ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2007

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Maria Muldaur “Naughty, Bawdy & Blue”The Mother Hips “Kiss The Crystal Flake”The DAM Combo “Distractions” - Various Artists “Black Hen Music 2007 Sampler”Angela Easterling “Earning Her Wings”Jenny Kerr “Wood & Steel”Po’ Girl “Home To You”Dawn Landes “Fireproof”Hobotalk “Homesick For Nowhere”Dirty Sweet “…Of Monarchs And Beggars”Jaap Boots “Afkuil”Mother Superior “Three Headed Dog”Dave Alvin “Live From Austin, TX” (DVD) - Various Artists “There’s A Hole In Heaven Where Some Sin Slips Through”Various Artists “Even Cowgirls Get The Blues” - Oh Susanna “Short Stories”Robbie Fulks “Revenge!”George Jones & Friends “Fiftieth Anniversary Tribute Concert” (DVD) - Lorianna Matera “Nobody’s Angel”Two Gallants “The Scenery Of Farewell”John Wort Hannam “Two-Bit Suit” - Jenny Owen Youngs “Batten The Hatches”James Blood Ulmer “Bad Blood In The City: The Piety Street Sessions”Two Cow Garage “III”Todd Snider “Live With The Devil You Know At Grimey’s Nashville 10.20.06” - Guy Clark “Live From Austin, TX” (DVD)John Prine & Mac Wiseman “Standard Songs For Average People” - Jeb Loy Nichols “Days Are Mighty”Warren Zevon “Preludes – Rare And Unreleased Recordings”The .357 String Band “Ghost Town”Elliott Murphy “Coming Home Again”David Rodriguez “A Winter Moon”Jim Suhler & Monkey Beat “Tijuana Bible” - H.T. Roberts “Fingernail Moon”David Olney “One Tough Town”Richard Dobson “Back At The Red Shack” - Alastair Moock “Fortune Street”

 

MARIA MULDAUR

“Naughty, Bawdy & Blue”

(Stony Plain / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Op haar wel erg toepasselijk getitelde nieuwe plaat neemt de onvolprezen jazz & blues voice Maria Muldaur ons net als op het met een Grammy genomineerde tweetal “Richland Woman Blues” uit 2001 en “Sweet Lovin’ Ol’ Soul” uit 2005 opnieuw mee op een trip doorheen de vaudeville blues scene van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Twaalf nummers lang buigt ze zich op “Naughty, Bawdy & Blue” over klassiek songmateriaal van al even klassieke vrijgevochten bluesmadammen. Heel wat van de gebrachte nummers baden mede dankzij hun wel erg oordeelkundige inzet van blazers en toetsen in een typisch late-night sfeertje, dat zo menig een luisteraar tot het oordeel “bloedgeil” zal weten te verleiden. Muldaur tackelt zo nummers van ondermeer Victoria Spivey, Alberta Hunter, Bessie Smith, Ma Rainey en Sippie Wallace. En van die laatste leende ze ook haar begeleiders, James Dapogny en z’n Chicago Jazz Band. En dan mogen we zeker ook niet vergeten te vermelden, dat het bij één van dé absolute highlights hier, het in duet met de grote Bonnie Raitt gebrachte “Separation Blues”, ook om een aan het repertoire van die Wallace ontleend kleinood gaat.

Bijzonder straf gedaan weer en wat ons betreft een Grammy meer dan waardig. Al kan u Muldaur ook gewoon belonen door het schijfje te kopen. Zal ze wellicht minstens zo graag hebben…

Maria Muldaur

Stony Plain Records

 

 

MOTHER HIPS

“Kiss The Crystal Flake”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Heel even gedacht, dat we ze voorgoed kwijt waren, deze heren, maar dat blijkt dus gelukkig niet het geval. Met hun eerste volwaardige CD sedert het in 2001 verschenen “Green Hills Of The Earth” melden zanger-gitarist Tim Bluhm en de zijnen zich zelfs behoorlijk indrukwekkend terug. Gelijk van bij het openingsnummer van “Kiss The Crystal Flake”, het superaanstekelijk binnenkomende en regelmatig voorzichtig ontsporende “Mission In Vain”, maken Bluhm en co duidelijk, dat de retour de force die de EP “Red Tandy” uit 2005 al bleek bepaald geen toevalstreffer was. Ook nu weer wordt er kwistig in het rond gestrooid met fraaie pop- en rocksongs, die een hoge muzikale aaibaarheidsfactor koppelen aan gecontroleerde licht-psychedelische uitspattingen. Voor de productie daarvan vertrouwde men naast op de eigen talenten ook op de kunstjes van Dylan Magierek.

Bij de gelimiteerde eerste uitgave zit er als toemaatje ook nog een vijftig minuten durende DVD, die ons een blik achter de schermen tijdens het opnameproces van “Kiss The Crystal Flake” gunt. Daarop ondermeer interviews, een aantal video’s en beelden van de band aan het werk.

The Mother Hips

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

 

THE DAM COMBO

“Distractions”

(Running Time Music)

(3,5) J J J J

 

 

Matt Ranck kennen we vooral als de man achter Running Time Music, het kleine, maar fijne Amerikaanse platenlabel dat de voorbije maanden ondermeer verantwoordelijk was voor akoestische live-schijven van Greg Trooper, David Childers en David Ezell. Dat diezelfde Ranck ook zelf muzikant is, is naar we mogen aannemen net iets minder geweten. Samen met Don McGraw (bas en keyboards) en z’n partner Annabelle (zang, percussie en harmonica) vormt hij (zang en akoestische, elektrische, resophonic en twaalfsnarige gitaren) het met de eerste letter van hun respectieve voornamen van een naam voorziene combo. En samen met gasten Scotty Hawkins (drums), Larry Hoskinson (gitaar) en Mike Bagwell (pedal steel) bracht dat drietal onlangs al zijn tweede CD op de markt. Net als “Another DAM CD” uit 2003 blijkt ook die weer gevuld met lekker ouderwetse roots- en countryrock. Vooral songs van het genre “Soapbox Mercenary”, het titelnummer en het links en rechts met een streepje fraai harmonicawerk opgewaardeerde “The Man You Are”, stuk voor stuk gedragen door de soulvolle stem van Annabelle Ranck, zijn van die aard dat fans van pakweg Buddy & Julie Miller er het nodige plezier aan kunnen beleven. Andere leuke momenten: het zomerse “This Place”, een eigenzinnige, door McGraw bij momenten van straf baswerk voorziene versie van de traditional “I Want Jesus To Walk With Me” en vooral ook het door Annabelle wederom zeer bezield gebrachte “Willie” en de niet enkel met een droom van een titel, maar ook met een pakkende melodie gezegende afsluiter “She Gives Good Brain”. Dat soort van liedjes maakt van “Distractions” een echt groeiplaatje!

DAM Combo

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Black Hen Music 2007 Sampler”

(Black Hen Music)

(3,5) J J J J

 

 

 

De voorbije weken bespraken we hier regelmatig albums van het Canadese Black Hen Music-label en dat bleken eigenlijk zonder uitzondering ronduit uitstekende schijfjes. Remember “Dear” van Jenny Whiteley, “Carve It To The Heart” van Linda McRae, “The Light Fantastic” van Cara Luft en zopas nog “Two-Bit Suit” van John Wort Hannam. Rounder Europe was het daarin klaarblijkelijk met ons eens, want binnenkort zal worden gestart met de Europese verdeling van een aantal Black Hen releases, met name materiaal van Jenny Whiteley en Jim Byrnes. Die twee vind je naast Steve Dawson, Old Man Luedecke, Zubot And Dawson, Coco Love Alcorn, Shuyler Jansen, Great Uncles Of The Revolution, David Wall, Joey Wright, Linda McRae, Don Rooke en Bottleneck ook terug op deze puike staalkaart van wat het label te bieden heeft. Onder de noemer “Original and innovative roots, folk and jazz from Canada” serveert men hier van elk van de genoemde acts telkens één track als appetizer. En wij durven er nu al onze pet voor te verwedden, dat ook jij gegarandeerd minimaal één ontdekking van formaat zal doen bij het beluisteren ervan. Maar het zullen er wellicht nog wel wat meer zijn...

Black Hen Music

 

 

ANGELA EASTERLING

“Earning Her Wings”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Voor ons zondermeer één van dé ontdekkingen van de voorbije weken, deze Angela Easterling. “Earning Her Wings”, het volwaardige plaatdebuut – na een al in 2002 verschenen titelloos EP’tje - van die in South Carolina opgegroeide schone, heeft immers zo ongeveer alles wat een Americana-album anno nu voor ons dient te hebben. Easterling slaagt er schijnbaar moeiteloos in om het beste van twee werelden te combineren. Niet alleen toont ze vrijwel voortdurend het nodige respect voor haar (muzikale) roots, ze weet uit die veelheid aan invloeden ook een naar het heden toe perfect levensvatbaar geheel te distilleren. Maar ze beschikt dan ook over meer dan voldoende troeven om zulks tot een goed einde te kunnen brengen. Vooreerst is er die prachtige stem van ‘r. Die laat het haar toe om zowel in tragere, duidelijk op hun verhalende karakter terende liedjes als in wat vlottere, swingende en soms zelfs voorzichtig rockende deunen te excelleren. Daarbij betreft het met uitzondering van het al van de jaren veertig daterende “When I Wake Up To Sleep No More” uitsluitend eigen materiaal. En da’s meteen haar tweede sterke punt. Easterling schrijft liedjes met een kop en een staart, die zich gelijk van bij een eerste beluistering ervan met kleine weerhaakjes tussen je oren lijken vast te hechten. Neem nu de ballade “The Accordeon”. Da’s thematisch gezien country tot op het been. In dat samen met haar gitarist Shawn Davis gepende liedje baseert Easterling zich op het waargebeurde verhaal van haar vader, die een truck inruilde voor een oude accordeon. Of het flink richting bluegrass overhellende “River Jordan”. Daarin bezingt ze treffend de vermurwende lokroep van haar geboortestaat. Een zinnetje als “California sun like a burnin’ flame; but I still hear Virginia call my name,” vat heel mooi samen, waarom Easterling haar muzikale “Wahlheimat” L.A. al vrij snel weer terug achter zich zou laten. En dat zijn dan nog maar twee voorbeelden van het kwalitatief echt wel behoorlijk hoogstaande materiaal hier. We noemen bijvoorbeeld ook nog het nog voorzichtig naar haar SoCal-periode refererende slepertje dat het titelnummer is, de swingende honky-tonk van “Feel Like Drinking”, het superaanstekelijke “Truck-Driving Man”, de aan tal van klassieke madammen uit het genre herinnerende country van “Cowboy” of Easterlings gevoelige eerbetoon aan The Man In Black, “Dear Johnny”. Geloof ons vrij, veel overtuigender kan je amper debuteren!

