CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2010

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

BECKY SCHLEGEL “Dandelion” - The Steel Wheels “Red Wing” - THE WILDCARDS “When The Moon Shines Bright” - PAT WICTOR “Living Ever-Lovin’ LIVE” - SCOTT COOK “This One’s On The House” - WIL FORBIS & THE GENTLEMEN SCOUNDRELS “Shadey’s Jukebox” - JACK MARKS “Two Of Everything” - KRISTA DETOR “Chocolate Paper Suites” - MICHAEL MARTIN MURPHY “Lone Cowboy - Live & Solo” - WHISPERING PINES “Family Tree” - WYLIE & THE WILD WEST “Unwired” - KASEY ANDERSON “Nowhere Nights” - EMITH “13 Seasons” - SLEEPY DRIVER “Steady Now” - BRANDON RHYDER “Head Above Water” - JON STRIDER “Fresh Tracks” - YARDSALE “Knock Alley West” - NOËLLE HAMPTON “Thin Line” - STEVE HOWELL “Since I Saw You Last” - JOHHNY CASH “American VI: Ain’t No Grave” - LOS CENZONTLES WITH DAVID HIDALGO & TAJ MAHAL “American Horizon” - LEE HARVEY OSMOND “A Quiet Evil” - ZOE MUTH AND THE LOST HIGH ROLLERS “Zoe Muth And The Lost High Rollers” - BASIA BULAT “Heart Of My Own” - John Hiatt ”The Open Road” - LAURIE LEWIS “Blossoms” - ROSE COUSINS “The Send Off” - JESS KLEIN “Bound To Love” - FIXKES “Superheld” - ADAM CARROLL “Live At Flipnotics” - ELEVEN HUNDRED SPRINGS “This Crazy Life”

 

 

BECKY SCHLEGEL “Dandelion” (Lilly Ray Records / IGO)

(4****)

“Dandelion” betekent voor aanstormend talent Becky Schlegel stap vier in haar carrière als soloartieste. Net als op “Red Leaf”, “Drifter Like Me” en “For All The World To See”, de drie voorgangers van dat nieuwe album, staat ook ditmaal weer alles in het teken van de verschrikkelijk mooie stem van de zingende liedjesschrijfster zelve. Maar delicater en helderder kom je ze dan ook nog maar zelden tegen. Op wat op de keper beschouwd haar meest countrygetinte plaat tot op heden is, kiest Schlegel voor een heerlijk losse aanpak. Soms neigt het gebrachte daardoor een beetje naar (country) folk, soms wat meer naar Americana en af en toe uiteraard nog steeds volop naar bluegrass. In openingsnummer “Anna” bijvoorbeeld, nadrukkelijk geïnspireerd door wijlen haar grootmoeder, kiest Schlegel ontegensprekelijk voor een enigszins atmosferisch aanvoelende folky aanpak. Voor titelnummer “Dandelion” lijkt old-time stringband music dan weer model te hebben gestaan. Dat liedje, mee gedragen door wel erg subtiel banjowerk van medeproducer Brian Fesler, is in al zijn verstilde schoonheid wat ons betreft meteen één van dé absolute hoogtepunten hier. Vervolgens gaat het tempo aardig de hoogte in met het volop de kaart bluegrass uitspelende “Colorado Line”, waarin Schlegel ons bij momenten flink aan de jonge Dolly Parton deed denken. Hulp kreeg ze daarvoor onder andere van Randy Kohrs. “Nowhere Bound” is aansluitend daarop weer onthaaste Americana genre een Lori McKenna, “I Never Loved You Cowboy” zou het wel eens goed kunnen doen bij fans van acts als de Dixie Chicks en Lee Ann Womack, “I Never Needed You” is akoestische country met een grass-toets, en eerste single “So Embarassing”, weer met vocale ondersteuning van Kohrs, eigenlijk meer van hetzelfde, zij het dan in omgekeerde volgorde. En dan mogen we zeker ook “When It Rains” niet vergeten te vermelden. Met dat verhaal over een trucker, een dienster in een baancafé, regen en “liefde op afstand” scoren Schlegel en gast Josh Williams een dikke tien op onze gevoelsmeter. Mede dankzij Mike Witchers bijdrage op zijn resonator weet Schlegel daarin eenzaamheid op bijzonder treffende wijze te verklanken. Meteen een tweede absoluut hoogtepunt hier. Eén van de vele eigenlijk op deze plaat, die volop aanbeveling verdient.

Becky Schlegel

 

The Steel Wheels “Red Wing” (The Steel Wheels / Shut Eye)

(4****)

Met The Steel Wheels dienen zich andermaal een stel nieuwe sterren in wording aan het Amerikaanse rootsfirmament aan. Dat viertal onder aanvoering van de met een ogenblikkelijk uit duizenden herkenbare stem gezegende Trent Wagler slaat op “Red Wing” op eigentijds-virtuoze wijze een brug tussen old-time folk, bluegrass en Americana en belandt zodoende bijna terloops in het kielzog van acts als Gillian Welch, de Avett Brothers en Old Crow Medicine Show. Wagler (zang, gitaar, banjo en percussie), Jay Lapp (mandoline, akoestische, elektrische en baritongitaren en harmony vocals), Eric Brubaker (fiddle en harmony vocals) en Brian Dickel (bas en harmony vocals) krijgen daarbij ondermeer wat hulp van Robin (gitaar en zang) en Linda Williams (banjo en zang). Dat is met name in de door Wagler van lyrics voorziene traditional “Red Wings” het geval. Elders, zoals in “Hymn For The Unsung”, “Dance Me Around The Room” en “Second Of May”, doen ook andere gasten als Lisa Wright en LaRita Craft op respectievelijk cello en accordeon een duit in het zakje. Het resultaat is een erg geïnspireerd aandoend, uitermate “sexy” overkomend geheel, dat voornamelijk door de apart gruizige zang van Wagler en de bevlogen neo-primitieve benadering van hoger genoemde traditionele genres tot ver boven de middelmaat weet uit te stijgen. De ruime meerderheid van de songs op “Red Wing” kan ook zó op de radio. En dat zou in dit geval wel eens kunnen gaan leiden tot een snelle doorbraak op grote schaal. Ons zou zulks alvast absoluut niet verwonderen, want dit is écht wel een heel goede plaat.

The Steel Wheels

CD Baby

 

THE WILDCARDS “When The Moon Shines Bright” (The Wildcards)

(4****)

Derde plaat ook alweer van deze Britse blues & rootsgeweldenaars en wat voor één! Ook “When The Moon Shines Bright” knalt weer van begin tot einde! Van het over een hypnotische groove neergelegde, de effecten van een volle maan bezingende titelnummer over het sexy swingende “Women Are The Root Of All Evil” of de hyperkinetische, door compleet losgeslagen gitaren aangejaagde rock &roll van “She Can Rock” tot de ogenschijnlijk door gure achterbuurten bij nacht geïnspireerde Duke Ellington-cover “Chocolate Shake”, van het lekker exotisch gemeen uit de hoek komende, door gitaarbeest Martin Vowles aangedragen “Out Of Control” over de superaanstekelijke R&B-stamper “Got Sumpin’ For You” of de bevreemdende instrumentale “Dead Cat Bounce” tot eigenzinnige adaptaties van Ruth Browns “Sweet Baby Of Mine” – met een opvallende vocale hoofdrol voor youngster Becca Langsford! – en Roy Browns West Coast jump blues classic “Gal From Kokomo” en de “blues meets surf” van “Welcome To The Snakepit”, dit is goed voor één langgerekt, welgemeend “Yes!”. Zó en niet anders houd je blues dus lekker spannend, he. Blind aanschaffen, die handel!

