CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2012

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

SONS OF BILL “Sirens” - CHIP TAYLOR & THE NEW UKRAINIANS “F**k All The Perfect People” - RUTHIE FOSTER “Let It Burn” - DAVE CARTER & TRACY GRAMMER “Little Blue Egg” - KRISTOFER ÅSTRÖM “From Eagle To Sparrow” - JD FOX & SUNSET TRAVELERS “The Roadmaster: A Tribute To Spooner Oldham” - RACHEL HARRINGTON & THE KNOCK OUTS “Rachel Harrington & The Knock Outs” - MOOT DAVIS “Man About Town” - HOWLIN’ BILL “Date With The Devil” - BETTYSOO & DOUG COX “Across The Borderline: More Lies” - MISS QUINCY “Like The Devil Does” - BOB LIVINGSTON “Gypsy Alibi” - DARKPONY “Suburban Serenade Vol. 1” - ANDRE WILLIAMS “Hoods And Shades” - FRIED BOURBON “Gravy Train” - CHRIS CASTLE “Last Bird Home” - THE BACKCORNER BOOGIE BAND “The Kotten Field Sessions” - JENAI HUFF “Transitions” - LINDA CHORNEY “Emotional Jukebox” - JACK SUNDRUD “Cage” - TOM T. HALL “A Gift From Tom T. Hall: Tom T. Hall Sings Miss Dixie & Tom T.” - VICTOR CAMOZZI “Roadside Paradise” - OTIS GIBBS “Harder Than Hammered Hell” - RANDY THOMPSON “collected.” - JACK HIGGINBOTHAM “Roots” - THE JAMES LOW WESTERN FRONT “Whiskey Farmer” 

 

 

SONS OF BILL “Sirens” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Goed en wel drie jaar na “One Town Away” pakken “de zonen van Bill”, de drie broertjes Wilson, en kompanen eindelijk weer eens met nieuw plaatwerk uit. Hun derde cd ondertussen. En die werd opgenomen onder de productionele hoede van de je allicht ook wel van Cracker bekende David Lowery. Prima werk leverde die overigens, want veel van “Sirens” lijkt zo klaar voor een Amerikaans hitparadebestaan. Veel stadion-fähiger als dit kan je roots rock amper presenteren, zo lijkt ons. Het rockt lekker weg en is bovendien nog heerlijk melodieus ook. En als je dat ook nog eens kan combineren met een vrijwel constant hoge songkwaliteit, dan ben je verdomd goed bezig. Wij waren alvast heel erg te spreken over hitgevoelige deluxe-(country)rockertjes als “Santa Ana Winds”, “Find My Way Back Home” en “Siren Song”, het Springsteen-eske duo “Angry Eyes” en “Radio Can’t Rewind”, het opzwepende, met David Lowery en diens Cracker-maat Johnny Hickman in prominente gastrollen gebrachte “Life In Shambles” en vooral ook het afsluitende “Virginia Calling”, een binnenkort tijdens optredens van de band allicht op veelvuldig in de lucht gestoken aanstekers onthaalde power ballad met ook al nadrukkelijke hitpotentie. Zeker niet enkel geschikt voor liefhebbers van alternatieve country en roots en country rock, als je het ons vraagt, daarvoor is met name het gitaarwerk hier veel en veel te lekker!

Sons Of Bill, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

CHIP TAYLOR & THE NEW UKRAINIANS “F**k All The Perfect People” (Train Wreck / Rootsy / CRS)

(4****)

De titel ervan mag dan al behoorlijk agressief klinken, maar vrees vooral niet, muzikaal gezien doet grijze Americana-eminentie Chip Taylor op zijn nieuwe plaat absoluut geen wereldschokkende dingen. In het gezelschap van zijn vaste gitaarmaat John Platania en de Zweedse gelegenheidsband The New Ukrainians doet hij gewoon weer zestien nummers lang waar hij zo ontzettend goed in is. Behoedzaam, soms meer sprekend dan zingend, laveert hij heen en weer tussen folk, Americana en op een jaren-zeventigleest geschoeide singer-songwriter-country. Heerlijk relaxed klinkt het gros van de uit die aanpak resulterende songs. Je denkt aan een John Prine, een Guy Clark, een Kris Kristofferson en aanverwanten. Muzikaal intellectuele massage voor de ziel, zoiets. Met Platania’s elektrische naar goede oude gewoonte weer als ideaal verlengstuk voor Taylors warmbloedige geneuzel. Verder zeker ook te vermelden: fijne pedal-steelbijdragen namens Örjan Maki, bijzonder aangename backing vocals van Audrey Martels en Zhana Saunders en prima zang tout court van Tony Björkenvall in “I Know Dark”. En gasten passeren natuurlijk ook de revue. Met name de namen van Paal Flaata van Midnight Choir en fiddler Fats Kaplin vallen daartussen op. Zij brengen samen met Taylor en Ida Jenshus het naar aanleiding van de zich op 22 juli van vorig jaar op het eiland Øtuya voorgedaan hebbende tragische feiten geschreven “This Darkest Day”. Een werkelijk bloedmooi, van de emotie druipend liedje, dat Taylor voor het eerst zong op een speciaal voor de families en vrienden van de slachtoffers van Anders Breivik georganiseerd concert. Andere net wat meer dan de rest in het oog springende songs hier: het zeemzoet naar “al te volmaakte” medeburgers uithalende titelnummer, het als eerbetoon aan alle gevangenen voor wie hij de voorbije jaren speelde en met wie hij sprak opgevatte “Norrtälje Prison”, het voorzichtig (roots)rockend naar een recensent die hem en zijn nieuwe maten als “Too Dynamic!” omschreef uithalende gelijknamige liedje en zeker ook “The Dutchman Blues”, waarin hij zich warm uit jegens een handvol Nederlandse vrienden voor het leven. Fraaie staaltjes liedgoed van een man in de vorm van zijn leven.

Chip Taylor op MySpace, Train Wreck Records, Rootsy.nu, Continental Record Services

 

RUTHIE FOSTER “Let It Burn” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Dit wordt voor Ruthie Foster de plaat van de waarheid. Abso-zeker-weten-luut! Voor het eerst klopt bij La Foster immers van de eerste tot de laatste noot werkelijk alles. In een productie van de ondermeer om zijn werk met John Hiatt, Los Lobos en Richard Thompson geroemde John Chelew haalt ze veertien songs lang vol uit. Daarbij uiteraard weer de nodige vergelijkingen oproepend met grote souldames als Mavis Staples en Aretha Franklin verdeelt ze op “Let It Burn” haar aandacht over eigen songs, materiaal van hippe acts van het moment (Adele, Black Keys) en persoonlijke, al wat oudere favorieten (The Band, Johnny Cash, CSNY, Los Lobos, John Martyn). En dat zulks tot bij momenten ronduit verbluffende resultaten leidt is zeker in niet geringe mate ook de verdienste van de vele gerenommeerde gasten, die ze tijdens de opnames van “Let It Burn” in de Piety Street Recording-faciliteiten in New Orleans mocht begroeten. We noemen in dat verband ondermeer de legendarische Motown-toetsenist Ike Stubblefield (Hammond B3-orgel en piano), de al evenzeer tot de verbeelding sprekende ritmetandem van de Meters George Porter, Jr. (bas) en Russell Batiste (drums), pedal steel-geweldenaar Dave Easley en tenorsaxofonist James Rivers. En verder vooral ook soulgrootheid William Bell en The Blind Boys of Alabama natuurlijk. Met Bell ging ze een duet aan voor diens eigen “You Don’t Miss Your Water”,  met de steun van The Blind Boys brengt ze liefst vier nummers: de heerlijke soulballade “Welcome Home” en de gospel beauty “Lord Remember Me”, beide eigen nummers, de CSNY-cover “Long Time Gone” en de van een compleet nieuw arrangement voorziene traditional “The Titanic”. Stuk voor stuk echte topmomenten! En zo treffen we er hier nog wel wat meer aan. We denken dan bijvoorbeeld aan het volledig onthaaste, door Foster eigenlijk gewoon heruitgevonden Cash-meesterwerk “Ring Of Fire”, het ons gevoelsmatig best wel een beetje aan Bonnie Raitt herinnerende “Aim For The Heart”, een heel mooie, buitengewoon gevoelig gebrachte lezing van “It Makes No Difference” van The Band en een al even pakkende benadering van “Don’t Wanna Know” van John Martyn. Met dat soort van knalprestaties doet Foster wat ons betreft finaal een gooi naar de titel van nieuwe “Queen of Soul”.

