CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2010

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

PRAISE THE TWILIGHT SPARROW “Color Map Of The Southern Sky” - DAVID OLNEY “Dutchman’s Curve” - AARON THOMAS “Made Of Wood” - ANNIKA FEHLING “Fireflies” - BEN BEDFORD “Land Of The Shadows” - PATTY LARKIN “25” - HAYWARD WILLIAMS “Cotton Bell” - JENNY WHITELEY “Forgive Or Forget” - CLARENCE BUCARO “’Til Spring” - ALLEZ SOLDAAT “D’n Duvel Die Slaapt Nooit” - WILLIE NELSON “Country Music” - COURT YARD HOUNDS “Court Yard Hounds” - JACKSON BROWNE & DAVID LINDLEY “Love Is Strange” - TYLER FORTIER “This Love Is Feeling” - MC HANSEN “Pariah” - INCENDIO “Vihuela” - EDGEHILL AVENUE “Rambler” - DONNA ULISSE “Holy Waters” - POINT QUIET “Point Quiet” - SARAH MCMONAGLE “Tea On Tuesday” - TRIFFIDS “Wide Open Road - The Best Of” - EMIL FRIIS “The Road To Nashville” - DIRTY SWEET “American Spiritual” - BIG SMITH “Roots, Shoots & Wings” - MARK ERELLI & JEFFREY FOUCAULT “Seven Curses”

 

 

PRAISE THE TWILIGHT SPARROW “Color Map Of The Southern Sky” (My First Sonny Weissmuller Recordings / Konkurrent)

(4****)

Dat iemand ons onder verschillende namen in amper enkele weken tijd tot tweemaal toe op aangename wijze wist te verrassen, dat hadden we hier, voor zover we ons dat goed herinneren konden, eigenlijk nog nooit eerder meegemaakt. De eer van ‘m dat als eerste te flikken valt dus te beurt aan Pascal Hallibert. Elders kan je er hier nog op nalezen, hoe laaiend enthousiast we al waren over het onlangs verschenen titelloze “debuut” van ’s mans groep Point Quiet en hier en nu is het alweer opletten geblazen om niet over de zich naar aanleiding van “Color Map Of The Southern Sky”, de eersteling van zijn soloproject Praise The Twilight Sparrow, in groten getale aandienende superlatieven aan het struikelen te gaan. Net als op “Point Quiet” draait zo goed als alles hier om sfeer. Maar als geheel klinkt “Color Map Of The Southern Sky” toch beduidend ruwer dan die plaat. Daarbij vrijwel voortdurend balancerend tussen rauw, dromerig en emotioneel kerft Hallibert (gitaar, mandoline, banjo, dulcimer, keyboards, zang) hier met vaste hand en met de nodige hulp van sidemen Hans Custers (bas, glockenspiel, keyboards, zang), Roman Schipper (banjo, accordeon, zang), Leon Verhaeg (gitaar) en Jeroen Talla (drums) dertien onder de noemer alternatieve folk en Americana vallende gedenkwaardigheden in ons collectieve muzikale bewustzijn. Daarbij klinkt hij wat ons betreft als een soort van kruising tussen enerzijds Nick Drake en Tim Buckley, anderzijds Sixteen Horsepower en Willard Grant Conspiracy. Al mogen ook de namen van Will Oldham en Smog best wel even de revue passeren. Zowel de minimalistische aanpak van Hallibert en co hier, als de klankkleur van veel van het gepresenteerde materiaal voeden ook die vergelijking. Al bij al minstens even intrigerend als “Point Quiet” en dat an sich is gezien de torenhoge kwaliteit van die plaat al een serieuze verdienste. Neen, om deze Hallibert kunnen we in de toekomst duidelijk niet zomaar meer heen.

