CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES MAART 2017

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

SHARON SHANNON “Sacred Earth” - TIM O’BRIEN “Where The River Meets The Road” - ERIC BIBB “Migration Blues” - TIM GRIMM AND THE FAMILY BAND “A Stranger In This Time” - BIG TIME BOSSMEN “Working On A Plan” - DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Souvenir” - CARRIE ELKIN “The Penny Collector” - NATHAN BELL “Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” - HEIGH CHIEF “Heigh Chief” - OH SUSANNA “A Girl In Teen City” - LYNN MILES WITH KEITH GLASS “Road” - LEVI PARHAM “An Okie Opera” - CHIP TAYLOR AKA JAMES WESLEY VOIGHT “A Song I Can Live With” - BILL KIRCHEN AND AUSTIN DE LONE “Transatlanticana” - DE KAT “DE KAT II” - REBECCA LOEBE “Blink” - LEE PALMER “Bridge” - CHUCK PROPHET “Bobby Fuller Died For Your Sins” - GUY VERLINDE AND THE HOUSEROCKERS “How How How” - CHILLI WILLI AND THE RED HOT PEPPERS “Real Sharp”

 

 

SHARON SHANNON “Sacred Earth” (Celtic Collections / Mass Market Recordings / Music& Words)

(3,5****)

Als Sharon Shannon en haar begeleiders “Rusheen Bay”, het openingsnummer van haar nieuwe album “Sacred Earth”, inzetten, dan ga je als luisteraar vrijwel onmiddellijk spontaan aan Paul Simons succesplaat “Graceland” denken. En dat blijkt geen toeval te zijn ook. De accordeoniste heeft zich naar eigen zeggen immers tot doel gesteld een soort van Ierse variant op dat geheel af te leveren. Een sterk staaltje aan wereldmuziek hoe dan ook. Shannon beperkt zich op haar jongste worp immers niet tot één enkel continent. Ze maakt er een soort van muzikale wereldreis van.

Dat zoiets bijna smeekt om een uitgebreide gastenlijst, dat spreekt voor zich. En dus trommelde Shannon nogal wat schoon volk op om haar tijdens de opnamen van de elf liedjes van “Sacred Earth” bij te staan. Haar meest in het oog springende gasten waren wat ons betreft de Australische blues & roots man Hat Fitz, haar legendarische landgenoot Finbar Furey, Nathan Carter, Greg Guy, zoon van bluesgod Buddy en ook zelf een meester op de elektrische, de Afrikaanse coratovenaar Seckou Keita en de Amerikaanse zangeres Alyro Rose.

Met z’n allen tekenen zij voor een grotendeels instrumentaal gehouden collectie liedjes, waarin traditionele Ierse klanken op meesterlijke wijze versmelten met invloeden van over zowat de gehele wereld. De joie de vivre die daarbij vrijkomt is nauwelijks nog onder woorden te brengen. Uit zo ongeveer elke ten gehore gebrachte noot hoor je, dat alle bij het project betrokkenen zich voortdurend ongelooflijk geamuseerd moeten hebben.

Enkele luistertips: de al genoemde, bijna bedeesd Afrikaans getinte opener “Rusheen Bay”, een erg mooie versie van het onder meer al in uitvoeringen van Jim Reeves en Ry Cooder bekende “He’ll Have To Go”, één van de weinige gezongen nummers hier, het buitengewoon levenslustige “Frenchie’s Reel”, de ook al erg zwierige zydeco van “Let’s Go” en de mooie, met een zekere Franse flair gebrachte trage “The Merry Widow”.

Sharon Shannon

 

TIM O’BRIEN “Where The River Meets The Road” (Howdy Skies Records / Bertus)

(4****)

Tim O’Brien doet het op zijn nieuwe plaat – Zijn ondertussen zestiende soloworp! – uitsluitend met liedjes die op de één of andere manier verbonden zijn met West Virginia. Daar groeide hij zelf op, daar en nergens anders liggen zijn roots. En uiteraard levert dat dan ook de nodige fijne verhalen op. Al dient daar wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat ’s mans eigen originelen hier nadrukkelijk in de minderheid zijn. Slechts twee van de twaalf liedjes schreef hij bij nader inzicht zelf.

“Guardian Angel” en titelnummer “Where The River Meets The Road” zijn de twee kleinoden waar het dan om gaat. En daarin graaft O’Brien diep in zijn eigen verleden. In het eerste blikt hij terug op de dood van zijn oudere zus, in het tweede laat hij zijn eigen grootvader zelf het verhaal van zijn verhuis naar West Virginia in 1850 doen.

Voor het overige enkel vreemde eenden in de bijt dus. Bij Billy Edd Wheeler haalde O’Brien het ooit nog door Jefferson Airplane gecoverde “High Flying Bird”, bij Bill Withers het aan opgroeien tijdens de hoogdagen van de kolenindustrie in West Virginia gewijde “Grandma’s Hands”, bij John Lilly “Friday, Sunday’s Coming”, bij Larry Groce “When The Mist Clears Away”, bij de Bailes Brothers het met Kathy Mattea en Chris Stapleton gebrachte “Drunkard’s Grave”, bij Curly Ray Cline het sprankelende “Windy Mountain”, bij Hazel Dickens de prachtige ballad “Few Old Memories” en bij A.P. Carter en The Carter Family “Little Annie (When The Springtime Comes Again)”. En dan zijn er ook nog zijn lezingen van de traditionals “Queen Of The Earth And Child Of The Skies” en “My Old Coat And Me”. Die laatste in een lentefris arrangement van Doc Williams.

