CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2013

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

JAMES HUNTER SIX “Minute By Minute” - GUY DAVIS FEATURING FABRIZIO POGGI “Juba Dance” - DANNY BRYANT “Hurricane” - DALE WATSON AND HIS LONESTARS “El Rancho Azul” - THE PLASTIC PALS “Turn The Tide” - KINKY FRIEDMAN “Kinky Friedman’s Bi-Polar Tour, Live From Woodstock” - DIVERSE ARTIESTEN “Mijn Natuur” - RITA HOSKING “Little Boat” - THE FABULOUS THUNDERBIRDS “On The Verge” - BOZ SCAGGS “Memphis” - SIMONE DINNERSTEIN & TIFT MERRITT “Night” - ERIC BURDON “’Til Your River Runs Dry” - IAN MCFERON “Time Will Take You” - TRAILHEAD “Bodies In The Basement” - BILLY MARLOWE “Show Me The Steps” - VICKY EMERSON “Dust And Echoes” - JARROD DICKENSON “The Lonesome Traveler” - FRANKA DE MILLE “Bridge The Roads” - KEVIN SELFE “Long Walk home” - SUSIE GLAZE & THE HILONESOME BAND “White Swan” - JACK TEMPCHIN “Live At Tales From The Tavern” - VELLAMO “Vellamo” - COLD CHOCOLATE “This Old Way” - TINY LEGS TIM “TLT”

 

 

JAMES HUNTER SIX “Minute By Minute” (Fantasy / Concord Music Group / UMG)

(4,5*****)

Ons echt ontgoochelen heeft hij eigenlijk nog nooit gedaan, deze James Hunter, en dat doet hij ook nu weer niet. Met twaalf nieuwe eigen songs neemt hij ons ook op “Minute By Minute” weer mee op een hoogst aangename “trip down Memory Lane”. Soulvol als steeds uiteraard. En dan helpt het natuurlijk ook wel, als je met Daptones-mede-oprichter Gabriel Roth in zee gaat. Onder zijn studio-auspiciën zochten Hunter (zang en gitaar) en maats Damian Hand (tenorsax, fluit), Lee Badau (baritonsax), Jonathan Lee (drums en backing vocals), Jason Wilson (bas), Kyle Koehler (orgel) en Andrew Kingslow (piano, vibrafoon en percussie) en een handvol gasten in L.A. aansluiting bij met name het soul- en R&B-gebeuren van de late jaren vijftig, vroege jaren zestig. En dat gebeurde andermaal op een dergelijk authentieke wijze, dat je als luisteraar haast niet anders kan dan er volop in meegaan. Met Hunter als vanouds rauw-melodieus op zoek naar een eigen niche ergens tussen groten als een Sam Cooke en een Ray Charles. En met catchy momenten zat! Van het door een springerige sax en een al even dartel pianootje continu onder stoom gehouden “Chicken Switch” over het bijzonder groovy titelnummer tot de knappe “valse trage” “Drop On Me”, van het sensuele, met een bescheiden snuif Latin-gevoel op smaak gebrachte “Heartbreak” over de voor inspiratie nadrukkelijk naar Motown overhellende shuffle “One Way Love” tot het echt rete-aanstekelijke en ons best wel een beetje aan de geweldige Chuck Jackson in z’n hoogdagen herinnerende “Gold Mine”, van het over een zachte reggaebeat uitgespreide “Let The Monkey Ride” over het omineuze “The Gypsy” tot mooie tragen als “So They Say” en “If I Only Knew” en andere, dit is quasi voortdurend blue-eyed soul op z’n allerbest! Nú al de ideale soundtrack voor een lente die helaas nog wat op zich laat wachten…

James Hunter

 

GUY DAVIS FEATURING FABRIZIO POGGI “Juba Dance” (Smokeydoke / DixieFrog / Bertus)

(5*****)

Op z’n zestigste en ondertussen ruim vijfendertig jaar diep in z’n carrière als “recording artist” – Zoals dat in het Engels zo lekker bekt! – heeft Guy Davis natuurlijk al lang niets meer te bewijzen. Met zijn buitengewoon adequate vertalingen van stokoude rurale bluesvormen naar het hier en nu oogst hij keer op keer tonnen aan bijval. En terecht ook! Want wat een crack is deze man toch! Een echte dijk van een zanger, een al even geweldige storyteller-songsmid, een supergitarist, een kei op de harmonica en daarenboven ook nog eens een geweldige entertainer. Eigenlijk gewoon één van dé prominentste bluesartiesten van het moment tout court. En mocht u ons daarin nog niet meteen willen volgen, dan raden we u aan ’s mans nieuwe plaat “Juba Dance” snel eens ergens een luisterbeurt te gaan gunnen. Op die, als we het goed hebben, ondertussen twaalfde van ‘m wordt Davis voor de gelegenheid geflankeerd door de zijn sporen onder meer al bij Eric Bibb, Garth Hudson, Marcia Ball, Otis Taylor, Charlie Musselwhite en Flaco Jimenez verdiend hebbende mondharmonicavirtuoos Fabrizio Poggi. Samen baant het tweetal zich een weg doorheen een zestal nieuwe Davis-songs en covers van obscuur en al wat minder obscuur materiaal van respectievelijk Muddy Waters, Bertha ‘Chippie’ Hill, Blind Lemon Jefferson, Reverend Robert Wilkins, Ishman Bracey, Josh White en Blind Willie McTell. Samen goed voor ruim vijfenvijftig minuten akoestische blues van het werkelijk allerbeste soort. Met als hoogtepunten wat ons betreft het buitengewoon catchy eigen deuntje “Lost Again”, Davis’ ronduit innemende lezing van Muddy Waters’ “My Eyes Keep Me In Trouble”, het de pure liefde nog maar eens verheerlijkende “fluisterliedje” “Love Looks Good On You”, het aan wandeltempo met gospel(blues)diva Lea Gilmore gedeelde “Some Cold Rainy Day”, het gospeleske, met een gastoptreden van de legendarische Blind Boys Of Alabama opgewaardeerde “See That My Grave Is Kept Clean”, het over aanstekelijk clawhammer banjogewriemel heen heerlijk met de kont schuddende titelnummer “Dance Juba Dance en covers van “That’s No Way To Get Along” en “Statesboro Blues” van Davis’ eigen helden de Reverend Robert Wilkens en Blind Willie McTell. Songs van dat kaliber zullen elke rechtgeaarde liefhebber van moderne akoestische blues keer op keer opnieuw naar dit album doen teruggrijpen. Een bescheiden meesterwerkje!