Praise The Twilight Sparrow

Konkurrent

 

DAVID OLNEY “Dutchman’s Curve” (Continental Song City)

(3,5****)

Voor alle duidelijkheid: al ruim twintig jaar lang rekenen wij onszelf tot de schare hondstrouwe fans, die zich van singer-songwriter David Olney blind alles te menen moeten aanschaffen. Maar dat hoeft wat ons betreft absoluut niet te betekenen, dat we ook alles wat de beste man uitbrengt zondermeer goed moeten vinden. Dat alvast maar even om je van meet af aan mee te geven, dat we met het naar de site van de ergste Amerikaanse treinramp ooit in Nashville, Tennessee vernoemde “Dutchman’s Curve” niet helemaal tevreden zijn. Met die plaat hinkt Olney een beetje op twee gedachten. Enerzijds zijn er een aantal wat stevigere, onder de noemer roots & roll vallende liedjes, nog enigszins aansluitend bij zijn recentere wat ruwere materiaal, anderzijds flink wat nadrukkelijk terug naar zijn verleden lonkende rustige verhalende deuntjes. Tot daar nog absoluut geen probleem. Maar als Olney zich zoals in het sterk fifties-getinte, bop-shoo-boppende “Little Sparrow” of in het quasi gecroonde duo “Lucky Star And Mr. Moon” en “I Only Have Eyes For You” nadrukkelijk met het valse flirtend aan de hoge noten gaat wagen, dan passen wij wél. Die liedjes ontsieren naar onze bescheiden mening een voor het overige even sterke als gevarieerde plaat. Zo vonden wij het bluesy stompertje “Train Wreck” bijvoorbeeld al meteen heel erg lekker en wisten ook rustigere momenten als het door David Henry van wat subtiel strijkwerk voorziene “Red Tail Hawk”, het met John Hadley gepende “If I Were You” en het intimistische “Mister Vermeer” ons ogenblikkelijk aangenaam te verrassen. Net als de subtiele country van “Covington Girl” en de saxgestuurde blues ‘n’ roots van “Way Down Deep” overigens. En als we het dan toch al over verrassingen hebben: dat men er ons gratis het met Sergio Webb en Jack Irwin ingespeelde album “Live At Norm’s River Roadhouse Volmume 1” bovenop doet, dat is pas een verrassing van formaat. Je zou er Olney de hoger vermelde slippertjes voorwaar zomaar door gaan vergeven. Op die manier weet je je hier op de valreep immers alsnog verzekerd van heel veel uitstekende waar voor relatief weinig geld.

David Olney

Continental Song City

 

AARON THOMAS “Made Of Wood” (Everlasting Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Geboren werd hij in Tasmanië, opgroeien deed hij vervolgens in Sydney, alwaar zijn stiefvader, de Australische hitmachine Lonnie Lee, hem gitaar leerde spelen en introduceerde in de muziekwereld, en wonen doet hij momenteel in het Spaanse Madrid. We hebben het dan over singer-songwriter Aaron Thomas, met “Made Of Wood” inmiddels aan zijn tweede cd toe. Op die onder de productionele auspiciën van Valgeir Sigurdson ingeblikte opvolger van zijn debuut “Follow The Elephants” doet Thomas gewoon verder waar hij ook in het verleden al zo goed in bleek, te weten het vertolken van erg persoonlijk, immer goudeerlijk eigen songmateriaal. Materiaal, dat hem wat ons betreft in één en dezelfde muzikale lade als pakweg een Ron Sexsmith, een Josh Rouse, een Ryan Adams en een Jeff Buckley doet belanden. Met daarbij zijn zijdezachte hoge stem als zijn voornaamste bondgenoot vertolkt Thomas voornamelijk eigen gevoelens. Wat hem daarbij onderscheidt van heel wat van zijn collega’s is zijn vermogen om die gevoelens ook open te trekken naar anderen. Wat je hoort mag dan al ontsproten zijn aan Thomas’ eigen leven, je kan er je als luisteraar zeer gemakkelijk mee vereenzelvigen. En precies dat maakt van deze knaap wat ons betreft “een speciale”. Zijn enigszins aparte, immer intense en bepaald van de passie druipende popliedjes zullen vroeg of laat gegarandeerd een breed publiek gaan aanspreken. Aan jou om ervoor te zorgen, dat je dan kan zeggen, dat je er als één van de eersten bij was. En dat dan met de groeten van Ctrl. Alt. Country uiteraard…

Aaron Thomas op MySpace

Sonic Rendezvous

 