Al bij al een bijzonder leuke voorbode op O’Briens eerste doortocht doorheen onze kontreien sinds lang.

Tim O’Brien

 

ERIC BIBB “Migration Blues” (DixieFrog / Bertus)

(4,5*****)

“Migration Blues”, het nieuwe album van songsmid Eric Bibb, moeten we vooral met z’n allen zien als een serieus statement. Bibb, die zichzelf graag mag profileren als een echte wereldburger, drukt ons met de vijftien songs erop immers nog eens met de neus op de feiten. Migratie is een verschijnsel van alle tijden. Mensen in nood ontvluchtten altijd al hun lot. En dat zullen ze ook in de toekomst blijven doen. Hoe die toekomst er ook zal uitzien. Hij maakt een vergelijking tussen de vele Afro-Americans die ooit het (racistische) rurale Zuiden van de States achter zich lieten voor een wat vriendelijkere toekomst in het Noorden en de hele horden bootvluchtelingen die dezer dagen uit onder meer Syrië in onze kontreien neerstrijken. Uiteindelijk zoeken zij immers hetzelfde. Een menswaardiger bestaan.

Voor het overbrengen van die visie ging Bibb een samenwerkingsverband aan met Michael Jerome Browne en JJ Milteau. Laatstgenoemde haalde hij naar goede gewoonte aan boord voor zijn gesmaakte mondharmonicabijdragen, Browne van zijn kant deed een duit mee in het zakje op onder meer diverse gitaren, fiddle en banjo. Met z’n drieën doen ze zo ongeveer alles. Al willen we zeker niet nalaten om de gezongen bijdrage van Big Daddy Wilson aan het alleen al titelgewijs al maar weinig meer aan de verbeelding overlatende “Prayin’ For Shore” ook even te vermelden. Evenals die van partner Ulrika aan “Mornin’ Train” of het drum- en percussiewerk van Olle Linder her en der.

Het merendeel van de songs op “Migration Blues” zijn uiteraard Bibb-originelen. Gepend in z’n eentje of met (één van z’n) beide partners. En die Browne en Milteau dragen trouwens ook gewoon zelf enkele liedjes bij. En dan zijn er ook nog de covers, meer bepaald lezingen van Bob Dylans “Masters Of War”, Woody Guthrie’s “This Land Is Your Land” en de traditional “Mornin’ Train”.

Samen goed voor ruim achtenveertig minuten rootsvermaak met het hart op de juiste plaats. Zeg dat wij het gezegd hebben…

Eric Bibb

 

TIM GRIMM AND THE FAMILY BAND “A Stranger In This Time” (Cavalier Recordings / Heartselling)

(4****)

“A Stranger In This Time”, het nieuwe album van zingende songsmid Tim Grimm, verschilt in zo menig een opzicht van z’n voorgangers. Niet enkel het inhoudelijke wijkt bij momenten aardig af van wat we door de jaren heen van de beste man gewoon raakten, ook zijn benadering van het geheel is zo ongeveer compleet nieuw. “A Stranger In This Time” is immers een heus gezinsalbum geworden. Met naast zijn vrouw Jan Lucas nu ook zoons Jackson en Connor aan boord. En met name de eerste van die twee doet daarbij al flink van zich spreken. Onder liefst vijf van de elf gebrachte nummers troffen we ook zijn naam aan.

Uiteraard prijken er ook op “A Stranger In This Time” weer enkele vintage Grimm songs over zijn vertrouwde omgeving. Over het land waaraan hij zijn hart verloor. Over het land, dat hij absoluut niet kwijt wil aan een gewetenloze zakenman turned into politician. En dus spuwt hij zo nu en dan ook zijn gal. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het tegelijk aan Dylan en Cohen herinnerende “Gonne Be Great” en je zal meteen zien wat we daarmee bedoelen. Als Grimm daarin onomwonden vaststelt “the votes were all counted – it was worse than we feared”, dan laten die woorden maar weinig meer aan de verbeelding over. “We woke up this mornin’ on the wrong side of fate…”

Grimm als de folkie die we kenden, maar ook als protestzanger dus. En als pater familias die z’n gevolg met vaste hand doorheen een gevarieerde set aan liedjes gidst. Van ballads tot wat feller spul.

Onze luistertips: het verhalend sterke trio “Thirteen Years”, “Hard Road” en “The Hungry Grass” en het eerder al genoemde “Gonna Be Great”.

Tim Grimm

 

BIG TIME BOSSMEN “Working On A Plan” (Rootz Rumble / Donor Productions / Sonic Rendezvous)

(4****)

Eén van de allerleukste rootsrockplaten van het jaar so far is wat ons betreft ontegensprekelijk “Working On A Plan” van onze landgenoten van de Big Time Bossmen. David Bauwens (zang, ritmegitaar en blues harp), Piet Vercauteren (leadgitaar), Bruno Dierick (staande en elektrische bas) en Rien Gees (drums) bevestigen met de dertien nummers op dat album waarom ze hier te lande al een poosje worden gezien als één van dé genrebeloftes voor de toekomst. Met een bruisende cocktail van rock & roll, swamp rock, blues, country en in iets mindere mate funk is het op “Working On A Plan” net geen veertig minuten lang doorlopend party time.

