CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2014

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

DEADMAN “Chimes At Midnight & How Shall We Then Live?” - KALLE MATTSON “Someday, The Moon Will Be Gold” - NICK MOSS BAND “Time Ain’t Free” - MATHIAS LILJA “Mathias Lilja” - BOB CORRITORE “Taboo” - SLOW FOX “Oh My” - RUSTY ROOTS “Your Host” - HT ROBERTS & BRUNO DENECKERE & THE LANDED GENTRY “Heroes & Has-Beens” - SLAM AND HOWIE AND THE RESERVE MEN “Sons Of Ancient Time” - DAVID SERBY AND THE LATEST SCAM “David Serby And The Latest Scam” - BASTARD SONS OF JOHNNY CASH “New Old Story” - SCOTT H. BIRAM “Nothin’ But Blood” - LYDIA LOVELESS “Somewhere Else” - NEXT STOP: HORIZON “The Harbour, My Home” - ROBBY HECHT “Robby Hecht” - ELIZA GILKYSON “The Nocturne Diaries” - AD VANDERVEEN “Beat The Record” - JACOB LATHAM “Midnight Train” - THE SOFT HILLS “Departure” - NANCARROW “Heart” - THE GRAND OPENING “Don’t Look Back Into The Darkness” - JIM SUHLER “Panther Burn” - ROBERT ELLIS “The Lights From The Chemical Plant” - CLAY MCCLINTON “Bitin’ At The Bit” - THE PALOMINOS “Come On In” - A.J. CROCE “Twelve Tales” - SONS OF BILL “The Gears EP” - BILL PRITCHARD “A Trip To The Coast” - JOHN GORKA “Bright Side Of Down” - NINE BELOW ZERO “Don’t Point Your Finger” en “Third Degree”

 

 

DEADMAN “Chimes At Midnight & How Shall We Then Live?” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Bepaald ambitieus projectje, dit! Not your typical stuff… Daarmee wou Steven Collins ditmaal duidelijk geen genoegen nemen. De onder de “nom de plume” Deadman al sinds enkele jaren flink aan de weg timmerende Texaan opteert hier en nu voor een combinatie van film en muziek. Met de “arty”, aan vier van z’n nieuwe liedjes opgehangen kortfilm “Chimes At Midnight” als visuele aanvulling op “How Shall We Then Live?”, z’n  – Helaas! – amper zes songs tellende nieuwe cd.

Helaas, want dat songzestal is weer om duimen en vingers bij af te likken! Het is direct goed prijs met “Young And Alive”! Beurtelings een eerder onopvallende melodieuze americanadeun en een creepy, gitaargestuurde rootsrocker met Collins’ berookte stem als stralend middelpunt van de belangstelling. Vervolgens is er hét klapstuk hier! En dat is echt wel ontegensprekelijk “Javert”. Dat klinkt als “Collins gone Cohen by way of Cave”. Ongelooflijk atmosferisch, licht exotisch ook, zwaar verslavend alleszins. Dan volgt het bedaarde folkrockdeuntje “Hard Pill”. Ook al zéér mooi, best wel een beetje Dylan-esk en geïnspireerd naar verluidt door de gedichtenbundel “Strange Land” van Todd Hearon. Via “Our Fellow Man” – een streepje twangy “Johnny & June country” met fraai gitaarwerk van Bryce Clark en een gezongen bijdrage van Brennen Leigh – gaat het dan nog langs het werkelijk grootse titelnummer – atmosferische breedbeeldamericana genre Daniel Lanois in z’n beste dagen, met opnieuw machtig gitaarwerk – en “Things Have Changed” – een Dylan-cover inderdaad, mede dankzij fijn accordeonwerk van Matt Lara net als veel van z’n voorgangers hier badend in een wat apart sfeertje.

Voor de muziek alleen al meer dan de moeite waard! Maar als bonus is er zoals hier al eerder gesteld ook nog de kortfilm “Chimes At Midnight”. En alsof dat nog niet volstaan zou, ook nog eens een fijn 40 pagina’s tellend boekwerkje met naast de teksten van de liedjes een fraai foto-essay. Niet zo heel erg veel nieuwe muziek misschien, maar wél véél waar voor je geld…

Deadman, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

KALLE MATTSON “Someday, The Moon Will Be Gold” (Trickser Tonträger / Sonic Rendezvous)

(4****)

Mocht de naam Kalle Mattson je nog niets zeggen, dan hoef je je daarvoor – Zelfs als doorgewinterde (roots)muziekliefhebber! – geenszins te schamen. Geen van ’s mans drie voorheen verschenen platen, te weten “Whisper Bee” uit 2009, “Anchors” uit 2011 en de EP “Lives In Between” uit 2012, kwamen tot op heden immers aan een Europese release toe. En dat is eigenlijk hoogst merkwaardig te noemen. Zeker als we daarvoor mogen afgaan op het op “Someday, The Moon Will Be Gold” gebrachte. Dat is immers een heel bijzondere collectie liedjes. Een heel erg sterke ook.

De Canadees Mattson toont zich daarop een hoogst begenadigde singer-songwriter. Eentje gezegend met een ietwat aparte ijle stem en met een zwak voor orkestrale muziekjes van het genre waarin ook die van Calexico en de Triffids ooit plachten uit te blinken. Ergens tussen folk, pop en rock met andere woorden. Daarbij soms behoorlijk snedig uit de hoek komend, zoals in het doortastende “Hurt People Hurt People” of de het album voorafgaande single “An American Dream”, maar veelal toch eerder filmisch – Lees: een pak ingetogener! – van karakter.

Afgaande op het succes van enkele van z’n online te bekijken video’s een certitude voor de toekomst, deze Mattson! Twee daarvan gingen “viraal”. Eentje, die voor “Thick As Thieves” met name, werd ondertussen zelfs al meer dan een miljoen maal bekeken. En dat zou wat ons betreft met nieuwe dingen als het bedaarde “Eyes Speak”, het deze plaat aan haar titel helpende “The Moon Is Gold”, het lentefrisse “popdondertje” “Pick Me Up”, het met collega Jeremy Fisher gepende “In The Morning Light” of de werkelijk wonderschone ballade “A Love Song To The City” zomaar opnieuw mogen gebeuren ook.

Hoogst dringend te ontdekken!

Kalle Mattson, Trickser, Sonic Rendezvous

 

NICK MOSS BAND “Time Ain’t Free” (Blue Bella Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Time Ain’t Free”, de nieuwe van de Nick Moss Band, zou je met wat goede wil kunnen vergelijken met dat je op feestjes om de haverklap onder de neus geduwde vermaledijde schoteltje met hapjes. Telkens weer wat anders, telkens lekker, telkens smakend naar meer… Maar dat krijg je dan meestal niet. Bij z’n volgende passage liggen er op het schoteltje immers steevast nieuwe dingen. En dat gevoel had ik bij het luisteren naar “Time Ain’t Free” dus ook meermaals. Denken van “Verdomme dit is goed, snel op naar meer van dattum!”, maar dan kwam er… iets totaal anders!

Moss gebruikt de blues, R&B en jaren zeventig rock als an sich al vrij breed uitgangspunt. Maar van daaruit kan het dan ook nog eens te allen tijde echt alle kanten uit. En dat ruim veertien nummers lang. Van gewaagde lome bluesrock in “She Wants It” over het me in al zijn nervositeit hier en daar even aan “Radar Love” van de Golden Earring herinnerende “Was I Ever Heard” tot het over een gesyncopeerd ritme fameus struttende “Light It Up”, van het soulvol richting Memphis lonkende “Fare Thee Well” over het heavy funkende titelnummer tot de hyperkinetische roadhouse R&B van “Been Gone So Long”, van de Muscle Shoals-soul van “Tell You Somethin’ ‘Bout Yourself” en “EZ Bree Zee” over de gospelesk opgevatte ballade “I Want The World To Know” en het licht exotisch gekleurde, me door z’n muzikale aanpak even aan Santana doen denkende “Walkin’ On A Ledge” tot het ongemeen funky “(Big Mike’s) Sweet Potato Pie” en andere, tijd voor eender welke vorm van verveling dan ook laten Moss en co je hier zeker niet.

Opvallend gegeven: tweede gitarist Michael Ledbetter mag van bandleader Moss in liefst zes van de veertien nummers de lead vocals voor z’n rekening nemen. Onder meer ook in de Faces-cover “Bad ‘N’ Ruin”. Voor de productie tekende Moss zelf.

Nick Moss Band, Sonic Rendezvous

 

MATHIAS LILJA “Mathias Lilja” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Dit mag dan al Mathias Lilja’s solodebuut zijn, groen achter de oren is de beste man al lang niet meer. Zo’n twintig jaar geleden al zette de Zweed zijn eerste stappen in het “Musikgeschäft” bij het een nadrukkelijke hang naar “all things sixties” etalerende garagerockcollectiefje The Strollers. Met die groep maakte hij rond de eeuwwisseling onder meer het bijzonder knappe lp-tweetal “Falling Right Down” en “Captain Of My Ship”. Na het opdoeken ervan verbond hij z’n lot vervolgens opnieuw aan een dergelijke als behoorlijk retro te bestempelen act. The Maharadjas meer bepaald. En mocht u die nog niet kennen, dan raden wij u een snel rondje YouTube aan. Is immers ook zeer de moeite waard, dat bandje!

Maar nu is er dus de eerste solo-cd van Lilja. En daarop toont hij zich van een geheel en al andere kant. Net als ons deelt de Zweed z’n voorliefde voor al wat ouder spul immers met die voor Americana singer-songwriters van alle tijden. Als inspiratiebronnen voor zijn zopas verschenen visitekaartje noemt hij zo zelf onder anderen grootheden als een Gram Parsons, een Clarence White, een Guy Clark, een Blaze Foley en een Townes Van Zandt. En van de hand van die laatste stamt ook de enige cover op dat geheel. Het betreft daarbij een hele fijne, met heel veel gevoel gebrachte interpretatie van “No Place To Fall”.