The Wildcards

 

PAT WICTOR “Living Ever-Lovin’ LIVE” (RiskyDisc Records)

(4****)

Voor mij persoonlijk één van dé ontdekkingen van 2010 so far, deze vanuit Brooklyn afkomstige singer-songwriter. De vijftien songs op dit in het najaar van vorig jaar op een zestal Amerikaanse locaties ingeblikte geheel vormen als het ware dé ideale introductie tot het werk van Pat Wictor. Solo en in het gezelschap van speciale gasten als Abby Gardner, Toby Walker, Stephany Corby, David Glaser en Carl Cacho presenteert die Wictor zich daarop als een zingende songsmid, te situeren ergens in de buurt van knapen als een Kelly Joe Phelps, een Chris Smither en een Danny Schmidt, als een echte kanjer op de lap slide en als een bijzonder boeiende entertainer. Het soort van gast met andere woorden, dat je graag eens voor een avondje puur genieten uitnodigt. Wictor bleek tot onze grote verbazing met dit album al aan zijn zesde CD toe. (Eén worp samen met Jim Ypsilantis gemakshalve wel even meegerekend!) Vreemd, dat wij niet eerder op hem gestuit zijn, want dit is echt wel knap spul. Zalig is vooral, hoe hij hier omspringt met het gegeven liefde. Nooit bij stilgestaan, dat je daar zoveel verschillende invalshoeken voor liedjes uit zou kunnen puren! Maar Wictor doet dat dus wel en dat levert bij momenten echt wel ijzingwekkend mooie resultaten op. We noemen in dat verband bijvoorbeeld het sfeervolle, samen met Abbie Gardner gepende en ook gebrachte “A Little Love Is Gonna Do”, het met de tong diep in de wang geplant met Stephanie Corby gedeelde “How Come We Don’t Fight” en het tot aan z’n rand met twijfel gevulde “I Don’t Know What She Knows”, wederom met Abbie Gardner zang- en dobrogewijs present. Stuk voor stuk bijzonder fraaie liedjes, strandend ergens tussen country folk, folk blues en Americana. Zeven van de twaalf hier gebrachte liedjes zijn overigens eigen songs. Aan een achtste werkte Wictor zoals hoger al even aangekaart samen met Abbie Gardner, “Bordertown” leende hij van gast Carl Cacho en “Love In Vain” van blueslegende Robert Johnson en tenslotte covert hij ook nog de traditionals “Rollin’ And Tumblin’” en “What Are They Doing In Heaven Today?”, een fraai staaltje van wat hij zelf als “subversieve gospel” omschrijft. Dringend te ontdekken, mocht je hem net als ons nog niet gekend hebben, deze knaap! (Overigens geldt ook zijn vorige cd, het in 2008 verschenen “Sunset Waltz”, als een regelrechte aanrader.)

Pat Wictor

CD Baby

 

SCOTT COOK “This One’s On The House” (Scott Cook)

(3,5****)

Als een volleerde cafébaas lokte de Canadese bard Scott Cook ons zijn universum binnen met de op goedkeurend gegrom onthaalde invitatie “This One’s On The House”. En dat we op die uitnodiging zijn ingegaan, hebben we ons werkelijk nog geen moment beklaagd. Cook klinkt immers zo’n beetje als een kruising tussen Greg Brown, Jon Dee Graham en Tom Waits. Een aangenaam gruizige scheur van een stem gidst je doorheen een tiental goudeerlijke Americana, folk & roots songs, waarin Cook op het eerste gezicht eenvoudige thema’s tackelt. Maar zoals wel vaker bedriegt schijn ook hier. Regelmatig krijgt de beste man je met zijn vertelseltjes immers flink aan het nadenken. Of wat dacht je van het door Cook zelf als “a song about the first noble truth” omschreven en over een zomers jazzy aandoende groove neergelegde “If It Won’t Break Your Heart (It Ain’t Love)”. Een waarheid als een koe, als je het ons vraagt. En één van de vele hoogtepunten hier meteen ook. Als daar zijn bijvoorbeeld ook nog de melancholieke bar Americana song “Carving Stone”, het als een speelse liefdesbetuiging aan zijn eigen “van” opgevatte “This One’s On The House”, het hartverscheurend mooie rootsy walsje “The Dirt On Your Heart”, bijzonder eigenzinnige versies van de traditional “Shady Grove” en van Tom Waits’ “Day After Tomorrow” en last but not least het intimistische “The Ramblin’ Kind”, een liedje over verlaten en verlaten worden. Enfin, gewoon een erg knappe plaat, deze nieuwe van Scott Cook!

Scott Cook

CD Baby

 

WIL FORBIS & THE GENTLEMEN SCOUNDRELS “Shadey’s Jukebox” (Rankoutsider / Sonic Rendezvous)

(3***)

“We reserve the right to kick your ass!”, waarschuwen Wil Forbis en de zijnen ons op het hun debuutplaat begeleidende booklet en precies dát doen hij en zijn Gentlemen Scoundrels dan ook. Vertrekkend vanuit country en Americana schuimen ze en passant ook flink wat andere rootsmuziekgenres af. En dat resulteert bijna als vanzelfsprekend in een heerlijk gevarieerd potje luistervoer. “Hope Kills” twijfelt zo bijvoorbeeld openlijk tussen een leven als de Stones of als de Jayhawks, “Where There’s A Wil There’s A Way” doet het bijzonder swingend met Dixieland-blazers, “Back To Normal” laat zich een jammerende pedal steel welgevallen en deed ons in de verte denken aan iets van Green On Red, “Fing Fang Foom” is een aanstekelijke speed country instrumental en “Laurelay (Take The Long Road)” heeft duidelijk iets van doen met folk en bluegrass. Bij het zoeken naar een adequate beschrijving hiervoor kwamen we dan ook niet verder dan de naam van het frituurtje hier juist om de hoek: “Gewoon lekker!” En meer moet dat voor ons eigenlijk ook niet zijn.

Wil Forbis & The Gentlemen Scoundrels op MySpace

Rankoutsider Records

Sonic Rendezvous

 

JACK MARKS “Two Of Everything” (Jack Marks)

(4****)

Mocht deze plaat zo’n vijfendertig jaar geleden verschenen zijn, dan had men deze man wellicht prompt tot de zoveelste nieuwe Bob Dylan gebombardeerd. Een vergelijking, die tot op zekere hoogte ook wel gevoed wordt door een enigszins vergelijkbare gruizig-nasale stem en een soms meer naar spreken dan zingen neigende voordracht. Maar daar houden de gelijkenissen dan ook op. Jack Marks is immers vooral zichzelf. En dat is in de eerste plaats een geweldige songsmid annex verhalenverteller. Vooral wat dat laatste betreft werpt hij zich op als een immens groot talent. Iets wat overigens niet alleen ons is opgevallen. Collega Justin Rutledge liet zich in verband met zijn landgenoot al eens vol bewondering ontvallen: “Jack Marks writes not only songs, but statues.” En daarmee doelde hij eigenlijk niet enkel op de hoogstaande kwaliteit van ’s mans songs, maar vooral ook op het volstrekt tijdloze karakter daarvan. De twaalf liedjes op Marks’ debuut zijn er van het type, waar je binnen enkele decennia wellicht nog met evenveel plezier zal naar luisteren als nu. In een productie van David Baxter en met de nodige hand-en-spandiensten van hier al wat bekendere collega’s als een Burke Carroll, een Bazil Donovan en een Treasa Levasseur zoekt én vindt de vanuit Toronto opererende nieuwkomer op zijn visitekaartje een eigen niche ergens tussen country(blues) en Americana. Met een dozijn welhaast poëtische miniatuurtjes, rijk aan beelden, humor en kommer, zorgt hij ervoor, dat je van de eerste tot de laatste seconde van “Two Of Everything” aan zijn lippen blijft hangen. Enkele luistertips: het met de allure van een John Prine op jaren in het dichtstbijzijnde vat melancholische Americana gedrenkte titelnummer, het zich sfeervol in zelfbeklag wentelende “Good As I Been To You” en het zwierig en met gulle hand met swing besprenkelde “Railroad Yard”. Stuk voor stuk waarlijk grootse songs!