Voornaamste uitschieters vonden wij daarbij het volop tot aardig obscene heupbewegingen aanzettende “Make My Way”, het ook al lekker gedreven uit de hoek komende “The Last Fuck”, het sfeervolle achterbuurtenbluesje “Wolfman”, een ronduit heerlijke cover van de Ruth Brown-hit “5-10-15 Hours”, het met wat countrygevoel gekruide duo “Wouldn’t That Be Great” en “The Effect I Have On Women”, het funky knallende “Bartender” en catchy lijflied “Big Time Bossman”.

Een concertagenda met daarop voor de komende maanden nu al gigs in onder meer Nederland, Duitsland, Engeland en Zweden bewijst dat ons land absoluut niet het eindpunt hoeft te zijn voor dit buitengewoon swingende viermanschap. Wij zouden in verband met het materiaal op “Working On A Plan” zelfs al voorzichtig durven te gewagen van internationale klasse.

Big Time Bossmen

 

DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Souvenir” (Magnolia Music)

(4****)

Voor hun nieuwe worp streken Drew Holcomb en zijn buren na flink wat omzwervingen opnieuw neer in hun thuishaven East Nashville. Daar namen ze onder de productionele auspiciën van het ook al voor dat vorige album verantwoordelijke duo Joe Piasapia en Ian Fitchuk nu ook de opvolger voor “Medicine” op. En dat was gezien het succes van die plaat eigenlijk best wel een te verwachten zet. Veel minder voorspelbaar waren de verschuivingen daar waar het de bijdragen met betrekking tot het materiaal op die nieuwe betreft. Holcomb heeft er ditmaal immers voor geopteerd om voor een echte bandplaat te gaan.

De elf liedjes op “Souvenir” blijken derhalve niet enkel van zijn hand te zijn, maar ook van die van z’n maats Rich Brinsfield en Nathan Dugger. Die laatste tekende voor de echt wel verbluffend mooie verhalende countrydeun “The Yellow Rose Of Santa Fe”, naar onze bescheiden mening meteen één van de allermooiste liedjes op “Souvenir”. Brinsfield van zijn kant droeg de poppy, ons bij nader inzicht best wel een beetje aan het materiaal van Ron Sexsmith herinnerende pianoballade “Sometimes” aan. En dan zijn er ook nog eens een vijftal nummers waarvoor of Dugger, of Brinsfield, of beiden samen met Holcomb achter de schrijftafel plaatsnamen. Als daar zijn het op eerder ingetogen, maar catchy wijze het geheel aftrappende “The Morning Song”, het pittig rockende, meteen na de presidentsverkiezingen in hun land geschreven “Fight For Love”, de oorwurm “Mama’s Sunshine, Daddy’s Rain”, het heel erg emotionele, door Holcomb in duet met z’n vrouw Ellie gebrachte “Black And Blue” en de ergens heel dicht in de buurt van acts als Mumford & Sons en de Avett Brothers strandende bedaarde beauty “Postcard Memories”.

In z’n eentje was Holcomb verantwoordelijk voor het dan nog resterende viertal. We hebben het dan over het als zwierige West Coast country rocker verpakte eerbetoon aan de Golden Coast “California”, over de geweldige, echt volop van het gruis op Holcombs stembanden profiterende trage “Rowdy Heart, Broken Wing”, over het met de nodige commerciële potentie door het leven stappende “New Year” en over afsluiter “Wild World”.

Al bij al een heerlijk gevarieerd geheel, dit “Souvenir”. En als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan zal het Holcomb en de zijnen zeker ook geen windeieren gaan leggen.

Drew Holcomb And The Neighbors

 

CARRIE ELKIN “The Penny Collector” (Carrie Elkin)

(4****)

De voorbije paar jaren was Carrie Elkin vooral actief als lid van het Sam Baker Trio en aan de zijde van haar eveneens als singer-songwriter door het leven stappende wederhelft Danny Schmidt. Met “The Penny Collector” focust ze nu echter weer volop op haar eigen solocarrière. Dat album, haar ondertussen zesde toch ook alweer, draagt ze op aan haar onlangs overleden vader Richard. En naar hem werd het ook vernoemd. De man bleek bij leven en welzijn immers een rabiate verzamelaar van de kleine muntstukjes uit de titel ervan.

In een productie van de hier eveneens enorm gerespecteerde Neilson Hubbard strandt Elkin met haar nieuwe materiaal ergens tussen pakweg een Patty Griffin en een Brandi Carlile. Ergens tussen Americana en roots enerzijds en indie rock anderzijds. Ze presenteert ons elf nummers lang het beste van twee werelden. Tien daarvan zijn eigen creaties, het elfde is een heel fraaie ingetogen cover van Paul Simons “American Tune”.

In haar eigen materiaal blikt Elkin voornamelijk terug op twee haar leven in 2015 ingrijpend veranderende gebeurtenissen. Aan de ene kant de geboorte van haar dochterje Maizy Rae, aan de andere het afscheid van haar vader. Toen ze ergens halverwege het jaar vernam, dat haar papa aan een terminale vorm van pancreaskanker leed, besloot Elkin om de muziek even te laten voor wat ze was en hem tot aan zijn einde voltijds bij te staan. We hoeven u allicht niet te vertellen, dat dit tot zeer heftige gevoelens en als een gevolg daarvan ook compleet andere levensinzichten heeft geleid. Momenten als deze tekenen een mens voor de rest van zijn leven. Ze vormen je als het ware definitief.