De overige negen songs op “Mathias Lilja” zijn zonder uitzondering eigen deuntjes. Enkel voor het afsluitende “Let It Grow” kreeg hij wat hulp van de ons volslagen onbekende Rebecca Olsson. Dat laatste is één van de vele behoorlijk melancholisch uitvallende wijsjes hier. Maar net als een aantal van de andere nummers heeft het naar z’n einde toe de neiging om zich te openen tot wat fellers. Zij het dan ook niet zo fel als bijvoorbeeld “Evil” en “Devil’s Almanac”. Doorgaans is het hier echter droefgeestigheid troef. Met regelmatig opvallende muzikale rollen voor instrumenten als de pedal en lap steel van co-producer Clas Olofsson en de dobro van Lilja zelf en occasioneel ook de viool van Kajsa Zetterlund. Zij vormen als het ware de “blanket of sorrow” over Lilja’s zacht-warme, echt wel uitstekend voor materiaal van dit type geschikte stem.

Kortom de in z’n thuishaven Örebro opgenomen eersteling voor eigen rekening van Mathias Lilja plaatst hem daadwerkelijk ergens dicht in de buurt van het voorheen opgesomde rijtje zingende en schrijvende medemensen. Al moet je er dus hier en daar wel een wat scherper randje bijdenken. En ook wat van dat zo moeilijk te definiëren Scandicana-gevoel….

Erg mooie plaat!

Mathia Lilja, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

BOB CORRITORE “Taboo” (Delta Groove Music)

(4****)

Naast “good old” Charlie Musselwhite was het de jongste jaren vooral Bob Corritore die van zich deed spreken als bluesharmonicamaestro. Onder meer middels bijzonder gesmaakte samenwerkingen met onder anderen John Primer, Tail Dragger, Kid Ramos en Dave Riley catapulteerde de beste man zichzelf wat ons betreft zomaar tot in de bovenste schuif met momenteel nog actieve bluesinstrumentalisten. Enfin, om een lang verhaal flink in te korten, wij zijn dus duidelijk fans van z’n altijd weer zeer gedisciplineerde spel. Vooral het feit, dat hij zichzelf altijd weer tot op zekere hoogte weet weg te cijferen ten dienste van het liedje, weten we hier zeer te waarderen. We zouden ze immers geen eten willen geven, de bluesartiesten die het daar heel wat moeilijker mee hebben…

Met het fonkelnieuwe “Taboo” krijgt die Corritore ‘this time around” eenmalig zijn geheel eigen canvas. Ditmaal is hij de ontegensprekelijke ster. De baas in het kot als het ware. Maar zelfs in die hoedanigheid blijft hij behoorlijk bescheiden. In de twaalf veelal eigen nummers op die verse worp van ‘m blijkt er immers met name voor gitaristen Junior Watson en Jimmie Vaughan, toetsenmannen Fred Kaplan en Papa John DeFrancesco en saxofonist Doug James een zeer belangrijke, niet zelden dragende rol weggelegd. Zij zijn er met z’n allen eigenlijk medeverantwoordelijk voor, dat “Taboo” over zijn volle lengte weet te blijven boeien. Zij doen op “Taboo” wat Corritore normaal elders doet. En dat werkt!

Welke kant het hier ook uitgaat, het blijkt zo ongeveer allemaal even smakelijk! Heerlijk soulvol in “Shuff Stuff”, behoorlijk jazzy in “Mr. Tate’s Advice”, tijdelijk lekker exotisch in onder meer het Kid Ramos-eerbetoon “Fabuloco”, slow & groovy in “Potato Stomp” en het sensuele “Many A Devil’s Night”, meer ritmisch georiënteerd in dingen als het catchy “Ruckus Rhythm”, aanzettend tot een ouderwets potje foottappin’ in het al even aanstekelijke “T-Town Ramble”, je alle geneugten van het nachtleven laten proevend in de z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende afsluiter “Bob’s Late Hours”, enzovoort. Wij kunnen er hier maar geen genoeg van krijgen!

Echt waar, een dijk van een instrumentaal bluesalbum!

Bob Corritore, Delta Groove Music

 

SLOW FOX “Oh My” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het amper zeven liedjes tellende “Oh My” wordt ons door de Zweedse Sofia Henricsson, ook wel Slow Fox, aangereikt als “het kleine zusje” van haar goed een jaar geleden verschenen debuut “Like The Birds”. De songs erop pasten om de één of andere reden niet op dat visitekaartje, maar bleken anderzijds ook gewoon té goed om zomaar ongebruikt op de plank achter te blijven. En dus ontstond “Oh My”. Met daarop vijf volslagen nieuwe liedjes en alternatieve, van alle overbodige franje ontdane, akoestische versies van het titelnummer en “None The Wiser” van haar eersteling.

Veelal eerder weemoedig aandoende dingen, grotendeels akoestisch gehouden, zonder uitzondering buitengewoon sfeervol. Met “front and center” de ook nu weer een diepe indruk nalatende fluwelen stem van Henricsson zelve. En met als topmomenten wat ons betreft de met haar labelmaatje Chet O’Keefe ingeblikte Kinky Friedman-cover “Marilyn And Joe”, het aan het minialbum zijn titel ontlenende en naar Slow Fox-normen behoorlijk wulpse “My Oh My”, de broeierige andere versie van “None The Wiser” en openingsnummer “Rainy Waltz”, een verdere dot van een ballade.

Het mag dan met zijn net geen eenentwintig minuten allemaal al niet veel zijn, het is wel allemaal zeer mooi…

Slow Fox, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

RUSTY ROOTS “Your Host” (Rusty Roots)

(4****)

Onlangs gehoord in een Nederlandse tv-commercial: “Verandering is het enige wat blijft…” Wat ons betreft een gedachte met een waarheidswaarde zo groot als Burj Khalifa, de sinds het voorjaar van 2010 als het hoogste gebouw ter wereld te boek staande wolkenkrabber in Dubai. En misschien, héél misschien, ook wel de drijfveer achter “Your Host”, het nieuwe album van de onvolprezen Rusty Roots. Onder het motto “Stilstaan is achteruitgaan” gooien de vier Limburgers op hun vierde album het roer zo goed als volledig om. Op die nieuwe gaat de klok immers resoluut op rock.

Gelijk van bij de eerste tonen van openingsnummer “Come On Home” wordt al duidelijk, dat Jan Bas en zijn maats niet zomaar Mario Goossens van Triggerfinger als producer hebben aangetrokken. Een heerlijk strakke rockstreep is dat nummer! ’n Beetje “Stones”, ’n beetje “Zep”, ’n Beetje “Keys” ook wel. Met gitaren zo scherp als pas geslepen oestermessen, klaar voor wat voor materiaal dan ook! En ideaal derhalve als aanloop richting het wat ons betreft absolute klapstuk van “Your Host”. En dat is ontegensprekelijk het ongelooflijk catchty uit de hoek komende “Sidewalk”. Een drumpartij die wel ontleend lijkt aan iets van T. Rex, zang en gitaren opnieuw op hoog Led Zep-niveau, een dijk van een melodie! Dit moet gewoon een hit worden! De brede radioschouders van StuBru er enkele dagen onder en klaar is Kees!

En wat houden onze gastheren verder nog zoal voor ons in petto? Wel, dat zijn in die volgorde de licht funky uitvallende trage midtempo rocker “Better Lover”, het door z’n wat aparte gitaarbenadering en soulvolle zangpartij vrijwel meteen in het gehoor springende “Ohoo”, het heerlijk om zich heen stampende en al evenmin van soul gespeend gebleven “Take Me Down” en de ronduit bezwerend uit de hoek komende trage “Smiling Face”. Of nog: de ook al openlijk om radioaandacht bedelende deluxe rocker “All I Want”, het enigszins omineuze, zijn titel ook sfeergewijs werkelijk alle eer aandoende “Backdoor Man”, de retestrakke “meebruller” “Bed Of Roses”, de nog net iets meer dan het gros van het materiaal op “Your Host” een zekere affiniteit met de blues verradende moordsleper “Fades Out” en de ook alweer onweerstaanbaar om zich heen hakkende (licht funky) afsluiter “Tell It Like It Is”.

Zo goed als niets is anno 2014 nog zoals het voorheen was in het universum van Rusty Roots. Maar het is er wel nog altijd even lekker toeven! En dat is an sich al een hele geruststelling…

Rusty Roots

 

HT ROBERTS & BRUNO DENECKERE & THE LANDED GENTRY “Heroes & Has-Beens” (Deep Blue Something / Donor Productions / Bertus)

(5*****)

HT Roberts en Bruno Deneckere hadden zich voor deze eerste tot een gezamenlijk album leidende samenwerking eigenlijk geen beter ogenblik kunnen uitkiezen. Dankzij de hele hype rond “The Broken Circle Breakdown” en het mediagestuurde succes van Robby Longo blijken country en americana in Vlaanderen plots immers op wat grotere schaal te kunnen. Zelfs een nieuwe single van wijlen Johnny Cash haalt plots probleemloos allerhande hitlijsten. En hoe lang was zoiets al niet geleden…? Enfin, je kan hier dus duidelijk spreken van het ijzer smeden als het heet is. En of dat dan bewust of onbewust gebeurt, maakt eigenlijk niet eens zo heel veel uit.

Feit is, dat je deze krachtenbundeling van twee “onzer besten” gewoon uit volle borst hoort toe te juichen. ’t Is alsof Merle Haggard en Willie Nelson eindelijk weer eens zouden zijn samengekomen voor een plaat. Iets van die strekking. En een vergelijkbare impact zou het ook moeten hebben. Binnen het  Belgische americanagebeuren kennen Roberts en Deneckere immers hun gelijke niet. Echte pioniers zijn het. De voorbije vijftien jaar brachten ze samen ook al evenveel soloplaten uit. En daaronder zo menig een waar pareltje. We herinneren u bijvoorbeeld graag aan “Crescent Of The Moon”, “Someday” en “Walking On Water” van Deneckere en “Acres Of Time”, “Fingernail Moon”, “Motion/Still” en “Spirit Level” – Om er maar enkele te noemen! – van Roberts. Stuk voor stuk gehelen waarop beide heren aangaven in niets voor heel wat van hun Amerikaanse spitsbroeders onder te moeten doen. Meer nog: ze zouden in de States wellicht moeiteloos met de allerbesten mee kunnen.

