ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2007

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Stacy Jagger “Faded Memories” - Lucy Kaplansky “Over The Hills”The Mood Elevator “Married Alive” - Mark LeGrand & The Lovesick Bandits “Cold New England Town”Andrew Bird “Armchair Apocrypha”Moaners “Blackwing Yalobusha”Jonathan Byrd “This Is The New That” - Little Pink “Gladly Would We Anchor”Los Straitjackets “Rock En Español Vol. 1”Tim Scott “Fabletown” - Alison Krauss “A Hundred Miles Or More: A Collection”Southern Culture On The Skids “Countrypolitan Favorites” - Michael J Sheehy “Ghost On The Motorway”Johnny Cash “Ultimate Gospel” - Peter Beeker “Dit Is Legaal”Neva Geoffrey “The Days Are Rolling”Micky And The Motorcars “Careless”Jane Gillman “List Of Wishes”Smokestack Lightnin’ “Modern Twang”John Starling & Carolina Star “Slidin’ Home” - Dolorean “You Can’t Win”Vandaveer “Grace & Speed”Mary Karlzen “The Wanderlust Diaries” - Ane Brun “Live In Scandinavia”Josh Ritter “Live From The Record Exchange EP”Cadillac Sky “Blind Man Walking”Jann Browne “Buckin’ Around – A Tribute To The Legendary Buck Owens”Karling Abbeygate “Karling Abbeygate”Rosie Thomas “These Friends Of Mine”Uncle Earl “Waterloo, Tennessee” - Will T. Massey “Letters In The Wind” en “Slow Study”Ted Russell Kamp “Divisadero”Ruth Minnikin “Folk Art”Rachel Harrington “The Bootlegger’s Daughter”Mary Chapin Carpenter “The Calling”Tommy Womack “There, I Said It!” - Murder By Death “In Bocca Al Lupo”The Honeydogs “Amygdala”Michael Weston King “A New Kind Of Loneliness”Jesse Malin “Glitter In The Gutter”The Redlands Palomino Company “Take Me Home”Hayward Williams “Another Sailor’s Dream”

 

STACY JAGGER

“Faded Memories”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Bijna was ze onder onze nochtans immer alerte radar doorgevlogen, deze Stacy Jagger. Bijna, maar niet helemaal dus… Onder het motto “Beter laat dan nooit!” buigen we ons vooralsnog even over haar ronduit fantastische debuutplaat “Faded Memories”. De uit Nashville afkomstige Jagger is immers een zeer uitzonderlijk talent. Niet alleen beschikt ze over een werkelijk glasheldere stem genre een Alison Krauss of een Patty Griffin, ze schrijft ook nog eens liedjes, waarvoor heel wat collega’s op elk ogenblik met plezier een pact met de duivel zouden aangaan. Op haar eersteling staan er daarvan liefst twaalf, variërend van Americana (het titelnummer, het fraaie “The Mountain”, de ballade “If You Were Mine”, het met een likje R&B afgewerkte “Run” en het gospeleske “Take Me There”) tot bluegrass (“Jimmy”), van folk (het op een gedicht van W.B. Yeats gebaseerde “Innisfree”) tot pop (de pianotrage “Bliss”, het met haar man Ron gepende “Before The World” en het door Jagger volledig nieuw ingeklede traditionele slaapliedje “Dreamland Tree”), van jazz (“The Man I Love”) tot zelfs blues (“Livin’ Bread Woman”). Ingespeeld met kleppers als een Byron House, een Eric Darken, een John Catchings en haar eigenste ventje, knapen die hun sporen in het verleden reeds verdienden achter bijvoorbeeld Johnny Cash, Bob Seger, Nickel Creek, de Dixie Chicks en Faith Hill, staan die twaalf songs voor een even gevarieerd als geslaagd geheel, waarmee de bloedmooie Jagger zich opwerpt als een enorme belofte voor de toekomst. Bij een volgende gelegenheid zullen wij er dan ook alvast een stuk sneller bij zijn! Daar kan je donder op zeggen!

Stacy Jagger

CD Baby

 

 

LUCY KAPLANSKY

“Over The Hills”

(Red House Records / Music & Words)

(4) J J J J

 

 

Verbluffend mooi, anders kan je ze nauwelijks omschrijven, de nieuwe plaat van Lucy Kaplansky, “Over The Hills”. Onder de productionele hoede van de ondermeer ook van zijn werk met Rosanne Cash en Paul Simon bekende Ben Wittman gaat ze op haar zesde terug op zoek naar haar muzikale roots. En dat impliceert ook een bewuste keuze voor een opnieuw veel akoestischer getint geluid dan op haar recentere albums. Daarvoor kon ze een beroep doen op cracks als Larry Campbell, Duke Levine, Stephan Crump, Jon Herington, Charlie Giordano en multi-instrumentalist Wittman. Zij zorgen er samen met een hele schare aan gastvocalisten voor, dat “Over The Hills” gemakkelijk uitgroeit tot Kaplansky’s beste so far. Met Jonatha Brooke brengt ze daarop een zeer mooie, comfortabel in een bad van steelgitaarklanken achteroverleunende versie van Bryan Ferry’s “More Than This”, met haar Cry Cry Cry-maatje Richard Shindell tackelt ze het idyllische “Swimming Song” van Loudon Wainwright III, met Buddy Miller waadt ze door het nerveuze “Somewhere Trouble Don’t Go”, een nummer van diens vrouw Julie, en Eliza Gilkyson staat haar bij in het titelnummer, een eerbetoon aan haar overleden vader Irving en wijlen haar platenbaas Bob Feldman van Red House Records, samen met de kippenvel verwekkende ballade “Today’s The Day”, waarin ze op emotionele wijze afscheid neemt van de man die haar het leven schonk, wellicht één van de allermooiste liedjes van de plaat. Al valt hier amper een minder moment aan te wijzen, hoor! Ook haar covers van de Johnny Cash-klassieker “Ring Of Fire” en Ian Tysons”Someday Soon” en eigen liedjes als “Manhattan Moon” en “The Gift” zijn werkelijk bloedmooi. Vooral dat laatste, aan haar grootvader gewijde nummer, waarin ze stelt “my voice was passed down to me through the family line – the gifts that we are given are the gifts we leave behind”, toont haar andermaal op haar persoonlijkst én haar best tegelijk. Sublieme singer-songwriter Americana gewoon!

Lucy Kaplansky

Red House Records

Music & Words

 

 

THE MOOD ELEVATOR

“Married Alive”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Daartoe wellicht aangespoord door het gigantisch succesvolle debuut van The Raconteurs, “Brandon Bensons andere groep”, pakt het Australische Laughing Outlaw Records uit met een heruitgave van “Married Alive”, de in 2003 verschenen tweede CD van The Mood Elevator. In die groep speelt Benson na Chris Plum weliswaar slechts de tweede viool, toch is hij op dit tweede album zo’n beetje alomtegenwoordig. Niet alleen schreef hij het gros van de songs erop, hij tekende ook voor de productie, deed wat backing vocals, speelde gitaar en drumde. Dat “Married Alive” eigenlijk gewoon een typische Benson-plaat is, hoeft dan ook niet echt te verwonderen. Plum en Benson en co inhaleren sinds jaar en dag de interessantere delen van het rockerfgoed van de jaren zeventig en tachtig om er op gezette tijden een ferme fluim van op te kunnen hoesten. New wave, glam rock en power pop zijn zo zeker niet onopgemerkt aan de heren voorbijgegaan. Elementen uit die genres worden op “Married Alive” verweven met spitant gitaarwerk en lekker wegluisterende samenzang. Het resultaat zijn elf uit een gezonde dosis nostalgie opgetrokken songs, die vrijwel zonder uitzondering cirkelen rond het als versiering in het CD-boekje opgenomen thema “Love breaks your heart”. “My girl is gone and I am lost,” luidt het zo bijvoorbeeld in het zomers lome, een weinig aan iets van XTC herinnerende “Life Line”, “She was his girl” in het stomend rockende “Best Kept Secret” en “At the wedding, but I’m not the groom” in dat echt wel bedrieglijk opgewekte laatste liedje.

Powerpopfanaten en andere minnaars van met hooks beladen rock die deze schijf nog niet in huis hebben zijn bij dezen meteen verwittigd!

(Als bonus vinden zij op deze re-release overigens ook nog de video van het nummer “Beginner’s Luck”.)

Laughing Outlaw Records

 

 

MARK LEGRAND & THE LOVESICK BANDITS

“Cold New England Town”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

 

Anders dan het gros van zijn aan traditionele country à la de grote Hank Williams verknochte collega’s gaat de ranke Amerikaan Mark LeGrand voor een veel bedaardere benadering van dat genre. Veel, zoniet alles, draait in zijn materiaal dan ook om de wat aparte sfeer die ervan afstraalt. Heel erg twangy is het allemaal nog wel, dát zeker, maar dan wel op een totaal andere manier. Wat we daarmee precies bedoelen laat zich misschien nog het best aan de hand van de titel van één van zijn songs uitleggen. LeGrands liedjes klinken alsof ze in de “Shadow of a Jukebox” ontstonden. Ergens in de één of andere donkere uithoek dus. Als het ware als een soort van “film noir-versie” van wat Hank en co ooit deden. Die typische nasale voordracht is er alvast nog wel. Dito voor het nagalmende gitaartje. En de songs! Want die zijn van een werkelijk uitzonderlijk kaliber! Veel van het materiaal hier zou best door één van zijn legendarische voorgangers gepend kunnen zijn. Maar dat is dus niet zo.

Deuntjes als het titelnummer, het lijzige “Let’s Go Downtown Tonight”, het al genoemde “Shadow of a Jukebox” of het voorwaar zelfs toepasselijk getitelde “Hillbilly Hollywood” zouden filmmakers als een Tarantino of een Lynch ooit wel eens tot grootse daden kunnen gaan inspireren. We kunnen het eigenlijk alleen maar hopen…

Mark LeGrand & The Lovesick Drifters

CD Baby

 

 

ANDREW BIRD

“Armchair Apocrypha”

(Fargo / Munich)

(5) J J J J J

 

 

Wat een plaat! Met “Armchair Apocrypha”, zijn in nauwe samenwerking met producer Ben Durrant opgenomen nieuwe CD, voegt het vooralsnog zwaar onderschatte muzikale genie Andrew Bird andermaal een heus meesterwerk aan zijn stilaan ontzagwekkende vormen aannemende oeuvre toe. Niets minder dan briljante stukjes proza worden daarop naar goede gewoonte gevangen in op een aparte manier catchy popliedjes, die bijna uit hun voegen barsten door de veelheid aan ideeën en stijlen die erin worden verwerkt. Bird prikkelt tegelijkertijd het verstand en de zinnen. Met songs die zich al na één enkele beluistering niet meer uit je hoofd laten bannen nodigt hij je uit voor een trip doorheen zijn eigen zonderlinge gedachtenwereld. Voorzichtig laagje per laagje ervan weg schrapend ontdek je telkens weer nieuwe dingen in die beurtelings door akoestische en elektrische gitaren, strijkers en/of toetsen gedragen liedjes. Alleen al daaraan herken je de hand van een echte meester aan het werk! Voeg daar evenwel nog aan toe, dat de man ook nog eens over een erg mooie, extreem performante stem beschikt en je weet, dat alle elementen voor een echte moordplaat voorhanden zijn. Dit is Pop met een hele grote P!

