ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Willie Nelson “Smokin’ At The Paradiso (Live In Amsterdam)” - Guitar Shorty “Watch Your Back”Calvin Russell “A Man In Full”IIIrd Tyme Out “The Best Durn Ride” - Darden Smith “Circo”Various Artists “Blue Highways Volume 1”Thomas Denver Jonsson & The September Sunrise “Hope To Her”Walker Diver “White Knuckle Ride”Buckskin Stallion “Blue Ribbon Buzz”Cowboy Junkies “One Soul Now”The Standard “Wire Post To Wire” - Doyle Lawson & Quicksilver “Thank God”Lisa O’Kane “Peace Of Mind” - Ghosthouse “Devotion”Cross Canadian Ragweed “Soul Gravy” - Clarence Bucaro “Sense Of Light”Norman & Nancy Blake “The Morning Glory Ramblers”Jabe “Drama City” - Laurie Lewis & Tom Rozum “Guest House”Amy Farris “Anyway” - Gurf Morlix “Cut ‘n Shoot”Markus Rill “Hobo Dream”The Seatsniffers “Let’s Burn Down The Cornfield” - Larry Cordle & Lonesome Standard Time “Lonesome Skynyrd Time”The Stanley Brothers “An Evening Long Ago”Kimmie Rhodes “Lost & Found”Jack Ingram “Young Man”Louis! “A Close Watch”Barb Waters “Rosa Duet”The Creekdippers “Political Manifest”Maura O’Connell “Don’t I Know”Matty Charles & The Valentines “Land Beyond The Sea”The Cornell Hurd Band “Cen-Tex Serenade”Copper Box “Roots”Brian Burns “Heavy Weather”Eric Blakely “Still Life At Full Speed”Earl Musick “Privateer”

 

WILLIE NELSON

“Smokin’ At The Paradiso”

(Live In Amsterdam)

(Luck / CoraZong)

(3) J J J

 

De echte groten uit het countrywereldje verwaardigen zich helaas maar erg zelden om de oversteek naar de Lage Landen te maken. En dat is een spijtig gegeven als je weet dat de fans van het genre hier bij bosjes rondlopen en zich welhaast geen enkele gelegenheid laten ontgaan om hun idolen in levenden lijve aan het werk te zien. De meeste concerten zijn dat ook vrij snel uitverkocht. Wat het er voor de liefhebbers ook al niet makkelijker op maakt om van de partij te zijn als er toch al eens iets gebeurt.

De fans van Willie Nelson zullen hun pret dan ook wel niet op kunnen met “Smokin’ At The Paradiso”, een album dat, zoals de titel dat al laat vermoeden, live werd ingeblikt in de Amsterdamse poptempel tijdens een doortocht van de Texaan aldaar in juni van 2000. Voor degenen die erbij waren is het een mooi aandenken. Voor allen die de twee concerten om wat voor reden dan ook niet konden bijwonen is het gewoon een leuke aanvulling van de collectie. Dat Nelson tijdens zijn shows weinig aandacht had voor zijn recenter materiaal zullen sommigen wellicht als een minpuntje zien. Anderen zullen dan weer juist heel blij zijn met de royale selectie grote successen die de man hier opdist. “City Of New Orleans”, “Whiskey River (Revisited)”, Mama Don’t Let Your Babies Grow Up To Be Cowboys”, “Angel Flying Too Close To The Ground”, “On The Road Again”, “Pancho & Lefty”, “Blue Eyes Crying In The Rain”, “To All The Girls I’ve Loved Before”, etcetera, etcetera, etcetera. Twintig stuks in totaal. Nelson heeft duidelijk wel zijn best gedaan om de meerderheid van het aanwezige publiek te behagen.

Enkel als je vergelijkingen gaat maken met eerder live-materiaal van de Red Headed Stranger valt er hier en daar wel iets in te brengen tegen dit album. Zijn VH1-setje met Cash bijvoorbeeld - om er maar één te noemen - is toch wel van een geheel andere orde. Maar dat is spijkers op laag water zoeken. Feit is, dat “Smokin’ At The Paradiso” gewoon heel lekker wegluistert. En veel meer moet je van projecten als dit eigenlijk toch ook niet verwachten, lijkt ons. (En al zeker niet, als het album aan een zacht prijsje wordt aangeboden, zoals dat hier het geval is.)

www.willienelson.com

www.corazong.com

 

 

GUITAR SHORTY

“Watch Your Back”

(Alligator / Munich)

(3.5) J J J J

 

David William Kearney AKA Guitar Shorty staat al zo’n vijf decennia lang avond na avond op de planken. Hij trad zo ondermeer op met blues- en R&B-grootheden als Ray Charles, Sam Cooke, B.B. King, Otis Rush, Guitar Slim en T-Bone Walker, om er maar een paar te noemen. Toch zou het tot 1991 duren alvorens het CD-debuut van deze uitzonderlijke gitaarbeul het daglicht zou zien. Sedertdien zit Shorty’s carrière evenwel ononderbroken in de lift. En zijn zesde album tot op heden, “Watch Your Back”, zou wel eens voor een doorbraak op een wat grotere schaal kunnen gaan zorgen ook. Waar zijn vorige platen vaak nog twijfelden tussen een veelheid aan stijlen (New Orleans funk, Texas shuffles, klassieke R&B,…) vaart de door Jimi Hendrix als één van zijn grootste voorbeelden genoemde Kearney – die overigens ooit nog in het huwelijksbootje stapte met Jimi’s stiefzus Marsha – ditmaal immers resoluut een rock & roll-koers. Van in het sloom pompende openingsnummer “Old School” over het funky “Story Of My Life” of het indringende “I’m Gonna Leave You” tot het opzwepende “Right Tool For The Job”, waarmee het album besloten wordt, zijn het de soulvolle grom van de man en zijn genadeloze gitaaraanrandingen die voortdurend centraal staan. Met een speciale vermelding voor zijn uitvoering van het dezer dagen wel eens vaker gecoverde “A Little Less Conversation”, dat hier een strak zittend bluespak aangemeten krijgt en daarin bijzonder aantrekkelijk voor de dag komt. Al bij al een lekker pittig schijfje, dat hier nog regelmatig loeihard door de speakers zal knallen.

www.guitarshorty.org

www.alligator.com

www.munichrecords.com

 

 

CALVIN RUSSELL

“A Man In Full”

(Last Call / Music & Words)

(4) J J J J

 

Over tijdloze muziek gesproken! Het mag de jongste jaren dan misschien al wat stiller zijn geweest rond Calvin Russell, de muziek van de Texaanse singer-songwriter heeft in al die tijd nauwelijks aan zeggingskracht ingeboet. Ten bewijze daarvan is er nu de bij het Franse Last Call Records – het vroegere New Rose – verschenen compilatie “A Man In Full”. Een album dat zijn titel overigens helemaal waarmaakt. Enerzijds is er immers een zeventien tracks tellende CD die een mooie dwarsdoorsnede biedt van het tussen 1990 en nu verschenen werk van de laatbloeier Russell, anderzijds een DVD met daarop een zevental videoclips – ondermeer van “A Crack In Time”, “Crossroads” en “Soldier” – en vijf in ’95 live opgenomen nummers, waaronder covers van “All Along The Watchtower” en “It’s My Life”.

Als er al één ding is, wat dit document nog eens heel vet onderstreept, dan is het wel het grote ongelijk van de Amerikanen die Russell steeds links hebben laten liggen. Men ging er enkel in op de vraag hoe die afgeleefd overkomende knaap met zijn rare hoedje het in godsnaam tot ster had kunnen schoppen in Frankrijk. Als men zich ook de moeite getroost zou hebben om zijn muziek eens aan een nader onderzoek te onderwerpen, zou men wel beter hebben geweten. Snedige countryrockertjes als “Don’t Turn Your Head”, “This Is Your World” of “A Crack In Time”, en ingetogen – vaak wat bluesy aanvoelende – stuff als “Last Night”, “Crossroads” of “Soldier” blijken immers meedogenloos. Eén keer beluisteren en je bent geheid verkocht. En als de hese Russell in zo’n liedje als het broeierige “Nothin’ Can Save Me” dan ook nog eens een beroep gaat doen op een stel bijzonder soulvolle madammen om hem van vocale rugdekking te voorzien, dan krijgen zelfs de meest verstokte ijsheiligen het eensklaps heel erg warm.

Om maar te zeggen, een hele grote meneer, die Calvin Russell. Misschien dat “A Man In Full” eindelijk ook hier wat meer mensen tot dat inzicht kan laten komen. Het zou verdomme hoog tijd worden…

Calvin Russell

www.lastcallrecords.com

www.musicwords.nl

 

 

IIIRD TYME OUT

“The Best Durn Ride”

(Chateau Music Group)

(4) J J J J

 

Toen Ray Deaton en Russell Moore in 1991 Doyle Lawson & Quicksilver de rug toekeerden om samen met Wayne Benson (van Livewire), Steve Dilling (van de Lonesome River Band) en Greg Luck (van JD Crowe & The New South) IIIrd Tyme Out te vormen, lagen ze met die beslissing aan de basis van wat één van de succesvolste bluegrass acts van het laatste decennium van de vorige eeuw zou blijken. Tussen 1994 en 2000 zou de groep immers liefst zevenmaal op rij de prestigieuze IBMA award voor Vocal Group of the Year in de wacht slepen. En afgaande op hun nieuwe CD “The Best Durn Ride” is hun liedje nog lang niet uitgezongen.