Bij het inblikken van “The Penny Collector” kreeg Elkin niet enkel de nodige bijstand van haar echtgenoot en haar producer, maar mocht ze verder onder meer ook nog een beroep doen op Will Kimbrough, Kris Donegan, Telisha Williams, David Henry, Eamon McLoughlin, Robby Hecht en Ryan Culwell. Heel schoon volk dus, uiteindelijk goed voor een heel schone plaat ook. Een aanrader alleszins!

Carrie Elkin

 

NATHAN BELL “Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” (Stone Barn Records / Lucky Dice Music)

(5*****)

Veel van de beste singer-songwriterplaten worden geboren uit loutere noodzaak. Uit het gegeven dat hun makers dringend iets kwijt moeten. Dat er hun wat van het hart moet. Zo ook het werkelijk bloedmooie “Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” van de Amerikaan Nathan Bell. Een plaat van het kaliber van Springsteens “Nebraska”. Een zo goed als spiernaakt gehouden beauty. Een man, zijn gitaar en sporadisch ook een mondharmonica. Maar vooral ook een visie. “It can’t go on like this, so raise your fist!” Bells letterlijke woorden in het tot vreedzame actie oproepende tweede nummer van het album. Actie tegen het Amerika van nu, maar door de verkiezing van Trump vooral ook dat van morgen. Bell onderbrak er de werkzaamheden aan een andere plaat voor om deze oproep te kunnen lanceren. Om maar te zeggen, dat het hem ook echt menens is.

In openingsnummer “The Big Old American Dream” heeft hij het al meteen over de moed die dezer dagen nodig is om een “normaal” leven (proberen) te leiden. De korte ei in dat werkwoord blijkt immers al lang niet zo vanzelfsprekend meer. Elders komt hij onder meer op voor de minderbedeelden in onze maatschappij, breekt hij een lans voor zonder pardon aan de kant geschovenen, gaat hij in op de schaamteloze verkrachting van onze natuur door de industrie, heeft hij het over vrouwen(rechten), over outsourcing en over PTSS bij een Vietnamveteraan. Een protestplaat pur sang dus. Gevoed door een werkelijkheid die alsmaar grimmiger vormen blijft aannemen. Grotendeels gebaseerd op waargebeurde verhalen.

Bell wil ons aansporen tot actie, zoveel is na de elf liedjes hier wel duidelijk. In het bij nader inzicht zo’n beetje als titelnummer fungerende “Traitorland (Rules For Living In Traitorland)” reikt hij ons zelfs een heuse survival kit aan. Naar eigen zeggen betreft het daarbij immers “a basic set of guidelines for doing what it takes to ensure that love is greater than fear”.

“Love > Fear (48 Hours In Traitorland)” is niet enkel een steengoede plaat, het is ook een belangrijke. Een uitgesproken muzikale wake-up call. Zoiets.

Nathan Bell

 

HEIGH CHIEF “Heigh Chief” (Blue Mood Records PIAS)

(3,5****)

Het voorheen nog gewoon als de Marcus Lovdal Band door het leven stappende Noorse collectiefje Heigh Chief bewijst op z’n nieuwe, naar zichzelf vernoemde album dat het ook anno 2017 nog altijd perfect mogelijk is om op creatieve wijze met het gegeven blues om te springen. Het viertal valt vrijwel meteen op door een eigen smoelwerk. Iets wat binnen het door de heren gefrequenteerde genre absoluut geen vanzelfsprekendheid is. Puristen zullen zo nu en dan bij wat Marcus Lovdal en maats doen wellicht geneigd zijn om eerder de term bluesy dan blues in de mond te nemen om te omschrijven wat ze horen. Er gebeurt nu eenmaal ontzettend veel in de nummers van het kwartet.

Bij momenten hoorden we zelfs een poppy randje. In één van dé absolute prijsnummers hier, het zomerse “Sweet Up My Soul” bijvoorbeeld al. Da’s het soort van liedje dat zich al na één enkele beluistering met geen stokken meer van tussen je oren laat verdrijven. Zo catchy, niet normaal! We meenden er hier zelfs de invloed van Paul Simon in te mogen herkennen.

Andere, wat ons betreft eveneens het predicaat supersongs verdienende kleinoden: het bedaarde “Weed, Whites & Wine”, het op zonderlinge wijze soulvol werkende “Little Things” en het zich ingehouden funky aandienende “Missing Out”. (Zelfs de ongemeen sfeervolle instrumentale versie die de traditional “Amazing Grace” hier meekrijgt, is absoluut de moeite waard!)

Bijzonder knap, hoe het samenvoegen van ingrediënten als rock, Americana, blues, soul, funk en jazz hier shaken not stirred een bijzonder smaakvolle eigentijdse cocktail oplevert. New name, new game indeed.

Heigh Chief

 

OH SUSANNA “A Girl In Teen City” (Continental Song City / CRS)

(4****)

“Here’s my story of a girl in Teen City,” valt Suzie Ungerleider op de binnenkant van het hoesje van haar nieuwe cd meteen met de deur in huis. En in grote lijnen blijkt het daarbij te gaan om haar eigen verhaal. Dat van haar jonge jaren in de naar haar normen veel te rustige havenstad Vancouver in British Columbia. Dat van een zoektocht. Van er achter proberen te komen wie je nu eigenlijk bent door iets trachten te zijn wat je net niet bent. En dat tegen een achtergrond van punk en new wave. Veel van Ungerleiders verhalen komen daardoor nogal bekend voor. Ook al waren we zelf al wel enkele jaartjes ouder bij het begin van de eighties.