Stel je voor, wat het geeft, als twee zulke kanjers dan ook nog eens samen aan de bak gaan! Een echte dijk van een plaat inderdaad. Een plaat, waarop werkelijk alles klopt. Een plaat, die je als Vlaming met elke nieuwe beluistering weer wat meer vervult van trots. Dit is immers niks minder dan klassieke country! Veertien nummers lang – Zeven van de hand van Roberts, zeven van die van Deneckere! – exploreren beide protagonisten samen met Niels Verheest (toetsen), Serge Bakker (bas) en Niels Delvaux (drums en percussie) oftewel The Landed Gentry een voor Lagelanders zoals we allemaal weten absoluut niet vanzelfsprekend muzikaal landschap. Americana, country, bluegrass en folk vormen afwisselend de hoofdbestanddelen van songs, die quasi voortdurend op zo ongeveer elk niveau weten te overtuigen. Zowel op tekstueel als op muzikaal vlak laten ze absoluut niets te wensen over. Zo menig een klassiekertje in wording, zeg maar…

Om te beginnen het echt wel volstrekt tijdloze “The Frame”, waarin Roberts en Deneckere tegen een zomers lome country-achtergrond samen elke vorm van oppervlakkigheid doorprikken. “You can buy the boots, you can wear the hat, but that don’t make you a cowboy!” Alle toekomstige, zich voor hun optredens aandienende poseurs zijn bij dezen gelijk gewaarschuwd! Volgende parel dan maar! En dat is de voorzichtig wat richting bluegrass overhellende Deneckere-compositie “The River And The Eagle”. Daarin wordt op adembenemend mooie wijze even stilgestaan bij wat in elk leven uiteindelijk onontkomelijk blijkt. Vervolgens zijn er de enigszins verzopen aandoende countryrocksleper “Amsterdam”, de een achtergelaten liefde bezingende en derhalve ook volop in hartzeer badende trage “She’s In My Heart” en het zo ongeveer als “vintage HT Roberts” te bestempelen folky americanadeuntje “Fallow Fields”. En dan hadden we het hier nog niet over het broeierige, op wel heel subtiele wijze met wat bluesgevoel besprenkelde “Eye Of A Storm”, het door Verheest enthousiast op de piano aangezwengelde swingertje “Back Into My Life Again”, het aan het album z’n titel verlenende streepje melancholie “Nashville”, het zachtjes twangend aan de term zelfrelativering een eigen draai meegevende “Cowboy For Hire”, het bijna deemoedig naar liefdes van weleer reikende “I Miss You, Ladies” en de ogenschijnlijk nog bij wijlen Gram Parsons in de leer geweest zijnde “valse” honky-tonktrage “Love Will Do”. Of over het lijzige, ons tegelijk aan “good old” Willie Nelson en Jimmy Buffett herinnerende “No Way (Falling Out Of Love)” ook, de eenzaamheid op bijna tastbare wijze verklankende Deneckere-schuifelaar “Such A Blue Night” en de afsluitende ballade “Below The Surface”.

Veertien songs, veertien voltreffers! Een echte “must-have” dus! En hopelijk ook gewoon het begin van een op regelmatige basis herbekeken concept!

HT Roberts& Bruno Deneckere & The Landed Gentry

 

SLAM AND HOWIE AND THE RESERVE MEN “Sons Of Ancient Time” (Wanted Men Records / Irascible)

(4****)

“Sons Of Ancient Time”, de vijfde van het Zwitserse rockcollectief Slam & Howie & The Reserve Men, is het soort van plaat dat maar enkele tellen nodig heeft om zich voor een poosje knus tussen de oren van z’n luisteraars te nestelen. Gelijk van bij het door een wel heel erg sympathieke banjo aangejaagde en derhalve ook uitermate aanstekelijk rockende openingsnummer “Wanna Be On The Road Again” waren wij alvast compleet verkocht. Met hun zwierige melange van (roots) rock, Americana en (punky) folk toveren Slam & Howie en hun maats echt “in no time” een brede glimlach om je lippen. Nummers als het al genoemde “entreetje”, het gelijk daaropvolgende “We Ain’t Fallin’ Back”, het werkelijk wervelende “Johnny”, het hyperkinetische “Gotta Move On”, het zich na een wat rustigere intro tot een deluxe countryrocker ontwikkelende “Denial Of The Will” en andere mikken zonder ook maar de minste gêne op dansgrage benen onder rootsvriendelijke rompen. Enkele rustpuntjes zoals “Inside Out”, het verhalende “Man On The Hill”, het enigszins atypisch ingekleurde “Friday Night” en het afsluitende “No Quick Fix” zorgen dan weer voor wat gecontroleerd tegengewicht. Al bij al een bijzonder lekkere plaat! En eigenlijk zou elke festivalorganisator in dit apenlandje er terstond een exemplaartje van toegestuurd moeten krijgen! Het zou Slam & Howie & The Reserve Men gegarandeerd ook hier flink wat gigs opleveren en de bezoekers van alle “durvende” festivals “one hell of a good time”.

(Op 18 april aanstaande kan je Slam & Howie & The Reserve Men samen met The Dinosaur Truckers en Derek W Dunn van de .357 Stringband gaan bekijken in JC De Klinker in Aaarschot.)

Slam & Howie & The Reserve Men

 

DAVID SERBY AND THE LATEST SCAM “David Serby And The Latest Scam” (David Serby)

(3,5****)

Na zijn vorige plaat, het volledig akoestische, de economische en sociale realiteit in zijn thuisland onder de loep nemende “Poor Man’s Poem”, vond David Serby het onlangs weer eens tijd voor wat anders. Niet opnieuw honky-tonk, zoals voor voorgangers “I Just Don’t Go Home” (2006), “Another Sleepless Night” (2007) en “Honky Tonk & Vine” (2009) maar lekkere retro-roots-pop. Geïnspireerd naar eigen zeggen vooral door Dave Edmunds en Nick Lowe ten tijde van Rockpile. En dat is een ten huize Ctrl. Alt. Country nog altijd als zeer aangenaam ervaren referentie. Mag u echt te allen tijde mee afkomen!

En al zeker in “gezinsverpakkingen” à la “David Serby And The Latest Scam”! Met vijftig songs trok Serby naar verluidt studiowaarts, twintig daarvan belandden uiteindelijk verspreid over twee schijfjes op zijn nieuwe plaat. Waar voor je geld dus! Muzikale waar, ingespeeld door David Serby zelf (zang en slaggitaar), Edward Tree (leadgitaar en toetsen), de je onder andere van Dave Alvin’s Guilty Men bekende Gregory Boaz (bas) en Dale Daniel van de Hacienda Brothers (drums). Tree tekende ook weer voor de productie.

Veelal up-tempo spul, soms wat meer pop-, soms wat meer rockgeoriënteerd. Voor zijn teksten vaak puttend uit door Serby met anderen gevoerde gesprekken. Mensen in zijn omgeving trapten als het ware de thema-voorzetten en onze man maakte die dan songgewijs netjes af. Enkele rustpuntjes vallen wat dat betreft extra op. De ballade “I’ll Meet You There” onder andere. Daarin heeft Serby het over het in staat zijn om op emotioneel vlak nog contact te hebben met iemand met wie dat fysiek niet meer kan. Of “Better With My Hands” ook. Dat laatste buigt zich over de zeer uiteenlopende manieren waarop mannen en vrouwen met elkaar communiceren, zeker als het slecht gaat.

Andere uitgesproken toppertjes hier: het ons volop aan “fijne mens” Wreckless Eric in zijn beste dagen herinnerende “Do I Still Need To Worry?”, het zich al bijna even heerlijk speels en wispelturig aandienende “You’re Bored” en vooral ook het tegelijk grappig en diepzinnig uit de hoek komende “Amnesia”.

David Serby

 

BASTARD SONS OF JOHNNY CASH “New Old Story” (Randm Records)

(4,5*****)

Wederom een vlag die bij nader inzicht haar lading voortreffelijk blijkt te dekken. “New Old Story” zegt in dit geval immers effectief alles. Net als in het verleden al met de albums “Walk Alone”, “Distance Between”, “Mile Markers” en “Bend In The Road” mikt zanger-songsmid Mark Stuart ook met “New Old Story” weer op de harten van countryliefhebbers met zin voor traditie. Maar laat je vooral niet misleiden door ’s mans “nom de plume”. Veel meer dan in die van “The Man In Black” treedt hij op “New Old Story” in de voetsporen van Merle Haggard en wat anderen. Zich daarbij hoegenaamd uitstekend geruggensteund wetend door snarenvirtuozen Mike Butler (elektrische, akoestische en baritongitaren), Dennis Caplinger (banjo, dobro, fiddle, mandoline, akoestische gitaar) en Alex Watson (elektrische gitaar) en ander bekwaam volk als pedal-steeler Dave Berzansky, pianist Ed Kornhauser, orgelist Archie Thompson, accordeonist Lou Fannuchi, bassist Patrick McClory, drummer Dave Raven en achtergrondvocaliste Arabella Harrison bedient Stuart zich op z’n vijfde tien nummers lang van een weer buitengewoon rijk gevuld Americana-palet.

We verklaren ons nader. Even een lijstje met alle voorhanden zijnde muzikale ingrediënten. Te weten: zwierige dansvloervullers van het genre waarop ook “The Hag” in betere tijden wel een patent leek te hebben (“No Honky-Tonks”, “Leave A Light On”, “New Old Story”), een feestelijke, Zuiders geïnspireerde meezinger, waarmee je voorwaar de Mavericks zomaar naar de kroon zou kunnen steken (“Into The Blue”), een border song pur sang (“El Troubadour”), huiveringwekkend mooie tear-in-your-beer stuff (het steelzwangere “Bounds Of Your Heart”), een zich al twangend wijds uitdijende Americana road song (“Highway Bound”), een klassiek geschoolde honky-tonktrage (“Well Worn Heart”), even lichtjes richting het countrybluesgenre uitwijkend verhalend spul (“Poor Man’s Son”) en een ergens vrij dicht in de buurt van Chris Isaak strandende ballade (“Ain’t No Tellin’”).

Geen wonder, dat deze Stuart sinds jaar en dag mag rekenen op tal van “friends in high places”. Wijlen Johnny Cash was naar verluidt een fan van ‘m. Merle Haggard eveneens. Willie Nelson ook. En wie zouden wij dan zijn, mochten we ons wagentje niet gezwind willen aanhangen? Als hij platen van dit kaliber blijft maken, blijven ook wij met veel plezier Stuart-fan voor het leven.