Op dat album worden een stel eigen songs afgewisseld met materiaal van ondermeer David Norris, Bill Monroe, Don Reno en Honi Deaton. Liedjes die andermaal dienen als het ideale platform voor de duizelingwekkende vocale hoogstandjes van de vijf. Ronduit prachtige harmonieën worden gekoppeld aan al even excellente staaltjes van picking. Lichtvoetig en speels vinden banjo, mandoline, fiddle, gitaar en bas steeds weer de kans om onopvallend op te vallen tussen al die stemmenpracht. Dat maakt van “The Best Durn Ride” een echt hartverwarmend album. Van de eerste tonen van het sprankelende openingsnummer “What True Love Is (You And I)” tot de laatste van de acapella gebrachte traditional “Wade In The Water” helemaal aan het einde van het album is het hier weer ruim zesendertig minuten lang genieten geblazen. Het zou ons dan ook in het geheel niet verbazen mochten die van IIIrd Tyme Out ook dit jaar weer in de prijzen vallen bij de uitreiking van de IBMA-onderscheidingen. Wel integendeel, elk ander scenario zou eigenlijk onbegrijpelijk zijn…

www.iiirdtymeout.com

www.chateaumusic.com

 

 

DARDEN SMITH

“Circa”

(Dualtone / Bertus)

(3.5) J J J J

 

In de bijna twintig jaar die zijn oeuvre overspant heeft de uit Austin afkomstige songsmid Darden Smith al heel wat watertjes doorzwommen. Van pure Texaanse singer-songwriter stuff over country en de alt.-variant daarvan tot folk en rootspop, de man bleek door de jaren heen een echte draaikont, rusteloos op zoek naar een goed zittend jasje voor zijn schrijfsels. Met als bijna vanzelfsprekend gevolg dat hij ook al een aardige resem platenlabels versleten heeft. Maar daarin lijkt nu stilaan verandering te komen. Op “Circo”, zijn tweede CD voor Dualtone, tapt hij immers gezapig verder uit het al met voorganger “Sunflower” aangeboorde vaatje. Meer licht country getint folk-pop-materiaal dus, opvallend enerzijds door een zekere vorm van bezadigdheid, maar zeker ook door een vrijwel vlekkeloos geluid. De gastenlijst oogt dan ook tamelijk indrukwekkend. Jim Lauderdale, Kim Richey, Boo Hewerdine, Suzzy Roche en Shawn Colvin werden bereid gevonden tot vocale hand- en spandiensten. En Lloyd Maines (pedal steel), Michael Ramos (accordeon, orgel, piano), Steuart Smith (gitaren, orgel, enz.), Roscoe Beck (bas), Sammy Merendino (drums) en nog een hele trits anderen zorgen voor een subtiele muzikale inkleuring. “Circo” is dan ook typisch zo’n album, dat je voorzichtig voortkabbelend bij elke beluistering wat meer inpalmt. Waar het eerst eigenlijk maar heel gewoontjes lijkt, nodigt het vervolgens uit tot keer op keer opnieuw beluisteren en wordt het zelfs een bijzonder graag geziene gast in de late uurtjes. Misschien lukt het Smith met “Circo” dus wel om eindelijk eens een wat groter publiek aan zich te binden. Hij zou het gezien zijn al bij al toch niet geringe staat van dienst alleszins dik verdienen.

www.dardensmith.com

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Blue Highways Volume 1”

(CRS)

(4) J J J J

 

Nog niet zo heel erg lang geleden had ik een discussie met mijn platenboer over een vergelijkbare compilatie. En nog van hetzelfde label bovendien. Eigenlijk een noch-vis-noch-vlees-kwestie vond die. Iets waar de echte liefhebber maar weinig aan heeft. Er staat immers niks nieuws op. En de platen van de betrokken artiesten heeft hij toch al lang in de kast staan… Een standpunt waar ik het hoegenaamd niet mee eens was. Door de vriendelijke prijs waaraan dit soort van albums door de band genomen wordt aangeboden, worden ze eerst en vooral ook aantrekkelijk voor mensen die wat meer op hun budget letten. En die ontdekken er wellicht wél dingen op die ze anders nooit zouden hebben leren waarderen. En anderzijds is het natuurlijk ook zo, dat zelfs de grootste liefhebber al lang niet meer in staat is om binnen een bepaald genre alle voor hem interessante releases te blijven aankopen. Daar ga je vandaag de dag gewoon aan te gronde als je het ook nog maar zou proberen… En dan is er natuurlijk ook nog de louter muzikale kant van de zaak. Als je een kenner als Arno Looijen van CRS de vrije hand laat om een compilatie samen te stellen uit het aanbod van dat label, dan kan je er donder op zeggen, dat daarbij iets moois uit de bus komen zal. De man bewijst immers telkens opnieuw een bijzonder lucky handje te hebben bij het kiezen van de tracks. En dat resulteert in het geval van deze “Blue Highways Volume 1”, een drie CD’s tellende collectie americana van de bovenste plank – en bovendien aangeboden aan een zacht prijsje -, in bijna drie uur muziek voor fijnproevers. 42 tracks alstublieft! En ik zou er zelfs met de beste wil van de wereld niet één kunnen aanwijzen die niet goed is…

Op het eerste van de drie schijfjes regeren voornamelijk mannelijke singer-songwriters: Slaid Cleaves (“One Good Year”), Bill Morrissey (“Coffee Blues”), Joe Ely (“All That You Need”), David Olney (“The Suicide Kid”), Ray Wylie Hubbard (“Purgatory Road”), Jimmie Dale Gilmore (“Goodbye Old Missoula”) en Chip Taylor (met Carrie Rodriguez in het hemelse “Don’t Speak In English”) laten je toe je een goed beeld te vormen over het niveau ervan.

Op disc 2 zijn vervolgens de dames aan het feest. Nanci Griffith (“The Last Of The True Believers”), Lynn Miles (“Over You”), Caroline Herring (“Colorado Woman”), Alison Krauss (“Everytime You Say Goodbye”), Terri Binion (“GayleAnne”),… je zou ze eigenlijk gewoon allemaal kunnen opsommen als hoogtepuntjes.

En op het derde en laatste CD’tje gaat het er allemaal wat feestelijker aan toe. Twangy stuff van Dale Watson (“Wagon”), The Countrypolitans (“I Took The Blame”), Elizabeth McQueen (“I Don’t Wanna Stop”) en de Demolition String Band (“Opportunity”), cajun met Beausoleil (“Hey Baby, Quoi Ca Dit?”) en Bruce Daigrepont (“Petit Mamou”), pure country met Wylie & The Wild West (“Ridin’ The Hi-Line”) en Heather Myles (“Big Cars”), bluegrass met Rhonda Vincent (“An Old Memory Found Its Way Back”), rootsy spul van James Intveld (het heerlijke “All The Way From Memphis”), Terri Hendrix (“Goodtime Van”) en de Weary Boys (“Worried Man Blues”), je zegt het maar…

Neen, ons hoor je over compilaties van dit niveau zeker niet klagen. Dat er vooral veel cafeetjes mogen zijn die er een exemplaar van in huis halen. Louter een kwestie van ons overal snel thuis te voelen natuurlijk…

www.continental.nl

 

 

THOMAS DENVER JONSSON & THE SEPTEMBER SUNRISE

“Hope To Her”

(Kite Recordings)

(4) J J J J

 

Wat ik persoonlijk heel erg mooi vind aan het medium muziek, is dat het zich absoluut geen geografische beperkingen laat opleggen. Even een voorbeeldje om te illustreren wat ik met die uitspraak precies bedoel. Wat heb je bijvoorbeeld nog aan een term als americana, als de mooiste platen in dat genre al lang niet meer uitsluitend in het land van herkomst worden afgeleverd? Recente voorbeelden van Vlaamse, Nederlandse en Duitse makelij spraken wat dat betreft boekdelen. En de misschien wel mooiste alt. countryplaat van de afgelopen maanden blijkt nu zelfs van Zweedse origine. De vijfentwintigjarige Thomas Denver Jonsson tekent ervoor. Met zijn begeleidingsgroep The September Sunrise presenteert hij je op “Hope To Her” een zwaar naar de vroege jaren zeventig overhellend geluidslandschap, waarbij je spontaan aan mensen als een Gram Parsons en een Neil Young gaat denken. Jonsson blijkt een kanjer van een songwriter, wiens liedjes druipen van de melancholie. Een wat klagerige stem, fraai mondharmonicaspel, beheerste gitaren en een zachtjes jankende steel doen de rest. Nummers van het kaliber van “Black & Blue (Pale Angel You)”, “First In Line”, “Come On Up” en “Then I Kissed Her Softly” hebben het in zich om zowel de fans van het hier eerder al vernoemde tweetal, als die van pakweg Bonnie “Prince” Billy, Karl Broadie of de Jayhawks een verrassing van formaat te bezorgen. En “Hope To Her” verdient het om hier binnen de kortste keren bij een grote verdeler terecht te komen, zodat een slechte verkrijgbaarheid ervan niet langer een beletsel kan vormen om tot de aanschaf ervan over te gaan, want dit is echt wel een essentiële plaat.

www.thomasdenver.com

www.kiterecordings.com

 

 

WALKER DIVER

“White Knuckle Ride”

(Fount Music Benelux)

(4) J J J J

 

Walker Diver is een al sinds 2001 aan de weg timmerend gezelschap uit Utrecht. De band ontstond vanuit een soloproject van zanger-gitarist Stefan ’t Hooft. En in hem heeft de groep ook nu nog een ijzersterke spil, want hij tekende voor alle twaalf de liedjes op het uitzonderlijke debuut van Walker Diver. “White Knuckle Ride” is in wezen één groot feest der herkenning, waarop enkel de torenhoge kwaliteit van de songs als een constante mag worden beschouwd. Muzikaal gezien zijn ’t Hooft en collega’s Mathijs Peeters (leadgitaar, achtergrondvocalen), Michel van der Westen (bas, achtergrondvocalen) en Jelmer de Haas (drums, percussie) immers bepaald niet voor één gat te vangen. “How Long Forgotten” en “Drifter” blijken zo eerder introvert singer-songwritermateriaal, “Down The River” is zalige, door lichtvoetige gitaren opgejaagde roots rock, “Greener Grass” een heel knap popliedje dat een weinig aan R.E.M. herinnert, en “Sweet Medusa” en “Bear With Me” werden gekruid met een flinke snuif country. Ondanks die grote diversiteit is “White Knuckle Ride” een zeer coherent geheel. Een plaat die staat als een huis en die in absoluut niets hoeft onder te doen voor de probeersels van de vaak veel meer in de kijker lopende buitenlandse concurrentie. En alleen daarom al kunnen wij het ook niet laten om er hier even de term huzarenstukje voor in de mond te nemen.

www.walkerdiver.com

 

 

BUCKSKIN STALLION

“Blue Ribbon Buzz”

(Big Bender)

(3.5) J J J J

 

Voor Buckskin Stallion dienen we af te zakken naar de Amerikaanse staat Colorado. De groep met als feitelijke thuishaven Boulder moet het op haar debuut hebben van een aanstekelijke mix van country rock, alt. country en mountain music. Spilfiguur is zanger Troy Schoenfelder, die met elf eigen bijdragen ook het merendeel van de songs aandroeg. En die er bovendien een voor ons heel erg gezonde kijk op de zaak op nahoudt: “Contemporary country belongs to the hour,” beweert de man, “Americana is for the ages.” Het mooie van de zaak is, dat hij zich op “Blue Ribbon Buzz” ook daadwerkelijk geen reet aantrekt van wat er nu precies in is en wat niet. Hij doet gewoon voortdurend zijn zin. “Christ On A Crutch” blijkt zo zomerse accordeongestuurde roots rock, “New Town” is knappe heartland, “Home In The Pines” (ingespeeld met die van Hit & Run Bluegrass) zou je grass ‘n’ roots kunnen noemen, “Writing On A Wall” is pure country, “She Gone” ingetogen singer-songwriter stuff en “Aces Backed By 8’s” (met Sally Van Meter op de Resophonic) rootsy Americana. Variatie troef dus! Opvallendste liedjes van de plaat zijn wat ons betreft “W.W.W.D.” oftewel “What Would Woody Guthrie Do?”, speelse roots rock met een gastrol voor Vince Herman van Leftover Salmon, het van een bluesy ondertoontje voorziene “Jack Of Diamonds” (opnieuw met Van Meter) en een al even fraaie versie van die andere traditional “Pretty Peggy-O”.

