Riach (drums) en Courtney Remes (viool). Samen schudden ze een behoorlijk aantrekkelijke, hoogst groovy vorm van Americana uit de mouw, waarbij vooral de aparte stem van DesCombaz, de her en der opduikende trompet- en trombonebijdrages en het knappe gitaarspel in het oog springen. Songs als opener “The Lower 48”, de van een exotisch tintje voorziene alt. country van “The Cactus”, het Byrdsy “Monday Morning” en het zomerse tweetal “Situation South” en “Vampire Lake” klinken daardoor al van bij de eerste beluistering erg vertrouwd. Tussen lekker (een weinig retro) gitaarrockend (zoals in “City Won’t Let You Down”) en heel radiogenieke Americana (“God Takes A Lover”) kan eigenlijk zo’n beetje alles. De zeer melodieuze liedjes en hun knappe teksten zorgen ervoor, dat de First Prize Killers al snel bijblijven. Maar je hoeft ons daarbij niet zomaar op ons woord te geloven. Je kan namelijk enkele van de songs van het album van de website van de band downloaden, dat zegt wellicht toch nog altijd net iets meer…

www.firstprizekillers.com

 

 

MIKE KINDRED

“Handstand”

(Loudhouse / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Bluespianist Mike Kindred heeft de voorbij dertig jaar een bepaald indrukwekkend palmares bij mekaar gespeeld. De man werkte ondermeer samen met wijlen Stevie Ray Vaughan en diens broer Jimmie, Lou Ann Barton, Lightnin’ Hopkins, Big Mama Thornton, James Cotton en Delbert McClinton. En in de jaren ’80 maakte hij deel uit van de band van Joe Ely, toen die grote Amerikaanse en Europese podia deelde met giganten als de Rolling Stones, de Clash en Linda Ronstadt. Bovendien had hij ook een hand in een echte bluesklassieker, met name “Cold Shot” (van Stevie Ray Vaughan).

En met “Handstand” is er nu dus zijn debuut voor Loudhouse Records. “Two guys, two days, one room, live,” schrijft hij daarover zelf in de liner notes van het album. In een productie van Booka Michel en daarbij enkel en alleen bijgestaan door drummer Dexter Walker speelde Kindred in goed twee etmalen tijd in de Cedar Creek Studios in Austin de veertien tracks van de plaat in. In dertien van de veertien gevallen gaat het daarbij om eigen nummers. Enkel “Can’t Stop Lovin’” werd geleend van Elmore James. En aan variatie is er alleszins geen gebrek. Van bluesrock over boogie, wat meer jazzy getint spul en een snuif New Orleans tot lekker ordinair blueswerk, Kindred draait werkelijk nergens zijn hand voor om. En het knappe aan het daaruit resulterende album is, dat het een hoge mate aan spontaniteit uitstraalt. Want exact dat was het, wat Kindred wilde bereiken door maar met zijn tweeën de studio in te duiken. Niet teveel rond de pot draaien, er een flinke lap op geven en wat ook het resultaat was, de boel gewoon op die manier inblikken, kwestie van de luisteraar zo dicht mogelijk bij het opnamegebeuren te betrekken. En in dat opzet slaagt het tweetal met brio!

www.loudhousemusic.com

www.sonic.nl

 

 

DYSSELDONK

“33 1/3”

(Inbetweens Records)

(4) J J J J

 

Eric van Dijsseldonk geniet hier vooral bekendheid als zanger-gitarist van de Eindhovense band Smalltown Romeos, die met name dankzij hun bijzonder knappe tweede album “Superfiction” en de onweerstaanbare gitaarpop van de daarvan getrokken single “Superman Or Charlie Brown” op een uitstekende reputatie kunnen bogen. Daarnaast duikt de man gewapend met zijn gitaar en een flinke dosis energie ook geregeld op aan de zijde van gewaardeerde collega’s als JW Roy en The Watchman.