Andrew Bird

Fargo Records

 

 

MOANERS

“Blackwing Yalobusha”

(Yep Roc / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Na vijf op flink wat bijval onthaalde albums met Trailer Bride lijkt Melissa Swingle pas nu echt goed haar draai te hebben gevonden. Ver weg van de alt. country van haar vorige groep dompelt ze ons op “Blackwing Yalabusha” onder in een bad van moddervette, hondsgemene juke-joint blues. De uit Mississippi afkomstige zangeres vond daartoe in Laura King de ideale partner in crime.

Twang and blues meet punk op die tweede van de Moaners. En Swingle (zang, gitaren, bas, orgel, harmonica) imponeert daarbij zowel vocaal als op gitaar. Vooral haar occasionele slidepartijen gaan echt door merg en been. En stemgewijs lonkt ze regelmatig nogal nadrukkelijk richting P.J. Harvey. King (drums, percussie, bas, backing vocals) van haar kant zorgt voor een lekker ruwe backbeat.

Voor de productie van “Blackwing Yalabusha” tekenden Swingle en King zelf samen met de van de Squirrel Nut Zippers bekende Jimbo Mathus en Winn McElroy. Het resultaat van hun gemeenschappelijke inspanningen is een plaat de vermaarde Fat Possum Studios meer dan waardig. Lekker greasy! Lekker broeierig! Kortom garageblues van het betere soort, geënt op de immer intrigerende verhalen van Swingle. Vooral live wellicht ook absoluut niet te versmaden!

Moaners

Yep Roc

 

 

JONATHAN BYRD

“This Is The New That”

(Waterbug Records)

(4) J J J J

 

 

Met zijn vorige CD, het in 2003 verschenen samenwerkingsverband met Dromedary “The Sea & The Sky”, wist Jonathan Byrd zich meteen verzekerd van onze onvoorwaardelijke sympathie. Dat schijfje was wat ons betreft zondermeer één van dé muzikale topmomenten van dat jaar. Nu, goed vier jaar later, is de man terug met zijn vierde plaat “This Is The New That”. En dat is, louter muzikaal gezien, geheel andere koek. Byrd kiest op dat album immers voor een meer groovy geluid. Een beetje funky zelfs bij momenten. Zoals in het lichtjes fantastische “The Cocaine Kid” of het religieus getinte “Jesus Was A Bootlegger”. Vooral dat eerste is een echte moordsong. Een kleine vijf minuten lang spuwt Byrd daarin op z’n Dylans ononderbroken zijn gal op alles wat er in zijn ogen momenteel fout gaat in zijn land. “I’m trying to get the nation back on its feet,” klinkt het bepaald strijdvaardig. Van een heel ander kaliber is dan “Colleen”. Daarin richt Byrd zich op nogal dwingende wijze tot de vrouw van die naam. Na een lange afwezigheid brengt ze met haar hete looks immers de hoofden van vele mannen op hol. Iets wat ze geleerd heeft “on the wrong side of town”. “Hank” blijkt in tegenstelling tot wat je denkt te mogen verwachten nu eens niet een zoveelste eerbetoon aan de oudste der Williamsen, maar een in een sfeervol voorbij schuifelende Americanadeun verpakte afrekening met een gemenerik, die ooit wel zijn rekening gepresenteerd zal krijgen in de hel. “Sexy Jessie” is dan weer een trage rootsrocker over een schone die ’s nachts steevast alleen naar bed mag, omdat mannen denken haar niet aan te kunnen. En dan is er nog “Austin Women”, een uit gelijke delen funk, jazz en rock opgetrokken lofzang aan het adres van een Texaanse schone, meer zelfs de vrouwen van Austin in het algemeen. Stuk voor stuk boeiende observaties en/of verhalen zijn het, aangekleed in een echte veelheid aan uiteenlopende muzikale stijlen. Op de keper beschouwd zijn er eigenlijk niet zo heel erg veel raakpunten meer met wat Byrd op zijn vorige platen deed. Folk, country en Americana hebben het hier alleszins niet langer alleen voor het zeggen. Al komt iets als het verhalende “The Cold & Hungry Night” dan nog wel even in de buurt. Intrigerend schijfje zondermeer!

Jonathan Byrd

 

 

LITTLE PINK

“Gladly Would We Anchor”

(Night World)

(3,5) J J J J

 

 

Wat heeft ze ons lang op een opvolger van haar debuut laten wachten, deze Mary Battiata! Met “Cul-de-Sac Cowgirl” wist ze in 2001 zowel vriend als vijand zonder slag of stoot van haar kwaliteiten als zangeres én als songsmid te overtuigen. En het is voor ons dan ook één enorm groot raadsel, waarom die tweede volwaardige langspeler van Little Pink zó verschrikkelijk lang uitbleef. Gelukkig heeft ze ondertussen absoluut niets aan kwaliteit ingeboet! Op “Gladly Would We Anchor” rekent Battiata in een handvol kwalitatief hoogstaande liedjes af met een teloorgegane liefde en het spook van de overgang naar de alom gevreesde midlife-(crisis)periode. “Moody folk with a twang,” noemt ze het zelf en eigenlijk is die omschrijving heel erg adequaat. Door haar lijzige manier van voordragen komt Battiata zo nu en dan een weinig in het vaarwater van Margo Timmins van de Cowboy Junkies terecht. En daarmee is meteen een zeer goede referentie genoemd. Liefhebbers van de sfeervolle Americana van die laatste groep en van een Jesse Sykes bijvoorbeeld zullen ook hier immers een flinke kluif aan hebben. Maar overtuig je daarvan vooral zelf door even te luisteren naar de volgende tracks: “Bluebird House”, “Ten Feet High” en “Wind And Water”.

Little Pink

Miles Of Music

CD Baby

 

 

LOS STRAITJACKETS

“Rock En Español Vol. 1”

(Yep Roc / Munich)

(4) J J J J

 

 

Net als “Countrypolitan Favorites”, de nieuwe van Southern Culture On The Skids, een waanzinnig goede feestplaat, deze “Rock En Español Vol. 1” van Los Straitjackets, die daarmee aanknopen met een ondertussen zo’n veertig jaar oude traditie. In navolging van illustere gezelschappen luisterend naar tot de verbeelding sprekende namen als Los Yaki, Los Freddys (Echt!), Thee Midniters, Los Apson, Rebeldes De Rock, Los Rockin’ Devils, Los Locos Del Ritmo en Hermanos Carrion of loners à la Juan El Matematico en wijlen Freddy Fender, die in de jaren zestig van de vorige eeuw een Spaans licht lieten schijnen op zo menig een Amerikaanse rock-, pop-, country- en soulhit om op die manier twee op het eerste gezicht nauwelijks verzoenbare culturen toch samen te brengen, tackelen de Jackets van achter hun vervaarlijk ogende lucha libre-maskers klassiekers als “All Day And All Of The Night” (“De Dia Y De Noche”) van de Kinks, “Anna” van Arthur Alexander (“Ana”), “Dizzy Miss Lizzy” van Larry Williams (“El Microscopico Bikini”), “Gimme Little Sign” van Brenton Wood (“Dame Una Seña”), “Poison Ivy” van de Coasters (“La Hiedra Venenosa”), “Slow Down” van Larry Williams (“Calor”), “Hang On Sloopy” van de McCoys(“Hey Lupe”), “Lonely Teardrops” van Jackie Wilson (“Lagrimas Solitarias”), “Bony Maronie” van Larry Williams (“Popotitos”), “Devil Woman” van Marty Robbins (“Magia Blanca”), “Wild Thing” van de Troggs (“Loco Te Patina El Coco”) en “You’ll Lose A Good Thing” van Barbara Lynn en Freddy Fender (“Tu Te Vas”) in de taal van Cortés. In een productie van Cesar Rosas van Los Lobos en vocaal bijgestaan door diezelfde Rosas, Big Sandy van de Fly-Rite Boys en Little Willie G. van Thee Midniters bouwen snarengekken Danny Jamis, Eddie Angel en Pete Curry en drummer Jason “Teen Beat” Smay zodoende een weergaloos feestje. De combinatie van een heerlijk authentiek aandoend sixties beatgevoel en een vleugje exotisme werkt ongeveer even opzwepend als een verse Spaanse peper in je reet. Blijven zitten is absoluut uitgesloten…

Los Straitjackets

Yep Roc

 

 

TIM SCOTT

“Fabletown”

(Scottland Sound)

(3,5) J J J J

 

 

“All I need is my imagination. In Fabletown, I make up my own storylines,” stelt Tim Scott in het titelnummer van zijn debuutplaat. En het moet gezegd, het is er goed toeven, in dat enkel in zijn verbeelding bestaande stadje. De in El Paso, Texas als zoon van een luchtmachtofficier geboren singer-songwriter kan ondanks zijn nog relatief jonge leeftijd dan ook al terugblikken op een behoorlijk bewogen leven. Letterlijk dan! De carrière van zijn vader lag immers aan de basis van een weinig honkvast bestaan. Gepatenteerde dagdromer Scott zag op die manier al veel meer van zijn land dan de meeste van zijn leeftijdsgenoten. En dat leverde dan weer ruim voldoende stof op voor zijn eerste worp songs. Daarin bedient de naar eigen zeggen zowel door de Beatles, de Beach Boys en Dan Fogelberg als door eerder op deze pagina’s thuishorende acts als Steve Earle, de Bodeans, Paul Westerberg, Tom Petty en John Mellencamp beïnvloede Texaan zich van elementen uit genres als Americana, alt. country, roots rock, rockabilly en bluegrass om tot een interessant eigen geluid te komen. Soms neigt dat eerder richting traditionele country, zoals in het onmiddellijk zeer herkenbare “Ol’ Train Whistle” of het met een zalig honky-tonkpianootje opgewaardeerde titelnummer en dan gluurt iemand als streekgenoot Lyle Lovett behoedzaam om de hoek. Elders zorgen elektrische gitaren voor een eerder rockgeoriënteerd geluid en dan zijn knapen als een John Fogerty of een Tom Petty meer voor de hand liggende referenties. Dat is bijvoorbeeld het geval in de venijnige afsluiter “Don’t Be Alarmed” en in het al even vinnige eerste nummer van de plaat, “The Old Man Walked Away”. “Life With Lyndon” heeft dan weer een uitgesproken bluegrass feel, “Broken Luck” is typisch Texaans country singer-songwriterspul, “Atlanta’s Fall” voorzichtige rockabilly en “Sweet Marie” sfeervolle Americana. Kortom, zo ongeveer voor elk wat wils op deze eersteling. En misschien moest ook jij dus maar eens een trip naar Fabletown overwegen…

Tim Scott

CD Baby

 

 

ALISON KRAUSS

“A Hundred Miles Or More: A Collection”

(Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Zoals we hier eerder al aangaven in onze nieuwsrubriek, is “A Hundred Miles Or More”, de nieuwe van bluegrassdiva Alison Krauss, eigenlijk een bont allegaartje van nummers die ze opnam voor diverse soundtracks of samen met collega’s, aangevuld met een vijftal nieuwe songs. Dat het album als geheel een stuk minder samenhangend overkomt dan haar vorige platen, hoeft dan ook niet echt te verwonderen. Hier wordt namelijk vooral gefocust op de zangeres Krauss. En zingen kan ze als geen ander, onze Alison, maar dat wist je natuurlijk al wel langer dan vandaag. Glashelder gewoon! Het is en blijft dan ook genieten geblazen van beauties als het a capella gebrachte “Down To The River To Pray” uit het succesvolle “O Brother, Where Art Thou?”, “Molly Bán”, haar samenwerking met de legendarische Chieftains ten tijde van hun ondertussen tot een echte klassieker uitgegroeide “Down The Old Plank Road: The Nashville Sessions”, “How The World’s Treating You”, haar duet met James Taylor op “Livin’, Lovin’, Losin’: Songs Of The Louvin Brothers”, de kippenvelballade “The Scarlet Tide” en het met Sting ingezongen “You Will Be My Ain True Love” van de soundtrack bij de prent “Cold Mountain, het voorzichtig bluesy aandoende “Whiskey River”, dat ze opnam met de in en rond Nashville waanzinnig populaire youngster Brad Paisley voor diens album “Mud On The Tires” en het sprookjesachtige “I Give You To His Heart” uit “The Prince Of Egypt”. Net als “Get Me Through December” en “Missing You”, samenwerkingen met respectievelijk Natalie MacMaster en ex-Babys-kopstuk John Waite zijn dat stuk voor stuk liedjes die op termijn zowel de veeleisende muziekliefhebber als een veel breder publiek zullen blijven aanspreken. En dat geldt wellicht ook voor de vijf nieuwe deuntjes die aan dit geheel werden toegevoegd: van naar Krauss-normen behoorlijk commerciële ballades als het ondanks zijn titel nog maar weinig met dat genre gemeen hebbende “You’re Just A Country Boy” en het een weinig aan Dolly Parton herinnerende “Simple Love” tot de ingetogen Americana van “Jacob’s Dream” en “Away Down The River” of “Lay Down Beside Me”, een nieuwe samenwerking met Waite.

Leuk tussendoortje!

 

Alle songs nog eens op een rijtje:

 

  1. “You’re Just A Country Boy” (een nieuw liedje)
  2. “Simple Love” (idem)
  3. “Jacob’s Dream” (idem)
  4. “Away Down The River” (idem)
  5. “Sawing On The Strings” (van de 2004 CMT Flame Worthy Awards Show)
  6. “Down To The River To Pray” (van de soundtrack van “O Brother, Where Art Thou?”)
  7. “Baby Mine” (van “The Best Of Country Sing The Best Of Disney”)
  8. “Molly Bán” (van de Chieftains-CD “Down The Old Plank Road: The Nashville Sessions”)
  9. “How’s The World Treating You?” (mét James Taylor en ván “Livin’, Lovin’, Losin’: Songs Of The Louvin Brothers”)
  10. “The Scarlet Tide” (van de soundtrack van “Cold Mountain”)
  11. “Whiskey Lullaby” (mét Brad Paisley en ván diens CD “Mud On The Tires”)
  12. “You Will Be My Ain True Love” (mét Sting en ván de soundtrack van “Cold Mountain”)
  13. “I Give You This Heart” (van de soundtrack van “The Prince Of Egypt”)
  14. “Get Me Through December” (mét Natalie MacMaster en ván haar CD “In My Hands”)
  15. “Missing You” (mét John Waite en van diens CD “Downtown… Journey Of A Heart”)
  16. “Lay Down Beside Me” (opnieuw met John Waite, maar ditmaal wel een nieuw nummer)

 

Alison Krauss

Rounder Europe

 

 

Southern Culture On The Skids

“Countrypolitan Favorites”

(Yep Roc / Munich)

(4) J J J J

 

 

Zondermeer dé plaat van het moment voor feestgrage rootsmuziekminnaars, deze nieuwe van Mary Huff, Rick Miller en Dave Hartman. Met een enigszins misleidende titel trouwens! De S.C.O.T.S. beperken zich op dit conceptalbum immers lang niet uitsluitend tot het eigenwijs brengen van “Countrypolitan Favorites”. Die naar een periode aan het eind van de jaren zestig waarin country ook in niet-countrykringen steeds populairder werd verwijzende term moet met een flinke korrel zout worden genomen. Nummers als “Muswell Hillbilly” van de Kinks, “Happy Jack” van de Who, het hier gitaargewijs met een fikse snuif “Gloria” gekruide “Fight Fire” van Creedence-voorlopers de Golliwogs, “Have You Seen Her Face” van de Byrds, “Life’s A Gas” van T. Rex of Slim Harpo’s “Te Ni Nee Ni Nu” kan je immers bezwaarlijk country noemen. Ze krijgen hier echter wél dezelfde, ongegeneerd op de benen mikkende behandeling mee als de Lynn Anderson-klassieker “Rose Garden”, Claude Kings “Wolverton Mountain”, Don Gibsons “Oh Lonesome Me”, “Engine Engine #9” van Roger Miller en “No Longer A Sweetheart Of Mine” van Don Reno & Red Riley & The Tennessee Cutups. En dat is er één waarin vanuit elke garagehoek op elk moment heerlijk vette gitaren onverhoeds kunnen aanvallen. En populaire country mag dan misschien al het uitgangspunt gevormd hebben voor deze collectie, R&B, (garage)rock, pop, bluegrass en blues zijn zo toch ook duidelijk mee in de mix geglipt. De hoogtepunten? Het met een psychedelisch gitaarsausje overgoten “Have You Seen Her Face”, het onweerstaanbaar rammelende “Engine Engine #9”, het nog nooit zo vitaal als hier gebrachte “Rose Garden” en een werkelijk grandioze bluegrassbenadering van Pete Townshends “Happy Jack”, waarin banjo en gitaar iets bepaald moois met elkaar hebben. Tafels en stoelen aan de kant! It’s party time!

Southern Culture On The Skids

Yep Roc

 

 

MICHAEL J SHEEHY

“Ghost On The Motorway”

(Glitterhouse / Munich)

(4,5) J J J J J

 

 

Eerste worp van één van de beide recente nieuwe signings, waarvan ze bij het Duitse Glitterhouse Records zéér veel verwachten. Op “Paper Sky”, de nieuwe van Ben Weaver, is het nog even wachten geblazen, maar met “Ghost On The Motorway” van Michael J Sheehy lijken ze alvast voor een stuk hun gelijk te halen. Wat een plaat! Kan je nu al opschrijven als een geheide kandidaat voor tal van jaarlijstjes! De in Ierland geboren en in Londen getogen Sheehy, het voormalige kopstuk van de Dream City Film Club, lukt na een afwezigheid van vijf jaar met zijn vierde een album, dat qua intensiteit herinnert aan bijvoorbeeld het laatwerk van Johnny Cash, aan Robbie Robertson ten tijde van “Somewhere Down The Crazy River” of aan de betere momenten van Nick Cave, Tom Waits en Woven Hand. Als een kind in een snoepwinkel graait hij om zich heen tussen de meest diverse Amerikaanse muziekstijlen. Folk, country, blues, gospel, je zegt het maar! Twaalf songs lang houdt hij je aan zijn lippen gekluisterd met broeierige kortverhalen rond thema’s als zonde en redding. Hemel en hel liggen daarin voortdurend zeer dicht bij elkaar. Folk noir van een uitzonderlijk hoog niveau, aanbevolen aan zowel de fans van hoger al genoemde acts als bijvoorbeeld ook een Leonard Cohen, een Mark Lanegan, een Nick Drake of een Tim Buckley. Subliem spul!

Michael J Sheehy

Glitterhouse Records

 

 

JOHNNY CASH

“Ultimate Gospel”

(Columbia / Legacy / Sony BMG)

(3,5) J J J J

 

 

The Man in Black blijft ook na zijn dood zorgen voor cash in het laatje. “Ultimate Gospel” is al de zoveelste verzamelaar op rij en ongetwijfeld nog lang niet de laatste. Het betreft ditmaal een vierentwintig songs omvattende collectie, waarmee ’s mans godsvruchtige kant nog maar eens dik in de verf wordt gezet. Het trekje dat er ooit nog voor zorgde, dat hij Sam Phillips en Sun Records de rug toekeerde. Toen Cash in ’58 een gospelplaat wilde inblikken, werd hem dat door zijn toenmalige baas immers geweigerd en dat vormde de rechtstreekse aanleiding voor zijn overstap naar Columbia. Het geeft aan, hoe belangrijk Cash zelf dat deel van zijn werk vond.

“Daddy Sang Bass”, “Belshazzar”, “Swing Low, Sweet Chariot”, “The Great Speckle Bird”, “Were You There (When They Crucified My Lord)”, “(There’ll Be) Peace In The Valley (For Me)”, “When The Roll Is Called Up Yonder”, “Far Side Banks Of Jordan”, “Amazing Grace” en tal van andere bekende en minder bekende religieuze songs passeren hier de revue. Verzamelaars zullen echter vooral kicken op “How Great Thou Art”, “It’s No Secret (What God Can Do)” en “My Ship Will Sail”. Dat zijn immers drie niet eerder verschenen songs op het repertoire van Cash.

Wat betreft het aantal overlappingen met het eerder verschenen “God” valt het voorts ook nogal mee. Twee derden van het materiaal op deze verzamelaar kwam daar niet op voor.

Johnny Cash

Legacy Recordings

 

 

PETER BEEKER

“Dit Is Legaal”

(Inbetweens / Clear Spot)

(3,5) J J J J

 

 

Liefhebbers van dialectrock komen bij Peter Beeker ook ditmaal weer uitgebreid aan hun trekken. “Dit Is Legaal” is het eerste soloproject van de frontman van de onvolprezen Ongenode Gaste. Limburger Beeker (zang, akoestische gitaar) laat zich op dat vijf eenheden tellende schijfje voor één keer niet begeleiden door zijn vaste groep, maar door vrienden als de van zijn werk met de Prodigal Sons bekende Erwin Nyhoff (elektrische gitaar), duivel-doet-al BJ Baartmans (toetsen, akoestische gitaar, lap steel, percussie, achtergrondzang), bassist Gerald van Beuningen en drummer-percussionist Pascal Hoeken. Onder de leiding van Baartmans en lokale grootheid Léon Bartels werd in studio’s Wild Verband in Boxmeer en in laatstgenoemdes Léons Farm in Boekend weer een aardig eindje weggerockt. Beekers aan ogenblikkelijk herkenbare onderwerpen opgehangen, naar melodieuze rocksongs vertaalde dialectliedjes grijpen je dan ook meteen bij je nekvel. Van het slome, nog wat zweverig aandoende “Fotomaedje”, waarin hij ongegeneerd fantaseert over de één of andere schone in een (Vies?) blaadje, tot het catchy “De Speuler”, dat de liefde herleidt tot een spelletje voor weinig honkvaste “vlinders”, van het vlees en bloed geworden liefdesverdriet van het sombere “Zuster” tot het messcherp rockende tweetal “Zet In” en “Dit Is Legaal”, over respectievelijk ervoor durven te gaan in het leven en het kantje afwandelen, het is echt wel vijf keer midscheeps raak! Wat ons betreft dan ook zeker voor herhaling vatbaar, dit tussendoortje van de Ryan Adams van het Zuiden, en als het even kan nog snel graag ook!