Ons verwonderde het dan ook alvast niet om deze eersteling van Buckskin Stallion al kort na zijn release hoog in de FAR-chart aan te treffen. Zoals de meeste acts die ons al via het Big Bender-label bereikten (Honky Tonk Hangovers, Railbenders, Dalhart Imperials, Halden Wofford & The Hi*Beams,…) voeren ook Schoenfelder en zijn mannen authenticiteit immers hoog in het vaandel. En zoals dat al wel vaker het geval is gebleken, loont dat ook hier volop.

www.buckskinstallionmusic.org

 

 

COWBOY JUNKIES

“One Soul Now”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Op de opvolger van hun bijzonder lovend onthaalde CD “Open” uit 2001 trekken de Cowboy Junkies het laken voor het eerst helemaal naar zich toe. De plaat ontstond immers zonder hulp van buitenaf – lees: een producer – in hun oefenruimte in thuishaven Toronto. De liedjes werden daar minutieus als het ware steen per steen opgebouwd tot wat ze zijn op het eindproduct “One Soul Now”. Daardoor ademt het album een soort van live-atmosfeer uit. Heel anders dus dan we de voorbije jaren van Margo Timmins en co gewoon zijn geraakt. En er blijkt plots ook veel meer te kunnen. Als je bijvoorbeeld het gitaarwerk in het bezielde “My Wild Child” aandachtig bestudeert, dan lijkt bij momenten Neil Young wel op de loer te liggen. En ook “From Hunting Ground To City” zit qua sfeer aardig dicht in de buurt van diens “Freedom”. Broeierige, slome grootstadsrock zeg maar. En in “Stars Of Our Stars” verkeren de Junkies zelfs in een naar hun normen ongewoon optimistische bui. “Amid all the uncertainty, this is a celebration of what is certain. The sun will come up. There will always be the next morning. You start again,” zegt Timmins zelf over dat bijzonder warm aandoende liedje. Elders, zoals in het zich traag voortslepende – ten dele op Shakespeare gebaseerde – “Notes Falling Slow” blijft de groep dichter in de buurt van het geluid dat hun door de jaren heen een stevige fanbasis opleverde. Al valt ook dan nauwelijks te ontkennen, dat er een veel prominentere rol is weggelegd voor instrumenten als gitaar en orgel dan in het verleden. Eén van de absolute uitschieters is wat ons betreft trouwens net één van die “typische” Junkies-songs, met name het sfeervol verhalende “Simon Keeper”.

Een leuk extraatje is bovendien het in een gelimiteerde oplage aan de eerste exemplaren van het album toegevoegde EP’tje “’Neath Your Covers, Part 1” met daarop knappe uitvoeringen van Bruce Springsteens “Thunder Road”, “Seventeen Seconds” van The Cure, Townes Van Zandts “Lungs”, “Darkness, Darkness” van Jesse Colin Young en (wel, wel, wel,…) Neil Youngs “Helpless”. Een echt hebbedingetje, dat veel meer dan het gros van de liedjes op het eigenlijke album de hoogdagen van klassieke Cowboy Junkies-albums als “The Trinity Sessions” (1988) en “The Caution Horses” (1990) in herinnering roept. Snel erbij wezen is voor één keer dan ook de boodschap!

www.cowboyjunkies.com

www.cookingvinyl.com

www.bertus.nl

 

 

THE STANDARD

“Wire Post To Wire”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 “Een album anders dan alle andere die je dit jaar te horen zal krijgen,” waarschuwt het promovelletje bij “Wire Post To Wire” van The Standard en dat blijkt geen woord teveel. Wel integendeel, het is eerder een understatement van jewelste! Dit al sinds de zomer van 1999 volop aan een eigen geluid sleutelende vijfmanschap uit Portland, Oregon wordt her en der zelfs al voorzichtig naar voren geschoven als het Amerikaanse antwoord op Radiohead. En daar valt op basis van dit album best wel iets voor te zeggen ook. Elders gewaagt men van prog rock. En ook daarin schuilt een kern van waarheid. Wie het kan opbrengen om de oppervlakkige complexiteit ervan te doorprikken zal zich op hun nieuwe CD alleszins geconfronteerd weten met knappe melodieën en bijzonder intrigerende ritmes. Opvallende hoofdrollen zijn er daarbij weggelegd voor zanger Tim Putnam en de ingenieuze keyboardpartijen van Jay Clarke. Zij vormen als het ware de hoekstenen van het geluid van The Standard, dat het vooral moet hebben van een aan het beklemmende grenzende intensiteit. “Wire Post To Wire” laat zich dan ook niet zonder slag of stoot doorgronden. Je moet er met engelengeduld voorzichtig laagje voor laagje van afpellen om het geheel echt naar waarde te leren schatten.

www.thestandardsite.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

DOYLE LAWSON & QUICKSILVER

“Thank God”

(SSK)

(4.5) J J J J J

 

Doyle Lawson & Quicksilver voltrekken op hun jongste CD “Thank God” zowat het perfecte huwelijk tussen de rijkgevulde Amerikaanse gospeltraditie en bluegrass. Op de opvolger van het in 2002 verschenen “Hard Game Of Love” staat de titel getrouw twaalf nummers lang The Good Lord centraal, zonder dat dat ook maar één moment gaat vervelen. Het merendeel van de hier gepresenteerde liedjes gaat al vele decennia mee, maar in de aanpak van Lawson en co bloeien ze opnieuw volledig open. Van bij de door Carter Stanley geschreven opener “Calling From Heaven” wordt ook meteen weer duidelijk waarom Quicksilver de jongste jaren bij de uitreiking van de IBMA-onderscheidingen vrijwel ononderbroken de award voor beste vocale groep in de wacht sleepte. Wat dit zestal harmoniegewijs laat horen laat je zowat constant verbijsterd achter. En ook instrumentaal valt er traditiegetrouw weer flink wat te beleven. Lawsons mandolinespel is een ware lust voor het oor. En de ingenieuze banjopartijen van Dale Perry, het gedreven baswerk van Barry Scott, de uitzonderlijk mooie gitaarintermezzo’s van Jamie Dailey en de warme fiddle-bijdragen van J.W. Stockman en Jess Barry zijn ook al van een andere wereld. Via prachtsongs als “That’s All He’s Asking Of Me” van de Louvin Brothers, Willie Nelsons “In God’s Eyes”, Don Reno’s “The Lord’s Last Supper” en de traditional “Will The Angels Play Their Harps For Me” – om er maar enkele te noemen – beland je als rootsmuziekliefhebber dan ook bijna letterlijk in de hemel. De zevende dan toch… Dit is immers bluegrass van de allerbovenste plank!

www.doylelawson.com

www.crossroadsmusic.com

 

 

LISA O’KANE

“Peace Of Mind”

(Raisin’ Kane Records)

(3.5) J J J J

 

Lisa O’Kane wist met haar ijzersterke debuutplaat “Am I Too Blue” heel wat Europese countryfans vrijwel moeiteloos in te palmen. En dat zal met haar zogeheten “moeilijke tweede” wellicht niet anders zijn. De Californische schone slaat op “Peace Of Mind” immers opnieuw een stevige brug tussen behoorlijk commerciële country enerzijds en eerder rootsy materiaal anderzijds. En zo hou je iedereen een beetje te vriend natuurlijk…

In het gezelschap van klasbakken als een Skip Edwards (Dwight Yoakam, Lucinda Williams / o.m. accordeon en B3), een Jay Dee Maness (Vince Gill / pedal steel) en een Bob Glaub (James Taylor, Linda Ronstadt / bas) en in een productie van Edward Tree toont O’Kane zich eens te meer een begenadigde vocaliste. En eigen composities als de ingetogen americana van “Long Gone”, het bijzonder knappe titelnummer en vooral ook het met een flinke snuif Ierse invloeden gekruide “Highland Ground” laten horen dat ze ook op dat vlak ondertussen meer dan haar mannetje staan kan.

Nu dus alleen nog een grote platenfirma zo ver zien te krijgen om de schouders onder haar platen te zetten en dan is er voor O’Kane wellicht helemaal geen houden meer aan. Want als je dit al allemaal kan in eigen beheer, dan moet met een wat royaler budget en een nog betere begeleiding the sky zo ongeveer wel als the limit worden gezien.

www.lisaokane.com

 

 

GHOSTHOUSE

“Devotion”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Sam Lapides? Even kijken, hoe zat dat ook alweer juist? Begon als drummer. Kwam erachter dat hij eigenlijk best wel een aangename stem had en bovendien ook een aardige song in de vingers. Zou al buskend op Venice Beach in contact komen met Steve Wynn – wiens “Burn” hij er net ten gehore bracht toen de beste man er toevallig voorbijliep. Van het een kwam het ander. Wynn zou Lapides een flink zetje geven door een aantal nummers op de eerste CD van diens groep Ghosthouse te produceren. Nog eens twee platen later - het live-album “Everything Is Fine” en “Thing Called Life” – was het nochtans veelbelovende liedje voorlopig echter alweer uitgezongen. Lapides stortte zich vol overgave op een solo-carrière, die uiteindelijk wederom twee platen – “Wake Up From The Wasteland” uit 1998 en “We’ve Walked These Streets” uit 2002 – zou opleveren. Maar al snel ging hij vervolgens naar eigen zeggen de “groepsmagie” van Ghosthouse missen. En dus lag het voor de hand, dat hij zijn oude maats weer ging opzoeken. De oude line-up van de groep zou hij evenwel niet meer volledig samen krijgen.