En nu is er dus onder “het pseudoniem” Dysseldonk zijn eerste soloalbum, waarvan de titel “33 1/3” een gezonde voorliefde voor “die goeie ouwe tijd” verraadt. Die van de Beatles met name. Toen platen nog gewoon zwart waren en af en toe flink kraakten. Maar ook dat had zijn charmes… “33 1/3” is een ingetogen, veelal akoestisch geheel, waarop van Dijsseldonk zich veel meer nog dan dat voorheen al het geval was, profileert als een fantastische songschrijver en een al even goede zanger. Elf in een productie van zijn Smalltown Romeos-collega Gabriël Peeters opgenomen, melodieuze rootspopliedjes doen “33 1/3” uitgroeien tot een album van pakweg het kaliber van de eerste van Crowded House. Zij het dan dat het er hier nog een flink stuk intimistischer aan toe gaat. Melancholie en verlangen liggen vrijwel voortdurend op vinkenslag. En mede dankzij de muzikale medewerking van Roel Spanjers (van de Sunset Travelers) op piano en accordeon, Harmen de Bresser op contrabas, Gijs Coolen op cello en Nicky Hustinx op percussie en drums gaat dat werkelijk geen moment vervelen. “33 1/3” is integendeel van de eerste noot van openingsnummer “All I Can Give” tot de laatste van afsluiter “Two Girls” een hoogst genietbare aangelegenheid. En het rond een dronken pianootje, een subtiel streepje accordeon en ook al bijzonder functioneel mandolinewerk opgetrokken “A Piece Of You” moet één van de allermooiste rootsliedjes zijn die ooit op Nederlandse bodem werden gemaakt.

Voor het geval dat uit het voorgaande nog niet duidelijk genoeg moest blijken, wij zijn behoorlijk ondersteboven van deze plaat. “33 1/3” is in onze ogen gewoon grote klasse en verdient het eigenlijk om tot ver buiten de eigen landsgrenzen gehoord te worden. Chapeau!

www.dysseldonk.nl

www.inbetweens.com

 

 

TOM RUSSELL

“Indians Cowboys Horses Dogs”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Singer-songwriter Tom Russell houdt er al sinds jaar en dag de goede gewoonte op na om regelmatig uit te pakken met een plaat waarop hij zijn voorliefde voor het oude Westen laat spreken. We keken er dan ook al helemaal niet meer van op om als opvolger van de singer-songwriterplaat “Modern Art” van vorig jaar opnieuw een portie contemporaine western music voorgeschoteld te krijgen onder de vorm van ’s mans nieuwe album “Indians Cowboys Horses Dogs”. Daarop worden zoals gebruikelijk een flinke portie eigen composities aangevuld met een stel klassiekers uit het genre die vervolgens de Russell treatment krijgen. Tot die laatste categorie behoren ditmaal ondermeer de Dylan-songs “Seven Curses” en “Lilly, Rosemary And The Jack Of Hearts”. Vooral dat laatste valt op, omdat de leadvocalen daarin verdeeld worden onder Russell zelf en maatjes Joe Ely en Eliza Gilkyson. Een andere opvallende aanwezige is de werkelijk schitterende versie die Russell neerzet van Marty Robbins’ “El Paso”. Alleen iemand die zelf uit El Paso afkomstig is had zoveel gevoel in dat nummer kunnen steken. Fantastisch accordeonwerk trouwens ook in dat liedje van Joel Guzman. En dan is er nog het van Woody Guthrie geleende “East Texas Red” – ook dat blijkt een bijzonder mooi muzikaal eerbetoon te zijn aan één van Russels eigen grote helden. Net zoals “The Ballad Of Ira Hayes” er trouwens één is voor wijlen Johnny Cash, al zit dat stukje countrygeschiedenis hier dan ook verscholen in een medley met verder “Bacon Rind” en “Chief Seattle”.

Van Russells eigen nieuwe songs bleven ons vooral opener en soon to be classic “Tonight We Ride” - van het kaliber van “Gallo Del Cielo” en “El Llano Estacado” - en het ingetogen, samen met Paul Zarzyski gepende tweetal “All This Way For The Short Ride” en “Bucking Horse Moon” bij.