Jack Marks op MySpace

CD Baby

 

KRISTA DETOR “Chocolate Paper Suites” (CoraZong)

(5*****)

Onder het motto “Oude liefde roest niet!” drukken we de vanuit het Amerikaanse Bloomington de muziekwereld beetje bij beetje helemaal inpalmende Krista Detor naar aanleiding van haar nieuwe cd “Chocolate Paper Suites” andermaal stevig aan de borst. Die Detor is - We schreven het hier al eerder! - een echt fenomeen. Haar stem vertoont gelijkenissen met die van een sirene. Eraan weerstaan is absoluut geen optie! En haar songs dulden al evenmin weerstand. Te situeren ergens tussen pop, folk en Americana balsemen ze voortdurend de ziel. Ditmaal keurig opgedeeld in suites van drie, met elkaar verbonden voornamelijk qua thematiek. Die suites luisteren naar de titels “Oranges Fall Like Rain”, “Night Light”, “Madness Of Love”, “By Any Other Name” en “Darwin Songhouse”. De laatste is een als bonus aan het album toegevoegd songtrio, opgenomen tijdens de Darwin Song House Workshop, een sessie met zeven andere, voornamelijk Britse singer-songwriters in het Engelse Shrewsbury, waar Detor een week lang mee schreef aan liedjes ter ere van de 200ste verjaardag van Darwins geboortedag. Andere inspiratiebronnen: Federico Garcia Lopez, Dylan Thomas en uiteraard ook het leven zelve. Het resultaat? Een luisterervaring zonder weerga! Intelligentie wordt hier gekoppeld aan emotionele diepgang, grote songs aan fabelachtige zangpartijen en virtuoze instrumentbehandeling. Voor dat laatste zorgen naast Detor zelf ondermeer ook nog snarenfenomeen Colin Linden, John Prine-gitarist Jason Wilber, strijkster Sarah Caswell en banjoman Sam Bartlett. Andere opgemerkte gasten zijn nog Chris Wood, Karine Polwart en Mark Erelli. Stuk voor stuk leveren ze bescheiden, maar essentiële bijdragen aan wat ons inziens één van de eerste écht grote releases van 2010 is. Doe er vooral weer je voordeel mee!

Krista Detor

CoraZong Records

 

MICHAEL MARTIN MURPHY “Lone Cowboy - Live & Solo” (Western Jubilee / Sonic Rendezvous)

(3***)

Net als het hier enkele dagen geleden besproken “Unwired” van Wylie & The Wild West werd ook “Lone Cowboy”, de nieuwe cd van Michael Martin Murphey, opgenomen in het Western Jubilee Warehouse in Colorado Springs. In oktober 2008 blikte men daar een elftal songs tellend akoestisch solo-optreden van de beste man in. Murphey, door velen gezien als een echt C&W-instituut, deed het die bewuste avond voornamelijk met eigen materiaal. Enkel het verweven met zijn eigen “Partner To The Wind” gebrachte “Cool Water” van de Sons Of The Pioneers, het als medley verpakte klassieke tweetal “Little Joe The Wrangler” en “Oh Bury Me Not On The Lone Prairie” en het van een nieuw arrangement voorziene “When The Work’s All Done This Fall” vormen wat dat betreft uitzonderingen. Maar ook die “vreemde eenden in de bijt” worden perfect in het geheel geïntegreerd. Murphey zorgt voor een uitgesproken “kampvuurgevoel”. Hij tokkelt er losjes uit de pols wat op los op de eigen akoestische en zingt op ingetogen wijze de aanwezigen toe. Die fluisteraanpak heeft aanvankelijk wel iets, maar gaat na verloop van tijd ook een beetje vervelen. Wie er zelf bij was, zal hier wellicht met volle teugen van hebben genoten, maar thuis, niet deelachtig aan het “momentum”, ontgaat je als luisteraar een beetje “de magie”. Laat het ons hier dus maar houden op “goed zonder meer”. Verstild, al bij al nogal braafjes aandoend verhalend luistervoer voor eerder traditioneel of nostalgisch ingestelde liefhebbers van country (C&W).

Michael Martin Murphey

Western Jubilee Recording Company

Sonic Rendezvous

 

WHISPERING PINES “Family Tree” (Family Tree)

(5*****)

Niets dan lovende woorden voor dit debuut van het vanuit Silver Lake, Californië actieve vijftal Whispering Pines. Wat Dave Baine, Joe Bourdet, David Burden, Brian Filosa en Joe Zabielski brengen valt wat ons betreft ontegensprekelijk onder de noemer “ronduit subliem”. De negen songs op “Family Tree” harken weliswaar ongegeneerd terug naar de hoogdagen van acts als Lynyrd Skynyrd, de Allman Brothers, CCR, The Band en Tony Joe White, maar dat hoeft ons inziens hoegenaamd geen probleem te vormen, als je er, zoals dat hier gebeurt, maar een eigen draai aan weet te geven. Buitengewoon knap vinden wij het, hoe dit kwintet vaak als retro en oubollig bestempelde genres als countryrock en de wat stevigere zuidelijke variant daarop van een sexy eigentijdse twist bedient. Knappe zangpartijen, ijzersterke groovy melodieën, het nodige gitaargeweld, functioneel toetsenwerk, wat slide, mandoline en occasioneel ook een harmonica, meer moet dat voor ons absoluut niet zijn! Wij voelden ons prompt een jaar of vijfendertig jonger bij het horen van ware beauties van songs als “Grapevine Blues”, “Brand New Beat” en “Stars Above”. En dan hadden we het nog niet eens over de schitterende, wijd uitwaaierende semiballade “Miss Lucy’s Red Light” en over de fraaie J.J. Cale-cover “Crazy Mama”. Heerlijke muziek gewoon, die ook hier flink zou moeten kunnen scoren.

Whispering Pines

CD Baby

 

WYLIE & THE WILD WEST “Unwired” (Western Jubilee / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Wie zijn dagelijkse portie C&W nog graag lekker puur geserveerd mag krijgen, is sinds jaar en dag aan het juiste adres bij Wylie Gustafson en zijn Wild West. Veel té grote hoeden, trouwe viervoeters, gezellige kampvuren… De beste man en zijn maats gaan op hun platen hoegenaamd geen enkel cliché uit de weg. En dat is een gegeven, waarmee ze wellicht evenveel muziekliefhebbers aan zich weten te binden als dat ze er ook effectief mee afstoten. Niet iedereen is immers gediend met zoveel ongebreidelde nostalgie. Maar goed, dat even terzijde valt op het muzikale vakmanschap van Gustafson en co maar bitter weinig aan te merken. Het is immers maar weinigen gegeven een oerconservatief genre als Country & Western op danig overtuigende wijze naar het hier en nu te vertalen als dat hier gebeurt. Op het in juli 2009 in het Western Jubilee Warehouse in Colorado Springs ingeblikte “Unwired” presenteren Gustafson (akoestische gitaar, bas en lead vocals), Ray Doyle (elektrische, bariton- en mandolinegitaren en harmony vocals), Rick Bryceson (drums en harmony vocals) en Scot Wilburn (elektrische en steelgitaar en fiddle) zich niet enkel als waardige erfgenamen van acts als Roy Rogers en de Sons Of The Pioneers, maar ook als uitstekende performers. Ze weten hun publiek te boeien met een bijzonder evenwichtige set, waarin naast eigen materiaal ondermeer ook covers van “Good-Bye Old Paint”, “Cowpoke”, “America The Beautiful”, “Cattle Call”, “Everyday” en “Girl On The Billboard” verwerkt zitten. Niet enkel C&W dus hier, maar ook een bescheiden prise gecountryfieerde rock & roll. Lees: niet enkel gemijmer, maar ook wat ritmische intermezzo’s. En dat werkt! (Voor deze jongen hier alvast toch…)

Wylie & The Wild West

Western Jubilee

Sonic Rendezvous

 

KASEY ANDERSON “Nowhere Nights” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Vanaf de eerste noten van “Bellingham Blues”, het op ingetogen wijze je trommelvliezen masserende openingsnummer van zijn nieuwe cd, besef je als luisteraar vrijwel meteen, dat singer-songwriter Kasey Anderson met “Nowhere Nights” wel eens voor de jackpot zou kunnen gaan. ’s Mans vierde album is immers zondermeer zijn beste tot op heden. De nadruk ligt daarbij regelmatig op een aardig intimistische aanpak. Rocken doet de man óók nog wel, maar dan enkel in “All Lit Up”, “Sooner/Later”, “Torn Apart”, “Nowhere Nights” en “Real Gone”. De overige nummers zijn zonder uitzondering aan het werk van Steve Earle ergens bij het begin van de jaren negentig herinnerende tragen, waarin de rauw-hees-tedere stem van Anderson zelf als vanouds de show mag stelen. In een productie van Eric “Roscoe” Ambel geeft de Amerikaan zich daarin naar eigen zeggen - daartoe gedreven door zijn vertrek uit zijn jarenlange thuishaven Bellingham - over aan “the things that people carry and the things they leave behind”. Waarvan akte! Onze luistertips: de hier al genoemde en ronduit zalige Americanaballade “Bellingham Blues”, “Home”, nog zo’n hoegenaamd briljante sleper, en “Real Gone”, de met de handrem op rockende afsluiter van het album. Dat laatste vormt het fraaie orgelpunt van een al even fraai geheel.