Bastard Sons of Johnny Cash, Randm Records, NoiseTrade

 

SCOTT H. BIRAM “Nothin’ But Blood” (Bloodshot Records / Bertus)

(3,5****)

Als vanouds doet Scott H. Biram ook op “Nothin’ But Blood” z’n roepnaam weer alle eer aan. Met als leidmotief “Wat je zelf doet, is meestal beter gedaan!” veegt “het vuil eenmansorkestje” op z’n nieuwste een in zijn universum nog maar zelden samen aangetroffen hoeveelheid aan stijlen op een hoopje. Van bezadigd achteroverleunende Mississippi blues (“Slow & Easy”) tot bedaard twangende country rock (“Gotta Get To Heaven”), van retestrakke punk blues (“Alcohol Blues”) tot “softe”, voorwaar even aan “good old” Willie Nelson herinnerende singer-songwriter Americana (“Never Comin’ Home”), van maar net niet uit de bocht gaande rauwe punk rock (“Only Whiskey”, “Church Point Girls”) tot creepy gestijlde bluesvertellingen van het type waarmee ook Seasick Steve wel eens durft uit te pakken (“Jack Of Diamonds”, “Backdoor Man”), van “country meets rock & roll” genre “Nam Weed” tot een onvervalst (in deze context bijna lieflijk aandoend) akoestisch bluesje (“I’m Troubled”), van een streep door hyperkinetisch snarengewriemel ingeleide stoner metal (“Around The Bend”) tot een stel gospelhymnes en spirituele ballades (de cd bonus tracks “Amazing Grace”, “When I Die” en “John The Revelator”), het kan hier zowat voortdurend echt alle kanten op. Straffe kost!

Scott H. Biram, Bloodshot Records

 

LYDIA LOVELESS “Somewhere Else” (Bloodshot Records / Bertus)

(3,5****)

Welkom andermaal in de wondere wereld van Lydia Loveless! Een wereld, waarin het goed en wel twee jaar na het verschijnen van haar veelbejubelde tweede “Indestructible Machine” nog altijd zalig toeven blijkt. Ook op haar nieuwste, “Somewhere Else”, biedt Loveless immers weer alles waar een rock & roll junk met zin voor roots anno nu maar om vragen kan. De “hillbilly punk with a honky-tonk heart” van weleer is daarop niet echt meer. Daarvoor zijn de elementen pop en rock tussentijds wat al te zwaar beginnen doorwegen, zij het wel nog steeds met het bepalende lid roots ervoor. Loveless koppelt op “Somewhere Else” de lichthese sensualiteit van de Stevie Nicks van in haar hoogdagen aan de spring-in-‘t-veld-vitaliteit van de ons altijd lief gebleven Maria McKee van ten tijde van Lone Justice.

Tien songs lang proberen de schone Amerikaanse en haar maats “this time around” zoveel mogelijk genregrenzen te negeren. En dat levert bijna als vanzelfsprekend een erg gevarieerd en derhalve ook erg boeiend geheel op. Tussen het behoorlijk wanhopige, volop de warmbloedige intensiteit van Paul Westerbergs Replacements evocerende openingsnummer “Really Wanna See You” en de ongemeen knappe, de feestelijkheden gehuld in zalig rinkelende gitaren afsluitende cover van het door wijlen Kirsty MacColl gepende pophitje “They Don’t Know” verandert het “stijlgeweer” zowat om de haverklap van schouder: van broeierige Heartland rock in “Wine Lips” tot twangbeladen alt. country deluxe in “Chris Issak”, van naadloos op het repertoire van Tom Petty’s Heartbreakers en het hier al eerder vernoemde Lone Justice aansluitend spul als “To Love Somebody” tot voorzichtig aan de Pretenders op hun toppunt herinnerende “pop meets punk” à la de supertrage “Hurts So Bad”, van nog maar weinig aan de verbeelding overlatende mid-tempo rock als die van “Head” tot na een lome start echt wel volledig ontbolsterend aanverwant liedgoed als “Verlaine Shot Rimbaud”, van buitengewoon smakelijke country rock genre “Somewhere Else” tot een door een akoestische gitaar op het juiste pad geholpen “valse trage” als “Everything’s Gone”.

“Als je echt in rock& roll gelooft, dan smeek je in je gebeden om mensen als Lydia Loveless,” lazen we ergens. En we hadden het bij nader inzicht verdomme zelf niet beter kunnen verwoorden…

Lydia Loveless, Bloodshot Records

 

NEXT STOP: HORIZON “The Harbour, My Home” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Wie op zoek gaat naar de meest originele bandnamen ooit moet vroeg of laat wel uitkomen bij het uit Pär Hagström en Jenny Roos bestaande Zweedse duo Next Stop: Horizon. Dat pas sinds 2010 samenwerkende koppel uit Göteborg debuteerde goed en wel een jaar later met het erg knappe “We Know Exactly Where We’re Going”. Een titel, die korte tijd later al enigermate omineus zou blijken. Hagström en Roos zijn immers zo eigenzinnig als wat. Ze zijn daadwerkelijk wellicht de enigen, die weten waar ze nu precies heen willen. Hun muziek is al even zonderling als hun naam. Invloeden uit zowat alle denkbare hoeken komen samen in de elf “The Harbour, My Home” bevolkende songs. Met stipnoteringen voor elementen uit pop, rock, (Europese) folk en jazz. En liefst met zoveel mogelijk tegelijk.

Vergelijkingen met wie of wat dan ook zijn hier echt volledig uit den boze. Je zal het voor één keer moeten doen met de naakte feiten. En dat zijn de volgende. Hagström en Roos zingen beide. Vaak ook samen. Hun muziek verrast zo ongeveer te allen tijde. En dat zowel qua vormgeving, als qua instrumentale invulling. Voor dat laatste komen zo ongeveer alle instrumenten in aanmerking die de twee ooit verzamelden. “Elektrische orgels, traporgels, instrumenten met veel snaren, instrumenten met weinig snaren, bogen, bellen, piano’s, dingen waarop je kan slaan en dingen die geen namen hebben,” aldus het duo zelf. Allemaal worden ze in hun eigen analoge studio vroeg of laat wel eens bepoteld.

Ze zijn lang niet allemaal even vrolijk, de resultaten van die aanpak, maar bij nader inzicht wél lekker spannend. En “The Harbour, My Home” zouden we dan ook vooral willen bestempelen als luistervoer voor muzikale ontdekkingsreizigers. Voor luisteraars met een open geest. Voor hen die niet meteen een vlakgom bovenhalen als er buiten de lijntjes wordt gekleurd.

Next Stop: Horizon, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

ROBBY HECHT “Robby Hecht” (Old Man Henry Records)

(4****)

Dit is een plaat, waar we hier de voorbije weken echt wel hebben naar uitgekeken. Wij leerden haar maker, de vanuit Nashville actieve Robby Hecht, pas kennen een poosje na het verschijnen van zijn tweede langspeler “Last Of The Long Days”. Ergens laat in 2011 moet dat geweest zijn. Wat snel opzoekingswerk leerde ons toen, dat de beste man in de jaren daarvoor onder meer op de jaarlijks plaatsvindende en voor heel wat grote namen in het Americana-wereldje al belangrijk gebleken wedstrijden voor songsmeden in Kerrville en Telluride al de nodige prijzen had weggekaapt en dat “Last Of The Long Days” niet z’n eersteling was. Daarvoor moesten we al terug naar 2008. Toen debuuteerde Hecht aan de hand van producer Lex Price en in het gezelschap van bekende collegae als Mindy Smith en Jill Andrews met het ook al erg knappe “Late Last Night”. Een indrukwekkend visitekaartje, zeker aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een James Taylor, een Slaid Cleaves en een Rod Picott. Vol met folk-pop van het werkelijk allerbeste soort!

En dat geldt eigenlijk ook weer voor ’s mans derde, het naar zichzelf vernoemde “Robby Hecht”. Daarvoor keerde de lang door een bipolaire stoornis afgeremde Hecht terug naar de onder meer ook om zijn werk met k.d. lang en Mindy Smith geroemde Lex Price. En die zag er ook ditmaal weer op toe, dat de twaalf songs die Hecht hem voorlegde elk beetje aandacht kregen dat ze verdienden. Eén van die twaalf liedjes bleek een cover. Meer bepaald het van de laatste van Gillian Welch, “The Harrow & The Harvest”, geplukte “Hard Times”. Verder ook één songsamenwerking met Amy Speace (het ingetogen allegorische “The Sea And The Shore” over een onmogelijke liefde) en ééntje met de hier onlangs ook zelf nog besproken Wyatt Easterling (het zachtjes twangende “Papa’s Down The Road Dead”). Voorts uitsluitend eigen nieuwe liedjes, waarin Hecht het bijna voortdurend heeft over de verschillende fases in een langdurige relatie en een in zichzelf gekeerd leven. Behoorlijk persoonlijk spul dus. Vooral dan iets als “Feeling It Now”, waarin hij ons onderdompelt in het vat met zijn eigen met extreme stemmingswisselingen gebrandmerkte ervaringen. Die rustige, behoorlijk kwetsbaar aandoende ballade toont ons trouwens meteen ook Hechts sterkste kant. Zijn honingzoete stem leent zich immers het best tot het brengen van dergelijk materiaal.

Hechts nieuwe liedjes zijn zonder ook maar de minste uitzondering weer geweldig te noemen. Zijn derde herinnert over het algemeen eigenlijk best wel wat aan de hoogdagen van het akoestische popgenre bij het begin van de jaren zeventig. Hechts uitermate geslaagde combinatie van weldoordachte songteksten en simpele, maar beklijvende melodieën zou toen ongetwijfeld flink brokken hebben gemaakt. Onze “plats préférés” hier: het atmosferische, door Hecht zelf als een “spooky murder ballad” omschreven “Barrio Moon”, de in duet met de ook zelf lichtjes fantastische Rose Cousins gebrachte (licht countryeske) trage “Soon I Was Sleeping”, het mede door de blazersinbreng erin heerlijk soulvolle “The Light Is Gone” en het eerder al even aangestipte duo “Papa’s Down The Road Dead” en “Feeling It Now”.