Guy Davis, DixieFrog Records

 

DANNY BRYANT “Hurricane” (Jazzhaus Records / Coast To Coast)

(3,5****)

“I’m a prisoner of the blues,” aldus de jonge Britse gitaarbeul Danny Bryant in “Watching You”, het openingsnummer van z’n ondertussen toch ook alweer zevende studioplaat “Hurricane”, en wat snokt hij daarin meteen weer lekker aan z’n kettingen! Geen wonder, dat z’n ondertussen een pak bekendere collega Joe Bonamassa zo hoog met die Bryant oploopt. Hij verstaat om het met Bonamassa te zeggen als geen ander de kunst om z’n Stratocaster te laten “zingen”. En wat wij hier eigenlijk nog belangrijker vinden: hij houdt het bluesrockgenre vrijwel voortdurend heerlijk wijd. Net als studiovoorganger “Just As I Am” is “Hurricane” daardoor een behoorlijk gevarieerde plaat geworden. Uiteraard weer met de nodige rockende snarenhoogstandjes, maar evengoed met escapades in diverse andere richtingen. “Can’t Hold On”, “Losing You” en “I’m Broken” blijken zo bijvoorbeeld stuk voor stuk knappe tragen. En met name dat laatste uit zich bij nader inzicht zelfs behoorlijk soulvol. Zoals bijvoorbeeld ook een Jeff Healey dat bij leven en welzijn zo goed kon! Titelnummer “Hurricane” van zijn kant stoeit open en bloot met een wel heel erg radiovriendlijk powerpop-motiefje, “Devil’s Got A Hold On Me” leeft van een al even catchy pompend ritme en werkelijk messcherpe gitaaruithalen en afsluiter “Painkiller” is een sterk staaltje classic rock. Zoals je dat medio de jaren zeventig wel vaker hoorde begint dat laatste nummer met een ellenlange gevoelige proloog om vervolgens mede door het potente gitaargehamer van Bryant zelve als het ware compleet te ontploffen en uit te groeien tot een dijk van een rocksong. Werkelijk super!

“Hurricane” werd geproduceerd door Richard Hammerton en door Bryant ingespeeld met z’n pa Ken op de bas en Trevor Barr achter het drumstel. Hammerton leverde verder ook gastbijdragen op respectievelijk keyboards en piano en Kirby Bryant deed hetzelfde op de mandoline in “Painkiller”. Danny Bryant zelf droeg alle songs aan, zong, bespeelde uiteraard ook de gitaar en zette in “Greenwood 31” ook even de mondharmonica aan de lippen.

Danny Bryant, Jazzhaus Records

 

DALE WATSON AND HIS LONESTARS “El Rancho Azul” (Continental Record Services)

(4****)

Al ruim twintig jaar lang staat Dale Watson ondertussen garant voor zo ongeveer alles wat goed is aan country. Op z’n vijftigste misschien net wat minder strijdvaardig dan weleer, maar toch… De jongste jaren lijkt de Texaan echt in de vorm van z’n leven te verkeren. Met “The Truckin’ Sessions, Vol. 2”, “Carryin’ On” en “The Sun Sessions” scoorde hij wat ons betreft al een regelrechte hattrick. En met z’n nieuwe, “El Rancho Azul”, doet hij er daar nu zelfs nog eentje “los in de winkelhaak” bij. Met bassist Chris Crepps, drummer Mike Bernal en pedal steeler Don Pawlak, oftewel zijn Lonestars, en special guest Danny Levin (piano en fiddle) presenteert hij ons veertien nieuwe eigen liedjes, waarvan het merendeel zich naar goede gewoonte in de één of andere bar afspeelt. Titels als “Lie When I Drink”, “I Drink To Remember”, “Drink Drink Drink”, “I Hate To Drink Alone”, “Smokey Old Bar”, “Thanks To Tequila” en andere spreken wat dat betreft boekdelen. Drinken, dansen, bedriegen, liegen, enfin al de “usual suspects” tot aan de tranen en het verdriet toe passeren weer de revue. En dat in een voor het genre best wel lekker ruim gehouden context. Wat concreet betekent, dat het hier swingt, “tonkt”, rockt, walst en slowt, dat het een lieve lust is. Elke vierkante centimeter van de hardhouten dansvloer wordt als het ware weer door Watson en co verkent. En precies zo mogen wij het hier graag hebben ook! Pretentieloos countryvermaak misschien, maar dan wel met een vette hoofdletter! Dat hij ze vooral nog lang zo moge mogen!

Dale Watson, Continental Record Services

 

THE PLASTIC PALS “Turn The Tide” (Polythene Records)

(3,5****)

Met hun eerste volwaardige langspeler, het al in 2008 verschenen “Good Karma Café”, wist het vier man sterke Zweedse gezelschap The Plastic Pals me nog niet echt te overtuigen, maar deze nieuwe trok me wél vrijwel meteen over de streep. Het met de je wellicht vooral van z’n werk met Green On Red bekende Chris Cacavas in Duitsland opgenomen en ook door deze laatste geproduceerde “Turn The Tide” is immers een prima rockplaat geworden. Gitaarrock met name, maar dan wel van het lekker gevarieerde soort. Openingsnummer “All The Way” blijkt zo behoorlijk somber psychedelisch (Paisley Underground) spul, “A Couple Of Minutes” lijkt vervolgens melodieus van onder de één of andere half geopende garagepoort te komen aanwaaien, het zomers energieke “The Final Remedy” herinnerde ons bij vlagen zowel aan Springsteen als aan de jonge R.E.M., “The Sweet Spot” op zijn beurt aan Neil Young & Crazy Horse in één van hun rustigere momenten. “A Turn Of The Tide” is dan weer hoogst aparte pop met een sterk ADHD-gehalte, “Providence” een voorzichtig naar country overhellende ballad, single “Between The Devil And The Deep Blue Sea” een over strak gitaargebeuk heerlijk weg woe-hoeënde deluxe-rocker en “Wouldn’t Change A Thing” speelt in de achtertuin van groepen als het hoger al even genoemde Green On Red of de Long Ryders.

