ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2009

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

VAN EATON & FRIENDS “Blood On The Ground” - ISRAEL NASH GRIPKA “New York Town” - THE FLUTTERBIES FEATURING MAUREEN DAVIS “Idem” - LOUISIANA RED & LITTLE VICTOR’S JUKE JOINT “Back To The Black Bayou” - LIAM GRUNDY “Richmond” - ALEXANDER MCKENZIE & THE UNDERPAID “Ribcage Versus Unguided Missile” - JON SNODGRASS “Visitor’s Band” - AUSTIN CUNNINGHAM “Made To Last” - DALE WATSON “The Truckin’ Sessions Volume 2” - MARK WYNN “Mark Wynn” - THE FLATLANDERS “Hills And Valleys” - A.J. CROCE “Cage Of Muses” - SAFFIRE - THE UPPITY BLUES WOMEN “Havin’ The Last Word” - SOMETYMES WHY “Your Heart Is A Glorious Machine” - DRAG THE RIVER “Bad At Breaking Up” - THE HOLLYFELDS “Black Heart Blue” - PETER ROWAN “The Free Mexican Airforce” - ELIZABETH COOK “Balls” - OMAR KENT DYKES “Big Town Playboy” - PETTY BOOKA “Tokyo Bluegrass Honeys” - CHRIS CARMICHAEL “Chris Carmichael” - BYRON HILL “Stay A While” - ERIC BRACE & PETER COOPER “You Don’t Have To Like Them Both” - TEXAS HEAT “One-Trick Pony” - JERRY LEE LEWIS “The Road Begins” - DONNA ULISSE “Walk This Mountain Down” - MICKEY CLARK “Winding Highways” - BJ BAARTMANS “Wild Verband” - JOHN WESLEY HARDING “Who Was Changed & Who Was Dead” - DAVIE GAYLE “Amber In The Clay” - KERRI POWERS “Faith In The Shadows” - BEN LEE “The Rebirth Of Venus” - ELENI MANDELL “Artificial Fire” - JON BROOKS “Ours And The Shepherds” - AMBER DIGBY “Passion, Pride, & What Might Have Been” - BRIGITTE DEMEYER “Red River Flower” - BUDDY & JULIE MILLER “Written In Chalk” - BILL BOOTH “Songs Of The Land” - DEAN OWENS “Whiskey Hearts” - IAN MCLAGAN & THE BUMP BAND “Never Say Never” - THE WAIFS “Live From The Union Of Soul” - THE KITCHEN SHAKERS “Deep Fried & Countryfied” - DANNY SCHMIDT “Instead The Forest Rose To Shine” - SIX MILE GROVE “Steel Mule” - TOM RUSH “What I Know” - GUY DAVIS “Sweetheart Like You” - AMELIA CURRAN “War Brides” - SARAH MACDOUGALL “Across The Atlantic”

 

VAN EATON & FRIENDS “Blood On The Ground” (Van Eaton)

(5*****)

 

Als je als nieuwkomer in een met uitstekende platen bezaaid voorjaar als dit wil opvallen, dan moet je echt wel uit het goede hout gesneden zijn. En dat ís de vanuit Knoxville actieve zingende songsmid Van Easton! Wat hij en zijn vrienden Robbie en Ronnie McCoury, Jason Carter, Alan Bartram, David Ferguson, Bobby Wood, Stu Bassore, Robert Richards en Leroy Troy op “Blood On The Ground” serveren behoort naar onze bescheiden mening zondermeer tot het allerbeste wat we in de eerste drie maanden van 2009 al te horen kregen. Dit is Americana met een vette hoofdletter A! Beresterke melodieën en prachtige teksten regeren in het muzikale universum van Van Eaton. En of je dit nu Americana met een bluegrass touch of toch maar eerder naar Americana overhellende bluegrass noemen wil, dat doet dan even absoluut niet meer terzake. Hier wordt gewoon met zoveel bezieling gemusiceerd, dat je vrijwel ogenblikkelijk van je sokken geblazen wordt. Wat ons betreft dan ook nu al een quasi certitude voor onze eindejaarslijst van 2009, dit “Blood On The Ground”.

Van Eaton & Friends

CD Baby

 

ISRAEL NASH GRIPKA “New York Town” (Israel Nash Gripka)

(5*****)

Met Ryan Adams – Tijdelijk? – op vrijwillig non-actief heeft het alt.-countrygenre dringend nood aan wat nieuwe helden. En Israel Nash Gripka profileert zich met “New York Town” nadrukkelijk als dé kandidaat par excellence om in ’s mans toch wel gigantische voetstappen te treden. Dat debuut heeft werkelijk alles om van de jonge New Yorker in geen tijd een absolute superster te maken. Zijn songs zijn zó ongelooflijk sterk, dat we hier zelfs een vergelijking met Adams’ meesterwerk “Heartbreaker” zouden durven te maken. En dan die stem! Wow! Nu eens klinkt Gripka hier als een verre verwante van Ryan Adams of Counting Crows’ Adam Duritz, dan weer komt hij zanggewijs vervaarlijk dicht in de buurt van good old John Fogerty in zijn beste dagen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het deluxe-countryrockertje “Pray For Rain” en je zal meteen begrijpen wat we daarmee bedoelen. Dat liedje is slechts één van de zeer vele hoogtepunten op een plaat werkelijk nokvol daarmee. De omschrijving “all killer no filler” is hier wat ons betreft voor één keer dan ook absoluut aangewezen. De twaalf songs op “New York Town” vallen zonder uitzondering onder de noemers intelligent, aangrijpend én catchy. Je dit album niet onverwijld aanschaffen zou dan ook een dikke, dikke, dikke stommiteit zijn…

Israel Nash Gripka

CD Baby

 

THE FLUTTERBIES FEATURING MAUREEN DAVIS “Idem” (Idem)

(3,5****)

Amper zes songs volstaan voor Maureen Davis en haar Flutterbies ruimschoots om ons van hun in bepaald niet in geringe mate voorhanden zijnde talenten te overtuigen. Davis heeft een werkelijk fenomenaal stel “pipes” en etaleert dat hier ten voeten uit. Openingsnummer “Louder Louder” heeft zo bijvoorbeeld zijn titel bepaald niet gestolen. Tussen woest aan hun kettingen snokkende gitaren treedt Davis daarin in de voetsporen van rockdiva Chrissie Hynde van de Pretenders. In “Hummingbird Heart” toont ze zich vervolgens dan weer van haar gevoeligste kant. Dat is immers gewoon een heel fraaie alt.-countryballade, waarin haar stem, een subtiel betokkelde gitaar en een met al even veel zorg bespeelde piano de dienst uitmaken. Heel andere koek is dan “How I Get Over You”. Daarin lijkt Maria McKee op een onbewaakt moment niets vermoedend in de Texaanse blues scene verzeild te zijn geraakt. Het resultaat klinkt ongemeen sexy! “Faith In The Rain” is vervolgens een aangrijpend quasi-walsje, “Kill Him With Kisses” twijfelt luidop tussen een funky groove en een alternatief countrybestaan en het afsluitende “Damn Good” is gewoon een pracht van een trage, waarin Bonnie Raitt nooit echt ver uit de buurt lijkt. Al bij al een erg leuk debuutje! Eentje dat nu al reikhalzend doet uitkijken naar véél meer!

The Flutterbies Featuring Maureen Davis

CD Baby

 

LOUISIANA RED & LITTLE VICTOR’S JUKE JOINT “Back To The Black Bayou” (Ruf / Munich)

(4****)

Iverson Minter alias Louisiana Red leerde het bluesvak van enkele van de allergrootsten der aarde en dat hoor je eraan ook! Veel opwindender dan zijn in het gezelschap van Little Victor en diens Juke Joint opgenomen “Back To The Black Bayou” worden bluesplaten vandaag de dag immers niet meer gemaakt. ’s Mans gruizige vocale uithalen vinden daarop in Little Victors moddervette gitaarescapades en dito harmonica-spielereien een nagenoeg perfecte evenknie. Iets wat bijna voortdurend in regelrecht muzikaal vuurwerk resulteert. En dan hadden we het nog niet eens over de vele gasten, die waar nodig ook nog eens voor wat extra pigment komen zorgen. Kim Wilson, Bob Corritore en Jostein Forsberg doen dat harmonicagewijs, Dave Maxwell en Reidar Larsen van achter hun piano’s en The Hawk en Peter Lundell op respectievelijk gitaar en percussie-instrumenten. Samen met de protagonisten van dienst maken zij van “Back To The Black Bayou” één langgerekt juke joint-blues(rock)feest. En dat Minter zich daarop vrijwel uitsluitend van eigen materiaal bedient, is wat ons betreft alleen nog maar een extra pluspunt. Enkel voor de door hemzelf van een compleet nieuw arrangement voorziene traditional “Don’t Miss That Train” wordt wat dat betreft even een uitzondering gemaakt.

Louisiana Red

Ruf Records

 

LIAM GRUNDY “Richmond” (Hot Tomale Recordings)

(3,5****)

Wat Liam Grundy op zijn CD “Richmond” brengt, kan je bezwaarlijk als vernieuwend bestempelen. Maar who cares? De beste man doet wat hij doet met zoveel bezieling, dat je het als luisteraar verdomd moeilijk krijgt om eraan te weerstaan. Zijn uit min of meer gelijke delen country, blues, R&B en rock & roll bestaande “good-time honky-tonk blues” lijkt ons als het ware voorbestemd om slachtoffers bij bosjes te gaan maken in kringen van fans van knapen als Dave Edmunds, Delbert McClinton, Jerry Lee Lewis en aanverwanten. Met covers van songs bekend gemaakt door Mickey Jupp (“Boxes And Tins”), Hank Williams (“Cherokee Boogie”), Amos Milburn (“Let Me Go Home Whiskey”), George Jones (“The Race Is On” en “She Thinks I Still Care”), Jerry Reed (“Guitar Man”), John Hiatt (“Mess Of The Blues”), Delbert McClinton (“Two More Bottles Of Wine”), de Fabulous Thunderbirds (“Why Get Up”), Tampa Red (“You Can’t Get That Stuff No More”) en Bo Diddley (“You Can’t Judge A Book By Its Cover”) speelt hij op bij momenten weliswaar bijzonder swingende wijze nog enigszins op safe, met drie voortreffelijke eigen songs neemt hij elk nog resterend beetje twijfel omtrent zijn capaciteiten ogenblikkelijk weg. Titelnummer “Richmond” is zo bijvoorbeeld een bijzonder fraai streepje ingetogen country rock. Een speciale vermelding verdient daarvoor gitarist Preben Raunsbjerg. Met een fraaie “rinkelende” snarenbijdrage zorgt hij immers voor net voldoende “twang” om van een gewoon mooi liedje een ronduit uitstekende song te maken. De andere door Grundy zelf aangedragen deunen zijn het akoestische bluesje “Oh Lorraine” en de heftig met de heupen schuddende afsluiter “Thank You Goodnight”. Dat laatste in deluxe-rock & rollverpakking aangeboden afscheidsliedje is misschien wel het allerbeste nummer van allemaal hier.