Angela Easterling

MySpace

CD Baby

 

 

JENNY KERR

“Wood & Steel”

(Okey Doke Records)

(3,5) J J J J

 

 

 

Eigenlijk gewoon bedoeld als onopvallend akoestisch tussendoortje in afwachting van een later dit jaar te verschijnen nieuwe plaat van ‘r, maar zo klinkt dit absoluut niet. “Wood & Steel” is integendeel juist een uiterst charmant album van een artieste die nog met elke nieuwe release lijkt te groeien. Jenny Kerr (zang, akoestische gitaar, banjo, harmonica) klinkt hier zo ongelooflijk relaxt en in haar sas, dat je als luisteraar wel voor de bijl móet. Samen met Philbillie (akoestische gitaar, zang, resophonic, percussie) en Ian Boelens (zes- en twaalfsnarige akoestische gitaren, resophonic) werkt ze zich doorheen een tien eigen songs omvattend geheel, waarop de nadruk bijna als vanzelfsprekend op akoestische bluesjes ligt. En daarbij klinkt ze niet zelden als een soort van verre achternicht van Bobbie “Ode To Billie Jo” Gentry. Net als deze laatste grijpt ze je met haar lijzige, bijna gelaten zang ogenblikkelijk kordaat bij je nekvel. Dat is met name met ook wel een weinig aan Tony Joe White herinnerende prachtliedjes als “Soap & Water” en “Baby Child” het geval.

Het is echter niet al blues wat hier de klok slaat. “Sheila” is zo bijvoorbeeld een heerlijk streepje akoestisch country-liefdesverdriet, de instrumental “Hasta La Pasta” flirt geruime tijd opzichtig met old-time string music en in het door haar eigen banjo gedragen “Sally Let Your Hair Down” doet Kerr iets heel moois met traditionele folk. Dé absolute klapper hier is evenwel het met Philbillie gedeelde duet “Can’t Keep A Good Woman Down”. Da’s het soort van rootsy sleper, dat je spontaan doet dromen van een eigen veranda in het diepe Zuiden van de States op een zomerse valavond. Prachtig gewoon!

Jenny Kerr

 

 

PO’ GIRL

“Home To You”

(Nettwerk / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Derde ook alweer van “die andere groep” van Trish Klein van The Be Good Tanyas, het ondertussen tot een heus kwintet uitgegroeide Po’ Girl. En dat is net als het recente “Home To You” van de Tanyas zelf een erg sterk album geworden. Net als bij die groep vormt old-time ook bij Po’ Girl ontegensprekelijk het uitgangspunt. Het wezenlijke verschil tussen de twee collectieven schuilt ‘m vooral in het feit dat Allison Russell (zang, klarinet, akoestische gitaar, banjo), Diona Davies (zang, viool, Wurlitzer, akoestische gitaar), Awna Teixeira (zang, elektrische en “wash-tub” bas, akoestische gitaar, harmonica), Trish Klein (zang, elektrische en akoestische gitaren, banjo) en John Raham (drums, percussie) ook openstaan voor heel wat andere invloeden. Country, blues, ragtime, folk, jazz en andere versmelten hier tot één organisch geheel, dat een groot deel van zijn charme ontleent aan de werkelijk vlekkeloze samenzang van de dames. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar de dromerige, door Penny Lang aangedragen en door Trish Klein banjogewijs gestuurde Americana ballad “Ain’t Life Sweet”, naar de olijke neo-ragtime van “Go On And Pass Me By”, naar het soulvolle “Skies Of Grey”, het fiddle-gestuwde countrywalsje “Texas” of de dromerige jazzdeun “So Lazy” en je zal ook zelf merken, dat deze “ladies” elkaar nagenoeg perfect aanvoelen. En een zoveelste Canadees topproduct in nauwelijks enkele maanden tijd is wat ons betreft dan ook het niet meer dan logische gevolg.

Po’ Girl

Nettwerk Productions

 

 

DAWN LANDES

“Fireproof”

(Fargo Records / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

 

Voor ons zondermeer één van dé ontdekkingen tussen het aanbod op de nieuwe Fargo Records-verzamelaar “Even Cowgirls Get The Blues” en dus waren we er ook als de kippen bij om op zoek te gaan naar meer van Dawn Landes. En dat meer vonden we in haar erg knappe, in een oude brandweerkazerne in Brooklyn opgenomen derde CD “Fireproof”. Daarop bewijst de uit Kentucky afkomstige Landes, waarom ze de voorbije jaren in het lokale folkcircuit van haar huidige thuishaven New York al het nodige opzien wist te baren. Dat heeft wellicht veel zoniet alles te maken met de manier waarop ze verleden en heden met elkaar weet te verzoenen door zich enerzijds duidelijk schatplichtig te tonen aan de befaamde Greenwich Village folk scene van weleer, maar anderzijds ook niet vies te zijn van wat indie pop. En precies daardoor lijkt dit zangvogeltje ons ook uitermate geschikt voor de Europese markt. Als artiesten als een Damien Rice, een Josh Ritter en een Laura Veirs hier potten kunnen breken, zou deze Dawn Landes dat in principe ook moeten kunnen. “Fireproof” bevat alvast voldoende materiaal om haar, al was het maar voor even, het voordeel van de twijfel te gunnen. Naast de gracieuze, al van “Even Cowgirls Get The Blues” bekende ballade “Twilight” denken wij bijvoorbeeld ook nog aan het vocale hoogstandje “Tired Of This Life”, een uit gelijke delen country en folk bestaande beauty van een trage, het ingehouden rockende “Kids In A Play”, de weirde pop-meets-jazz-trip “Picture Show”, de etherische Americana van “I’m In Love With The Night”, de op overtuigende manier naar het hier en nu vertaalde traditional “I Don’t Need No Man” en het afsluitende tweetal, het old-timey “You Alone” en het vakkundig als bonustrack weggemoffelde “I Won’t Back Down”, een tot zijn akoestische essentie herleide cover van dat Tom Petty-nummer. Plattelandsmeid Landes profileert zich daarin als een ware verademing. Of, om het met de woorden van die van haar platenlabel te zeggen, als het moestuintje tussen de torenflats van haar thuisstad. Met de hulp van enkele leden van HEM wist ze alvast op bijzonder originele wijze zowel rurale als urbane elementen in haar muziek te incorporeren.

Dawn Landes

Fargo Records

 

 

HOBOTALK

“Homesick For Nowhere”

(Glitterhouse / Munich)

(5) J J J J J

 

 

Het minste wat je van singer-songwriter Marc Pilley en de zijnen kan zeggen, is dat ze zich steeds opnieuw ruimschoots de tijd nemen om met nieuw materiaal op de proppen te komen. “Beauty In Madness”, het ondertussen jammer genoeg niet meer commercieel beschikbare debuut van de Schotten, dateert ook alweer van zeven jaar geleden en het al even fantastische “Notes On Sunset” is inmiddels ook al twee jaar oud. Die twee platen gaven het al aan en met “Homesick For Nowhere” is het nu ook zover, Hobotalk zou ooit een echte tijdloze klassieker afleveren en bij dezen is dat gebeurt ook. Wat je op die nieuwe van de groep hoort, is van het niveau van het allerbeste van genregrootheden als een Nick Drake, een Tim Hardin of een Gram Parsons. Ergens tussen pop, folk en Americana wist Pilley zeventien diamantjes te slijpen, die in al hun intimiteit voortdurend de absolute perfectie benaderen. Hulp van buitenaf kreeg hij daarbij ondermeer van labelgenoten Chris & Carla, z’n bijzonder veelbelovende jonge landgenoot Roddy Hart, Martin Stephenson en Michael Weston King. Maar vergis je vooral niet, dit is en blijft in de eerste plaats een plaat van Marc Pilley. Met zijn fluwelen stem neemt hij je mee op een wonderlijke trip doorheen uit pure schoonheid opgetrokken eigen composities, die moeiteloos de tand des tijds zullen weerstaan. Deze plaat links laten liggen is wat ons betreft dan ook een regelrechte misdaad. Niet alleen tegen Pilley en kornuiten, maar vooral ook tegen jezelf.