The Plastic Pals

 

KINKY FRIEDMAN “Kinky Friedman’s Bi-Polar Tour, Live From Woodstock” (Continental Coast / CRS)

(3,5****)

In de States was deze nieuwe van good old Kinky “The Jewish Cowboy” Friedman al een poosje verkrijgbaar. Het betreft hier vorig jaar tijdens een optreden in het Bearsville Theatre in Woodstock gemaakte opnames. Een gig in het kader van zijn “Bi-Polar Tour”. En diezelfde brengt hem binnenkort gedurende de maanden april en mei ook naar Europa. Op maandag 15 april staat hij zo bijvoorbeeld in de Amsterdamse poptempel Paradiso. Waarmee meteen ook de release van dit album verklaard is. Een schijfje vol “vintage Kinky” overigens. Leuk Texaans singer-songwriter-countryspul à volonté met andere woorden, tussendoor gekruid met een goede dosis humor op z’n tijd. En met name in dat laatste schuilt toch wel Friedmans “forte”. De man is een echte ras-entertainer. En met dingen als “Get Your Biscuits In The Oven And Your Buns In The Bed”, “Wild Man From Borneo”, “Rapid City, South Dakota”, “They Ain’t Making Jews Like Jesus Anymore” en andere beschikt hij ook over zo menig een aankomend liedje. En voor de fans is er hier zelfs nog een bijkomend kersje op de taart: “The Ballad Of Kevin Barry” met name, dat Friedman naar eigen zeggen nog nooit eerder vertolkte of opnam.

Kinky Friedman, Continental Record Services

 

DIVERSE ARTIESTEN “Mijn Natuur” (Interlokaal / CRS)

(4****)

Met “Mijn Natuur” vestigen enkele van de beste Nederlandse singer-songwriters van het moment de aandacht op het feit dat natuurbescherming in eigen land nog steeds bepaald geen vanzelfsprekendheid is. “Doe mee met Natuurmomenten!” luidt hun zachtaardige strijdkreet en met een handvol veelal speciaal voor dit project geschreven (pracht)liedjes zetten ze die smeekbede hier op ronduit innemende wijze kracht bij. Gevraagd werd hen om te zingen over wat de Nederlandse natuur persoonlijk voor hen betekent en dat leidde bij nader inzicht tot nogal wat ogenblikkelijk herkenbare onderwerpen. Nu eens zijn dat de bezongen natuurgebieden zelf, dan weer de erdoor opgewekte gevoelens. Luisterplezier gegarandeerd alleszins! En dat al zeker voor wie het Nederlandse Americana- en folkgebeuren een warm hart toedraagt! BJ Baartmans en Sjoerd van Bommel produceerden het geheel immers en tussen de verdere betrokkenen treffen we onder meer ook nog Frans Pollux, Eric van Dijsseldonk, André Manuel, Gé Reinders, Beatrice van der Poel, Gerard van Maasakkers, Egbert Meyers, Roosbeef, Lenny Kuhr, Jeroen van Merwijk, Renee van Bavel, Ad van Meurs (“Terug naar de hei”), Mathijs Leeuwis, Ricky Koole en Bart de Win aan. De mooiste momenten, vroeg je? Dat zijn wat ons betreft Frans Pollux’ herfstige rootspopdeun “Jaomerdal”, het weemoedige “Stroom” van BJ Baartmans, Eric van Dijsseldonks warmbloedige “Mookerhei”, André Manuels ons geregeld aan momenten uit onze eigen jeugd herinnerende “Mien Natuur”, Gé Reinders louter sfeermatig best wel wat jazzy aandoende “Tungeler Walle”, Egbert Meyers’ dialectpareltje “Ieuwig paradies #2”, de pianoballade “Rammekenshoek” van de ons voorheen volslagen onbekende Renee van Bavel, de door Baartmans met wat fraaie, aan z’n resonatorgitaar ontlokte klanken opgewaardeerde ballade “De schoonheid van dit land” van Mathijs Leeuwis en het ons ook al van z’n laatste cd bijgebleven “Terug naar de hei” van “The Watchman” Ad van Meurs. Maar eigenlijk staat hier gewoon niks slechts op, hoor! Nobel doel, erg mooie plaat!

Natuurmonumenten, Continental Record Services

 

RITA HOSKING “Little Boat” (Rita Hosking / Lucky Dice Music)

(5*****)

Wat heeft deze Amerikaanse de voorbije paar jaren al een schat aan muzikale pareltjes opgedoken! Voor ons alvast ruimschoots voldoende om haar stilaan in één en dezelfde adem beginnen te noemen met louter muzikaal gezien toch wel enigszins verwante grootheden als een Gillian Welch en een Iris DeMent. Dat immense respect verdient Hosking wat ons betreft ondertussen ten volle. En al zeker na haar nieuwe worp. Amper zeven liedjes telt dat album, maar welk een schoonheden weer! Breekbare intimistische miniatuurtjes, door Hosking ontlokt aan het leven zelve. Gevonden als het ware dichtbij huis, in haar eigen vertrouwde omgeving. Of zelfs in zichzelf. In openingsnummer “Parting Glass” kaart ze zo bijvoorbeeld geduldig haar eigen dromen aan. En voor “Where Time Is Reigning” werd ze geïnspireerd door een familie-uitje naar het planetarium van het Griffith Observatory in Los Angeles. Dat liedje blijkt trouwens überhaupt een familieaangelegenheid, met haar achttienjarige dochter Kora nadrukkelijk aanwezig op de clawhammer banjo en ook wederhelft Sean Feder voortdurend in de buurt. Meteen één van dé absolute hoogtepunten hier ook, dat nummer. Al geldt dat zeker ook voor het atmosferische, Hosking door verhalen van een bevriende biologe ingegeven “Sierra Bound”. Ach, eigenlijk gewoon voor zo goed als alles hier. In al zijn eenvoud staat “Little Boat” naar onze bescheiden mening immers garant voor ruim zeventwintig minuten de perfectie akelig dicht benaderende Americana. Ook het ingetogen, ons een heel klein beetje aan Nanci Griffith in haar hoogdagen herinnerende “Clean”, het door echtgenoot Sean en dochter Kora van werkelijk impeccabel dobro- en banjowerk voorziene “Nothing Left Of Me”, het fragiele, Hosking door rituele zomerse momenten van ascese op een eiland in de Great Lakes in het Canadese Ontario ingefluisterde “Blow Northwest Wind” en “Five Star Location”, door zijn politiek getinte inhoud een soortement vervolgstuk op “Ballad For The Gulf Of Mexico” van haar laatste plaat, “Burn” uit 2011, zijn immers liedjes om vingers en duimen van af te likken. Liedjes, die je al na één enkele beluistering nooit meer wil missen…

Rita Hosking, Lucky Dice Music

 

THE FABULOUS THUNDERBIRDS “On The Verge” (Severn / CRS)

(4****)

