CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

SUSAN JAMES “Highways, Ghosts, Hearts & Home” - CAM PENNER “Gypsy Summer” - JIM PATTON & SHERRY BROKUS “Ray Of Hope” - SLEEPWATER “Sleepwater” - KIMMIE RHODES “Dreams Of Flying” - CASSIE TAYLOR “Blue” - KIP BOARDMAN “The Long Weight” - MARISA YEAMAN “Voices From The Underground” - THE BASEBALL PROJECT “Volume 2: High And Inside” - EXENE CERVENKA “The Excitement Of Maybe” - JONATHAN BYRD “Cackalack” - DAVID LOWERY “The Palace Guards” - COWBOY JUNKIES “Demons: The Nomad Series Vol. 2” - CARRIE ELKIN “Call It My Garden” - J.J. CALE “The Silvertone Years” - DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Chasing Someday” - THE WYNNTOWN MARSHALS “Westerner” - MARY GAUTHIER “The Foudling Alone” - THE AVERY SET “Returning To Steam” - PETE SINJIN “Better Angels Radio” - BOW THAYER & PERFECT TRAINWRECK “Bottom Of The Sky” - CAHALEN MORRISON & ELI WEST “The Holy Coming Of The Storm” - LYNWOOD SLIM AND THE IGOR PRADO BAND “Brazilian Kicks” - BIBER HERRMANN “Love & Good Reasons” - DANNY SCHMIDT “Man Of Many Moons” - TODD SNIDER “The Storyteller Live” - EMILY ARIN “Patch Of Land” - THE STATESBORO REVUE “Different Kind Of Light” - VARIOUS ARTISTS “I Like It Better Here - More Music From Home” - BUDDY MILLER “The Majestic Silver Strings”

 

 

SUSAN JAMES “Highways, Ghosts, Hearts & Home” (Taxim / Bertus)

(3***)

“Highways, Ghosts, Hearts & Home”, de nieuwe van de ondertussen toch ook alweer ruim een decennium lang vanuit L.A. actieve zingende liedjesschrijfster Susan James, wordt door die artieste zelf als een soort van conceptalbum omschreven. Het geheel vindt ze “this time around” alleszins een stuk belangrijker dan de diverse losse delen ervan. Het betreft daarbij een elftal, veelal melodieuze deunen, ingespeeld met Paul Lacques, Paul Marshall en Shawn Nourse van I See Hawks In L.A., Gabe Witcher van de Punch Brothers (fiddle) en Danny McGough van Shivaree (Hammond B3). Op een voornamelijk uit folk rock en country folk bestaande voedingsbodem, zo nu en dan bemest met wat lichte psychedelica, vertelt James verhalen, waarin naast heel wat kleurrijke karakters en personages ook de thema’s “life, love & hope” de revue passeren en vooral ook “good times”, zoals gezien door de bril van een gerijpte vrouw met kind, van wie het leven zelve ondertussen geheel andere dingen ging verwachten dan van de getroebleerde youngster van weleer. Aangenaam luistervoer zondermeer.

Susan James

 

CAM PENNER “Gypsy Summer” (Cam Penner / Lucky Dice Music)

(5*****)

Waar het hart van vol is, loopt de mond van over, aldus het alom bekende spreekwoord, en dus haasten wij ons maar weer eens om hier voor de zoveelste keer al de loftrompet af te steken over Cam Penner. Net als z’n voorganger “Trouble & Mercy” is ook “Gypsy Summer”, diens nieuwe worp, immers weer een echt plaatje van een plaat geworden. Dat in het najaar van 2010 door Penner met wat bevriende muzikanten op een ranch in Twin Butte, Alberta opgenomen album bulkt hoegenaamd van de echte pareltjes. Pakkende verhalen, door de Canadees naar goede gewoonte weer geduldig van tussen de plooien van onze maatschappij gepeuterd. Een “habit”, hem bijgebleven na een langdurige job in de daklozenopvang in zijn land. Daar hoor je immers nogal wat en dat scherpt je observatievermogen flink aan. Je leert er als het ware de kleine verhalen van het leven te lezen. En via “Gypsy Summer” speelt hij er ons zo weer een aantal door. In het gezelschap van Jon Wood en Tim Leacock op een brede waaier aan snaarinstrumenten, Laura Reid en Marcin Swoboda op viool en viola, Chris Young op keyboards en John May voor percussie tovert Cam Penner hier op een lekker ouderwets in een a- en een b-kant verdeeld geheel elf Americana-deunen van het werkelijk allerbeste soort tevoorschijn. Zó ontzettend goed, dat je vrijwel onmiddellijk weer geneigd bent om alweer te gaan denken in de richting van de toch nog een flink eindje verwijderd zijnde eindejaarslijstjes. Daarin zal deze erg persoonlijk ingevulde schijf immers ongetwijfeld erg hoge ogen gaan gooien, net als het veel naaktere “Trouble & Mercy” een jaar of twee geleden ook al.

Cam Penner op MySpace

Lucky Dice Music

 

JIM PATTON & SHERRY BROKUS “Ray Of Hope” (Berkalin Records / Sonic Rendezvous)

(3,5***)

Op “Ray Of Hope”, de nieuwe cd van Jim Patton en Sherry Brokus, prijken elf liedjes, gewijd aan protagonisten, die door het leven zelve niet altijd op hun wenken werden bediend. Veel kommer en kwel dus, maar met ergens aan de einder altijd nog wel een schijntje hoop. Vandaar allicht dan ook de titel. “Ray Of Hope” staat louter muzikaal gezien voor ruim een half uur “rootsvermaak Texas style”. En als voorbeelden daarvoor mogen vast en zeker The Band en The Byrds worden genoemd. Beurtelings lijken die acts immers model te hebben gestaan voor de liedjes van songsmid Patton. Deuntjes, die werden ingeblikt met bijzonder schoon volk in de buurt overigens. Onder het productionele toezicht van Ron Flynt, hier ook actief op bas, keyboards en akoestische, passeerden in de Jumping Dog Studios in Austin, TX naast Patton (akoestische gitaar en zang) en Brokus (zang) zelf zo ondermeer ook nog Rich Brotherton (akoestische gitaar en mandoline), Scrappy Jud Newcomb (akoestische gitaar en resonator), Warren Hood (fiddle) en John Bush (percussie). Met zijn allen tekenden zij voor een erg warmbloedig overkomend geheel, dat met enige regelmaat alledaagse gebeurtenissen verheft tot pure poezië. Heel knap schrijfwerk met andere woorden en bovendien ook nog eens dito gezongen en ingespeeld. Americana “the way it was always meant to be”, zeker op die momenten, waarop Patton en Brokus gezellig samen aan het neuzelen gaan. Think Chip & Carrie of John & Iris. Kan je onmogelijk ongevoelig voor blijven!

Jim Patton & Sherry Brokus

Sonic Rendezvous

 

SLEEPWATER “Sleepwater” (Lemon’s Smithy Records)

(3,5****)

Nederland heeft er met dit drietal uit het Noord-Brabantse Hintham weer een prima alternatief countrycollectiefje bij. De groep rond zanger-songmid-gitarist Ad Opstals evoceert op haar debuut ondertussen toch ook alweer even vervlogen tijden. De veertien songs erop deden ons met enige regelmaat met plezier terugdenken aan de vroege jaren tachtig, toen acts als de Dream Syndicate, Opal, Green On Red en anderen onze draaitafel langdurig bezet hielden. Met name met die laatsten vertoont het werk van de broers Opstals en drummer Martin de Ruijter best wel wat overeenkomsten. Al proberen zij het toch allemaal nog net wat ruimer te houden. Invloeden uit zowel pop als rock en een aardig gedurfde muzikale invulling houden “Sleepwater” zo ook voor niet-Americana-liefhebbers interessant. Het geregeld opduiken van instrumenten als fluit, orgel, accordeon, buisklokken, glockenspiel, harmonica, viool, pedal steel en andere zorgt voor een als enigszins apart te bestempelen klankkleur, die op de keper beschouwd best wel wat gewenning vergt. Eenmaal je tot het universum van de Opstals en co bent doorgedrongen is er echter geen weg terug meer. Dan hoor je een band met een geweldig potentieel aan het werk. In die mate zelfs, dat je je al vrij snel de vraag gaat stellen, hoe deze plaat geklonken zou hebben, als men een wat groter opnamebudget ter beschikking zou hebben gehad. Met songs als het behaaglijk melancholische “Thrown Away”, het kunstig zomerse “Soon”, het bezwerende “She’ll Be Dancing” en andere zit het wat betreft de aanvoer vanuit die hoek immers alvast helemaal lekker. Ad Opstals presenteert zich hier vrijwel constant als iemand, waarmee we in de nabije toekomst wel degelijk rekening zullen moeten gaan houden. In zijn liedjes toont hij zich alvast nu al een echte kanjer daar waar het het oproepen van intrigerende sferen betreft. Kan zo menig een Amerikaanse collega een puntje komen aan zuigen…