Hobotalk

Glitterhouse Records

 

 

DIRTY SWEET

“…Of Monarchs And Beggars”

(Seedling / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

“…Of Monarchs And Beggars” is het ronduit uitstekende debuut van het uit Ryan Koontz (zang), Nathan Beale (gitaar, zang), Shaun Cornell (bas, keyboards, zang), Mark Murino (gitaar) en Chris Mendez-Vanacore (drums) bestaande Amerikaanse collectief Dirty Sweet. En daarmee lost dat vijftal meteen ook de torenhoge verwachtingen in, die ondermeer door bijzonder lovende woorden in het gezaghebbende Britse magazine NME rond z’n eersteling werden gecreëerd. De met uitzondering van natuurtalent Koontz allemaal al ruimschoots hun sporen verdiend hebbende Amerikaanse youngsters staan op “…Of Monarchs And Beggars” voor een portie onvervalste moddervette rock, die fans van groepen als de Black Crowes, de Georgia Satellites, de Yayhoos en co zo ongeveer op de rand van een delirium moet brengen. Alles klopt hier immers als een bus! Zanger Koontz blijkt zo bijvoorbeeld om te beginnen een echte dijk van een shouter. Wat een talent en een présence heeft die man ondanks z’n nog jonge leeftijd! En da’s iets wat eigenlijk evenzeer geldt voor leadgitarist Nathan Beale. Die schudt hier schijnbaar achteloos de ene na de andere moordriff uit de mouw. Voeg daar nog aan toe een collectie rete-aanstekelijke songs met hooks om u tegen te zeggen en een strak agerende ritmetandem en het plaatje is compleet. Dit Dirty Sweet gaat brokken maken, zoveel is zeker! Het is typisch zo’n groep die je graag eens op om het even welk zomerfestival zou tegenkomen. Hint, hint, hint…

Dirty Sweet

Seedling Records

Sonic Rendezvous

 

 

JAAP BOOTS

“Afkuil”

(Rosa Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Noorderbuur Jaap Boots is met “Afkuil” niet bepaald aan zijn proefstuk toe. Met z’n in 2000 verschenen CD-debuut “Zal De Hemel”, de single “Ouwe Vriend / Regenhond” uit 2003 en bijdragen aan de compilaties “More Than A Woman” en “From A Man Of Mysteries”, het flink bejubelde eerbetoon aan de Amerikaanse singer-songwriter Steve Wynn, ontkrachtte hij al meermaals met succes de stelling, dat popjournalisten veelal gefrustreerde muzikanten zijn die omwille van een gebrek aan talent zelf niet of nauwelijks aan de bak komen. Maar die nieuwe van ‘m, da’s toch nog heel andere koek! Een schaamteloos eerlijke en openhartige collectie liedjes is het, waarin Boots voorgoed afrekent met een spook uit zijn verleden. Noem het maar een conceptplaat over het einde van zijn huwelijk, al zal hij dat zelf zoals zoveel anderen voor hem allicht niet écht graag horen. Nu eens bedaard, dan weer fel en uitermate bitsig schrijft en zingt hij alle geleden pijn en verbittering hier endgültig van zich af. In dingen als “Eens Op Een Maandag” en het melancholische “Dode Vogel” klinkt hij daarbij als een soort van jonge Boudewijn De Groot, maar dan wel mét ballen. Uit het ongemeen expliciete “Kutwijf” spreekt dan weer een zekere voorliefde voor garagerock en beatmuziek zoals die ook in Nederland aan het eind van de jaren zestig floreerden. En het sympathiek schokschouderende “Terug Naar Brussel” heeft als je ’t ons vraagt iets met zowel Dylan als de Sir Douglas Quintet. Superaanstekelijk is het alleszins. En dan zijn er nog prachtsongs als het over een warm zoemende bas en pittige elektrische gitaren heen dansende popjuweel “Het Ruikt Hier Naar Ellende”, de bluesy ballade “De Ratsmodee”, het louter sfeermatig al even intimistische “S.P.O.O.K.” en de Americana / roots rock van “Storm”. Neen, hier valt al bij al maar bitter weinig op af te dingen. En net als de jongste platen van BJ Baartmans en Peter Beeker drukken we ook deze “Afkuil” dan ook graag aan onze borst.

Jaap Boots

Rosa Records

Sonic Rendezvous

 

 

MOTHER SUPERIOR

“Three Headed Dog”

(Rosa Records / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

Het vanuit Los Angeles actieve trio Mother Superior behoeft hier allicht allang geen introductie meer. Zanger-gitarist Jim Wilson, bassist Marcus Blake en drummer Matt Tecu gaan immers al een kleine eeuwigheid mee en genieten bij tal van collega’s en een hele schare loyale fans een uitstekende reputatie. Groten als een Daniel Lanois, een Henry Rollins, een Emmylou Harris en een Iggy Pop, om er maar enkele te noemen, maakten in het verleden al gebruik van de diensten van het drietal, tal van anderen namen reeds songs van hen op. Recentelijk bijvoorbeeld nog Meat Loaf, die voor zijn nieuwe single het nummer “Whore” inblikte.

Met “Three Headed Dog” verscheen zopas van de heren reeds de negende CD, met daarop ondermeer ook een aantal door Daniel Lanois geproduceerde songs. En vooral het slepende “Let It Go”, met de Canadese topproducer ook op vocaal vlak en op de pedal steel actief, is van dat tweetal wat ons betreft een echt schot in de roos. Je zou het kunnen omschrijven als een countryrockballade van het betere soort. Spijtig genoeg is het nummer echter absoluut niet representatief voor de rest van het album. De hoofdmoot hier bestaat immers uit verbeten punk en een weinig aan groepen als de Who en de latere Kinks schatplichtige rock songs genre “Wake Up Call”, “(I’m) Obsessed”, “Sleep” en “Beg Borrow Steal”. Andere vergelijkingspunten die zich met betrekking tot Mother Superior anno 2007 aandienen zijn acts als Gov’t Mule, Led Zeppelin, Black Crowes en ZZ Top in z’n jongere dagen. En u weet ongetwijfeld wat dat betekent… Er wordt inderdaad meer geschreeuwd dan gezongen, de gitaren staan vrijwel voortdurend op (mes)scherp en op een solo meer of minder wordt ook absoluut niet gekeken. Voor de recensent van dienst van het toonaangevende Amerikaanse rockblad Rolling Stone alvast genoeg om Mother Superior te omschrijven als “Led Zeppelin with a full erection, Decca-period Rolling Stones, and early ZZ Top with the fury of the Stooges.” Bijzonder energiek spul dus, maar dat had u al wel begrepen…

Mother Superior

Rosa Records

Sonic Rendezvous

 

 

DAVE ALVIN

“Live From Austin, TX

(DVD)

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Ze gaan elkaar steeds sneller opvolgen, de nieuwe delen in de “Live From Austin, TX”-reeks van New West Records. Maar dat geeft niet, want net als in het geval van het hier onlangs nog besproken nieuwe volume gewijd aan singer-songwriterlegende Guy Clark zijn wij ook ditmaal weer zeer in onze nopjes met wat nu weer kwam aanwaaien. Bij dezen is het immers de beurt aan huisfavoriet Dave Alvin. Het betreft daarbij een op 29 januari 1999 ten tijde van zijn CD “Blackjack David” ingeblikt optreden. Alvin verkeerde toen in bloedvorm. En de hoogtepunten volgen elkaar dan ook aan een echte rotvaart op hier. Knappe versies van bekende en minder bekende eigen liedjes als “King Of California”, “Abilene”, “Fourth Of July”, het epische “Mary Brown” en het stomende “Out In California” worden afgewisseld met Blasters-klassiekers als “Border Radio” en “Marie Marie”. Speciale vermeldingen willen we daarbij graag nog kwijt voor het bluesy, van z’n ingehouden spanning en vooral ook van een puike mondharmonicabijdrage van Ted Roddy levende “Barn Burnin’”, voor de fraaie medley bestaande uit “Jubilee Train”, “Do-Re-Me” en “Promised Land” en voor een erg mooi “Blackjack David”. Wat ons betreft ruimschoots voldoende om van de beste Alvin-live-registratie tot op heden te mogen gewagen.

(Ook verkrijgbaar op CD!)

Dave Alvin

New West Records

Live From Austin, TX

Sonic Rendezvous

 

 

VARIOUS ARTISTS

“There’s A Hole In Heaven Where Some Sin Slips Through”

(Glitterhouse / Munich)

(4) J J J J

 

 

Het kan haast niet anders, of Townes Van Zandt loopt dezer dagen ergens daarboven met een bijzonder brede glimlach rond. Zo eentje van het type waar je hem bij leven en welzijn niet al te vaak op kon betrappen. Reden? Het recent via het Duitse Glitterhouse Records verschenen eerbetoon aan zijn adres “There’s A Hole In Heaven Where Some Sin Slips Through”. Dat is immers een ongelooflijk sterke “tip of the hat” richting het betreurde singer-songwritericoon. Bijna als vanzelfsprekend werden daarvoor door onze oosterburen in eerste instantie artiesten uit de eigen stal aangezocht om een nummer van de man te vertolken. Steve Wynn & The Miracle 3 bijvoorbeeld, die onder “Lungs” voldoende gitaargeweld weten te ontketenen om het origineel compleet verweesd achter te laten. Willard Grant Conspiracy ook, die op hun beurt een werkelijk tot op het bot ontklede versie van “If I Need You” leveren, meteen één van de absolute hoogtepunten hier. Samen met “St. John The Carpenter” van de pas onlangs aan het Glitterhouse-roster toegevoegde Michael J. Sheehy that is. Mede door het even fraaie als subtiele banjowerk van Patrick McCarthy klinkt dat liedje plots even beklemmend als het beste van Nick Cave in z’n hoogdagen. En nog zo’n beauty is de Chris & Carla-versie van “Nothin’”, verkillend mooi gebracht aan “the speed of the sound of loneliness”. Een omschrijving die overigens ook perfect van toepassing blijkt op Christian Kjellvanders volledig akoestische kijk op “Heavenly Houseboat Blues” en ruigstrot Ben Weavers van het nodige respect getuigende lezing van “Highway Kind”. Andere bijdragen zijn er nog van Knife In The Water (“Two Girls”), Tindersticks (het eerder al op een EP’tje verschenen “Kathleen”), Johnny Dowd (het hier plots psychotisch funkende “Brand New Companion”), Paal Flaata (het van de compilatie “Frozen – A Selection Of Polarized Country” geplukte “Waiting Around To Die”), Marah (met een voor hun doen opvallend rustig gehouden “You Are Not Needed Now”), The Walkabouts (met een herneming van het al op hun CD “New West Motel” prijkende “Snake Mountain Blues”), Jim White & Tandy’s Mike Ferrio (met een adembenemend mooie benadering van het klassieke “To Live Is To Fly”, opgewaardeerd met snaren- en toetsenwerk van Eric “Roscoe” Ambel), Nacho Vegas (met het volledig in het Spaans gebrachte “Que Te Vaya Bien, Miss Carrusel”, voorheen ook al terug te vinden op het eigen album “Actos Inexplicables”), Jon Langford, Sally Timms & John Rice (met het supersympathieke en zeer zomers aanvoelende “White Freightliner Blues”), oudgediende David Munyon (met het van zijn eigen album “Poet Wind” ontleende “Snowin’ On Raton”) en Gary Heffern & The Walkabouts (met het gecontroleerd chaotisch aandoende “Sanitarium Blues”). Kers op de taart is een prachtig portret van Van Zandt op de hoes, signé Jon Langford. Goede verstaanders weten met dit alles meer dan genoeg!