Peter Beeker

Inbetweens

 

 

NEVA GEOFFREY

“The Days Are Rolling”

(Alias Records)

(3,5) J J J J

 

 

Men neme een snuif Natalie Merchant, een weinig Norah Jones of Madeleine Peyroux, wat Edie Brickell en Cat Power, goed schudden en wat vervolgens uit de shaker loopt zou ongeveer moeten klinken als Neva Geoffrey. Met haar wat aparte stemgeluid weet die jonge Amerikaanse van de eerste tot de laatste noot te bekoren op haar debuut-CD “The Days Are Rolling”. Nu eens met een vertederende pianoballade, dan weer met een ingetogen popliedje of een jazzy torch song, het maakt haar eigenlijk allemaal niet zo heel erg veel uit hoe het moet gebeuren, als het maar gebeurt. En ze doet dat ook nog eens voornamelijk met eigen songs. Enkel het desolaat-intimistische “Peeling Metal Chairs” en het door een jazzy trompetje ondersteunde “Keep Coming Anyway” komen op het conto van haar vriend Justin Craig, de overige acht nummers droeg Geoffrey zelf aan. Enkele van de sterkste daarvan zijn wat ons betreft de lijzige, radiogenieke popdeun “Corduroy Boy” en het uiterst gevoelige tweetal “I Feel No Might” en “The Pigeon”. Daarin etaleert Neva Geoffrey zich als een uitzonderlijk talent, waarvan we in de toekomst ongetwijfeld nog heel wat meer zullen gaan horen.

Alias Records

 

 

MICKY AND THE MOTORCARS

“Careless”

(Smith Music Group)

(3) J J J

 

 

“Careless” is het derde album in evenveel jaar tijd van Micky & The Motorcars, het groepje van Micky en Gary Braun, zoals bekend broers van Cody en Willy van Reckless Kelly. En eigenlijk kan je daarover min of meer hetzelfde kwijt als over voorgangers “Which Way From Here” en “Ain’t In It For The Money”. Wat deze Braun-broertjes doen wijkt eigenlijk amper af van wat hun een stuk bekendere naamgenoten brengen. Ook de Motorcars staan voor een mengeling van commercieel nog net te verantwoorden Texaanse countryrockers en met schuurpapieren stem gebrachte aanstekerballades. Wat hen uiteindelijk toch van Reckless Kelly onderscheidt, is het feit dat de liedjes van dát gezelschap door de band genomen gewoon een stuk origineler en sterker zijn. Zelfs bijdragen van gastmuzikanten en –vocalisten als Mickey Raphael, Lloyd Maines, Earl Poole Ball, Bryan Shaw, David Abeyta, Cody Braun en Kathleen O’Keefe kunnen dan ook niet beletten, dat “Careless” een beetje onopgemerkt aan je voorbijtrekt vanwege nogal weinig gevarieerd. Een enkel liedje à la de Pinto Bennett-cover “Carolina Morning”, de akoestische ballade “Long & Lonely Highway” of het op lekker gemene gitaren geënte “Love Is Where I Left It” slaagt er wél in om de aandacht te trekken, maar dat is al bij al toch wat te weinig om van een echt topproduct te mogen spreken.

Micky & The Motorcars

Lone Star Music

 

 

JANE GILLMAN

“List Of Wishes”

(High Road Records)

(3,5) J J J J

 

 

 

Gaan we vooral niet té moeilijk over doen, over dit schijfje! Is gewoon lekker zondermeer. Maar de van haar werk met Gillman Deaville en Rue La-La bekende Jane Gillman is dan ook een echt all-roundtalent. Ze beschikt niet alleen over een bijzonder warme, aangenaam weemoedige stem, ze verstaat ook als geen ander de kunst om een melodieus rootsrockliedje uit de mouw te schudden. En als je die twee factoren dan ook nog eens kan combineren met de uitzonderlijke talenten van gastmuzikanten en -vocalisten als een Mark Viator (Wanneer eindelijk nog eens wat nieuws van hem?), een Rich Brotherton, een Riley Osborne, een Glenn Fukunaga, een Rafael Gayol, een Darcie Deaville en een Eliza Gilkyson, dan staat niets nog een uitstekende CD in de weg. En dat is “List Of Wishes” dan ook geworden. Het met Gilkyson gebrachte “Madonna Of The Trail” is zo bijvoorbeeld een bedaard rockertje op z’n Tom Petty’s of z’n Roger McGuinns, “We’re So Close” twijfelt tussen country en Byrds, “Weathervane” is folky Americana van uitstekende makelij en “Angel Of Dreams” een soulvolle ballade met een hoofdrol voor toetsenfenomeen Riley Osborne. “Dream And Drive” is dan weer een dot van een road song, titelnummer “List Of Wishes” profiteert van knap werk op de elektrische door Rich Brotherton om tot een aanstekelijke folkrockdeun uit te groeien en het afsluitende “Spinning” is van het niveau van de hier al eerder genoemde Gilkyson. Heel erg fraai allemaal!

Jane Gillman

CD Baby

 

 

SMOKESTACK LIGHTNIN’

“Modern Twang”

(EMI Germany)

(4) J J J J

 

 

“Modern Twang” is de wel heel erg toepasselijke titel van de nieuwe CD van Duitslands met afstand beste rootsgroep Smokestack Lightnin’. Voor negen van de achttien nummers daarop gingen de heren Graef, Batke, Kargel en Hess een samenwerkingsverband aan met Seatsniffers-kopstuk Walter Broes. En dat hoor je ook! Broes tekende immers niet alleen voor de productie van die songs, maar is er ook gitaargewijs nogal eens nadrukkelijk in aanwezig. Dat geldt heel zeker voor het springerige, op een Diddley meets Cash-ritme geënte “Soulbeat”, maar ook voor de ook al opzichtig naar The Man In Black verwijzende en uit een Honda-TV-spotje bekende single “Unknown Stuntman”, het aanstekelijke, door Henk Vandersypt met een streepje cajunaccordeon opgewaardeerde “Rockabilly Blues” en bluesy afsluiter “Walk Away”. “Allemaal al oudere nummers, toch,” horen we je denken. En dat klopt ook! “Modern Twang” is immers een soort van geactualiseerde bloemlezing uit het eerdere werk van de groep. Van hun eerste CD “Soul Beat” krijgen we zo liefst negen nummers geserveerd, de mini “Home Cooking” zelfs in zijn totaliteit en dan is er nog de single “If I Really Bug You”. Echt nieuw zijn bij ons weten eigenlijk alleen het zich in verbittering wentelende afscheidsliedje “Shame” en de bijzonder geslaagde twangy Guns ‘n’ Roses-cover “Paradise City”.

Al bij al zo ongeveer het ideale schijfje voor wie nog moet kennismaken met de bijzonder appetijtelijke mix van country, Americana, rockabilly en andere rootsmuziekstijlen waarvoor die van Smokestack Lightnin’ keer op keer opnieuw tekenen. Liefhebbers van groepen als onze Seatsniffers en Hètten Dès of Amerikaanse acts à la de Bastard Sons Of Johnny Cash en de Railbenders zullen hier alvast zeker hun plezier niet mee op kunnen.

Smokestack Lightnin’

EMI Germany

 

 

JOHN STARLING & CAROLINA STAR

“Slidin’ Home”

(Rebel Records)

(4) J J J J

 

 

“Slidin’ Home” van John Starling en Carolina Star kan je eigenlijk beschouwen als een soort van verkapte Seldom Scene-reünie. Naast Starling zelf zijn van die baanbrekende bluegrassgroep immers ook dobrogrootheid Mike Auldridge en bassist Tom Gray erop van de partij. En zoiets zorgt natuurlijke voor hoge verwachtingen! Verwachtingen, die door Starling en co met sprekend gemak worden ingelost. Want al begint ’s mans stem dan ook stilaan sporen van een rijk leven te vertonen, ze blijft een waar genot om naar te luisteren. En als je daar nog aan toevoegt, dat men bij het kiezen van het materiaal voor “Slidin’ Home” een uitstekende job heeft gedaan, dan zijn eigenlijk alle elementen voor een geslaagd album voorhanden. Hoogtepunten zat hier dan ook! Van de sacrale, met Emmylou Harris en Jon Randall gebrachte Gram Parsons-cover “In My Hour Of Darkness” tot het van Gillian Welch geleende “The Riverboat Song”, van een kippenvelversie van Leon Payne’s “They’ll Never Take Her Love From Me” tot een al even bloedstollend mooie lezing van de Lowell George-klassieker “Willin’”, van de sprankelende bluegrass van Ricky Skaggs’ “Irish Spring” tot het met veel gevoel gebrachte “Prayer For My Friends” van het door ons op handen gedragen duo Sarah Pirkle en Jeff Barbra, zalige muziek gewoon, die zowel liefhebbers van bluegrass als van intimistische Americana diep zal weten te raken. Zeer warm aanbevolen derhalve ook, dit nieuwe Starling-album!

John Starling & Carolina Star

Rebel Records

 

 

DOLOREAN

“You Can’t Win”

(Yep Roc / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Dankzij het in 2003 verschenen “Not Exotic” en het van twee jaar later stammende “Violence In The Snowy Fields” geniet Dolorean, een uit Portland, Oregon afkomstig collectief rond zanger-songsmid full-time treurwilg Al James, ook hier te lande in bepaalde kringen reeds een uitstekende reputatie. Critici vielen indertijd echt met bosjes tegelijk voor die twee platen en dat liet voor de toekomst van de vijf dan ook het allerbeste verhopen. En die toekomst is ondertussen het hier en nu en hun nieuwe schijf, hun vierde, “You Can’t Win”. En ook daarop weer ontpopt James zich als een ware grootmeester daar waar het het schrijven en vertolken van melancholische, uitermate intimistische folkpopliedjes betreft. Wat hij en de zijnen op “You Can’t Win” brengen is van een bijna onaardse schoonheid. En het is dan ook nauwelijks te geloven, dat het basismateriaal voor die schijf in nauwelijks één weekend tijd werd ingeblikt. Efficiënter kan nauwelijks, zo lijkt ons.

Vertrekkend vanuit een simpele, enkele gitaren, een bas, een piano en drums omvattende bezetting kiest James als vanouds voor een eerder minimalistisch uitvallende invulling van zijn muzikale overpeinzingen. Enkel wanneer een nummer daar uitdrukkelijk lijkt om te vragen, mag gastmuzikant Peter Broderick wat banjo- en/of mandolineaccenten komen plaatsen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het gestaag open bloeiende “We Winter Wrens”, één van de eerste absolute hoogtepunten van “You Can’t Win”. Andere highlights zijn het ijle, sfeergewijs aardig dicht bij het werk van Bright Eyes strandende walsje “Heather Remind Me How This Ends”, het bijna schoorvoetend voorbij schuifelende “Buffalo Gal” en het ondanks een zeer sceptische tekst voorwaar zelfs enigszins radiovriendelijk uitvallende “In Love With The Doubt”, dat een zeker jaren-zeventiggevoel uitstraalt.