Ruthie Foster, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DAVE CARTER & TRACY GRAMMER “Little Blue Egg” (Red House Records / Music & Words)

(4****)

Welk een geweldig groot talent er aan de veel te jong overleden Dave Carter wel verloren ging blijkt maar weer eens uit het recent verschenen “Little Blue Egg”. Het betreft daarbij een door zijn muzikale levensgezellin Tracy Grammer opgediepte collectie liedjes, die het tweetal tussen 1997 en 2002 in de eigen thuisstudio inblikte. Tien daarvan zijn Carter-originelen, het elfde, “Way Over Yonder In The Minor Key”, een cover van je die wellicht nog wel van de samenwerking tussen Billy Bragg en Wilco “Mermaid Avenue” bekende Bragg-Woody Guthrie-compositie. Elfmaal folk en Americana op z’n puurst! Gebracht in een tot haar absolute essentie herleide bezetting, waarin naast voor wat snarenwerk van het duo Carter (gitaar, slide en banjo) en Grammer (viool) zelf amper plaats bleek voor anderen. Claire Bard mocht tekenen voor wat bijkomende zang, Jonathan Mann leverde een bijdrage op de bas en Eric Park deed hetzelfde op harmonica en accordeon, maar dat was het dan ook echt. Stralend middelpunt van de belangstelling zijn hier te allen tijde de elkaar geweldig aanvullende stemmen van beide protagonisten en vooral ook de teksten van Carter. Zij verlenen aan dit song-elftal een volstrekt tijdloos karakter. Niet te geloven eigenlijk, dat liedjes van een dergelijk buitengewoon kaliber zo lang op de plank bleven liggen. In al zijn eenvoud niets minder dan een echte parel!

Dave Carter & Tracy Grammer, Red House Records, Music & Words

 

KRISTOFER ÅSTRÖM “From Eagle To Sparrow” (Startracks / Tapete / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Dit Zweedse übertalent is wat ons betreft in onze kontreien dringend aan wat meer naambekendheid toe! De man levert met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk fantastische platen af en schopte het daarmee volslagen onterecht nauwelijks verder dan tot in de vaak sowieso al overvolle rekken van een handjevol ingewijden. En daar moest nu dus met “From Eagle To Sparrow” maar eens verandering in komen. Veel mooier worden ze naar onze bescheiden mening immers niet al te vaak gemaakt. Als dat niet zo zwaar zou klinken, zou je het Kristofer Åströms eigen “Nebraska” kunnen noemen. Opgenomen bij hem thuis, op de akoestische solotoer. En met welk een resultaat! Zalig intiem, heerlijk intens ook. Met die warme, breekbaar ruw aandoende stem van ‘m meer dan ooit als het stralende middelpunt van elke vorm van belangstelling. Goed voor zo menig een emotionele songpijl recht door het hart. Zeker als Åström zelf tekent voor de begeleiding op de eigen akoestische of een mondharmonica. Dan wordt de door hem verklankte eenzaamheid tastbaar. Dan krijgen zijn “stories of a broken heart” iets nagenoeg onweerstaanbaars over zich. Een grote songsmid vindt op die momenten zijn gedroomde natuurlijke biotoop. En dus zijn de op die manier ingevulde liedjes op “From Eagle To Sparrow” ook nadrukkelijk in de meerderheid. Een keer of twee drie maar krijg je hier het gevoel met een groepswerk te maken te hebben. Dat is als gitarist Per Westling, bassist Mikael Lundgren, drummer Patrick Gustafsson en toetsenman Mattias Nyberg de Americana van Åström wat meer vaart proberen mee te geven. Noem het maar de broodnodige afwisseling. Alhoewel, broodnodig? Vooral de solitaire momenten blijken hier van zo’n grote klasse, dat je die wat snellere intermezzo’s eigenlijk misschien wel liever achterwege had zien blijven. Niet dat het mindere nummers zijn of zo, dat zeker niet, maar de rest is nu eenmaal van zo’n geweldig hoog niveau, dat ze automatisch een beetje in de schaduw komen te staan. Onze favorieten: het met Maria Taylor gedeelde “Full Moon”, het met heel mooi mondharmonicawerk flink opgewaardeerde “For You” en de pakkende smeekbede “When Will You Come Back?”. Die drie prachtdeunen verdienen stuk voor stuk de vlag van “primus inter pares”. Maar – Eerlijk is eerlijk! – ook de rest van dit song-twaalftal zouden we hier echt voor geen geld van de wereld meer willen missen!

Kristofer Åström, Sonic Rendezvous

 

JD FOX & SUNSET TRAVELERS “The Roadmaster: A Tribute To Spooner Oldham” (JD Fox)

(3,5****)

De tijd dat je voor toffe platen in de op deze pagina’s besproken genres per definitie je blik op het buitenland en met name dan de States moest richten ligt al een tijdje achter de rug. Toegegeven, van een overproductie hebben we nog steeds niet echt last, maar we worden wel al steeds vaker verrast. En dat is goed! Kunnen we alleen maar toejuichen. En dat doen we ook met “The Roadmaster”, de recent verschenen nieuwe cd van een oude bekende. Jan De Vos kennen we nog als de drummer van The Machines, de Vlaamse hitgroep, die begin jaren tachtig uitgebreid van zich deed spreken met “Don’t Be Cruel”, “The Lies In Your Eyes” en andere popjuweeltjes. Diezelfde De Vos is dezer dagen actief onder het pseudoniem JD Fox en nam in het gezelschap van de Nederlandse Sunset Travelers een heel mooi eerbetoon aan zijn eigen held Spooner Oldham op. Oldham, wiens toetsenwerk door de jaren heen zo menig een vanuit Muscle Shoals, Alabama gelanceerd Southern soul-pareltje mee naar eenzame hoogten hielp stuwen, wordt hier door De Vos met uitermate veel respect benaderd. En met name in Roel Spanjers vond onze landgenoot daartoe een ideale bondgenoot. Diens bijdragen op ondermeer akoestische en elektrische piano’s en orgel waren immers exact wat De Vos’ lezingen van de liedjes van Oldham en zijn partner in crime Dan Penn nodig hadden. Zonder daarmee ook maar iets te willen afdoen van de kwaliteit van de instrumentale kunstjes van alle andere betrokken muzikanten is het toch vooral de door Spanjers uitgerolde toetsenloper die De Vos helpt bij het sfeervol heruitvinden van de door hem gekozen songs. Bekende dingen als het vooral in de versie van de Box Tops de eeuwige jukebox gehaald hebbende “Cry Like A Baby” en “I’m Your Puppet” (Remember James & Bobby Purify, anyone?), maar ook heel wat minder voor de hand liggend spul. Kenmerkend is daarbij vooral de groove. Heerlijk relaxed gaat het er hier aan toe. En in dat natuurlijke biotoop komt de wollig warme stem van De Vos wellicht ook het best tot haar recht. Oldham zelf was alleszins tevreden over het resultaat. “It was a pleasure to hear the songs Jan did on this album. He sings from the heart. He is a soulful person.” Mooie woorden, waartoe de legende zich liet verleiden in de liner notes van “The Roadmaster”. Maar wat De Vos wellicht nog veel dieper geraakt zal hebben, is het feit dat hij zijn idool zelfs bereid vond om samen met hem de afsluitende sleper “I’m Not Through Loving You Yet” te brengen. Je hoort als het ware ’s mans kippenvel bij elk toetsaanslag van Oldham. Een enig mooi nummer is het uiteindelijke resultaat. Een waardige afsluiter voor een album, dat zich hier de voorbije dagen met elke nieuwe beluistering weer wat populairder wist te maken. Een echt groeiplaatje noem je zoiets, geloof ik…

JD Fox

 

RACHEL HARRINGTON & THE KNOCK OUTS “Rachel Harrington & The Knock Outs” (Continental Song City)