En tot slot toch ook nog even vermelden, dat naast Ely en Gikyson en knoppenvirtuoos Guzman ook Hot Club Of Cowtown violiste Elana Fremerman, gitarist Andrew Hardin, bassist Mark Hallman en de Plaza Monimental Juarez Bull Ring Band op “Indians Cowboys Horses Dogs” muzikaal acte de présence geven. Zij waren als het ware eerste-rij-getuigen van de meesterlijke wijze waarop Russell door zijn wat ruwere aanpak een stokoud genre weer wat nieuw leven inblies.

www.tomrussell.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

JIMMIE DALE GILMORE

“Don’t Look For A Heartache”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Met “Don’t Look For A Heartache” wil men ons namens Hightone Records vooralsnog in de gelegenheid stellen om het vroege solowerk van Jimmie Dale Gilmore aan onze collecties toe te voegen. Het album is immers opgevat als een compilatie met daarop het beste van Gilmore’s al geruime tijd niet meer verkrijgbare eerste twee platen, “Fair & Square” (uit ’88) en “Jimmie Dale Gilmore” (uit ’89), aangevuld met een lekker swingende, niet eerder uitgebrachte versie van Butch Hancocks “Ramblin’ Man”.

Afgetrapt worden de feestelijkheden met Gilmore’s wellicht bekendste liedje, “Dallas”, ook jaren na dato nog altijd een schoolvoorbeeld van hoe Texaanse country eigenlijk hoort te klinken. En zo staan er wel meer op deze fraaie verzameling. Geen wonder ook, als je weet dat de nummers erop werden aangeleverd door uitstekende songwriters als collega-Flatlanders Joe Ely (“Honky Tonk Masquerade”) en Butch Hancock (“Red Chevrolet”, “When The Nights Are Cold”, “Ramblin’ Man” en “Just A Wave, Not The Water”), de eveneens uit Lubbock afkomstige David Halley (“Fair & Square” en “Rain Just Falls”), Townes Van Zandt (“White Freight Liner Blues”) en Mel Tillis (“Honky Tonk Song”). En dat ook Gilmore zelf geregeld een alleraardigste song uit zijn pen knijpt, was allicht ook al langer algemeen bekend.

Of het nu gaat om tijdloze dancehall krakers als “Honky Tonk Song” of “That Hardwood Floor”, over fraaie ballades als “Deep Eddy Blues” of “See The Way” of om klassiek songwritermateriaal als “Dallas”, “Fair & Square” of “White Freight Liner Blues”, op Gilmore’s hoogsteigen onnavolgbare (nasale) manier gebracht klinken ze allemaal even verfrissend. Ook nu nog en dat terwijl het toch materiaal uit de late 80’s betreft. Doe er je voordeel mee!

www.jimmiedalegilmore.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

PETER MULVEY

“Kitchen Radio”

(Signature Sounds / Bertus)

(4) J J J J

 

Op zijn achtste album totdusver geeft één van onze favoriete folkies, Peter Mulvey, zich in het gezelschap van een select clubje muzikale veteranen uit de buurt van Boston weer over aan datgene waar hij zo goed in is, met name het afleveren van heerlijke liedjes waarin het persoonlijke en het wereldse op onnavolgbare wijze met elkaar worden vervlochten. Precies datgene wat we op het in 2002 verschenen “Ten Thousand Mornings”, zijn in de Bostonse metro opgenomen briljante coverplaat, moesten ontberen dus.