Liam Grundy

CD Baby

 

ALEXANDER MCKENZIE & THE UNDERPAID “Ribcage Versus Unguided Missile”

(Brulkikker / Three Toed Sloth / Munich)

(3,5****)

 

Lori “Alexander” McKenzie is een in Rotterdam belande 28-jarige Canadese, die op haar met haar band The Underpaid opgenomen debuutplaat “Ribcage Versus Unguided Missile” een ongelooflijk lenige stem etaleert. Als één van haar grote voorbeelden noemt de zingende liedjesschrijfster zelf alternatief folkicoon Ani DiFranco. Maar daar laten zich op haar eersteling niet al teveel sporen van terugvinden. McKenzie vertrekt voor haar liedjes weliswaar ook in de folkhoek, maar door een nadrukkelijke kruisbestuiving met elementen uit genres als pop, rock en zelfs jazz komen die al bij al toch een stuk minder “scherp” over dan die van haar idool. Muzikaal gezien dringt zich in onze ogen dan hier en daar eerder een vergelijking met 10,000 Maniacs of met de Duitse Rainbirds op. Op tekstueel vlak mag McKenzie graag de zelfkant van het leven verkennen.

Alexander McKenzie & The Underpaid op MySpace

 

JON SNODGRASS “Visitor’s Band” (Suburban Home / Sonic Rendezvous)

(4****)

 

“Visitor’s Band” is het solodebuut van Jon Snodgrass, één van de twee drijvende krachten achter het lichtjes fantastische Drag The River. Op die plaat gunt de man de beide helften van zijn behoorlijk gespleten muzikale persoonlijkheid elk hun eigen moment de gloire. Ruimschoots in de meerderheid verkeren daarbij de door zijn aangenaam gruizige stem gedragen rootsy (Americana) songs, zoals we die ook van Drag The River zo graag lusten. Die worden hier echter afgewisseld met heerlijk hoekige gitaarrockliedjes à la “Remember My Name”, “Fast In Last” en “Not That Rad”. Materiaal van het genre, dat je eerder van Armchair Martian, Snodgrass’ vorige band, of van pakweg Buffalo Tom of The Replacements verwacht. Het maakt van “Visitor’s Band” een lekker gevarieerd geheel, dat bij wijze van verborgen bonus tracks bovendien ook nog eens in demoversie te genieten valt. Vermelden we tenslotte bij wijze van indicatie ook nog even, dat op de uitgebreide gastenlijst ondermeer de namen van Two Cow Garage en Chad Rex prijken.

Jon Snodgrass op MySpace

Suburban Home Records

Sonic Rendezvous

 

AUSTIN CUNNINGHAM “Made To Last” (Senior Partner Records)

(4****)

Singer-songwriter Austin Cunningham ging voor de opnames van zijn nieuwe CD “Made To Last” in zee met producersduo Dan Baird en Ben Strano. Dat die plaat in haar geheel een flink wat stevigere indruk dan haar voorgangers nalaat, zal dan ook wel niemand echt verbazen. Geruggensteund door Baird (gitaren, tamboerijn, zang), Mike Grando (drums, tamboerijn, maracas), Michael Webb (bas, B-3, Wurlitzer, piano, accordeon, mandoline), Tammy Rodgers (fiddles, violen), Dan Dugmore (pedal steel) en The Sonic Fedora (accordeon) geeft Cunningham ditmaal vooral de (roots)rockgrage kant van zijn persoonlijkheid carte blanche. Met name in dingen als het hypernerveuze, de eigen sociale ontevredenheid ventilerende “This Town’s On My Nerves”, het ondanks een nadrukkelijk in een andere richting wijzende titel toch eerder bluesy ingevulde “Sad Country Song”, het tot innerlijke rust oproepende “Go Easy On Yourself”, het tussen de regels door de overcommercialisering van veel radiostations op de korrel nemende “The Last Great DJ” en het z’n titel getrouw lekker wilde “Rock-N-Roll Tattoo Girl” geeft hij ‘m bij momenten aardig van jetje. Elders, zoals in de hartverscheurende ballade “Recipe For Disaster” en titelnummer “Made To Last”, komt dan weer meer de storyteller aan bod. En doorheen “Take Me Back To Ft. Worth”, “Don’t Distract Me (When I’m Drinking)”, “Further Down The Road” en “My Last Tongue-Lashin’” tenslotte waait respectievelijk een frisse country-, R&B- en blueswind. Samengevat: de nieuwe van Austin Cunningham is er inderdaad eentje “Made To Last”.

Austin Cunningham

CD Baby

 

DALE WATSON “The Truckin’ Sessions Volume 2” (Me & My / Continental / Munich)

(3,5****)

Dale Watson breit met zijn nieuwe CD een vervolg aan het al in ’98 verschenen en redelijk succesvolle “The Truckin’ Sessions”. En ook op dat tweede volume bedient hij zich weer uitsluitend van eigen “driving songs”. Liedjes, die zich naar goede gewoonte ook nu weer ergens halverwege Bakersfield en Austin situeren. Watson heeft er nooit echt een geheim van gemaakt, dat Merle Haggard en Buck Owens van in den beginne twee van zijn voornaamste inspiratiebronnen geweest zijn, en dat doet hij ook hier nadrukkelijk weer niet. Vooral zanggewijs blijkt “The Hag” in tal van de vrij letterlijk op het lijf van truckrijdende medemensen geschreven songs zeer manifest in de buurt. En dat is eigenlijk alleen maar goed nieuws. Zo lang er geen filmpjes van hierop in hun cabines flink uit de bol gaande routiers op het net gaan circuleren tenminste…

Dale Watson

Continental Record Services

 

MARK WYNN “Mark Wynn” (Num Num Music)

(3***)

Ook in het Verenigd Koninkrijk dienen zich dezer dagen om de haverklap verse singer-songwritertalenten aan. De jongste twijg aan die stilaan behoorlijk overladen boom luistert naar de naam Mark Wynn. Die uit York afkomstige en in het lokale bluescircuit gelouterde jongeling toont zich op z’n titelloze debuut-EP nadrukkelijk een volgeling van wijlen Townes Van Zandt. En dat alleen al maakt van z’n inhoudelijk lang niet altijd even vrolijk ingevulde liedjes interessant luistervoer. Het aan duidelijkheid absoluut niks te wensen overlatende “Leave Me Alone” is zo bijvoorbeeld wispelturige late night Americana, “Slave To The Song” smeekt pianogewijs vanuit de donkerste hoek van een bar om een bezoekje aan de fooienpot, “Lovesick Blues” is een erg knappe, enkel z’n titel met het gelijknamige Hank Williams-nummer delende ballade en “Girl That Can Dance” komt in al zijn onderdrukte vrolijkheid over als ver verwant aan John Prine. Lang niet kwaad voor een amper eenentwintigjarige, als u het ons vraagt.

Mark Wynn op MySpace

Num Num Music

 

THE FLATLANDERS “Hills And Valleys” (New West / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als Jimmie Dale Gilmore, Joe Ely en Butch Hancock de koppen weer eens samen steken om als de Flatlanders met nieuw materiaal uit te pakken, dan weet je eigenlijk al bijna bij voorbaat, dat je weer goed zal zitten. En dus was het hier ook naar “Hills And Valleys” weer reikhalzend uitkijken geblazen. Acht van de dertien nummers daarop schreven de drie samen. Enkel voor Ely’s “Love’s Own Chain” en “There’s Never Been”, Hancocks “Thank God For The Road”, Gilmores zoon Colins “The Way We Are” en Woody Guthries “Sowing On The Mountain” werd afgeweken van de groepsaanpak. Dat laatste liedje mogen we volgens Hancock overigens als representatief beschouwen voor de thematische rode draad, die doorheen het hele album loopt: de ups en downs, vooral op emotioneel vlak dan, waardoor het leven van velen dezer dagen getekend wordt. “Hills And Valleys” is daardoor onderhuids een enigszins politiek getint album geworden. Zonder ook maar ergens echt opdringerig te worden ventileren Ely, Hancock en Gilmore hier toch hun mening met betrekking tot items als 911, Katrina, Irak en de fel gecontesteerde “border walls”. Wat het louter muzikale betreft biedt “Hills And Valleys” vooral “more of the same”. Dat betekent, dat country, folk, Tex-Mex en roots rock in het universum van de Flatlanders “nach wie vor” erg goede buren zijn. En dat levert als vanouds nogal wat interessante momenten op. Wij denken dan in eerste instantie aan het bijzonder catchy, de dood recht in de ogen kijkende rockertje “Just About Time”, de over hun plaats duidelijk kennende, bedaard twangende gitaren uitgesmeerde sociale aanklacht “Homeland Refugee”, het ronduit zalige, door Joel Guzman accordeongewijs flink aangezwengelde Tex-Mex-stampertje “Borderless Love”, de op bedachtzame wijze naar de Katrina en haar naweeën verwijzende trage “After The Storm” en de erg bezielde lezing van Woody Guthries “Sowing On The Mountain”. Wat ons betreft alleszins weer ruimschoots voldoende om er weer enkele jaren tegen te kunnen.

The Flatlanders

New West Records

Sonic Rendezvous

 

A.J. CROCE “Cage Of Muses” (Seedling / Sonic Rendezvous)

(3***)

“Cage Of Muses”, de nieuwste van A.J. Croce, opent op de best denkbare wijze. “Gold And Green” is immers wat je noemt een echte wolk van een rootspopliedje. Als het ware op het lijf van de eerste lentezonneprikjes geschreven gitaarwerk en een melodie om u tegen te zeggen zorgen er daarin voor, dat je met erg hooggespannen verwachtingen de rest van het album tegemoetgaat. En dat beantwoordt daaraan helaas lang niet overal. Songs als het zomers-lijzige “You’ve Said Too Much”, de Lennon-eske pianoballade “Coraline”, de folky Americanadeun “Bury Me Standing”, het voorzichtig soulvol uit de hoek komende “I Want It All” en andere zijn weliswaar verre van kwaad, maar anderzijds ook weer niet van dien aard om ons spontaan aan het jubelen te krijgen. Laten we het er hier dan ook maar op houden, dat “Cage Of Muses” wel een best aardige luisterplaat is, maar dat ze in haar geheel toch net iets te braafjes overkomt om ook op wat langere termijn te kunnen blijven boeien.