Onder de productionele hoede van haar landgenoot Jim Bryson gidst Suzie Ungerleider ons doorheen twaalf Canadiana-liedjes die als het ware de perfecte soundtrack vormen voor onder de film van haar leven in de prille jaren tachtig. We worden samen met haar verliefd, drinken er wel eens eentje teveel, weten ons hart ook weer gebroken en slijten zo menig een moment in het gezelschap van vrienden. En dat op de meest uiteenlopende plekken.

Een pril intiem momentje wordt gedeeld in het kwetsbare “The Darkroom At The School”, een stapje in de wereld voorbereid in het zacht rockende “Getting Ready”, een concert van de Canadese hardcore punkers van D.O.A. met de nodige weemoed herdacht in “Tickets On The Weekend”. “Walked All The Way Home” doet op verstilde wijze het relaas van een eenzame nachtelijke wandeling naar huis, “Waiting For The Blossoms” bruist in al z’n eenvoud van de jeugdige sehnsucht en “Thunderbird” – het misschien wel allermooiste liedje van allemaal hier – laat ons getuige zijn van de door een jong stel gedeelde passie voor een wagen. “I didn’t wanna be your girl, just drive me round the world or down the block’ll do just fine,” aldus Ungerleider daarin onomwonden. Ook heel erg mooi: “My Old Vancouver”. Daarin geeft onze protagoniste zoveel jaren later toe, dat haar thuishaven “wasn’t so grey” after all. De tijd heeft z’n job dus duidelijk gedaan.

Al bij al een uitzonderlijk mooie terugblik op een jong leven zoals we dat op de één of andere manier allemaal wel hebben gekend. En dat schept natuurlijk een zekere band…

Oh Susanna, Bandcamp

 

LYNN MILES WITH KEITH GLASS “Road” (Continental Song City / CRS)

(4****)

Ruim zeventig minuten top-Canadiana, da’s wat we geserveerd krijgen op “Road”, het nieuwe album van nachtegaaltje Lynn Miles. Het blijkt daarbij te gaan om al wat oudere en nieuwe live-opnamen, gemaakt met haar vaste rechterhand Keith Glass. Vijftien in totaal. Ingeblikt in een bij voorkeur zo intiem mogelijk gehouden setting. En zo horen we haar hier eigenlijk nog het liefst van al. Zoals ook al op de inmiddels vier volumes van de haar eigen materiaal nieuw leven inblazende “Black Flowers”-reeks.

Miles en Glass doen het met uitsluitend eigen materiaal van de zangeres. Van heel vroeg in haar carrière tot nu. Met “Nobody’s Angel” van haar debuut “Chalk This One Up To The Moon” en “You Don’t Love Me Anymore” en “I Loved A Cowboy” van “Slightly Haunted”, haar “doorbraakplaat” hier uit ’96, tot “My Road” en “Love Is Red” van haar recentste worp “Downpour” en nog heel wat ander fraais tussen die beide polen in. We vernoemen hier bijvoorbeeld graag ook nog het werkelijk hemelse “The Middle Of The Night”, het zo mogelijk nog mooiere “Casino El Camino”, “Black Flowers” en het afsluitende “Rust”.

Je zou het kunnen zien als een soort van alternatieve carrière-retrospectieve. Met naast de engelenstem van Miles zelf enkel nog een stel akoestische en elektrische gitaren, een mandoline en een mondharmonica in de buurt. En met Glass die zo nu en dan mooi harmonieert. Veel meer aan uitnodiging is er niet nodig om binnenkort op de eerste rij te zitten als Miles en Glass weer eens naar Europa afzakken voor een reeks optredens.

Lynn Miles, Bandcamp

 

LEVI PARHAM “An Okie Opera” (Horton Records / CRS)

(3,5****)

Zijn vorig jaar verschenen album “These American Blues” werd door de samenstellers van de prestigieuze Euro Americana Chart verkozen tot plaat van het jaar. En dus is Levi Parham momenteel aardig hot in deze kontreien. Iets wat onder meer tot gevolg heeft, dat hij vanaf midden deze maand voor een korte tournee naar Europa afzakt. Ons land doet hij daarbij helaas niet aan. In Nederland staan er wel een handvol optredens geprogrammeerd. Onder andere op woensdag 22 maart in café De Rozenknop in Eindhoven.

Parallel met die reeks gigs verschijnt ook een heruitgave van ’s mans debuutplaat “An Okie Opera” van medio 2013. Een geheel nog niet van het kaliber van “These American Blues”, maar al wel heel erg goed. (Luister bijvoorbeeld maar eens naar het omineuze “Devil’s Got A Sweet Tooth”!) Een prima introductie alleszins tot de jonge Okie met de gruizig-soulvolle stem. Een tien songeenheden rijk visitekaartje gevuld met Americana, folk en blues Oklahoma style. Volledig door Parham zelf ingespeeld en ook door hemzelf geproduceerd.

“An Okie Opera” wordt vanaf nu prettig geprijsd aangeboden en wat meer is, de aanschaf ervan geeft je ook nog eens recht op een gratis download code voor de EP “Avalon Drive”.

Levi Parham

 

CHIP TAYLOR AKA JAMES WESLEY VOIGHT “A Song I Can Live With” (Train Wreck Records / CRS)

(3,5****)

De naam Chip Taylor op een plaat aantreffen is zoveel als een garantie voor kwaliteit. Al sinds jaar en dag grossiert de Amerikaan immers in geweldige songs. En dat is ook op “A Song I Can Live With” weer niet anders. Twaalf stuks in totaal staan er op dat opnieuw samen met Goran Grini geproduceerde album. Bij momenten erg persoonlijk spul, meer gefluisterd dan gezongen gebracht en als dusdanig erg geschikt voor laatavondgebruik. Americana van het genre waarvoor je graag even de koptelefoon opzet, de ogen sluit en met een goed glas ergens binnen handbereik aan het genieten gaat.