Samen met producer en buddy David Goodrich houdt Mulvey ons dertien songs lang aan zijn lippen gekluisterd. Van het over een nachtelijke rit naar huis met de wagen verhalende en ook zo klinkende openingsnummer “Road To Mallow” tot het met zijn soulmates Kris Delmhorst en Jeffrey Foucault - met wie hij sinds kort overigens ook het trio Redbird vormt – opgenomen afsluitende stukje heimwee met onmiskenbare Ierse invloeden “Sad, Sad, Sad, Sad (And Faraway From Home)”, je verveelt je hier werkelijk geen seconde. Centraal staan de thema’s reizen en verlangen. Het verlangen naar liefde, naar huis, naar een betere wereld ook. De scherpe maatschappijkritische visie uit het folkrockertje - met al even scherpe elektrische gitaren, die deze kijk nog wat extra kracht bij lijken te willen zetten - “29 Ct. Head” spreekt wat dat betreft boekdelen:

“Every election feels like the perfect crime

Like you can fool all the people all the time

They say the water isn’t rising but their shoes are soaking wet

They like to drive you crazy but you ain’t crazy yet

You just don’t get it.”

Bijzonder fraai zijn verder ook de uptempo (bijna speelse) folkpop van “Shirt”, het sfeervolle, met een behoorlijk mystieke tekst uitgeruste “Falling”, de nerveuze verklanking van de ochtendspits in een grootstad “Denver 6 A.M.”, de folky gitaarinstrumental “Bloomington” en de beschrijving van het leven in een bar op een doordeweekse maandagavond “Toad”.

Noem dit maar gerust een blij weerzien met een hele grote liedjesschrijver. Eentje die met vastberaden blik de toekomst tegemoet gaat, zo lijkt het. En eentje die het zo onderhand wel verdient om ook in de Lage Landen wat meer aandacht te krijgen…

www.petermulvey.com

www.signaturesounds.com

www.bertus.nl

 

 

JENNY QUEEN

“Girls Who Cry Need Cake”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Ze schrijft haar teksten het liefst op regenachtige dagen. En dat zullen we geweten hebben ook! Het merendeel van haar liedjes baadt immers in een vergelijkbaar druilerig sfeertje. Je kent het wel, dat miserabele gevoel dat je wel eens overvalt, als je je op een wat mindere dag al mijmerend achter het raam door het monotone tikken van de regen en de af en aan rijdende lichtbundels van het voorbij flitsende verkeer laat overvallen. Het heeft iets van een liefdesverdrietige kater, die je systeem ook danig overhoop kan halen…

Heel wat van de songs op “Girls Who Cry Need Cake”, het debuut van de uit Ohio afkomstige, maar momenteel in Sydney verblijvende boerendochter Jenny Queen, gaan dan ook over relationele problemen. Gebroken harten in overvloed hier! Het einde is nagenoeg altijd dichtbij op haar eersteling. Queen studeerde overigens af als Master (in de “Internationale Betrekkingen”) aan de gerenommeerde universiteit van Chicago. Een diploma dat haar beroepshalve via New York, Londen en Nashville uiteindelijk in Australië deed belanden. En van daaruit bereikte ons dan ook haar bijzonder fraaie visitekaartje, waarop ze voortdurend laveert tussen ingetogen Americana, knappe rootspop en alt. country. Qua stem roept ze vergelijkingen op met zowel Lucinda Williams, Nanci Griffith, als popsterretje Jewel. Qua materiaal mag je die laatste naam evenwel meteen weer schrappen.

Knappe liedjes als het door de dobro van John Carr en de Wurlitzer van Alan Goodman gedragen alt. country openingsnummer “Drowning Slowly”, het aan Nanci Griffith herinnerende “Due South”, de vlotte (zeer radiogenieke) Americana van “Kentucky Turn” en het werkelijk wonderschone, in zekere zin soulvolle “Maybe The Moon” maken van het debuut van deze attractieve blondine alvast een bijzonder leuke aanwinst voor de actuele rootsscène. Met haar geweldige - tegelijk broos en sterk overkomende - stem en dito liedjes palmde ze ons alvast moeiteloos in…

www.jennyqueen.com

www.laughingoutlaw.com.au

www.bertus.nl

 

 

BR549

“Tangled In The Pines”