Het is allicht bepaald geen toeval, dat de nieuwe van The Fabulous Thunderbirds de titel “On The Verge” mee kreeg. Met dat album lijken Kim Wilson en de zijnen immers daadwerkelijk aan de vooravond van een nieuw, veel soulvoller ingevuld hoofdstuk van hun carrière te staan. Een soort van nieuw begin dus als het ware voor het vijftal. En dat beviel ons alvast meteen uitstekend. Gelijk van bij het kritisch funkend openende “I Want To Believe” is het midscheeps raak! Tracht je de legendarische Staple Singers even in een wat eigentijdsere, voorzichtig met rock flirtende bui voor te stellen en je komt in gedachten alvast aardig dicht in de buurt van wat je daarmee te wachten staat! Een prima kick-off voor een al even prima album! Vooral dan in z’n wat bezadigdere momenten! Die zijn echt super! Zoals het gevoelsmatig best wel wat aan huisfavorietjes Los Lonely Boys herinnerende “I Want To Believe”, het nadrukkelijk een zekere voorliefde voor soulmaestro O.V. Wright verradende “Too Much Water”, het door Wilson echt fenomenaal mooi gezongen en door de band met een amper opvallende prise reggae opgewaardeerde “Hold Me” en het naar traditioneel Memphis-soulmodel geconcipieerde “Do You Know Who I Am?”. Voor wat vlotter tegengewicht zorgen onder meer de funky rocker “Got To Bring It With You”, het door een gemeen mondharmonicaatje op sleeptouw genomen “That’s The Way We Roll” en het catchy “Runnin’ From The Blues”. En over “the blues” gesproken: die komt helemaal aan het einde van “On The Verge” ook nog één keer héél erg lekker aan bod met het quasi spelenderwijs aansluiting bij het legendarische Stax-label vindende “Lonely Highway”. Knap gedaan!

The Fabulous Thunderbirds, Continental Record Services

 

BOZ SCAGGS “Memphis” (429 Records / Suburban)

(4,5*****)

Op “Memphis” stoten we eindelijk weer eens op de Boz Scaggs in de vorm van in zijn echte hoogdagen. Die van ergens medio de jaren zeventig dus. Die van quasi niet van de radio weg te branden oorwurmen als “What Can I Say”, “We’re All Alone”, “Georgia”, “JoJo”, “Lido Shuffle” en andere. Op die nieuwe cd van ‘m eert de ondertussen achtenzestigjarige Scaggs op bijzonder knappe wijze de soultraditie van de stad uit de titel ervan. De twaalf nummers erop blikte hij onder de bezielende productionele leiding van Steve Jordan in amper drie dagen in de vermaarde Royal Recording Studios van de al even legendarische Willie Mitchell in. Zelf nam hij daarbij naast de zang ook wat akoestisch en elektrisch gitaarwerk voor z’n rekening, de al genoemde Jordan drumde, Willie Weeks tekende voor nagenoeg alle basbijdragen en Ray Parker Jr. zorgde voor verder snarenwerk. Dat viertal zou je zo’n beetje het kernkabinet kunnen noemen. Zij zorgden voor de muzikale fundamenten van “Memphis”, tal van gasten, waaronder Spooner Oldham, Charles Hodges, Keb’ Mo’, Charlie Musselwhite, Rick Vito, David Hungate en de Royal Horns & Strings, voor de uiteindelijke afwerking. En dat levert hier zo menig een beklijvend momentje op. Gelijk van bij de lijzige, heel erg nadrukkelijk in het kielzog van de grote Al Green postvattende opener “Gone Baby Gone” is het goed prijs. De toon is gezet voor een echte zaligheid van een plaat, goed voor ruim drie kwartier intens luisterplezier. Een prachtige lezing van Greens eigen “So Good To Be Here”, een al even knappe, ergens tussen pop en R&B strandende vertolking van Willy De Ville’s “Mixed Up Shook Up Girl”, een hier stante pede het nodige kippenvel verwekkende kijk op de classic “Rainy Night In Georgia” met echt wel piekfijn toetsenwerk van de tandem Hodges en Oldham, een heerlijk groovy benadering van Sylvia Robinsons “Love On A Two Way Street”, een van nogal wat muzikale walletjes tegelijk etend “Pearl Of The Quarter” van Steely Dan, het gaat hier echt aan een moordtempo van de ene heerlijkheid naar de andere! En dan zijn we nog maar goed halverwege! Wat steviger gaat het er vervolgens in een cover van Moon Martins “Cadillac Walk” aan toe. Inspiratie voor het eerder pittige gitaarwerk daarin werd Scaggs naar eigen zeggen aangereikt door de dezer dagen zowat alomtegenwoordige Buddy Miller. Via een ingetogen (eerder folky aandoende) interpretatie van de traditional “Corrina, Corrina” en het opnieuw in het Green-straatje thuis blijkende “Can I Change My Mind” strijken we vervolgens neer bij het heftigste stuk op “Memphis”. Dat is het van de Meters geleende en door Keb’ Mo’ en Charlie Musselwhite voor de gelegenheid van respectievelijk wat gemeen elektrisch dobroslidewerk en dito mondharmonicagelurk voorziene “Dry Spell”. Resten dan nog: een met Rick Vito ter ondersteuning op de gitaar voorbij komend “You Got Me Cryin’” van Jimmy Reed en de Scaggs original “Sunny Gone”, een ons gevoelsmatig best wel wat aan z’n eigen “Harbor Lights” herinnerende pianoballade. Een buitengewoon mooi slot voor een al even mooie plaat!

Boz Scaggs, Suburban

 

SIMONE DINNERSTEIN & TIFT MERRITT “Night” (Sony Classical)

(3,5****)

Dit moet zowat dé muzikale verrassing van het huidige voorjaar zijn! Americana-boegbeeld Tift Merritt (zang, gitaar, harmonica) voor de gelegenheid zij aan zij met klassiek geschoolde pianiste Simone Dinnerstein voor een sterk staaltje van muzikaal eclecticisme. Samen houden de dames zich bezig met het verenigen van zo op het eerste gezicht nagenoeg onverenigbare genres als klassiek, Americana, folk en rock. En centraal staan daarbij vrijwel voortdurend de zoektocht naar gemeenschappelijke elementen en het ontdekken van nieuwe niches. Niches, nodig voor het onderbrengen van hun eigen creaties hier. Dingen als de Merritt-ballade “Only In Songs”, Schuberts “Night And Dreams” (Met voorwaar een vocale glansrol voor ons aller Tift!), de Billie Holiday-Nina Simone-compositie “Don’t Explain”, Purcells “Dido’s Lament”, Brad Mehldau’s “I Shall Weep At Night” en de traditional “Wayfaring Stranger”. Of nog: Merritts “Still Not Home”, “Colors” en “Feel Of The World”, Patty Griffins werkelijk wonderschone “Night”, Johnny Nash’ “I Can See Clearly Now”, de traditional “I Will Give My Love An Apple” en Johann Sebastian Bachs “Prelude In B Minor From The Clavier Büchlein”. En vooral niet te vergeten ook “The Cohen Variations”. Wat ons betreft zonder meer één van dé absolute hoogtepunten hier, dat uitermate sfeervolle, door Daniel Felsenfeld speciaal voor de gelegenheid voor Dinnerstein aangeleverde solostuk voor piano, gebaseerd op één van haar eigen favoriete liedjes, Leonard Cohens “Suzanne”. Zoals veel hier van een ronduit ontwapenende schoonheid!