A.J. Croce

Seedling Records

Sonic Rendezvous

 

SAFFIRE - THE UPPITY BLUES WOMEN “Havin’ The Last Word” (Alligator / Munich)

(3,5****)

Met de nodige pijn in het hart vernamen we hier enige tijd geleden, dat er met “Havin’ The Last Word” een einde zou gaan komen aan de jarenlange samenwerking tussen Ann Robson, Gaye Adegbola en Audra Faye als Saffire - The Uppity Blues Women. Ruim 25 jaar duurde hun vruchtbaar muzikaal ménage à trois, maar nu vinden de dames het welletjes. “It’s time to move on,” aldus de drie, tijd om elk hun eigen interesses na te jagen. En dus zit er voor ons ook niks anders op dan nog één laatste keer uitgebreid te genieten van dit wervelende bluescollectief van dames op leeftijd. En dat kan hier perfect ook! De drie bluesbomma’s willen duidelijk in schoonheid afscheid nemen en trakteren op hun muzikaal testament andermaal op een heerlijk gevarieerd (roots)menu. Van de zalige, van hoop en verwachtingen doordrongen R&B van openingsnummer “Going Down To The River” over het hilarische “Bald Eagle Blues” tot het hartverscheurend mooie akoestische niemendalletje “Blue Lullaby”, van het wellustige, tegen een wervelende pianoachtergrond neergelegde “Travelin” At The Speed Of Love” over het met de tong diep in de wang geplant gebrachte “Too Much Butt” tot het naar alle waarschijnlijkheid op een onbewaakt moment ergens voor de één of andere spiegel tot stand gekomen “I’m Growin’ Older”, dit en ander hier aangeboden soul-, R&B- en bluesvertier maken het afscheid van The Uppity Blues Women eigenlijk alleen nog maar moeilijker te verteren.

Saffire – The Uppity Blues Women

Alligator Records

 

SOMETYMES WHY “Your Heart Is A Glorious Machine” (Signature Sounds)

(4****)

Bij het beluisteren van een verstild juweel als dit lijkt de wereld om je heen heel even compleet stil te staan. Dit is immers van zo’n volmaakte schoonheid, dat al de rest er ruim vijfendertig minuten lang even niet meer toe doet. Als volleerde sirenes laten Aoife O’Donovan van Crooked Still, Kristin Andreassen van Uncle Earl en Ruth Ungar Merenda van The Mammals je als ze samen zingen en musiceren volslagen weerloos op hun muzikale klippen lopen. En voor Sometymes Why mag wat ons betreft dan ook volkomen terecht de term folk-supergroep nog eens uit de kast. Ook op hun tweede CD samen nemen de drie zingende nimfen weer afstand van hun normale modus operandi. Geen stringband-toestanden en ook amper alternatieve bluegrass hier, maar een spaarzaam geïnstrumenteerde moderne folkvariant, waarin alles, maar dan ook écht alles om de fabelachtige stemmen van de drie protagonisten lijkt te draaien. Vergelijkingen - Als die al kunnen worden gemaakt! - dienen te worden gezocht in de richting van Feist en Jenny Lewis en in een enkel geval ook wel Joni Mitchell. Alle drie de dames komen daarbij in gelijke mate aan bod. Elk leveren ze drie songs aan. Dé absolute stand-out hier en in onze ogen dan ook een zeer geslaagde eerste singlekeuze is echter net de enige vreemde eend in de bijt, een werkelijk oorstrelend mooie, van al z’n oorspronkelijke kille passie ontdane cover van Concrete Blonde’s “Joey”.

Sometymes Why

Signature Sounds

CD Baby

 

DRAG THE RIVER “Bad At Breaking Up” (Suburban Home / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Die van Drag The River maken het ons als verzamelaars wel verdomd gemakkelijk! 2009 zal voornamelijk in het teken van solo-albums van kopstukken Jon Snodgrass en Chad Price staan, maar in afwachting van nieuw materiaal van de groep compileren ze op “Bad At Breaking Up” twintig enkel op single verschenen tracks, B-kantjes, het materiaal van hun met de Dents gedeelde LP en nog wel meer obscuurder spul. En daar zitten nogal wat lekkere dingen tussen! We noemen bijvoorbeeld hun knappe intimistische countryrockversie van Sam Cooke’s “Having A Party”, het als een soort van eerbetoon aan één van onze eigen favoriete singer-songwriters opgevatte “Jeff Black Song”, het jachtige, met punk flirtende “Re-Rangement”, het door een Randy Newman-achtig pianootje ingeleide “I Remember Now” en de sombere Americana noir van “Return” en “Caleb’s Grave”. Stuk voor stuk lekkere country rock songs, waarvoor met name liefhebbers van knapen als Mark Lanegan, Steve Earle, Stephen Simmons en Gene Clark wellicht gewillig door de knieën zullen gaan.

Drag The River

Suburban Home

Sonic Rendezvous

 

THE HOLLYFELDS “Black Heart Blue” (The Hollyfelds)

(4****)

Dit moet je wat ons betreft absoluut gehoord hebben! Wat het vanuit Denver actieve vijftal The Hollyfelds op z’n nieuwe EP “Black Heart Blue” brengt, is immers nog eens wat je noemt alt. country pur sang. In de vijf songs daarop wordt vertrokken vanop traditionele countryfundamenten om vervolgens ongegeneerd met elementen uit pop, rock, folk en bluegrass aan het stoeien te gaan en zo tot één wervelend, werkelijk onweerstaanbaar geheel te komen. Dé blikvangers daarbij zijn de absoluut verrukkelijke vocalen van Eryn Hoerig en Kate Grigsby. De manier waarop hun stemmen hier versmelten is gewoonweg verbluffend. Tegen een achtergrond van akoestische gitaren, bas, dobro, banjo, ukelele, autoharp, piano en drums banen Hoerig en Grigsby zich al harmoniërend moeiteloos een weg naar je hart. Smaakt dan ook heel erg nadrukkelijk naar meer, dit!

The Hollyfelds

CD Baby

 

PETER ROWAN “The Free Mexican Airforce” (Continental / Munich)

(4****)

Enkele weken geleden besteedden we hier al uitgebreid aandacht aan “Lovin’ Whiskey”, een met veel liefde samengestelde verzamelaar met daarop het beste van Rory Block uit haar Rounder-dagen. We gaven toen terloops ook al even aan, dat het daarbij het eerste volume in de door Continental Record Services net boven de doopvont gehouden nieuwe reeks “Roots Collectibles” betrof. En in diezelfde serie is er nu ook “The Free Mexican Airforce”, een aan Peter Rowan gewijd deeltje. Daarop vinden we twee platen terug, die de beste man bij het begin van zijn carrière voor het Flying Fish-label opnam. Zijn titelloze debuut uit ’78 wordt integraal geserveerd. Van het twee jaar later verschenen “Medicine Trail” ontbreken, enkel uit een gebrek aan beschikbare ruimte wellicht, “Living On The Line” en “Blues Come Bother Me”. Maar dat kan wat ons betreft de pret absoluut niet drukken. Voor een wel erg zacht prijsje krijg je hier immers een schat aan materiaal van één van de echte pioniers van het Americana-genre. Gastbijdragen zijn er daarop onder andere van Flaco Jimenez, Ricky Skaggs, Jerry Douglas, Mike Auldridge, Tony Gilkyson, Mike Seeger, Maria Muldaur en de Whites. Zij verkennen samen met Rowan zowat elke uithoek tussen country, Americana, bluegrass, folk en Tex-Mex. Dat maakt van “The Free Mexican Airforce” een regelrechte aanrader voor wie houdt van de muziek van Tom Russell, Joe Ely, Jimmie Dale Gilmore en “andere Flatlanders”.

Peter Rowan

Continental Record Services

 

ELIZABETH COOK “Balls” (31 Tigers / Continental Song City / Munich)

(3,5****)

“Balls” is de ondertussen goed en wel twee jaar geleden verschenen laatste CD van de vanuit Nashville flink aan de weg timmerende Elizabeth Cook. Dat door Rodney Crowell geproduceerde album werd onlangs door het Nederlandse Continental Song City opgepikt en nu ook officieel op de Belgische markt gemikt. En niks te vroeg eigenlijk, want dit is gewoon een heel erg goede countryplaat. Cook mag je wat ons betreft rustig één van de beste nieuwe country acts van de jongste tien jaren noemen. In tegenstelling tot veel van haar vrouwelijke collega’s moet zij het absoluut niet uitsluitend van haar geweldige looks hebben. De knappe blondine is niet enkel een fantastische zangeres, maar op de koop toe ook nog eens een uitstekende songsmid. En negen van de elf songs op “Balls” dragen dan ook haar signatuur. De overige twee leende ze bij respectievelijk de Velvet Underground en haar soul mate Tim Carroll. “Sunday Morning” van de legendarische groep rond Lou Reed, John Cale en Nico toverde ze met brio om tot een dot van een countryballade, waaraan zelfs in het door de band genomen toch oerconservatieve Nashville niemand aanstoot zou nemen. Meteen één van dé absolute hoogtepunten hier. En daartoe rekenen we zeker ook het met Nanci Griffith en Rodney Crowell gedeelde levensliedje “Down Girl” en het in duet met Bobby Bare Jr. gebrachte “Rest Your Easy Mind”. Niet geheel toevallig allicht drie van de wat tragere nummers hier. Daarin komt de stem van Cook immers zondermeer het best tot haar recht. Wat evenwel niet wegneemt, dat ook anders ingevuld materiaal als het uptempo “Times Are Tough In Rock & Roll”, het van een likje blues voorziene “Don’t Go Borrowing Trouble” of het stevig (country)rockende statement “Sometimes It Takes Balls To Be A Woman” er hier als zoete koek ingaan.