Puntgaaf spul, mede dankzij onder meer ook de bijzonder gesmaakte bijdragen van multi-instrumentalist Grimi, gitarist John Platania en een enkele keer ook pedal steel-virtuoos Greg Leisz. Samen met nog een handvol anderen verzorgen zij een muzikaal decorum dat het Taylor toelaat te allen tijde zichzelf te zijn. De beste man kan zich zo zorgeloos toeleggen op het vertellen van zijn verhalen en het maken van contact met zijn publiek. Het resultaat is een overwegend erg rustig uitgevallen geheel, dat volop uitnodigt tot meemijmeren met zijn maker. Het soort van plaat waarvoor je al de nodige levens- en carrièrekilometers op de teller moet hebben.

Onze luistertips: “Crazy Girl”, “New York In Between”, “Little Angel Wings”, “Señorita Falling Down”, het titelnummer en “Los Alamitos Story”.

Chip Taylor

 

BILL KIRCHEN AND AUSTIN DE LONE “Transatlanticana” (The Last Music Company / Proper Records)

(4****)

“Transatlanticana” is de toepasselijke titel van een plaat waarop twee genrepioniers na vele jaren de handen eindelijk weer eens in elkaar slaan: Bill Kirchen met Commander Cody & The Lost Planet Airmen ooit één van de grondleggers van wat we dezer dagen als Americana omschrijven, Austin De Lone van zijn kant met het door hem in het leven geroepen Eggs Over Easy van vitaal belang voor het ontstaan van het Britse pubrockgenre.

Afgetrapt wordt er met het als een soort van eerbetoon aan wijlen Merle Haggard en Bakersfield country meer algemeen geconcipieerde “Hounds Of The Bakersfield”. Vervolgens is er de met Bobby Black gebrachte en naar diens dagen samen met Kirchen bij Commander Cody verwijzende honky-tonk ballad “Wine Wine Wine”. Heerlijk groovy is in het zog daarvan Delone’s op lijzige wijze tot actie oproepende “Let’s Rock”. Om nog maar te zwijgen van de meteen daarna samen met Butch Hancock, de schrijver ervan, ingezette Texas boogie “Oxblood”. In al z’n zwierigheid wat ons betreft één van dé absolute topmomenten van “Transatlanticana”, dat liedje.

Andere blijvertjes vonden wij ook nog de door Kirchen gezongen R&B-sleper “Think It Over” en De Lone’s fijne lezing van de soul classic “Warm And Tender Love”, het bluesy “Losing Hand” en het zwierige, pianogestuurd swingende “All Tore Up”. En als we het hier ook al even zouden moeten hebben over bijzonder in het oog springende songbijdragen, dan zouden we echt niet om de volgende twee heen kunnen. Vooreerst een opvallend vlotte, met Gurf Morlix op gitaar, David Carroll op bas en Rick Richards achter het drumstel opgenomen versie van Bob Dylans “The Times They Are A-Changin’”. En natuurlijk ook het als één van twee bonus tracks de Europese versie van “Transatlanticana” afsluitende “Smoke! Smoke! Smoke That Cigarette”.

Een plaat die ook bij andere ouwe zakken als ons ongetwijfeld goed zal gaan blijken voor zo menig een brede grijns…

Bill Kirchen

 

DE KAT “DE KAT II” (DE KAT)

(4****)

Nauwelijks een jaar na hun vrijwel unaniem lovend onthaalde debuut zijn de vier van DE KAT daar weer met een nieuwe lading avontuurlijke kleinoden. Daarmee vanuit het Nederlandse Groningen ongegeneerd een veel te wijde tackle inzettend op muzikale avonturiers wereldwijd. In het voetbal krijg je hiervoor zonder verpinken rood, in de muziek is het resultaat meestal een roep als niet te missen act. En die verdienen gitaristen Erik de Vries en David Lamain, bassist Jasper Visser en drummer Sjors de Ruiter ons inziens ook. Wat de vier op hun tweede brengen tart immers zo ongeveer elke verbeelding.

Mocht je nog niets van hen gehoord hebben, probeer je dan voor te stellen, hoe het er op het kruispunt tussen surf, blues en psychedelische rock aan toe gaat. Gitaren die janken, beurtelings bedaard en ongebreideld. Bas en drums in een niet weg te denken dienende rol. Om sfeer draait hier hoegenaamd alles. Behoedzaam wordt vaak gezocht naar een climax. Omzichtig besluipt DE KAT haar prooi alvorens genadeloos toe te slaan. En dat vrijwel volledig instrumentaal.

Acht nummers telt “de moeilijke tweede” van DE KAT en die zijn zonder uitzondering top te noemen. Zeven daarvan droegen de vier bandleden zelf aan, het achtste is een even briljante als eigenzinnige cover van Peter Greens “Fool No More”, bij nader inzicht het meest bluesy moment van “DE KAT II”.