Dolorean

Yep Roc

 

 

VANDAVEER

“Grace & Speed”

(Gypsy Eyes Records)

(3,5) J J J J

 

 

Vandaveer is het pseudoniem van ene Mark Charles Heidinger. Die doet onder die schuilnaam een verwoede poging om zijn verleden bij indiepoppers The Apparitions van zich af te schudden. Op zijn solodebuut laat de momenteel in Washington, DC woonachtige singer-songwriter een geheel andere kant van zichzelf bewonderen. Vertrekkend vanuit een simpele akoestische gitaarbegeleiding zoekt hij beurtelings het kielzog op van grote liedjesschrijvers als een Paul McCartney, een Tom Waits en een Bob Dylan. Dat resulteert in een setje intelligente songs, die zich nu eens nadrukkelijk onder pop laten rangschikken, dan weer eerder onder Americana of folk. En op z’n best vinden wij de man daarbij, wanneer hij klinkt als een soort van eigentijdse kruising tussen Ray Davies en Bob Dylan, zoals in het pakkende titelnummer of het al even markante “The Streets Is Full Of Creeps”. Dat soort van liedjes doen nu al reikhalzend uitkijken naar meer van hetzelfde!

Vandaveer

Gypsy Eyes Records

 

 

MARY KARLZEN

“The Wanderlust Diaries”

(Dualtone / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Ze worstelt eigenlijk al jaren met min of meer hetzelfde probleem, deze Mary Karlzen. Ze laat zich tot grote frustratie van zo menig een scribent immers maar moeilijk in één welbepaald hokje onderbrengen. En het is dan ook maar zeer de vraag, of ze er met haar ondertussen toch ook alweer vijfde CD “The Wanderlust Diaries” wél zal in slagen om na jarenlang ploeteren in de marge eindelijk op wat grotere schaal door te breken. Aan een gebrek aan kwaliteit zal het zeker niet gelegen hebben, als dat toch weer niet mocht gebeuren. Karlzen is immers een dijk van een zangeres, die met evenveel gemak een weinig aan het werk van Joni Mitchell herinnerend folky singer-songwriterspul (“For One Moment”, “Stay Forever”) brengt, als een melodieuze popdeun (“Skyway”, “Show Me”) of een door bij momenten behoorlijk flamboyante gitaren op smaak gebrachte rootsrocker (“Straws”, “Oh My”, “Jump”). Opvallendste nummer op “The Wanderlust Diaries” is een countryeske, in duet met Matthew Ryan gebrachte cover van Tom Waits’ “Heart Of Saturday Night”. Mooi hoe Karlzen en Ryan elkaar daarin stemgewijs vinden op een door Joe Pisapia neergelegde lapsteeldeken. Op de uitgebreide gastenlijst stoten we verder ondermeer ook nog op de namen van Jansen Press (Productie!), Garry Tallent, Daniel Tashian, John Deaderick, Jolynn Daniel, Robert Reynolds, Paul Deakin, Ken Coomer en Garrison Starr. Kwaliteit zat dus!

Mary Karlzen

Dualtone

 

 

ANE BRUN

“Live In Scandinavia”

(Determine Records / V2)

(4) J J J J

 

 

 

Het betreft hier een erg fraaie, in september van vorig jaar op diverse locaties in Noorwegen en Zweden ingeblikte collectie van eigen en andermans materiaal. Wat dit geheel zo speciaal maakt, is het feit dat Brun zich tijdens die tournee liet begeleiden door een strijkensemble. Mede door de bijdragen van de leden van het DMF String Quintet klinken haar liedjes hier herfstiger dan ooit. Brun zelf (zang, akoestische gitaar, piano), Staffan Johansson (elektrische gitaar, lap steel) en Nina Kinert (backing vocals, piano, percussie) genieten hoorbaar van dit nieuwe decorum en tekenen voor intense, nog meer onder de huid gaande uitvoeringen van de an sich toch ook al behoorlijk pakkende Brun-originelen. En ook hun versies van P.J. Harvey’s “The Dancer” en Jeff Buckley’s “So Real” zijn niets minder dan beklijvend. Met “Changing Of The Seasons” krijgen we overigens ook één geheel nieuw nummer geserveerd. Tijdloos spul, deze Scandicana!

Ane Brun

V2 Records

 

 

JOSH RITTER

“Live At The Record Exchange EP”

(V2 Records U.S.A.)

(4) J J J J

 

 

Minder is vaak juist meer, dat blijkt ook naar aanleiding van dit tussendoortje van Josh Ritter maar weer eens. Zelfs al werden wij hier dan ook zeer gecharmeerd door het gros van de songs op ’s mans laatste plaat “The Animal Years”, dan misten we daarop toch een beetje de naakte schoonheid van het materiaal op zijn drie eerdere platen. En wat dat betreft worden we hier juist op onze wenken bediend. Op deze op een zaterdagnamiddag ergens in augustus van vorig jaar live in platenzaak The Record Exchange in Boise, Idaho opgenomen EP gordt Ritter immers weer de akoestische gitaar om en laat hij ons genieten van tot hun essentie herleide versies van “Peter Killed The Dragon” van de EP “Girl In The War”, van dat radiohitje “Girl In The War” zelf, van “Good Man” en “Wolves”. Daarnaast covert hij met “Daddy’s Little Pumpkin” John Prine en serveert hij met “Bandits” ook nog een nooit eerder op plaat verschenen eigen nummer. Alleen al voor die twee laatste songs valt de aanschaf van dit in beperkte oplage (vooralsnog enkel in de States) verkrijgbare kleinood eigenlijk al te overwegen, maar zoals al eerder gesteld, ook de andere vier liedjes klinken hier ronduit fantastisch. Ontdaan van alle bombast van hun studioversies zijn ze van een ontwapende schoonheid, die doet denken aan veel van het materiaal op “Josh Ritter”, “Golden Age Of Radio” en “Hello Starling”.

Josh Ritter

V2 Records

Amazon U.S.A.

 

 

CADILLAC SKY

“Blind Man Walking”

(Skaggs Family / Lyric Street)

(3,5) J J J J

 

 

In progressieve Amerikaanse bluegrassmiddens wordt Cadillac Sky al een poosje getipt als één van dé acts voor de toekomst. Vooral hun showcases tijdens de IBMA World Of Bluegrass Trade Shows van 2004 en 2006 gingen bepaald niet onopgemerkt voorbij. De groep bestaande uit Bryan Simpson (mandoline, zang), Matt Menefee (banjo), Mike Jump (gitaar, zang), Ross Holmes (fiddle, zang) en Andy Morlitz (bas, zang) liet er zo menig een liefhebber van het genre met een van verbazing ver open hangende mond achter. Ondermeer ook Ricky Skaggs, die hen prompt voor zijn eigen label tekende. De vijf zijn immers echte virtuozen op hun instrumenten en ook vocaal doen ze véél meer dan alleen maar hun mannetje staan. En alsof dat nog niet volstond, beschikt het collectief in Bryan Simpson bovendien ook nog eens over een uitstekende songwriter. De man verdiende in het verleden al ruimschoots zijn sporen met songs voor hitmachines als George Strait, Gretchen Wilson, Martina McBride, Jo Dee Messina en Kenny Rogers. Maar, eerlijk is eerlijk, nergens klonken zijn liedjes tot op heden zo goed als hier. Wij vonden alvast knappe momenten genoeg om van een goede tot zeer goede plaat menen te mogen gewagen. We denken dan ondermeer aan het voor de Frank De Booseres van deze wereld bepaald niet vriendelijke “Can’t Trust The Weatherman”, het op heerlijke samenzang geënte en nog behoorlijk traditionele “(Oh, The Bluegrass) Never Been So Blue”, het spirituele titelnummer, “You Again”, het verhaal van een hardleerse ex-gevangene, de mooie, samen met Sonya Isaacs gebrachte en van een Iers folkrandje voorziene ballade “Homesick Angel” of het nerveuze “Insomniac Blues For Matthew”.

C-Sky rules!

Cadillac Sky

Skaggs Family Records

 

 

JANN BROWNE

“Buckin’ Around”

(A Tribute To The Legendary Buck Owens)

(Plan B Records)

(4) J J J J

 

 

Op 25 maart 2007, dag op dag een jaar na diens overlijden, pakt Jann Browne uit met “Buckin’ Around”, een muzikaal eerbetoon aan haar grote held Buck Owens. Het idee daartoe ontstond al toen ze vorig jaar op weg was naar ’s mans begrafenis. Browne had Owens jaren geleden persoonlijk leren kennen achter de schermen van de CMA Awards. Een droom die bewaarheid werd, aangezien ze via de platencollectie van haar moeder zelf bij wijze van spreken was grootgebracht met de muziek van de man.

Voor “Buckin’ Around” wist Browne zich te omringen met heel wat grote namen uit het genre. In de eerste plaats wist ze zich te verzekeren van de diensten van Jay Dee Maness, zelf ooit nog actief als Owens’ steelgitarist. En verder zijn er ondermeer nog gesmaakte bijdragen van Bill Bryson van de Desert Rose Band (bas), Scott Joss uit de entourage van Merle Haggard (fiddle), Larry Mitchell (drums), Duane Jarvis (akoestische gitaar), Skip Edwards toetsen), Matt Barnes (productie, diverse gitaren en zang), Chris Gaffney, Iris DeMent en Joy Lynn White (allen zang).

Met zijn allen tekenen zij voor een echt schoolvoorbeeld van een “tribute”. Browne zelf klinkt hier eigenlijk beter dan ooit. Haar nieuwe is wat ons betreft zelfs eindelijk de plaat die de grote belofte die haar in 1990 verschenen “Tell Me Why” inhield volledig weet in te lossen. Ze klinkt bijzonder ontspannen en weet zich met zwier bekende liedjes als “Love’s Gonna Live Here”, “Before You Go”, “Excuse Me (I Think I’ve Got A Heartache)”, “Think Of Me”, “Waiting In Your Welfare Line” en andere toe te eigenen. Absolute uitschieter is het ingetogen “Sweethearts In Heaven”. Dat klinkt mede dankzij de werkelijk wonderschone harmony vocals van de grote Emmylou Harris en de onvolprezen Joy Lynn White net zo hemels als zijn titel het al aankondigt.

Prachtschijf!

Jann Browne

CD Baby

 

 

KARLING ABBEYGATE

“Karling Abbeygate”

(Dionysus Records)

(3,5) J J J J

 

 

Zonder ook maar de minste twijfel hét snoepje van de maand voor liefhebbers van traditionele country, deze Karling Abbeygate. De uit het Engelse Norwich afkomstige schone neemt ons op haar tweede CD mee terug naar de tijd waarin de grote Patsy Cline nog volop regeerde in Countryland. Ze vertaalt op dat schijfje op bijzonder overtuigende wijze klassieke countrywaarden naar het hier en nu. Dat ze over een fantastische stem beschikt, is daarbij natuurlijk een serieus pluspunt. En dat ze bovendien ook nog eens een alleraardigst deuntje in de vingers blijkt te hebben uiteraard ook. Van hartzeer doordrongen slepers als “Home Home Home” en “Someone Else’s Man” zouden ook dames als de al genoemde Cline, een Loretta Lynn of een Tammy Wynette wellicht tot grootse daden geïnspireerd hebben. En ook het eigen twangy hillbillymateriaal genre “Beg Steal & Borrow” of “Tonight Is Gonna Last” is zeer knap.