(4****)

Zoals hier hoorde je Rachel Harrington op plaat tot dusverre nog niet! Voor haar vierde trok de maakster van de Americana-juwelen “The Bootlegger’s Daughter”, “City Of Refuge” en “Celilo Falls” immers resoluut de kaart country(rock). Daartoe omringde ze zich met een handvol andere dames, die haar vermomd als The Knock Outs van een gepast geluid konden voorzien. We hebben het dan over bassiste Rebecca Young, fiddler Alisa Milner, drumster Aimee Tubbs en gitariste Moe Provencher. Samen met bekende en minder bekende (mannelijke) gasten als Tim Carroll (gitaar), Tommy Hannum (pedal steel), Colby Sander (gitaar), Billy Stover (piano) en Mark Erelli (zang) voorzien zij Harrington van een sound, waarin wij nadrukkelijk sporen van zowat elke vorm van het betere jaren zeventig-countrywerk meenden te mogen ontwaren. Wat old-school honky-tonk en Western swing, wat country soul, wat rock & roll. En uiteraard ook nog altijd wat van haar specialisme, te weten Americana. En het mooie van alles is, dat Harrington die stijl-switch schijnbaar moeiteloos overleeft. En vooral ook, dat ze ook in deze nieuwe context tekstueel gezien sterk uit de hoek blijft komen. Spitsvondig vooral ook. Zoals in openingsnummer “Makin’ Our House A Honkytonk” bijvoorbeeld, waarin ze dé oplossing vindt om haar stapgrage echtgenoot wat meer bij zich thuis te houden. Gewoon even zorgen voor wat sloten aan bier en de eigen woonst omtoveren tot een heuse bar. Even simpel als geniaal! Dat liedje, de knappe ballade “I’ll Show You Mine”, een in duet met collega Mark Erelli gebracht streepje één-tegelwerk, het lijzige “Hippie In My House” en het lekker rockende “Nothin’ To Do But You” vonden hier al snel een stek tussen tal van andere actuele iPod-favorieten. En er zullen er allicht snel nog wel een paar andere gaan volgen ook…

Rachel Harrington, Continental Record Services

 

MOOT DAVIS “Man About Town” (Highway Kind Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Toen er een aantal jaren geleden abrupt een einde kwam aan het muzikale verstandshuwelijk tussen countrysuperster Dwight Yoakam en zijn vaste secondant Pete Anderson, leek die laatste al snel een ideale opvolger achter de hand te hebben met Moot Davis. Voor die nieuwe poulain produceerde hij het knappe tweetal “Moot Davis” (2003) en “Already Moved On” (2007). Maar al snel kwam er ook ditmaal weer een haar in de boter. Davis kon zich na die twee platen immers al niet echt meer vinden in de succesformule, die Anderson voor hem in gedachten had. Hij wou vooral zijn eigen ding kunnen doen. En dus scheidden ook de wegen van Davis en Anderson weer. Davis trok vervolgens voor een half jaar naar Nieuw Zeeland. Een kwestie van herbronnen, noemde hij dat recent zelf. En aansluitend ging het ook nog richting Austin, waar hij het gros van het materiaal voor zijn nieuwe plaat alvast maar even klaarstoomde. Een album, dat nu, ruim vijf jaar na zijn tweede, eindelijk het daglicht ziet. Eindelijk, want het is opnieuw een echte beauty geworden! Met opnieuw een supergitarist aan boord ook. Die vond Davis ditmaal in de persoon van Kenny Vaughan, het snarenwonder achter Marty Stuart in diens Superlatives. En die Vaughan was het ook, die zijn derde produceerde. Hij zag, hoe ondermeer Harry Stinson (drums), Paul Martin (bas), Chris Scruggs (steel- en andere gitaren), Hank Singer (fiddle) en George Bradfute (slide) bijdroegen tot een plaat, die we ons straks nagenoeg zeker zullen herinneren als één van de beste countryworpen van 2012 überhaupt. Ondermeer omdat het zo’n lekker gevarieerd geheel geworden is. Met dertien eigen nummers van Davis, die zowel wat betreft hun inhoud als hun sound een zo breed mogelijk scala lijken na te willen streven. Openingsnummer “Rags To Rhinestone”, gebaseerd op een Davis door collega Dave Gleason aangereikt verhaal en gepend met Donnie Herron van BR549, sluit zo nog redelijk aan bij ’s mans verleden. Het swingt als de pest. ’n Beetje Bakersfield hoorden we erin, maar vooral de Lone Star State toch. Traditionele country hoegenaamd op z’n allerbest! Vervolgens gaat het via “Day The World Shook My Hand”, een soort van onthaaste hillbilly rocker, en “Rocket”, een aan een ooit geplande autobiografie onttrokken zomerse country story song, richting materiaal dat meer kenmerkend is voor de Moot Davis anno nu. We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag “Black & White Picture”, een dijk van een murder ballad, “Crazy In Love With You”, een ook al bloedmooi duet met Elizabeth Cook, “Queensbury Rules” en “Rust”, nummers die mede door het bluesy gitaarwerk van Vaughan erin ergens in de buurt van Bonnie Raitt dreigen te eindigen, en de op schitterende wijze gevoelens van wanhoop verklankende countryrocker “Memory Lane”. En dan vergaten we nog bijna het buitengewoon sfeervolle titelnummer, het misschien wel allermooiste liedje van allemaal hier. Met Davis enkel vergezeld door een akoestische en een steel op zijn allerbest! Bijzonder straffe kost!

Moot Davis, Sonic Rendezvous

 

HOWLIN’ BILL “Date With The Devil” (Naked Productions / Donor / Bertus)

(5*****)

Voor mij ontegensprekelijk dé rootsplaat van het moment, deze nieuwe van het Antwerpse collectief Howlin’ Bill. En ik tipte het album dan ook al voor de Euro Americana Chart van deze maand. Helaas bleek dat nog net niet voldoende voor een effectieve notering in die trendsettende lijst. België moet duidelijk zijn plaats op de Americana-kaart nog verdienen… Maar goed, dat kan de pret absoluut niet drukken. En het doet al zeker niets af aan de verdiensten van het Antwerpse kwartet. Het in 2011 naar onze bescheiden mening volkomen terecht tot winnaar van de European Blues Challenge uitgeroepen viertal treedt op “Date With The Devil” immers zo’n beetje in de voetsporen van de grote Blasters. Net als de legendarische groep rond de broers Alvin specialiseren Howlin’ Bill en co zich in “American Music”. Waar de Alvins en kompanen echter vooral met rock & roll in al z’n varianten in de weer waren, ligt de focus bij hen meer op een blues- en R&B-gerichte aanpak. En dat met een vergelijkbaar verslavend resultaat. Van het over een in de verte aan Chuck Berry herinnerend ritme neergelegde “Rat Race” tot het ook al getormenteerd door het eigen bestaan uit de speakers glijdende “Turn Out The Lights”, van het over een jazzy groove het bestaan van het hard werkende heerschap uit zijn titel bezingende “Bellboy John” tot de aan lekker vet mondharmonicawerk van De Vos opgehangen lofzang aan de eigen “Missus” “My Baby”, van de hypernerveuze R&B van titelnummer “A Date With The Devil” tot het speels geile “Night Nurse”, van de hikkende achterbuurtenblues-a-billy van “Fifteen Years” tot het lekker gemeen uit de hoek komende credo van de groep “Howl”, van het met een Zuid-Amerikaans motiefje stoeiende “So Close” tot de sublieme, een stalkster het nakijken gevende R&B-trage “Get Outta My Life”, van de swingende, zijn titel helemaal waar makende instrumentale “Bill’s Day Off” tot de afsluitende trage blues-streep “Hurt My Child”, ik kan niet zeggen, dat hier ook maar één nummer op staat, dat me niet aanspreekt. Wat mij betreft valt “Date With The Devil” dan ook te rangschikken onder de hoofding “verplicht aan te schaffen”.