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

Na hun niet onverdeeld gelukkig debuut bij major Sony (Lucky Dog) met “This Is BR549” in 2001 was het voor één van de vitaalste hillbilly acts van de laatste jaren even herbronnen geblazen. Niet alleen zaten de heren plots zonder platencontract, met bassist Jay McDowell en leadzanger Gary Bennett verloren ze in één klap bovendien ook twee erg belangrijke pionnen. De resterende drie bandleden namen dan een wijze beslissing door opnieuw in de schemerzijde van Nashville’s clubleven aan de slag te gaan met The Hillbilly All-Stars, een soort los-vast-collectief, waarin de grootste (wat alternatievere) talenten uit de buurt samenhokken. Daar vonden ze niet alleen zichzelf terug, maar in de gedaante van bassist Geoff Firebaugh en de nog piepjonge zanger-gitarist Chris Scruggs ook een stel geknipte vervangers voor de verloren zonen. Vooral Scruggs (kleinzoon van legende Earl, zoon van Gary en Gail Davies), die zelf onlangs nog een erg knap debuut afleverde, lijkt in grote mate mee verantwoordelijk voor de heropstanding van BR549. Want laat daarover vooral geen twijfel bestaan, met hun eersteling voor hun nieuwe werkgever Dualtone zijn Chuck Mead en kompanen back in business. Met misschien wel hun beste album ooit…

“Tangled In The Pines” bevat twaalf eigen nummers, die in het gezelschap van producer “Cowboy” Keith Thompson voor het nageslacht werden vereeuwigd. Twaalf liedjes die weer als vanouds bruisen van de energie. Twaalf liedjes ook, die een band aan het werk laten horen in de ban van een rijke traditie, maar tegelijk ook met oog voor het heden. En dat was in het verleden wel eens anders.

De jonge Scruggs duwt zijn maats in “No Friend Of Mine” bijvoorbeeld resoluut in de ruime voetsporen van Jason Ringenberg. Country met een punk attitude dus en met erg knap, bijzonder expressief gitaarwerk van de teenager. En da’s trouwens ook in “Way Too Late (To Go Home Early Now)” het geval - strakke rockabilly met een pompende baslijn die zich onmiddellijk vasthecht in je onderbewustzijn, onweerstaanbaar gewoon! En uiteraard zijn er ook weer een stel grandioze honky-tonk en hillbilly spullen in de aanbieding. Vooral de Scruggs-compositie “Honky Tonkin’ Lifestyle”, het door Chuck Mead met Raul Malo van de Mavericks gepende twangy openingsnummer “That’s What I Get”, de lijzig swingende tonk van “I’m All Right (For The Shape I’m In)”, het een weinig aan de jonge Cash verwante titelnummer en prijsbeest “When I Come Home” maken, dat je je armen weer breed mag open spreiden om deze knapen opnieuw welkom te heten. Hun tweede jeugd heeft alvast een bijzonder swingende aanloop genomen!

www.br5-49.com

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

DALE KEYS

“Dale Keys”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

In december 2002 verliet de oorspronkelijk uit Kentucky afkomstige Dale Keys zijn toenmalige thuishaven in Boise, Idaho voor Nashville. Daar aangekomen trok de man al snel de aandacht van een aantal collega’s liedjesschrijvers. Keys blijkt naast een prima zanger en een goed gitarist immers bovenal een zeer getalenteerde songwriter te zijn. Dat gegeven zette Tim O’Brien ertoe aan om hem uit te nodigen op een Writers-in-the-Round-avond in het befaamde Bluebird Café. Daar ontmoette Keys op die manier in de lente van vorig jaar Barry & Holly Tashian en Mary Gauthier. En dat zou niet zonder gevolgen blijven.