Een schijfje om vooral niet te laten schieten dus!

Karling Abbeygate

Dionysus Records

 

 

ROSIE THOMAS

“These Friends Of Mine”

(Nettwerk / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Ook op haar inmiddels vijfde CD “These Friends Of Mine” verandert weer alles wat Rosie Thomas beroert terstond in goud. Met haar kristalheldere stem waart ze als een elf doorheen tien delicate folk(pop)miniatuurtjes, waarin het instrumentarium tot de absolute essentie beperkt blijft. Zelfs R.E.M.’s “The One I Love” en “Songbird” van Fleetwood Mac, hier bedekt met een warme strijkersdeken, verworden in de handen van Thomas tot neo-folk van het zuiverste kaliber. Van een regelrecht ontwapenende schoonheid allemaal. Alsof Joni Mitchell zich met wat hippere jongelui ingelaten heeft. Knapen van het kaliber van een Damien Jurado of een Sufjan Stevens bijvoorbeeld. En die laatste blijkt hier wellicht niet helemaal toevallig ook van de partij. Hij zorgt her en der voor wat vocaal tegengewicht.

Rosie Thomas

Nettwerk

 

 

UNCLE EARL

Waterloo, Tennessee

(Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Voor de productie van hun tweede CD “Waterloo, Tennessee” wisten de vier dames van Uncle Earl niemand minder dan de ondermeer van Led Zeppelin bekende John Paul Jones te strikken. Een op het eerste gezicht wat vreemde combinatie misschien, maar ze werkt wel degelijk. En dat wellicht niet in de laatste plaats omdat Jones Kristin Andreassen (zang, gitaar, fiddle, banjo, ukelele), Rayna Gellert (zang, fiddle), KC Groves (zang, mandoline, gitaar, mandola) en Abigail Washburn (zang, banjo) heeft laten doen waar ze zo ontzettend goed in zijn. Alle vier zijn het uitstekende zangeressen en zo mogelijk nog betere instrumentalisten. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk in het door Ted Pitney van Uncle Wilkie speciaal voor de groep geschreven “The Last Goodbye”. Dat liedje, waarin ook Gillian Welch drumgewijs even van de partij blijkt, illustreert op innemende wijze, hoe Americana en old-time met wat goede wil en de nodige stielkennis perfect kunnen samengaan. Een stelling die hier overigens meermaals wordt onderbouwd. We noemen in dat verband graag ook nog “One True”, een ingetogen deuntje waarvoor Washburn zich liet inspireren door de maan, een bijzonder vingervlugge, meerstemmig gebrachte versie van de traditional “Wish I Had My Time Again”, het verstilde “My Little Carpenter” met voorwaar zelfs een gastbijdrage van John Paul Jones op de mandola, Abigail Washburns werkelijk fenomenale benadering van Olla Belle Reeds “My Epitaph” (Kippenvel all over!), de op dansgrage voeten mikkende instrumentale “Sisters Of The Road”, Andreassen in de huid van A.C. Carter in “The Birds Were Singing Of You” en Bob Dylans “Wallflower”, door Groves en Washburn liefdevol neergelegd in een bedje van fiddles, akoestische gitaar, bas en triangel.

Akoestische Americana op z’n allerbest!

Uncle Earl

Rounder Europe

 

 

WILL T. MASSEY

“Letters In The Wind” en “Slow Study”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J / (3,5) J J J J

 

  

 

Will T. Massey was amper 20, toen hij in 1989 op basis van twee eerder verschenen platen (“Pickin’, Poker & Pickup Trucks” uit ’87 en “Kickin’ Up Dust” uit ’88) en een alsmaar groeiende live-reputatie de gerenommeerde Lloyd Maines wist te strikken als producer voor wat zijn derde album moest gaan worden. En dat had als prettig gevolg, dat naast die Maines zelf verder ook een hele schare plaatselijke topmuzikanten de uit San Angelo afkomstige jongeling richting Caldwell Studios in Lubbock volgde. Om er maar een paar te noemen: Paul Pearcey (drums en percussie), Jesse Taylor (elektrische gitaar), Bonnie Dickinson (piano), Gene Elders (fiddle), Ponty Bone (accordeon) en Tish Hinojosa en Julie Massey (backing vocals). Het resultaat van die sessies kon eigenlijk amper nog tegenvallen. En al snel zou Massey dan ook gewapend met een 150-tal cassettes en in het gezelschap van ondermeer Jesse “Guitar” Taylor en Rosie Flores een release party voor “Slow Study” houden. Mede daardoor werd de aandacht getrokken van het destijds nog volop furore makende MCA. Dat label koppelde de beste man vervolgens aan Roy Bittan, Mike Campbell en Kenny Aronoff en sleepte hem zo vlug mogelijk studiowaarts om er een popplaat in te blikken. Van “Slow Study” was plotsklaps helemaal geen sprake meer. Slechts een handvol fans van het eerste uur had een kopietje ervan kunnen bemachtigen. Het album zou door de jaren heen dan ook uitgroeien tot een dankbaar object voor verzamelaars.

Door een speling van het lot troffen Massey en Maines elkaar vorig jaar echter opnieuw. Tijdens de opnames van Wills zevende CD “Letters In The Wind” bracht Maines het verloren gewaande album ter sprake en hij moedigde hem aan om een heruitgave ervan te overwegen. Dat gegeven en het feit dat zijn fans er al jarenlang om vroegen overtuigden de Texaan ervan om het ook daadwerkelijk een tweede kans te gunnen. De originele tapes werden afgestoft, het materiaal digitaal geremasterd, twee bijkomende liedjes werden aan het geheel toegevoegd en alternatieve versies van twee andere completeerden uiteindelijk het plaatje.

En zo komt het, dat we ons hier nu goed en wel achttien jaar later mogen buigen over een dubbele worp van Massey. En eigenlijk zit er niet eens zo heel veel verschil tussen “Slow Study” en “Letters In The Wind”. Louter geluidstechnisch gezien klinkt dat laatste album natuurlijk flink wat eigentijdser. En ook de stem van Massey heeft flink aan rijpheid gewonnen. Maar verder zijn er toch vooral veel raakpunten. “Letters In The Wind” markeert voor Massey tot op zekere hoogte immers een terugkeer naar zijn sound van weleer. Na het akoestische tweetal “Acoustic Session” en “Alone” uit 2005 is het opnieuw een met een volledige band ingespeelde collectie “typisch Texaanse” liedjes. Van beheerste rootsrockertjes à la “Blue Shadow” of “Later To Live” over knappe ballades als “Alone With You” en “Yesterdays With You” gaat het tot Americana (het titelnummer en “Something Lost”) en een enkele aan z’n verleden herinnerende slepende (roots)popsong (“The Biggest Horse” en “I’ll Never Love You Wrong”). Massey’s voornaamste troeven daarbij zijn zoals weleer zijn fluwelen stem en zijn prachtige, vaak heel herkenbare teksten. En uiteraard mogen we ook de bijdragen van gasten Will en Charlie Sexton, Tish Hinojosa, Kacy Crowley, Brian Standefer, Lloyd Maines, Bukka Allen, Stephen Foster en J.J. Johnson niet vergeten.

“Slow Study” van zijn kant is misschien net dat tikkeltje ruwer van aard. Opener “I’ll See You Around” en het knappe “A Dying Breed” neigen zo bijvoorbeeld een stuk nadrukkelijker naar country dan om het even wat op ’s mans nieuwste, “The Hell You Raised” en “Highway Hearse” rocken een flink eindje weg, “On The Sofa Outside” profiteert volop van een gevoelig streepje mondharmonica van Kenny Maines om dat o zo herkenbare, maar slechts moeilijk onder woorden te brengen typische back porch-gevoel op te roepen en het swingende titelnummer krijgt pianogewijs een flinke shot R&B toegediend. Wat rustigere liedjes als “Long Distance Love”, de ouderwetse sleper “The Road That Brought Us Here” en “Mr. Johnson’s Store” hadden evenwel absoluut niet misstaan op “Letters In The Wind”. Vooral dat laatste, met een zeer mooie dobrobijdrage van Lloyd Maines, is een wolk van een liedje.

Kiezen tussen deze twee platen wordt dus moeilijk. Als je budget het zou toelaten, kan je dan ook maar best voor allebei gaan, zo lijkt ons.

Will T. Massey

CD Baby (“Slow Study”)

CD Baby (“Letters In The Wind”)

 

 

TED RUSSELL KAMP

“Divisadero”

(Poetry Of The Moment Records)

(4) J J J J

 

 

Ted Russell Kamp geniet in de eerste plaats enige bekendheid als bassist in de band van Shooter Jennings. Wat velen echter niet weten, is dat de man ook zelf een begenadigde singer-songwriter is. En wat ons betreft is zijn eigen werk zelfs stukken interessanter dan dat van zijn werkgever. Neem nu zijn vierde, “Divisadero”, dat is een plaat die met beide voeten stevig in de jaren zeventig staat. Van prachtig, typisch Westcoast-spul (“The Last Time I Let You Down”, “Close Your Eyes, Maria”) over overduidelijk richting Bakersfield lonkende songs (“Broke And Still Breaking”) tot country soul genre Dan Penn (“Another One Night Stand”) of Americana à la Buddy Miller (“Music Is My Mistress”), Ted Russell Kamp toont zich op die nieuwe plaat van ‘m van heel wat markten thuis. En wat het allemaal nog wat straffer maakt, is dat er tussen de elf eigen composities daarop eigenlijk gewoon niet één slechte zit. Voeg daar nog aan toe, dat de beste man vrijwel louter muzikale cracks om zich heen wist bij de opnames ervan en je weet meteen dat je hier goed zit. Jessi Colter zingt zo bijvoorbeeld een mondje mee in het broeierig soulvolle “Looking For Someone”, Gina Villalobos komt voorbij in de ballade “Close Your Eyes” en het sfeervolle “Can’t Go Back, Maria”, Shooter Jennings leent zijn stem en piano aan het blazersgewijs een aardig eindje richting New Orleans gestuwde “Better Before You Were Big Time” en de rootsy afsluiter “The Road Keeps Getting Longer”, Eric Heywood en Tony Paoletta doen het op de pedal steel, Eugene Edwards op diverse gitaren, Michael Webb op z’n Hammond, Leroy Powell op z’n dobro en Mike Sessa en Avi Sills drummen. Zelf bespeelt Kamp zo ongeveer al de rest: van bassen tot gitaren, lap steel, bouzouki, mandoline, accordeon, Wurlitzer, Hammond, trompet, trombone en tal van percussie-instrumenten. Een bijzonder veelzijdig talent met andere woorden, deze knaap, dat jullie aandacht absoluut verdient.