Elizabeth Cook

Continental Record Services

 

OMAR KENT DYKES “Big Town Playboy” (Ruf / Munich)

(4****)

Met het goed twee jaar geleden verschenen en samen met Jimmie Vaughan ingeblikte “On The Jimmy Reed Highway” leverde Omar Kent Dykes naar onze bescheiden mening zijn beste plaat ooit af. Dat eerbetoon aan één van zijn eigen helden voor het leven leverde aan de al een poosje vanuit muziekmekka Austin actieve Dykes een danig imposante stroom aan hartverwarmende lofbetuigingen op, dat hij amper nog anders kon dan de met dat album ingeslagen weg verder te bewandelen. En dat is dan ook exact wat hij met “Big Town Playboy” doet. Hij nodigde Jimmie Vaughan en zijn nieuwe Texaanse maatjes andermaal voor een opnamesessie uit en wist verder ondermeer ook harmonicavirtuozen Lazy Lester en James Cotton te strikken. In dat uitgelezen gezelschap tackelt hij opnieuw een stel Jimmy Reed-songs, maar daar houdt het ditmaal niet bij op. Ook de catalogi van andere illustere voorgangers als Lightnin’ Slim, John Lee Hooker, Slim Harpo, Smokey Smothers, Jimmy McCracklin, Ivory Joe Hunter en Reeds partner in crime Eddie Taylor worden uitgebreid aangedaan. Met als absolute hoogtepunten wat ons betreft een op het randje van het strafbare af lekkere duetversie van McCracklins “Think” met Lou Ann Barton en een mede door een fanatiek smoelschuivende Lazy Lester als bezeten op de poorten van de blueshemel bonkend “Hello Mary Lee”. Maar het staat u natuurlijk te allen tijde vrij om op deze “All killer, no filler!”-collectie zelf naar andere favorieten te gaan zoeken! Absoluut niet te missen!

Omar (Kent Dykes) & The Howlers

Ruf Records

 

PETTY BOOKA “Tokyo Bluegrass Honeys” (Benten Tokyo)

(3,5****)

 

Dit is nu eens een plaat waar wij spontaan heel erg vrolijk van worden, zie! Zelfs de meest verstokte zuurpruim zal hiervoor ogenblikkelijk voor de bijl gaan. Charmant, héél erg charmant, dat is wellicht nog de beste omschrijving voor het door Petty Pooka op “Tokyo Bluegrass Honeys” gebrachte. De twee Japanse dametjes doen, daarbij terugvallend op hun ukeleles en een ontwapenend Engels mét accent, absoluut niets nieuws, maar dat hoeft ook helemaal niet. Hun bluegrassbenaderingen van pop-, rock-, Americana-, country-, reggae- en singer-songwritermateriaal klinken zo lentefris, dat je er spontaan even de dit jaar wel erg lang achterwege blijvende zon bij gaat vergeten. Alan Jacksons “Don’t Rock The Jukebox”, “Please Don’t Make Me Cry” van UB40, “Bartender Blues” van James Taylor, “Come Dancing” van The Kinks, “Friend Of The Devil” van de Grateful Dead, Mungo Jerry’s “In The Summertime”, Chet Bakers “Look For The Silver Lining”, “Don’t Laugh” van de Louvin Brothers, Don Gibsons “Sea Of Heartbreak”, “I Want So See The Bright Lights Tonight” van Richard Thompson, Earth, Wind & Fire’s “Getaway”, “Lost In The Supermarket” van The Clash en “Down Town” van Petula Clark worden met een speelse knipoog omgetoverd tot bijzonder catchy zomerse “grassdeuntjes”. Je zou het allemaal een beetje kunnen vergelijken met wat die van Hayseed Dixie ook al een poosje doen, al ligt de nadruk hier dan wel meer op het zuivere bluegrassaspect van de zaak. Feit is, dat deze collectie door haar enigszins naïeve karakter vrienden bij bosjes zou moeten kunnen gaan maken. En als plezant tussendoortje zou dit Japanse tweetal ook op tal van de weer aanstaande zomerfestivals wel eens een onverwachte hit kunnen blijken. Maar dan moeten ze daartoe natuurlijk wel de kans krijgen…

Petty Booka

Petty Booka op MySpace

CD Baby

 

CHRIS CARMICHAEL “Chris Carmichael” (Chris Carmichael)

(3,5****)

Wie thuis al wat van acts als Romi Mayes, Big Dave McLean, de Scott Nolan Band of de Perpetrators op de plank heeft staan, is, zonder het zelf goed en wel te beseffen allicht, al enigszins vertrouwd met de kunstjes van Chris Carmichael. De Canadees deed immers al uitgebreid van zich spreken met zijn bijdragen aan albums van flink wat landgenoten. Nu eens als gitarist, dan weer als drummer. Maar nu is er dus zijn eigen titelloze debuut. En daarmee bewijst de vanuit Winnipeg actieve veelkunner ook als zanger en als songsmid best zijn mannetje te kunnen staan. Elf nummers lang kanaliseert hij daarop invloeden als Neil Young en z’n Crazy Horse, Keith Richards en Mississippi John Hurt in een op de keper beschouwd toch volstrekt eigen te noemen geluid. Met een aangenaam hese stem als een niet te onderschatten bondgenoot gidst hij ons vakbekwaam doorheen een veelheid aan bijzonder lekker weghappende rootsrockliedjes. Slechts één keer gaat hij daarbij elders in de leen. Met name voor vreemde eend in de bijt “Make Believe Stunt”, een traditionele bluesinstrumentale, binnengedaan via een ommetje langs Reverend Gary Davis. Als een kleine toegift aan de eigen virtuoze vingers, zeg maar. Regeren doen hier echter voornamelijk de vinnige rocksongs. We denken dan aan het gitaargewijs nadrukkelijk aan Neil Young en cohorten refererende “Gone”, aan het met vervormde stem gebrachte “Danger”, aan het na een ingetogen intro sfeervol breed uitwaaierende “Right On Time” en aan de knotsgekke country rock van afsluiter “Country Wank”. Dat hij ook met wat rustiger spul best goed uit de voeten kan, illustreert Carmichael voorts in dingen als het z’n titel alle eer aandoende “Pop Song”, het fraaie “Going Down”, het een weinig Springsteen-esk aandoende “That Place” en de op wel bijzonder bedachtzame wijze gebrachte trage “Far Away Gone”. Carmichael doet hier overigens zo goed als alles zelf. Enkel voor een pedal steel-bijdrage aan “Bitter Till The End” en wat gezongen ruggensteuntjes links en rechts mochten gasten als Bill Western, Romi Mayes, Joanna Miller, Big Dave McLean, de Weber Brothers en Andrew Neville van stal. Zij helpen Carmichael bij wat absoluut een bijzonder geslaagde “coming out” als singer-songwriter mag worden genoemd.

Chris Carmichael op MySpace

CD Baby

 

BYRON HILL “Stay A While” (BHP)

(3,5****)

 

Als je Byron Hill al kennen zou, dan is het wellicht vooral als leverancier van songs aan anderen. Hills liedjes zijn immers al jarenlang erg in trek in Nashville en verre omstreken. George Strait, Randy Travis, Gary Allan, Rhonda Vincent, Porter Wagoner, George Jones, Ray Charles, Asleep At The Wheel, The Road Hammers, het zijn slechts enkelen van de velen, die al werk van hem onder handen namen. En wellicht bevinden er zich ook tussen de deuntjes op ’s mans nieuwe CD “Stay A While” wel weer een aantal die vroeg of laat hun weg naar de country charts zullen weten te vinden. In ietwat gladdere uitvoeringen dan welteverstaan. Want dat is wat ons betreft juist Hills forte als artiest. Hij schrijft songs die bulken van de commerciële potentie, maar als hij ze zelf opneemt, weet hij ze ook voor veel liefhebbers van het al bij al toch een stuk minder verkoopvriendelijke Americana aantrekkelijk te houden. Iets waar met name het inlijven van gerenommeerde studioratten als een Glen Duncan (mandoline en akoestische), een Terry Smith (van The Grascals en hier op de akoestische bas) en een Dave Pomeroy (elektrische bas) ons niet helemaal vreemd aan lijkt. Samen met Hill, ook zelf een erg handige jongen op de akoestische, maken zij van “Stay A While” een aangenaam luisterstuk tout court.

Byron Hill

CD Baby

 

ERIC BRACE & PETER COOPER “You Don’t Have To Like Them Both” (Red Beet / CoraZong)

(4****)

Je hoeft niet van beiden te houden, aldus de titel van deze plaat, maar het helpt natuurlijk wél en uiteraard doen we dat ook. Eric Brace kennen we immers al een poosje als de met een zalige “klaagtenor” gezegende voorman van rootsrockcollectief Last Train Home en Peter Cooper als de muziekjournalist-songwriter achter het voortreffelijke “Cautionary Tales” van zo’n jaar of twee geleden. De twee leerden elkaar kennen in 2004, kort nadat Brace verkaste naar Nashville. Al snel groeide er tussen beide mannen een intense vriendschapsband, die door vele lange nachtelijke “luistersessies” bij Cooper thuis alleen maar hechter werd. Samen genoten Brace en Cooper er aanvankelijk bij zo menig een flesje rode wijn alleen maar van de muziek van anderen, zoals Tom T. Hall, Willis Allan Ramsey, de Seldom Scene en Charley Pride. Maar zoals dat dan wel vaker gaat, kwam van het één het ander en begonnen de heren ook samen te musiceren. En het eerste tastbare resultaat van die samenwerking is dus “You Don’t Have To Like Them Both”. Daarop staan naast een weinig eigen songs van Brace en Cooper vooral herinterpretaties van materiaal van anderen. Samen met pedal steel-virtuoos Lloyd Green, bassist Dave Roe, toetsenvrouwe Jen Gunderman (Jayhawks) en drummer-percussionist Paul Griffith baant het duo zich een weg door “Omar’s Blues #2” van David Olney, “Down To The Well” van Kevin Gordon, “Drinking From A Swimming Pool” van Karl Straub, het vooral in de uitvoeringen van de Everly Brothers en Emmylou Harris & John Starling bekende “The First In Line” van Paul Kennerley, “I Know Better Now” van Jim Lauderdale, “Just The Other Side Of Nowhere” van Kris Kristofferson, “Yesterdays And Used To Be’s” van Todd Snider en de traditional “Her Bright Smile Haunts Me Still”. Het zijn echter precies enkele van de door de twee zelf aangedragen liedjes, die wij graag als hoogtepunten hier zouden willen aanstippen. Zo is er bijvoorbeeld het door Tim O’Brien van wat heerlijk banjogetokkel voorziene “I Know A Bird”, waarin Brace stemgewijs grossiert in ouderwets lekkere melancholie. En ook het door de twee samen met Jim Lauderdale gepende “Lucky Bones”, lijzig honky-tonkende Americana van het betere soort, en het lekker swingende “Denali, Not McKinley”, een samenwerking tussen Cooper en z’n maatje Todd Snider, zijn verkoopsargumenten die absoluut geen neen verdragen. Zoals dit hele album überhaupt eigenlijk! Bijzonder warm aanbevolen dan ook!