Simone Dinnerstein, Tift Merritt

 

ERIC BURDON “’Til Your River Runs Dry” (ABKCO)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik een dergelijke sterke plaat van Eric Burdon niet echt meer verwacht had! Wat de beste man op “’Til Your River Runs Dry” presteert is immers echt wel van grote klasse! Tien eigen nummers – Veelal gepend samen met leden van z’n band! – worden erop afgewisseld met prima covers van “Medicine Man” van Marc Cohn en “Before You Accuse Me” van de elders al eerder even bejubelde Bo Diddley. En daarin wordt er nogal wat muzikaal terrein bestreken. Openingsnummer “Water” en “Old Habits Die Hard” blijken zo bijvoorbeeld buitengewoon smakelijke rootsy rockertjes, het nogal belerende “Memorial Day” hinkelt lui voort over een soort van verkapte reggae-beat, “Devil And Jesus” helt vervaarlijk over richting de swampy stuff van pakweg een Tony Joe White, het bezadigde “Wait” flirt onverholen met Latin, “Bo Diddley Special” blijkt onverwachterwijze iets gospelesks over zich te hebben, “Invitation To The White House” is klassiek geschoold bluesmateriaal en “In The Ground” en “River Is Rising” lonken zalig groovy richting New Orleans. Het voormalige Animals-kopstuk duidelijk in de ban van het Amerikaanse Zuiden dus! Daarbij naar eigen goeddunken afwisselend krachtig en eerder bedaard uit de hoek komend. Verrassend goed bij stem zijnde vooral ook en met vrijwel voortdurend veel oog voor de opgeroepen sfeer. En dat resulteert naar onze bescheiden mening in één van de allersterkste albums op ’s mans actief so far. Je moet het maar doen op je tweeënzeventigste!

Eric Burdon

 

IAN MCFERON “Time Will Take You” (Ian McFeron)

(4****)

Goed een jaar of twee geleden hadden we het hier voor het eerst over de jonge Amerikaanse songsmid Ian McFeron. En ook toen al wist hij ons best wel te bekoren. Dat was naar aanleiding van zijn vorige cd, het mooie “Summer Nights”. Vier sterren hadden we daar toen voor veil. En die zijn er ook ditmaal weer, voor zijn nieuwe album “Time Will Take You”. Zijn zevende ondertussen al! En net als voor “Summer Nights” nodigde McFeron daarvoor de gerenommeerde Doug Lancio als producer uit. En die bracht op zijn beurt bij wijze van bedankje niet enkel een heleboel gitaren en andere snaarinstrumenten mee, maar ook een waar topteam aan bevriende muzikanten uit de begeleidingsgroepen van respectievelijk Ryan Adams, Patty Griffin en John Hiatt. En nu de naam toch al gevallen is: ja, McFerons stem en manier van zingen hebben inderdaad wel iets van die van Adams. En met die Adams deelt hij ook dezelfde muzikale speeltuin. Die van de alternatieve country of Americana inderdaad. Al zou je sommige van zijn nummers zeker ook als folk rock of roots pop kunnen bestempelen. ’n Beetje Adams, ’n beetje Earle, ’n beetje Dylan. Sterke verhalen, verpakt in al even pakkende melodieën. Het ene moment heerlijk rustig (het soulvolle “Good To Be Back Home” en de pianoballades “The First Cold Day Of Fall” en “That’s The Truth”), het andere juist erg snedig (de lekkere rockertjes “Bringin’ It Back” en “Down The Road”). Soms ook gewoon straight edge country (het aanstekelijke “Long Weekend”), folky (de ballade “You Are Like The Sun”), zachtjes (jazzy) swingend (het met wat fraaie vocale ondersteuning van Alisa Milner gebrachte “You And Me”) of gekruid met een bijkomende dosis rootsgevoel (“Back To The Farm (Life Is Good)”).

Ian McFeron

 

TRAILHEAD “Bodies In The Basement” (Cannery Row Records)

(4****)

De voorbije weken bereikten ons met de nieuwe schijven van Markus Rill en Smokestack Lightnin’ al twee uitstekende platen vanuit Duitsland en met “Bodies In The Basement” van de ons voorheen volslagen onbekende Trailhead doen we er daar graag nog eentje bij. Trailhead blijkt bij nader inzicht niets meer dan een nom de plume voor Tobias Panwitz, een in Oost-Berlijn geboren en getogen songsmid, die zijn liedjes graag aan zijn eigen lotgevallen tijdens reizen doorheen grote delen van de wereld en aan gemijmer over relaties allerhande mag ophangen. En muzikaal gezien herinnert hij daarbij aan nogal wat interessante acts. We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag even Crowded House, Ron Sexsmith en in iets mindere mate ook Jackson Browne en Neil Young. Panwitz grossiert met andere woorden in intelligente Americana- en rootspopdeuntjes, die een zekere hang naar de jaren zestig en zeventig allerminst lijken te willen ontkennen. Zijn werk is alleszins uiterst melodieus en wist ons dan ook te bekoren van a tot z. En met name dan dingen als het bedaard rockende “To The Sea”, het extreem zomerse en naar onze bescheiden mening ook buitengewoon radiogenieke “Yours And Mine”, het wel erg nadrukkelijk op het popgeluid van het Californië van medio de seventies geënte tweetal “Sun Upon My Neck” en “Maps And Charts” en de zachtjes twangende “valse trage” “Something’s Always Coming Up”. Moet je gewoon wel van houden, van dergelijke pareltjes van liedjes! Daarom: snel even kennismaken met zowel “Bodies In The Basement” als het al van 2009 daterende “The Road To Salamanca” van Trailhead! Want geloof ons vrij: “You’re in for a real treat!”