Kasey Anderson

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

EMITH “13 Seasons” (Fogbound Child)

(3,5****)

Voor we hun debuutalbum “13 Seasons” onder handen kregen, hadden wij eigenlijk nog nooit gehoord van het als Emith door het leven stappende duo bestaande uit zingende liedjesschrijfster Carol Ann Ives en haar metgezel Stevie Gurr. Dat tweetal presenteert op z’n visitekaartje een bijzonder aangenaam wegluisterende synthese van rootsy pop, folk, country en blues. Bij momenten extreem catchy van aard, elders eerder aan de introspectieve kant. Tot de eerste categorie mogen we zeker de springerige folk-pop van “High Sierra”, het redelijk nadrukkelijk met Americana flirtende en met wat zomers gitaarwerk afgewerkte “Empty Your Pockets”, het ontegensprekelijk onder de noemer country vallende “San Bernardino”, het ouderwets swingende “I Got My Baby” en het ingetogen (roots)rockende “Stuck In Stark Belief” rekenen. Tot de tweede zo ongeveer al het resterende songgoed hier. Daarvan bleven ons vooral het richting het folkgebeuren van de late sixties knipogende “Let’s Live For Today”, het op eerder lijzige wijze van de mooiste tijd van het jaar afscheid nemende “As The Summer Turns To Fall”, het jazzy ingekleurde “Over Before It Started” en de op erg mooie samenzang van beide protagonisten drijvende Beatles-cover “I’ll Follow The Sun” bij. Aanbevelen durven we dit op basis daarvan aan al wie houdt van The Kennedys en Aimee Mann en al wat oudere acts als Fleetwood Mac, The Mamas & The Papas en Simon & Garfunkel.

Emith

CD Baby

 

SLEEPY DRIVER “Steady Now” (Black Bell Productions)

(4,5*****)

“Steady Now” van het Canadese Sleepy Driver is nog eens wat je noemt een fantastisch debuut. Dat vijftal onder aanvoering van de ronduit geweldige zanger-songsmid Peter Hicks  combineert op zijn eersteling het beste van acts als Whiskeytown, The Jayhawks, Green On Red, Ryan Adams, Blue Rodeo en andere in dertien erg toegankelijke songs, die beurtelings onder de vlaggen alt. country en roots rock blijken thuis te horen. Gelijk van bij het gitaarzwangere openingsnummer “Like A Weapon” is het goed raak. Da’s het soort van nummer, dat je meteen al reikhalzend doet uitkijken naar alles wat nog komen moet. ’n Beetje Jayhawks, ’n beetje Neil Young ook wel, maar vooral een dijk van een song. Alt. country waar je wel moet van houden. Iets bezadigder gaat het er vervolgens aan toe in “Drowning In My Dreams”. Daarvoor mag de omschrijving twangy roots pop uit de kast. Gebracht op gruizig-bezadigde wijze à la een Dan Stuart. En met die twee songs is de toon zo’n beetje gezet. Grote gitaren stelen de show in het beklijvende “When The Lights Come On”, Mark Olson en Gary Louris en co blikken weer even om de hoek in het melancholische “Watch You Sleep”, “Lazy Eye” hikt nerveus rockend richting een flinke climax, “North Dakota” staat voor een moment van inkeer en “Architects” combineert op ingenieuze wijze de voornaamste elementen van roots rock en power pop met elkaar. Enfin, we zouden hier gewoon alle dertien nummers van “Steady Now” even de revue kunnen laten passeren, maar dat is niet echt nodig, want het voegt eigenlijk al lang niets meer aan de essentie van dit stukje toe. En dat is de loutere vaststelling, dat we hier echt wel met een fameuze plaat te maken hebben. Een album vol straffe melodieën en catchy hooks, dat bij ons op de plank een plaatsje ergens dicht in de buurt bij het beste van Whiskeytown en The Jayhawks zal krijgen. En dat alleen al zou als referentie eigenlijk ruimschoots moeten volstaan!

Sleepy Driver op MySpace

 

BRANDON RHYDER “Head Above Water” (Brandon Rhyder)

(3,5****)

Brandon Rhyder heeft zich de voorbije jaren beetje bij beetje tot een vaste waarde binnen het muziekgebeuren in de Lone Star State opgewerkt. Met “Head Above Water” is hij inmiddels ook alweer aan zijn zesde cd toe. En die bevestigt eigenlijk alleen maar enkele dingen, die we al wel langer wisten. Eén: dat Rhyder een prima songsmid en dito zanger is. En twee: dat hij anders is dan het gros van zijn Texaanse collega’s. Als je op een onbewaakt moment onverwacht iets van Rhyder hoort, dan weet je vrijwel meteen, dat je met iets van hem te maken hebt. En dat is iets, wat dezer dagen in Texas allesbehalve vanzelfsprekend is. Nogal wat van de muziek die vandaag de dag ginder gemaakt wordt, weet zich nog amper te onderscheiden. En Rhyder heeft bij ons dan ook een aardig streepje voor op heel wat van zijn concurrenten. Mocht u zich ondanks ons betoog hierboven nog afvragen waarom, dan nodigen wij u bij dezen uit, om “Head Above Water” eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dat album trapt Rhyder af met het tegen een muur van rinkelende gitaren geschilderde rockertje “Rock Angel”, een nummer dat tekstgewijs vooral heel wat vrouwelijke luisteraars moeiteloos zal weten in te pakken. Vervolgens is er het aan een enigszins apart funky motiefje opgehangen “You Can Count On Me”, country rock met in koeien van letters voor het hoofd geschreven het woordje “Singlekandidaat!”. Song nummer drie, het na een langzame start helemaal open bloeiende “You Burn Me”, lijkt dan weer eerder voorbestemd om tot een concertfavorietje uit te groeien. Via het over een zich opdringend vertrek twijfelende “Like It Was The Last Time”, een soort van power ballad Lone Star State style, gaat het vervolgens langs een andere knappe trage, het een relatiebreuk bezingende “Last Swan Song” en het als een ode aan de eigen “All American”-kindertijd ergens in het Noordoosten van de eigen thuisstaat opgevatte “It’s The Country That Saves Me” gestaag richting hét absolute hoogtepunt van “Head Above Water”. En dat is wat ons betreft zondermeer het titelnummer ervan. In die ook thematisch als het hart van deze nieuwe van Rhyder te bestempelen schoonheid van een song mag zijn singer-songwriterkant even vol aan de bak. Geen wonder, dat producer Walt Wilkins dat liedje absoluut op de plaat wou. Van dat kaliber mag Rhyder er van ons op elke nieuwe plaat van ‘m meteen een handvol kwijt! Wat dan nog rest zijn het op bijzonder bezielde wijze de pijnlijke nasleep van een onvermijdelijke relatiebreuk bezingende “Ultimate Deceiver”, het met klaterende snaren bezaaide en tot luidkeels meezingen uitnodigende “I’ll Take You”, het na een moeilijk moment in hun huwelijk voor zijn vrouw geschreven en tot diep onder de huid gaande “You Like Me Again”, het zijn échte vrienden voor het opladen van zijn wel eens aardig leeg rakende “Battery” prijzende gelijknamige nummer, het vooral aanvankelijk in een wat apart atmosfeertje badende, aan het vlinders-in-de-buikgevoel horend bij een nieuwe liefde toegedichte rockertje “Breathe” en een ouderwets swingend verborgen bonusje in ragtime-stijl. Overigens niet de enige bonus hier, dat laatste nummer, want op een tweede schijfje presenteert Rhyder ons DVD-gewijs ook nog “The Making Of Heat Above Water”.