Glitterhouse Records

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Even Cowgirls Get The Blues”

(Fargo Records / Munich)

(4) J J J J

 

 

Na het knappe “Cowboys In Scandinavia”, gewijd aan de florerende Americana scene van het Europese Hoge Noorden, opnieuw een ijzersterke thematische sampler van het kleine, maar fijne Franse label Fargo Records. Ditmaal met de blik gericht op “Ladyland” en meer bepaald op de dorpjes neo-folk, alt. country en Americana. Daarbij passeren een heleboel hier al eerder onder de loep door gehaalde dames de revue, maar ook een stel voor ons nog nobele onbekenden. Tot de eerste categorie behoren ondermeer Sera Cahoone (“Nowhere To Be Found”), Haley Bonar (“Twilight”), Liz Durrett (“Knives At The Walls”), Lauren Hoffman (“As The Stars”), The Innocence Mission (“Brotherhood Of Man”), Emily Loizeaux (de aparte Dylan-cover “Make You Feel My Love”), Kelly McRae (het schitterende eerbetoon aan The Man In Black “Johnny Cash”), Jesse Sykes & The Sweet Hereafter (“How Will We Know”) en Oh Susanna (“Billy IV”, ook al een Dylan-cover). Voor ons nog relatief nieuwe namen zijn ondermeer die van Alela Diane, Dawn Landes, Sarah White, Pink Nasty, Mariée Sioux, Bosque Brown en Laura Gibson. En daartussen zitten er enkele, die hier een serieuze indruk achterlieten. Prachtig vonden wij bijvoorbeeld de alt.-old-time van Alela Diane’s “The Pirate’s Gospel”, de verstilde folk van Dawn Landes’ “Twilight”, het met Bonnie Prince Billy gebrachte “BTK Blues” van Pink Nasty (a.k.a. Sara Beck), het intimistisch twangende “Rise Off Our Feet” van hese sirene Carrie Bell, het uiterst breekbare “Fine Lines” van Damien Jurado-ontdekking Bosque Brown en “Country, Country”, een soort van “Twin Peaks”-benadering van dat genre door de door die van Norfolk & Western begeleide Laura Gibson.

“Even Cowgirls Get The Blues” beschouwen wij dan ook als een zeer geslaagd opstapje naar het werk van tal van de betrokken artiesten. Een aantal van hen mogen vanaf nu zeker ook rekenen op wat meer aandacht vanuit deze hoek. En precies datzelfde effect zou deze plaat ook wel eens op jou kunnen gaan hebben.

Fargo Records

 

 

OH SUSANNA

“Short Stories”

(Rounder Europe / Munich)

(4,5) J J J J J

 

 

Vijfde CD ook alweer van Suzie Ungerleider en wat voor één! De Canadese schone bewijst op “Short Stories” andermaal een prominente plaats binnen het steeds uitgebreider wordende peloton vrouwelijke Americana acts waard te zijn. Op de haar geheel eigen wijze weet ze ook ditmaal weer een gezonde dosis country soul haar werk binnen te smokkelen. Alleen al die zang! Alsof er een engeltje op je tong plast, zo lekker! Nóg gloedvoller kan amper! En of ze daarbij nu tegen een legertje strijkers (“Miss Liberty”), een zacht jammerende pedal steel (“Beauty Queen”) dan wel een behoedzaam gestreelde elektrische gitaar (“Bullies”) aan zingt, het doet eigenlijk amper terzake, het klinkt echt allemaal even warm, even mooi. Hier beginnen zoeken naar highlights lijkt ons dan ook volstrekt verloren moeite. Enkel voor de eigentijdse old-time van “Pretty Polly” willen we graag een uitzondering maken. Daarin krijgt Ungerleider zowel vocaal als banjogewijs een zetje van haar getalenteerde landgenoot Justin Rutledge. Het resultaat is een niets minder dan briljant staaltje Americana. Kippenvel gegarandeerd!

Wat je verder nog hoort te weten over deze prachtplaat? Wel, bijvoorbeeld dat alle nummers van de hand van Ungerleider zelf zijn, behalve een met sfeervol slidegitaarwerk van David Baxter opgeluisterde versie van Bob Dylans “Billy 4”. En dat naast de al genoemde Rutledge ondermeer ook Luke Doucet, Bob Packwood en Bazil Donovan van Blue Rodeo, Cam Giroux en Burke Carroll acte de présence geven.

Oh Susanna

Rounder Europe

 

 

ROBBIE FULKS

“Revenge!”

(Yep Roc / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

“Revenge!” staat voor een nieuwe, prettig geprijsde dubbele dosis Robbie Fulks. Het betreft een duidelijk in twee helften uiteenvallend live-album, waarop beurtelings de rootsrocker en de bluegrassartiest in Fulks aan hun trekken mogen komen. Op CD1 raast hij met zijn vaste band doorheen een stel van zijn bekendste nummers. We noemen in dat verband bijvoorbeeld “Let’s Kill Saturday Night”, “Rock Bottom, Pop. 1”, “The Buck Starts Here” en het muzikaal bijzonder sterk aan het werk van Dave Edmunds en Rockpile herinnerende “Cigarette State”. Op de wat ons betreft zowat in elk opzicht nóg betere CD2 gaat Fulks dan weer volledig akoestisch. En daar meer dan waar ook hoor je, hoe zeer hij door de jaren heen wel gegroeid is als artiest. Nogal wat nieuwe songs, zowel originele als covers, illustreren, dat de man naast een prima songwriter en zanger ook een uitstekende gitarist is. Dat is ondermeer het geval met het soepel “gepickte” “That’s A Good Enough Reason”, het bijzonder fraaie grass-stampertje “Bluebirds Are Singing For Me” en het ingetogen “On A Real Good Day”. Andere markante wapenfeiten: een hilarische cover van de Cher-hit “Believe”, een ronduit schitterende verbouwing van z’n eigen “In Bristol Town One Bright Day” en de afsluiter, een in een met Kelly Hogan gedeelde roes gebrachte versie van de Carter Family-stamper “Away On The Old Saint Sabbath”.

Robbie Fulks

Yep Roc Records

 

 

GEORGE JONES & FRIENDS

“50th Anniversary Tribute Concert”

(DVD)

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

Net iets té commercieel opgevat, deze door de Amerikaanse zender PBS uitgezonden en door Reba McEntire gepresenteerde Soundstage-verjaardagsspecial gewijd aan George “The Greatest Living Country Singer” Jones, om ons van begin tot einde te kunnen boeien. We kunnen ons immers niet van de indruk ontdoen, dat artiesten als een Dwight Yoakam, een Kelly Willis, een Robbie Fulks, een Dallas Wayne, een Jason McCoy, een Rodney Crowell, een Marty Stuart of een Jim Lauderdale, om er maar een paar te noemen, hier veel meer uit hadden kunnen puren. Maar goed, verspreid over de twee DVD’s laten er zich nog wel voldoende goede momenten aanwijzen om hier nog net van een te verantwoorden aankoop te mogen gewagen. We denken dan bijvoorbeeld aan de bijdragen van Alan Jackson, Randy Travis, Shelby Lynne, Emmylou Harris, Kris Kristofferson en het feestvarken zelf. Vooral zijn duetten met Travis, Lynne, Wynonna en Connie Smith zijn bescheiden hoogtepuntjes. Andere betrokkenen: Aaron Neville, Trick Pony, Vince Gill, Lorrie Morgan, Trace Adkins, Sammy Kershaw, Uncle Kracker, Kenny Chesney, Amy Grant, Tanya Tucker, Joe Diffie, Martina McBride en Harry Connick Jr. Als toemaatje zijn er bovendien ook nog een stel interviews en de video’s bij de nummers “50,000 Names” en “The Cold Hard Truth”.

(Ook verkrijgbaar in een “extended version” mét CD.)

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

LORIANNA MATERA

“Nobody’s Angel”

(Earwave Records)

(4,5) J J J J J

 

 

 

Hét grote voordeel van schrijven over muziek is, dat je vaak op de eerste rij zit als er zich werkelijk uitzonderlijke talenten aandienen. En dat geeft een bepaald prettig gevoel. Het weten, dat je op de één of andere manier kan bijdragen tot het verspreiden van een naam, die het gewoon verdient om binnen de kortste keren op eenieders lippen te branden. En Lorianna Matera is er weer eens zo één. Die bevallige Amerikaanse leverde zopas met haar debuut “Nobody’s Angel” een schijf af, waarmee ze zelfverzekerd een eigen plaatsje opeist tussen gerenommeerde artiesten als een Dolly Parton, een Rhonda Vincent, een Claire Lynch, een Alison Krauss en een Alecia Nugent. Net als elk van die dames beschikt ze over de stem van een engel en benadert ze hier zowat overal de perfectie. Met haar muziek voltrekt ze zo ongeveer het perfecte huwelijk tussen bluegrass en traditionele country. Oudgediende Dave Pomeroy tekende voor de productie van “Nobody’s Angel” en zag met kleppers als Rob McCoury, Rob Ickes, Stuart Duncan, Sam Bush, Kenny Malone, Russ Pahl, Andrea Zonn, Larry Cordle, Tim O’Brien, Glen Duncan, Carl Jackson, Jon Randall, Terry Eldredge en Cheryl Warren en Sharon Skaggs van The Whites een echt droomteam de studio komen binnenwandelen. En als je daar nog aan toevoegt, dat Matera bij het kiezen van de songs voor haar eersteling een erg gelukkig handje had, dan weet je al haast bij voorbaat, dat dit nauwelijks anders dan goed kan zitten. En het is dan ook echt genieten geblazen bij dingen als “A Jealous Heart And A Worried Mind” van Peter Rowan, “Nobody’s Angel” van Larry Cordle en Leslie Satcher, “We Should Be Together” van Allen Reynolds, “Just Like You” van Pete Wernick, “Lonesome Dove” van Larry Cordle en Carl Jackson, “Destiny’s Daughter” van Matraca Berg, Tim Krekel en Al Anderson, “One Drop Of Rain” van Tim O’Brien en Hal Ketchum, “Life’s A Rough And Rocky Road” van Gretchen Peters, “You’re Missing” van Bruce Springsteen en “God Gave Me A Heart To Forgive” van Loretta Lynn en Bob en Barbara Cummings. De overige drie liedjes, “Wandering Heart”, “I Look, I Saw, I Loved” en “You Can Never Run Out Of Love”, schreef Matera in haar eentje of met de hulp van producer Pomeroy. En ook op dat vlak toont ze daarmee flink wat in haar mars te hebben. Die nummers moeten immers absoluut in niets onderdoen voor die van haar veel bekendere collega’s. De conclusie die zich naar aanleiding van dit visitekaartje opdringt is dan ook heel eenvoudig: dit is gewoon een regelrechte moordplaat van een dame waar we nog héél veel van gaan horen! Veel mooier kan je akoestische muziek immers amper brengen.