Sleepwater op MySpace

 

KIMMIE RHODES “Dreams Of Flying” (Sunbird Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Met “Dreams Of Flying” is Kimmie Rhodes inmiddels ook alweer al aan haar veertiende album toe. Afgelopen najaar verraste ze nog met de Kerstplaat “Miracles On Christmas Day”, maar laat het er ons toch maar op houden, dat dit de échte opvolger van “Walls Fall Down” van zo’n jaar of drie geleden is. Met tien eigen nieuwe liedjes, waaronder één geschreven samen met Gary Nicholson, en een cover van Donovans “Catch The Wind” lijkt Rhodes hier aan te willen geven, dat ze klaar is voor een nieuwe stap in haar carrière. In een productie van haar virtuoze zoon Gabe, op “Dreams Of Flying” ook actief op tal van gitaren, mandoline, banjo en keyboards, en verder in het uitstekende gezelschap van Charlie Sexton (bas), John Gardner (drums en percussie), John Mills (sax en klarinet) en collega-songsmid Joe Ely, met wie ze haar versie van de hoger al genoemde Donovan-klassieker deelt, gaat ze resoluut voor promotie. Na jaren van uitblinken in het kielzog van collegae à la Emmylou Harris, Lucinda Williams en Nanci Griffith wil ze duidelijk hogerop. En daartoe zou “Dreams Of Flying” effectief wel eens het juiste vehikel kunnen blijken. Het is hoe dan ook Rhodes’ meest ambitieuze plaat tot op heden. Een album, dat mikt op een veel ruimer publiek dan zo ongeveer elk van haar vorige releases. Titelnummer “Dreams Of Flying” zet wat dat betreft van meet af aan de toon. Het is echt heerlijk wegdromen geblazen bij dat over aan een subtiel twangende gitaar ontlokte klanken gedrapeerde etherische pareltje. En datzelfde sfeertje wordt ook in het daaropvolgende “Back Again” nog even vastgehouden. Daarin klinkt Rhodes voorwaar heel even als de grote Emmylou Harris ten tijde van het meesterlijke “Wrecking Ball”. Opnieuw een echte beauty! Met “Like Love To Me” verzeilt ze vervolgens in wat meer soulvolle wateren. Met dank met name aan John Mills en zoon Gabe, die respectievelijk blazers- en toetsengewijs het pad daartoe effenen. Via de werkelijk huiveringwekkend mooie duetlezing van “Catch The Wind” gaat het vervolgens richting een op wel heel erg bezadigde wijze gebracht streepje roots pop (“Turnin’ My World”), een bijzonder fraaie ballade (“One By One”), een vintage Rhodes-liedje (“New Way Through”), een voorzichtig richting folk rock lonkende valse trage (“Unholy Ghost”) en nog een handjevol andere prachtdeuntjes. Stralend middelpunt van de belangstelling blijft daarbij te allen tijde de fluwelen voordracht van Rhodes zelve. Die stem en haar prachtige teksten zijn het wat ons betreft, die van “Dreams Of Flying” het bescheiden meesterwerkje maken, dat het is. Vooral niet te lang over nadenken zouden wij zeggen, gewoon kopen! Je zal het je op termijn absoluut niet beklagen, want dit belooft immers een echt blijvertje te gaan worden!

Kimmie Rhodes

Sonic Rendezvous

 

CASSIE TAYLOR “Blue” (Hypertension / Bertus)

(3***)

Wat betreft de stamboom zitten we hier alvast gebeiteld. Het betreft hier immers daadwerkelijk de dochter van bluesfenomeen Otis Taylor. En daar is ze best trots op ook. In tegenstelling tot zoveel andere kinderen van bekende artiesten laat Cassie Taylor hoegenaamd geen gelegenheid onbenut om er op attent te maken, wie haar vader is. In zijn entourage trok ze overigens ook al zowat de hele wereld rond. En ook op zijn platen was ze al uitgebreid te horen. Een echt groen blaadje kan je haar dan ook bezwaarlijk nog noemen, al is “Blue” dan ook nog maar haar debuut. Op die eersteling bewandelt de vurige roodharige alvast geheel en al andere paden dan haar bekende pa. Als zingende songmid kiest ze voor een veel toegankelijkere, een stuk meer popgeoriënteerde aanpak dan haar ouweheer. Dat betekent echter hoegenaamd ook weer niet, dat ze haar blues roots volledig verloochent. Ze verkent naar eigen zeggen “the trials and tribulations of a twenty-something woman” in een context, waarvoor de haar van kindsbeen af opgelepelde bluesmuziek nog wel het uitgangspunt vormt, maar waarin zowel pop, rock, folk, country als jazz geregeld redelijk nadrukkelijk aan bod komen. Met name de eerste twee dan. Al bedriegt de schijn daarbij misschien wel een beetje en lieten we ons bij het vormen van dat oordeel wat al te zeer leiden door Taylors nogal poppy aandoende manier van zingen. Zelfs een uitgesproken streep bluesrock als “Make Me Cry” brengt ze zodoende “licht verteerbaar”.

Cassie Taylor op MySpace

Hypertension

Bertus

 

KIP BOARDMAN “The Long Weight” (Ridisculous Records)

(3,5****)

“The Long Weight” is na het ronduit heerlijke “Upon The Stars” uit 2003 en het al even geslaagde “Hello I Must Be…” van twee jaar later de derde en zondermeer meest ambitieuze plaat so far van singer-songwriter Kip Boardman. In een productie van pedal steel-geweldenaar Eric Heywood en met verder ondermeer ook nog enkele leden van Ray LaMontagne’s Pariah Dogs, bassiste Jen Condos, drummer Jay Bellerose, accordeonist Ryan Freeland, toetsenist Patrick Warren en zingende collega’s Gia Ciambotti, Claire Holley en Kristin Mooney in z’n buurt leverde hij alleszins zijn meest gevarieerde plaat tot op heden af. Hier durft hij immers met enige regelmaat de grenzen van de ons eerder aan hem bindende genres als (alternatieve) country, folk en (roots)pop flink te overschrijden. Lijzig als vanouds glijdt hij zo doorheen mooie liedjes als “All Fall Down”, een fraaie streepje zomerse hangmatpop, het op behoedzame wijze een Zuid-Amerikaans motiefje in zich dragende “Runnin’ Right”, het bijzonder soulvolle, ons voorwaar even voorzichtig aan de werkwijze van de grote Allen Toussaint herinnerende “All That Bad” en het ook al heel erg knappe, weer wat meer op z’n folkkant focussende “Can’t Take This”. Mede door Boardmans hoge, wat nasale voordracht nogal apart allemaal, maar tegelijk ook heel erg mooi! Het soort van plaat, waar je graag lange, zwoele zomeravonden mee tegemoet ziet.