(Op maandag 23 juni doet Robby Hecht samen met z’n collega David Berkeley de Meneer Frits in het Nederlandse Eindhoven aan voor een optreden.)

Robby Hecht

 

ELIZA GILKYSON “The Nocturne Diaries” (Red House Records / Music & Words)

(5*****)

Toen Eliza Gilkyson besloot haar nieuwe plaat “The Nocturne Diaries” te noemen, had ze daar ook echt alle redenen toe. De eigen liedjes erop ontstonden immers zonder uitzondering ergens in het holst van de nacht. En ook de inspiratie voor de twee enige in haar concept passende covers vond ze daar, ergens tussen de zeer late en de zeer vroege uurtjes. Het betreft daarbij John Gorka’s “Where No Monument Stands” en het door haar vader Terry geschreven “Fast Freight”.

Wat betreft de thematische invulling van haar materiaal legde die nieuwe aanpak Gilkyson alvast geen windeieren. Vreemd, vond ze ook zelf, hoe je ’s nachts heel andere songs gaat schrijven dan overdag. Het lijkt wel alsof de écht grote onderwerpen pas na het ondergaan van de zon helemaal tot leven komen. Vaak eerder zware gedachten over de eigen sterfelijkheid, over de behoorlijk bedenkelijke stand van zaken met betrekking tot de wereld anno nu, over je (lang niet altijd even lichte) plichten als menselijk wezen, over mislukkingen, verlies, angsten en dergelijke tieren dan welig. Ze zetten je als het ware aan het wikken en wegen. En als je, zoals Gilkyson, sterk genoeg daartoe bent, dan werkt dat zich met zulk gedachtengoed inlaten op den duur eerder louterend dan beklemmend. Zij omschrijft het als “a journey through the dark night of the soul that ends at the light of dawn with a sense of gratitude, a renewed commitment to care, and a stubborn little ray of hope”.

En zo komt het dat op “The Nocturne Diaries” “An American Boy”, een prachtig liedje over een op het vervaarlijke af tikkende jeugdige tijdbom, hand in hand kan gaan met iets als “No Tomorrow”, een warme oproep tot het even volledig loslaten van al de je dagdagelijkse leven inkleurende dingen (de tv, je computer, de afwas,…) om zo elkaar ouderwets weer te vinden. Bijna op z’n Lucinda’s wijst Gilkyson ons in die door haarzelf overigens van heerlijk elektrisch gitaarwerk voorziene trage de weg naar een beter, een meer menselijk bestaan. En dat doet ze verder onder meer ook nog in het bedrieglijk opgewekte, door Rich Brotherton (mandoline en banjo) en Warren Hood (fiddle) met piekfijn Americana-snarenwerk en Lucy Kaplansky met zalige backing vocals opgewaardeerde “Eliza Jane”. Daarin bant ze alvast tijdelijk haar eigen neiging om overal het “worst case scenario” voor klaar te hebben met de van een straaltje hoop doordrongen woorden “This world’s still got half a chance…”

Enfin, u heeft ondertussen al wel begrepen, dat het nuttigen van “The Nocturne Diaries” voor de wat aandachtigere luisteraars onder u een uitermate lonende onderneming kan gaan blijken. Stof tot nadenken alvast meer dan genoeg! En ook wat betreft hun muzikale omkadering laten de op het album gebrachte liedjes maar bitter weinig te wensen over. Tussen folk – Soms met een pop- of rockrandje! – en Americana vond Gilkyson voor haar nieuwe songgoed twaalf uitermate geschikte niches. En met schoon volk als Ray Bonneville, Ian McLagan, John Egenes, Cisco Ryder, Mike Hardwick, Chris Maresh, Rich Brotherton, Warren Hood, Jens Lysdal, Kamran Hooshmand, Delia Castillo en Lucy Kaplansky ronselde ze bovendien ook de ideale muzikale metgezellen om deze te helpen vullen.

Hier moet je – om Gilkysons eigen woorden uit één van de liedjes op “The Nocturne Diaries” louter gemakshalve maar eens even in een andere context te gebruiken – van houden “like there’s no tomorrow”. ’t Is haast allemaal even bloed- en bloedmooi! En ik durf dan ook nu al onomwonden te stellen, dat dit straks – binnen een maand of tien – één van dé muzikale hoogtepunten van 2014 zal blijken te zijn!

Eliza Gilkyson, Red House Records, Music& Words

 

AD VANDERVEEN “Beat The Record” (Ad Vanderveen / Sonic Rendezvous)

(5*****)

De naam Ad Vanderveen op een cd aantreffen is eigenlijk gewoon niets minder dan een kwaliteitsgarantie. Al sinds jaar en dag geldt de Nederlander immers als één van de beste Europese singer-songwriters in zaken Americana en folk en daarin zal ook met z’n nieuwe worp “Beat The Record” zeker geen verandering gaan komen. Op z’n zevenenvijftigste toont Vanderveen zich daarop zelfverzekerder dan ooit.

Twaalf nummers lang is het weer volop genieten geblazen! Genieten van eenvoudige, maar beklijvende melodieën. Genieten van ’s mans heerlijke, met de jaren alleen maar beter geworden zang. Genieten van z’n superieure gitaarspel. En genieten vooral ook van z’n prachtige, niet zelden persoonlijke filosofische en spirituele inzichten uitdiepende teksten. Een drietal daarvan zijn overigens co-writes met z’n (ook door ons zeer) gewaardeerde collega’s David Olney, John Hadley en Thomm Jutz. Met die laatste pende Vanderveen het weliswaar ingetogen, maar bijzonder warmbloedig gebrachte folkdeuntje “Believe”, een soortement ode aan het geloof in alles wat je als mens sterken kan. Met Olney en Hadley dan weer het “Beat The Record” afsluitende duo “Wavelength” en “Sad Saturday Night”. Het één een pracht van een rootspopliedje over dat soms zo bevreemdende gevoel van met iemand helemaal op dezelfde golflengte te zitten, het andere, gebracht door alle betrokken protagonisten samen, het misschien wel allermooiste nummer op “Beat The Record”, een wolk van een in hartzeer badende akoestische slow country song.

Andere, zonder uitzondering minstens even beklijvende momenten: openingsnummer “Bottomless Heart”, dat mede dankzij een markante harmonicabijdrage louter muzikaal gezien nogal nadrukkelijk in het kielzog van de jonge Dylan verzeild geraakt, “Believe”, een wolk van een dromerig luister(pop)liedje, het volop van een bluesy feel profiterende “The Abyss”, het voorzichtig Youngiaanse “Solid Love”, de pianoballade “Driftwood” en het ook al van een intraveneuze shot akoestische blues bediende “Funny Mirror”.

Vanderveen komt hier op de keper beschouwd meer dan ooit erg dicht in de buurt van voorbeelden en notoire groten der aarde als een Bob Dylan, een Neil Young, een Townes Van Zandt, een Guy Clark en – Waarom ook niet? – een David Olney. Hij legt de lat voor z’n concurrentie alleszins weer ontzettend hoog!

Ad Vanderveen, Sonic Rendezvous

 

JACOB LATHAM “Midnight Train” (Jake Latham Music)

(3,5***)

Leuke eersteling van een jongeling uit Bloomington, Indiana. Amper negentien is hij, maar dat hoor je absoluut niet aan het materiaal op “Midnight Train”. De vijf eigen liedjes daarop presenteren Jacob Latham (zang, gitaar, mandoline, harmonica) als een in het oog te houden talent. Zeker, er is nog de nodige groeimarge, maar toch… Dingen als het weemoedige, met een fijn mondharmonicaatje en dito mandolinespel opgewaardeerde “Pay Attention To The Rain”, het nogal opzichtig tussen bluegrass en roots rock twijfelende “Where Do We Go From Here”, het atmosferische titelnummer, het bij momenten voorwaar zelfs even van een licht Waitsiaanse toets voorziene “Don’t Let Them In” en het zwierig afsluitende “John Brown” zullen beslist in goede aarde vallen bij liefhebbers van zulke acts als Mumford & Sons, de Avett Brothers, The Lumineers, Blitzen Trapper, Iron + Wine en aanverwanten. Ze doen ons nu alvast met belangstelling uitkijken naar de eerste volwaardige langspeler van “Young Jacob”!

Jacob Latham, Bandcamp, iTunes

 

THE SOFT HILLS “Departure” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Heeft z’n titel zeker niet gestolen, deze nieuwe van The Soft Hills. Het album lijkt als geheel immers daadwerkelijk een vertrek uit eerder gefrequenteerde muzikale territoria in te willen luiden. Het element Americana wordt alvast zo goed als volledig verdrongen op “Departure”.

Een verandering die wellicht grotendeels is toe te schrijven aan twee factoren. Enerzijds begon mastermind Garrett Hobba met het schrijven van de liedjes voor het nieuwe album van z’n band tijdens een langdurig verblijf in Europa. Anderzijds verhuisde hij recentelijk ziektegedwongen een poosje van z’n eigenlijke thuishaven, het regenachtige Seattle, naar “Sunny Southern California”. Het eerste verklaart de vele op “Departure” herkenbare Europese invloeden (vroege Pink Floyd, Joy Division en andere Factory Records acts, Czars), het tweede het wat aparte “zonnig melancholische” kantje dat bij momenten aan de plaat lijkt te zitten (een weinig Beach Boys). Dromerige zangpartijen alom, zeer fraai harmonieerwerk ook, afgewerkt met een altijd weer lekker laagje “snarenglazuur”. En met opvallend veel toetsenbijdragen nu ook.

Voor ons normaliter niet bepaald dagelijkse kost, maar wel verdomd lekker!

Je kan The Soft Hills binnenkort live aan het werk zien in Amsterdam (Paradiso, 2 april), Utrecht (dB’s, 3 april) en Eeklo (N9, 4 april).