Ted Russell Kamp

CD Baby

Miles Of Music

 

 

RUTH MINNIKIN

“Folk Art”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Ze wordt met elke plaat weer een beetje beter, deze Ruth Minnikin. De ondermeer van haar bijdragen aan het werk van The Heavy Blinkers en The Guthries en een naar haar zelf vernoemde EP en de cd “Marooned And Blue” bekende Canadese klinkt op haar derde plaat, het in een prachtig handgemaakt stoffen hoesje verpakte “Folk Art” zelfzekerder dan ooit. Stemgewijs mag ze dan nog altijd een beetje herinneren aan dames als Laura Cantrell (Absoluut geen bezwaar tegen!) en Jolie Holland, muzikaal gezien laat ze beide dames geregeld een flink stuk achter zich. Minnikin durft immers veel meer. Naast de al van haar twee eerdere releases bekende zeemzoete country folk stoten we hier zo regelmatig op enigszins carnavalesk aandoende toestanden. Voor je ’t nu spontaan op een lopen gaat zetten… Mardi Gras, that is! “Angel At The Dawn” is er bijvoorbeeld zo eentje. Mooi hoe daarin wat dronken blazers Minnikins frêle stem ondersteunen tijdens één van haar broze nachtelijke overpeinzingen. “Chicken Cooped Up In Country Music” verder zeker ook. N’Awlins jazz, folk en zelfs een beetje rock & roll passeren daarin hand in hand de revue. Het resultaat is een op een vreemde manier bijzonder sensueel overkomend liedje, dat je al jaren lijkt te kennen.

Andere erg straffe songs hier: de lo-fi old-time van het door een aanstekelijke banjoriedel gedragen “Song Mill”, het aandoenlijke “Nanny Jones” en het uitermate breekbare “Stairs”, wat ons betreft zondermeer één van de mooiste Americanadeuntjes van het jaar tot op heden.

Ruth Minnikin

Zunior

 

 

RACHEL HARRINGTON

“The Bootlegger’s Daughter”

(SkinnyDennis Records)

(5) J J J J J

 

 

Geachte dames en heren repertoireverantwoordelijken bij elke zichzelf respecterende verdeler van Americana,

 

Met deze open brief zou ik graag jullie aandacht willen vestigen op één van de allermooiste platen die jullie in dat genre dit jaar te horen zullen krijgen. Aarzel dan ook vooral niet om even op onderzoek uit te trekken! “The Bootlegger’s Daughter”, Rachel Harringtons eerste volwaardige langspeler, moet immers zo ongeveer de strafste debuutplaat zijn sinds het in ’96 verschenen “Revival” van Gillian Welch. En dat kan bij wijze van geloofsbrief al tellen, niet?

In 2003 was ik er al als één van de eersten bij om Harrington jubelend te onthalen. “Halloween Leaves”, een indertijd in haar eigen woonkamer ingeblikt en ook in eigen beheer uitgebracht, vier tracks tellend EP’tje, volstond wat mij betreft al ruimschoots om haar als één van dé toekomstige boegbeelden van het genre naar voren te mogen schuiven. En geloof me vrij, ik had het toen al bij het rechte eind!

Dat Harrington ook “The Bootlegger’s Daughter” nog zelfstandig aan de man dient te brengen, is voor mij dan ook totaal onbegrijpelijk. Ik roep jullie langs deze weg daarom nadrukkelijk op, om zo snel als het kan het ongelijk van alle (kortzichtige) Amerikanen die deze unieke kans aan zich lieten voorbijgaan te bewijzen. Jullie zullen het je absoluut niet berouwen!

Zeven van de tien liedjes op “The Bootlegger’s Daughter” schreef de mooie Harrington zelf. De overige drie zijn bijzonder fraaie lezingen van “Up The River” van collega Laura Veirs, van “Louis Collins” van John Hurt en van de traditional “Farther Along”. De mooiste momenten zijn wat mij betreft echter enkele van haar eigen songs. Met name het bitterzoete “Halloween Leaves”, prachtig ingekleurd op dobro en mandoline door Orville Johnson en John Reischmann, het a capella gebrachte “Untitled”, het epische, door Danny Barnes banjogewijs flink aangevuurde “Blow – The Ballad Of Bill Miner”, het melodieuze “Shoeless Joe” en de aparte old-time van “Summer’s Gone” zijn echte juweeltjes! Americana met een hoofdletter A!

 

Met vriendelijke groet

Benny Metten @

Ctrl. Alt. Country e-zine

 

Rachel Herrington

 

 

MARY CHAPIN CARPENTER

“The Calling”

(Zoë / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Op “The Calling”, haar eerste release voor Zoë Records, zoekt Mary Chapin Carpenter nogal nadrukkelijk aansluiting met haar vorige, het ongemeen mooie “Between Here And Gone” uit 2004. Niet alleen opteerde ze in de persoon van Matt Rollings (keyboards, piano) opnieuw voor dezelfde co-producer, met John Jennings (akoestische gitaar), Dean Parks (elektrische gitaar), Glenn Worf (bas), Eric Darken (percussie) en Mac McAnally (background vocals) passeren ook heel wat voor die plaat gebezigde muzikanten opnieuw de revue. “The Calling” klinkt in menig een opzicht dan ook gewoon als een logisch vervolgstuk op “Between Here And Gone”. Combineerde Carpenter op die plaat nog heel mooi teksten gewijd aan de met haar toen nog “verse” huwelijk gepaard gaande veranderingen in haar eigen leven aan commentaren op 9/11, dan koppelt ze op haar nieuwste haar persoonlijke ervaringswereld aan onderwerpen als het befaamde “publieke proces” van de Dixie Chicks (“On With The Song”), de naweeën van de orkaan Katrina (“Houston”) en een betere politieke toekomst voor haar land (“Why Shouldn’t We”). Aan diepgang dus ook nu weer absoluut geen gebrek in haar liedjes. En wie “Between Here And Gone” wel kon appreciëren mag zich dan ook zonder dralen ook “The Calling” aanschaffen. De combinatie van Carpenters weelderige altstem, haar fluwelen folkpopliedjes en genoemde prachtteksten is ook daarop immers weer niet te versmaden.

Mary Chapin Carpenter

Zoë Records

Rounder Europe

 

 

TOMMY WOMACK

“There, I Said It!”

(Cedar Creek Music)

(3,5) J J J J

 

 

Toen Tommy Womack nu goed vier jaar geleden ten prooi viel aan een zenuwinzinking en noodgedwongen terug een 9 to 5 job diende te zoeken, dacht hij dat zijn carrière als muzikant erop zat. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, dat bleek maar weer eens. Tot zijn eigen grote verbazing bleef de beste man denken in songs. Aanvankelijk nog gewoon als middel om zijn problemen van zich af te schrijven, maar uiteindelijk uitmondend in misschien wel zijn sterkste collectie liedjes ooit. Geen wonder, dat hij de ondermeer van zijn werk voor Patty Griffin bekende John Deaderick wist te strikken voor de productie ervan.

“There, I Said It!” is begrijpelijkerwijze een erg persoonlijke plaat geworden. Het uitsluitend met eigen nummers bevolkte album heeft vooral veel oog voor het in het verleden niet altijd even gemakkelijke leven van de muzikant Womack. En met name het combineren van een bestaan als artiest en het leiden van een tamelijk normaal gezinsleven dan. Die thematiek loopt als een soort van rode draad doorheen de dertien liedjes op “There, I Said It!”. Een lekker gevarieerd geheel overigens, dat album! Pure pop (het veelzeggende “A Songwriter’s Prayer”, het berustende “I’m Never Gonna Be A Rock Star” en het al even lome “Nice Day” of het lyrische, bijna zeven minuten lange “Alpha Male & The Canine Mystery Blood”), roots rock (het ingetogen, een weinig aan heel wat van het werk van James McMurtry verwante “If That’s All There Is To See” en het met een bittere glimlach om de mondhoeken gebrachte “A Cockroach After The Bomb”), blues (“Too Much Month At The End Of The Xanax”, “I Want A Cigarette” en “Fluorescent Light Blues”), singer-songwriter country (“25 Years Ago”), Womack laat zich hier stilistisch weinig of geen beperkingen opleggen. En da’s maar goed ook! Misschien wacht hem juist daardoor toch nog wel ooit een leven als “rock star”, wie weet…

Tommy Womack

Cedar Creek Music

Miles Of Music

 

 

MURDER BY DEATH

“In Bocca Al Lupo”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Sixteen Horsepower, Woven Hand, Nick Cave & The Bad Seeds, Johnny Cash, Tom Waits, het zijn slechts een handvol namen die je bij een eerste beluistering van “In Bocca Al Lupo” van Murder By Death spontaan voor de geest komen. Dat vier man sterke collectief uit Indiana moet het immers net als de genoemde acts hebben van een wel zeer apart geluid. Adam Turla (zang en gitaar), Sarah Balliet (cello en keyboards), Matt Armstrong (bas) en Alex Schrodt (drums en percussie) integreren in hun songs elementen uit pop, rock, Americana, (Hongaarse) folk en andere. En dat levert op z’n minst enkele zeer beklijvende momenten op. We denken dan bijvoorbeeld aan het sfeergewijs bij momenten een weinig aan de muziek van Bertolt Brechts kompaan Kurt Weill herinnerende “Boy Decide”, waaraan hyperkinetische cellostoten, messcherpe gitaarinterventies en bloednerveuze zang een bepaald bevreemdend cachet verlenen. Of aan “One More Notch” en “Dead Men And Sinners”, waarvoor opnieuw Weill en Tom Waits wel model lijken te hebben gestaan. Nogal veel namedropping op een kluitje, vind je? Tja, we kunnen het ook niet helpen. De rond thema’s als zonde, straf, verlossing en dies meer werkende songs van het viertal nodigen nu eenmaal uit tot dergelijke vergelijkingen. En door er op gezette momenten ook nog eens dingen als een tuba, een trombone, een trompet of een koortje aan toe te voegen vragen ze ook nadrukkelijk om in hetzelfde hokje als veel van de genoemde artiesten te worden gepropt. Desalniettemin een uitermate intrigerend schijfje.

Murder By Death

Cooking Vinyl

Bertus

 

 

THE HONEYDOGS

“Amygdala”

(C/C Entertainment / Navarre)

(3,5) J J J J

 

 

Al schrijvend (En lezend!) over muziek leer je nog regelmatig wat bij ook. Wist jij bijvoorbeeld, dat de amygdala een kleine amandelvormige kern van neuronen diep in de temporaalkwab van de hersenen is, die een zeer belangrijke rol speelt bij de verwerking van emoties? Wij dus niet, hé. Dat is, tot de titel van de nieuwste van de Honeydogs ons uitnodigde tot het verrichten van wat onderzoek terzake. Want zo’n titel kies je natuurlijk niet zomaar. Tekstdichter Adam Levy verkent op dat zevende album van zijn groep de donkerste uithoeken van het menselijke brein op zoek naar sporen van mentale ziektes, seksuele obsessies, verslavingen en ander fraais. Angsten spelen daarbij vanzelfsprekend een fundamentele rol. Vreemd genoeg blijken de daarbij ontstane liedjes lang niet allemaal even donker van karakter. In tegenstelling tot wat je verwachten zou, is heel wat van Levy’s materiaal zelfs aan de eerder catchy kant. Zelfs een veelheid aan onverwachte muzikale wendingen kan niet beletten, dat ’s mans intelligente popsongs zich meteen knus tussen je oren nestelen en her en der zelfs tot meezingen aanzetten. Vooral een weinig aan het werk van Elvis Costello herinnerende dingen als het door een sympathiek orgeltje en fraaie samenzang gedragen “Too Close To The Sun”, het power-popopdondertje “Rattling My Tin Cup” en de stuiterende afsluiter “Elan Vital” zijn zeer straffe deuntjes. En ook het blazersgewijs van een jazzy ondertoontje voorziene “Ms. Ketchup And The Arsonist”, het slepende titelnummer en het lekker jachtig rockende “Devil’s Advocate” mogen hier zo de iPod op.