Lorianna Matera

Earwave Records

CD Baby

 

 

TWO GALLANTS

“The Scenery Of Farewell”

(Saddle Creek / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

 

Verrassing van formaat vanuit het Two Gallants-kamp. De twee toch vooral omwille van hun behoorlijk agressieve, uit gelijke delen rock, punk, folk en old-time blues bestaande live shows bekend staande youngsters verbazen op de net onder het half uur klokkende EP “The Scenery Of Farewell” met vijf erg rustige liedjes. Je hoort op deze voorganger van de in de komende herfst te verschijnen derde volwaardige langspeler van het duo zo als het ware het muzikale alter ego van Adam Stephens en Tyson Vogel aan het werk. In deze “kampvuurliedjes met een behoorlijk hoog vroege-jaren-zeventigghalte” bedienen ze zich voornamelijk van akoestische instrumenten. Naast gitaren is er zo bijvoorbeeld plaats voor piano, mondharmonica, cello, viool, contrabas, drums, diverse percussie-instrumenten en een… tuinslang. De nadruk ligt bij de Gallants ditmaal dan ook net wat meer op folk en pop dan normaal. En, eerlijk is eerlijk, ons bevalt dit zeker zo goed als wat ze brachten op “What The Toll Tells”. Maar overtuig je vooral zelf even van de kwaliteit van het hier gebrachte materiaal middels een download van “Seems Like Home To Me”, aangeboden via de webstek van de heren.

Two Gallants

Saddle Creek

 

 

JOHN WORT HANNAM

“Two-Bit Suit”

(Black Hen Music)

(4) J J J J

 

 

Canada blijft zich de jongste maanden alsmaar meer profileren als hét Americana-land bij uitstek. Vooral daar waar het singer-songwriters betreft blijven de uitstekende releases elkaar van daar uit aan een zeer hoog tempo opvolgen. Zo is er nu bijvoorbeeld ook weer “Two-Bit Suit”, de voortreffelijke nieuwe van John Wort Hannam. Diens derde heeft echt alles, wat wij van een goede singer-songwriterplaat roots-stijl verwachten. In een productie van Steve Dawson tekent Hannam hier voor elf eigen composities, waarin hij zich op geheel eigen wijze buigt over het leven van alledag met al z’n snikken en grimlachjes. Stemgewijs mag hij ons dan nog een beetje aan één van onze lievelings-Texanen, Max Stalling, herinneren, zowel muzikaal als tekstueel ontpopt hij zich tot een echte original. Vooral zijn lyrics zijn bij momenten zeer straf. In “10,000 Acres” schuilt zo bijvoorbeeld een soort van protestliefdesliedje. Een hardwerkende boer zag zijn vrouw vertrekken en hoorde haar na haar aftocht verkondigen, dat ze het nu zoveel beter had. Velen zouden het op een schelden zetten en haar vervloeken tot aan het einde van haar dagen, niet echter Hannams protagonist. Die wil eigenlijk nog maar één ding en dat is opnieuw beginnen met… z’n ex. Nog zo’n beauty is het ingetogen, door Steve Dawson van een streepje dobro voorziene “Infantryman”. Daarin verwelkomt een vader z’n soldaat-zoon terug thuis. Zij het dan wel in een kist. En dan is er nog “Black As Coal”. Dat liedje schreef Hannam voor de weduwen van de in 2006 bij een mijndrama in Sago, West Virginia omgekomenen. Met een even simpele als geniale strofe als “And this mine brought life to this town they say, forgetting the lives it took away. The bosses spit shine the toes of their shoes, with the tears widows weep over those they lose.” vertaalt hij in één vlotte beweging zowel het immense verdriet als de ingehouden woede van de achtergeblevenen.

Bijgestaan wordt Hannam op “Two-Bit Suit” overigens niet enkel door snarenvirtuoos Steve Dawson. In het zopas genoemde “Black As Coal” komt zo ondermeer mando-virtuoos John Reischman voorbij en daarin en elders stoten we ook nog op de namen van bassist Keith Lowe, drummer Geoff Hicks, toetsenman Chris Gestrin en gastvocalisten Jeanne Tolmie en Tyler Bird van J.T. King.

Net als de recente CD’s van zijn labelgenoten Cara Luft, Linda McRae, Jenny Whiteley en Jim Byrnes van hieruit van ganser harte aanbevolen, deze derde van John Wort Hannam.

John Wort Hannam

Black Hen Music

CD Baby

 

 

JENNY OWEN YOUNGS

“Batten The Hatches”

(Nettwerk / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

“Batten The Hatches” werd door de jonge Canadese Jenny Owen Youngs al in 2005 in eigen beheer uitgebracht. Jammer genoeg zonder al teveel commercieel succes. Gelukkig voor ons krijgt het album nu via Nettwerk een tweede kans. Gelukkig, omdat Youngs zowel een uitstekende zangeres als een tot de verbeelding sprekende liedjesschrijfster is. Stemgewijs herinnert ze beurtelings aan Jolie Holland, Joni Mitchell en Nellie McKay. Muzikaal gezien valt ze een stuk moeilijker te plaatsen. Op “Batten The Hatches” filtert ze alles wat ze denkt nodig te hebben uit diverse genres. Indie pop, folk, jazz, country, je zegt het maar! Overgoten met een orkestraal sausje en hier en daar gekruid met wat dromerige elektronica levert dat een even aparte als smakelijke maaltijd op. Eentje waarin Youngs zich tekstueel manifesteert als een intelligente en vooral ook behoorlijk harde tante. Luister bijvoorbeeld maar eens naar nummers als “Bricks”, “Drinking Song” of “Voice On Tape”, waarin respectievelijk het alsmaar meer afbrokkelende moderne gezinsleven, drankgebruik en een ex-vriendje het moeten ontgelden, en je zal ons daarin wellicht graag volgen.

Jenny Owen Youngs

Nettwerk

 

 

JAMES BLOOD ULMER

“Bad Blood In The City”

(The Piety Street Sessions)

(Hyena / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Voor “Bad Blood In The City: The Piety Street Sessions” ging James Blood Ulmer een samenwerkingsverband aan met de met name om zijn werk bij de zwarte Amerikaanse rockgroep Living Colour bekend staande Vernon Reid (productie, elektrische en akoestische gitaren) en de verder uit Leon Gruenbaum (ondermeer toetsen en klarinet), Charlie Burnham (elektrische fiddle en mandoline), David Barnes (harmonica), Mark Peterson (diverse bassen), Aubrey Dayle (drums en percussie) en Irene Datcher (backing vocals) bestaande Memphis Blood Blues Band. Het betreft een collectie eigen liedjes gewijd aan de orkaan Katrina en de catastrofale nasleep daarvan, aangevuld met toepasselijk materiaal van anderen. Zo buigt Ulmer zich hier over “Sad Days, Lonely Nights” van Junior Kimbrough, John Lee Hookers “This Land Is Nobody’s Land”, “Grinnin’ In Your Face” van Son House, de vooral in de uitvoering van Bessie Smith bekende traditional “Backwater Blues”, Howlin’ Wolfs “Commit A Crime” en Willie Dixons “Dead Presidents”. Het resultaat is een uitermate intense, bijzonder intrigerende en elke categorisering ontwijkende moderne bluesplaat, die je gerust als één van de voorlopige hoogtepunten in Ulmers carrière mag bestempelen. Zo en niet anders klinken menselijk leed, pijn en woede.

James Blood Ulmer

Hyena Records

Bertus

 

 

TWO COW GARAGE

“III”

(Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Derde worp van het uit Columbus, Ohio afkomstige gezelschap Two Cow Garage en meteen is de al met “Please Turn The Gas Back On” uit 2003 en het een jaar later verschenen “The Wall Against Our Back” ingezette hattrick compleet. Alles waarvoor je wel van deze groep móet houden is weer in royale mate voorhanden. In de eerste plaats is dit zo opnieuw een echte collectie moordsongs. Liedjes zoals Paul Westerberg en zijn kornuiten van de Replacements die in hun beste dagen ook met enige regelmaat pleegden op te hoesten. En dan is er natuurlijk ook nog die stem van Micah Schnabel! Zo klinken teer en sloten alcohol dus! Vooral rauw en hees, maar op de één of andere manier toch ook wel een beetje teder. En dan zwijgen we nog over de gitaren! Om elke songhoek loeren er hier wel een paar, klaar om je onverhoeds te bespringen en vervolgens genadeloos af te maken.

“III” werd onder de productionele hoede van Matt Pence van Centro-Matic en Brent Best van Slobberbone en The Drams ingeblikt in The Echo Lab in Denton, TX. Zelf leverden die twee ook nog bijdragen op respectievelijk tamboerijn en elektrische gitaar, maar hun taak bestond er toch vooral in om het werk van de heren Schnabel, Sweeney en Harigle en gasten Scott Danbom (toetsen), Dave Pierce (trombone) en Josh Fox (tenorsax) in geluidstechnisch juiste banen te leiden. En van die taak hebben ze zich ook voortreffelijk gekweten. Zo zijn wij hier echt kapot van songs als het na een rustige aanloop heerlijk ontploffende en in een streepje “Won’t Get Fooled Again” van The Who uitmondende “Camaro”, het als een meute hongerige wolven voortjakkerende en qua intensiteit een beetje aan Stiff Little Fingers herinnerende “Blanket Gray”, het ook al zo lekker strak ingespeelde “Epitaph”, rustpuntje “Should’ve California” en het toetsengewijs met een shot R&B opgewaardeerde “Now I Know”. Daar haalt een mens nu graag nog eens de luchtgitaar voor boven, zie!