Kip Boardman

 

MARISA YEAMAN “Voices From The Underground” (Deep Pearl Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Marisa Yeaman verkaste recentelijk van haar geboorteland Australië naar het Nederlandse Den Haag en van daar uit stuurt ze nu haar derde cd “Voices From The Underground” de wereld in. En dat is opnieuw een heel erg mooie plaat geworden, die opvolger van “Pure Motive” uit 2005 en “Roadmap Heart” van drie jaar later. Een album, waarop Yeaman wat betreft de muzikale invulling ervan absoluut geen nieuwe dingen zoekt te doen en misschien is dat maar goed zo ook. Op de beide voorgangers ervan had ze zich immers gepresenteerd als een soort van Australische evenknie van grote dames als een Eliza Gilkyson en een Shawn Colvin en dat vonden wij hier indertijd al ruimschoots volstaan. Met veel plezier stelden we dan ook vast, dat Yeaman voor de liedjes op “Voices From The Underground” teruggreep naar haar beproefde recept van een uit Americana, country, folk en hier en daar zelfs wat blues gedistilleerde context. Grotendeels akoestisch ingevuld uiteraard. In die songs gaat de Australische als vanouds het persoonlijke niet uit de weg, maar de nadruk lijkt “this time around” toch eerder op de haar omringende wereld komen te liggen. En meer bepaald dan nog op hen, die aan de rand van de maatschappij of daar net over leven. Oftewel de “outsiders”, de “misfits” en de “visionaries”, zoals ze haar protagonisten zelf graag omschrijven mag. Hun “voices from the underground” vormen als het ware een tegengewicht voor de vluchtige, wat al te zeer op consumptie afgestemde maatschappij anno nu. Zij maken voor Yeaman het verschil. En dat levert hier nogal wat mooie luistermomenten op. Enkele van de allerfraaiste daarvan vonden wij het intimistische “Grace’s Ghost”, het haar ervaringen in de “live music capitol of the world” bezingende “Warm Night In Austin” en het volop van zo’n typisch “late night” berookt cafésfeertje profiterende “Nighthawks Lament”. Als aandachtige lezer heeft u het ondertussen wellicht allang begrepen: een ronduit uitstekende plaat inderdaad!

Marisa Yeaman

Sonic Rendezvous

 

THE BASEBALL PROJECT “Volume 2: High And Inside” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Als wij toevallig eens even niet met muziek in de weer zijn, dan regeert hier meestal Koning Voetbal. Zoals zoveel Europeanen mogen ook wij ons immers graag vergapen aan de kunstjes van de Leo Messi’s en de Cristiano Ronaldo’s van deze wereld. Je groeit er als het ware mee op. Als jongen weet je eigenlijk niet beter. Voetbal hoort er hier op de een of andere manier gewoon bij. Iets waarin men ons in de States vooralsnog absoluut niet volgen wil. Daar is een vergelijkbare rol weggelegd voor baseball. En daarin volgen wij op onze beurt dan weer in het geheel niet. Die sport, de regels en helden ervan, ze zijn ons gewoon compleet vreemd. Wat voor de hier besproken tweede plaat van hobbyclubje The Baseball Project zo zijn gevolgen gehad zou kunnen hebben, ware het niet, dat Steve Wynn, Scott McGaughey (Minus 5, Young Fresh Fellows), Linda Pitmon (Miracle 3) en Peter Buck (R.E.M.) een danig sterke collectie (roots)rocksongs afleveren, dat elk verzet ertegen vrijwel onmiddellijk in de kiem wordt gesmoord. Gelijk van bij het rete-melodieuze, over een weldaad aan rinkelende gitaren aan de veel te vroeg overleden Detroit Tiger Mark “The Bird” Fidrych opgedragen openingsnummer “1976” is de toon gezet. Om hiervan met volle teugen te kunnen genieten hoef je absoluut geen baseballfan te zijn, zoveel is wel duidelijk! Een vermoeden, dat vervolgens gewoon nog eens twaalf nummers lang wordt bevestigd. Met het lekker rammelrockende “Panda And The Freak” bijvoorbeeld, of met het alweer heerlijk swingende, vocaal mee door Pitman gedragen “Fair Weather Fans”, het punky “Ichiro Goes To The Moon”, het bijna dronken voor zich uit gelalde “Chin Music” en het lekker snedige, door gast Craig Finn gezongen “Don’t Call Them Twinkies”. Niet de enige gast hier trouwens, die Finn. Ook Ben Gibbard van Death Cab For Cutie, Ira Kaplan van Yo La Tengo, Steve Berlin van Los Lobos en Chris Funk en John Moen van The Decemberists waren wel te vinden voor een potje “sportief musiceren”. Wanneer doet iemand eens iets vergelijkbaars rond voetbal?

The Baseball Project

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

EXENE CERVENKA “The Excitement Of Maybe” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

Knappe titel voor een bij vlagen al even knappe plaat! De hoogdagen van Exene Cerveka mogen dan al een poosje achter de rug lijken, de vooral van haar bijdragen aan het gerenommeerde punkcollectief X en de twangy uitloper daarvan, The Knitters, bekende Amerikaanse is duidelijk nog niet aan uitbollen toe. Ook op haar vierenvijftigste maakt ze nog steeds muziek die er wel degelijk toe doet. Al klinkt die dan ook een flink stuk minder scherp dan weleer. Op “The Excitement Of Maybe” regeren songs ontstaan op de breuklijnen tussen genres als folk, country en pop. Muziek, die je vrijwel ogenblikkelijk gaat associëren met “sunny California” en meer bepaald dan nog met L.A., Cervenka’s natuurlijke biotoop. Warm aandoend, niet zelden badend in melancholie, soms met een licht psychedelisch randje ook wel. Gedragen door die aparte, enigszins schrille stem en ondersteund door ondermeer de gitaar van X-buddy Dave Alvin, soulvolle blazers en een al even warmbloedige Hammond. Een echt groeiplaatje!

Exene Cervenka

Bloodshot Records

Bertus

 

JONATHAN BYRD “Cackalack” (Waterbug Records)

(4****)

We herinneren het ons nog als de dag van gisteren. Het was ergens midden 2004, dat wij als een blok vielen voor “The Sea & The Sky”, de derde cd van de Amerikaanse singer-songwriter Jonathan Byrd. Het begin van een liefde voor het leven! Viel Byrds muziek toen nog vooral onder de noemer folk, dan heeft hij zich in de daaropvolgende jaren flink verder ontwikkeld. In die mate zelfs, dat het element country eigenlijk een steeds belangrijkere rol is gaan spelen in zijn werk. Met als voorlopige (commerciële) hoogtepunt zijn zesde cd “Cackalack”. Daarop deed Byrd ons bij momenten heel erg denken aan Tim O’Brien. Net als die laatste gaat de beste man op “Cackalack” voor een vorm van country, folk en Americana, die te allen tijde aansluiting zoekt en weet te vinden met de eigen roots. Openingsnummer “Chicken Wire” is zo een speelse, heerlijk swingende verneiging voor old-time en bluegrass, “Wild Ponies” bewandelt vaardig het slappe koord tussen folk en singer-songwriter Americana, “I Was An Oak Tree” illustreert in een vergelijkbare omgeving ten voeten uit nog eens ’s mans geweldige talent als tekstdichter, “Reckon I Did” is een bezadigde country toe-tapper van formaat, “New Moon Rise” moet het heel even hebben van een jazzy ondertoontje en “Dungarees Overalls” plukt met ongemeen veel “joie de vivre” uit tal van rootsmuziekgenres tegelijk. “Father’s Day” en “Scuppernong” gunnen Byrds folk-kant dan weer wat meer ruimte, “White Oak Wood” tapt uit min of meer hetzelfde vaatje als “Chicken Wire” en het afsluitende titelnummer speelt op sprankelende wijze met het “gewone-mensenwoord” voor Carolina, ’s mans thuishaven. Mocht u ‘m nog niet kennen, deze voormalige laureaat van de singer-songwritercompetitie van het vermaarde Kerrville Folk Festival, dan is “Cackalack” een uitstekende “instapper”!