De Tashians tekenden immers korte tijd later voor de productie van Keys’ titelloze debuut. Daarvoor trommelden ze en passant zowat de hele beau monde van de op dat ogenblik in Nashville aan de slag zijnde sessiemuzikanten op: Richard Bennett (gitaar), Sam Bush (mandoline), Kathy Chiavola (zang), Dennis Crouch (bas), Dan Dugmore (pedal steel en dobro), Stuart Duncan (mandoline en fiddle), Lloyd Green (pedal steel en dobro), Kenny Malone (percussie) en Debbie Nimms (zang) gaven stuk voor stuk allemaal acte de présence. Keys’ debuut klinkt dan ook ongelooflijk goed. Zelf noemt hij John Prine, Guy Clark, Gillian Welch, Emmylou Harris en gitaarlegende Chet Atkins als zijn grote voorbeelden, maar ons doet hij toch ook wel een beetje denken aan twee andere groten, met name Willie Nelson en Bill Chambers, met wie hij een zacht-nasale stem gemeen heeft. Op zijn eersteling resulteert dat in een karrenvracht prachtige ballades (zoals “Some Hearts”, “I Knew I’d Be Singin’ This Song” en “Leavin’ Train”), enkele bluegrassgetinte juweeltjes (als “Old Kentucky Home”) en een up tempo intermezzo links en rechts (“Tucson Too Soon” en “Upside Down In Lincoln” bijvoorbeeld). Met als absolute uitschieters in onze ogen de samen met Mary Gauthier gepende, verstilde schoonheid “Empty Spaces” (een klassieke countryballade over de na een afscheid in je bestaan gapende leegte) en de wel heel erg aan Bill Chambers refererende ballade “Some Hearts” (met werkelijk wonderschone harmonieën van Kathy Chiavola).

Een goede raad derhalve aan iedereen die net als ons een beetje wegsmolt bij de laatste platen van Kimmie Rhodes & Willie Nelson, Bill Chambers en Guy Clark: koop deze plaat, je zal het je absoluut niet berouwen!

www.dalekeys.com

www.cdbaby.com

 

 

RAUL MALO, PAT FLYNN, ROB ICKES & DAVE POMEROY

“The Nashville Acoustic Sessions”

(CMH)

(4) J J J J

 

Mavericks-kopstuk Raul Malo (akoestische gitaar, zang) zocht voor zijn nieuwe project het fijne gezelschap op van topmuzikanten Pat Flynn (gitaar, mandoline, bouzouki, zang), Rob Ickes (dobro, Weissenborn, zang) en Dave Pomeroy (bassen). Zij kregen in de studio bovendien her en der nog wat assistentie van Lenny Castro (percussie), Jim Hoke (harmonica) en Siedah Garrett (zang). Het opzet was eigenlijk vrij simpel. Zoals de titel van het album dat al laat vermoeden werden in de Monkey Finger Studio in Nashville nieuwe, volledig akoestische versies ingeblikt van een stel klassieke country- en popliedjes. En het moet gezegd, Malo klinkt hier veel beter dan dat de jongste jaren het geval is geweest. Hij voelt zich duidelijk in zijn element in deze context!

Het hier ook al in de bijzonder mooie uitvoeringen van The Big O en Linda Ronstadt bekende “Blue Bayou” klinkt in het akoestische jasje dat het door Malo en co aangemeten krijgt beter dan ooit. Evenals de Gordon Lightfoot-ballade “Early Morning Rain” trouwens. Andere onmiddellijk in het oog springende liedjes zijn twee van de Louvin Brothers geleende nummers, met name “The Great Atomic Power” en “When I Stop Dreaming”. Dat laatste groeit hier uit tot een echte beauty van een ballade. Malo is immers vooral dan op zijn best als hij zich de ziel uit het lijf mag zingen.

Andere interessante op deze collectie aan te treffen deuntjes zijn een gevoelige versie van Hank Williams’ “Weary Blues From Waiting”, Bob Dylans “You’re Gonna Make Me Lonesome When You Go”, de bluesy instrumentale versie van “Waiting For A Train” van Jimmie Rodgers, een zoveelste (zij het dankzij het werkelijk uitmuntende dobrowerk van Rob Ickes wel erg mooie) benadering van Gram Parsons’ “Hot Burrito #1” en een speelse kijk op de Van Morrison classic “Bright Side Of The Road”. Enkel het tweetal “Moon River” en “(I Love You) For Sentimental Reasons”, waarin Malo echt aan het croonen slaat, was voor ons niet echt nodig geweest. Een beetje te mierzoet allemaal, zeg maar… Voor het overige valt hier echter weinig op aan te merken en is dit dus gewoon een prima plaat!