Two Cow Garage

Sonic Rendezvous

 

 

TODD SNIDER

“Live With The Devil You Know”

(At Grimey’s, Nashville, 10.20.06)

(New Door / Universal)

(3,5) J J J J

 

 

Met dit goedkope tussendoortje speelt Todd Sniders nieuwe werkgever Universal handig in op de vele aandacht die hem naar aanleiding van zijn laatste studioplaat “The Devil You Know” te beurt viel. Het betreft de registratie van een akoestisch optreden dat de beste man in oktober van vorig jaar afwerkte in Nashville. Slechts gewapend met de eigen stem, een mondharmonica en een akoestische gitaar werkt hij zich daarop doorheen acht liedjes van z’n al genoemde laatste plaat. En zo is de man eigenlijk gewoon op zijn best. Dingen als het humoristische “Thin Wild Mercury”, waarin hij Bob Dylan Phil Ochs er van langs laat geven, het titelnummer van z’n laatste “The Devil You Know”, het intelligente “Just Like Old Times” en de meer gesproken als gezongen medley van “Happy New Year” en “All That Matters” profiteren ten volle van de relaxte manier waarop ze hier door Snider worden benaderd. En ook de naar goede gewoonte erg gevatte bindteksten tussen de nummers mogen er zijn. Als je ’t ons vraagt dan ook veel meer dan zomaar een leuke aanvulling van de collectie van volledigheid nastrevende verzamelaars, deze live-EP. Doe er vooral je voordeel mee

Todd Snider

 

 

GUY CLARK

“Live From Austin, TX”

(DVD)

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Voor zover ons bekend de allereerste Guy Clark-DVD, dit nieuwe deel in de “Live From Austin, TX”-reeks van New West Records, en meteen ook één van onze absolute favorieten in die gestaag groeiende collectie topmateriaal. De opnames ervoor werden gemaakt in november ’89. Zelf nam Clark daarbij naast de zang uiteraard ook de akoestische gitaar voor zijn rekening. Verder zijn er bijdragen op respectievelijk fiddle en bas van Stuart Duncan en Edgar Meyer. Zij begeleiden de legendarische Texaanse songwriter doorheen een hele trits van zijn bekendste liedjes. We noemen ondermeer “Texas 1947”, “L.A. Freeway”, “Old Friends”, “Randall Knife”, “Desperados Waiting For A Train”, “The Last Gunfighter Ballad”, “Better Days” en “Texas Cookin’”. De enige vreemde eenden in de bijt zijn het door zijn vrouw Susanna en Richard Leigh gepende “Come From The Heart” en “To Live Is To Fly” van dat andere monument, Townes Van Zandt. Prettig aan elkaar gepraat door de meester zelve goed voor ruim een uur entertainment van de bovenste plank in naar goede “Austin City Limits”-gewoonte excellente beeld- en geluidskwaliteit. Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn en we hopen voor u van hetzelfde!

Guy Clark

Live From Austin, TX

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

JOHN PRINE & MAC WISEMAN

“Standard Songs For Average People”

(Oh Boy Records)

(3,5) J J J J

 

 

Zo heel erg veel is er eigenlijk absoluut niet nodig om ons even stil te krijgen én te houden. Je duwt ons gewoon de één of andere CD van good ol’ John Prine in de handen, je gunt ons een moment van het opperste singer-songwritergenot in absolute afzondering “And that’s it!” Hier spreekt een fan, zoveel is daarmee wel duidelijk. En eentje, die het wel heeft ook voor “Standard Songs For Average People”, de recent verschenen samenwerking tussen die Prine en bluegrassgrootheid Mac Wiseman. Het was Cowboy Jack Clement, die erin slaagde om de twee samen achter de microfoon te krijgen. Dat idee was wel o.k., vonden ze, zo lang ze zelf maar het repertoire mochten kiezen. En dat is behoorlijk uiteenlopend. Van religieuze hymnes als “In The Garden” of “Old Rugged Cross” tot Kris Kristoffersons “Just The Other Side Of Nowhere”, van country classics als Al Dexters “Pistol Packin’ Mama”, Bob Wills’ toepasselijk getitelde “Don’t Be Ashamed Of Your Age” of Leon Payne’s “I Love You Because” tot iets van gemeenschappelijke favoriet Tom T. Hall (“Old Dogs, Children And Watermelon Wine”). Het resultaat is een Americanaplaat die sfeergewijs zo bij het begin van de jaren zestig gemaakt had kunnen zijn. En als dusdanig zal ze wellicht vooral ook de al wat oudere liefhebbers van het genre aanspreken. Al was het al maar omdat de verweerde baritonstem van Prine en de melodieuze tenor van Wiseman zo prachtig samen kleuren.

John Prine

Oh Boy Records

 

 

JEB LOY NICHOLS

“Days Are Mighty”

(Tuition / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Een plaat die hier eigenlijk een kleine maand te laat kwam aanwaaien, deze “Days Are Mighty” van Jeb Loy Nichols. Dit zou immers zo ongeveer dé ideale soundtrack voor op zonovergoten terrasjes doorgebrachte uren geweest zijn. Met zijn aangenaam lijzige stem schildert Nichols de prachtigste miniatuurtjes, die vrijwel voortdurend flirten met pop, soul en jazz tegelijk. Kleinoden zijn het, die in kringen waar men ook wel eens iets van Jack Johnson of Ray LaMontagne pleegt te consumeren vast op de nodige goedkeuring zullen kunnen rekenen.

“The Mighty 2 Disc Edition” van het album bevat als extraatje ook nog een schijfje met 10 demo’s. Slechts gewapend met de eigen stem en een akoestische gitaar doet Nichols daarin de tijd al helemaal even stilstaan. Bloedmooi allemaal!

Tuition

Sonic Rendezvous

 

 

WARREN ZEVON

“Preludes – Rare And Unreleased Recordings”

(New West / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Een poosje na de dood van zijn vader in 2003 stootte Jordan Zevon bij het opruimen van een opslagruimte eerder toevallig op een grote hoeveelheid onuitgegeven materiaal van zijn ouweheer. In het totaal ging het daarbij om 126 liedjes. 16 daarvan nam de jonge Zevon geluidstechnisch onder handen en die worden ons nu als “Preludes: Rare & Unreleased Recordings” voorgeschoteld. Het betreft daarbij uitsluitend materiaal van voor zijn door Jackson Browne geproduceerde debuutplaat, van ergens in de eerste helft der jaren zeventig met andere woorden. Zes van de songs in kwestie verschijnen überhaupt voor het eerst op plaat. De rest zijn demo’s en alternatieve versies van klassiek Zevon-liedgoed als “Werewolves Of London”, “Poor Poor Pitiful Me”, “Carmelita” en “Hasten Down The Wind”. Een soort “Portrait Of The Artist As A Young Man” dus, om het met de titel van een aan Louis Armstrong gewijde box set te omschrijven. Versies, die overigens stuk voor stuk voldoende afwijken van de originelen om een release te rechtvaardigen. Het hier een stuk snediger aandoende “Poor Poor Pitiful Me” lijkt zo bijvoorbeeld weggelopen uit de één of andere garagebox, waarin de gitaren ver weg van de buren nog ongegeneerd hun gangen mochten gaan, en “Werewolves Of London” flirt lekker relaxt zelfs voorzichtig met reggae, om maar te zeggen...

Een aantal van de songs werden door Zevon gebracht met een volledige band achter zich, voor een aantal andere volstonden de eigen gitaar of piano als begeleiding. Aan variatie dus zeker ook geen gebrek hier.

Een tweede CD bevat een bijna veertig minuten durend en met muziek doorspekt interview met KGSR-FM-DJ Jody Denberg, die het met Zevon ondermeer heeft over zijn vak, de vroege jaren van zijn carrière, sterfelijkheid, de King of Rock & Roll, producers, zijn CD “Life’ll Kill Ya”, zijn inspiratiebronnen, televisie, films, acteren, optreden en dies meer.

Een rijkelijk gestoffeerd booklet is de ultieme kers op de taart! Voor zowel fans van de man zelve als voor liefhebbers van het betere singer-songwritermateriaal in het algemeen een absolute aanrader dus, deze “Preludes”.

Warren Zevon

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

THE .357 STRING BAND

“Ghost Town”

(Rosa Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

De ooit ó zo heilige muzikale huisjes bluegrass en old-time string music liggen er de jongste jaren eerder verweesd bij na de doortocht van vrolijke ketters als die van de Hackensaw Boys, de Foghorn Stringband, Old Crow Medicine Show en de Pine Box Boys. Van het strakke traditionele keurslijf van weleer bleef na zoveel jeugdig geweld amper nog een vezel heel. So much for oubolligheid dus! En al helemaal na een zoveelste nieuwe aanslag door een uit Milwaukee, Wisconsin afkomstig viertal langharige tattoo freaks luisterend naar de veelzeggende naam .357 String Band. Wat dat prettig gestoorde kwartet op z’n debuut presteert valt qua aanpak misschien nog wel het best te vergelijken met de intraveneuze shot punk waarmee Shane MacGowan en z’n Pogues het al even met het verleden vergroeide folkgenre ooit als een donderslag bij heldere hemel nieuw leven wisten in te blazen. Aan het helpende handje van producers JD Wilkes van Th’Legendary Shack*Shakers en Lonesome Wyatt van Those Poor Bastards dansen Jayke Orvis (mandoline, zang, spoons, washboard), Joe Huber (banjo, zang), Derek Dunn (gitaar, zang) en Rick Ness (akoestische bas) op hun debuutplaat “Ghost Town” uitzinnig op de graven van zowel good ol’ Hank, Bill Monroe als Joe Strummer. Het resultaat: “Bluegrass with an attitude” of, zoals ze ’t zelf noemen, “amphetamine-fueled mountain music”. Een meedogenloze aanvaring tussen punk, hillbilly en bluegrass is het, die absoluut geen verzet duldt. Onder het motto “Rather be hated for what we are than loved for who we ain’t” worden zo ongeveer alle voorhanden zijnde snaarinstrumenten hier vrijwel voortdurend gegeseld met een werkelijk tot de verbeelding sprekende overgave. De flitspaal die speedgrass-opdondertjes als een “Pig In A Pen”, een “Thank You” of een “Shotdown”, om er zomaar met de natte vinger een drietal uit te lichten, op de gevoelige plaat vastgelegd krijgt, moet ons inziens nog worden uitgevonden. Onweerstaanbaar gewoon, zo strak gebracht allemaal! Je ruikt als het ware het zweet en het bier, die ongetwijfeld beide in royale hoeveelheden gevloeid hebben tijdens de opnamen van dit indrukwekkende visitekaartje…

The .357 String Band

Rosa Records

Sonic Rendezvous

 

 

ELLIOTT MURPHY

“Coming Home Again”

(Last Call / Bang!)