Brandon Rhyder

Lone Star Music

 

JON STRIDER “Fresh Tracks” (Jon Strider)

(3***)

“Fresh Tracks”, de nieuwe cd van Californiër Jon Strider, bevat een tiental radiovriendelijke (roots)popdeuntjes, waarvoor de beste man zelf graag de term “rhythm ’n folk” in de mond mag nemen. Songs, waarin hij zijn verhalen over liefde, daarmee haast onlosmakelijk verbonden hartzeer, hoop, vreugde en andere kwijt kan tegen een bij momenten zwaar naar het midden van de seventies lonkende muzikale achtergrond. Mooi, maar wat aan de brave kant allemaal. Het soort van plaat, dat je op een zwoele zomeravond wel eens als soundtrack gebruikt bij het buiten met gasten genieten van een goed gevulde tafel en aangename temperaturen. Prettig muzikaal behang, een beetje onopvallend voorbij schuifelend. Maar goed, ook daarvoor zal er ergens wel een publiek bestaan zeker? Wij van onze kant nemen vooralsnog genoegen met enkele songs van de songs van deze plaat op de iPod. “Good Ol’ Boy Gone Bad” bijvoorbeeld, dat dankzij wat bluesy gitaarwerk in positieve zin opvalt hier. Of openingsnummer “Apple Pie Song” vooral ook, een echte oorwurm van een popliedje, ontegensprekelijk klaar voor een bestaan als zomerhit. En misschien “Lazy Sunday Mornin’” ook nog wel, dat op mooie, enigszins jazzy wijze het op dat moment van de week wel vaker voorkomende lome gevoel weten te verklanken.

Jon Strider

 

YARDSALE “Knock Alley West” (Yardsale)

(3,5****)

Onder het motto “It’s only rock & roll but we like it” zouden we hier graag een stevige lans willen breken voor “Knock Alley West”, de nieuwe van het vanuit Louisville, Kentucky aan de weg timmerende vijfmanschap Yardsale. Op dat schijfje doen Kirk Kiefer, Jacob Lee, Chris Scott, Colin Garcia, Andrew Rhinehart en een stel gasten er hoegenaamd alles aan om country, rock en een combinatie van die twee in één en hetzelfde keurslijf te wringen. Het resultaat van die inspanningen is een retestrak geheel, dat meer dan eens herinneringen oproept aan de Stones ten tijde van “Exile On Main Street”. “Until I Can’t Remember” is zo bijvoorbeeld no nonsense rock van het soort, waarin ook de Black Crowes ooit wisten uit te blinken. Lekker vettig en ongemeen soulvol gebrald. “Porkcity Popcorn” biedt meer van dattum, maar dan wel gekruid met een flinke snuif twang, “Lost My Mind” belandt mede dankzij een lekkere harmonica-inleiding en een sfeervolle orgelachtergrond in Jayhawks-wateren,”Reflections” maakt intimistisch mijmerend zijn titel helemaal waar, “Happy In My Misery” is een lap HST-alt.-country, “The Bullet That You Dodge (Maybe Your Own)” blazersgewijs met R&B aangelengde roots rock, “Mississippi’s Flooding” overduidelijk door Katrina geïnspireerde apocalyptische Americana genre een Neil Young, “Fencepost” een dartel streepje traditioneel geschoolde country met een scherp randje, “Secondhand Girlfriend” spetterende rock & roll op z’n zuiders, “Slow Motion” een dot van een rootsy sleper, “Dream Of Amarillo” een ongegeneerd en bovenal ook op extreem aanstekelijke wijze met het erfgoed van wijlen Buck Owens dollende meezinger en “May The Lord Grant Me Peace” een sfeervolle tekstuele flirt met gospel. Je merkt het, lekker gevarieerd en daardoor knap verrassend, dit album. En als je daar nog aan toevoegt, dat de heren elkaar te allen tijde blindelings aanvoelen en -vullen, dan weet je, dat je hier zonder ook maar de geringste twijfel goed zit voor ruim zesendertig minuten rootsgenot van de bovenste plank.

Yardsale

CD Baby

 

NOËLLE HAMPTON “Thin Line” (T-Rex / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De naam van Mark Hallman als producer op een plaat aantreffen volstaat voor ons ruimschoots om er onze aandacht er alvast voor even op te vestigen. Vooral door zijn werk met Eliza Gilkyson en Ani DiFranco geniet de beste man hier al een poosje enorm veel krediet. En volkomen terecht ook, zo blijkt ook nu maar weer eens naar aanleiding van “Thin Line”, de comebackplaat van Noëlle Hampton. Die stemgewijs een weinig aan Sheryl Crow herinnerende en ondertussen naar Austin verkaste Amerikaanse slaagt er onder het wakende oog van Hallman in om zo uiteenlopende invloeden als roots rock, indie en country op sfeervolle wijze tot één enkel geheel te versmelten. Het speelse “Blackwing Butterfly” doet zo iets heel moois met folk, country en cajun, het aan emoties rijke “Helpless Again” is fraaie Americana, “Safe From Love” erg radiogenieke pop, het door André Moran van wat subtiel twangend gitaarwerk voorziene “Waiting Game” al even nadrukkelijk naar media-aandacht hengelende rootspop, “Firecracker” heerlijk breed uitwaaierende dramatiek pur en “Danny” een heuse mini-Southern rock opera. Het album wordt afgesloten met de enige cover erop, een werkelijk oorstrelend mooie benadering van U2’s “Love Is Blindness”. Daarin toont Hampton als ze dat wil over evenveel soul te kunnen beschikken als pakweg een Shelby Lynne of een Allison Moorer.

Noëlle Hampton

Sonic Rendezvous

 

STEVE HOWELL “Since I Saw You Last” (Out Of The Past Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Zoals zoveel anderen voor hem werd Steve Howell al op heel jonge leeftijd zwaar beïnvloed door het gitaarspel van Mississippi John Hurt. De kennismaking met diens muziek zou de Texaan al op zijn dertiende met wat later de juiste toekomstplannen bleken opzadelen. En dat resulteerde in 2006, ruim veertig jaar later, in zijn plaatdebuut “Out Of The Past”. Dat album en de opvolger ervan uit 2008, “My Mind Gets To Ramblin’”, werden zowat overal ter wereld unaniem lovend onthaald. Howells relaxte manier van zingen en zijn tot in de puntjes verzorgde kunstjes op de akoestische vonden gretig aftrek in kringen van connoisseurs. En volkomen terecht ook! Iets wat ook zijn onlangs verschenen derde cd “Since I Saw You Last” weer bewijst trouwens. Twaalf nummers lang grossiert Howell daarop in heerlijk laid back gebrachte country blues en andere akoestische rootsmuziek. Het maakt van die derde van ‘m een plaat, waarop men zich voortdurend op het kruispunt tussen de muzikale hoogstandjes van knapen als een Guy Clark, een J.J. Cale, een Eric Clapton en de al genoemde Mississippi John Hurt waant. Eén heerlijk gevarieerd geheel is dat, waarop louter stilistisch gezien aardig veel kan en mag. Veel country blues hier uiteraard, maar terloops ook het nodige gestoei met andere stijlen als Americana, folk, jazz en rockabilly. “Downtown Blues” van Frank Stokes doet het zo bijvoorbeeld op een lijzige, wat aan J.J. Cale verwante blues groove, “Acadian Lullaby”, geleend van zijn buddy Jim Mize, is ingetogen Bayou Americana, het vooral in de uitvoeringen van Warren Smith en veel later Robert Gordon bekende “Red Cadillac & Black Moustache” is een menage à trois met in de hoofdrollen rockabilly, bluegrass en blues, “Farmer John” blijkt rootsy ingevulde rock & roll, “Charlie James” een heerlijk staaltje intimistisch fingerpickwerk, “I Won’t Cry” harkt voorzichtig terug naar de hoogdagen van het close harmony-zingen ergens medio de jaren vijftig, “Wild About My Lovin’” is gelijke delen akoestische blues en Americana en het aan het repertoire van Buddy Johnson ontleende “Since I Fell For You” een erg fraai jazzy slepertje. Opvallend daarbij: allemaal worden ze met één en dezelfde vanzelfsprekendheid gebracht. En precies dat gegeven is het ons inziens, dat “Since I Saw You Last” laat uitgroeien tot het soort van plaat, dat je enkel als artiest met de nodige jaren ervaring “on the road” achter de kiezen lijkt te kunnen maken. Warm aanbevolen!