The Soft Hills, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

NANCARROW “Heart” (Randm Records)

(3,5****)

Wat we hier hebben, is een nog relatief jong alternatief countrygezelschapje onder aanvoering van de amper vierentwintig jaar oude en z’n familienaam aan de band lenende singer-songwriter Graham Nancarrow. Naast uit Nancarrow zelve (zang, akoestische gitaar) bestaat de groep verder uit Tommy Andrews (leadgitaar, zang), Russel Hayden (lap steel, zang), Joe Weisiger (bas) en Ron Kerner (drums). Namen, die je als aandachtige lezer misschien al wel bekend zijn uit de entourages van acts als Steve Earle, Rhett Miller, Murry Hammond, Shooter Jennings, The White Buffalo, Commanche Moon, The Dukes Of Haggard en andere. Stuk voor stuk gelouterde muzikanten dus. En dat is aan “Heart”, de helaas amper zes tracks tellende nieuwe van Nancarrow, te horen ook.

Op hun tweede cd, de opvolger van het al in 2012 verschenen “Valley Of The Deer”, laten Nancarrow en co andermaal duidelijk verstaan, dat we hun wortels zowel in traditionele country als in meer eigentijdse alternatieve muziekvormen dienen te zoeken. En dat levert hier en nu, zoals eerder al even aangestipt, alvast weer zes zeer bevlogen momenten op, die nu al reikhalzend doen uitkijken naar meer. Of nee, maak daar maar direct véél meer van! En al zeker als we ook verder bestookt zouden worden met dingen als de outlaw country op speed van het z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Party” of het door gast Joey Guevarra – Zo heet ie echt! – van achter z’n piano serieus mee opgefokte titelnummer. Dan gaat het dak er hier immers echt wel compleet vanaf! Deden ons door al hun punky energie voorwaar even terugdenken aan de hoogdagen van Jason & The Scorchers, die nummers. Elders, zoals in de ballade “Smokey Tavern” of het lekker twangy swingende “I’m Gone” bijvoorbeeld, belandt Nancarrow dan weer enkele tellen lang in het vaarwater van knapen als een Dwight Yoakam of een Moot Davis, of schuwt hij een old-timey ramble niet, ten getuige daarvan het aanstekelijke “Fun”. Heel even gaat hij zelfs voor héél erg traditioneel (op z’n Bakersfields) met het sympathieke “Second Last Resort”.

Is dan ook zeker een aanradertje!

Nancarrow, Randm Records, NoiseTrade, iTunes

 

THE GRAND OPENING “Don’t Look Back Into The Darkness” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

De kans is behoorlijk groot, dat wie net als ons wel van wat muzikale melancholie op zijn tijd houdt al één of meerdere platen van The Grand Opening op de plank heeft staan. Dat eenmansproject van de vanuit Stockholm al een poosje flink aan de weg timmerende John Roger Olsson verdiende in het verleden terecht al meermaals vergelijkingen met acts als The Blue Nile, American Music Club, Red House Painters, Tindersticks, Talk Talk en tal van aanverwanten. Vergelijkingen, die zeker daar waar het de door Olsson opgeroepen muzikale moods betreft ontegensprekelijk van toepassing zijn. Maar de beste man voegt daar dan wel de nodige eigenheid aan toe. Een prise van die typisch Zweedse mistroostigheid, zeg maar.

“Don’t Look Back Into The Darkness” evoceert als het ware perfect het bij velen bestaande beeld van een leven op de buiten in Zweden. Een flink geromantiseerd beeld, eerder flou van aard, met eenzaamheid als vast bestanddeel. Olsson streelt met zijn warme, maar immer zwaar melancholisch aandoende stem de zinnen. En dat doet hij tegen een achtergrond van voornamelijk eerder monotoon uit de hoek komende gitaarklanken. Elektrische, evenals akoestische. Waarvoor hij in beide gevallen zelf tekent trouwens. Net als voor occasionele bijdragen op onder meer ook piano, orgel, harmonium, vibrafoon en xylofoon. Vaste maats Jens Pettersson (drums en percussie), Patric Thorman (elektrische en akoestische bassen) en Leo Svensson Sander (cello, zingende zaag, harmonium en synthesizer) en gasten Johan Norin (trompet), Otto Johansson (baritongitaar), Anna Ödlund en Johan Krantz (beiden backing vocals) doen (veelal) uiterst behoedzaam de rest.

Het resultaat is een album van nergens minder dan beklijvende schoonheid, tot de nok toe gevuld met volstrekt tijdloze liedjes, waarin Olsson op zoek gaat naar z’n eigen verleden en zich vragen stelt bij onze plaats op de wereld. Iets wat hij nog eens extra onderlijnt met een foto uit de oude doos op de cover ervan. We zien zijn eigenfamilie, vereeuwigd tijdens één of ander boottochtje. Een idyllisch tafereeltje voorwaar, ware het niet, dat in het midden van de foto het beeld van één familielid compleet vervaagd blijkt. Als een geest bepaalt het onze laatste – En derhalve blijvende! – indruk eigenlijk zowat volledig…

The Grand Opening, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

JIM SUHLER “Panther Burn” (Underworld Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als we het goed hebben, dan was het uit 2007 stammende “Tijuana Bible” de laatste officiële Jim Suhler-release die ons bereikte. Bijna zeven jaar geleden ondertussen. Een flinke time-out dus, die Suhler zich gegund heeft. Maar dat had zo zijn redenen. De beste man trok tussentijds immers met z’n gerespecteerde collega George Thorogood de hort op. En als lid van diens Destroyers zag hij tussen talloze gigs door grote stukken van de wereld.

Maar nu is hij dus terug, die Suhler. En hoe! “Panther Burn” is een echte dijk van een bluesrockplaat geworden. Boordevol eigen nieuwe nummers en stilistisch gezien hoegenaamd van geen kleintje vervaard. Titelnummer “Panther Burn” is zo bijvoorbeeld een broeierige groover in onvervalste Texas style, “I Declare” – Mede dankzij buitengewoon lekker mondharmonicawerk van Fabulous Thunderbird Kim Wilson! – heerlijke honky-tonk/roadhouse blues en “swampy slow mover” “Across The Brazos” koppelt bedaard poppy pianogepingel aan al even goed hun plaats kennende zydeco-accordeonklanken en een flink stuk extrovertere gitaaruithalen. “Leave My Blues Behind” lonkt R&B-gewijs vervolgens behoorlijk nadrukkelijk richting Memphis, “I See You” schopt in bezwerende shuffle-modus grote klodders deltaklei van z’n boots en de intimistische instrumental “Remember Mama” – Signé Bernstein! – blijkt de enige vreemde eend in de bijt.

En wat houdt Suhler dan nog voor ons in petto? Wel, eerst en vooral, de overheerlijke, zijn twee voornaamste inspiratiebronnen onthullende Americana-schuifelaar “Texassippi”. Dat en het er meteen op volgende en behoorlijk omineus aandoende streepje roots& roll “Sky’s Full Of Crows” zijn misschien wel de twee allerbeste nummers van het uitstekende geheel dat “Panther Burn” al bij al toch wel is. Al zijn het wild (blues)rockende “Between Midnight And Day”, het duidelijk op een Southern rockleest geschoeide “Dinosaur Wine”, het samen met toetsenist Tim Alexander gebrachte “Amen Corner” – De tweede instrumentale hier! –, de met Carolyn Wonderland en Asleep At The Wheel-kopstuk Ray Benson gedeelde gospel-bluessleper “All God’s Children Get The Blues Sometimes”, het op hypernerveuze wijze met “ze fonk” flirtende “Jump Up, Sister” en het afsluitende stampertje “Worldwide Hoodoo” ook absoluut niet te versmaden.

Een comeback in stijl dus!

Jim Suhler, Underworld Records, Sonic Rendezvous

 

ROBERT ELLIS “The Lights From The Chemical Plant” (New West / Warner Music)

(5*****)

In geen tijd stootte “The Lights From The Chemical Plant”, na “The Great Re-Arranger” uit 2009 en het al veel bejubelde “Photographs” van goed en wel twee jaar geleden de ondertussen derde langspeler van de in Texas geboren maar dezer dagen in Nashville wonende singer-songwriter Robert Ellis, door naar de top van de Euro Americana Chart. En dat gebeurde wat ons betreft alvast volledig terecht. Met “The Lights From The Chemical Plant” zet Ellis immers wederom enkele gigantische stappen vooruit. Als geheel klinkt het album daardoor misschien net iets minder strikt Americana dan we dat van hem gewoon waren geworden, maar goed, dat was ‘s mans bedoeling dan ook. Hij had immers vooraf al laten optekenen, dat hij van z’n nieuwe plaat verwachtte, dat ze meer de richting van de Paul Simons en de Randy Newmans, de richting van de andere helft van zijn (muzikale) opvoeding zou uitgaan. En die was nu eenmaal meer geworteld in pop. Wat maakt, dat we veel van het songmateriaal hier – Ondanks een nog redelijk nadrukkelijke Americana-/country-invloed! – menen te mogen situeren in de buurt van knapen als het al genoemde duo, James Taylor en Tom Waits.

In een productie van de onder meer al voor zijn werk met die laatste, maar ook met Norah Jones en met de Kings Of Leon bekende Jacquire King presenteert Ellis ons elf quasi volmaakte liedjes. Bepaald apart en dat zeker niet enkel door zijn opvallende (licht) nasale voordracht. Ellis lijkt hier wel te schilderen met woorden. En met klanken! Zelf speelt hij om te beginnen een meer dan geslaagd potje gitaar. Maar het wonderlijke van zijn muziek schuilt toch vooral in zijn gestoei met diverse invloeden. Het lijkt wel alsof hij over een eerste laagje Americana dan wel pop altijd één of meerdere lagen aan andere muziekelementen heeft willen uitstrijken. Gaande van R&B en soul tot bossa nova en jazz in tal van verschijningsvormen. En precies dat gegeven verleent aan “The Lights From The Chemical Plant” een zinnenprikkelend randje.

Onze lievelingsmomenten: het op bijna dromerige wijze de feestelijkheden voor geopend verklarende en met een zalig streepje pedal steel opgewaardeerde “TV Song”, het bepaald bezwerend werkende, aan het album ook z’n titel verlenende “Chemical Plant”, de bijna misselijk makend mooie ballade “Bottle Of Wine” – Dat verzopen pianootje! Heerlijk gewoon! – en de eigenzinnige Paul Simon-cover “Still Crazy After All These Years”. Die vier verdienen naar onze bescheiden mening de omschrijving “primus inter pares”.

Moordplaat!