(3,5) J J J J

 

 

Ontgoocheld heeft Elliott Murphy ons eigenlijk nog nooit echt en dat doet de singer-songwriter op jaren ook op zijn ondertussen toch ook alweer negenentwintigste CD niet. Op het gezien z’n inhoud eigenlijk best wel toepasselijk getitelde “Coming Home Again” grijpen hij en zijn Franse gitaarrechterhand Olivier Durand stilistisch gezien terug naar vroegere platen als “Aquashow” en het van hieruit nog altijd warm aanbevolen “Just A Story From America”. Het merendeel van het materiaal erop is aan de eerder rustige, zeg maar enigszins bezadigde kant. Enkel rockertjes als “Pneumonia Alley”, “As Good As”, “Mary Ann’s Garage Sale” en “Canaries In The Mind” springen er wat dat betreft een beetje uit.

Voor het overige vooral “business as usual” hier. De inhoudelijk zoals steeds weer erg knappe songs, die vertrouwde warm-lijzige stem van de man zelve en sfeervol gitaarwerk van Durand. De ondermeer van zijn werk voor Willie DeVille bekende Kenny Margolis zorgt toetsengewijs voor een zekere meerwaarde. Luistertip: de kippenvelverwekkende ballade annex luisterliedje “Making Friends With The Dead”, als je ’t ons vraagt gewoon één van de allerbeste Murphy-liedjes ooit.

Elliott Murphy

 

 

DAVID RODRIGUEZ

“A Winter Moon”

(Folkwit)

(3) J J J

 

 

“It’s a mother and child reunion,” kweelde Paul Simon jaren geleden met enige regelmaat etherwaarts en daar komt het op deze nieuwe van de momenteel boven de Moerdijk woonachtige Texaanse singer-songwriter David Rodriguez eigenlijk ook op neer, al is het dan wel pa die ditmaal van dienst is. Het in het Nederlandse Dordrecht opgenomen “A Winter Moon” herenigt immers vader en dochter Rodriguez. De ondertussen dankzij de ruggensteun van Chip Taylor haar ouweheer inzake populariteit aardig voorbij gesnelde Carrie staat deze daarop bij op de viool en laat zich naar goede gewoonte ook vocaal niet helemaal onbetuigd. Fraai harmoniërend helpt ze zo menig een song van haar pa naar een hoger niveau te tillen. David Rodriguez zelf neemt naast de zang ook beurtelings de akoestische gitaar en de piano voor zijn rekening, Javier Vercher van zijn kant staat in voor het percussiewerk en een occasionele saxnoot. Het resultaat van die collaboratie is een sfeervolle singer-songwriterplaat zonder echte noemenswaardige uitschieters. Bekende en minder bekende liedjes als “Kingdom Of Your Heart”,”Ballad Of The Snow Leopard And The Tanqueray Cowboy”, “The Friedens Angel”, “The Ballad Of Wanda Jewel”, “Hurricane”, “The Hoeksche Waard”, “Cuba Libre”, “Weary Eyes”, “Santa Cruz” en “Everything To Me” kabbelen vrij gezapig aan je voorbij en staan als dusdanig garant voor een avondje aangenaam luisteren.

Als extraatje werd aan het geheel ook nog het nummer “Constant War” toegevoegd. Dat nam Rodriguez samen met gitarist Jimmy George en accordeonist Dan Earheart op een Nokia 3300 op, sloeg het op de harde schijf van z’n computer op, mailde het vervolgens door naar George, die het terug thuis in Austin, Texas masterde. En het moet gezegd, het resultaat klinkt ondanks zoveel kunst-en-vliegwerk best wel aardig.

David Rodriguez

Folkwit

 

 

JIM SUHLER & MONKEY BEAT

Tijuana Bible”

(Continental Blue Heaven / Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Nieuwe CD van de Texaanse snarenbeul en z’n kompanen. En naar goede gewoonte komt Jim Suhler ook op “Tijuana Bible” gitaargewijs weer messcherp uit de hoek en vindt hij in toetsenman Shawn Phares en z’n ritmetandem bestaande uit bassist Carlton Powell en drummer-percussionist Jimmy Morgan de ideale begeleiders om hem bij het genadeloos geselen van zijn aftandse Fender bij te staan. In de opener, het in zonde gedrenkte titelnummer, gebeurt dat nog lekker beheerst, maar lang duurt het niet voor Suhler in overdrive gaat. Gelijk van bij het tweede liedje, het werkelijk als een wildeman aan zijn kettingen snokkende “Devil In Me”, gaat het dak er een eerste keer vanaf. In nummer drie maakt vervolgens plots oudgediende Elvin Bishop z’n opwachting. Hij schreef “Drunken Hearted Boy” en was dus ook dé aangewezen man om er een serieuze lap op de slide in te komen geven. Nummer vier transponeert “Up To My Neck In You” van het Australische hardrockcollectief AC/DC naar zompigere bluesgronden en nummer vijf klinkt net zo broeierig als z’n titel “Long Hot Summer” dat vooraf al doet vermoeden. Iets wat overigens ook geldt voor de ongemeen mooie, door Joe Bonamassa van beklijvend gitaarwerk voorziene sleper “Deep Water Lullaby”, waarin wij echo’s van zowel wijlen Stevie Ray Vaughan als van het blinde fenomeen Jeff Healey meenden te mogen herkennen. Andere opvallende songs: de bijzonder straffe Rory Gallagher-cover “I Could’ve Had Religion” en het over een lekker rock & rollmotiefje heen denderende “Border Rock”, een eerbetoon aan Suhlers eigen “favorite sound”.

Jim Suhler

Rounder Europe

 

 

H.T. ROBERTS

“Fingernail Moon”

(Misty Music House / Bertus)

(4,5) J J J J J

 

 

Stellen dat z’n nieuwe plaat al het goede bevestigt, wat er de jongste jaren over H.T. Roberts werd gezegd en geschreven, zou als je ’t ons vraagt een understatement van jewelste zijn. De Gentenaar heeft zopas met z’n vijfde immers niks minder dan een droom van een Americana-album afgeleverd. “Fingernail Moon” bulkt van het materiaal, waarmee hij zich met sprekend gemak tot op het niveau van gevestigde singer-songwriterwaarden als een Chip Taylor of zelfs een John Prine weet te hijsen. Je moet het gewoon horen om het te kunnen geloven! Heerlijk, hoe Roberts’ verhalen en reflecties voor zo ongeveer elk denkbaar gevoel de juiste voedingsbodem lijken te vormen. Voor het aan ogenblikkelijk herkenbare beelden opgehangen sluimerende verlangen in homecoming song “Woodsmoke” bijvoorbeeld. Of voor de door een zwaar verleden gevoede twijfel, die in “Nightingale Floors” een ontluikende romance in de kiem lijkt te zullen smoren. Of ook de mistroostigheid, die in “Do Right By Maria” van de protagonist afstraalt, die samen met zijn baan eensklaps ook zijn vrouw en zoontje verliest. Of de opeenvolging van verdriet, weemoed en hoop, waar de niet langer thuis residerende vader zich doorheen worstelt in “Happy Birthday Princess”, als hij zich de verjaardag van zijn 12-jarige dochter herinnert en haar door schuldgevoelens overmand opbelt. Roberts maakt het je bepaald niet moeilijk om je in zijn personages in te leven.

En zelfs nog mooier zijn dié liedjes, waarin hij je effectief in z’n gedachtenwereld toelaat. We denken dan in eerste instantie aan “Massey-Ferguson Blues”, waarin hij zich luidop afvraagt, of hem ooit hetzelfde lot beschoren zal zijn als de aftandse tractor uit de titel waar na jaren van intensief gebruik niemand nog naar omkijkt. “I can’t help but wonder, if we’ll all end up that way,” stelt hij, “come the end of all our useful days.” Het is een vaststelling, die inderdaad tot nadenken stemt… Nog zo’n juweeltje is “Soon The Moon”, waarin Roberts zijn liefde vergelijkt met de vier jaargetijden. Elk voor zich mooi in al hun wisselvalligheid.

Net als de hier eerder al genoemde John Prine schuwt ook onze landgenoot een komische noot op haar tijd niet. Zelfs niet in “The Maze”, een nochtans behoorlijk scherp geformuleerde en bijzonder goed gestoffeerde aanklacht tegen het leven van alledag anno nu, waarin waarden steeds minder waarde blijken te hebben. Hoe serieus ook bedoeld, een regel als “Don’t talk of worth unless it sells, don’t call it shit even if it smells, the margin between here and hell is fading.” was hier toch vrijwel ogenblikkelijk goed voor een behoorlijk brede glimlach. Net als zo ongeveer de gehele, met veel gevoel voor humor gebrachte kijk op het leven, die “The Drifter” is, of het afsluitende “Went To See The Indians”. In dat met een snuifje vaudeville gekruide laatste liedje schildert Roberts ons door de ogen van een ondertussen opgegroeide knaap het bezoek van Buffalo Bill Cody’s rondtrekkende Wild West Show aan zijn stad om het uiteindelijk verrassend te laten uitmonden in een tongue in cheek-verklaring voor de roepnaam van zijn favoriete voetbalclub: Buffalo, Buffalo, AA Gent…

Bij zoveel tekstueel fraais zou je voorwaar compleet vergeten om ook even op het muzikale in te gaan. En dat is al even geslaagd te noemen. Met Gijs Hollebosch (dobro, akoestische slide en leadgitaren, mandoline), Filip Wauters (pedal steel),Gabriela Arnon (piano), Pol Segers (tuba in “Went To See The Indians”) en Niels Delvaux (drums, percussie) weet Roberts zich immers andermaal uitstekend omringd. En als je daar nog aan toevoegt, dat ook z’n maatje Bruno Deneckere even voorbij kwam voor wat harmonieerwerk, dan is de cirkel volledig rond. “Fingernail Moon” noteren we nu al als één van dé allermooiste Americana-platen van het jaar 2007. En daar is absoluut geen greintje chauvinisme mee gemoeid!