Steve Howell

Sonic Rendezvous

 

JOHHNY CASH “American VI: Ain’t No Grave” (Mercury / Universal)

(4****)

Als we producer Rick Rubin geloven mogen, is “American VI: Ain’t No Grave” nu echt wel definitief de allerlaatste worp in de door Johnny Cash bij leven en welzijn met zoveel succes ingezette reeks “American Recordings”. En of we dat nu moeten betreuren, dan wel toejuichen, wij weten het eigenlijk niet goed meer. Feit is, dat onze belangstelling ervoor stilaan wel een beetje aan het wegebben was. Dat we met andere woorden niet langer met hangende pootjes zaten uit te kijken naar nog meer “postuum nieuws” van de Man In Black. Een geval van overkill heet zoiets. En dat is nooit echt goed. Zelfs niet als het gaat om een an sich best wel leuke plaat als deze. Net als op de voorgangers ervan staan ook op “Ain’t No Grave” weer voornamelijk akoestische covers van liedjes van anderen. Bij Sheryl Crow vond Cash zo bijvoorbeeld “Redemption Day”, van Kris Kristofferson leende hij “For The Good Times”, via Bob Dylan kwam hij bij “A Satisfied Mind” terecht, Tom Paxton was dan weer goed voor “Can’t Help Wonder Where I’m Bound”, de Sons Of The Pioneers voor “Cool Water”, Ed McCurdy voor het anti-oorlogsliedje “Last Night I Had The Strangest Dream” en Queen Lili’uokalani voor het exotische afscheidsmoment “Aloha Oe”. Zelf droeg Cash “I Corinthians: 15:55” bij, een liedje, dat hij tijdens zijn laatste levensjaren schreef. Meteen één van de allermooiste songs op een album, dat zich ondanks een dat nogal nadrukkelijk ontkennende titel laat beluisteren als een soort van zelf gerealiseerde grafrede. Cash op zijn spiritueelst, zijn best doend om in zijn laatste dagen de laatste resterende stukjes van de puzzel van een behoorlijk rijk gevuld leven op hun plaats te krijgen. Songgewijs hamert hij nog één laatste keer op het belang van mooie vriendschappen, vrede, geloof en andere. Met compleet gebroken stem keert hij het aardse bestaan finaal de rug toe, ons nog één laatste, bijzonder mooi souvenir gunnend.

Johnny Cash

 

LOS CENZONTLES WITH DAVID HIDALGO & TAJ MAHAL “American Horizon” (Los Cenzontles)

(5*****)

Ik heb een stukje van de hemel gezien! Of was het toch gewoon een eindje Amerikaanse einder misschien? Hoe dan ook, “American Horizon”, ons sujet voor vandaag, is een adembenemend mooie plaat. Deze “story of a place that is a place, but also a state of mind where people come from around the world to build their lives… to rise above” is wat je noemt hét ultieme rootsalbum. De makers ervan, het vanuit het noorden van Californië actieve Mexikaans-Amerikaanse rootsensemble Los Cenzontles, gaat er ten tweede male een samenwerking met de van Los Lobos bekende David Hidalgo op aan. Die Hidalgo en bluesgrootheid Taj Mahal zorgen voor een kruisbestuiving van de bij Los Cenzontles gebruikelijke traditionele Mexikaanse muziek en waarden met andere elementen uit het Amerikaanse muzikale erfgoed. “Sueños” en “No Work / No Hay Trabajo” krijgen zo bijvoorbeeld van Mahal een intraveneuze shot funk en blues toegediend, “La Luna” struint rond over een door Hidalgo aangeleverd Marc Ribot-gitaarmotiefje, “Voy Caminando” lijkt zó weggelopen van “La Pistola Y El Corazón” van De Wolven, “Overtime” is fulminant vibrante Latin rock, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Wat Los Cenzontles, Hidalgo, Mahal en anderen als een Kester Smith, een Cougar Estrada, een Pete Sears en een Tom Rozum hier afleveren is Mexicana roots pur. Muziekgeworden goud voor fortuinzoekers zoals u en ik, bepaald niet vies van een verrassing op z’n tijd. En zwaar aanbevolen derhalve aan al wie houdt van het werk van het eerder al genoemde collectiefje Los Lobos of Los Super Seven en Ry Cooder ook wel. En als we het dan toch al over die Cooder hebben: zeker ook niet te versmaden voor al wie indertijd “zijn” Buena Vista Social Club aandurfde, al hebben we hier dan ook over een totaal andere muzikale leefwereld. Weergaloze plaat!

Los Cenzontles

 

LEE HARVEY OSMOND “A Quiet Evil” (Latent Recordings)

(5*****)

Lee Harvey Osmond is de nieuwe liefdesbaby van Tom Wilson, je wellicht beter bekend als het brein achter het in de jaren negentig behoorlijk populaire Junkhouse en als 1/3 van de Canadese superformatie Blackie & The Rodeo Kings. Met Lee Harvey Osmond vond hij de ideale formule om op het even welk moment op om het even welke plaats aan de slag te kunnen. Het gaat hier immers om een soort van los-vastcollectief, dat het hem toelaat om al naargelang de nood zowel volledig in zijn eentje als met een variërende bezetting aan hem begeleidende muzikanten uit te pakken. Tot de kern van de groep mogen we ondermeer ex-Skydiggers-bassist Josh Finlayson, ex-Junkhouse-drummer Ray Farrugia, pedal steel-geweldenaar Aaron Goldstein en harmonicalegende Brent Titcomb rekenen. Voor hun ronduit meesterlijk debuut “A Quiet Evil” wisten zij zich echter geruggensteund door een aantal véél bekendere landgenoten. Met name ex-Skydiggers-kopstuk Andy Maize, Colin Linden en Cowboy Junkies-masterminds Margo en Michael Timmins steken zoveel meer dan alleen maar een handje toe. Vooral de inbreng van laatstgenoemde lijkt echt wel van levensbelang te zijn geweest. Hij zorgde immers niet enkel voor tal van uiterst geslaagde gitaarinterventies, maar tekende ook voor het produceren, opnemen en mixen van “A Quiet Evil”. En bovendien is zijn “Angels In The Wilderness” hier misschien wel dé primus inter pares. Sfeervoller laat Canadiana zich amper bedenken, zo lijkt ons. Schimmige gitaren en angeliek vocaal weerwerk van Margo Timmins stuwen Wilson daarin naar ongekende hoogten. Andere werkelijk sublieme momenten: het gevoelsmatig geen klein beetje aan het materiaal op de eerste soloplaat van Robbie Robertson herinnerende duo “The Love Of One” en “Lucifer’s Blues” – van David Wiffen – en de afsluitende Lou Reed-cover “I Can’t Stand It”. Stuk voor stuk prima voorbeelden van waar “A Quiet Evil” nu eigenlijk voor staat. En dat is een licht psychedelisch getint, bij momenten naar het experimentele overhellend en bovenal ook immer bijzonder atmosferisch meesterwerk, dat op onnavolgbare wijze het huwelijk voltrekt tussen roots en rock. Wilson en co bedienen zich van elementen uit pop, rock, folk, Americana en blues om tot een volstrekt uniek geheel te komen, dat beklijft  van de allereerste tot de allerlaatste tel. Onze luistertips: het hoger al even vermelde “Angels In The Wilderness” en het ook al met Margo Timmins gebrachte “I’m Going To Stay That Way”, een sleper die wat ons betreft zó naast het allerbeste van de Cowboy Junkies mag. Een echte moordplaat!