Jonathan Byrd

Waterbug Records

 

DAVID LOWERY “The Palace Guards” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De naam David Lowery zal velen onder jullie allicht niet zo heel erg veel zeggen en toch kennen jullie de beste man vast wel. Als één van de drijvende krachten achter zowel Camper Van Beethoven als Cracker meer bepaald. Ruim vijfentwintig jaar al is die Lowery actief als muzikant en toch is hij met “The Palace Guards” pas nu aan zijn eerste solo-cd toe. En ook voor het afwerken daarvan nam hij op z’n zachtst uitgedrukt ruimschoots de tijd. Bijna zeven jaar deed hij erover om het geheel ingeblikt te krijgen. En dat het in zo menig een opzicht heel erg af klinkt hoeft dan ook niet echt te verbazen. Samen met ondermeer Alan Weatherhead (gitaren, pedal steel, keyboards, banjo en bas), Craig Harmon (orgel en piano) en David Immerglück (gitaar) ging Lowery voor een stilistisch gezien lekker gevarieerd geheel. Openingsnummer “Raise ‘Em Up On Honey” is zo bijvoorbeeld een extreem aanstekelijke, met wat mondharmonica en banjo besprenkelde shot country rock, titelnummer “The Palace Guards” zoekt en vindt op eerder bedaarde wijze aansluiting bij de fameuze Britpoptraditie van enkele decennia terug, “Deep Oblivion” gaat in al zijn lijzigheid heel even de psychedelische toer op en “Ah, You Left Me” blijkt een dot van een cover van het gelijknamige nummer van onze landgenoten van Mint. Voor het met stevige gitaren onderbouwde “Baby, All Those Girls Meant Nothing To Me” mag vervolgens zonder  schroom ook enkele tellen lang de omschrijving rock tout court uit de kast, alvorens het gaspedaal finaal gelost wordt. Vooreerst in het enigszins folky ingekleurde “I Sold The Arabs The Moon”, vervolgens in de melancholische popparel “Marigold” en ook wel in het afsluitende tweetal “Big Life” en “Submarine”, twee verdere, in min of meer dezelfde hoek te situeren beauties, waarin Lowery met zijn aangenaam hese stem net wat meer nog dan elders hier weet te bekoren. Opgemerkte gasten op “The Palace Guards”: Lowery’s Cracker-maatjes Johnny Hickman en Sal Maida en wijlen Mark Linkous van Sparklehorse, aan wie de plaat ook werd opgedragen.

David Lowery

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

COWBOY JUNKIES “Demons: The Nomad Series Vol. 2” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Amper een half jaar na “Renmin Park” komen de Cowboy Junkies reeds met het tweede volume in hun veelbesproken “Nomad Series” aandraven. Het betreft daarbij ditmaal een collectie herinterpretaties van nummers van de op Kerstdag 2009 veel te vroeg uit het leven gestapte singer-songwriter Vic Chesnutt. Na diens bijdrage aan hun “Trinity Revisited”-project van een jaar of drie geleden had Michael Timmins oorspronkelijk andere plannen met hem gehad, maar daar kwam door de wanhoopsdaad van het miskende genie uit Athens, GA helaas niets meer van in huis. En dus ging men maar voor plan B. Concreet betekende dat elf lezingen van songs, die vooral aan Chesnutts vroege platen ontleend werden. En daarbij ging men zeker niet voor de meest bekende! Dat elftal werd bovendien ook nog eens heerlijk eclectisch benaderd. Van bedaard akoestisch op z’n Junkies tot onder stevig elektrisch gitaarwerk kreunend, van met strijkers en blazers opgewaardeerd tot quasi spiernaakt, het kan hier echt allemaal en het werkt bovendien nog uitstekend ook. In zoverre zelfs, dat “Demons” de wat ons betreft beste Cowboy Junkies-plaat in tijden is geworden. Echt smullen geblazen is het bij dingen als het mede door gloedvol toetsenwerk heerlijk soulvol aandoende “See You Around”, het bijna jazzy ingekleurde “Betty Lonely”, het op wel heel erg intimistische wijze opnieuw uitgevonden “Square Room”, het tegen een Youngiaans gitaartje tot een beklijvende streep roots rock uitgroeiende “Ladle” of het atmosferische “West Of Rome”. Als ultiem eerbetoon kunnen deze en andere adaptaties van Chesnutt-songs absoluut tellen! Een waar “labour of love” noem je zoiets!

Cowboy Junkies

Proper Records

 

CARRIE ELKIN “Call It My Garden” (Red House Records / Music & Words)

(4,5*****)

Ondanks het feit dat het hier reeds haar vijfde cd betreft kan je Carrie Elkin bezwaarlijk al als een gevestigde waarde bestempelen. Iets waar het gegeven, dat haar vorige platen enkel lokaal verdeeld werden, wellicht geen onbelangrijke rol in gespeeld heeft. Deze “folkstress” uit Austin heeft immers echt alles in huis om het binnen afzienbare tijd minstens even ver te gaan schoppen als door ons op handen gedragen collega’s als een Nanci Griffith, een Patty Griffin, een Gillian Welch of een Rachel Harrington. Eerst en vooral is er haar geweldige stem! Ze zou er zelfs de traditionele nieuwjaarsboodschap van onze vorst als poëzie mee kunnen laten klinken! En er is natuurlijk ook haar uitermate sympathieke verschijning. Geen wonder, dat collega Danny Schmidt ooit voor deze vrouw is gevallen! Maar bovenal zijn het toch haar liedjes die het hem voor ons doen. Die getuigen vrijwel zonder uitzondering van de nodige diepgang, ook al vinden ze hun oorsprong dan ook vaak in op het eerste gezicht eerder banaal lijkende dingen. Het speels twangende “Jesse Likes Birds” bijvoorbeeld hing ze op aan een haar door collega-singer-songwriter Jesse DeNatale voorgehouden lijstje met invloeden, het rootsy “Guilty Hands” vond dan weer een aanzet in enkele haar uit haar jeugdjaren en het kerkkoor bijgebleven woorden in het Latijn, het intimistische “Lift Up The Anchor” luistert weg als een soort van hulpkreet in moeilijke tijden en “The Things We’re Afraid Of” schreef ze geconfronteerd met de angst van een gesprekspartner voor zijn nakende pensioen. Dat laatste liedje en haar met bijzonder veel gevoel gebrachte cover van Dar Williams’ “Iowa” vonden wij dé absolute hoogtepunten van “Call It My Garden”. Al moeten dingen als het als een bedankje voor Sam Baker opgevatte “Dear Sam” en het de rekbaarheid van relaties bezingende “Landeth By The Sea” daar amper voor onderdoen. Werkelijk bloedmooi allemaal! Met dank ook aan producers Colin Brooks (Band Of Heathens), Danny Schmidt en Mark Addison en aan andere gasten als de al genoemde Sam Baker, AJ Roach, Raina Rose en Anthony DaCosta.

Carrie Elkin

Red House Records

Music & Words

 

J.J. CALE “The Silvertone Years” (Camden / Sony Music)

(3,5****)

Prettig geprijsde verzamelaar, waarop je een overzicht wordt aangeboden over Cale’s werk voor Silvertone Records. Concreet betekent dat, dat je hier de albums “Travel-Log” uit ‘89 en “Number Ten” uit ‘92 aangereikt krijgt. Van dat laatste ontbreekt hier allicht enkel en alleen omwille van plaatsgebrek wel het nummer “Digital Blues”. Wel van de partij: dingen als “Shanghaid”, “Tijuana”, “Shady Grove”, “Lady Luck”, “Roll On Mama”, “Humdinger” en nog negentien anderen. Veel rootsy goeds voor weinig geld dus! Wel jammer, dat men de volgorde van de liedjes op de oorspronkelijke albums niet gewoon gerespecteerd heeft. Zo zou Cale zelf het als je het ons vraagt wellicht ook wel gewild hebben…

J.J. Cale

 

DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Chasing Someday” (Dualtone / Bertus)

(3,5****)