Howlin’ Bill, Naked Productions

 

BETTYSOO & DOUG COX “Across The Borderline: More Lies” (Continental Song City)

(4****)

Het lijkt allemaal zo verdomd simpel, wat ze doet op haar vijfde studioplaat “Across The Borderline: More Lies”, maar God wat is wat BettySoo hier in samenwerking met snarenvirtuoos Doug Cox brengt weer mooi. Nummers van Noëlle Hampton, Jo Carol Pierce, Jerry Jeff Walker, George Harrison, Charlie Faye en Trent Summar, Woody Guthrie, David Halley en Chris O’Brien trekt ze met haar honingzoete stem weer helemaal naar zich toe. En dat terwijl Cox op zijn Resophonic zorgt voor een ongemeen sfeervol klanktapijt. Zingen doet hij overigens ook, die Cox. Enigszins aarzelend nog in “Heartaches And The Old Pains” van Charlie Faye en Trent Summar, waarin hij vooral een ondersteunende functie heeft, maar in cultfiguur Willis Alan Ramsey’s “Angel Eyes” en het afsluitende “Everybody Thinks You’re An Angel” (van Amy Allison) wordt alle schroom achterwege gelaten en toont hij, dat hij met zijn wat verweerd aandoende stem best ook op eigen benen kan staan. Echt wel bloedmooi, dat laatste deuntje, met BettySoo voor de gelegenheid op accordeon, wat het walskarakter ervan alleen nog maar versterkt. Verder vooral pastoraal aandoende Americana hier, een enkele keer met een licht bluesy of swampy randje. Met als sterkste momenten wat ons betreft het hier meteen een heus lentegevoel evocerende “Black Wing Butterfly”, de ingetogen beauty “Loose Diamond”, de Americana-lezing van George Harrisons “While My Guitar Gently Weeps” (En dat doet die van Cox daarin inderdaad!) en het al genoemde “Everybody Thinks You’re An Angel”. Van een ronduit ontwapenende schoonheid allemaal!

BettySoo, Across The Borderline, Continental Record Services

 

MISS QUINCY “Like The Devil Does” (Miss Quincy)

(4****)

Met een straf debuut uitpakken is één ding, er een even sterk vervolg aan vast breien vaak nog wat anders. Gelukkig voor ons heeft Miss Quincy absoluut geen last van dat “moeilijke tweede”-syndroom. Met “Like The Devil Does” lost de apart ogende jonge Canadese moeiteloos de belofte van haar grandioze eersteling “Your Mama Don’t Like Me” in. In een productie van haar landgenoot Tim Williams en resoluut opterend voor een “live-off-the-floor”-aanpak serveren zij en haar begeleiders opnieuw tien intrigerende lappen rootsy luistervoer. Van het swampy “Love Me Like The Devil Does” tot de superieure blues & roots-trage “Going Down”, van het zich over een schokschouderend gitaarmotiefje voortslepende “Dirty Sunday” tot het jazzy, sensueel croonend gebrachte en maar weinig aan de verbeelding overlatende “I Want A Little Sugar In My Bowl”, van het nerveuze streepje “old-time country anno nu” dat “Dangerous” is tot de ingetogen verhalende Americana van “Til The Money Comes In”, van het door Tim Williams op z’n banjo onderbouwde “Dawson City Line” tot het mede door een alleraardigst potje honky-tonk pianowerk van Ron Casat op bijzonder treffende wijze de vroege uurtjes in de één of andere bruine bar evocerende “Silent Movie”, van de ingehouden rootsrockende, waarschuwende vinger in de lucht “Hurricane” tot het afsluitende “Carmen”, een vertederende country-liefdesbekentenis met mooi aanvullend zangwerk van Alyssa Jean Gardner en een al even fraaie bijdrage op de elektrische van Tyler Toews, hoegenaamd niet één van de door “Sassy Quincy” hier gebrachte liedjes valt in negatieve zin op. Wel integendeel! Samen vormen ze andermaal een bijzonder kleurrijk geheel, waaraan eigenlijk geen enkele rechtgeaarde liefhebber van een goede pot Americana op zijn tijd nog voorbij kan. “A smokin’ new album indeed!”

Miss Quincy

 

BOB LIVINGSTON “Gypsy Alibi” (New Wilderness Records)

(4****)

Aan schoon volk in de buurt absoluut geen gebrek, toen Bob Livingston voor de opnames van de opvolger van zijn quasi onder de lovende kritieken bedolven “Mahatma Gandhi And Sitting Bull” uit 2004 de gerenommeerde Cedar Creek Studio in Austin opzocht. Lloyd Maines, Bradley Kopp, Glen Fukunaga, Dave Sanger, Riley Osbourne, Bill Kirchen, Chris Gage, Jill Jones, Bukka Allen, Betty Soo, Lee Ann Atherton en het lijstje gaat nog wel even verder, stuk voor stuk gaven ze acte de présence. Maar ja, Livingston is dan ook niet zomaar iemand. De beste man verdiende in het verleden al ruimschoots zijn sporen in de legendarische Lost Gonzo Band en aan de zijde van muzikale groten der aarde als een Jerry Jeff Walker, een Michael Martin Murphey en een Ray Wylie Hubbard. En bovendien ook als “Music Ambassador for the US State Department”. Als muzikale wereldreiziger dus. En dat heeft bijna als vanzelfsprekend ook zo z’n sporen nagelaten op “Gypsy Alibi”. Op die ondertussen op de Texas Music Awards al tot “album van het jaar” uitgeroepen schijf bestrijkt Livingston immers nogal wat terrein. En daarbij beperkt hij zich lang niet alleen tot het in de Lone Star State gebruikelijke. Van roots pop tot folk rock, van Americana tot country, van Western swing tot rockabilly, van zijn roots in Lubbock verradend verhalend spul tot een met Chandan Dutta op de tabla in 1991 in Bangladesh ingeblikte cover van Buddy Holly’s “Not Fade Away”, het kan hier eigenlijk voortdurend alle kanten uit. En dat zulks leidt tot een uitermate interessante luistertrip behoeft allicht amper nog verder betoog.

Bob Livingston

 

DARKPONY “Suburban Serenade Vol. 1” (Darkpony Music)

(3,5****)

Twaalf was hij, toen hij voor het eerst een gitaar omgordde, deze Jon Herchert. En nauwelijks vier jaar later zou hij ook al zijn plaatdebuut maken met het door hem samen met zijn maat Jason Bush boven de doopvont gehouden Mango Jam. Met die in de jaren negentig aardig succesvolle jam band zou hij in totaal vier albums afleveren om vervolgens resoluut voor een bestaan als sideman te opteren. Ondermeer voor jong bluesidool Jonny Lang. En pas nu, volle 21 jaar later, komt hij weer op die beslissing terug en levert hij op relatief late leeftijd zijn solodebuut af. Want dat is dit dus wel degelijk, he, de eersteling voor eigen rekening van Jon Herchert. Darkpony blijkt immers niets anders dan een door het legerverleden van zijn vader – Die diende als helikopterpiloot voor de Dark Horse-eenheid in Vietnam! – geïnspireerd pseudoniem. Herchert schreef zelf alle songs voor “Suburban Serenade Vol. 1”, zong ze in, bespeelde gitaren, bas en keyboards en tekende ook voor de productie van het album. En die “Wat je zelf doet, doe je goed!”-benadering bleek bij nader inzicht een terechte zet. De twaalf liedjes, die de man uit Minneapolis hier aflevert, klinken immers zonder uitzondering puntgaaf. Het merendeel ervan valt onder de ruime noemers roots pop en rock. En veelal blijkt het daarbij om erg melodieuze kleinoden te gaan. “Turnaround” is er zo bijvoorbeeld één. Een zomers, met zich meteen knus tussen je oren nestelend snarenwerk onderbouwd rockertje, dat behoorlijk ongegeneerd om radioaandacht bedelt. En het lijzige “Hey Ma”, dat mede dankzij een functionele dobrobijdrage van Joe Savage wat meer richting Americana overhelt, zeker ook. Of het ons beurtelings een weinig aan Costello en de Beatles herinnerende “Dog” ook. En zo zouden we nog wel even kunnen doorgaan met opsommen. Maar dat doen we lekker niet, want wat van “Suburban Serenade Vol. 1” ons inziens de sterke plaat maakt die het is, is de zeer gelijkmatige kwaliteit van het liedjesmateriaal erop. Eigenlijk kunnen gewoon alle twaalf liedjes hier zó op de radio. Maar als we er toch al één favorietje zouden moeten uitpikken, doe dan maar de atmosferische trage “Someday Baby”. Dat zingt Herchert als het ware met het woordje “Hit!” vet op zijn voorhoofd geschreven…