Robert Ellis, New West Records

 

CLAY MCCLINTON “Bitin’ At The Bit” (Red Chilli / Sonic Rendezvous)

(4****)

Met “Bitin’ At The Bit” steekt de jonge McClinton de oude voor het eerst echt naar de kroon. Clay McClintons vierde plaat is ontegensprekelijk z’n meest ambitieuze tot op heden. “Out Of The Blue” (2004), “Son Of A Gun” (2006) en “Livin’ Out Loud” (2010) lijken na het horen van dat twaalf songs sterke geheel wel louter als inleiding daartoe te hebben gediend. Als springplank boven één van de smakelijkste Texaanse muzikale gumbo’s van de voorbije jaren… Een uitermate gevarieerd geheel met daarop voornamelijk liedgoed gepend met “vriend van de familie” Gary Nicholson en diverse anderen, maar ook covers van materiaal van z’n ouweheer (het ook in duet met deze laatste gebrachte “Victim Of Life’s Circumstances”), Mickey Newbury (“Just Dropped In”), Elmer Laird (“Poison Love”) en Stephen Bruton (“What A Little God Can Do”).

Nicholson was trouwens behoorlijk alomtegenwoordig, want hij gordde niet enkel geregeld de akoestische gitaar om, maar produceerde “Bitin’ At The Bit” ook. Ander schoon personeel daarop: gitaristen Colin Linden, Bob Britt, Jon Sanchez, James Pennebaker, Guthrie Trapp en Kenny Vaughn, steelgitaarlegende Dan Dugmore, bassisten Steve Mackey en Ed Friedland, drummers Tom Hambridge en Lynn Williams, fiddler Larry Franklin, toetsenman-accordeonist Joel Guzman en backing vocalist Perry Coleman.

Stilistisch gezien bestrijkt McClinton op “Bitin’ At The Bit” ongemeen veel terrein: van klassiek geschoolde country (“Beer Joint”) tot de rockvariant daarop (het lekker twangy gebrachte “Wildflowers” of het met “vaderlief” gedeelde “Victim Of Life’s Circumstances”), van Americana “the Texas way” (de ballades “Sound Of A Small Town” en “A Woman That Can’t Be Explained” of Newbury’s soulvolle klassieker “Just Dropped In”) tot roadhouse rock pur sang (“Stories We Can Tell”), van nadrukkelijk met R&B flirtende stuff (het catchy “Nobody Knows My Baby”) tot enkele datzelfde kunstje ook met Tex-Mex flikkende items (het door Joel Guzmans zoals steeds voorbeeldige accordeonspel flink opgewaardeerde “Hydrated” en zeker ook het superaanstekelijke “Poison Love”), van Zuiders-zomerse roots pop (“What A Little Love Can Do”) tot singer-songwriterspul zoals dat enkel nog in de Lone Star State lijkt te worden gemaakt (het atmosferische, met George Ensle geschreven “Bound For Glory”).

Voor ons is het duidelijk: de omschrijving “de zoon van Delbert” mag vanaf nu echt wel definitief achterwege worden gelaten!

Clay McClinton, Sonic Rendezvous

 

THE PALOMINOS “Come On In” (Randm Records)

(4****)

Mocht dit een vinyl EP’tje geweest zijn, dan was het er eentje van het type, waarvan je er als koper gelijk twee in huis diende te halen, omdat je bij voorbaat al wist, dat je je eerste exemplaar na verloop van tijd toch helemaal grijs zou gaan draaien. Zo goed? Zo goed! Bakersfield twang zoals je er al lang geen meer hoorde. Bij momenten zó vervaarlijk dicht in het kielzog van de grote Buck Owens en z’n Buckaroos, dat je je als luisteraar voorwaar even naar de vroege sixties teruggecatapulteerd waant. Met zanger Lance Hawkins nadrukkelijk in de buurt van diezelfde Owens en Brian Hofeldt van de Derailers, met buitengewoon lekker harmonieerwerk van Thomas Zurek, met doorlopend aanstekelijk twangend snarengerinkel dankzij opnieuw die laatste en met een uitstekende ritmetandem ook in de gedaante van bassist James Zurek en drummer Craig Packham.

Met “Come On In”, “What’s Her Name?”, “No You Don’t”, “It Could Happen To Anyone”, “Macon, Georgia”, “Mr. Used To Be” en “You Provide The Heartbreak (I’ll Provide The Wine)” – Zeven originelen, by the way! – nemen de Palominos je mee op een trip naar véél countryvriendelijkere tijden. Naar de hoogdagen van het genre, toen artiesten nog volop dachten met hun hart en niet met hun portemonnee. En de vier knapen uit San Diego mikken daarbij nadrukkelijk op dansgrage benen. Zo menig een hardhouten vloer zal weldra met hun songmateriaal z’n voordeel gaan doen. Wedden?

Warm aanbevolen aan iedereen met een hart voor traditionele country en met name dan de Bakersfield-variant daarop.

The Palominos, Randm Records, iTunes, NoiseTrade

 

A.J. CROCE “Twelve Tales” (Compass Records / Music & Words)

(4****)

Van alle momenteel musicerende kinderen van bekende muzikale ouders is Adrian James “A.J.” Croce zonder ook maar de minste twijfel onze absolute favoriet. Gelijk al van bij z’n naar zichzelf vernoemde en nog volop in jazzy sferen vertoevende debuut uit ’93 drukten we de beste man hier stevig aan de borst. En – Eerlijk is eerlijk! – die plaat draaien we nu nog altijd zeer geregeld. Iets wat an sich een klein wonder mag heten, gezien het geweldige volume aan nieuwe muziekjes, die we hier wekelijks te verwerken krijgen.

En nu is de zoon van wijlen Jim Croce er dus weer met een nieuwe schijf. En wat voor één! Voor “Twelve Tales” werden klaarblijkelijk kosten noch moeite gespaard. Liefst zes producers huurde de jonge Croce ervoor in. En met elk van hen blikte hij twee tracks in. Met ondertussen wijlen “Cowboy” Jack Clement nam hij op in Nashville, met de al even legendarische Allen Toussaint in New Orleans, met de onder meer om zijn werk met Tom Waits geroemde Greg Cohen in New York, met Kevin Killen in Stamford en met Mitchell Froom en Tony Berg in L.A.

En bij zo’n werkwijze drong er zich hier natuurlijk meteen één vraag nadrukkelijk op: was dat “Twelve Tales” überhaupt wel een album en geen loutere collectie los “songzand”? Zelfs A.J. Croce zelf sprak vooraf immers over “a cohesive collection of six 45’s”. En we waren dan ook zeer benieuwd naar het resultaat van zowat een jaar aan hard muzikantenlabeur. Croce had ons voorheen immers nog nooit echt ontgoocheld. En om maar gelijk met het goede nieuws in huis te vallen: dat doet hij ook nu weer niet. Daaraan kon op de keper beschouwd zelfs zoveel productionele diversiteit niets veranderen. Het leverde zelfs juist één van Croce’s beste albums tot op heden op. Een heerlijk divers geheel, waarvan de afzonderlijke delen wonderwel blijken samen te gaan. En dat gegeven zouden we hier zonder al té veel schroom durven toe te schrijven aan de zang en het pianospel van Croce Jr.

Hoogtepunten werkelijk zat op “Twelve Tales”. Wat Croce tussen Americana, blues, soul, pop en jazz aan kleine songwondertjes opraapt, spreekt hoegenaamd tot de verbeelding. Zo waren wij hier bijvoorbeeld behoorlijk ondersteboven van dingen als de dromerige, bij momenten een weinig Beatle-esk aandoende popdeun “Right On Time”, het met “Cowboy” Jack Clement kort voor diens dood ingeblikte en ons tegelijk best wel wat aan de jonge Charlie Rich en aan Dr. John herinnerende “Easy Money”, het van dezelfde sessie stammende en over een aantrekkelijke country beat neergelegde “Momentary Lapse Of Judgement”, het met z’n idool Leon Russell gepende en z’n titel op ongemeen soulvolle wijze helemaal waarmakende “Rollin’ On” en de ook al werkelijk sublieme afsluitende ballade “The Time Is Up”. En dan zouden we bijna nog de fijne country soul van “What Is Love”, de gloedvolle trage “Tarnished And Shining” of het zomers lijzige popfenomeen “Make It Work” vergeten.

Afijn, u heeft het natuurlijk al lang begrepen, dit is een plaat die u maar best niet kan laten liggen. Kwestie van uzelf vooral niet tekort te doen…

Compass Records, Music& Words

 

SONS OF BILL “The Gears EP” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met het zeven tracks tellende EP’tje “The Gears” trachten de nu al enkele jaren vanuit Charlottesville, Virginia de wereld met top-Americana bestokende Sons Of Bill ons het wachten op hun volgende volwaardige langspeler wat aangenamer te maken. Ideaal natuurlijk ook ter ondersteuning van hun net nu lopende Europese tournee, die hen naast naar tal van locaties in de UK en Duitsland onder andere ook naar Oud-Heverlee (Listwaar, 28-02), Leiden (Q-Bus,01-03) en Enschede (Nix en Meer, 03-03) zal brengen.

Op “The Gears” vinden we in afwachting van nieuwe worp “Love & Logic” alvast drie nagelnieuwe liedjes terug. “Brand New Paradigm”, “Road To Canaan” en “Bad Dancer” meer bepaald, die mede door een werkelijk excellente productie van ex-Wilco-lid Ken Coomer uitgroeien tot evenveel nieuwe hoogtepunten op het nog jonge repertoire van de broers James, Sam en Abe Wilson. Drie nummers, die nu al volop doen uitkijken naar de opvolger van het trio “A Far Cry From Freedom”, “One Town Away” en “Sirens”. Vooral “Brand New Paradigm” vinden wij een echte moordsong. Daarin voltrekken de Wilsons het als het ware perfecte huwelijk tussen pop, rock en Americana. “Road To Canaan” is op zijn beurt een prachtige, volop in weemoed zwelgende trage, terwijl het aansluitende, door een sympathieke banjo en dito gitaren aangejaagde deluxe-rockertje “Bad Dancer” wel eens zomaar een hit zou kunnen gaan worden.