ANNIKA FEHLING “Fireflies” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Annika Fehling grossiert op haar jongste plaat in wat wij graag als radiovriendelijke Americana zouden willen omschrijven. Zonder daarvoor ook maar ergens haar principes te moeten verloochenen levert ze onder de vakbekwame productionele hoede van Will Kimbrough twaalf nieuwe liedjes af, die ook op het betere popstation zó mee zouden moeten kunnen. Voor die in Nashville ingeblikte plaat deed ze verder ondermeer ook een beroep op knapen als een Fats Kaplin, een Bryan Owings, een Tim Marks, een Eric Fritsch, een Paul Griffin en een Dave Jacques. Kwaliteit troef met andere woorden! En dan hadden we het nog niet over de grofgevooisde Zweedse topper Peter LeMarc, met wie ze de fraaie ballade “Lonely Love” brengt, en over singer-songwriterlegende David Olney, met wie ze het afsluitende “I Know Better” deelt. “Meeting and writing and performing with Annika was a pure pleasure. She has charm and wit combined with musical chops. Annika rules!”, liet die laatste voldaan over zijn samenwerking met Fehling optekenen. En eenzelfde voldaanheid overviel ook ons bij het beluisteren van “Fireflies”. Van de rootsy pop van “Coming Around” tot de romantisch-melancholische Americana van het al genoemde “Lonely Love”, van het intens met folk flirtende “Shine Your Light” tot het zomers speelse “With Me”, van het met een fraai streepje mondharmonica omrande “Summersong” tot het op catchy wijze enigszins ingehouden naar rock overhellende titelnummer, hier valt immers nogal wat te beleven!

Annika Fehling

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

BEN BEDFORD “Land Of The Shadows” (Hopeful Sky Records)

(4****)

“Land Of The Shadows” brengt eigenlijk alleen maar volop bevestiging van iets wat we na “Lincoln’s Man”, ’s mans debuut uit 2008, al wisten, met name dat Ben Bedford een bijzonder veelbelovende nieuwe zingende songsmid is. Ook op zijn “moeilijke tweede” pakt hij weer uit met een elftal erg fraaie miniatuurtjes, waarin zijn eigen land, toen en nu, zijn inwoners, hun kleine worstelingen met het leven, hun hoop, vrees en vreugde centraal staan. Luisteren naar Bedfords liedjes is als je met je neus gedrukt tegen iemands raam ongewenst toegang verschaffen tot diens leven. Een beetje voyeurisme dus. En realisme alleszins op z’n puurst ook. Bedfords aangenaam warme, een weinig wollig aandoende stem en de eigen akoestische staan daarbij vrijwel voortdurend centraal. In een productie van voormalig Nanci Griffith-begeleider Chas Williams opteert hij voor een nagenoeg volledig akoestische aanpak. In zijn folky Americana tref je her en der wel nog een elektrische gitaar aan, maar voorts enkel instrumenten als een banjo, een dobro, een fiddle, een akoestische bas, een accordeon en wat drums. Opvallende gasten zijn daarbij wat ons betreft vooral Jon Randall, tekenend voor zowat de helft van de harmony vocals, en Tammy Rodgers op fiddle. En de mooiste momenten, vroeg je? Dat zijn in onze ogen zondermeer het Amelia Earharts succesvolle eerste trans-Atlantische vlucht als uitgangspunt gebruikende “Amelia”, het door respectievelijk Chas Williams, Joey Schmidt en Kari Abate met dobro-, accordeon- en vocale bijdragen knap op smaak gebrachte “One Night At A Time” en het wel heel erg fraaie titelnummer. Daarin neemt Bedford ons mee naar de Mississippi-delta anno 1955 voor een reconstructie van de moord op de jonge kleurling Emmett Till op 28 augustus van dat jaar. Dat gebeurt op danig treffende wijze, dat het bijna lijkt, alsof je er zelf bij was. Je voelt als het ware, wat er toen allemaal geleefd moet hebben. Bijzonder fraai spul!

Ben Bedford

CD Baby

 

PATTY LARKIN “25” (Signature Sounds / Continental)

(3,5****)