Spreek het woord Nashville uit en je gesprekspartners zullen met hun gedachten al snel richting countrymuziek afdwalen. Logisch misschien wel, aangezien die stad vrijwel algemeen aanvaard wordt als het epicentrum van op z’n minst de commerciëlere poot van dat genre, maar tegelijk ook een beetje onterecht. Ook daar in Tennessee wordt er vandaag de dag immers best wel wat niet onder de noemer country vallende muziek gefabriceerd. Men denke in dat verband bijvoorbeeld alleen al maar aan de megasterren van Kings Of Leon. Of aan de vooralsnog een pak minder bekende singer-songwriter Drew Holcomb. Ook op diens nieuwe cd, de opvolger van het in 2008 verschenen “Passenger Seat”, gaat het er eigenlijk allesbehalve country-esk aan toe. Samen met zijn vrouw Ellie (zang), Nathan Dugger (gitaar), Rich Brinsfield (bas) en Jon Radford (drums) brengt hij een bijzonder lekker in het gehoor liggende pop- en rockvariant, waarin het voortdurend zo ongeveer alle kanten uit kan, zo lang het maar melodieus blijft. Het lijkt ons het soort van materiaal, waarmee je vroeg of laat wel in grote stadions moet belanden. Vooral bijzonder radiogenieke, op het zwierige gitaarwerk van Dugger geënte stampertjes als “Fire And Dynamite” en “Miracle” lijken die stelling volop te rechtvaardigen. Net als de fraaie ballade “Someday” lijken ons dat alvast uitermate geschikte singlekandidaten.

Drew Holcomb & The Neighbors

 

THE WYNNTOWN MARSHALS “Westerner” (Charger Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met een op stapel staande doortocht doorheen Nederland en een live-EP in de steigers krijgt “Westerner”, het ongelooflijk straffe debuut van het Schotse vijftal The Wynntown Marshals eindelijk ook zijn oververdiende Europese release. Dat zonder ook maar de minste schroom voor zichzelf een plaatsje naast het beste van acts als Ryan Adams, Wilco en de Jayhawks opeisende visitekaartje moet zowat het allerbeste in Europa gemaakte alternatieve country album ooit zijn. Een plaat alleszins, waarop zo ongeveer alles klopt. Er is de goudeerlijke schuurpapieren stem van zanger Keith Benzie, er zijn de knap op elkaar afgestemde gitaren van de twee Iains, Barbour en Sloan, er is de heerlijk huilende pedal steel van die laatste ook, er zijn de afwisselend knap ingetogen, flink (country)rockende en tot bijna epische proporties uitgroeiende liedjes van kopstuk Benzie, er zijn de fraaie gastbijdragen op toetsen van Ali Petrie, kortom Wynntown is tot nader order “the place to be”. Mocht je dit schijfje ondertussen nog niet in huis hebben, laat er je nu dan vooral niets meer van weerhouden om daar snel verandering in te brengen. Eigen liedjes als het deluxe-rockertje “You Can Have My Heart”, de semi-ballade “Snowflake”, de warmbloedige volbloed-trage “All That I Want” en andere en vreemde eend in de bijt “Ballad Of Jayne”, een cover van het gelijknamige LA Guns-nummer, verdienen dat immers ten volle.

The Wynntown Marshals op MySpace

Sonic Rendezvous

 

MARY GAUTHIER “The Foudling Alone” (Mary Gauthier)

(4****)

“The Foundling Alone” is wat ze in de States graag “a companion piece to” mogen noemen. Dat album verschaft immers inzicht in de door Mary Gauthier voor haar ronduit grandioze laatste gevolgde modus operandi. Eigenlijk betreft het daarbij gewoon door Michael Timmins van de Cowboy Junkies gemaakte opnames van een sessie in Toronto, tijdens de welke Gauthier hem haar nieuwe materiaal voorstelde. Timmins was zo bijdehand om wat tape te laten meelopen en het resultaat daarvan wordt nu door Gauthier zelve te koop aangeboden. Spiernaakte versies van de liedjes op “The Foundling” serveert ze ons hier en, het moet gezegd, ook die klinken geweldig. Daarbij slechts gewapend met de eigen akoestische geeft ze zich tien nummers lang volledig bloot. En zo worden we als luisteraar deelachtig gemaakt aan het magische moment waarop deze zo ongemeen persoonlijke liedjes voor het eerst echt tot leven kwamen. De enige opsmuk, als je daar tenminste al van spreken kan, die Gauthier het hier aangeboden materiaal op een later tijdstip nog gunde, is een mix- en masterbeurt door Ray Kennedy. En die deed zijn werk als naar goede gewoonte natuurlijk voortreffelijk. Wat van “The Foundling Alone” eigenlijk alleen nog maar meer een hebbedingetje maakt.

Mary Gauthier

CD Baby

 

THE AVERY SET “Returning To Steam” (The Avery Set)

(3,5****)

Voor Chris Zehnder (zang en gitaar) en Jake Bartlett (drums) staat “Returning To Steam” zo’n beetje voor een doorstart van hun carrière samen onder de groepsnaam The Avery Set. Beiden lieten ze immers niet zo lang na het verschijnen van hun volwaardig langspeeldebuut “Wishful Thinking” hun thuishaven Frankenmuth, Michigan achter zich om naar Nashville te verkassen. Daar aangekomen gingen ze op zoek naar  een nieuwe gitarist en bassist om zo hun muzikale droom te kunnen blijven najagen. En die vonden ze na enkele maanden ook in respectievelijk Brandon Harris en Jacob Johnson. En vanaf toen was het eigenlijk enkel nog zaak om de boel zo snel mogelijk weer serieus onder stoom te krijgen. Vandaar allicht de titel van hun nieuwe worp. Een behoorlijk doortastend geheel overigens, die tweede. Strakke, beurtelings eerder onder de noemers alternatieve country dan wel roots rock vallende songs, die liefhebbers van het materiaal van acts als Uncle Tupelo, Wilco en de Replacements ongetwijfeld zullen doen likkebaarden regeren hier volop. Vooral dingen als het op ronduit subliem gitaarwerk wild in het rond stuiterende “Goosedown Misery”, het al even vitaal uit de hoek komende “Salt Mines” en het op inventieve wijze met z’n country roots omspringende “Georgia” klinken echt ongemeen fris. Maar ook wat ingetogener gehouden momenten als “Stranger” en het eigenwijs met een walsmotiefje flirtende “Hole In My Head” mogen er wat ons betreft meer dan zijn. Ze tonen een band met een uitgesproken eigen gezicht, duidelijk klaar om na hun eigen regio ook de rest van de wereld te komen tackelen. Op z’n Gattuso’s dan, onvervaard, niks of niemand op hun weg ontziend…

The Avery Set

 

PETE SINJIN “Better Angels Radio” (Pirate Vinyl)

(3,5****)

Pete Sinjin? Nooit van gehoord, zegt u? Troost u, wij vóór “Better Angels Radio” ook niet. En vreemd is dat eigenlijk niet eens, want het betreft hier pas ’s mans debuutplaat. Vanuit NYC verblijdt hij ons met wat hij zelf omschrijft als “een multidimensionele spirituele trip doorheen roots music”. Een nogal zware omschrijving als je het ons vraagt voor een album, dat eigenlijk best wel lekker weghapt. Sinjin toont zich daarop meer dan eens van zijn nostalgische kant. Met name in het ingehouden, maar tegelijk ook lekker wijds rockende “Broken Radio” en in de melancholische Americana ballad “All The Record Stores”, waarin hij maar moeilijk afstand blijkt te kunnen nemen van ouwe getrouwen als de platenzaak om de hoek en radiostations van het genre dat ooit nog volop de ether vulde. Twee prima songs zijn dat. En dat geldt wat ons betreft zeer zeker ook voor de over parelende gitaren neergelegde rootspopdeun “Wasted In The Sun”, voor de zomerse, ook louter muzikaal gezien volop naar de Sunny State verwijzende road song “Driving California”, voor het op ingetogen wijze nog maar eens op het tragische lot van wijlen Bobby Kennedy ingaande “Funeral Train”, voor het snedige rockertje “Romance Of The Punkers” en voor de bedaarde meezinger “Snowflakes In Your Summer Hair”. Voor deuntjes van dat kaliber mag u ons te allen tijde graag even aan de mouw komen trekken.