Met Kurt Kummerfeldt (bas), Chris Buessem (gitaar), Robin Berlijn (gitaar), John Nyboer (drums), Robert Lloyd (piano, orgel, accordeon) en Larry Goetz (o.m. gitaar en mandoline) werd vervolgens “Devotion” ingeblikt. Een album dat in een productie van diezelfde Goetz is uitgegroeid tot een schoolvoorbeeld van een moderne rootsrockplaat. Bezielde zang, knappe composities en een voornamelijk gitaargeoriënteerd geluid maken dat “Devotion” zowel in de smaak zal vallen bij nostalgici met een stevige boon voor de gitaar(rock)bandjes van de vroege jaren tachtig als van rootsrockliefhebbers met een hart voor melodieuze hoogstandjes anno nu. Absolute prijsbeesten zijn het op subtiele accordeongolven voortdeinende “Tired Of Praying”, een gedreven cover van Tears For Fears’ “Mad World” en het ergens tussen Grant Lee Buffalo en R.E.M. ten tijde van “Fables Of The Reconstruction” gestrande “Maybe Someday”. Een blij weerzien is dit wat ons betreft dus alleszins!

www.samlapides.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

CROSS CANADIAN RAGWEED

“Soul Gravy”

(Universal South)

(3.5) J J J J

 

Wat deze plaat al enkele dagen na haar release hoog in de Billboard Country Chart – Binnen op vijf alstublieft! – te zoeken had, is ons nog steeds één groot raadsel. Goed verkocht en veel gedraaid zeker? O.K.! Maar wat CCR – veel verder dan die drie letters reikt de gelijkenis met de populaire zeventiger jaren countryrockers overigens niet – met de gladjanussen die dezer dagen in Nashville de plak zwaaien te maken zou hebben? Joost mag het weten! Dit populaire kwartet uit Oklahoma staat immers voor high energy roadhouse rock en alt. country, die je eerder bovenaan andere “hitlijsten” als de AMA- of de FAR-chart zou verwachten. Lekker gruizige vocalen, viriel gitaarwerk, een retestrakke ritmesectie, pittige liedjes, dat zijn in het kort de voornaamste troeven van Cody Canada en de zijnen. Prima songwriter trouwens ook, die Canada, want met uitzondering van het door Ray Wylie Hubbard aangedragen “Wanna Rock & Roll” stammen alle liedjes uit zijn koker. Al kreeg hij daarbij dan wel wat hulp van buitenaf van ondermeer Bleu Edmondson en Stoney LaRue (“Number”), Randy Rogers (“Again”), Mike McClure (het ex-kopstuk van The Great Divide) (“Cold Hearted Woman” en “Too Far Gone”) en Ted Roberson (“Alabama”). Eén link met Nashville vonden we na lang zoeken uiteindelijk trouwens toch. Meer bepaald in de Youngiaanse power ballad “Sick And Tired”, waarin big shot Lee Ann Womack even vocaal haar opwachting maakt.

Immens populair is deze band in Texas en verre omstreken. En mocht je je na het beluisteren van deze CD nog afvragen waarom –Onwaarschijnlijk! -, dan doe je er goed aan om nog even verder te zoeken naar één van de in gelimiteerde oplage verspreide exemplaren met als bonus een live-DVD met daarop liefst zestien overtuigende bewijzen voor de stelling dat dit kliekje live behoorlijk onweerstaanbaar is.

www.crosscanadianragweed.com

www.universal-south.com

 

 

CLARENCE BUCARO

“Sense Of Light”

(Rounder / CRS)

(3) J J J

 

Je kon het bij wijze van spreken met je ogen dicht zien aankomen. Het blitzsucces van Norah Jones moest wel snel gaan resulteren in een collectieve jacht op jong talent dat in de toekomst in het door haar aangeboorde marktsegment een rol van betekenis zou kunnen spelen. De combinatie van jazz, pop en roots was imers goed gebleken voor een totaal onverwachte commerciële voltreffer. Een té mooie gelegenheid om te laten liggen dus. En in dat opzicht is het Rounder-debuut van de 23-jarige, uit Chardon, Ohio afkomstige Clarence Bucaro dan ook niet echt een verrassing te noemen. Met zijn gesofisticeerde popgeluid, waarin naast zijn warme, wat lijzige stem vooral het geprononceerde gebruik van de trompet en de sax opvalt, valt Bucaro ergens tussen Jim Croce, Joe Henry, de jonge Waits en Norah Jones in. Liefhebbers van dat viertal, evenals van het werk van een David Gray, een Eugene Ruffolo, of een Michael Franks zullen hier dan ook wel raad mee weten. Thema’s als wereldvrede (“Wartime Prayer”) en de facelift die moeder natuur onder invloed van de elkaar steeds weer afwisselende seizoenen ondergaat (“Sugar Maples”) komen in Bucaro’s vaak een weinig romantisch overkomende liedjes in een zachte ondergrond terecht. Niet alleen door zijn wat aparte voordracht, maar ook door de muzikale inkleuring van zijn nummers nodigt de man je zo voortdurend uit om aandachtig te luisteren naar wat hij te vertellen heeft. En als dat je mocht bevallen, dan kan je bij wijze van inhaalmanoeuvre misschien ook nog op zoek gaan naar zijn al in 2002 verschenen eersteling “Sweet Corn” (Burnside Records).

www.clarencebucaro.com

www.rounder.com

www.continental.nl

 

 

NORMAN & NANCY BLAKE

“The Morning Glory Ramblers”

(Dualtone / Bertus)

(3.5) J J J J

 

In het post-“O Brother Where Art Thou?”-tijdperk zou er best wel eens een wat prominentere rol kunnen weggelegd blijken voor het muzikale echtpaar Norman en Nancy Blake. Zowel op de soundtrack van die verrassend succesvolle prent als op die van het onlangs verschenen “Cold Mountain” treffen we immers de namen van de Blakes aan. En ook op de laatste platen van dat andere muzikale koppel, Johnny Cash en zijn eega June, speelden Norman en Nancy telkens een rol van betekenis. Dat ze hun eigen nieuwe CD “The Morning Glory Ramblers” postuum ondermeer aan dat bevriende stel zouden opdragen, was dan ook bijna een vanzelfsprekendheid. Wie trouwens die fameuze jongste CD van June Carter-Cash (“Wildwood Flower”) wel kon appreciëren zal zich ook hier beslist geen buil aan vallen. De Blakes doen immers ook ditmaal gewoon weer datgene waar ze zich de voorbije dertig jaar vrijwel ononderbroken mee bezighielden, met name het redden van old time country voor het nageslacht. Onder heel wat van de gebrachte liedjes prijkt dan ook trots het veelzeggende “traditional”. Als geheel baadt “The Morning Glory Ramblers” in een typisch mountain music-sfeertje. Zeventien nummers worden je zo geserveerd. “De meesten zo oud, dat ze eigenlijk gewoon opnieuw nieuw lijken,” aldus Norman Blake daarover zelf in de liner notes. Van het al in 1936 door de Blue Sky Boys vertolkte “The Sunny Side Of Life” over “Dark And Stormy Weather” of “Little Log Hut In The Lane” van de Carter Family of “We Are Climbing” van The Chuck Wagon Gang tot het afsluitende “Men With Broken Hearts”, het persoonlijke favorietje van Luke The Drifter, alias Hank Williams, Sr. – akoestische muziek op haar mooist. Wonderbaarlijk toch eigenlijk, wat je met nauwelijks meer dan enkele akoestische gitaren, een dobro en een mandoline als aanvulling op een stel goed op elkaar ingespeelde stemmen bereiken kan.

Norman & Nancy Blake

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

JABE

Drama City

(Blue Rose /Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Dankzij Blue Rose en Sonic Rendezvous nu eindelijk ook hier eenvoudig verkrijgbaar via je eigen platenboer: “Drama City” van Jabe. Dit is nog eens even wat we er hier enkele maanden geleden al over kwijt wilden.

High energy alt. country, da’s zowat de meest adequate omschrijving die wij konden bedenken voor het stoeiwerk van Jabe op de CD “Drama City”. Van bij de bijzonder gedreven opener “Those Times Are Over” overrompelen Jabe Meyer en de zijnen je daarop met een bruisende cocktail van met een duidelijke punkattitude gezegende rootsrockliedjes. Het ene moment lonken daarbij Shane MacGowan en de Pogues duidelijk even om het hoekje (zoals in “Kelly McGuire”), het andere zijn dat eerder geestesverwanten als The Gourds of The Hangdogs (in “Crazy Anne Marie” bijvoorbeeld). Al geldt in beide gevallen, dat hier toch wel enkele versnellingen hoger gemusiceerd wordt. En als het tempo toch al eens even naar beneden mag, zoals voor de beroerd aflopende love story “Cold Cold Wind”, dan laat Meyer horen een aardig potje twang uit zijn gitaar te kunnen knijpen. Fingerspitzengefühl heet dat dan…