(Releasedatum Benelux: 10 april 2009!)

Eric Brace en Peter Cooper op MySpace

CoraZong Records

 

TEXAS HEAT “One-Trick Pony” (TLS / Radar Music)

(3,5****)

 

De groepsnaam doet het misschien niet meteen vermoeden, maar het gaat hier dus wel degelijk om een Duits countrycollectief. Uit de buurt van Keulen meer bepaald. Nu niet direct de ideale voedingsbodem voor outlaw country, honky tonk twang en aanverwanten, zou je zo denken, maar ook daar bedriegt de schijn weer flink. Onder aanvoering van zanger-gitarist-songwriter Bernd Wolf pakken de vier oosterburen van Texas Heat op hun debuut “One-Trick Pony” immers met veertien ijzersterke liedjes uit, die wat betreft authenticiteit in absoluut niets hoeven onder te doen voor wat we zonder dralen als “the real stuff” zouden omschrijven, als het maar uit de States afkomstig zou zijn geweest. Een bijzonder straffe prestatie met andere woorden. Maar laat je daarvan vooral ook zelf overtuigen! Laat je zoals ons inpakken door extreem catchy dingen als het door de harmonica van Pit Lenz bevleugelde en volop aan wijlen Waylon Jennings herinnerende “Long Gone Tomorrow”, het naar een bij The Man in Black geleend ritme luisterende “Piece Of Wood”, het aan diezelfde Johnny Cash en de Tennessee Two gewijde “Old Black Record”, het als een les in “matters of the heart” geconcipieerde “Heart Will Recognize”, het lekker openhartige “Drawn To That Woman” of het lijzig swingende “House That’s Built On Lies”, je zal het je absoluut niet beklagen. Het is immers gewoon hartverwarmend om te horen, hoe de heren Wolf, Lenz, Naatz en Müller hier naadloos aanknopen met een traditie die de jongste jaren flink wat van haar idolen van het eerste uur verloren heeft. En dat ze dat doen met uitsluitend eigen nummers, maakt hun exploot er alleen nog maar bewonderenswaardiger op.

Texas Heat

CD Baby

 

JERRY LEE LEWIS “The Road Begins” (El Toro Records)

(4****)

Met die van het gespecialiseerde Spaanse label El Toro Records als goed geïnformeerde gidsen duiken we op deze CD in de rijk gevulde archieven van het legendarische Sun Records. Zoeken én vinden doen we er een veritabele schat aan materiaal van één van de allergrootsten uit de geschiedenis van de rock & roll: Jerry Lee Lewis. Van hem krijgen we hier niet enkel de gebruikelijke “hits & misses” voorgeschoteld, maar ook een heleboel minder voor de hand liggend materiaal. Daartoe mogen zeker ’s mans eerste vier pre-Sun demo-opnames uit 1952 en 1954 worden gerekend: covers van Lefty Frizzells “Don’t Stay Away (Till Love Grows Cold)”, Eddie Fishers “I Need You Now” en Hank Snows “I Don’t Hurt Anymore” en een geïmproviseerde instrumental luisterend naar de alleszeggende titel “Jerry Lee’s Boogie”. En verder natuurlijk ook zijn bijdragen als huurling aan materiaal van anderen zoals Carl Perkins, Johnny Cash, Billy Riley en Hayden Thompson en zijn prestaties tijdens en voor de vermaarde Million Dollar Quartet Sessions of de Steve Allen TV Show. Kortom een hoogst interessante verzameling, waarmee ook The Killer zelf best wel  in zijn nopjes zal zijn.

El Toro Records

CD Baby

 

DONNA ULISSE “Walk This Mountain Down” (Hadley Music Group)

(4****)

 

Wie zijn dagelijkse portie bluegrass graag geserveerd weet door nachtegaaltjes als Alison Krauss, Rhonda Vincent en Claire Lynch moet beslist ook eens langs de kassa passeren bij Donna Ulisse. Wat die op de opvolger van haar in 2007 verschenen “When I Look Back”, “Walk This Mountain Down”, doet, hoeft immers in hoegenaamd niets onder te doen voor het werk van die drie dames. Ze heeft om te beginnen een minstens even mooie stem, ze schrijft bovendien nog al haar nummers zelf en ze omringt zich hier met een stel absolute toppers uit het genre. Op de akoestische horen we zo bijvoorbeeld Keith Sewell, op mandoline en fiddle Andy Leftwich, op de akoestische bas Byron House, op de banjo Scott Vestal en op de dobro grootmeester Rob Ickes. Vocale gastbijdragen zijn er verder ondermeer van de al genoemde Claire Lynch, haar wederhelft Rick Stanley, Keith Sewell, Curtis Wright, Jerry Salley en Wendy Buckner Sewell. Deze plaat staat dan ook echt als een huis. Bluegrass werkelijk op z’n paasbest, met bovendien ook nog eens de nodige gospel- en countrynuances om voor een onmiskenbare meerwaarde te zorgen.

Donna Ulisse

CD Baby

 

MICKEY CLARK “Winding Highways” (Ear-X-Tacy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Mickey Clark? Who the fuck is…? Bij ons deed zijn naam alvast niet meteen een belletje rinkelen. Maar goed, dat hoefde niks te betekenen. Ook wij worden immers nog regelmatig verrast door “nieuwkomers op leeftijd”. Maar, was deze man dat ook wel? Wat snel onderzoek leverde op, dat hij al van ergens vroeg in de jaren zeventig zijn sporen verdiende als songsmid voor onder anderen Jerry Lee Lewis, Tompall Glaser en de Oak Ridge Boys. En ook, dat “Winding Highways” eigenlijk al zijn tweede album is. En wat voor één! Geen wonder, dat de legendarische Jim Rooney zich zonder morren als producer voor de kar van deze Clark liet spannen. En al evenmin, dat groten der aarde als John Prine, Jerry Jeff Walker, Kinky Friedman, Robin & Linda Williams en Sam Bush zich graag tot een gastrol op “Winding Highways” lieten verleiden. Die plaat zal ongetwijfeld bij heel wat liefhebbers van Americana singer-songwriterspul op flink wat bijval kunnen rekenen. Clark klinkt hier immers zo ongeveer als de perfecte kruising tussen Jerry Jeff Walker, Guy Clark, Steve Goodman, Willie Nelson en Merle Haggard. Het merendeel van de songs op “Winding Highways” zijn begrijpelijkerwijze van zijn eigen hand. Enkel voor “Louise”, “Night Rider’s Lament”, “Wendigo” en “Goodnight Loving Trail” maakte de beste man een uitzondering. Daarvoor ging hij immers in de leen bij respectievelijk Paul Siebel, Michael Burton, Dwain Story en Utah Phillips. Het resultaat is een plaat die vrijwel smeekt om een plaatsje tussen “de blijvertjes” in je collectie. Warm, vertederend en grappig tegelijk. Pakkend over vrijwel de gehele lijn alleszins! En wat ons betreft met het hilarische “Don’t Piss On My Boots And Tell Me It’s Rainin’” – Gebracht met de “net niet heilige drievuldigheid” Prine, Friedman & Walker! - gelijk ook goed voor de songtitel van het jaar.

Mickey Clark

Ear-X-Tacy Records

Sonic Rendezvous

 

BJ BAARTMANS “Wild Verband” (Inbetweens Records)

(4****)

Mooie songs zijn als mooie vrouwen. Geven ze van meet af aan al hun geheimen prijs, dan verliezen ze gelijk ook heel wat van hun charme. Een standpunt, waarvan ook BJ Baartmans helemaal doordrongen lijkt te zijn. Als een poëet dicht hij zijn songs meer dan dat hij ze schrijft. Hij verhaalt bovendien zoals hij speelt. Geen noot teveel, geen woord teveel. De virtuositeit volledig ten dienste van het liedje. En wellicht precies daardoor worden zijn songs zo volstrekt uniek. Ze zijn zinnenprikkelend. Ze dwingen tot luisteren en zetten aan tot nadenken. Ze ontroeren en confronteren tegelijk. “Wild Verband”, deel drie in een in 2006 met zijn eerste Nederlandstalige plaat “Verpand” gestarte en in 2007 met “Verwant” voortgezette trilogie, wordt daardoor een danig rijke plaat, dat je ze vrijwel ogenblikkelijk stevig aan de borst gaat drukken. En de vraag, of je hier nu met Americana in je moedertaal dan wel met kleinkunst te maken hebt, doet dan even helemaal niet meer terzake. Feit is, dat deze het persoonlijke absoluut niet schuwende nieuwe worp van Baartmans, bulkt van de makkelijk naar eenieders leven te vertalen levensliedjes. Voor wie er nog mocht aan twijfelen: de overstap van het Engels naar de eigen taal is bij dezen wel definitief verteerd. En een veel mooiere plaat in het Nederlands dan deze zal je dit jaar allicht niet meer te horen krijgen.

BJ Baartmans

Inbetweens Records

 

JOHN WESLEY HARDING “Who Was Changed & Who Was Dead” (Popover / The Rebel Group)

(4****)

Voor “Who Was Changed & Who Was Dead”, zijn eerste nieuwe plaat in vijf jaar tijd, nodigde John Wesley Harding die van The Minus Five als begeleiders uit. En dat was op de keper beschouwd een meesterlijke zet. Dat nieuwe album behoort immers zondermeer tot het allerbeste, wat de man al op ons heeft losgelaten. Wat het tekstuele betreft alleen al is het nog een stuk rijker dan heel wat van zijn vorige worpen, maar het is toch vooral op muzikaal vlak dat hij hier veel van zijn eerder materiaal het nakijken geeft. Ronduit briljante popliedjes worden afgewisseld met rootsy rock met in al zijn ideeënrijkdom bij momenten haast Beatle-eske allures. En dan zijn er natuurlijk nog de elementen zwartgallige humor, ironie en satire. Als je Harding hier bezig hoort in dingen als “Congratulations (On Your Hallucinations)” of “Your Mind’s Playing Tricks On Me” dan lijken de hoogdagen van Elvis Costello spontaan weer even tot leven te komen. Ook die had indertijd immers genoeg aan enkele welgemikte woorden om je met een brede grijns op het gelaat met wat stof tot nadenken achter te laten.

Tenslotte vermelden we ook nog even gesmaakte gastbijdragen van Kelly Hogan, Earl Slick, Mike Viola en Steve Berlin en een in 2008 in de Union Hall in Boston ingeblikte bonus-CD, tot de nok toe gevuld met fanfavorieten en met ondermeer een cameo van Josh Ritter in “Our Lady Of The Highways” als bijkomende aandachttrekker. Warm aanbevolen!