Pete Sinjin op MySpace

 

BOW THAYER & PERFECT TRAINWRECK “Bottom Of The Sky” (Tweed River Productions)

(3,5****)

“Bottom Of The Sky” van Bow Thayer en z’n Perfect Trainwreck beluisteren heeft wel iets weg van het nuttigen van een kloeke portie spare ribs. Net als voor die van oorsprong al even Amerikaanse lekkernij kan je ook voor Thayers nieuwste best wat tijd uittrekken, als je er echt ten volle wil van genieten. Thayer en zijn kompanen togen er in juli van 2009 voor richting de Levon Helm Studios in Woodstock, NY. Daar speelden ze alle liedjes erop gewoon lekker samen in onder het waakzame oog van producer Justin Guip. Iets wat bijna als vanzelfsprekend resulteerde in een heerlijk “naturel” aandoend geluid, dat zich niet zonder slag of stoot voor één enkel gat wenst te laten vangen. Americana dat zeker, maar ook rock & roll, blues, bluegrass, country, folk en pop. En wellicht vergeten we er “en passant” nog wel een paar ook. Thayer (zang, banjo’s, gitaren en mandoline), Jeremy Curtis (bas en zang), James Rohr (alle mogelijke toetsenwerk), Jeff Berlin (drums en percussie) en Curtis McCandy (pedal steel) houden het hier immers geweldig ruim. En Thayer bewijst zich daarbij quasi terloops andermaal als een erg begenadigde storyteller. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de modernistisch gebrachte old-time stamper “Good Time To Holler”, de excentrieke bluegrass anno nu van “Dark Light” of de gespierde bluesy rocker “Buffalo Joe” en je zal ons daarin al snel bijtreden. Hier worden de grenzen van het Americana-genre vrijwel voortdurend met veel gretigheid afgetast en overschreden. En zulks gaat net als “de ribbekes” uit onze inleiding al snel naar meer smaken…

Bow Thayer & Perfect Trainwreck

 

CAHALEN MORRISON & ELI WEST “The Holy Coming Of The Storm” (Lucky Dice Music)

(4****)

Mocht deze plaat zo’n klein decennium geleden verschenen zijn, dan zouden Cahalen Morrison en Eli West het meedrijvend op de commotie rond de Coen Brothers-prent “O Brother, Where Art Thou?” ongetwijfeld al lang tot “household names” hebben geschopt. Net als het materiaal op de soundtrack van die film klinkt immers ook wat die twee doen heerlijk authentiek. Wat ze je op “The Holy Coming Of The Storm” aanbieden klinkt alsof het ergens vroeg in de vorige eeuw werd bedacht. Old-time stringband music en bluegrass inderdaad, gedragen door een heerlijk soulvolle stem – van Morrison met name, die op de keper beschouwd wel wat wegheeft van die van Dan Tyminski, prachtige samenzang en glansprestaties op tal van besnaarde instrumenten, als daar zijn akoestische gitaren, bouzouki, mandoline, lap slide en clawhammer banjo. En met bovendien ook nog wat gastbijdragen op fiddle, staande bas, banjo en tenorgitaar. In twaalf originelen en vertolkingen van de traditionals “Kingsfold” en “I’ll Not Be A Stranger” vallen al die puzzelstukjes wonderwel op hun plaats. Het resultaat is een album voor de eeuwigheid, tot de rand toe gevuld met muziekjes met een zo op het eerste gehoor bijzonder lange houdbaarheidsdatum. Een plaat, waarvoor men in kringen van liefhebbers van bluegrass wellicht superlatieven tekort zal komen.

Cahalen Morrison & Eli West

Lucky Dice Music

 

LYNWOOD SLIM AND THE IGOR PRADO BAND “Brazilian Kicks” (Delta Groove Music)

(3,5****)

Wie de naam Lynwood Slim uitspreekt, denkt welhaast automatisch in de richting van West Coast Blues. Slim groeide door de jaren heen immers uit tot een echte autoriteit op dat vlak. Zowel zijn doorleefde zang als zijn heerlijk authentieke harmonicaspel leverden hem “worldwide” hele drommen aan fans op. En die bedient hij niet enkel met eigen nieuw plaatwerk op geregelde tijdstippen, maar ook met materiaal van door hem tijdens zijn vele tournees opgemerkte nieuwe talenten. Als producer nam hij zo al menig een Europese, Canadese en recent ook Zuid-Amerikaanse act op sleeptouw. Zoals ook nu weer. Voor zijn nieuwe cd “Brazilian Kicks” ging hij immers een alliantie met de Braziliaanse gitaargeweldenaar Igor Prado en zijn band aan.  Naast het zevenentwintigjarige kopstuk bestaat die groep verder uit diens broer Yuri op drums, bassist Rodrigo Mantovani en saxofonist Denilson Martins. Die laatste is pas 23, maar wat een supertalent etaleert hij al op zijn instrument! Luister bijvoorbeeld maar eens naar het stomende “Blue Bop”, een Prado-original, en je zal onmiddellijk begrijpen, wat we daarmee bedoelen! Is echt wel rete-goed! En die omschrijving gaat voor wel meer nummers hier op. Gelijk van bij “Shake It Baby”, de van Amos Blakemore en Buddy Guy geleende soulvolle uitnodiging, waarmee de feestelijkheden op gang worden getrokken, is het flink prijs. Een loom schokschouderende versie van Dave Bartholomews “Is It True?”,  een door Martins op z’n sax en Donny Nichillo op piano aangejaagde lezing van Hank Penny’s swingende “Bloodshot Eyes”, het meer op het element jazz focussende “My Hat’s On The Side Of My Head”, het al even aangehaalde “Blue Bop”, een uitzonderlijk knappe lezing van de Walter Jacobs-trage “Little Girl”, het sfeervol struttende “I Sat And Cry” en het door Slim met veel gevoel gecroonde “Maybe Someday” volgen. Evenals een door Slim met een lekker gemeen klinkende harmonicabijdrage onderbouwde versie van “Show Me The Way” van Richard Duran en Mike Watson, wat ons betreft hét absolute hoogtepunt van deze plaat, de swingende instrumentale “Bill’s Change” (Die sax weer!), de jazzy nachtbraker “The Comeback”, het tegelijk R&B en Latijns-Amerikaanse ritmes het hof makende “The Way You Do” en “Going To Mona Lisa’s”, een verder door Slims harmonica gedomineerd streepje puur bluesplezier. Al bij al een verbluffend knappe muzikale cocktail, waarin elementen uit tal van Amerikaanse rootsmuziekvormen op smaak worden gebracht met respectievelijk een shotje blues of jazz. Met die twee laatste genres agerend als “different fleas on the same dog”, zoals Slim het zelf graag mag stellen. Hopelijk betreft het hier geen eenmalige samenwerking!

Lynwood Slim op MySpace

Igor Prado Band op MySpace

Delta Groove Music

 

BIBER HERRMANN “Love & Good Reasons” (Acoustic Music Records / Rough Trade)

(4****)

De dagen dat je voor het betere Americana-spul je blik nog uitsluitend op de States diende te richten liggen alweer een flink poosje achter ons. Voor goed hoef je dezer dagen absoluut niet meer ver de deur uit. Zo bereikte ons onlangs vanuit het Duitse Wiesbaden bijvoorbeeld nog “Love & Good Reasons” van Biber Herrmann en dat is niets minder dan een uitstekende plaat. Ergens tussen folk, Americana en blues in serveert onze oosterbuur daarop met berookte stem elf eigen songs, waarin naast universele thema’s als liefde, passie, vertrouwen, leed en geluk ook politieke stellingnames niet uit de weg worden gegaan. Met name zijn visie met betrekking tot oorlogen en terreur (“One Good Reason”) en de huidige milieuproblematiek (het blues & roots-hoogstandje “World On Death Row”) worden door Herrmann in zijn liedjes geventileerd. En het was vooral op die momenten, dat hij ons voorzichtig even aan Bruce Cockburn deed denken. Net als Herrmann trouwens ook een virtuoos op de akoestische, die Canadese veelkunner. Want daarvoor staat deze Duitser dus ook. Hij schrijft en zingt niet enkel fantastisch, ook op de akoestische en op de mondharmonica toont hij zich bij tijd en wijle een ware grootmeester. En we begrijpen de legendarische concertorganisator Fritz Rau dan ook volledig, als hij het in verband met Herrmann heeft over “a real soul brother” en “één van de beste songsters, die ons land rijk is”. Als topmomenten hier, dat willen we je ten slotte toch nog even meegeven,  bleven ons vooral het door zijn snarenwerk ongemeen sfeervolle “Soviet Baby Blues”, de ballade “Song For Rose” en de soulvol-kritische rootspopdeun “One Good Reason” bij.