 

 

GINGERSOL

“Eastern”

(Rubric Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

De laatste twee jaren in het bestaan van het ooit in Los Angeles opgestarte gezelschap Gingersol waren nu niet bepaald wat je noemt een pad over rozen. Toen Steve Tagliere en Seth Rothschild in 2001 beiden hun beroepshalve naar New York verkassende wederhelften besloten te volgen, betekende dat vreemd genoeg voor hun respectievelijke relaties meteen ook zo goed als het einde. Voeg daar nog aan toe, dat Tagliere in New York arriveerde op 9 september van dat jaar en je begrijpt onmiddellijk dat “Eastern”, hun nieuwste, inhoudelijk gezien nu niet meteen de vrolijkste plaat is geworden. Heel wat van de songs erop reflecteren inderdaad de huwelijksperikelen van de twee (ondertussen gescheiden) heren. Ze gaan over het wanhopig in stand willen houden van hun relaties. Toch vindt Tagliere zelf het niet echt een sombere plaat. Hij verwijst naar het materiaal op “Eastern” als “happy-choly” – gelukkig, maar toch ook een weinig melancholisch, en omgekeerd natuurlijk.

Net als de muziek van groepen als Nadine, Clem Snide en het ter ziele gegane Hazeldine situeren ook de songs van Gingersol zich ook ditmaal weer ergens in het uitgestrekte braakland dat gaapt tussen genres als Americana enerzijds en indie-pop anderzijds. Met telkens opnieuw weer die lekker breed uitwaaierende gitaren en de schuurpapieren stem van Tagliere als toegevoegde meerwaarde. Van de wat ingetogen, dromerige gitaarpop van bijvoorbeeld “Please Let Me Go” - met Rami Jaffee van de Wallflowers achter de piano - over het na een introverte intro tot een knap (gitaar)rocknummer open spattende “None Of My Friends” tot het een weinig aan de Teenage Fanclub herinnerende “Romeo’s Behind Us But The World Is Round” – het klinkt werkelijk allemaal even groots. Met als absolute killer songs wat ons betreft het drietal “Birthday Girl” (een hartverscheurend mooi liedje over de zoals al eerder vermeld verstrekkende gevolgen van Tagliere’s verhuis naar New York voor zijn privé-leven), “I Did” (gebaseerd op een gezien de context weinig subtiele woordspeling op het de huwelijksbelofte beklinkende “I Do”) en vooral ook “A Great Day For War”. In dat laatste liedje bekijkt de twee dagen voor het WTC-drama in New York neergestreken Tagliere dat tragische voorval op een geheel eigen manier. Hij laat duidelijk doorschemeren, dat het vanaf die bewuste dag eigenlijk één langgerekt collectief wachten was op de definitieve oorlogsverklaring aan het adres van het terrorisme, die onvermijdelijk volgen zou. Een groots hoogtepunt op een in haar geheel genomen ook al erg knappe plaat, waarop Gingersol de perfecte balans lijkt te hebben gevonden tussen prachtige popliedjes en emotioneel diepgravende teksten.

www.gingersol.com

www.rubricrecords.com

www.sonic.nl

 

 

SLAID CLEAVES

“Wishbones”

(Philo / Rounder / CRS)

(5) J J J J J

 