“Drama City” wordt als dubbel-CD aan de man gebracht. Het ene schijfje staat garant voor een wild feestje, het andere voor een heleboel extra lekkers. Zo kan je ondermeer ook beeldmateriaal bekijken van de liedjes “Cold Cold Wind”, “Stupid Boy” en “Those Times Are Over” en tref je in gecomprimeerd formaat ook nog de nummers “Prison Song”, “Face For Radio (Live)” en “It’s Time To Go (Live)” op dat tweede schijfje aan. Veel fijne waar voor weinig geld dus! Als dat geen verkoopsargument is…

www.jabe.net

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

LAURIE LEWIS & TOM ROZUM

“Guest House”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

Sinds ze in 1986 voor het eerst samen aan de slag gingen hebben Laurie Lewis en Tom Rozum samen al zo’n goed dozijn albums afgeleverd, kwalitatief gezien telkens variërend van op zijn minst gewoon goed tot ronduit uitstekend. En wat dat betreft vormt ook hun jongste worp, het in een voorbeeldig geïllustreerde digipack gestoken “Guest House”, geen uitzondering. Die plaat mag zelfs zondermeer tot hun beste worden gerekend. Een stel eigen composities van Lewis worden erop afgewisseld met materiaal van gerespecteerde collega’s als Liz Meyer (“Bad Seed”), Kate McLeod (“Alaska”), Hazel Dickens (“My Heart’s Own Love” en “Scars From An Old Love”) en Si Kahn (“Just A Lie”), en een stel traditionals. Stuk voor stuk groeien ze dankzij het muzikale vakmanschap van Lewis en Rozum uit tot echte pareltjes. Hun harmonieën zijn zoals gebruikelijk weer wonderschoon. En wat de twee uit respectievelijk de fiddle, de mandoline, de mandola en de gitaar tevoorschijn weten te toveren, zal zo menig één een heel warm gevoel van binnen bezorgen. Hoogtepunten opsommen wordt dan ook zo goed als onbegonnen werk. Elke liefhebber van bluegrass of akoestische muziek tout court zal deze plaat immers keer op keer opnieuw met plezier volledig uitzitten. Maar als het toch echt zou moeten, dan willen we best toegeven, dat we door het naar de Everly Brothers en de Louvins gemodelleerde duet “Since You Went Away”, de wulpse tip of the hat aan het adres van Woody Guthrie “Willie Poor Boy”, het ingetogen “My Heart’s Own Love” en vooral ook de bijzonder vitale cover van Slim Willets “Don’t Let The Stars Get In Your Eyes” nog nets iets meer bevredigd werden dan door al dat ander fraais hier. Veel mooier hoor je ze echt maar zelden…

www.laurielewis.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

AMY FARRIS

“Anyway”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Stellen dat Austin voor eenieder die gebeten werd door de muziekmicrobe een regelrecht godsgeschenk is, da’s een open deur intrappen. En toch drong precies die vaststelling zich onwillekeurig aan ons op aan het begin van deze recensie. Amy Farris, die er al op relatief jonge leeftijd achterkwam, dat ze improvisatiegewijs op de viool tot heel mooie dingen in staat was, zag er immers al snel haar droom in vervulling gaan. Alejandro Escovedo was het die als eerste de niet geringe talenten van de jonge Texaanse onderkende. Hij vroeg haar vervolgens mee op tournee en lag zo ongewild mee aan de basis van Farris’ beslissing om een steady job op een advocatenkantoor definitief de rug toe te keren in ruil voor de onzekerheid van een muzikantenbestaan. Niet dat ze zich dat naderhand zou beklagen, hoor. Via klussen voor de legendarische Ray Price, Tish Hinojosa, de Derailers, Bruce Robison en Kelly Willis zou ze immers in snel tempo worden klaargestoomd voor eigen werk. En dat ze daarbij kon terugvallen op één van haar jeugdidolen als producer, beschouwde Farris alleen maar als een gunstig voorteken te meer. Ook al omdat diezelfde Dave Alvin zich ook bereid zou verklaren tot een drietal zogeheten co-writes. En dat zijn aanvankelijk – je zou haast zeggen uiteraard – de meest in het oog springende liedjes op “Anyway”. Of het nu gaat om de heerlijke oercountry van “Pretty Dresses”, om de poppy americana van “Anyway” of om het bluesy “My Heart’s Too Easy To Break”, de samenwerking met de ex-Blaster werkt zowat overal even overtuigend. Knap zijn verder vooral ook Farris’ countryversie van het John Doe-Exene Cervenka-nummer “Poor Girl” (X), het jazzy “Hard To Say”, haar lome uitvoering van het haar via Scott Walker bekende “Big Louise” en haar ingetogen kijk op “Drivin’ All Night Long” van haar ex-baas Bruce Robison.

Al bij al een behoorlijk eclectisch potje muziek dus, waarvoor Farris zelf de omschrijving americana pop hanteert. En wie zijn wij dan om dat te gaan tegenspreken natuurlijk. Laat het er ons hier maar gewoon op houden, dat ze flink wat troeven in handen houdt om het ook snel op eigen benen te gaan maken.

www.amyfarris.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

GURF MORLIX

“Cut ’N Shoot”

(Blue Corn Music / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

Tot op heden bleef de artiest Gurf Morlix altijd een beetje in de schaduw van zijn alsmaar groeiende faam als producer. Twee nochtans prima platen (“Toad Of Titicaca” uit 2000 en “Fishin’ In The Muddy” uit 2002) volstonden hoegenaamd niet om zijn werk achter de schermen voor ondermeer Lucinda Williams, Mary Gauthier, Ray Wylie Hubbard, Slaid Cleaves en nog een hele trits andere bekende en minder bekende goden al was het ook maar voor even te doen vergeten. Maar het zou al heel vreemd moeten lopen, wil daar met zijn derde, het zopas verschenen “Cut ’n Shoot”, niet snel verandering in komen. Je kent het vast wel, dat gezegde dat je voorhoudt, dat wie met de hond slaapt vroeg of laat ook zijn vlooien krijgt. En het heeft er op Morlix’ nieuwe album dan ook inderdaad alle aanschijn van, dat zijn dagdagelijkse werkomgeving als de perfecte voedingsbodem voor een creatieve opstoot om u tegen te zeggen gewerkt heeft. Van bij het in een lekker warm aanvoelend steelgitaarbadje gedrenkte openingsnummer “Yesterday She Didn’t” is meteen duidelijk, dat het ‘m ditmaal menens is. Gurf liet zich voor dit album vooral inspireren door het voor het countrygenre erg vitale derde kwart van de vorige eeuw. En dat resulteert in één van de mooiste americana (country) platen van het jaar so far. De man liet zich bij het schrijven van de songs her en der ook bijstaan door specialisten terzake als een Jim Lauderdale (“Where There Is Smoke”), een Billy Swan (“Me & You”) en een Jeffrey Steele (“Ten Years Of Love”). Daardoor wordt “Cut ’n Shoot” een album van het slag dat zowel in country- als in americanamiddens zijn effect beslist niet zal missen. Een aanrader van jewelste dus!

www.bluecornmusic.com

 

 

MARKUS RILL

“Hobo Dream”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Goed dat muziekliefhebbers over het algemeen een stuk ruimdenkender blijken dan pakweg voetbalfans, anders zou het wellicht nooit echt wat worden tussen Markus Rill en de Lage Landen. En dat zou echt dood- en doodjammer zijn. De Duitse singer-songwriter-gitarist met de schuurpapierstem doet je op zijn vierde CD “Hobo Dream” immers weer voortdurend geloven, dat de afstand tussen de Rijn en de Rio Grande zich makkelijk per fiets moet laten overbruggen. Op dit grotendeels in Nashville met oude bekende Duane Jarvis als producer opgenomen album dat voor de man een terugkeer op zijn oude nest Blue Rose betekent, slalomt Rill gezwind heen en weer tussen doortastende roots rock, folk noir en alt. country. Naast Rill zelf en Jarvis geven ondermeer ook bassist Rick Plant (Buddy Miller Band), drummer Billy Block (Radney Foster, Jim Lauderdale) en keyboard ace / accordeonist Steve Conn (Bonnie Raitt, Sonny Landreth) hem hier geregeld flink van jetje. En op de drie tracks die door Markus Rill in eigen productie in Würzburg werden ingeblikt is een Texas-connectie nadrukkelijk voelbaar. De aanwezigheid van Jim Stringer (gitaar) en Karen Poston (zang) is daar wellicht niet geheel vreemd aan. Evenmin als het feit, dat Rill de stiel eigenlijk leerde in Austin.

Neem de tijd om je te laten verleiden door melodieuze, door de gitaar van Jarvis aangejaagde rootsrockertjes als “Heartbreak Town”, “3.05 a.m.” en “Not Yet Shipwrecked”, Texicana pur als het mee door Karen Poston gedragen “Love Has Dragged Me Down This Road Before” en het een beetje aan Chris Knight’s werk verwante “Rose’s Song”, of soulvolle americana van het slag van “Far Away From Home (Yet Home)”, dat met zijn gevoelige tekst uitgroeit tot één van de absolute hoogtepunten op deze sowieso al bijzonder geslaagde plaat, en je zal het al snel met ons eens zijn dat Markus Rill een klein meesterwerk heeft afgeleverd. Wie wel regelmatig een plaatje van pakweg een Steve Earle, een Chris Knight, een Buddy Miller of een Duane Jarvis oplegt, kan hier wat ons betreft dan ook eigenlijk in het geheel niet omheen.

www.markusrill.net

www.bluerose-records.de

www.sonic.nl

 

 

THE SEATSNIFFERS

“Let’s Burn Down The Cornfield”

(Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

De roots rock minnende minderheid van de Vlaamse bevolking is dezer dagen weer vrij makkelijk herkenbaar aan haar van oor tot oor reikende glimlach. De reden daarvoor is nogal voor de hand liggend: zopas verscheen immers “Let’s Burn Down The Cornfield”, nummer zes van het meest flamboyante combo dat zich tussen Noordzee en Maas laat aanwijzen, de Seatsniffers. Walter Broes en de zijnen hebben het de voorbije jaren tot ver buiten de eigen landsgrenzen geschopt. En da’s begrijpelijk ook! Voor enkele maanden nog mochten ze achter Jason Ringenberg aan zowat half Europa tonen wat ze in hun mars hebben. En wie toen om wat voor ongeldige reden dan ook toevallig niet thuis gaf, kan zich nu bij wijze van obligaat inhaalmanoeuvre altijd nog tegoed doen aan de veertien tracks op het werkelijk voortreffelijke nieuwe album van de vier. Lekker vette R&B, roots rock, ska, surf, bluegrass, country, rockabilly, de Sniffers draaien zo goed als nergens hun hand nog voor om. Iets wat uiteindelijk wel in een echt feest van een plaat moest resulteren.