Biber Herrmann

Acoustic Music Records

 

DANNY SCHMIDT “Man Of Many Moons” (Red House Records / Music & Words)

(4,5*****)

Zijn samenwerking met producer Mark Hallman voor het in 2009 verschenen “Instead the Forest Rose to Sing” legde singer-songwriter Danny Schmidt bepaald geen windeieren. Dat folk, Americana en indie rock op intrigerende wijze versmeltende geheel leverde de Texaan vrijwel unaniem lovende commentaren op en zorgde er terloops ook voor, dat zijn naam niet langer uitsluitend in kennerskringen met het nodige ontzag werd uitgesproken. En het doet dan ook best wel een beetje vreemd aan om vast te moeten stellen, dat hij voor zijn nieuwe worp weer voor een totaal andere aanpak kiest. Voor een terugkeer naar de naakte essentie van zijn metier met name. Op “Man Of Many Moons” draait immers zo goed als alles weer om hemzelf, zijn gitaar en vooral ook zijn liedjes. Enkel Will Sexton (bas en gitaar), co-producer Keith Gary (piano), labelmaatje Ray Bonneville (harmonica) en zingende collega’s Raina Rose en Carrie Elkin mogen her en der wat functionele bijdragen komen leveren. Niets meer dan bescheiden muzikale kanttekeningen eigenlijk bij Schmidts teksten, waarin het “this time around” met enige regelmaat gaat over de eigen ontwikkeling als mens en zijn zich almaar nadrukkelijker manifesterende gecompliceerde houding ten overstaan van elke vorm van engagement. In openingsnummer “Houses Sing” heeft hij het zo op subtiele wijze bijvoorbeeld al over de daaruit voortvloeiende verplichtingen op persoonlijk vlak, die het zoeken naar een geschikte woonst flink blijken te bemoeilijken. En in “Know Thy Place” komt hij nadrukkelijk op voor ons aller recht om te allen tijde zelf te mogen bepalen, waar onze beperkingen in het leven precies liggen. “Ragtime Ragtime Blues” is dan weer geheel andere koek. In die behoorlijk luchtig aandoende deun blijkt het op de keper beschouwd over weinig meer te gaan dan “die dagen van de maand” van z’n “zoetje”. Andere topmomenten nog: het op geweldige wijze met z’n eigen twijfels omspringende titelnummer en de knappe Dylan-cover “Buckets Of Rain”. Dat laatste enkel en alleen al om het niveau van Schmidts eigen materiaal tegen af te wegen. Niet één van de hier gebrachte songs dient daar wat ons betreft immers voor onder te doen. Zo goed inderdaad…

Danny Schmidt

Red House Records

Music & Words

 

TODD SNIDER “The Storyteller Live” (Aimless Records / Thirty Tigers)

(4****)

Afgaande op de wel erg royale hoeveelheden aan legale en minder legale live-opnames die je van ‘m op het internet aantreft, is er duidelijk een markt voor concertregistraties van Todd Snider. En het heeft er ondertussen alle aanschijn van dat de songsmid uit East Nashville dat ook zelf ten volle beseft. Met “The Storyteller” is hij immers reeds aan zijn derde live-cd in amper 8 jaar tijd toe. In respectievelijk 2003 en 2007 verschenen eerder al “Near Truths And Hotel Rooms” en de mini “Live At Grimey’s”. Zonder aan de kwaliteiten van die beide schijven af te willen doen, lijkt ’s mans nieuwe ons echter een flink stuk ambitieuzer van opzet. En dat zeker niet enkel omdat het hier een dubbelaar betreft. Met z’n vierentwintig tracks onderlijnt deze copieuze collectie gewoon nog eens vetjes al het goede wat we eigenlijk al over Snider wisten. Deze muzikale zonderling is gewoon één van de scherpste pennen van zijn generatie. En net als bijvoorbeeld ook een John Prine schuwt hij daarbij het element humor absoluut niet. Iets wat hem alvast steevast een goedgemutst publiek oplevert. Sniders zowel het persoonlijke als het meer universele ontledende teksten en in het bijzonder zijn scherpzinnige politieke kanttekeningen ontaarden immers zo goed als nooit in al te droge stof. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de manier waarop hij het hier heeft over het legaliseren van marihuana, de rechten van andersgeaarden of “Conservative Christian, Right-Wing Republican, Straight, White, American Males” en je zal onmiddellijk begrijpen, wat we daarmee bedoelen. Snider is als verteller gewoon een heel erg grote! En met het uit Nederland, Colorado – Door Rolling Stone en de New York Times uitgeroepen tot “marijuana-friendliest town in the United States”! – afkomstige Great American Taxi verkeerde hij tijdens de opnames van “The Storyteller” ook nog eens in uitstekend gezelschap. Hun, zoals Snider het zelf graag omschrijven mag, “medicinal Americana music” zit zijn liedjes werkelijk als gegoten. En “The Storyteller” is dan ook een verbluffend knappe live-cd geworden.

Todd Snider

 

EMILY ARIN “Patch Of Land” (Emily Arin)

(4,5*****)

Niet enkel een hoogst charmante verschijning, deze vanuit Montour Falls, New York actieve Amerikaanse, ook haar muziek valt nadrukkelijk onder die noemer. En haar onder de auspiciën van gerenommeerde producers Brian McTear en  Greg Weeks ingeblikte “Patch Of Land” is wat ons betreft dan ook één van de aangenaamste verrassingen van 2011 so far. Op delicate wijze druppelt Emily Arin daarop met enigszins klaaglijke stem haar intrigerende teksten op een witheet gloeiende plaat, waarop Americana, folk, (roots) pop en andere aanverwante stijlen volledig met elkaar versmelten. Nu eens autobiografisch, dan weer agerend vanuit de derde persoon speelt ze op inventieve wijze met taal. Als voorbeelden noemt ze daarbij naast Nick Drake, Tom Waits, Hank Williams en Gillian Welch verder ondermeer ook nog Sybille Baier, Caetano Veloso en Nick Drake. Namen, die voor een stuk allicht de gediversifieerde aanpak op haar tweede cd verklaren. Feit is, dat ze met haar ontzettend warme voordracht als haar wellicht voornaamste troefkaart een mooie toekomst tegemoet mag zien. Haar precies daardoor vaak bijzonder breekbaar aandoende liedjes lijken immers gewoon voorbestemd tot grootse dingen. Wie niet ogenblikkelijk valt voor de charme van dingen als het weemoedige “Sweetly Breathe”, het over een bedaard countrygitaarmotiefje richting de sterren gezongen “Say”, het alternatieve walsje “Waltz For Spalding Gray”, de knappe atmosferische rootspopdeun “Hidden Flame” of het met name sfeergewijs aan het werk van tal van (Britse) folkgroten refererende “By The Fiery Glow”, die moet gewoon een hart van steen hebben. Dat zijn immers stuk voor stuk bloedmooie liedjes. Een echt toppertje!