Het jaar is nog jong, maar als we binnen een maand of elf weer met z’n allen aan het jaarlijstjes maken slaan, dan zal het album dat we hier vandaag bespreken beslist hoge ogen gaan gooien, zoveel is nu al zeker. Nochtans hadden we een beetje met een bang hartje uitgekeken naar deze opvolger van Slaid Cleaves’ “Broke Down”. Die plaat was immers zo goed, dat het in onze ogen erg moeilijk zou worden om dat niveau vol te houden, laat staan het te verbeteren. Maar Cleaves blijkt op z’n nieuwe, “Wishbones”, in echt grote doen. Dit album is gewoon nog beter dan zijn voorganger. Period. Hier en daar wat forser en als geheel een weinig gevarieerder, maar gewoon nog beter…

Al van meteen na de eerste cellotonen van Brian Standefer in opener en titelnummer “Wishbones” is duidelijk dat Cleaves er weer volop zin in heeft. In dit fraaie rootspopliedje dat hij samen met Ray Wylie Hubbard schreef, zingt de man vergezeld door Eliza Gilkyson weer hees de sterren van de hemel. En ondertussen laat ook producer Gurf Morlix (Lucinda Williams, Eric Westbury, Mary Gauthier) zich bepaald niet onbetuigd op de gitaar. Een kanjer van een song gewoon! En de eerste in een indrukwekkende reeks van elf. “Road Too Long” is vervolgens een bluesy niemendalletje met heerlijk Hammondwerk van Ian McLagan en een scherpe gitaaromlijsting door Charles Arthur, dat handelt over de wurggreep die een leven on the road na verloop van tijd op je gaat uitoefenen. En dan is er het samen met de onvolprezen Karen Poston geschreven “Drinkin’ Days”, een pakkend liedje over een behoorlijk abrupt einde aan een leven vol “whiskey and smoke”. Klassieke Cleaves, zoals we die op de voorgangers van deze plaat hebben leren appreciëren. Eén van de absolute hoogtepunten is aansluitend het samen met zijn buddy Rod Picott gepende en van berouw overlopende “Sinner’s Prayer”. Qua sfeer herinnert dit beklemmende stukje songwriting vaagweg aan iets van de eerder al vernoemde Ray Wylie Hubbard. Nog meer Picott trouwens iets verderop, als Cleaves diens o zo herkenbare, tragisch aflopende verhaal van een vechtersbaas met een drankprobleem, “Tiger Tom Dixon’s Blues”, van een nieuw jasje voorziet. En zo gaat het maar door, over het ingetogen “Below” (over een ruraal stadje dat moet wijken voor door water opgewekte elektriciteit) en de rootsy country van “Quick As Dreams” (een paardenraces-verhaal met nare afloop) belanden we bij het hilarische “Horses”. Je zou zweren, dat je de Willie uit dit turbulente levensverhaal van ergens kent… In dit opgewekte deuntje, inclusief een heuse jodel en schitterend dobrowerk van Jeff Plankenhorn, horen we de protagonist met de tong niet eens zo diep in de wang gedrukt immers verklaren “If it weren’t for horses and divorces, I’d be a lot better off today.” En dan zijn er ook nog “Hearts Break” en “Borderline”. Het eerste opnieuw zo’n duidelijk het stempel van Morlix dragende uptempo beauty, het tweede een dot van een border song, een op een lekker streepje mandoline geënt zuidelijk grensdrama, waarin grenzen voortdurend zowel letterlijk als figuurlijk worden overschreden. En afronden doet Cleaves ook al in stijl. “New Year’s Day” is een opgewekt, ver aan Willie Nelsons “City Of New Orleans” verwant liedje over op een gezonde manier met herinneringen aan een dierbare overledene omspringen, dat vrijwel meteen tot meezingen uitnodigt. In een rechtvaardige wereld zou het meteen uitgroeien tot een hit.

Na al het voorgaande hoeft het natuurlijk al lang geen betoog meer, maar toch… Waar het hart van vol is, loopt de mond nu eenmaal van over en dus zeggen we ’t nog één keer klaar en duidelijk opnieuw: dit is een ongemeen mooie CD van één van de allerbeste Americana songwriters van het ogenblik! Doe er je voordeel mee!

www.slaid.com