Darkpony

 

ANDRE WILLIAMS “Hoods And Shades” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

“Hoods And Shades”, de nieuwe van Andre “Vettig Dréke” Williams, is een potje authentieke blues op maat van wie het allemaal graag lekker ouderwets mag hebben. Zwaar vernieuwend kan je wat Williams en co hier doen immers amper noemen, maar moet dat überhaupt wel? De man kent immers als geen ander zijn vak en gromt zich al sinds jaar en dag comfortabel een weg richting een vaste stek tussen je oren. Hij heeft het allemaal al gezien en gehad en speelt daardoor wellicht zonder het zelf goed en wel te beseffen op safe. “Mijn folkplaat” noemde hij zijn nieuwe onlangs zelf en daarmee typeerde hij ze ons inziens toch wel enigszins bizar. Want hoe relaxed het er door de band genomen ook op aan toe gaat, het is en blijft toch in de eerste plaats wel degelijk blues. Zij het dan ook regelmatig met een loom funky randje. En soms inderdaad wel eens met een knipoog richting folk, ja. Slechts enkele nummers zijn wat meer up-tempo van aard. “Jaw Dropper” doet het zo over een speels rockabilly-motiefje, “Hu-Matic Man” rockt voorwaar en “Dirt” is bedaarde R&B, die ons beurtelings aan Chuck Berry en Solomon Burke wist te herinneren. Drie nummers, die gasten als Don Was, voormalig Motown-gitarist Dennis Coffey, Dirty Three-drummer Jim White en diens voornaamgenoot Jim Diamond, bassist bij garageband The Dirtbombs, wellicht toch net wat beter hebben gelegen dan de rest van het materiaal hier. Eén nummer willen we tenslotte graag nog even vermelden en dat is “Swamp Dogg’s Hot Spot”. Daarin vertelt Williams – Letterlijk! – het verhaal van zijn al ruim vijftig jaar in de R&B- en blues-scene actieve maat Jerry “Swamp Dogg” Williams, een “misfit”, die wij voor eeuwig en altijd dankbaar zullen blijven voor de ontdekking van de helaas nog immer zwaar onderschatte Southern souldiva Doris Duke. (Mocht je haar nog niet kennen, dan moet je hoogdringend aan de ondertussen zo’n jaar of zeven geleden door het Kent-label aan haar gewijde release “I’m A Loser”. Werkelijk briljant spul is dat immers!)

Andre Williams, Bloodshot Records

 

FRIED BOURBON “Gravy Train” (Naked Productions / Bertus)

(4,5*****)

Het zijn echte hoogdagen voor bluesliefhebbers met een hart dat klopt voor Vlaanderen! Het lijkt potverdorie wel Sinterklaas zo kort voor Pasen! Op nauwelijks een paar dagen tijd pakken immers liefst drie van onze beste blues & roots acts met nieuw platenmateriaal uit. Van Lightnin’ Guy mogen we eerdaags het in The Borderline in Diest live ingeblikte “Plays Hound Dog Taylor” begroeten, van het Antwerpse viermanschap van Howlin’ Bill “Date With The Devil” en van Fried Bourbon “Gravy Train”. En aan dat laatste album willen we hier als eerste de nodige aandacht besteden, want dat is een regelrechte bom geworden! Wat Steven Troch (zang en harmonica), Chris Forget (diverse bassen), Tim Ielegems (gitaren) en Stefan Decoene (drums) hier dertien nummers lang uit de mouw schudden is gewoon nergens minder dan van internationaal niveau. Aan boord van de werkelijk aan een rotvaart voortdenderende trein uit de titel van de plaat nemen ze ons mee op een swingende trip langsheen zowat elk stukje van de States dat heilig zou kunnen zijn voor wie irgendwie blues-minded is. Chicago natuurlijk, maar ook Memphis, Clarksdale en andere haltes worden terloops aangedaan. En liefst elf van de dertien stilistisch gezien andermaal nogal wat terrein bestrijkende nummers blijken daarbij van eigen hand. Enkel Sonny Boy Williamsons “Nine Below Zero” en Jerrie “Boogie” McCains “Turn Your Damper Down” blijken vreemde eenden in de bijt. Het ene een door Trochs zich het hart nagenoeg uit het lijf jankende harmonica gedragen streep liefdesleed, het andere een stomende boogie, door heerlijke pianoloopjes van gast Gene Taylor en alweer stomend smoelschuifwerk over de rails voortgejaagd. Maar goed, dat zijn zoals al gesteld de enige twee covers hier. En de echte delicatessen, die bevinden zich wat ons betreft toch vooral tussen de eigen composities. We noemen dan bijvoorbeeld het wervelende openingsnummer “A Feeling Called The Blues”, waarin Tim Ielegems meteen mag laten horen, dat hij nogal wat buitenlandse concurrenten moeiteloos naar huis speelt op zijn gitaar, het ritmisch voorbij stuiterende titelnummer, het zijn titel op gloedvolle wijze helemaal waarmakende “Blowin’ My Blues Away”, het sympathiek rammelende “Lovin’ Man”, het resoluut op dansgrage benen mikkende “Kiddo” en de ongemeen soulvolle trage “The Storm”. Je merkt het: aan variatie absoluut geen gebrek hier! En dat eigenlijk zonder ook maar één enkele keer gemaakt over te komen. Het moge duidelijk zijn, dat deze vier heren hun bluesgeschiedenis niet alleen kennen, maar ook tot in detail beheersen. En dat levert hier en nu een album op, dat voor de Belgische concurrentie de lat voor 2012 al meteen heel erg hoog legt. Benieuwd of ze dit nog kunnen toppen…

Fried Bourbon, Naked Productions

 

CHRIS CASTLE “Last Bird Home” (Dirtsandwich Music Company)

(4****)

Chris Castle geldt momenteel in zijn thuisland als één van dé coming men binnen het Americana-genre. En dat helpt je natuurlijk een flink eind vooruit, als je op zoek moet om je met de juiste mensen voor je nieuwe plaat te omringen. Aan gegadigden voor die job absoluut geen gebrek! Zo wist Castle voor de opnames van “Last Bird Home” ondermeer Garth en Maud Hudson, Larry Campbell, Tommy Ramone, Gabriel Butterfield en de Womack Family Band te strikken. Samen met hen vond hij een tijdelijk onderkomen in de Levon Helm Studios in Woodstock, NY. En daar werden met de hulp van de ondermeer om zijn werk met de Black Crowes en huisbaas Levon Helm geprezen Justin Guip de elf nummers van het album vereeuwigd. Elf eigen songs, die er absoluut geen twijfel laten over bestaan, waarom Castle ondermeer al de planken mocht delen met kleppers als een Darrell Scott, een Jeff Black, een Radney Foster, een Jimmy Webb en een Richard Shindell, om er maar enkelen te noemen. De man is inderdaad een buitengewoon begenadigde songwriter. Zijn liedjes zullen wellicht zo menig een belletje bij je doen rinkelen, maar stoten anderzijds geregeld ook poorten naar nieuwe ervaringen open. En wat ze vooral heel erg aantrekkelijk maakt, is dat ze absoluut geen lange inloopperiode nodig blijken te hebben. Eén keer horen en je bent geheid verkocht. Met name de wat ingetogenere nummers, waarin hij ons (stemgewijs) een heel klein beetje deed denken aan Slaid Cleaves, hadden hier alvast dat effect. En dat ondanks bepaald niet lichte onderwerpen als mislukking, verlossing en de dood. Sterke voorbeelden daarvan zijn ondermeer “Stumbling Stone”, “Both Ends Of A Gun” en “Perfect World”. Nummers, die zeker wat betreft hun muzikale invulling contrasteren met heel wat van het andere materiaal hier. Openingsnummer “Lion In The Cage” blijkt zo een springerige rootsy rocker met Garth Hudson aantrekkelijk aan de slag op z’n Hammond B3, “Rest My Weary Body” een mooie Americana-pianoballade, “All Kinds Of Time” een met leuk fiddle-werk besprenkeld streepje singer-songwriter country, “Adelai” een Americana-soortgenootje met Larry Campbell ditmaal excellerend op de resonatorgitaar en “Dirty Water” zelfs een bescheiden uitstapje richting bluesy rock. Erg sterk allemaal!