Trailhead, Cannery Row Records

 

BILLY MARLOWE “Show Me The Steps” (NewTex Records)

(3,5****)

Met de totaal onverwachte release van het voorliggende “Show Me The Steps” doen producer Steve Satterwhite en die van NewTex Records een voorzichtige poging om de zestien jaar geleden overleden Billy Marlowe alsnog een eigen niche binnen de geschiedenis van de populaire muziek te verzekeren. Een nobel initiatief waar ze allicht niet veel rijker zullen door worden, maar dat hoeft ook helemaal niet. Hier draait het immers enkel en alleen om de voldoening van het onder de mensen brengen van een werkstuk dat nooit echt kreeg wat het verdiende. (“Show Me The Steps” werd al in 1983 ingeblikt, maar bleef tot op de dag van vandaag gewoon op de plank liggen!) Om het redden voor het nageslacht van een tiental prachtliedjes van een man voor wiens leven de omschrijving “hard times” wel uitgevonden lijkt. Drank, drugs, een zwerversbestaan, een veelheid aan stukgelopen relaties, de nodige tijd in de bajes, je zegt het maar…

Maar goed, waar het hier om draait zijn natuurlijk enkel en alleen Marlowe’s liedjes. En die zijn zoals hoger al gesteld echt wel heel mooi. Gebracht met een wat weemoedige stem, nogal poëtisch van aard en doorgaans te situeren ergens tussen folk, pop en rock. Louter muzikaal gezien (een beetje) gedateerd aandoend, dat wel, maar dat doen ondertussen zo ongeveer alle platen uit diezelfde periode, toch? Dus laat dat vooral geen bezwaar vormen om alsnog een exemplaar van “Show Me The Steps” in huis te halen. Samen met wat Marlowe zelf indertijd als “a few good songs” omschreef, krijg je er dan ook wat prille moves van de later wél bekend geworden Shawn Colvin bij. Zij tekende immers voor de beklijvende harmony vocals hier.

NewTex Records, CD Baby

 

VICKY EMERSON “Dust And Echoes” (Vicky Emerson)

(4****)

Na een opnamepauze van goed en wel twee jaar om zich ten volle op de eerste levensstapjes van haar in diezelfde periode geboren eerste kindje te kunnen wijden pakte de knappe Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Vicky Emerson onlangs met haar vierde Americana-cd uit. “Dust And Echoes” heet dat geheel, het bevat in totaal tien nieuwe liedjes en het luistert weg als een delicate trip doorheen het leven zelve. En dat is op de keper beschouwd ook absoluut geen wonder, als je weet, dat het merendeel van de liedjes erop ontstond gedurende een al bij al behoorlijk turbulente periode in Emersons bestaan, waarin naast nieuw leven ook de dood een prominente rol opeiste. Iets wat aan het hier gebrachte op volstrekt natuurlijke wijze de nodige diepgang verleent. En zulks schept natuurlijk bijna als vanzelfsprekend een zekere band. Het wordt je door Emerson echt gemakkelijk gemaakt om je in haar songs in te leven. En ze groeit daardoor terloops ook weer wat meer richting enigszins vergelijkbare collega’s als een Lucinda Williams, een Patty Griffin en een Shawn Colvin. Met die drie deelt ze alvast een aantal flink in het oog springende kwaliteiten. Met als wellicht wel voornaamste haar ongelooflijk mooie stem. Daarmee pakt ze je als luisteraar tien songs lang echt genadeloos in. En al zeker wanneer ze weer eens achter haar piano gaat postvatten om er een dot van een ballade uit te persen. Dan is kippenvel nooit ver weg! Zoals tijdens het ijle “Reverie” of het aan haar dochtertje opgedragen “Shine” bijvoorbeeld. Dan is er meer sprake van “emo-ricana” dan van ons huismerk! Dan is er geen ontkomen aan de muzikale klippen van Emerson! Als een volleerde sirene laat ze je dan op haar verhalen lopen. Echt wel bloedmooi! En een dikke aanrader wat ons betreft voor wie z’n Americana graag sfeervol hebben mag.

Vicky Emerson, CD Baby

 

JARROD DICKENSON “The Lonesome Traveler” (Jarrod Dickenson Music)

(4****)

Wat een verdomd fijne plaat is dit! En bovendien nog een echt groeiertje ook! Ik kan er persoonlijk maar geen genoeg van krijgen, van deze tweede van de in Texas geboren, maar ondertussen wel al een poosje naar Brooklyn verkaste singer-songwriter Jarrod Dickenson. Op de opvolger van z’n al in 2009 verschenen debuutplaat “Ashes On The Ground” laat de beste man er twaalf nummers lang geen twijfel meer over bestaan, dat we in de nabije toekomst wellicht flink rekening met hem zullen moeten gaan houden. Dat hijzelf een behoorlijk fanatieke lezer is, heeft immers zo z’n gevolgen gehad voor de kwaliteit van z’n teksten. Op een regelmatige basis Fitzgerald, Hemmingway en Steinbeck tot je nemen, dat doe je duidelijk niet “ongestraft”… En ook wat betreft z’n muzikale voorbeelden zit het bij Dickenson wel snor. Dat blijken immers vooral de vooraanstaande Texaanse troubadours Townes Van Zandt en Guy Clark (geweest) te zijn. Voeg daar nog een ons best wel wat aan die van z’n collega Rod Picott herinnerende stem, meer dan gemiddelde vaardigheden op de akoestische en een bescheiden peloton interessante muzikale medestanders – Onder meer Greg Leisz! – aan toe en je begrijpt dat je hier gebeiteld zit voor ruim drie kwartier buitengewoon fijn muzikaal vertier. In een productie van de recentelijk onder meer om zijn werk met de Carolina Chocolate Drops en Ray LaMontagne geroemde Ryan Freeland gidst Dickenson ons vaardig doorheen een dozijn aan het leven zelf ontleende eigen kostelijkheden. En een weinig folk, een weinig country en een weinig blues blijken daarbij de muzikale ingrediënten. Heel mooi, zoals hier hoger al gesteld, en derhalve ook warm aanbevolen!