De schitterende single “It’ll Never Come To Light”, een fraaie in duet met Nathalie Delcroix van Laïs gebrachte countrysleper met verder ook René Van Barneveld (ex-Urban Dance Squad, Yearlings) op de pedal steel, kende je wellicht al. Maar dat is dan ook nog maar het topje van de ijsberg. Titelnummer “Let’s Burn Down The Cornfield” is een beheerste roots rock-uitvoering van het gelijknamige Randy Newman-nummer. En in “Gimme Gimme” gaan ska, surf en R&B triogewijs een korte, maar ongemeen hevige romance aan. En natuurlijk doet ook Roel Jacobs’ honkende sax weer royaal haar duit in het zakje, zoals bijvoorbeeld meteen al in het hortende en stotende openingsnummer “Make Like A Rocket And Fly” of in het van een bluesy randje voorziene “I Want To Know”, om maar iets te zeggen. Opvallend zijn verder vooral ook het met maatje Boyd Small aan papier toevertrouwde en met de akoestische snarengeweldenaars van The Bluegrass Boogiemen ingeblikte stukje old time country “Depression’s Got Me Again”, de soulvolle met Mischa den Haring van T-99 gebrachte Titus Turner-cover “Sticks And Stones”, de denderende rockabilly van het van Chan Romero geleende “I Want Some More” en de werkelijk sublieme uitsmijter “Get It High”, waarin de geest van de jonge Bo Diddley even tot leven wordt gewekt. Kortom, de gebruikelijke, door de Seatsniffers stilaan tot handelsmerk verheven straffe kost…

www.sonic.nl

 

 

LARRY CORDLE & LONESOME STANDARD TIME

“Lonesome Skynyrd Time”

(CMH / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Als Larry Cordle & Lonesome Standard Time in onze omstreken al enige naambekendheid genieten, dan hebben ze die vooral te danken aan het feit dat hun controversiële aanval op Nashville “Murder On Music Row” een paar jaar geleden door countrycoryfeeën Alan Jackson en George Strait werd opgepikt en duetgewijs naar de top van zowat alle hitlijsten focussend op dat genre werd gezongen. For all the wrong reasons dus, als je weet dat Cordle en de zijnen eigenlijk een eersteklas bluegrasscollectief zijn. Iets wat ze overvloedig illustreren op “Lonesome Skynyrd Time – A Bluegrass Tribute To Lynyrd Skynyrd”, een eerbetoon dat bij nader inzicht vanuit Amerikaans perspectief gewoonweg niet kon uitblijven. Het succes van gezelschappen als Luther Wright & The Wrongs en vooral ook Hayseed Dixie met vergelijkbare hommages aan andere rockgroten als ondermeer AC/DC, Kiss en Pink Floyd heeft immers diepe voren geploegd in een voorheen volslagen braakliggende akker. Bluegrass bleek door deze zonderlinge hybride plots een veel groter publiek aan zich te kunnen binden. En – eerlijk is eerlijk – ze blijkt in dit geval nog te werken ook, die op het eerste gezicht ogenschijnlijk wat vreemde combinatie van Southern rock en bluegrass. Al pickend en grinnend werken Cordle en co zich doorheen een stel bekende en minder bekende Skynyrd-nummers en één original, met name “Southern By The Grace Of God”, een samen met zijn maatje Larry Shell gepende chroniek gewijd aan het onderwerp van deze tribute CD. De leukste momenten die dat in onze ogen oplevert, zijn de met een flinke injectie dobro bewerkte ballades “Tuesday’s Gone” en “The Ballad Of Curtis Loew”, het obligate, maar bijzonder soulvolle “Sweet Home Alabama” en een gedreven uitvoering van “Call Me The Breeze” - oorspronkelijk weliswaar van J.J. Cale, maar door de jaren heen uitgegroeid tot een vaste waarde binnen het live-repertoire van Lynyrd Skynyrd.

U heeft het goed begrepen: “Lonesome Skynyrd Time” wist bij ons duidelijk de juiste – zijnde de akoestische – snaar te raken.

www.larrycordle.com

www.lonesomestandardtime.com

www.cmhrecords.com

www.sonic.nl

 

 

THE STANLEY BROTHERS

“An Evening Long Ago”

(DMZ / Legacy / Columbia /Sony)

(4) J J J J

 

Op een late avond in maart van 1956 wist ene Larry Ehrlich de broertjes Carter en Ralph Stanley zover te krijgen, dat die na een al behoorlijk vermoeiende dagtaak vol radio-optredens en andere verplichte nummertjes toch ook nog de radiostudio’s van het lokale WCYB in Bristol, Virginia aandeden voor een spontane sessie. Daar werd zonder noemenswaardige voorbereiding dit fraaie, eerder enkel als - “a personal thank you from Ralph for friends only” – op cassette op concerten aangeboden tijdsdocument ingeblikt. Om niet in een routineuze herhaling van hun daytime job te vervallen grepen de twee die avond regelmatig willekeurig terug naar oude persoonlijke favorieten en traditionals. En daarin hoor je beter dan ooit, waarom de Stanleys tot één van de absoluut kwintessentiële acts van het bluegrass-genre zijn uitgegroeid. Leadzanger-gitarist Carter en zijn met zijn fraaie tenor de harmonieën verzorgende en daarnaast ook meesterlijk de banjo bespelende twee jaar jongere broer Ralph tekenen in deze geheel en al informele setting immers voor mountain music van het allerzuiverste soort. Hoe ze klassiek materiaal als “Orange Blossom Special”, “Nine Pound Hammer”, “Drifting Too Far From The Shore” (Monroe Brothers) of “Handsome Molly” naar hun hand weten te zetten is werkelijk verbluffend. Twintig songs lang wordt hier de illusie gecreëerd, dat de beide virtuozen je woonkamer een poosje met je delen om je te verwennen met een privé-optreden. En geloof ons vrij, dat wil je voor geen geld ter wereld missen. Bluegrass met een hoofdletter B is dit, niks meer, maar vooral ook niks minder. Doe er je voordeel mee!

www.legacyrecordings.com

 

 

KIMMIE RHODES

“Lost & Found”

(Sunbird / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Het heeft een poosje geduurd vooraleer we een exemplaar van de “nieuwe” Kimmie Rhodes konden bemachtigen, maar het wachten blijkt wel meer dan de moeite waard geweest te zijn. Op “Lost & Found” gunt de Texaanse ons immers een blik in het hoekje waar ze de verloren gewaande pareltjes uit haar eigen songcatalogus – periode 1996 – 2003 - heeft achtergelaten. “Ironically, a lot of my most favorite songs and recordings over the past decade somehow never made it to release,” zegt ze daarover haast verontschuldigend in de liner notes, “they once were lost, but now they’re found.” En daar mogen wij dus best wel blij om zijn. “Lost & Found” blijkt immers gezien de omstandigheden een bijzonder coherent album te zijn geworden, boordevol met heerlijk singer-songwritermateriaal zoals we dat door de jaren heen van Willie Nelsons maatje gewoon zijn geraakt. Bij vlagen doet ze daarop een beetje denken aan het recentere werk van Emmylou Harris. We doelen dan bijvoorbeeld op iets als de zweverige roots pop / Americana van “The Road To Jubilee”. Maar het merendeel van de liedjes zijn toch weer gewoon ingetogen schoonheden, waarin Rhodes kan illustreren niet enkel over een bijzonder vaardige pen te beschikken, maar ook een buitengewoon begenadigde zangeres te zijn. “Take Me Down”, “The Past Never Happened”, “Heart Of A Believer”, het samen met Waylon Jennings gepende “Lines”, “Catfish Song” – signé Van Zandt – of “I’m Not An Angel”, er zijn er weinigen die nummers van dat kaliber zouden opsparen voor een “restjescompilatie”, dunkt ons. Onvoorstelbaar eigenlijk, dat dergelijke mooie luisterliedjes ei zo na het daglicht nooit te zien hadden gekregen…

www.kimmierhodes.com

www.sonic.nl

CD Baby

 

 

JACK INGRAM

“Young Man”

(Columbia / Sony)

(3.5) J J J J

 

 “You can’t go back, but you can take a look back. That’s what this compilation is about, a look back at some songs written by a young man figuring out a few things and writing about it.” Zo omschrijft Jack Ingram zelf de door platenlabel Sony recentelijk aan hem gewijde compilatie. In de liner notes daarvan toont hij zich overigens terecht best fier over zijn vroegwerk.

Ingram is de voorbije jaren op vrij onopvallende wijze uitgegroeid tot één van de beste en meest constante jonge singer-songwriters die vanuit Texas een carrière uitbouwen. Anders dan bijvoorbeeld een Pat Green deed hij daarbij weinig of geen toegevingen aan de wetten der commercie. En dat maakt de man in onze ogen des te interessanter. Wij zouden hem eerder vergelijken met een Robert Earl Keen of de jonge Steve Earle dan met het gros van zijn jonge Lone Star State-collega’s. Ingram beschikt over een aangename lichthese stem, speelt een aardig potje gitaar en is bovenal een uitstekende verteller.

En ten bewijze daarvan is er nu dus “Young Man”. Geen compilatie in de gebruikelijke zin van het woord, maar een terugblik op de prille dagen van Ingrams artiestenbestaan. Zijn eerste albums blijken dezer dagen immers nog nauwelijks verkrijgbaar en daar wordt met deze verzamelaar handig op ingespeeld. Met name van zijn uit 1993 stammende titelloze debuut en het een jaar later verschenen “Lonesome Questions” worden hier grote delen geserveerd. Prachtliedjes als “Beat Up Ford”, “Make My Heart Flutter”, “Sight Unseen”, “Living Beyond My Means”, “Things Get Cloudy”, “A Song For Amy” en “Drive On” van zijn eerste en “Lonesome Question”, “Still Got Scars”, “Younger Days”, “Tuesday Night”, “Workin’”, “Mary Go Round” en “One Light Town” van zijn tweede worden zo weer een stuk makkelijker verkrijgbaar. En als toetje krijgen we bovendien ook nog het live in de Gruene Hall opgenomen “Travis County”.

Kan je natuurlijk maar weinig op tegen hebben op dit soort van inhaalmanoeuvres, afgezien van het feit dan misschien, dat men eigenlijk toch ook gewoon de hele CD’s had kunnen heruitbrengen. Op zo’n handige dubbelaar bijvoorbeeld, zoals we er onlangs nog eentje bespraken van Greg Trooper.

www.jackingram.net

 

 

LOUIS!