DE KAT

 

REBECCA LOEBE “Blink” (Black Wolf Records)

(4****)

Met haar vierde volwaardige studioplaat lijkt mooie Rebecca Loebe klaar voor een gigantische stap voorwaarts in haar carrière. Ons zou het alvast helemaal niet verbazen mocht ze met “Blink” ook het nodige commerciële succes gaan boeken. De elf nieuwe liedjes erop zouden wel eens een heel erg breed publiek kunnen gaan aanspreken. En het mooie eraan is, dat Loebe daartoe haar ziel niet heeft moeten verkopen. Waar haar roots liggen, blijft wat ons betreft over de volle lengte van het door Will Robertson geproduceerde album duidelijk. Ook al sluipen er dan steeds meer popelementen in haar liedjes binnen.

Geopend wordt er met de pakkende pianoballade “Lie”. “If all I have to do is promise not to love you, all I have to do is lie,” klinkt het veelzeggend in die fraaie indie folk beauty. Vervolgens is er het poppy, zich volop in nostalgie wentelende “Forever Young Forever”, Loebe ingegeven door een potje mijmeren over haar eigen jonge jaren daartoe aangezet door de muziekjes op een mix tape van weleer onderweg naar huis van een gig. Echt een ongelooflijk radiogeniek nummer, dat liedje.

Via het moody “Cannonball” en de droevige countryballade “Weeping Willow” belanden we aansluitend daarop bij wat ons inziens één van de allerstrafste nummers van “Blink” is, met name het ongemeen sfeervolle “Smoke Signals”. “Bad Things” neemt ons vervolgens in onvervalste nineties rock style mee naar het gevolg van een bizarre droom van Loebe zelf, “Say So” is een pracht van een trage op het kruispunt tussen soul en country, “Easy Money” gaat op ingetogen wijze in op het alledaagse lot van de hardwerkende medemens en “Down To The Wire” is retro rock ergens redelijk dicht in het zog van good old Fleetwood Mac.

Resten ons dan nog: de wederom ongemeen soulvolle ballade “Neverman” en het daar werkelijk perfect bij aansluitende titelnummer, een slow om duimen en vingers bij af te likken.

Na een geweldige plaat als deze ga je je onwillekeurig afvragen, waarom deze Loebe nog niet veel en veel bekender is. Ze zou het wat ons betreft alleszins ruimschoots verdienen.

Rebecca Loebe

 

LEE PALMER “Bridge” (On The Fly Music)

(3,5****)

De nummers op “Bridge”, het nieuwe album van de Canadese songsmid Lee Palmer, hadden bij nader inzicht eigenlijk al een jaar eerder het daglicht moeten gezien hebben, maar daar stak het leven zelve in allerlaatste instantie een stokje voor. En met name dan ’s mans wankele gezondheidstoestand. Die drong hem immers onverwacht een snelle heelkundige ingreep op. En dus mochten de plannen voor de release van z’n vierde plaat in evenveel jaren tijd voor even de koelkast in.

Nu, een viervoudige overbrugging later, dropt hij het geheel echter wel. En daar mogen we met z’n allen best wel blij om zijn ook, want het is een hele mooie plaat geworden. Een geslaagde spagaat tussen americana, country, folk en blues, waarbij terloops ook wel eens even wordt gelonkt richting jazz, soul en rock. Een lekker gevarieerd geheel met andere woorden. Met als voornaamste bindende element de zang van Palmer zelf. Zijn enigszins lijzige, nasale voordracht deed ons bij momenten weer wat denken aan die van collega Bob Cheevers.

En ook op tekstueel vlak gaat Palmer hier nogal breed. Zo onthielden wij bijvoorbeeld eerbetonen aan zowel zijn thuishaven (het zomers opgewekte “My Town”) als zijn eigen ouweheer (het nostalgische “My Old Man”), een diepe buiging voor eigen held JJ Cale (het groovy “Tulsa Sound”), woorden van medeleven aan het adres van de al een poosje aan Alzheimer lijdende countrygrootheid Glen Campbell (de valse trage That’s No Way To Go”) en wat nostalgisch gemijmer over die eerste keer (het nostalgische “Did It Feel Like This”, een ingetogen duetje met Mary McKay).

Bijgestaan werd Palmer bij het inblikken van “Bridge” verder vooral door gitarist Kevin Breit, bassist Alec Fraser, toetsenman Mark Lalama en drummer Al Cross, zeg maar The One Take Players. Gastbijdragen waren er voorts ook nog van Elmer en Kiki Ferrer, Aaron Solomon, Turner King, Dave Dunlop, Lori-An Smith en Patricia Shirley. En voor de productie tekenden Lee Palmer zelf en Elmer Ferrer.

Lee Palmer

 

CHUCK PROPHET “Bobby Fuller Died For Your Sins” (Yep Roc / V2)

(5*****)

Welk een fantastische plaat! Rock & roll, baby! All the way! Zonder twijfel Chuck Prophets allerbeste tot op heden. Tot de nok toe gevuld met wat hij zelf graag als California noir omschrijven mag. Roots(y) rock met niet zelden een donker kantje. Om te beginnen dat aan catchy rinkelende gitaren opgehangen titelnummer met z’n verwijzing naar de maker van één van onze eigenste all-time favorites, het onsterfelijke “I Fought The Law”. Beter worden ze ons inziens amper nog gemaakt! Al doet Prophet hier zelf voortdurend z’n stinkende best daartoe. Met het hypernerveuze “Your Skin” bijvoorbeeld, met het ons op de één of andere manier een beetje aan de Kinks in de late seventies herinnerende “Killing Machine” en vooral ook met het magistrale “Bad Year For Rock And Roll”, een even aanstekelijke als  originele hommage aan het adres van tal van rockgroten die ons het voorbije jaar ontvielen, met voorop natuurlijk Bowie.