Chris Castle

 

THE BACKCORNER BOOGIE BAND “The Kotten Field Sessions” (Suburban Records)

(4****)

The Backcorner Boogie Band is het nieuwe bandje rond Hendrik Jan Jovink. Nou ja, bandje… Veeleer een twaalfkoppig monster – In de positieve zin van het woord dan! – met een nadrukkelijke voorliefde voor rootsmuziek, zoals men die in de zuidelijke staten van de VS pleegt te praktiseren. Wat Jovink en co op hun debuut “The Kotten Fields Sessions” brengen is heerlijk groovy, het funkt, het stampt, het rockt, kortom: het is gewoon ontzettend lekker. Dit ruikt allesbehalve naar het ergens diep in de Nederlandse Achterhoek verscholen Kotten uit de plaattitel! Gelijk van bij het van nagenoeg van de soul overlopende en een weinig aan de Black Crowes in hun beste dagen herinnerende “Better Days” waan je jezelf als luisteraar eerder in Alabama of omstreken. Heerlijk nummer gewoon! Bezielde zang, warmbloedige gitaren en vooral ook die blazers! Wow! Als dit niveau dertien nummers lang zou worden aangehouden, dan zou ik deze schijf zonder blikken of blozen nu al uitroepen tot mijn plaat van het jaar. Maar – Je voelt ‘m allicht al komen! – dat gebeurt dus niet. Dertien nummers van hetzelfde superhoge kaliber zitten er ditmaal nog niet in. Maar wel al ruimschoots voldoende om van een meer dan geslaagd project te mogen spreken. “Look At Me Standing” is bijvoorbeeld nog zo’n heerlijk streepje soulvol shoutwerk, “Never Sure” een met de blik nadrukkelijk op Muscle Shoals geconcipieerde kippenvel-sleper, “Make You Crawl” een deluxe-meebrulrocker, “Now I Got Love” een oerplots vanuit de donkerste uithoek van de kroeg opverende streep klassieke funky R&B en “Different Faces” een mede door wel bijzonder knap toetsenwerk van Geo Wassink sfeergewijs zowel tal van late jaren zestig soul acts als Lenny Kravitz evocerende trage. Het zijn maar enkele van de vele ronduit uitstekende momenten hier. Momenten, die je nu al reikhalzend doen uitkijken naar de nakende festivalzomer, als dit collectief ongetwijfeld flink van zich zal gaan doen spreken. Kan haast niet anders!

The Backcorner Boogie Band, Suburban Records

 

JENAI HUFF “Transitions” (Jenai Huff)

(4****)

Schuilt een enigszins vreemd verhaal achter, achter deze fantastische chanteuse. Al op zeer jonge leeftijd werd ze gebeten door de muziekmicrobe. Jarenlang zou haar echte roeping echter verdringen. Zo’n twee decennia deed ze erover om zich uiteindelijk toch muzikaal te outen. En dat wellicht mede onder invloed van haar wederhelft, songsmid Doug Ingoldsby. Die bedankt ze alvast in de liner notes van haar maiden release “Transitions” om haar aan te moedigen haar eigen stem te vinden en daarbij zelfs regelmatig een beetje door te duwen. En misschien moeten wij de beste man dus ook wel een beetje dankbaar zijn, anders was er immers een enorm talent voor ons verloren gegaan. Want dat is ze dus wel, he, deze Jenai Huff! Ze zingt echt ongemeen doorleefd. En een beetje onderkoeld ook wel, zoals bijvoorbeeld ook een Rosanne Cash en een Mary-Chapin Carpenter dat zo goed kunnen. En ook qua repertoirekeuze zit ze eigenlijk best wel een beetje in het vaarwater van die beide dames. Folk en country vormen onmiskenbaar ook de belangrijkste bestanddelen voor haar oeuvre. Al brengt ze het door haar gekozen materiaal her en der ook al wel eens op smaak met een subtiele prise aan bluegrass. Voortdurend streeft ze daarbij muzikale perfectie na. En dan helpt het natuurlijk wel een flink eindje vooruit om een producer als Ben Wisch bij de hand te hebben. Wisch, ooit nog bekroond met een Grammy voor zijn werk met Marc Cohn, zag er nauwlettend op toe, dat keurmuzikanten als Jeff Pevar, Sammy Merendino, Tom Lackner en Chris Marshak en de backings verzorgende collega’s als Eugene Ruffolo, Shaw Thies en manlief Ingoldsby songs van onder anderen Kate Wolf, Kris Delmhorst, Stevie Nicks, Zane Williams en Keith Urban alle eer aandeden. Net als materiaal van Doug en Peter Ingoldsby trouwens en ook één nummer van gast Eugene Ruffolo. Het resultaat is een album, dat Huff meteen stevig op de Americana-kaart zet. Het soort van schijf, dat je nog jarenlang met het grootste plezier opnieuw zal willen blijven beluisteren. Zo denken wij er alvast over.

Jenai Huff, CD Baby

 

LINDA CHORNEY “Emotional Jukebox” (Dance More, Less War Records)

(4****)

Op een onbewaakt moment, terwijl zowat half Vlaanderen zich “voor de verandering” maar weer eens aan het vergapen was aan een aflevering van de zoveelste door de media serieus opgeblazen talentenjacht, schoof ik compleet niets vermoedend “Emotional Jukebox”, de me onlangs aangereikte nieuwe cd van de al ruim dertig jaar aan de weg timmerende en hier nog steeds redelijk onbekende Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Linda Chorney, in de cd-speler. Ik kende haar van haar noch pluim, die Chorney. En dat ondanks het feit, dat ze met deze schijf toch al aan haar zesde volwaardige langspeler toe bleek. En dan vergeet ik bijna nog drie in een lang vervlogen verleden uitgebrachte cassettes. Wat vooral mijn aandacht trok, was het gegeven, dat ze voor “Emotional Jukebox” een Grammy-nominatie in de categorie Americana in de wacht sleepte. Een mens zou voor minder nieuwsgierig worden… En die nieuwsgierigheid werd flink beloond ook. De vijftien songs op de emotionele jukebox van Corney vormen immers een behoorlijk indrukwekkende showcase voor deze zangeres, die wat mij betreft zo in de voetsporen van Sheryl Crow kan. Elk opgeofferd muntstuk levert op haar persoonlijke Wurlitzer weer een andere mood op. Lazy, nostalgic, relieved, rockin’, elated, discouraged, feisty, depressed, anxious, empathetic, numb, happy, dumbfounded en tranquil zijn zo de gevoelens die prijken boven eigen nummers en covers van materiaal van de Beatles, de Stones, Led Zeppelin en Crosby, Stills & Nash. En die gevoelens verklankt ze naar mijn bescheiden mening ook op ronduit meesterlijke wijze. Gelijk van bij het openingsnummer, een inderdaad heerlijk lijzige, maar bovenal ook erg knappe interpretatie van de Lennon & McCartney-compositie “I’m Only Sleeping”, had Chorney me volop bij de les. Wat was dat? Dit was echt wel héél erg goed! En ik liet me dan ook graag meevoeren op de golf der nog resterende muzikaal tot uiting gebrachte emoties: via de als een kruising tussen Chrissie Hynde en de al genoemde Crow klinkende zomerse poppy spring-in-‘t-veld “Cherries” en het daadwerkelijk als een zucht van verlichting aanvoelende “Finally”, een duetje met Arlan Feiles, over een – Alweer onwaarschijnlijk mooie! – rootsy lezing van Led Zeppelins “Going To California”, het bijzonder okselfris uit de hoek komende rootsrockertje “I’m Not Gonna Say It”, het lekker funky aandoende “Broken Promise Land”, het botergeile, door Richie Blackwell op z’n Louis Armstrongs van duetvocalen voorziene “Do It While You Can”, een op maat van het jaar 2012 geknipte superversie van “Mother’s Little Helper” van de Stones en andere tot de verborgen afsluiter “Token Feel Good Song”. Eén langgerekt aha-erlebnis gewoon! Met op mij dezelfde uitwerking als de spreekwoordelijke rode lap op een stier! Ik heb inderdaad mijn inhaalmanoeuvre met betrekking tot het eerdere werk van La Chorney al ingezet! Nu u nog…