Jarrod Dickenson, CD Baby

 

FRANKA DE MILLE “Bridge The Roads” (Chi Wara Music / Bertus)

(3,5****)

Tweedekansrelease voor dit album van de jonge Britse Franka De Mille, dat we – Zo leerde wat opzoekwerk! – al in 2010 voor het eerst zagen opduiken. “A heartfelt album of confessions and apologies on a journey toward redemption,” lazen we er toen over. En vergelijkingen met onder meer Kate Bush, Tori Amos, PJ Harvey en Patti Smith zetten ons meteen compleet op het verkeerde been. Wat De Mille doet, is immers volstrekt uniek te noemen. Op behoorlijk eigenzinnige wijze versmelt ze in haar liedjes (elementen uit) genres als pop, folk, Americana en kamermuziek. Met haar ongemeen expressieve stem als haar voornaamste bondgenote danst ze dartel in het rond tussen geluiden ontlokt aan zo uiteenlopende instrumenten als viool, cello, accordeon, mandoline, oud, piano, fluit, akoestische en slidegitaar en andere. Geenszins gekunsteld, integendeel juist heel naturel voelt dat allemaal aan. Van een ontwapenende schoonheid op de keper beschouwd. En an sich is het dus best wel vreemd te noemen, dat het voor De Mille “the first time around” niet lukte. Dat ze een selectie voor de British Phonographic Industry-campagne “Why Music Matters” nodig had om eindelijk een serieuze kans te krijgen. Als eerste en voorlopig enige independent act trouwens! Eigenlijk best wel leuk, lijkt ons, om je naam dan plots compleet “out of the blue” tussen die van eerder voor dat project genomineerden als de Beatles, Nick Cave en de hier hoger al even genoemde Kate Bush te zien prijken… Al was het maar omdat gerenommeerde publicaties als MOJO, Uncut en Q elkaar nu plots wél voor de voeten gaan lopen met aandacht voor je werk. Bredero zou zeggen: “Het kan verkeren!” En maar goed ook eigenlijk, want op “Bridge The Roads” staan nogal wat “schone liekes”. Wij onthielden zo bijvoorbeeld het ergens tussen Arabica, kamermuziek en pop wortel geschoten hebbende “So Long”, het zomerse, ons op de één of andere manier best wel wat aan het materiaal van door ons erg gewaardeerde dames als Isabelle Antena en Mathilde Santing herinnerende “Come On” en vooral ook het zwaar evocatieve “Gare Du Nord”, een door De Mille tegen een achtergrond van viool, cello, accordeon en piano uit haar ziel geknepen bekentenis aan het adres van haar zus. Werkelijk bloedmooi, dat laatste liedje!

Franka De Mille

 

KEVIN SELFE “Long Walk home” (Delta Groove Music)

(4****)

Het is weer eens tijd voor een smakelijk mootje blues! En dat wordt ons hier en nu geserveerd door Kevin Selfe. Op “Long Walk Home” gaat die Amerikaanse snarenvirtuoos heerlijk breed. In het gezelschap van blues- en rootsveteranen als Mitch Kashmar (zang en harmonica), de je ongetwijfeld ook wel van de Fabulous Thunderbirds en de Blasters bekende Gene Taylor (piano), Allen Markel van The Insomniacs (bas en backing vocals), de tijdelijk bij blues-supergroep The Mannish Boys weggeplukte Jimi Bott (drums en backing vocals) en voormalig Roomful Of Blues-blazer Doug James (baritonsax) vertolkt hij elf eigen songs, waarin respectievelijk West Coast, Texas, Chicago en Delta blues worden aangedaan. En met geregeld oorstrelend knappe resultaten ook. Het al stompend en slidend aan de man gebrachte “Last Crossroad” is er zo eentje, het soulvol swingende “Walking Funny” zeker ook, net als het rootsy, z’n titel sfeergewijs alle eer aandoende “Too Much Voodoo”, het met een voor Selfe zo ongeveer alleszeggende titel gezegende “The Blues Is My Home” en de wervelende (door Steve Kerin pianogewijs met een bescheiden prise boogiewoogie opgewaardeerde) afsluiter “Put Me Back In Jail”. Alleen voor dat geweldige laatste nummer al zou een mens “Long Walk Home” eigenlijk moeten kopen…

Kevin Selfe, Delta Groove Music

 

SUSIE GLAZE & THE HILONESOME BAND “White Swan” (Susie Glaze & The Hilonesome Band)

(3,5****)

“White Swan” markeert naar verluidt al de vierde samenwerking tussen nachtegaaltje Susie Glaze en de Hilonesome Band. En ik schrijf dan heel bewust “naar verluidt”, want voor mij gold het nuttigen van hun binnenkort te verschijnen nieuwe schijf als een eerste kennismaking met het collectief. Een kennismaking, die gelijk al naar meer smaakte, dat wel! Glaze bleek immers een fantastische zangeres, die me met haar sierlijke stemcapriolen in de hogere registers onwillekeurig een beetje deed denken aan de onvolprezen Alison Krauss. En in het instrumentale gezelschap van Steve Rankin (mandoline, bouzouki, akoestische gitaar), Rob Carlson (akoestische leadgitaar en dobro), Mark Indictor (fiddle) en Fred Sanders (staande bas) is het eveneens goed toeven! Samen waadt dat vijftal op “White Swan” met veel gevoel doorheen materiaal van James Taylor (“Mill Worker”), Ernest Troost (“Evangeline” en “Harlan County Boys”), Steve Earle (“Me And The Eagle”) en Jean Ritchie (het kinderliedje “The Soldier”). En verder zijn er ook nog een echt wel bloedmooie lezing van de traditional “Fair Ellender” en een vijftal originelen van de hand van vooral gitarist Rob Carlson. Een songelftal waarin aan bestaande grenzen tussen muziekstijlen nauwelijks belang wordt besteed. De ondertoon mag er dan al één zijn van bluegrass, het kan hier binnen dat niet bepaald strak zittend keurslijf vrijwel voortdurend alle kanten uit. Bluegrass, country, Americana, Appalachenfolk, de Keltische variant van dat laatste genre, ze vinden vroeg of laat allemaal wel hun weg naar de mix van Glaze en kompanen. En het resultaat van al dat eclecticisme is een buitengewoon lekker muzikaal potje! Onze luistertips: Carlsons beklijvende, op handige wijze uit diverse folktradities tegelijk puttende “The Dark Eileen”, de erg hoogstaande cover van Ernest Troosts “Evangeline” – Bij nader inzicht misschien wel het allermooiste liedje hier! – en titelnummer “White Swan”, compleet inclusief dulcimer en bouzouki.