John Wesley Harding

 

DAVIE GAYLE “Amber In The Clay” (Remba Records)

(3***)

Lekker debuutje van een youngster duidelijk niet verlegen zittend om talent. “Amber In The Clay” presenteert Davie Gayle als een met een erg fraaie stem gezegende chanteuse, die bovendien ook een meer dan aardig deuntje in de vingers heeft. Kwistig strooit ze tegen een achtergrond van country- en folkrock met verhalen over “haar” New Jersey in het rond. Haar eigen ervaringen blijken daarbij meer dan eens een zeer goede voedingsbodem. Wat ze te vertellen heeft wint er alleszins flink aan authenticiteit door. Enig minpuntje hier is wat ons betreft de soms wat vlakke productie. Daar vallen bij een volgende gelegenheid nog aardig wat bonuspunten te verdienen.

Davie Gayle

CD Baby

 

KERRI POWERS “Faith In The Shadows” (Gritty Ditty)

(4,5*****)

Zelden iemand zo mooi met een met drank gerelateerd probleem horen omspringen als Kerri Powers hier in “Nobody Minds My Drinking (Nobody Else But You…)”. Een bijzonder innemende trage is dat, waarin nog nadrukkelijk op de traditionele leest geschoeide country net genoeg aan scherp randje meekrijgt om te allen tijde lekker spannend te blijven. Een echte vijfsterrencompositie! En het goede nieuws is, dat er van dat kaliber wel meer terug te vinden zijn op “Faith In The Shadows”. Acht van de tien songs op die nieuwe plaat schreef Powers samen met de ondermeer om zijn werk met Mary Gauthier, Lori McKenna en Martin Sexton geroemde Crit Harmon. De overige twee pende ze in haar eentje. Diezelfde Harmon tekende voorts ook voor de productie ván en het sprankelende elektrische gitaarwerk óp “Faith In The Shadows”. Je zou, als je dat allemaal leest, gemakkelijk kunnen gaan denken, dat zijn rol van doorslaggevende betekenis voor het welslagen van dit project geweest moet zijn. Maar zelfs al klopt die gedachte voor een stuk wellicht wel, je zou er Powers toch schromelijk tekort mee doen. Zij en niemand anders is hier immers voortdurend het stralende middelpunt van alle belangstelling. Die stem! Wow! Ongemeen sensueel en meeslepend tegelijk! En dan die teksten! Het is maar aan weinigen gegeven om binnen het al bij al toch relatief korte tijdsbestek van een liedje zo voldragen verhalen te vertellen als Kerri Powers dat hier doet. De Americana van deze ronduit geweldige artieste is in onze ogen zó ontzettend goed, dat we er bijvoorbeeld de laatste platen van Lucinda Williams en Ryan Adams graag links zullen voor laten liggen. En we kunnen jullie bij wijze van afsluiter dan ook maar één goede raad geven: “Gaat dat vooral horen!” (En pik en passant ook even een exemplaar van haar al in 2003 verschenen “You, Me, And A Redhead” mee. Ook dat was immers al een uitstekende plaat.)

Kerri Powers

CD Baby

 

BEN LEE “The Rebirth Of Venus” (New West / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“I Love Pop Music” verkondigt Ben Lee onomwonden in het zomers-speelse vierde nummer van zijn nieuwe CD. En je kan je dan ook terecht de vraag stellen, of het überhaupt nog te verwonderen hoeft, dat de beste man zich ook uitsluitend daarmee bezighoudt op zijn zevende worp. Dát album, “The Rebirth Of Venus”, draagt Lee niet geheel zonder bijbedoelingen aan de godin van de liefde op. Het is zijn manier om als man aan te geven, dat we in tijden als deze eigenlijk allemaal volop behoefte hebben aan een aantal van de algemeen als sterkste kantjes van het vrouwelijke geslacht aanvaarde kwaliteiten. Ook mannen kunnen in zijn ogen immers absoluut niet voorbij aan vaste waarden als warmte, zachtheid, creativiteit, intuïtie, medelijden, speelsheid en andere. Het klinkt allemaal nogal zwaarwichtig misschien, maar daar is op “The Rebirth Of Venus” gelukkig niet al té veel van te merken. Lee grossiert daarop gewoon dertien nummers lang in lichtvoetige popdeunen, die zich ogenblikkelijk knus tussen je oren nestelen. In een productie van Brad Wood, ook al verantwoordelijk voor het knoppenwerk op zijn doorbraakplaat “Awake Is The New Sleep”, toont hij andermaal, dat “goed in het gehoor liggend” absoluut geen synoniem voor “plat” hoeft te zijn. “Intelligent” en “catchy” stappen hier bijna voortdurend als een verliefd jong stelletje onbezorgd hand in hand door het leven.

Ben Lee

New West Records

Sonic Rendezvous

 

ELENI MANDELL “Artificial Fire” (Make My Day / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Wie - Net als ons! - viel voor de Eleni Mandell van het in 2003 verschenen meesterwerkje “Country For True Lovers”, zal zich bij het beluisteren van haar nieuwe worp wellicht eens duchtig achter het oor krabben. Haar kortstondige flirt met traditionele country lijkt daarop immers definitief tot het verleden te behoren. Op “Artificial Fire” is een artieste aan het werk, die het begrip eclecticisme bijzonder hoog in het vaandel voert. Van nerveuze wave pop in het titelnummer tot lijzig soulvolle “dagdromertjes” als “Right Side” en “Don’t Let It Happen”, van alt. folk genre “Tiny Waist” tot recht-toe-recht-aan rockend spul à la het afsluitende “Cracked”, van bijzonder radiovriendelijke zomerse power pop type “Bigger Burn” of “Little Foot” tot een jazzy slepertje als “In The Doorway”, het kan hier echt bijna voortdurend zo goed als alle kanten op. Het ene moment klinkt Mandell daardoor als het experimenteergrage achternichtje van de grote Joni Mitchell, het andere deed ze ons denken aan Pretenders-kopstuk Chrissie Hynde en Cat Powers Chan Marshall.

Eleni Mandell

Make My Day Records

Sonic Rendezvous

 

JON BROOKS “Ours And The Shepherds” (Exile Music)

(3,5****)

Een knaap als de Canadees Jon Brooks laat zich misschien nog het best omschrijven als de “missing link” tussen Tom Waits en Steve Earle. Met een rauwheid herinnerend aan de ene besprenkelt hij met veel liefde de gewassen in een muzikaal tuintje herinnerend aan dat van de andere. Americana en folk worden hier geserveerd op hun elementairst: ruw, zo goed als spiernaakt, beklijvend. En dat laatste zeker niet in het minst, omdat Brooks conceptueel bijzonder sterk uit de hoek komt. Voor de dertien songs op “Ours And The Shepherds” liet hij zich immers inspireren door de verhalen van landgenoten met op hun ziel de littekens van een zwaar oorlogsverleden. Die modus operandi mondt uit in uitermate boeiend luistervoer, dat de beste man in eigen land volkomen terecht al de nodige lofbetuigingen opleverde.

Jon Brooks

 

AMBER DIGBY “Passion, Pride, & What Might Have Been” (Heart Of Texas Records)

(4****)

Van alle neo-traditionalisten, die de voobije jaren voor het eerst van zich deden spreken, is de jonge Texaanse Amber Digby ons zondermeer het liefst. Als er één iemand is, die op de titel van “New Queen of Country” aanspraak mag maken, dan is zij het wel! Ronduit heerlijk gewoon, hoe ze ook op haar derde CD “Passion, Pride, & What Might Have Been” weer de hoogdagen van het countrygenre doet herleven. Ze zingt met zoveel passie en overgave, dat je daar zo goed als onmogelijk onbewogen bij kunt blijven. En ook wat betreft de songkeuze zit het ook ditmaal weer allemaal snor. Materiaal van onder anderen Melba Montgomery (“I Can’t Get Used To Being Lonely”), Conway Twitty (“Let Me Be The Judge”), Buck Owens (“Take Me Back Again”), Loretta Lynn (“Deep As Your Pocket”) en Johnny Paycheck & Aubrey Mayhew (“We’re The Kind Of People (That Make The Jukebox Play)”) passeert de revue en zal liefhebbers van “real country” ongetwijfeld tot in het diepst van hun wezen weten te raken. Iemand zou dringend eens bij de juiste mensen het idee moeten opperen om deze Amber Digby samen met Dale Watson als “double bill” aan te bieden op een rondje doorheen onze kontreien. Succes bij voorbaat gegarandeerd!

Amber Digby

CD Baby

 

BRIGITTE DEMEYER “Red River Flower” (Brigitte DeMeyer / Sonic Rendezvous)

(4****)

Haar vorige, het in 2005 verschenen “Something After All”, was weliswaar al een uitstekende CD, maar toch nog maar klein bier in vergelijking met haar nieuwe worp, het ook ditmaal weer door de gerenommeerde Brady Blake geproduceerde “Red River Flower”. Daarop komen de bluesy roots songs van de Californische pas écht goed tot hun recht. Haar teksten hebben daarop bij momenten regelrecht literaire kwaliteiten, maar het zijn toch vooral haar ongemeen soulvolle voordracht en de gepassioneerde invulling van haar liedjes, die ons echt bij ons nekvel grijpen. In het gezelschap van onder anderen gitaristen Buddy Miller en Mike Henderson, steelvirtuoos Al Perkins, toetsenman Phil Madeira en gastvocalisten Regina McCrary en Gayle Mayes baant DeMeyer zich dertien nummers lang met veel branie een weg naar je hart. Het ene moment bezield croonend, het andere met veel overgave “tonkend”, soulvol uithalend, rockend of zich wentelend in een veelheid aan blues- en rootsvarianten. Een vergelijking met grote madammen als een Bonnie Raitt en een Susan Tedeschi is soms voor de hand liggend. Maar DeMeyers werk leunt al bij al toch meer aan bij Americana dan dat van de genoemde dames. Met als absolute uitschieters voor ons het Zuiders vrome “Shepherd”, het soulvolle, Norah Jones met veel brio het nakijken gevende “Looking For Moses”, het met Buddy Miller gebrachte countrystampertje “Without You” en het onweerstaanbaar funky, met de blik richting New Orleans gebrachte “Justice”. Bijzonder straffe kost!