“A Close Watch”

(CoraZong Records)

(3.5) J J J J

 

We zijn de jongste weken echt verwend geworden met uitstekende producten van Nederlandse bodem. Ga maar na: JW Roy, T-99, Ad Vanderveen, Powderblue, Arno Adams, Ongenode Gaste, Eric Devries, Dysseldonk,… In die zin komt het niet echt meer als een verrassing om met “Close Watch” van Louis! opnieuw op een groeibriljantje te stoten. Zeker met in het achterhoofd het gegeven dat de Brabander ook deel uitmaakt van het collectief Songwriters-United, een samenwerking met andere Nederlandse singer-songwriters als de twee laatstgenoemden van het bovenstaande lijstje en de ook al uiterst getalenteerde BJ Baartmans.

Zijn eerste gooi naar muzikale faam deed Louis Van Empel met The Little Louis Blues Band. Maar het bluesidioom ging al snel te benauwend werken voor de man. Vandaar dat de groep werd ontbonden om hem als Louis! de kans te gunnen om zijn talent als liedjesschrijver ten volle te exploreren en vooral ook te etaleren.

“A Close Watch” is zijn debuut voor het CoraZong-label. De plaat werd opgenomen tijdens de hete zomer van 2003 in het Hofnar Theater in Valkenswaard. Daarbij geruggensteund door Thijs Verwer (drums), Geurt Engelsman (productie en bas), Rinus Groeneveld (tenor sax), Roel Spanjers (toetsen en accordeon), Arend Bouwmeester (tenor sax) en Willem Theus (accordeon en harmonium) gunt Van Empel ons een ruime blik in zijn al behoorlijk rijk gevulde liedjescatalogus. Hij combineert daarbij voortdurend elementen uit de meest uiteenlopende genres, waardoor zijn muziek enerzijds een beetje ongrijpbaar, anderzijds juist heel intrigerend wordt.

“Modern Life Drag” is bijvoorbeeld een speelse knipoog naar jazzy New Orleans. En “Close My Skin” paart op bijzonder sfeervolle wijze pop en roots. “The Black Widow” moet het dan weer hebben van een liaison met het Franse chanson. En “Lay Me Low” verwijst mede dankzij de fraaie tenor sax-ondersteuning van Rinus Groeneveld nog even naar Van Empels bluesverleden. Voorts veel rootsy en folky materiaal, waarin Louis! beurteling Randy Newman, Tom Waits en Lou Reed evoceert. Met een speciale vermelding nog voor het hemelse “River Of Thoughts”. Da’s echt muziek zoals je die eerder verwacht vanuit het diepe zuiden van de States, dan uit het zuiden van Nederland.

Kortom: sympathieke plaat van een sympathiek baasje.

www.songwriters-united.tk

www.corazong.com

 

 

BARB WATERS

“Rosa Duet”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(4) J J J J

 

Op de opvolger van haar ondertussen goed vijf jaar geleden verschenen CD “’Til The Morning Comes” herstelt de uit Melbourne afkomstige zangeres-liedjesschrijfster-gitariste Barb Waters een wat in onbruik geraakte traditie in ere. “Rosa Duet” is – zoals de titel al deed vermoeden – inderdaad een plaat vol duetten. In een productie van Craig Pilkington deelt Waters achtereenvolgens de microfoon met Cyndi Boste, Dan Warner, Kim Salmon (ex-Scientists, Beasts Of Bourbon, Surrealists), Lisa Miller & Rebecca Barnard, Rob Snarski (ex-Black Eyed Susans), Matt Walker, Anna Burley, Nick Barker, het lichtjes fantastische Git en Ashley Davies. Er wordt volop gelonkt naar de hoogdagen van George & Tammy, Porter & Dolly, Conway & Loretta, Lee & Nancy, Gram & Emmylou en andere klassieke koppels. En dat levert een zeer fris klinkend schijfje op! Met topmomenten à volonté. Zoals het met Kim Salmon gebrachte “Make It Count” bijvoorbeeld, dat klinkt als een alt. country-kruising tussen Cave & Minogue en Hazelwood & Sinatra. Of de desolate Australiana van “When Will You Come My Way” met Rob Snarski. En zeker ook de op de heerlijke samenzang tussen Lisa Miller, Rebecca Barnard en Waters zelf terende ingetogen schoonheid “Wipe Away My Tears”. Om nog maar te zwijgen over de sprankelende rootspop ven “Jessie (Me & You)” met Anna Burley of van het meerstemmig gebrachte, old-timy “Further Down The Line” met het zwaar onderschatte Git – zowat het Australische antwoord op de Be Good Tanyas.

Aan “Rosa Duet” gingen de nodige jaren van liefdevolle voorbereiding vooraf. En dat hoor je! Tijdens regelmatige informele ontmoetingen rond Waters’ keukentafel ontstond zo beetje bij beetje een album, dat aan het eind van het jaar wel eens tot de allerbeste zou kunnen blijken te behoren die ons dit jaar van Down Under bereikten. Het is er in elk geval eentje dat we met veel plezier zullen blijven beluisteren.

www.barbwaters.com

www.laughingoutlaw.com.au

www.bertus.nl

Miles of Music

 

 

CREEKDIPPERS

“Political Manifest”

(Creekdipper Records / Mercy Recordings)

(3) J J J

 

Waar het hart van vol is, loopt de mond van over, wil een spreekwoord zo oud als de straat. En het tegenovergestelde is ook al regelmatig waar. En als het in dat geval om onvrede over het actuele politieke bestel van je land blijkt te gaan, dan is het als muzikant verdraaid moeilijk om aan de drang te weerstaan om aan je ongenoegen uiting te geven middels je werk. Het meest markante voorbeeld daarvan was tot voor kort wel het recentere werk van Hardcore Troubadour Steve Earle, die werkelijk geen gelegenheid onbenut laat om Bush en zijn discipelen te kakken te zetten. Maar het kan allemaal nog een stuk explicieter, dat bewijzen ex-Jayhawks Mark Olson en zijn eega Victoria Williams AKA The Creekdippers op hun jongste CD “Political Manifest”. Titels als “Poor GW”, “George Bush Industriale” en “Portrait Of A Sick America” spreken wat dat betreft boekdelen. De vraag is alleen maar, moet je als muziekliefhebber nu onverdeeld gelukkig zijn om zo’n statement? Als nuchtere Belg ben je geneigd om het allemaal met licht gefronste wenkbrauwen over je heen te laten gaan. Om je voor te lichten over wat er momenteel in de States gaande is, was een dergelijke politieke geloofsbelijdenis heus niet nodig geweest. De recente schermutselingen tussen de eigen bewindslieden en de roerganger van de V.S. hebben hier immers heel wat ogen geopend, voor zover dat tenminste nog nodig was…

Maar goed, als het allemaal niet een beetje ten koste van de muzikale kwaliteit zou zijn gegaan, dan zou je ons niet hebben horen klagen. Da’s echter jammer genoeg in een aantal van de nieuwe liedjes van de Creekdippers wél het geval. Pas met het slotvijftal van deze elf songs tellende collectie weten Olson, Williams en (gast)muzikanten Ray Woods (drums, zang), Don Heffington (bass harmonica, zingende zaag, zang), Tom Freund (bas, orgel) en Greg Leisz (dobro) ons echt te overtuigen. “The End Of The Highway” is zo een stukje weemoedige alt. country van het allerbeste soort, dat het vooral moet hebben van de oorstrelend mooie samenzang tussen de betrokkenen. “Saw Song” maakt zijn titel dan weer helemaal waar, ergens tussen Dylan, Green On Red en The Jayhawks in. “Portrait Of A Sick America” is vervolgens een venijnige klap in het gelaat van GWB in bitterzoete alt. country-verpakking met Olson op zijn best. Terwijl het in de ingetogen uitvoering van de traditional “My Father Knows Foes” net Victoria Williams is, die met haar wat aparte hoge stemmetje echt alles uit dat liedje weet te halen wat erin zit. En dan is er nog de knappe acapella afsluiter - ook al een traditional trouwens – “Coming Coming”.

Maar zelfs als onvoorwaardelijke fan van de Creekdippers kunnen wij ons al bij al toch niet van de indruk ontdoen, dat het doel voor één keer de middelen wat al te zeer geheiligd heeft. En voor politieke kwesties plegen wij nu eenmaal graag andere media te bezigen. Maar goed, daar hoeft u het als lezer natuurlijk hoegenaamd niet eens mee te zijn. Wat blijft is dat deze plaat louter muzikaal gezien niet echt biedt, wat we ervan hadden verwacht. En da’s jammer…

www.creekdipper.com

 

 

MAURA O’CONNELL

“Don’t I Know”

(Sugar Hill / Munich)

(3.5) J J J J

 

Kwaliteit heeft als prettig nevenverschijnsel dat je er behoorlijk snel aan gaat wennen. En dan ga je al even snel ook weer meer verwachten. En precies daar is Maura O’Connell in onze ogen de voorbije jaren regelmatig een beetje tekortgeschoten. De vurige roodharige – dezer dagen in Nashville residerende - Ierse is zondermeer een fantastische zangeres. Dat staat buiten kijf. En ze weet ook altijd wel de juiste songkeuzes te maken. En aan de kwaliteit van haar begeleiders heeft het ook al nooit gelegen. Maar toch was er altijd wel iets, dat een echte klassieker in de weg bleef staan. En dat is op haar tiende CD “Don’t I Know” helaas weer niet anders. Met liedjes van de hand van schoon volk als Al Anderson, Stephen Bruton, Clare Burson, Mindy Smith, Jim Lauderdale, Leslie Satcher, Kim Richey, Tim Krekel, Gary Burr, Patty Griffin, Tim O’Brien en Pat Alger zit het wat dat betreft zeker weer goed. En met klasbakken als een Jerry Douglas (productie, dobro, lap steel), een Bryan Sutton (gitaren, bouzouki), een Viktor Krauss (bas), een Shannon Forrest (drums) en een Edgar Meyer (bas) in de buurt voor de instrumentale omlijsting ervan moet Connell zich ook ditmaal weer zeer in haar sas hebben gevoeld. Dat “Don’t I Know” opvalt door een zeer warm, lekker vol geluid is dan ook niet echt verrassend te noemen. Maar producer Jerry Douglas heeft naar ons gevoel net iets teveel zijn best gedaan om op vakkundige wijze elk scherp randje weg te vijlen, waardoor het album als dusdanig wat al teveel gaat overhellen naar de popkant. Daartoe wellicht aangezet door de recente successen van collega’s als Patty Griffin en Mindy Smith lijkt O’Connell iets meer oog voor verkoopscijfers te hebben gekregen. En dus blijven wij eigenlijk weer een beetje op onze honger zitten… Niet dat “Don’t I Know” een slechte plaat is, hoor. Wel integendeel. Het is gewoon puik werk van één van de beste vertolksters in het genre. Alleen hadden we het graag voor één keer eens allemaal wat puurder, wat meer ongepolijst willen meemaken. Dan zit er voor O’Connell wellicht een echt grote plaat in. Maar misschien vindt u dat wel gewoon muggenziften…

www.mauraoconnell.com

www.sugarhillrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

MATTY CHARLES & THE VALENTINES

“Land Beyond The Sea”