Volgemaakt worden de ruim vijfendertig minuten looptijd van “The Gears” met twee live tracks van het tot op heden enkel digitaal verkrijgbare album “With Kerosene Instead”, te weten de “valse trage” “Turn It Up” en de Neil Young-cover “Unknown Legend”, en twee akoestische herinterpretaties van al wat oudere nummers, met name de pianoballade “Santa Ana Winds” en het ook al van “Sirens” stammende “Radio Can’t Rewind”.

Sons Of Bill, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

BILL PRITCHARD “A Trip To The Coast” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Lang, lang geleden viel ik op een zonnige zomerdag tijdens het meepikken van een hoofdstedelijk terrasje als een blok voor ene Angelique. Een echte “coup de foudre” was het. Er was absoluut geen ontkomen aan… De schone uit het gelijknamige liedje van de toendertijd vanuit Frankrijk actieve Brit Bill Pritchard wou me gedurende weken, zelfs maanden maar niet meer loslaten. ’s Mans combinatie van een Frans sixties-popgevoel en eigentijdse Britse singer-songwriterij (inclusief markant rinkelende gitaartjes) deed het hem echt wel volledig voor me. En ik ben hem in de daaropvolgende jaren dan ook vanop een zekere afstand blijven volgen. Iets wat bij nader inzicht zeer lonend bleek. Albums als de compilatie “The Death Of Bill Posters” (met daarop ’s mans eerste twee platen “Bill Pritchard” en “Half Million”), “Three Months, Three Weeks & Two Days”, “Jolie” en het met Daniel Darc gedeelde “Parce Que” zijn zelfs zoveel jaren later ten huize Metten nog altijd erg graag geziene gasten. En lang niet enkel bij mij, durf ik te denken. Hier in België was Bill Pritchard in tegenstelling tot in zijn thuisland immers vrij snel redelijk succesvol. In die mate althans, dat je zijn werk met enige regelmaat op de radio hoorde. En vooral dan “Angelique” natuurlijk…

Nu, zowat een kwart eeuw verder, duikt Bill Pritchard quasi vanuit het niets plots met een nieuwe plaat op. En daarop blijkt zijn al bij al toch wel wat wat aparte aanpak (gelukkig) amper aan charme te hebben ingeboet. Wel integendeel eigenlijk. Pritchard verleidt met een eigenzinnige benadering van het gegeven vintage. Hij laat oude tijden herleven zonder daarbij in anachronismen te moeten vervallen. Zijn alledaagse liedjes over “de liefde en ander leed” in en om Stoke-On-Trent weten als vanouds te beklijven. En of het nu wat vlottere gitaarpopdeunen dan wel melodieuze ballades zijn doet daarbij absoluut niets ter zake. Al na één enkele beluistering vloerde Pritchard ons als in “goede oude tijden”. Met de rinkelende gitaarpopdeun “Trentham”, met het uit hetzelfde vaatje tappende en al even catchy “Yeah Yeah Girl”, met het voorwaar even een weinig richting het muzikale universum van Chris Isaak afdwalende “Posters”, met het door zijn Franse zang met Engelse tongval weer heel even aan het goddelijke “Angelique” refererende “Tout Seul”,… Ach, met zo goed als alles hier eigenlijk. Met een weinig Bill Pritchard als soundtrack lijken veel warmere dagen plots zomaar weer binnen handbereik te liggen… Terrasjesdagen, inderdaad…

Très, très sympa!

Bill Pritchard, Tapete Records, Sonic Rendezvous

 

JOHN GORKA “Bright Side Of Down” (Blue Chalk / Red House / Music & Words)

(4,5*****)

Is het echt alweer vier jaar geleden, dat John Gorka nog eens uitpakte met nieuw materiaal? Dat leek eigenlijk helemaal niet zo. Maar dat heeft allicht veel te maken met het feit, dat we ’s mans laatste studioplaat, “So Dark You See”, zó lang en zó intens zijn blijven koesteren. En misschien ook wel een beetje met zijn vooralsnog als eenmalig te bestempelen project samen met Lucy Kaplansky en Eliza Gilkyson. Van dat multi-getalenteerde collectiefje – Red Horse, remember? – verscheen tussentijds in 2010 immers ook nog een album.

Maar goed, nu is er, na dat zo lange intermezzo, dus “Bright Side Of Down”. Gorka’s inmiddels toch ook alweer twaalfde cd en – Om gelijk maar met het goede nieuws te beginnen! – naar onze bescheiden mening één van z’n beste, misschien zelfs wel z’n allerbeste überhaupt. Twaalf nummers brengt hij erop. Elf daarvan zijn eigen composities, het twaalfde een met nachtegaaltje Amilia Spicer gedeelde en met buitengewoon veel eerbied gebrachte cover van wijlen Bill Morrissey’s “She’s That Kind Of Mystery”. Die Spicer blijkt overigens lang niet de enige getalenteerde gast(e) op “Bright Side Of Down”. Ook Eliza Gilkyson en Lucy Kaplansky (“Bright Side Of Down”), Claudia Schmidt (“Procrastination Blues”), Antje Duvekot (“Really Spring”) en Michael Johnson (“Holed Up Mason City”) zongen graag een mondje mee. En op die manier droegen ze elk hun steentje bij tot een album, dat je wat ons betreft rustig mag omschrijven als “vintage Gorka”. Heerlijke, volledig akoestisch gehouden Americana- en folkliedjes, uiteraard weer grotendeels gedragen door de zalig warm aandoende baritonstem van Gorka zelve en gezegend met uit het leven van alledag gekerfde inhouden. Gorka liet zich daarvoor ditmaal naar eigen zeggen vooral inspireren door een in Minnesota doorgebrachte winter en lente. De overgang van de ijzige diepten van die winter naar een beetje bij beetje wedergeboren aarde tijdens de eropvolgende lente vormt als het ware de rode draad doorheen “Bright Side Of Down”. Al valt de scheidingslijn tussen enerzijds de seizoenen anderzijds het persoonlijke zeker niet altijd even duidelijk te trekken.

En dat levert een – Zoals hier hoger reeds even gesteld! – bijzonder hoogstaand geheel op. Een plaat zonder minpunten, maar ook zonder echte uitschieters. Heel egaal van kwaliteit eigenlijk. Prachtig van begin tot einde. En als we er toch al enkele pareltjes van tussen zouden moeten opduiken, dan zouden het wellicht de volgende liedjes zijn: het accordeongewijs met een subtiele prise cajun-gevoel opgewaardeerde en bedrieglijk opgewekt aandoende “Holed Up Mason City”, het zwaar melancholische, met de dames Gilkyson en Kaplansky gedeelde titelnummer, de prachtballade “Thirstier Wind” en zeker ook het afsluitende “Really Spring”. Uit dat laatste willen we je hier bij wijze van coda vooral de volgende positieve passage niet onthouden: “I will draw the world at morning, coming out of the night,” zingt Gorka erin, “I will draw the world the way it is, but I’ll make it feel alright.” Iets om over na te denken…

John Gorka, Red House Records, Music & Words

 

NINE BELOW ZERO “Don’t Point Your Finger” en “Third Degree” (A&M / Universal UMC)

(4,5***** en 4****)

Na hun vorig jaar al heruitgegeven live-debuut “Live At The Marquee” nu opnieuw een dubbele dosis met extraatjes overladen geremasterde reissues van het indertijd vanuit Londen de wereld met elke release telkens weer even wat beter makende bluesrockcolletiefje Nine Below Zero. Ditmaal gaat het daarbij om de twee eerste studioplaten van het viertal, het al in 1981 verschenen “Don’t Point Your Finger” en het van een klein jaar later daterende “Third Degree”.

Studiodebuut “Don’t Point Your Finger” was in de eerste plaats een poging om het ijzer te smeden toen het nog volop heet was. In het kielzog van “Live At The Marquee” mochten Dennis “The Menace” Greaves en zijn maats zich met betrekking tot (media)aandacht immers heel even “on top of the world” wanen. De legendarische Glyn Johns werd als producer aangetrokken en met hem blikte men in amper twaalf dagen tijd in de vermaarde Olympic Sound Studios in Barnes het fulminante, ook ruim drieëndertig jaar later nog altijd terzake doende “Don’t Point Your Finger” in. Daarop voornamelijk eigen materiaal van de hand van Greaves en z’n maats, onder andere de knappe single “Helen”. Enkel voor “Treat Her Right” en “Rockin’ Robin” ging men muzikaal vreemd.

Als bonus biedt men ons op een bijkomend schijfje de op 24 oktober 1981 voor de BBC in The Granary in Bristol afgewerkte gig aan. Daar bracht men naast een zevental nummers van “Don’t Point Your Finger” ook al enkele voorsmaakjes op het toen nog te verschijnen “Third Degree” (“11+11”, “Sugarbeat (And Rhythm Sweet)” en “True Love Is A Crime” en een heleboel covers van materiaal van anderen. We noemen in dat verband onder meer graag dingen als “Ridin’ On The L&N”, “I Can’t Quit You Baby”, “I Can’t Help Myself” en “Why Don’t You Try Me Tonight”. Alleen al dat laatste viertal maakt het meer dan de moeite waard om een hernieuwde aanschaf van “Don’t Point Your Finger” te overwegen.

En dat geldt op de keper beschouwd eigenlijk al evenzeer voor “Third Degree”. Met als fameuze lijsttrekker de indertijd nog in de pilootaflevering van de cult comedy show “The Young Ones” ten gehore gebrachte single “11+11”! Van dat album krijgen we hier liefst twee versies. De oorspronkelijke – opnieuw met Glyn Johns opgenomen, maar door platenlabel A&M botweg geweigerd vanwege te ruw van geluid – en een met Simon Boswell ingeblikte tweede. Op de eerste van die twee staan met de single “Why Don’t You Try Me Tonight”, “Mama Talk To Your Daughter” en “Johnnie Weekend” een drietal nummers die de oospronkelijk gelanceerde versie niet zouden halen. Ze telde ook één nummer minder en is verder vooral interessant, omdat ze perfect aantoont, hoe bepalend het geluid voor het uiteindelijke eindproduct wel is.

Fans van “new kids in town” The Strypes, maar ook van al wat oudere acts als The Jam, The Truth, The Stones en The Who zullen hier ongelooflijk veel plezier aan beleven. En dan hadden we het nog niet over al die anderen onder jullie, die R&B en blues en de rockvariant daarop een warm hart toedragen!

Nine Below Zero

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home