“Amygdala” verdient dan ook onze aanbeveling bij fans van acts als de al genoemde Costello, XTC, World Party en aanverwanten. Iets voor liefhebbers van intelligent pop- en rockmateriaal zeg maar.

The Honeydogs

Miles Of Music

 

 

MICHAEL WESTON KING

“A New Kind Of Loneliness”

(Floating World)

(4) J J J J

 

 

 

Het was alweer van in 2003 geleden, dat voormalig Good Sons-kopstuk Michael Weston King nog eens met nieuw materiaal had uitgepakt. Toen verraste hij vriend en vijand met het werkelijk ijzersterke “A Decent Man”. Nu, goed en wel drie jaar, twee compilaties, een live-CD en een album vol covers verder, is er “A New Kind Of Loneliness”. En dat is ruim zijn beste plaat tot op heden. Het grootste deel ervan nam Weston King op in de studio van de Charlatans in Manchester. De resterende nummers werden vereeuwigd bij ex-Smiths-gitarist Johnny Marr thuis en in het noorden van Wales in de Bryn Derwen Studios. Klinkt behoorlijk poppy allemaal en dat is het resultaat uiteindelijk ook geworden. Inspiratie voor de in sfeer regelmatig een weinig aan het werk van Morrissey herinnerende nummers op z’n nieuwe schijf vond Weston King in enkele van de meest turbulente maanden van zijn bestaan. In nauwelijks een jaar tijd viel hij ten prooi aan een zware zenuwinzinking, verloor zijn moeder aan leukemie en kreeg er met de kleine Mabel een dochtertje bij. Emotionele uitersten dus en als dusdanig een schier onuitputtelijke bron voor nieuw tekstmateriaal. Wat van “A New Kind Of Loneliness” echter zo’n rijke plaat maakt, is de manier waarop Weston King die gevoelens hier weet te verklanken. Prachtig is bijvoorbeeld het met een flinke snuif Ierse folk gekruide “My Heart Stopped Today”, waaraan Chris Hillman en Herb Pedersen bijdragen leveren op mandoline, banjo en akoestische gitaar en en passant ook nog wat harmony vocals verzorgen. Of “Here’s The Plan” ook, een midtempo twijfelaartje, dat zo lijkt te zijn weggelopen uit het repertoire van wijlen de Smiths en waarin Weston King mag rekenen op wat vocale bijstand van de lichtjes fantastische Lou Dalgleish. En als Ron Sexsmith en Don Kerr voorbijkomen in “From Out Of The Blue”, dan weet je natuurlijk ook meteen dat je goed zit. Dat met een klassiek motiefje versierde liedje is één van ’s mans beste ooit. Een ideale referentie lijkt ons in dit verband Elvis Costello. En dan is er de hoogst aparte cover van Gilbert O’Sullivans “Alone Again Naturally”. Wat een beauty! Samen met Jackie Leven puurt Weston King uit die grijs gedraaide evergreen een bloedstollend mooi stukje popverdriet New Orleans-stijl. En zo kunnen we nog wel even blijven doorgaan, want ook de van weemoed druipende pianoballade “The Last Hurrah”, het bedaard rockende “Saturday’s Child”, het van opzet ook al Costelliaanse tweetal “This Man Can Break So Easily” en “Rosenkrantz And Kristians Gate (I’m Dead)”, het enkele tellen lang aan “Knockin’ On Heaven’s Door” herinnerende “Lost”, het mooi breed uitwaaierende “Only Seven Days” en afsluiter “It Will End In Tears” zijn echte plaatjes van songs. Nummers, die aangeven, dat deze Weston King één van de allerbeste Britse singer-songwriters van het moment is. En die volgende van ‘m hoeft dus wat ons betreft ook absoluut geen drie jaar of meer op zich te latenwachten…

Michael Weston King

Floating World

Bertus

 

 

JESSE MALIN

“Glitter In The Gutter”

(One Little Indian / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Aan media-aandacht heeft het hem nooit echt ontbroken, deze Jesse Malin, maar met zijn nieuwe CD “Glitter In The Gutter” lijkt hij nu ook alle troeven in handen te houden om definitief op grote schaal door te breken. ’s Mans derde album is immers werkelijk tot aan de nok toe gevuld met bijzonder pittige rock songs en dito ballades, die zich al na één enkele beluistering met geen stokken meer van tussen je oren laten verdrijven. Nogal wat van zijn nieuwe liedjes schreeuwen gewoon om radioaandacht. En krijgen zullen ze die vast ook wel! Al was het maar omdat er behoorlijk wat bekende namen in passeren. De meest opvallende in het rijtje is Bruce Springsteen. Die deelt met Malin de hartverscheurend mooie pianoballade “Broken Radio”. Jakob Dylan van de Wallflowers is dan weer van de partij in het retestrak rockende “Black Haired Girl”, Chris Shifflet van de Foo Fighters rakkert snarengewijs doorheen het al even felle “Prisoners Of Paradise” en Josh Homme van Queens Of The Stone Age steelt de show met zijn gitaarriffs in het zomerse “Tomorrow Tonight”. En dan is er natuurlijk ook nog Malins oude maatje Ryan Adams, die met enige regelmaat een prominente rol komt opeisen. In het eerder al genoemde “Broken Radio”, maar bijvoorbeeld ook nog in de prachtige afsluiter “Aftermath”, een wolk van een trage met knap akoestisch gitaarwerk van Adams, in het bij de beesten af rockende “In The Modern World” en in het daar amper voor onder doende “Little Star”.

Ja, meneer Malin, dit is “definitely” het slag van materiaal waar je stadions en festivalweides mee plat krijgt. 2007 zou dus best wel eens jouw jaar kunnen worden.

Jesse Malin

One Little Indian

Bertus

 

 

THE REDLANDS PALOMINO COMPANY

“Take Me Home”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Tweede worp van het Britse vijfmanschap rond echtgenoten Alex en Hannah Elton-Wall en dat is net als hun door zo ongeveer iedereen met een beetje goede smaak lovend onthaalde debuutplaat “By The Time You Hear This…” uit 2004 een heerlijke lap alt. country. Probeer je een perfecte mix van Ryan Adams, de Jayhawks, Wilco, Cowboy Junkies, de Byrds, de Flying Burrito Brothers en de Stones ten tijde van “Exile On Main Street” voor te stellen en je komt bijna als vanzelfsprekend uit bij The Redlands Palomino Company. Zo ongeveer alles wat je als fan van het genre verwacht van een nieuwe plaat is hier aanwezig. Er is de prachtige wisselwerking tussen de kristalheldere stem van Hannah Elton-Wall en de gruizige scheur van haar wederhelft, er is de herkenbaar rinkelende 12 string van David Rothon, er is de met enige regelmaat opduikende pedal steel van diezelfde man en met drummer Jamie Langham en bassist Rain beschikt het kwintet ook over een uitstekende ritmetandem. Voeg daar nog aan toe, dat ten huize Elton-Wall niet duidelijk kan worden uitgemaakt wie er nu van de twee echtelieden eigenlijk de betere is als songwriter en je houdt alle ingrediënten voor een klasseplaat als deze “moeilijke tweede” in handen. Laat je verleiden door prachtdeunen als de hartverscheurend mooie ballades “Harbour Lights” en “Take Me Home”, de met een vocale gastbijdrage van Gina Villalobos opgewaardeerde aanstekelijke power pop van “She Is Yours”, het zwaar aan Ryan Adams refererende “Wasted On You”, de ouderwets lekkere, door twaalf snaren en de stem van Alex Elton-Wall gedomineerde countryrocker “Coastline” of de smeuïge rock & roll genre de Faces of recenter de Black Crowes van “Pick Up, Shut Up” en concludeer samen met ons, dat we met deze schijf alvast weer een eerste hoogtepunt van het nieuwe jaar in handen houden. Dat het er vooral nog veel meer mogen worden!

The Redlands Palomino Company

Laughing Outlaw Records

Bertus

 

 

HAYWARD WILLIAMS

“Another Sailor’s Dream”

(Machine Records / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

Voilà, de eerste maximumscore voor 2007 is bij dezen een feit. (Kim Beggs was nog een restant van 2006!) En het is er één, die vooral hen die vorig jaar vielen voor Jeffrey Foucaults derde album “Ghost Repeater” aanbelangt. Vanuit dezelfde muzikale hoek is het nu de uit Milwaukee opererende singer-songwriter Hayward Williams die aardig weet te imponeren. Op “Another Sailor’s Dream”, zijn derde plaat na het in 2005 verschenen “Uphill / Downhill” en de hier vorig jaar nog besproken EP “Trench Foot”, voltrekt hij wat zo ongeveer het perfecte huwelijk tussen folk, blues en country (rock) moet zijn. En dat doet hij in het gezelschap van de in onze kontreien vooral van zijn bijdrage aan Redbird bekende singer-songwriter Peter Mulvey en Dan McMahon van de Wandering Sons. Samen doorlopen ze tien nieuwe Williams-originelen en tekenen ze ook voor een beklijvende uitvoering van Bruce Springsteens “Thunder Road”. De hier door Williams geserveerde, zo goed als volledig naakte versie van dat laatste liedje overtreft wat ons betreft spelenderwijze alle andere uitvoeringen die we ervan kennen, inclusief die van The Boss zelve. Het blijkt een waardige afsluiter van een plaat die werkelijk niet één zwak moment kent. Alles klopt hier gewoon! Er is de heerlijke rauw-hees-tedere stem van Williams zelf. Er zijn z’n schitterende teksten en dito liedjes. Er is de prachtige begeleiding van Mulvey en McMahon. Neen, méér moet dat voor ons absoluut niet zijn! Laat je betoveren door prachtsongs als het wonderlijke “The Ballad Of Benson Creek”, de meesterlijke, met een streepje mondharmonica opgewaardeerde bedaarde countryrocker “Redwoods”, het bijna in al z’n weemoedigheid verzuipende “You Were Right”, de soulvolle trage “Doctors”, de bluesy rammelaar “Careful Please”, het introspectieve “Problems With Hemingway”, het onverwacht heftige rootsrockertje “A Glance Back” en andere en noteer deze plaat – Net als ons! – nu alvast voor je volgende jaarlijstje. Het zou immers bijzonder jammer zijn mocht een briljant geheel als dit door een domme vergetelheid daarop geen plaatsje vinden.

Hayward Williams

Machine Records

Sonic Rendezvous