Lee Harvey Osmond

Latent Recordings

 

ZOE MUTH AND THE LOST HIGH ROLLERS “Idem” (Self-released / Sonic)

(4,5*****)

“You Only Believe Me When I’m Lying”, lazen we geïnteresseerd op het hoesje. En ondertussen gebeurde het al! Een zachtjes huilende pedal steel, wat subtiel mandolinegepingel en daaroverheen een heerlijke nieuwe countryvrouwenstem. Zalig gewoon! En lang duurde het dan ook niet, voor we compleet in de ban waren van het visitekaartje van Zoe Muth & The High Rollers. Recommended if you like Emmylou Harris, Iris DeMent en Lucinda Williams lazen we daarover ergens op het internet. En zo is het maar net. Net als die drie dames beschikt ook de in “of all places” Seattle geboren en getogen Muth over een markante, met tonnen twang en hartzeer beladen stem. En net als die drie lijkt ook zij niet echt nadrukkelijk een onderscheid te willen maken tussen traditionele country en Americana. In wat ze doet werd ze overduidelijk beïnvloed door genregrootheden als een Dolly Parton en een Tammy Wynette. Maar ook John Prine en de al genoemde Williams hebben allicht een grote rol in haar artistieke wording gespeeld. Zij het dan ook meer wat betreft het concipiëren van haar teksten. Haar hele ziel en zaligheid legt ze daarin. Ongelooflijk eigenlijk, dat de amper drieëntwintigjarige Muth al op zo jonge leeftijd tot een voldragen plaat van het kaliber van dit debuut in staat is. Het doet nu al het allerbeste voor haar toekomst verhopen. Maar ondertussen nemen we graag nog een poosje genoegen met deze ronduit fenomenale eersteling. De twaalf liedjes daarop raakten immers ergens diep in ons binnenste een gevoelige snaar. En terwijl die nog wat aan het natrillen is, willen we je dit schijfje van hier uit van ganser harte aanbevelen. Veel mooier hoor je ze immers nog maar zelden.

Zoe Muth & The Lost High Rollers op MySpace

Sonic Rendezvous

 

BASIA BULAT “Heart Of My Own” (Rough Trade / Konkurrent)

(3,5****)

De Canadese Basia Bulat weet op haar nieuwe CD “Heart Of My Own” heel mooi het midden te houden tussen pop, folk en Americana. Met haar omfloerste, her en der een weinig aan genregrootheden als een Tracy Chapman en Natalie Merchant herinnerende stem als haar voornaamste bondgenoot waadt ze doorheen twaalf veelal in melancholie grossierende eigen composities. Soms kiest ze daarin voor een eerder naar het naakte neigende, voorzichtig bij de banjogestuurde aanpak van acts als de Be Good Tanyas, de Wailin’ Jennys of Jolie Holland aanleunende modus operandi, waarin minder juist voor meer moet zorgen. Elders dompelt ze haar liedjes onder in een weldadig aandoend bad van haast barok overkomende strijkers of mogen het nodige koperwerk en instrumenten als gitaren, orgel en accordeon de al te opzichtige voegen van haar bouwwerk komen opvullen. Die werkwijze resulteert in een van de eerste tot de laatste noot bekorend werkstuk, dat het als geheel vooral van zijn volkomen natuurlijke elegantie en sfeerschepping moet hebben.

Basia Bulat

Rough Trade

Konkurrent

 

John Hiatt ”The Open Road” (New West / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wat John Hiatt brengt op “The Open Road”, zijn negentiende studioplaat so far, zou je min of meer kunnen omschrijven als de perfecte tegenpool voor wat hij deed op de voorganger daarvan, het in 2008 verschenen en toen hier nog tot plaat van het jaar gebombardeerde “Same Old Man”. Dat nieuwe album blikte hij samen met zijn uit gitarist Doug Lancio, bassist Patrick O’Hearn en drummer Kenny Blevins bestaande vaste begeleidingsgroep in zijn eigen tot opnamestudio omgebouwde garage in. Het resultaat van die aanpak is een heerlijk rockend elftal aan liedjes, waarvoor Hiatt zich voornamelijk liet inspireren door het leven “on the road”. Omkijken zit er daarbij ditmaal echter helemaal niet in. Anders dan voorheen staat “coming home” absoluut niet centraal. Zodoende vindt Hiatt ons inziens met “The Open Road” tot op zekere hoogte aansluiting bij enkele van zijn leukste platen als “Bring The Family” uit ’87, “Slow Turning” uit ’88 en “Stolen Moments” uit ’95. Dat gebeurt uitermate melodieus rootsrockend in dingen als het titelnummer, “What Kind Of Man” en “Haulin’”, bluesy trekkend en stotend in het bijzonder sfeervolle “Like A Freight Train” en “My Baby”, flirtend met een twangy countrymotiefje in “Homeland”, ingetogen tekenend voor één van zijn beklijvendste slepers sinds “Have A Little Faith In Me” met “Wonder Of Love” of gewoon bekorend met Americana pur zoals in “Fireball Roberts”. Het maakt van “The Open Road” net als van vele van z’n voorgangers een nergens minder uitstekende plaat.

John Hiatt

New West Records

Sonic Rendezvous

 

LAURIE LEWIS “Blossoms” (Spruce And Maple Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

“How Can I Keep From Singing?” vraagt Laurie Lewis zich in het volledig a capella gebrachte openingsnummer van haar nieuwe cd af. En als zij zelf al geen redenen daartoe weet te verzinnen, wie zijn wij dan om er wél mee op de proppen te komen, he? Iets waar we overigens ook compleet geen behoefte toe voelen. Want Lewis is en blijft in onze ogen de ongekroonde koningin van het bluegrassgenre. In tegenstelling tot anderen als bijvoorbeeld een Alison Krauss en een Rhonda Vincent doet zij immers weinig tot helemaal geen toegevingen aan de commercie en blijft ze doorlopend gaan voor een van absolute puurheid getuigend geluid en dito imago. Ook op “Blossoms” weer. Al is dat zeker geen zuivere bluegrassplaat. Verre van zelfs. Van traditionele en iets eigentijdser aandoende bluegrass over enkele onverwachte folk- en jazzhybriden heen tot country op z’n authentiekst gaat Lewis ditmaal voor pure rootsmuziek. Acht van de veertien songs blijken daarbij originelen te zijn, waarin ze thema’s als vergiffenis, vergane liefde, de jachtigheid van het leven anno nu, de mentale wonden van door oorlogen getekende veteranen en andere verkent. Daarnaast covert ze ook nog Johnny Cash (“Train Of Love”), Kate Wolf (“Unfinished Life”), Kate MacLeod (“Lark In The Morning”), Mary Gibbons (“Tell Me True”) en een stel traditionals (het al genoemde “How Can I Keep From Singing?” en de instrumental “Beaver Creek”). Hulp kreeg Lewis daarbij als vanouds ook nu weer van een reeks heuse kleppers uit het genre. We noemen alleen al maar Darol Anger, Tom Rozum, David Grier, Nina Gerber, Todd Phillips, Brittany Haas, Tim O’Brien, Suzy Thompson, Roy Rogers, Kathy Kallick en de Burns Sisters en denken daarmee ons punt wel ruimschoots te hebben gemaakt. Hoe dan ook: dit is het zoveelste echte juweel op het actief van La Lewis en mocht je de kans schoon zien om haar tijdens haar nakende Europese tournee ergens te gaan bewonderen, dan moet je dat ons inziens ook zeker niet nalaten te doen.