Susie Glaze & The Hilonesome Band

 

JACK TEMPCHIN “Live At Tales From The Tavern” (Tales From The Tavern)

(3,5****)

Zelfs al zou z’n naam je absoluut niets zeggen, dan nog is de kans vrij groot, dat je één of meerdere nummers van Jack Tempchin zomaar meezingen kan. Tempchin is immers de man achter hits als “Peaceful Easy Feeling” en “Already Gone” van de Eagles, “Smuggler’s Blues” en “You Belong To The City” van Glenn Frey en “Slow Dancing” van Johnny Rivers. Verdere deuntjes van hem werden opgenomen door onder meer Jackson Browne, Emmylou Harris, George Jones, Linda Ronstadt, Dwight Yoakam, Patty Loveless, Trisha Yearwood en Kate Wolf. En tot zijn schare fans mag Tempchin bovendien ook nog schoon volk als Tom Waits, Van Dyke Parks en J.D. Souther rekenen. Enfin, geen kleine jongen dus… En dat blijkt ook op “Live At Tales From The Tavern”. Op dat in de Maverick Saloon in het Californische Santa Ynez opgenomen geheel tackelt Tempchin geheel en al akoestisch een elftal songs van z’n eigen catalogus. Van de hoger genoemde hits ontbreekt enkel “Smuggler’s Blues”. “Peaceful Easy Feeling”, “Already Gone”, “You Belong To The City” en “Slow Dancing” zijn allemaal wél van de partij. Evenals andere eigen composities als “The Only One You Love”, “Bender”, “Loneliest Piano In Town”, “Jazzbird”, “Lovers Like Us”, “Jesus And Mohammed” en “Amy”. Die brengt de beste man in z’n dooie eentje, daarbij slechts gewapend met de eigen stem, een akoestische en een mondharmonica. Lekker intimistisch. Veelal eerder rustig, hier en daar even bedaard (country)rockend, altijd warm van hart. En met als uiteindelijk resultaat een fijne compagnon om wat winteravondlijke koude mee te verdrijven. En dat kan dan zowel met klank als met beeld, want “Live At Tales From The Tavern” bevat naast een cd ook een dvd.

Jack Tempchin, CD Baby

 

VELLAMO “Vellamo” (Vellamo)

(3,5****)

Vellamo is in de Finse mythologie de wederhelft van Ahti, god van de zee, met wie ze in het onderwaterpaleis van Ahtola woont. Maar Vellamo is dezer dagen vooral ook de naam van een uitstekend folkduo met z’n thuishaven in Vaasa aan de westkust van datzelfde land. We hebben het dan over Pia Leinonen en Joni Tiala. Zij, een zangeres in de lijn van de jonge Joan Baez en Judy Collins, hij, een buitengewoon vaardige jongen op heel wat besnaarde instrumenten. En samen tekenen ze op hun onlangs verschenen titelloze debuut voor een dertien songeenheden tellende selectie. Zeven daarvan blijken originelen, in zowel Engels als Fins, de overige zes zijn traditionals ontleend aan het Finse, Zweedse en Engelse folkcanon. In z’n geheel al bij al best wel wat retro aandoend, maar dat geeft niet. Op de één of andere manier ontleent wat Leinonen en Tiala hier doen immers net daaraan een deel van zijn charme. De late sixties waren nu eenmaal hoogst interessante (folk)tijden… Opgemerkte gasten hier: Rebecca Hall en Ken Anderson. En tot slot willen we je ook nog even enkele, zoals gewoonlijk onverbintelijke luistertips meegeven. En dat zijn het voornamelijk van de elfenzang van Leinonen en buitengewoon warm toetsen- en snarenwerk levende vintage folkrockertje “Silver Dagger”, het ook al heel erg sfeervolle en als een geweldige ambassadeur voor het Fins als muziektaal agerende “Minne Kulkee Sinun Matka” en een erg overtuigende lezing van de Britse traditional “Geordie”. Een ontdekking!

Vellamo, CD Baby

 

COLD CHOCOLATE “This Old Way” (Cold Chocolate)

(3***)

Het vanuit Boston actieve Cold Chocolate is een nog relatief jonge akoestische act bestaande uit Ethan Robbins (gitaar en zang), Kirsten Lamb (contrabas en zang), James McIver (banjo en zang) en Ariel Bernstein (drums). Op z’n onlangs verschenen debuut probeert dat viertal het bluegrassgenre een funky facelift te verkopen. En daarbij blijkt er met name een hoofdrol te zijn weggelegd voor de instrumenten van Lamb en Bernstein. Die hebben immers gezorgd voor een markante backbeat. Of voor het fundament, zo u wil, waarop stemmen, banjo en gitaar totaal ongegeneerd aan de slag konden. Vijf songs zijn het voorlopig al bij al nog eerder magertjes uitvallende resultaat. En die lijken ons van die strekking, dat je er vooral bij liefhebbers van collectieven als de Hackensaw Boys, de .357 String Band, Old Crow Medicine Show en aanverwanten mee kan gaan aankloppen. Bluegrass, ja, maar dan wel verankerd in het heden. Sexy. Uitermate geschikt ook voor alternatievelingen met een hart voor “all things roots” en met een stel goede oren aan hun hoofd. Onze luistertips: het over een hyperkinetisch betokkelde banjo voorbij knallende “Follow Arrows” en de effectief wel heel erg funky uit de hoek komende afsluiter “The Levee”. Mede daardoor goed bevonden, maar volgende keer mag het wel graag wat meer zijn…

Cold Chocolate

 

TINY LEGS TIM “TLT” (TLT Productions / Bertus)

(4****)

Belgium’s got talent! Het gelijknamige tv-programma wist er me niet meteen van te overtuigen, dit daarentegen… Wow! Pure klasse! Blues van de bovenste plank, made in “of all places” Gent! In de “On The Moon Studio” in Drongen meer bepaald door Tiny Legs Tim. En die was met “TLT” al niet meer aan zijn proefstuk toe. Op basis van zijn iets meer dan een jaar geleden verschenen debuut “One Man Blues” werd de jonge Gentenaar her en der zelfs al uitgeroepen tot hét Vlaamse bluestalent van de toekomst. En daar kunnen wij hier best wel inkomen. De tien ten dele op z’n eigen leven geënte songs, die Tiny Legs Tim op “TLT” brengt, zijn immers van een zeldzame klasse. De blues, ja, maar dan wel met een cathartisch karakter. Of hoe je zelfs uit de grootste tegenslagen sterker terug kan keren. Tiny Legs Tim weet er zelf na een slopend gevecht tegen een ernstige ziekte hoegenaamd alles van. En dus hoor je hem hier ook volop genieten. Ditmaal daarbij bijgestaan door contrabassist Mario Vermandel en drummer Erik Heirman voegt hij tien verdere knappe songs aan het Belgische bluescanon toe. Het veelzeggend schokschouderende “Can’t Win Them All”, het lome, op treffende wijze pijn en de daaruit volgende toestand van wanhoop verklankende akoestische bluesje “Please Dr. Please” en het voorzichtig rockende “When I Fall” behoren daartussen zeker tot de highlights. Evenals het laid-back groovende en ons best wel een beetje aan J.J. Cale herinnerende “One Of These Days”, het hypernerveuze “Standin’ On The Sideline” en de voorwaar zelfs voorzichtig zomers aandoende afsluitende instrumental “Victory”.

Tiny Legs Tim

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home