H.T. Roberts

 

 

DAVID OLNEY

“One Tough Town

(Red Parlor / Xango Music)

(4,5) J J J J J

 

 

David Olney is wat je noemt een echte songwriter’s songwriter. Het grote publiek wil ondanks een flink stel nochtans meer dan voortreffelijke platen vooralsnog niet echt aan ‘m, maar in kennerskringen en onder collega’s geniet hij des te meer aanzien. Genregroten als een Emmylou Harris, een Linda Ronstadt, een Steve Young, een Del McCoury en vele anderen coverden reeds met plezier één of meerdere van zijn songs en wijlen Townes Van Zandt, zelf toch ook niet van de minsten, ging ooit zelfs zo ver om hem openlijk één van de allerbeste songwriters te noemen, die hij ooit had gehoord. Het kan al tellen als compliment…

En van die stilaan richting zijn zestigste evoluerende crack verscheen nu de ronduit voortreffelijke CD “One Tough Town”, misschien wel z’n beste überhaupt. Louter muzikaal gezien is het alvast een bijzonder rijke plaat, waarop Olney uit flink wat verschillende muzikale vaatjes tapt. Gelijk van bij het openingsnummer, het bluesy “Whistle Blow”, vliegt hij er behoorlijk gedecideerd in. Dat nummer klinkt zo ongeveer als een spontane jamsessie met als betrokkenen J.J. Cale en de begeleiders van Tom Waits. Met een speciale vermelding voor Olney’s eigen, zeer sfeervolle mondharmonicawerk. Vervolgens is er het voorwaar zelfs lekker vet rockende “Sweet Poison”, dat zich met z’n bezwerende beat al na amper één enkele beluistering niet meer van tussen je oren lijkt te willen laten verdrijven. In het derde nummer gaat het tempo vervolgens flink naar omlaag. Tegen een jazzy achtergrond, waarin tuba, trombone, klarinet, gitaar, banjo, ukelele en piano de dienst uitmaken, spelt een revolterende handpop haar baasje, een buikspreker, vrank en vrij de les. “Little Mustang” is aansluitend opnieuw blues, maar dan wel met een flinke portie woestijnzand tussen de wielen. “No Lies”, één van de traditionelere liedjes van het geheel, leende Olney bij z’n Nederlandse collega Rudy van Dam, “Snake Song” dan weer van de hier eerder al genoemde Townes Van Zandt.

Eén van de sterkste nummers vinden wij persoonlijk het middels een soort van marching drum percussieritme en opnieuw tuba en trombone ongegeneerd richting New Orleans lonkende “Oh Yeah (Dead Man’s Shoes)”. Da’s het soort van liedje waar ook de doorsnee-Tom Waits-fan ongetwijfeld het nodige plezier zal aan beleven. Andere bescheiden hoogtepunten: het exotisch-zwoele, samen met de onvolprezen Gwil Owen gepende “Panama City”, het met een snuifje Dixieland gekruide “Sweet Potatoe” en zeker ook het titelnummer. In dat laatste kruipt Olney allegoriegewijs in de huid van de doorgewinterde performer die zijn aankomende jonge collega meent te moeten waarschuwen voor de harde kant van het door hem gekozen bestaan en het leven op aarde in het algemeen. “Earth is one tough town,” meent ie. Aandacht tenslotte ook nog voor “Postcard From Mexico” en het afsluitende “Rainbow’s End”. In het eerste vertelt de protagonist over een bluesy ritme, hoe hij zich door een mysterieuze schone liet verleiden tot het overvallen van een drankhandel om vervolgens weer door haar verlaten in een cel achter te blijven, het tweede is gewoon een zomers opgewekt liefdesliedje.

David Olney

Red Parlor

 

 

RICHARD DOBSON

“Back At The Red Shack”

(Brambus / Greenheart)

(4) J J J J

 

 

De opnames van z’n nieuwe CD “Back At The Red Shack” betekenden voor de momenteel vanuit Zwitserland actieve Texaanse singer-songwriter Richard Dobson een soort van muzikaal thuiskomen. Jaren geleden nam hij in de toen weliswaar nog naar een andere naam luisterende Red Shack Studios in Houston immers zijn eerste twee platen op. En dat schept een band natuurlijk.

En “Back At The Red Shack” heeft overigens nog wel meer met dat verleden. Flink wat van het materiaal erop zijn immers oudere Dobson-nummers, die hier voor het eerst op CD belanden. Stuk voor stuk liedjes geschreven in de beste Texaanse singer-songwritertraditie en zonder uitzondering van een bijzonder hoog niveau. Zoals het Tex-Mexstampertje “Aye Chihuahua” bijvoorbeeld, het muzikaal gezien een weinig aan Joe Ely en Tom Russell herinnerende en ondermeer al door Carlene Carter en Dave Edmunds en The Carter Family gecoverde “Baby Ride Easy”, de kippenvelballade “Aunt Betty’s Lament”, waarin de protagoniste aan de hand van een stel anekdotes haar eigen goedgevulde levensverhaal vertelt, het bijna uit de bocht swingende “There Ought To Be A Law” of het door Franci Files Jarrard op z’n accordeon met een zomers cajunsausje overgoten “Close Calls”. Eigenlijk zouden we hier probleemloos alle nummers even kunnen aanstippen, want kneusjes staan hier gewoonweg niet op. En liefhebbers van singer-songwritermateriaal Lone Star State style zullen hier als je ’t ons vraagt hun pret dan ook niet mee op kunnen. Ouderwets hartverwarmend en van hieruit derhalve ook met plezier bijzonder warm aanbevolen!

Richard Dobson

Brambus Records

Greenheart Media

 

 

ALASTAIR MOOCK

Fortune Street

(CoraZong Records)

(4) J J J J

 

 

Bijzonder hooggespannen verwachtingen hier met betrekking tot “Fortune Street”, de vijfde langspeler ook alweer van de vanuit Boston actieve troubadour Alastair Moock. Met name diens laatste twee platen, het in 2002 verschenen “A Life I Never Had” en het van twee jaar later daterende“Let It Go”, hadden immers serieus indruk op ons gemaakt. Vergelijkingen met zowel een John Prine als een Steve Earle lieten zich wat ons betreft naar aanleiding daarvan perfect rechtvaardigen. Moock stond immers vrijwel voortdurend garant voor werkelijk uitstekende Americana van het intelligentere soort.

Voor “Fortune Street” trok de man zich samen met de ondermeer van zijn werk met Jeffrey Foucault, Chris Smither en Peter Mulvey bekende David Goodrich vijf dagen lang terug in de Signature Sounds Studios in Pomfret, Connecticut. En zoals zo menig een album dat aldaar in het verleden werd ingeblikt klinkt ook Alastair Moocks nieuwe ongelooflijk warm. De stemgewijs steeds meer richting Steve Forbert evoluerende jonge songsmid verrast daarop met een opvallend eclectische aanpak. Zo vallen een aantal van de liedjes op “Fortune Street” bijvoorbeeld duidelijk onder de noemer blues. We noemen in dat verband ondermeer een bijzonder fraaie versie van de traditional “Delia”, het ongemeen humoristische “Yin Yang Blues”, het de eigen carrière aardig relativerende “Swing That Axe” en het op een speelse manier belerend aandoende“Own Way To Heaven”. “God Saw Fit To Make Tears” is op zijn beurt dan weer een uitermate boeiende hybride van Americana, soul en vroege rock & roll. Mede dankzij een prachtige gitaarbijdrage van Michael Dinallo van de Mercy Brothers en al even knap mondharmonicawerk van Moock zelf groeit dat liedje spelenderwijs uit tot één van de absolute highlights hier. Het element soul duikt hier trouwens überhaupt wel vaker op. Ook titelnummer “Fortune Street” belandt ondermeer dankzij gloedvol toetsenwerk van David Goodrich een beetje tussen twee stoelen. In dat nummer lijkt Moock absoluut niet te kunnen kiezen tussen soul enerzijds en zijn vertrouwde folkidioom anderzijds. En ook dat is een echte wolk van een liedje. “Woody’s Lament” en “Cloudsplitter” zijn vervolgens twee historische folkballades. In het eerste buigt Moock zich mijmerend over de aanzienlijke offers die zijn eigen grote held Woody Guthrie op persoonlijk vlak moest brengen om zijn droom te kunnen blijven najagen, in het tweede vat hij Russell Banks’ roman met dezelfde naam over de controversiële Amerikaanse abolitionist John Brown samen. Blijven nog over: het met Kris Delmhorst gebrachte “Roll On (Song For Anne Marie)”, het met veel gevoel vertelde verhaal van een vrouw die het na jaren van pijn verbijten eindelijk aandurft om een slecht huwelijk achter zich te laten, en het afsluitende “Fishing Tales”, een al fingerpickend gebrachte ode aan zijn toen nog niet geboren kindje. Het zouden er uiteindelijk twee worden…

Conclusie: “Fortune Street” klinkt beduidend anders dan zijn voorgangers. Laat je daar echter vooral niet door afschrikken! Het gaat hier immers om zo’n typisch groeibriljantje. Bij een eerste beluistering ervan hielden wij het nog gewoon op een collectie mooie liedjes, nu, een aantal draaibeurten verder, weten we wel beter! En we willen dan ook vooral niet nalaten om “Fortune Street” van hieruit warm aan te bevelen. Dit is immers wat men in sommige detailzaken verstaat onder een “no risk disc”!

Alastair Moock

CoraZong Records