Linda Chorney

 

JACK SUNDRUD “Cage” (Dogpile Records)

(3,5****)

Echt veel is het niet, waarmee Poco-man Jack Sundrud ons ditmaal meent te moeten verblijden, maar heel mooi is het gelukkig allemaal weer wel. Om te beginnen zijn er de knappe introverte rootspopdeunen “Hollow Man” en “Cage”. Met name in dat tweede lijken de Beatles wel even in rootsy wateren te zijn beland. Erg knap liedje! En dat mag zeker ook gezegd over het daaropvolgende “Tired Of This”, dat na een akoestische gitaarintro en een stukje “praatzang” openbloeit tot een heus deluxe rockertje. In een wat rechtvaardigere wereld zou een deun als deze probleemloos hoog in tal van hitlijsten eindigen. Vervolgens gaat het via het met Catt Gravitt gepende stampertje “Here On Earth” richting een ander hoogtepuntje, misschien wel het allermooiste nummer van allemaal hier. We hebben het dan over “The Key”. Just Sundrud and his guitar – heerlijk ingetogen en door onze man met die fraaie warme stem van hem met ontzettend veel gevoel gebracht. En dan is er tenslotte ook nog “No Trouble”, dat mede door de inspanningen van Michael Webb achter zijn Hammond B-3 en de backing vocals van Craig Bickhardt een lekker soulvol randje meekrijgt. Jammer, dat het dat maar was, denk je dan… Gelukkig biedt de repeat-toets van de cd-speler een oplossing…

Jack Sundrud, CD Baby

 

TOM T. HALL “A Gift From Tom T. Hall: Tom T. Hall Sings Miss Dixie & Tom T.” (Drumfire Records)

(4****)

Van een origineel kerstgeschenk gesproken! Tom T. Hall verraste zijn wederhelft enkele jaarwisselingen geleden met het ontwerp van een cd luisterend naar de titel “Tom T. Hall Sings Miss Dixie”. Bij het openen van haar cadeau beloofde “The Nashville Storyteller” zijn vrouwtje, dat hij dat album ook effectief zou gaan opnemen. Modus operandi: zij zou de songs kiezen, de muzikanten verzamelen en het geheel produceren, hij zou enkel de zang en wat gitaarwerk voor zijn rekening nemen. En zo geschiedde dan ook. Miss Dixie verzamelde een heuse weelde aan topmuzikanten rond haar ventje: van Wayne en Kristin Scott Benson tot Mike Bub, van Glen Duncan tot Sonya Isaacs, van Rebecca Bowman tot Josh Williams, van Earl Scruggs tot Don Rigsby, van Jimmy Martin tot Randy Kohrs, Tim White en vele, vele anderen. De crême de la crême van de toenmalige bluegrass-scène met andere woorden. En dat vertaalde zich bijna als vanzelfsprekend ook naar een album, dat zich grotendeels door die vlag laat bedekken, al is de term Americana hier her en der zeker ook wel op zijn plaats. In een quasi perfecte muzikale context mocht Tom T. Hall hier twaalf nummers lang doen, waar hij zich al van in de late sixties zo ontzettend goed in had getoond, te weten het vertellen van verhalen. Zelf blijkt hij daarbij ook nog eens uitstekend bij stem. Daardoor krijgen de twaalf door hemzelf en Dixie geschreven liedjes iets van een comfortabele deken op een koude winteravond over zich. Ze voelen inderdaad weldadig warm aan en staan zonder uitzondering voor delicieus luistervoer. Tussen openingsnummer “I’m A Coal Mining Man” en het afsluitende “Jimmy Martin’s Life Story”, geschreven samen met de protagonist van dat liedje overigens, bewijst Hall eens te meer, dat zijn roepnaam volkomen terecht is. “The Nashville Storyteller” blijkt hier inderdaad een ware grootmeester in zijn vak. En precies daarom is het ook bijzonder prettig om vast te stellen, dat dit ronduit uitstekende album nu, goed een jaar of vier na zijn oorspronkelijke release, door het nog piepjonge Drumfire Records ook eindelijk in Europa verkrijgbaar werd gemaakt. Waarvoor dank!

Tom T. Hall, Drumfire Records

 

VICTOR CAMOZZI “Roadside Paradise” (Volco Records)

(4****)

2012 belooft weer een bijzonder rijk Americana-jaar te worden. Zoveel is na nog geen twee volledige maanden al wel duidelijk. Van de echt grote namen binnen het genre vooralsnog weinig of geen nieuws, maar vanuit de achterhoede blijven ons aan een werkelijk fenomenaal tempo goede tot ronduit uitstekende releases bereiken. En tot die laatste categorie willen we zeker ook “Roadside Paradise” van Victor Camozzi rekenen. Hier in Europa een nog relatief onbeschreven blad, die Texaan, en dat ondanks zijn vier jaar geleden in eigen land toch al redelijk positief ontvangen eersteling “3 Peso Cigar”, een plaat die de beste man zelfs al vergelijkingen met grootheden als een Robert Earl Keen, een Rodney Crowell en een Jerry Jeff Walker opleverde. En die mogen er ook best wel zijn. Zij het dat Camozzi een pak lijziger uit de hoek komt dan dat drietal. Zijn stem heeft iets ronduit lethargisch over zich. Maar misschien is het wel juist die eigenschap, die je als luisteraar ogenblikkelijk in ’s mans aparte wereld naar binnen zuigt. En daar blijkt het op de keper beschouwd bijzonder aangenaam toeven. Heel wat van Camozzi’s teksten geven immers blijk van  een enigszins speciale kijk op de realiteit. Hét ultieme voorbeeld om die stelling mee te onderschrijven is allicht “The Homecoming Waltz”. We horen Camozzi daarin mijmerend vanuit het standpunt van de minnaar van de vrouw van een getekend voor het leven van het front terugkerende GI. “She can’t let him down, I can’t let her go, all her heartbroke devotion makes me just love her more,” geeft hij ons daarin mee. Of nog: “He’s an American hero, but what does that make me?” Tastbaarder kan je twijfel amper verwoorden, lijkt ons. Echt wel hartverscheurend mooi! En zo realistisch beschreven, dat een mens zich gaat afvragen, of hij het niet echt heeft meegemaakt, onze Victor. Dingen als deze beauty, het titelnummer en “Conversation Hearts” maken van “Roadside Paradise” wat ons betreft een regelrechte aanrader van formaat.

Victor Camozzi op MySpace, CD Baby

 

OTIS GIBBS “Harder Than Hammered Hell” (Wanamaker Recording Company / Lucky Dice)

(4****)