Brigitte DeMeyer

Sonic Rendezvous

 

BUDDY & JULIE MILLER “Written In Chalk” (New West / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Oorspronkelijk bestemd om de nieuwe Buddy Miller te worden, groeide “Written In Chalk” door het niet halen van de aanvankelijk ervoor vooropgestelde deadline op volkomen natuurlijke wijze uit tot een duoplaat met zijn vrouw Julie. En wat voor één! Een geheide kandidaat voor onze jaarlijst, zoveel is nu al wel zeker! Dit is Americana van een niveau, waar je zelfs in je stoutste dromen niet had op durven hopen. Zelfs niet van de echtelieden Miller, nee.

Gelijk van bij het even bedachtzaam als spaarzaam ingevulde “Ellis County” met z’n prachtige duetvocalen, waarin in het leven écht terzake doende dingen als je familie, je vrienden en je geloof worden aangedaan, weet je meteen, hier staat iets heel speciaals te gebeuren. En dat gevoel wordt vervolgens gewoon nog eens elf nummers lang bevestigd. Met de aanstekelijke swampabilly van “Gasoline & Matches” bijvoorbeeld al, maar ook met de met gastvocalen van Patty Griffin opgewaardeerde intimistische smeekbede “Don’t Say Goodbye”, met de met Robert Plant ingeblikte bluesy stamper “What You Gonna Do Leroy”, met het door Julie zwoel in late night jazz verpakte “A Long, Long Time”, met de fraaie country soul van de Dee Ervin-cover “One Part, Two Part”, met ditmaal gastvocalen van Regina McCrary, met het door Buddy met andermaal Patty Griffin gedeelde “Chalk”, met het droefgeestige, door Julie in haar gekwelde eentje gebrachte “Everytime We Say Goodbye”, met het door Larry Campbell mandolinegewijs mee naar eenzame hoogten gestuwde “Hush, Sorrow”, met het naar Julie-normen ongemeen rauwe “Smooth”, met het adembenemend mooie “June”, Julie’s doorleefde muzikale afscheid van wijlen June Carter Cash, en met “The Selfishness Of Man” tenslotte ook nog, waarin Buddy en Emmylou Harris Leon Payne werkelijk met het grootst mogelijke respect benaderen.

Een twaalf op twaalf dus! En dat rechtvaardigt wat ons betreft ruimschoots elk van de vijf sterren boven dit stukje. Een echte moordplaat gewoon!

Buddy & Julie Miller

New West Records

Sonic Rendezvous

 

BILL BOOTH “Songs Of The Land” (Wheeling Records)

(4,5*****)

Liefde op het eerste gehoor, dat was het! Meer dan één luisterbeurt was er voor de naar Noorwegen verkaste Amerikaan Bill Booth absoluut niet nodig om ons voorgoed te overtuigen van zijn wel in erg royale mate aanwezige talenten. Die stem! Zó doorleefd! Zó ontzettend warm en gloedvol! En dan die songs! Het volmaakte huwelijk gewoon tussen Americana en folk, tussen de muziek van zijn geboorteland en die van zijn nieuwe heimat en omringende gebieden. Echt, veel beter dan dit worden ze niet meer gemaakt! Booth is wat je noemt een meesterlijke verteller en geruggensteund door een klein leger aan toprootsmuzikanten uit zijn nieuwe thuisland pendelt hij hier zwierig van de ene parel naar de andere. Wie erin slaagt zich niet ogenblikkelijk te laten vermurwen door heerlijkheden als “Miller Boy”, “Off To America”, “Burning Drums”, “Cold Blue Night”, “Heim Shine”, “Lindisfarne” of “This Land Is New” heeft ons inziens een serieus probleem. Voor alle anderen geldt: horen is kopen! (En vervolgens wellicht een leven lang intens koesteren…)

Bill Booth

CD Baby

 

DEAN OWENS “Whiskey Hearts” (Navigator 16)

(3,5****)

Weer eens eentje uit de afdeling Euro Americana, deze van Dean Owens. De jonge Schot trok voor de opnames ervan naar Nashville. Daar blikte hij onder de productionele hoede van Elijah Shaw en met de hulp van onder anderen Will Kimbrough, ex-Jayhawk Jen Gunderman, Al Perkins, Thad Cockrell, Kevin McGuire, Flecktone Jeff Coffin en het van de Mavericks geleende duo Paul Deakin en Robert Reynolds negen eigen songs en het door diezelfde Reynolds aangedragen “Hallelujah” in. In verband met de resultaten van die inspanningen dringen zich regelmatig vergelijkingen met gewaardeerde acts als Bruce Springsteen, Ryan Adams en Wilco op. En toch zouden we Owens hier graag zijn eigen man, een original met andere woorden, willen noemen. Al was het alleen al maar, omdat hij “zijn” Americana nadrukkelijk verrijkt met elementen ontleend aan de rijke pop- en folktradities van zijn thuisland. En ook in zijn teksten verloochent hij zijn afkomst zeer zeker niet. Stille getuigen daarvan zijn ondermeer het ronduit beklijvende “Raining In Glasgow” – Je kan het je zó voorstellen! – en het al even verbluffend mooie eerbetoon aan zijn eigen vader “Man From Leith”. Twee echte schoonheden van songs zijn dat, die Owens net als het merendeel van de andere deunen op “Whiskey Hearts” karakteriseren als een met tonnen aan bezieling en vooral ook aan inspiratie gezegende zanger en songsmid. Zijn “kindjes” verdienen het absoluut om gehoord te worden! Meer nog: ze smeken gewoon om beluisterd te worden!

Dean Owens

 

IAN MCLAGAN & THE BUMP BAND “Never Say Never” (00:02:59)

(4****)

“Never Say Never” is het nieuwe, aan zijn in 2006 bij een auto-ongeval om het leven gekomen vrouw Kim opgedragen album van ex-(Small) Faces-toetsenman Ian McLagan. Die in zijn eigen Doghouse Studios in Manor, TX ingeblikte schijf bevat tien nieuwe eigen liedjes, die stuk voor stuk zondermeer tot het allerbeste behoren, wat de beste man al gemaakt heeft. Vooral met de hier ruimschoots in de meerderheid verkerende songs ingevuld met liefde en hartzeer raakt hij je als luisteraar keer op keer opnieuw heel erg diep. Strafste voorbeelden daarvan zijn wat ons betreft het door Patty Griffin van een soulvolle cameo voorziene titelnummer, de bijna gelalde slome Zuiderse R&B van “My Irish Rose” en de werkelijk hartverscheurend mooie afsluiter, het door de Tosca Strings met een laagje bijkomend sentiment opgewaardeerde “When The Crying Is Over”. Met z’n vaste begeleiders van de Bump Band, “Scrappy” Jud Newcomb, Don Harvey en Mark Andes, illustreert “Big Mac” in deze en andere liedjes als songwriter door de jaren heen enorm gegroeid te zijn. In een aantal Amerikaanse bladen vonden de recensenten van dienst “Never Say Never” zelfs al zó goed, dat de term “album van het jaar” ervoor uit de kast mocht. Daarin volgen wij niet echt, maar heel erg goed is het album zeker wél.

Ian McLagan

00:02:59

 

THE WAIFS “Live From The Union Of Soul” (Jarrah Records)

(3,5****)

Altijd al een sympathiek collectiefje gevonden, deze Australische bende, en dat zal er met deze tijdens hun in het voorjaar van 2008 afgewerkte “The Union Of Soul National Tour” ingeblikte live-collectie zeker niet minder op worden. Meer dan ooit hoor je hier immers, dat The Waifs met Donna Simpson, Joshua Cunningham en Vikki Thorn liefst drie prima vocalisten in hun rangen tellen en dat ze er absoluut niet van houden om in één enkel hokje te worden ondergebracht. Hun muziek bestempelen als louter Americana is schaamteloos voorbijgaan aan het feit, dat ook andere genres als (roots) pop, bluegrass, blues en soul – Luister in dat verband hier vooral maar eens naar het pakkende “Sweetest Dream”! - er volop in aan bod komen. Heerlijk gevarieerd geheel dan ook, deze live-compilatie, met naast groepsklassiekers als “Sundirtwater”, “Pony”, “Stay” en “London Still” – De laatste twee hier in bijzondere akoestische versies! – ondermeer ook covers van de country standard “I Remember You”, Matthew Houcks “Downroads” en het al van Kev Carmody bekende “From Little Things (Big Things Grow)”. Gastbijdragen zijn er daarbij van Clare Bowditch en van John Butler. Als geheel een ietwat vrijblijvende, maar zeker leuke aanvulling op het eerdere studiowerk van The Waifs.

The Waifs

Jarrah Records

 

THE KITCHEN SHAKERS “Deep Fried & Countryfied” (Blue Hog)

(3,5****)

“Deep Fried & Countryfied” is het albumdebuut van een vanuit het Canadese Quebec actief gelegenheidskwartet luisterend naar de in dit geval veelzeggende naam The Kitchen Shakers. Spilfiguren binnen die groep zijn bluesman Kevin Mark en rootsy singer-songwriter Dale Boyle. Zij lijken de groep in de eerste plaats te willen gebruiken om eens ongegeneerd “naast de pot te kunnen pissen”. Op dit visitekaartje blijven ze alvast geen van beiden hun gebruikelijke idiomen trouw. En dat heeft niet enkel verrassende resultaten tot gevolg, het leidt bovenal ook tot een bijzonder catchy geheel, een heuse “kitchen party” als het ware. Fun is alleszins zo goed als overal het sleutelwoord hier. In eigenzinnige covers van klassiek songgoed als “House Of The Rising Sun” (bluegrass), “St. James Infirmary” (jazzy late night blues) en “Froggie Went A Courtin’” (akoestische countryrock) bijvoorbeeld, maar ook in onderling uitgewisselde songs als Boyle’s “If I Come Back”, door Mark van een intraveneus shot hardcore country en rockabilly bediend, en Mark’s “So Blue Without You”, door Boyle van een jumpbluesje getransformeerd in een traditionele countrysleper. En wat te denken van het wulpse, in cajunklanken badende “Je T’Aimerai Pour Tout L’Temps”, de rockabilly van bandlijflied “Shake Your Kitchen Down”, de wervelende country van Boyle’s “Travelin’ Bone” of het kazoogewijs openlijk met swing en ragtime flirtende “Tennessee”? We kunnen het hier bij wijze van afsluiter eigenlijk alleen nog maar eens herhalen: dit is een echt feest van een plaat! Laat die lente nu maar snel beginnen, de soundtrack erbij is met deze schijf alvast binnen.