(MCV Music)

(3.5) J J J J

 

Ook op hun nieuwe album “Land Beyond The Sea” strooien de uit Brooklyn afkomstige Matty Charles & The Valentines weer bijzonder gul met klassiek countrymateriaal in het rond. Charles verstaat als geen ander de kunst om het geluid van zijn helden Johnny Cash en Willie Nelson te koppelen aan het soort van urbane tristesse, dat ook het werk van een Tom Waits en een Steve Earle wel eens wil kenmerken. Daardoor ben je al snel geneigd om hem en zijn groep in te delen bij enigszins verwante geesten als een Rex Hobart, een Mike Ireland of een John Howie (van de Two Dollar Pistols) in zijn wat meer ingetogen momenten.

We raden je dan ook ten stelligste aan om je net als ons te laten verleiden door dromerige pareltjes als “Sister May” en “At The Pictureshow” of bijzonder lekker ritmisch materiaal als het op een Cash-leest geschoeide “Lover’s Lane” en de swingende oercountry van het met een leuke tekst gezegende titelnummer. We durven er onze Stetson om te verwedden, dat je je dat hoegenaamd geen seconde zal beklagen!

www.mattycharlesmusic.com

 

 

THE CORNELL HURD BAND

“Cen-Tex Serenade”

(Behemoth Records)

(4) J J J J

 

Voor wie zich nog mocht afvragen, waarom de Cornell Hurd Band in Texas al sedert jaar en dag tot de absolute top van de het lokale circuit onveilig makende acts wordt gerekend, biedt “Cen-Tex Serenade” een pasklaar antwoord. De twaalfde CD van de groep rond de enige verwantschap met Ray Benson van Asleep At The Wheel vertonende Hurd staat immers bol van de variatie. Honky tonk, Western swing, jazz, blues, rockabilly, boogie, pop, soul, ska,… Vrijwel alles lijkt hier te kunnen! En dan zijn er nog de geslaagde gastoptredens van kanjers als Justin Trevino in de klassieke cheatin’ song “I’ve Watched You Fall In Love Before”, Debra Hurd in de spetterende piano instrumental “Big Damn State, Long Damn Road Boogie”, Connie Hancock van de Texana Dames in het werkelijk bloedgeile en ongemeen soulvolle “Let’s Flirt” en Dee Lannon in “Tall Drink Of Water”, een bijzonder sexy kruising tussen rockabilly en Texas swing.

Niet voor niets helemaal bovenaan in de jongste editie van de FAR-chart dus, deze “Cen-Tex Serenade”. Zelfs in deze lijst, waarin kwaliteit te allen tijde primeert, vallen Hurd en de zijnen immers op als een goudklomp op een mestvaalt. Enkel het uit vijf miniatuurtjes bestaande coda verzorgd door “band poet” Raoul Hurd en The After Hours Orchestra had men wat ons betreft beter achterwege gelaten. Met de resterende drieëntwintig tracks waren we al ruimschoots tevreden geweest…

www.cornellhurdband.com

 

 

COPPER BOX

“Roots”

(Real Records)

(3) J J J

 

Recommended if you like CCR, Little Feat, Steve Jordan, Brave Combo en Buckwheat Zydeco houden de vijf van Copper Box je voor in verband met hun album “Roots” en die vergelijkingen vatten inderdaad wel behoorlijk adequaat samen waar het hier allemaal om draait. Elementen uit pop, (roots)rock, Tex-Mex, alt. polka en zydeco worden gestird tot een behoorlijk aanstekelijke cocktail met als hoofdingrediënt het levendige accordeonspel van Danny Jerabek. Zijn knoppenwerk is het dat “Roots” samenhoudt en aan het album ondanks de veelheid aan aanwezige stijlen een duidelijk herkenbaar gezicht verleent. Topmomenten zijn het zijn titel volop waar makende “Zydeco Party”, de sprankelende poppy opener “Daze” (die met de honingzoete stem van Michelle Jerabek meteen een tweede stevige troef op tafel gooit), de kwieke alt. polka “Gimme That Oldtyme Music” en bovenal ook het met een cajun-sausje overgoten “Southern Belle”.

Wie bij tijd en wijle wel een goed potje accordeon lust en zich niet stoort aan een vrij innovatieve benadering van dat instrument, moet dit dan ook beslist even checken.

www.copperboxsite.com

 

 

BRIAN BURNS

“Heavy Weather”

(Presidio Records)

(4) J J J J

 

 “The Eagle & The Snake: Songs Of The Texians”, Brian Burns’ vorige CD vloerde ons al van bij de eerste beluistering genadeloos. Het was dan ook met meer dan normale belangstelling dat we uitkeken naar het nieuwe album van deze enigszins aan Tom Russell herinnerende Texaanse troubadour. En terecht zo blijkt nu, want dat album voldoet ruimschoots aan de nochtans torenhoge verwachtingen. “Heavy Weather” mag dan al een geheel andere plaat zijn geworden dan die fel gesmaakte voorganger, Burns’ sterkste troeven bleven gelukkig intact. Er is uiteraard nog steeds die aantrekkelijke gruizige countrystem. En er zijn weer zijn schitterende verhalende teksten, ditmaal over stormen, schipbreuk, hartzeer en dies meer. Storytellers van het kaliber van deze man zijn eerder schaars aan het worden, gelooft u ons. Een reden te meer dus om een plaat als deze onverwijld aan uw hart te drukken.

Het merendeel van de over het algemeen een stuk ritmischere liedjes dan die op “The Eagle & The Snake” schreef Burns uiteraard weer zelf, maar een occasionele cover gaat hij ook niet uit de weg. De opvallendste van allemaal is wellicht zijn prachtige versie van Gordon Lightfoots “Wreck Of The Edmund Fitzgerald”. Maar ook “Scream” van The Young Dubliners, “Madison” van Jude Cole en zijn vertolking van het hier vooral in de uitvoering van The Waterboys bekende “Fisherman’s Blues” mogen er beslist wezen. Opvallend trouwens hoe vaak Burns verwijst naar het Keltische muzikale erfgoed op “Heavy Weather”. Mede daardoor groeit het album uit tot een echte topper in zijn soort. En bij de volgende Burns zullen wij dus gewoon weer met hangende pootjes zitten wachten…

www.brianburnsmusic.com

 

 

ERIC BLAKELY

“Still Life At Full Speed”

(Folk Reel Productions)

(3.5) J J J J

 

Eric Blakely is met “Still Life At Full Speed” al lang niet meer aan zijn proefstuk toe. De in Austin woonachtige songsmid kan ondertussen al op een vijf albums bestrijkend parcours terugblikken. En zijn rootsy country pop songs bleken tot op heden steeds van excellente kwaliteit. Een traditie waar hij op “Still Life At Full Speed” naadloos bij aanknoopt. Vooral ingetogen Americana-momentjes als “It’s O.K. To Be Blue” en de in duet met Betty Elders gebrachte tweeling “Since I Found You” en “Something Into Nothing” konden ons weer heel erg bekoren. Elders, zoals in het pittige “Another Friday Night At The Laundromat”, is het vooral de schrijver Blakely die imponeert:

“It’s another Friday night at the Laundromat

That’s a good indication where my life is at

I was the life of the party least I used to be

Until all my dirty laundry caught up with me”.

Dat soort van tekstuele spitsvondigheden houden je ook wat dat betreft voortdurend bij de les. Wij durven “Still Life At Full Speed” dan ook met een gerust gemoed een mooie toekomst te voorspellen. Prachtig hoesje ook by the way, dat een perfecte illustratie vormt bij de toch wel wat aparte albumtitel.

www.ericblakely.com

 

 

EARL MUSICK

“Privateer”

(Reload Record Company)

(3) J J J

 

Earl Musick draait al ruim twintig jaar mee in de druk bezette Texaanse singer-songwriter scene. Het grootste deel daarvan sleet hij als kopstuk van The Unsung Heroes. Maar aan het eind van de jaren negentig besloot hij zijn bescheidenheid van zich af te schudden om voortaan onder eigen naam te gaan opereren. En als een gevolg daarvan is hij nu met “Privateer” reeds aan zijn tweede album toe. Voorganger “Done Deal” deed het immers goed genoeg om zowel een tweede persing ervan als een sequel te rechtvaardigen. En het zou ons eerlijk gezegd in het geheel niet verbazen als “Privateer” het nog wat beter zou gaan doen. Daarop vergast Musick ons immers op een zeer gevarieerde muzikale maaltijd. Aangenaam voortkabbelende Texaanse singer-songwriter country (“San Antone”, “Fort Worth”, “Lines On My Face”, “Santa Cruz”) wordt afgewisseld met voorzichtig rockend materiaal (“Hell Bent And Happy” Hook Line And Singer”), licht bluesy spul (“Nothin’ Halfway (Henry)”, “Bright And Shiny Blues”), twangy stuff (“Bye, I’m Gone”), bekoorlijke ballades (“Forever In Love”, “It’ll Take A Little While”) tot zelfs akoestische Texas swing (“Texas Moon”) toe. Voor de productie van het album tekende Mark Merritt.

www.reloadrecordcompany.com