Als tegengewicht voor zoveel muzikaal geweld voorziet de oud-Green On Red-voorman gelukkig ook enkele rustpuntjes. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de helemaal op de knieën gaande trage “Open Up Your Heart”, het à la Lou Reed meer vertelde dan gezongen “Jesus Was A Social Drinker” en het afsluitende protestlied “Alex Nieto”, “een aan twee akkoorden genoeg hebbend eerbetoon aan het adres van een (door een regen aan politiekogels gevelde) goede man die eigenlijk gewoon nog zou moeten leven,” aldus Prophet zelve.

En alweer viel daarna zonder al teveel nadenken vroeg op het jaar de term eindejaarslijstjesmateriaal

Chuck Prophet

 

GUY VERLINDE AND THE HOUSEROCKERS “How How How” (Blue Sting / Parsifal)

(5*****)

Het een jaar of zes geleden verschenen “Guy Verlinde Plays Hound Dog Taylor” moet zowat de meest gedraaide plaat uit het Belgische bluesgedeelte van mijn collectie zijn. En geloof me vrij, dat wil wat zeggen! Er lopen hier immers nogal wat acts rond, die de voorbije jaren met uitstekende platen hebben uitgepakt. Maar goed, Lightnin’ Guy liet en laat ze dus allemaal een eindje achter zich. Wat mij betreft drong een vervolgstuk op die plaat zich eigenlijk al een poosje op. En da’s exact ook wat we nu krijgen met “How How How”.

Met z’n uit gitarist Richard van Bergen en drummer King Berik bestaande eigen Houserockers knalt de dezer dagen vanuit Gent actieve Verlinde daarop opnieuw elf nummers lang in onvervalste Hound Dog Taylor style. In tegenstelling tot eerder doet hij dat ditmaal echter met uitsluitend nieuwe nummers. Negen daarvan van eigen hand, eentje uitgewerkt met van Bergen (de heerlijk exotisch uit de hoek komende instrumental “Jungle Fever”) en eentje van die van Bergen in z’n eentje (de onweerstaanbare instrumentale blitzkrieg met als titel “Snap!”).

“How How How” is bij nader inzicht een echte partyplaat van formaat. Gelijk van bij het catchy de feestelijkheden voor geopend verklarende titelnummer gingen wij schokschouderend voor de bijl. Nooit geweten, dat Chicago en Gent zo dicht bij elkaar lagen! En het torenhoge niveau van die opener wordt gelukkig de volledige rit aangehouden ook. Via het ritmische “Long Distance Lovin’” – Nog zo’n oorwurm van een song! – en het wild rockende, enkel zijn titel met iets van Marvin Gaye gemeen hebbende “Let’s Get It On” over de sfeervolle sleper “Show Me Some Mercy”, het al genoemde “Snap!” en het bepaald juicy “I’ve Been Waitin’” tot het werkelijk rete-aanstekelijke, als een soort van strijdkreet opgevoerde “You Gotta Shake” en het afsluitende viertal bestaande uit het hier ook al eerder vermelde “Jungle Fever”, het vrijwel ogenblikkelijk tot behoorlijk obsceen ogende bewegingen met het bekken aanzettende “That Baby Don’t Love Ya”, het vanuit het Chicago aan de Leie ook even schalks naar New Orleans lonkende “Down The Line” en wilde afsluiter “Say What?”. Een elftal dat als nieuw eerbetoon aan het adres van Hound Dog Taylor tellen kan. Genuine houserocking music indeed! En als dusdanig verplichte kost ook!

Guy Verlinde

 

CHILLI WILLI AND THE RED HOT PEPPERS “Real Sharp” (The Last Music Company / Proper Records)

(4****)

Dit is een waar godsgeschenk! Zo ervaren wij het tenminste als rabiate liefhebbers van most things pub rock. Deze dubbelaar maakt ons inziens zijn ondertitel voor de volle honderd procent waar. Hij bevat naast hun volledige debuut “Kings Of The Robot Rhythm” van Chilli Willi And The Red Hot Peppers immers ook nog de integrale albums “Bongos Over Balham” en “I’ll Be Home” en tal van obscure bonus tracks.

Chilli Willi And The Red Hot Peppers waren een in de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw behoorlijk populair Brits collectiefje rond de tandem Philip “Snake Fingers” Lithman en Martin Stone. Aanvankelijk aangevuld met gelegenheidskrachten als Nick Lowe, Bob Andrews, Billy Rankin, English John Fox, Barry Everitt, Dave Vorhaus en Jo Ann Kelly, later uitgegroeid tot iets vasters met vanaf dan mee aan boord Elvis Costello’s latere Attractions-drummer Pete Thomas, Paul Riley en P.C. Bailey.

Het recept voor hun samenwerking was eigenlijk redelijk simpel. Van in den beginne legde men zich er voltijds op toe om de meest uiteenlopende Amerikaanse muziekjes aan een eigentijdse Britse pendant te helpen. Roots music, that is. Country, de rockvariant daarvan, blues, enz. Zo’n beetje alles waardoor je dezer dagen spontaan onder de noemer americana terecht kan komen. Toendertijd leverde het hen nog bijna even vanzelfsprekend het label pub rock op.

Met deze verzamelaar krijgen de heren Lithman en Stone een mooi postuum eerbetoon.

Chilli Willi And The Red Hot Peppers

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home