The Kitchen Shakers

CD Baby

 

DANNY SCHMIDT “Instead The Forest Rose To Shine” (Red House / Music & Words)

(4****)

“Instead The Forest Rose To Shine” is het nieuwe album van een songsmid, wiens ster al een aantal jaren duidelijk rijzende is. Zijn beide laatste platen, het in 2005 verschenen “Parables & Primes” en het van vorig jaar daterende “Little Grey Sheep”, werden regelrecht bedolven onder de lofbetuigingen en tussendoor kaapte Danny Schmidt in 2007 bij wijze van bevestiging ook nog één van de jaarlijks op het gerenommeerde Kerrville Folk Festival uitgereikte awards weg. Om maar te zeggen, dat de sterren goed voor hem staan. En daarin zal met “Instead The Forest Rose To Shine” zeker geen verandering komen. Wel integendeel! Die plaat, op de keper beschouwd een soort van conceptalbum met als centrale thema’s geld en de waarde daarvan in het hier en nu, mixt immers op ronduit briljante wijze Americana, folk en aanverwante stijlen. In grote lijnen vallen de liedjes erop in twee groepen uiteen. Deunen als “Grampa Built Bridges” en “Two Timinig Bank Robbers Lament” zijn uitermate levendige karakterschetsen van naar hun bestaan betekenis verlenende activiteiten zoekende protagonisten. “Better Off Broke”, “Serpentine Cycle Of Money” en andere dan weer gaan in op dezer dagen meer dan ooit actuele onderwerpen als geld en welvaart.

Danny Schmidt

Red House Records

Music & Words

 

SIX MILE GROVE “Steel Mule” (Eclectone)

(3,5****)

Six Mile Grove is een alternatief countrykwartet met als thuisbasis Minneapolis, Minnesota. Het viertal onder leiding van zanger-songsmid Brandon Sampson is met “Steel Mule” inmiddels ook alweer aan zijn vijfde album toe. En dat zou eigenlijk moeiteloos het succes van z’n voorganger “Bumper Crop” moeten kunnen evenaren. Sampson deed er de voorbije drie jaren immers écht alles aan om zowel als tekstdichter als als songwriter nog te groeien. Hij spreekt in verband met “Steel Mule” dan ook graag in termen van “coming of age”. Zowel als mens, als als muzikant. En heel wat van de songs erop reflecteren dat inderdaad ook. Thema’s als het getrouwde leven, ouderschap, familie, de eigen sterfelijkheid en andere traditionele waarden komen rijkelijk aan bod in zijn teksten. En ook wat het louter muzikale betreft lijkt ouder worden z’n sporen achter te laten op die van Six Mile Grove. Heel wat van het materiaal op “Steel Mule” valt immers eerder onder de noemer “rustig”. Gezocht wordt wel nog altijd naar een symbiose van energieke rock “American style” en klassieke country, maar het hoeft al lang niet allemaal meer te vlammen. En precies dát uitgangspunt werkt eigenlijk alleen maar in het voordeel van Sampson en co. Hun vaak van een behoorlijk melancholische ondertoon voorziene liedjes gaan er wat ons betreft immers juist alleen maar meer de aandacht door trekken. Wie het eerder voor de jachtige Six Mile Grove-deunen had hoeft echter niet meteen te gaan wanhopen. Stevig uitpakken doen ze bijvoorbeeld wél nog in retestrakke dingen als “Write Me Off” en “Never Going Back”. Zo houden ze iedereen tevreden.

Six Mile Grove

CD Baby

 

TOM RUSH “What I Know” (Appleseed / Music & Words)

(4****)

Velen van jullie zullen hem allicht enkel (nog) kennen als de man die met zijn “No Regrets” zowel The Walker Brothers als Boz Scaggs aan één van hun grootste hits hielp. Maar Rush is eigenlijk nog zoveel meer! Naast een fantastische songmid toonde hij zich in het verleden vooral ook een echte kanjer in het vinden van uitstekend materiaal bij vaak (nog) minder bekende artiesten. Zo was hij bijvoorbeeld één van de eersten om liedjes van toen nog nobele onbekenden als Joni Mitchell, Jackson Browne en James Taylor op te nemen. En platen als zijn titelloze debuut uit ’65 en “Take A Little Walk With Me” van een jaar later blijven wat ons betreft ook absoluut warm aanbevolen.

Het zopas verschenen “What I Know” is Rush’ eerste plaat sinds 1974. Maar het wel erg lange wachten daarop is wél de moeite waard geweest. Gefocust wordt op “What I Know” vooral op de vertolker Rush. In een productie van oudgediende Jim Rooney brengt hij naast een vijftal eigen nieuwe songs en een knappe adaptatie van de traditional “Casey Jones” ook covers van materiaal van Jack Tempchin & John Brannen, Stephen Bruton, Richard Dean, Eliza Gilkyson, A.J. Swearingen, Melanie R. Dyer & Kim Beard Day, Mishka Frith, Bill Miller & David Hoffner en Mentor Williams. En dat mondt uit in een lekker gevarieerde plaat, in de eerste plaats gedragen door de heerlijk relaxt aandoende, ondertussen een weinig door de jaren getekende bariton van Rush zelve. Daarnaast zijn er echter ook tal van gesmaakte gastbijdragen. Met Bonnie Bramlett en Pat McLaughlin deelt Rush “Hot Tonight”, met Nanci Griffith zijn versie van het al genoemde “Casey Jones” en met Emmylou Harris een ronduit subliem te noemen lezing van Stephen Brutons “Too Many Memories”. En verder zijn uitstekende muzikanten als Fats Kaplin, Kirk “Jellyroll” Johnson, Mike Henderson, Dave Pomeroy, Thomm Jutz, Robin Batteau en tal van anderen hier voortdurend “all over the place”. Luister-Americana van de bovenste plank!

Tom Rush

Appleseed Recordings

Music & Words

 

GUY DAVIS “Sweetheart Like You” (Red House / Music & Words)

(3,5****)

Goed voor een brede glimlach is Guy Davis’ verantwoording voor een Dylan-song als titelnummer voor zijn nieuwste. Hij maait pedante bluespuristen in het die CD vergezellende boekje meteen de laatste grasspriet voor de voeten weg door de folklegende daarin voor te stellen als een reïncarnatie van “a very big fat black bluesman”. Voor het overige vooral “business as usual” op “Sweetheart Like You”. Op die opvolger van het vrijwel unaniem lovend onthaalde “Skunkmello” toont Davis zich immers andermaal als één van de beste vertolkers van akoestische blues van de laatste jaren. Hij doet dat afwisselend met eigen materiaal en liedjes ontleend aan de oeuvres van Lead Belly, Son House, Willie Dixon, Muddy Waters en Big Joe Williams. In een productie van John Platania komt hij daarbij beurtelings humoristisch en heel erg gevoelig uit de hoek. Het mooist doet hij dat wat ons betreft in het hoger al even aangekaarte titelnummer, in het voorzichtig met een funkmotiefje stoeiende, door zijn eigen moeder geïnspireerde “Words To My Mama’s Song” en in de op Lead Belly’s “Ain’t Going Down To The Well No More” geënte afsluiter van het geheel.

Guy Davis

Red House Records

Music & Words

 

AMELIA CURRAN “War Brides” (Six Shooter / Bertus)

(3,5****)

Heruitgave – Op hoop van ditmaal wél zegen? – van een plaat, die eigenlijk al van zo’n drie jaar geleden dateert. Een heel erg mooie plaat overigens wel. Zo ongeveer dé ideale showcase voor de bepaald niet in geringe mate aanwezige talenten van de jonge Canadese zingende liedjesschrijfster Amelia Curran. Die oogstte de voorbije jaren dan ook tot ver buiten de eigen landsgrenzen lovende kritieken en werd ondermeer al vergeleken met groten der aarde als een Tom Waits, een Leonard Cohen en een Neil Young. Vergelijkingen, die tot op zekere hoogte absoluut te rechtvaardigen vallen. Er is immers dat fraaie, enigszins rasperig overkomende stemgeluid en er zijn bovenal ook die bij momenten echt wel bijzonder straffe songs. Liedjes, die vertrekkend vanuit de eigen leefwereld op volkomen natuurlijke wijze ook die van haar luisteraars lijken aan te doen. Liedjes, die ergens tussen folk en Canadiana steeds weer de nodige houvast weten te vinden om blijvend te bekoren. Liedjes, die ons her en der ook wel eens even deden denken aan wat onder anderen ook Mary Gauthier en Lucinda Williams plegen te brengen. Heel mooie voorbeelden zouden in dat verband het op een eigenaardig aantrekkelijke manier in melancholie zwelgende “You Won’t Find Me” en het al even herfstig uitvallende “Time’s A Ticker” kunnen zijn.

Amelia Curran

Six Shooter Records

Bertus

 

SARAH MACDOUGALL “Across The Atlantic” (Sarah MacDougall)

(3,5****)

Haar naam mag het dan al allerminst doen vermoeden, maar Sarah MacDougall is wel degelijk van Zweedse afkomst. Haar wieg stond in Malmö en daar zou ze ook ruim twintig jaar van haar jonge leven slijten. Vervolgens brachten haar studies haar achtereenvolgens naar Australië en naar Canada. En dáár, in Vancouver meer bepaald, vestigde ze zich definitief. En niet alleen dát, ze gaf er eindelijk ook toe aan haar eerste liefde: de muziek. Iets wat in 2005 uiteindelijk resulteerde in haar eerste plaat, “Headed For The Hills”, een album, waarvoor nog redelijk nadrukkelijk het predicaat alt. country uit de kast mocht. En dat is voor opvolger “Across The Atlantic” al bij al toch heel wat minder het geval. Die “moeilijke tweede” vermengt immers op bijzonder sfeervolle wijze elementen uit Americana, folk en pop. En wat daaruit voortvloeit, is echt ongemeen mooie luistermuziek, die met enige regelmaat in de buurt van Lucinda Williams’ wat introvertere momenten uitkomt. Een heel mooi voorbeeld bij die stelling vormt het volop van fraai melancholisch snarenwerk profiterende “I’ve Got Your Back”, een nummer, nu al voorbestemd tot een lang leven op de Ctrl. Alt. Country-iPod. En dat laatste geldt wellicht ook voor de “country noir” van “Biggest Mistake”, waarin MacDougall zich tegen een overduidelijk door wijlen Johnny Cash geïnspireerd ritme ook al van haar beste kant laat bewonderen, en de intimistische sleper “I’ve Got Sorrow”. Dringend gaan ontdekken, zouden wij zo zeggen, je zal het je absoluut niet beklagen!

Sarah MacDougall

 

Home