Goede wijn behoeft naar verluidt geen krans. Maar anderzijds is het natuurlijk ook wel zo, dat het je als artiest toch wel een eindje vooruit helpt, als voldoende mensen zich lovend over je materiaal uitlaten. En dus buigen we ons hier graag ook weer even over de nieuwe van Otis Gibbs. Zijn zesde ondertussen toch ook alweer. En net als voorgangers “Joe Hill’s Ashes”, “Grandpa Walked A Picketline”, “One Day Our Whispers”, “49th & Melancholy” en de kerstplaat “Once I Dreamed Of Christmas” is het opnieuw een uitstekende. Alleen die stem al! Schuurpapier van het werkelijk allerbeste soort! En als dusdanig ook uitermate geschikt voor het brengen van het slag van materiaal, waarvan Gibbs de voorbije jaren zowat zijn handelsmerk gemaakt heeft: heerlijk introverte, veelal grotendeels akoestisch gehouden Americana, waarin vooral de ruwe kantjes van het leven worden bezongen. Zonder eraan ten onder te (willen) gaan overigens. Gibbs is immers een taaie. Als hij al één boodschap voor ons heeft, dan is het er één van hoop. Zoals hier bijvoorbeeld in het vertederende “Don’t Worry Kid”. Dat schreef hij vanuit de eigen jeugdherinnering van er niet echt bij te horen. “Don’t worry, kid, you know it’s gonna be better than this, there’s nothing wrong with you, that you can’t work out, we’re all filled with doubt,” luidt het daarin. Meteen één van de absolute hoogtepunten van “Harder Than Hammered Hell”. Een ander zo’n topmoment is zeker het bij de hengelaar in ons een brede smile veroorzakende streepje verhalende country “Big Whiskers”, waarvoor Gibbs en medeauteur Adam Carroll zich baseerden op straffe vissersverhalen over gigantisch grote meervallen uit hun jonge jaren. En ook “Made To Break” willen we zeker niet vergeten te vermelden. Ook daarin meenden we immers weer de door ons zo gesmaakte moderne Woody Guthrie in Otis Gibbs te mogen horen. Elders, zoals in “Christ Number Three” dringt zich dan weer eerder de vergelijking met The Boss in betere tijden op. En dan is er ook nog het ingehouden rockende “The Land Of Maybe”. Aan die volop van het fraaie gitaarwerk van Thomm Jutz profiterende beauty ontleende het album ook zijn titel. De daarin gebezigde uitdrukking “Harder Than Hammered Hell” leerde Gibbs van een stokoude collega-boomplanter tijdens zijn dagen in Indiana. Die gebruikte die omschrijving niet enkel voor keiharde, maar moeilijk te bewerken grond, maar ook voor vervelende jobs en dito karakters. Gibbs van zijn kant zag er een treffende metafoor in voor de moeilijkheden op zijn weg bij het leiden van een creatief leven.

Otis Gibbs, Lucky Dice Music

 

RANDY THOMPSON “collected.” (Jackpot Records)

(3,5****)

Het was ergens in 2004, dat ik voor het eerst met materiaal van Randy Thompson in aanraking kwam. Meer bepaald met zijn in dat jaar verschenen album “That’s Not Me”. Bleek toen, dat de man uit Virginia al ruim anderhalf decennium aan de weg aan het timmeren was. Aan zijn eigen tempo, dat wel. Hij debuteerde al in 1988 met het ondertussen extreem zeldzame “In The Rain”. Tien jaar later volgde “Wearin’ Blue” en het hoger al genoemde “That’s Not Me” uit 2004 was nummer drie. Weer vier jaar later was er tenslotte ook nog “Further On”. Amper vier albums dus, voorafgaand aan het nu verschijnende “collected.” En dat is, zoals de titel het al laat uitschijnen, een verzamelaar. Daarop vijftien nummers, waarvan er tien rechtstreeks afkomstig blijken van zijn de laatste dertien jaar uitgebrachte platen. Verder één niet eerder verschenen nummer uit 2002 (“Bring On Down The Rain”), een single uit 2010 (het samen met Rod Picott gepende “You Can’t Talk To Me Like That”) en recentere hernemingen van “Goin’ Down To Lynchburg Town” en de cover van de bluegrass classic “Molly & Tenbrooks” ons al bekend van “Further On” uit 2008. In haar geheel een erg mooie collectie, die bij mij spontaan de vraag deed rijzen, waarom Thompsons naam nog niet meer verbreid is. Het betreft hier immers erg puike Americana van een man die duidelijk door de juiste mensen beïnvloed werd. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag een Waylon Jennings, een Steve Earle, een Steve Young en een Joe Ely. Een beetje outlaw country, wat (Texas style) country rock en de nodige Americana singer-songwriter stuff dus. Gebracht met een lekkere, zacht verweerd aandoende stem en in het juiste gezelschap bovendien ook. Met name leadgitarist Garrick Alden en Don Helms en Mike Auldridge (beiden steelgitaar) verdienen het in die context zeker om even te worden vermeld.

Randy Thompson, CD Baby

 

JACK HIGGINBOTHAM “Roots” (Jack Higginbotham Music)

(3,5****)

Met de jonge Jack Higginbotham heeft het countrygebeuren in de Lone Star State er weer een hele goeie bij. Die vijfentwintigjarige zou je immers zo’n beetje kunnen zien als het Texaanse antwoord op Gary Allan. De man heeft een heerlijk warme, als het ware voor een grootse carrière in het genre voorbestemde stem en daarmee slaat hij op zijn officiële debuut “Roots” vrijwel voortdurend muzikale spijkers met koppen. En zelfs het feit, dat hij in zijn teksten het cliché absoluut niet schuwt, kon dan ook niet verhinderen, dat we vanaf de eerste tonen van openingsnummer “Small Town Kid” meteen een zekere sympathie voor hem gingen opbrengen. Je hoort daarin duidelijk, dat Higginbotham beïnvloed werd door meerdere generaties countrygroten. Zowel klassieke iconen als een Waylon Jennings of een Merle Haggard als neo-traditionalisten genre een Randy Travis, een Doug Supernaw, een George Strait of een Doug Stone hebben naast de al genoemde Gary Allan en een handvol contemporaine Texaanse collega’s duidelijk hun sporen in zijn muziek nagelaten. En dat levert zoals al gesteld een potje bijzonder aangenaam country-luistervoer op. Luister bij gelegenheid ook zelf maar eens naar dingen als het aan de lotgevallen van een rodeo’s afschuimende cowboy opgehangen “Won’t Let Go”, het radiovriendelijk (country)rockende “One And Only Girl”, het eerder traditioneel opgevatte drinklied “Whiskey Drinkin’ Man” of het met een schalkse knipoog richting Bakersfield gebrachte en heerlijk swingende “Better Than Being In Love With You” en je zal allicht ogenblikkelijk begrijpen, wat we bedoelen. Leuke eersteling alleszins! En naar alle waarschijnlijkheid ook wel het begin van iets heel moois voor “The Hig”.

Jack Higginbotham

 

THE JAMES LOW WESTERN FRONT “Whiskey Farmer” (Union Made Record Co.)

(5*****)

Al sinds jaar en dag een graag geziene gast hier, deze James Low. Al sinds “Mexiquita”, zijn debuut uit 2000, volgen we hem met het nodige plezier. En het enige, wat we hem door de jaren heen zijn gaan verwijten, is dat hij zo ontzettend traag werkt. Na dat album volgden er in de daaropvolgende elf jaren immers maar twee andere studioplaten meer. Het ook al erg knappe “Blackheart” in 2002 en de amper vijf songs tellende mini “The Blackguard’s Waltz” in 2008. Het was bepaald niet veel, maar wel ruimschoots voldoende om van ons devote fans van de man te maken. Met zijn doordachte verhalen en knappe liedjes sprak hij ons keer op keer opnieuw weer aan. En dat is met het onder de groepsnaam The James Low Western Front uitgebrachte “Whiskey Farmer” weer niet anders. Die door Mike Coykendall geproduceerde nieuwe van Low zouden we zelfs een echt meesterwerk durven te noemen. Ronduit schitterend, hoe de band erin slaagt om de vaak bepaald niet vrolijke moods van Lows verhalen muzikaal te vatten. Vergelijkingen met platen als Springsteens “Nebraska” en Williams’ “Car Wheels On A Gravel Road” werden al gemaakt en daar valt absoluut iets voor te zeggen. Hoe Low het wel en vooral ook wee van de “Whiskey Farmer” uit de titel van de plaat schildert, spreekt ogenblikkelijk tot de verbeelding. “Always done things kind of right – did OK in school, went to a generic college, racked up a shitload of debt, and got a job to pay off the debt. He drinks to forget. He alienates the ones who love him best, and just cannot believe that this is all there is to life.” Tot zover Low zelf over zijn protagonist hier. Vrolijke bedoening, niet? Niet dus! Maar wel één die tot diep onder de huid gaat. Alternatieve country met een hoofdletter A! Veelal heerlijk melancholisch en warmbloedig en dat mede dankzij de sfeervolle bijdragen van Rob Burger, Ralph Huntley en Lewi Longmire (allen toetsen), Dave Camp (toetsen, elektrische gitaar en zang), Paul Brainard (pedal steel en dobro), Tim Huggins (bas en zang), Joe Mengis (drums en percussie) en Mike Coykendall (eveneens percussie). Echt jaarlijstjesmateriaal!

The James Low Western Front, CD Baby

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home