Emily Arin

CD Baby

 

THE STATESBORO REVUE “Different Kind Of Light” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

In het hoekje waar doorgaans graag creatief wordt omgesprongen met Southern rock wordt het zo stilaan flink drummen. Aan prima nieuwe releases en zich als veelbelovend aandienende jonge acts alvast geen gebrek de jongste weken! Na SweetKiss Momma en Ponderosa is het zo nu weer de beurt aan The Statesboro Revue. Dat naar een door The Allman Brothers gebracht liedje van blues man Blind Willie McTell vernoemde gezelschap uit Austin, Texas is met “Different Kind Of Light” weliswaar al aan zijn tweede plaat toe, maar lijkt pas nu echt nadrukkelijk op de poort naar succes te gaan bonken. “Years of focusing on songwriting, musicianship, and the goal of incorporating all my extremely diverse influences have truly been realized with this record,” aldus zanger en voornaamste songsmid van de groep Stewart Mann daarover. In een productie van de ondermeer van zijn werk met Gov’t Mule, Jonny Lang, Tab Benoit en de BoDeans bekende David Z gaan Mann en de zijnen dan ook niet voor een Southern rock sound pur sang. Openingsnummer “Little Girl Like You” werd zo bijvoorbeeld flink opgewaardeerd met een behoorlijk funky aandoend gitaarmotiefje, dat als een lastige, op bloed beluste mug op een zwoele zomeravond rond de lenige pipes van Mann heen danst op zoek naar een “hit”. “The Other Side” doet vervolgens akoestische gitaar- en dobrogewijs iets heel moois met Americana en blues, het ruim vijf minuten durende “The Painter” leeft van een door het afwisselende gebruik van akoestische en elektrische gitaren opgebouwde spanning en deed ons beurtelings terugdenken aan de Black Crowes en de Marshall Tucker Band, het door Michael Ramos op toetsen mee ingekleurde “Shine On” neigt richting jam band stuff en het aanstekelijke “Find A Way” is gewoon roots funk tout court. “Over You” strandt vervolgens ergens tussen Americana, soul, swamp en roots rock en de semi-ballade “Comes Back To You” en het op een knap streepje piano geënte en bedaard swingende “Lady” profiteren volop van snarenbijdragen van gastmaestro Papa Mali. “The Fall” is aansluitend bijzonder soulvol gebrachte country rock, titelnummer “Different Kind Of Light” een heerlijk toegankelijke Southern-variant daarop, “Brink Of Heartache” een bezielde 70’s style ballad op z’n Van Morrisons en “Alone” een op zowel de gitaarkunstjes van de tandem Todd Laningham en Will Knaak als de shouter-kwaliteiten van kopstuk Mann terugvallende brok ingehouden Zuiders rockdynamiet. Afgesloten wordt er met het gaspedaal helemaal ingedrukt. Bonustrack “Dirty Sue” is immers recht-toe-recht-aan rock van het type dat in het geheel geen weerstand duldt. Wij zijn alvast verkocht! Nu jij nog…

The Statesboro Revue

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

VARIOUS ARTISTS “I Like It Better Here – More Music From Home” (Hemifrån)

(4****)

Vrij kort na het vrijwel unaniem lovend onthaalde “I Like It Better Here – Music From Home” pakt Hemifrån alweer met een nieuwe verzamelaar uit. En ook dat is weer een echte schatkist voor de liefhebber van Americana en aanverwante genres. Bij de grote meerderheid van de liedjes erop blijkt het immers te gaan om exclusief materiaal. “Citizen K” Klas Qvist en enkele van zijn muzikale gabbers brengen zo vermomd als Smashing Tempchins bijvoorbeeld “You Only Live Once”, een speciaal voor hen door Jack Tempchin, ooit nog songleverancier voor de Eagles, geschreven rootspoppareltje. En ook Fur Dixon & Steve Werner (het ingetogen, compleet op de fraaie samenzang van de twee terende “Little Paradise”), het duo Albert & Gage (“Calling Me Home”), Anthony Crawford (“Unexpected”), Jeff Larson (het ons enigszins aan het betere materiaal van James Taylor herinnerende “Your Way Back Home”), Fayssoux (het tegen een intimistisch walsmotiefje geserveerde Americana-kleinood “Golightly Creek”), Ted Russell Kamp (“You Are My Home”), Annie Keating (een alternatieve versie van “Water Tower View”), Steve Mednick (het fraaie “Why? Why? Why?”, één van z’n allerbeste liedjes tot op heden, als je het ons vraagt), Clarence Bucaro (de demo “Looking For A Home”), de Shiner Twins (een briljante nieuwe versie van “Find Your Way Home”) en Kimmie Rhodes (een ook al nieuwe uitvoering van “I Just Drove By”) tekenen voor nieuwe, respectievelijk exclusieve tracks. Andere speciale “treats” zijn er verder nog van Dean Owens & The Felsons, Slowman, Luke Jackson, Hey Negrita, Little Green en Henrik Af Ugglas. En een stel “hidden bonus tracks” krijgen we ook nog van Steve Noonan en Gangstagrass Feat. Dolio The Sleuth. Een wat de herkomst ervan betreft heerlijk breed gehouden veld aan betrokkenen dus, dat bovendien ook stilistisch gezien nogal wat terrein blijkt te bestrijken. En dat leidt uiteindelijk dan ook tot een niet enkel voor verzamelaars interessante collectie, maar gewoon tot een lekkere luistertrip voor rootsmuziekliefhebbers tout court. Wedden, dat je hierop enkele interessante ontdekkingen kan doen?

(Geïnteresseerden kunnen hier alvast terecht voor alle info met betrekking tot de liedjes op deze knappe sampler, inclusief de songteksten ervan.)

Hemifrån

 

BUDDY MILLER “The Majestic Silver Strings” (New West / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Hier hebben we dus met z’n allen wekenlang hongerig op zitten wachten, he.  Het door protagonist van dienst Buddy Miller zelf als “a dream come true” omschreven “The Majestic Silver Strings” blijkt op de keper beschouwd een recentelijk door de beste man aangegaan samenwerkingsverband met collega-snarenvirtuozen Marc Ribot, Bill Frisell en Greg Leisz. Samen vinden ze ondermeer een aantal country classics geheel en al opnieuw uit. Dat de klemtoon daarbij vooral op inventief snarenwerk ligt, zal gezien de uitzonderlijke context wellicht nergens echt wenkbrauwen doen fronsen. En dat het resultaat het boven alles van z’n speciale atmosfeer moet hebben al evenmin. Wat daarentegen wel zal verbazen is de behoorlijk riante gastenlijst. Miller wist zich voor dit project immers ook te omringen met een stel tot de verbeelding sprekende vocalisten. Zo zingt Lee Ann Womack bijvoorbeeld de sterren van de hemel naar beneden in het intimistische “Meds”. En zijn jarenlange werkgeefster Emmylou Harris laat op al even betoverende wijze haar licht schijnen op “Why I’m Walkin’”. Alsof er een engeltje op je tong piest, zo lekker. En da’s dan nog niet eens het beste nummer hier! Die eer is wat ons betreft immers weggelegd voor “I Want To Be With You Always”, een onwaarschijnlijk mooi duetje met nachtegaaltje Patty Griffin.  Andere hoogtepunten op een plaat vol daarmee: het behoorlijk funky uit de hoek komende en met Ann McCrary aan zijn zij gebrachte “No Good Lover”, het ons qua aanpak een weinig aan de soundscapes van Daniel Lanois en Calexico herinnerende en door Marc Ribot geprevelde “Barres De La Prison”, het door vreemde eend in de bijt Chocolate Genius heerlijk “down to earth” getackelde “Dang Me”, Shawn Colvins flink onder de huid gaande benadering van Merle Haggards “That’s The Way Love Goes” en uiteraard ook het afsluitende “God’s Wing’ed Horse”, waarin de echtelieden Miller elkaar als naar goede gewoonte vocaal weer wonderwel complementeren. Een veel mooiere climax had deze weliswaar vroege, maar bijzonder uitgesproken kandidaat voor de titel van plaat van het jaar 2011 zich ons inziens absoluut niet kunnen wensen. Briljant spul gewoon!

Buddy Miller

New West Records

Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home