Laurie Lewis

Sonic Rendezvous

 

ROSE COUSINS “The Send Off” (Old farm Pony Records)

(4****)

De vanuit Halifax, Nova Scotia actieve Canadese zingende liedjesschrijfster Rose Cousins ging voor haar nieuwe cd “The Send Off” in zee met de ook hier ondertussen al een aardige reputatie genietende producer Luke Doucet. En dat hoor je eraan ook! Doucet laat immers als naar goede gewoonte zijn eigen gitaar nadrukkelijk de klankkleur van het gebodene mee bepalen. En dat is op de keper beschouwd eigenlijk best wel een zegen voor Cousins. Haar liedjes profiteren immers ten volle van de regelmatig enigszins naar het atmosferische overhellende aanpak van Doucet. Dat is bijvoorbeeld gelijk al in openingsnummer “I Were The Bird” het geval. Dat klinkt als het ware als iets van Shawn Colvin onder handen genomen door Daniel Lanois. Noch pop, noch folk, noch Americana, maar iets midden daar tussen in. En dat geldt voor wel meer nummers hier. Zo bijvoorbeeld ook voor het door Doucet met wat priemender gitaarwerk opgewaardeerde “Maybe I Knew”, het nogal introverte “White Daisies”, de al even intimistisch ingevulde Ryan Roberts-cover “Lewis Lake”, het enigszins cinemascopisch aandoende titelnummer, het zich in weemoed wentelende “The Dancers” en het met de hulp van collega’s Kathleen Edwards en Melissa McLelland gebrachte “All The Time It Takes To Wait”. Andere koek zijn dan weer de tot pianoballade uitgewerkte Mary Margaret O’Hara-cover “I Don’t Care” en het aan het eigen nageslacht geadresseerde “Young Once”. Die songs vallen duidelijk onder de noemer (roots)pop. En ook het met country stoeiende “Sadie In The Kitchen” en het opnieuw met Edwards en McLelland ingezongen en bezadigd swingende “Celebrate” zijn nadrukkelijk anders dan de rest hier. Meteen ook het enige wat mindere moment vonden wij, dat laatste liedje, op een voor het overige werkelijk verbluffend mooie plaat, die we je alleen maar van ganser harte kunnen aanbevelen.

Rose Cousins

CD Baby

 

JESS KLEIN “Bound To Love” (United For Opportunity / ADA)

(4,5*****)

Dat deze schoonheid nog niet véél en véél bekender is, is en blijft voor ons één groot raadsel. Jess Klein is immers ronduit fantastisch. Ze schrijft heerlijke rootsy popliedjes en is daarenboven ook nog eens gezegend met een stem om u tegen te zeggen. Een winnende combinatie, zou je toch denken! Maar het écht grote succes bleef dus vooralsnog achterwege. En dus pakt Klein maar weer met een nieuwe, haar immense talenten andermaal ten volle bevestigende worp uit. Voor de productie daarvan liet ze Mark Addison en de ook op zo ongeveer alles wat snaren heeft prominent aanwezige Scrappy Jud Newcomb tekenen. Zij gidsen Klein ondermeer door het nerveuze, blazersgewijs met wat R&B bediende streepje roots rock “When The Time Comes”, het tegen een achtergrond van rinkelende gitaren een heel klein beetje aan Tom Petty herinnerende “Don’t Wanna Say It”, het bijzonder emotionele titelnummer – Een echte wolk van een Americana-trage! – en “I Just Want To Know Your Name”, een klaaglijk liedje dat zo van het repertoire van Lucinda Williams weggelopen lijkt. En dan zijn er nog de aanstekelijke rootspopdeun “Postcard”, waarvoor Freedy Johnston al handenklappend even voorbijkwam, de in duet met huisfavorietje Slaid Cleaves gebrachte ballade “Fool”, het op bijzonder verleidelijke wijze neergelegde “It Will Come To Me”, het apart twangende “Travelin’ Woman”, de bloedmooie sleper “Rosalie” en nog een handvol anderen! Klein en Texas, het werkt duidelijk, want dit is één lang uitgesponnen genot voor het oor! Een plaat, die je absoluut niet mag missen dus!

Jess Klein

 

FIXKES “Superheld” (Excelsior)

(3,5****)

Ook op “Superheld”, de tweede volwaardige langspeler van de Fixkes, zal al wie op zoek gaat naar een charts-rijpe opvolger voor “Kvraagetaan”, dé zomerhit van 2007, bedrogen aankomen. Een op vergelijkbare wijze het collectieve geheugen aansprekende lap summer fun staat ook hier immers weer niet op. Al zijn er met “Netniliefde” en “Just Lek In De Film” wél enkele songs aanwezig die qua groove aardig in dezelfde richting schuifelen. Maar “Superheld” moet het al bij al toch vooral hebben van zijn muzikale diversiteit: van lekker funky en met een streepje dialectrap opgeluisterd zoals in het titelnummer of “Plakijzer” tot op z’n G. Love’s met R&B flirtend zoals in “Hoekske Af”, van snedig rockend weer naar de eigen jeugd teruggrijpend zoals in “Rock ‘n’ Roll” tot lijzig zomers poppy genre een Jack Johnson zoals in het al genoemde “Netniliefde”, van enigszins bluesy zoals in het bezadigd zijn titel helemaal waar makende “LDVD-Blues” tot singer-songwritergewijs met een folky toets in het afsluitende “Tijger”. Die gedurfde verscheidenheid maakt ook van deze “moeilijke tweede” weer een tot ver buiten Stabroek genietbare plaat.

(“Superheld” zal vanaf 8 maart overal te lande verkrijgbaar zijn.)

Fixkes

Excelsior Recordings

 

ADAM CARROLL “Live At Flipnotics” (Adam Carroll)

(3,5****)

Vrij kort na “Hard Times”, zijn hier flink bejubelde samenwerking met Michael O’Connor, pakt Adam Carroll alweer met een nieuwe plaat uit. Ditmaal betreft het daarbij een leuk aandenken aan een optreden, dat de veel geprezen Texaanse troubadour ergens in 2009 in Austin afwerkte, meer bepaald in de intimistische omgeving van het Flipnotics Café. Hij werd daarbij door Scrappy Jud Newcomb op de gitaar bijgestaan. En diezelfde Newcomb tekende ook voor de productie. En dat levert een op z’n zachtst uitgedrukt interessant album op. Een album, waarop naast een flink stel klassiekers uit Carrolls repertoire en twee derden van zijn laatste plaat “Old Town Rock N Roll” (“Oklahoma Gypsy Shuffler”, “Highway Prayer”, “Home Again”, “Rice Birds”, “Black Flag Blues”, “Girl With The Dirty Hair”, “AFL CIO”, “South Of Town”, “Sno Cone Man” en andere) ook wat nieuwere nummers (“Billy Gibbons’ Beard”, “Let Me Go”) de revue passeren. Een album ook, dat je een goede indruk geeft van wat Carroll live zoal te bieden heeft. De man blijkt überhaupt zeer onderhoudend en doet zijn reputatie van Texaans antwoord op John Prine hier echt alle eer aan.

Adam Carroll

Lone Star Music

 

ELEVEN HUNDRED SPRINGS “This Crazy Life” (Smith Entertainment Group)

(3,5****)

En we houden de blikken hier nog even nadrukkelijk op de Lone Star State gericht. Met “This Crazy Life” met name, het nieuwe album van Eleven Hundred Springs. Dat als vanouds zalig gevarieerd countryrockende collectiefje zweert daarop opnieuw trouw aan een geluid overduidelijk schatplichtig aan genregrootheden als een Waylon Jennings, een Merle Haggard, een Willie Nelson, een Hank Williams en een Buck Owens. Op hun wat ons betreft zondermeer beste plaat tot op heden maken Matt Hillyer en co nogmaals overvloedig duidelijk, dat wie de o graag in z’n country terug wil bij hen aan het juiste adres is. Van het als een soort klaagzang over een leven onderweg opgevatte titelnummer tot het zijn titel alle eer aandoende “Honky Tonk Angels (Don’t Happen Overnight)”, van het jazzy “I’m In A Mellow Mood” tot de rockabilly van “High On The Town”,  van “I’ll Get On To Getting Over You Tomorrow”, een alleraardigste country shuffle, tot het op enigszins bluesy wijze “the horizontal mambo” verheerlijkende en door Dave Perez van de Tejas Brothers accordeongewijs flink opgewaardeerde “Straight To Bed” en alles wat daar tussenin gebeurt, dit valt zonder uitzondering onder de noemer “the real thing”. En daarvoor mag u ons zoals geweten altijd wel even komen wakker schudden.

Eleven Hundred Springs

Lone Star Music

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home