Voor de vanuit het Amerikaanse Boston actieve folkdiva Patty Larkin markeert 2010 niets minder dan een jubileum. Precies vijfentwintig jaar geleden blikte ze immers voor het eerst een plaat in. En die verjaardag wou ze op passende wijze gevierd weten. Haar nieuwe plaat, het toepasselijk getitelde “25”, is daarom een speciaal project geworden. Met vijfentwintig bevriende artiesten dook ze terug in vijfentwintig jaar eigen muziekgeschiedenis. Het resultaat: vijfentwintig liefdesliedjes, gebracht in samenwerking met vijfentwintig verschillende collega’s. Een bepaald indrukwekkend lijstje! Daarop treffen we aan: Martin Sexton, Jonatha Brooke, Bruce Cockburn, David Wilcox, Rosanne Cash, Shawn Colvin, Jennifer Kimball, Lucy Kaplansky, Willy Porter, Chris Smither, Cheryl Wheeler, Catie Curtis, Birdsong At Morning, Suzanne Vega, Erin McKeown, Peter Mulvey, Dar Williams, John Gorka, Merrie Amsterburg, Mary Chapin Carpenter, Janis Ian, Greg Brown, Beppe Gambetta, The She-Las en The Nields. Samen met het feestvarken van dienst gaat die artiestenkeure voor knappe remakes van liedjes als “Open Arms”, “Closest Thing”, “Hallelujah”, “You & Me”, “Chained To These Lovin’ Arms” en andere. Dat gebeurt doorgaans in een heerlijk relaxt en eenvoudig gehouden setting. Regeren doen hier de stemmen van Larkin en haar gasten en een met de nodige omzichtigheid behandelde akoestische gitaar. En precies daardoor groeit het materiaal op “25” ons inziens uit tot één langgerokken superieure luistertrip. Het lijkt vrijwel voortdurend alsof Larkin en co op nauwelijks enkele meters van je verwijderd hun ding zitten te doen. En zoiets schept natuurlijk een speciale band. Je wordt op die manier wel heel erg nauw betrokken bij de festiviteiten. De hoogtepunten? Het met labelgenoot Chris Smither gedeelde “Brazil”, “Tango”, gebracht met Lucy Kaplansky, en het hoger ook al even vermelde “Chained To These Lovin’ Arms”, voor de gelegenheid met Mary Chapin Carpenter. Ook leuk om weten is tenslotte, dat de dubbelaar “25” je aan een heel zacht prijsje wordt aangeboden. Zo wordt het pas écht een feest…

Patty Larkin

Signature Sounds

Continental Record Services

 

HAYWARD WILLIAMS “Cotton Bell” (Machine Records / Continental Record Services)

(5*****)

Toen we het hier in januari 2006 naar aanleiding van de EP “Trench Foot” voor het eerst over hem hadden, omschreven we Hayward Williams’ liedjes al als “goudeerlijk singer-songwritermateriaal, waarbij je gedachten vrijwel meteen naar collegae als Kelly Joe Phelps, Greg Brown, Peter Mulvey of Jeffrey Foucault afdwalen”. In maart 2007 bedachten we hem vervolgens met de maximumscore van vijf sterren voor “Another Sailor’s Dream”. Om maar te zeggen, dat we hier erg hoog oplopen met deze vanuit Milwaukee actieve songsmid. Zó hoog, dat we ook voor ’s mans nieuwe, het werkelijk onwaarschijnlijk mooie “Cotton Bell”, weer vijf sterren veil hebben. Die plaat ontstond als het ware als bij toeval, toen Williams door één van de koudste winters in jaren volledig geïsoleerd raakte in zijn thuishaven. Enorme sneeuwmassa’s zorgden plots eindelijk weer eens voor zeeën aan tijd en schiepen als dusdanig een zo ongeveer ideaal werkklimaat voor de door zijn plotse succes in de maanden daarvoor zwaar beproefde singer-songwriter. Het hem omringende winterlandschap en die even onverwachte als welgekomen dagen van volledige ontspanning deden de poëet in Williams eensklaps weer ontwaken en leidden tot acht bijzonder fraaie nieuwe liedjes, die haast even puur aandoen als het maagdelijk witte landschap, dat aan de basis ervan lag. Melancholie troef hier weer. Met Williams’ wollig warme stem als centraal gegeven en een eerder beperkt gehouden instrumentarium louter in een dienende functie. Wat gitaren, bas, pedal steel, dobro, mandoline, piano, een strikt minimum aan drums en percussie-instrumenten, wat gastvocalen van Noah Hewett-Ball, Sarah Welder en Miles Nielsen, en that’s it. Geheel en al volgens het principe “minder is meer” ingeblikt, zonder al teveel kunstgreepjes om nadien eventuele fouten nog weg te werken. Goudeerlijk dus inderdaad weer. Heerlijk intimistisch en al even intens. De gedroomde copiloot als het ware tijdens ritten doorheen eenzame, flink door weemoed getekende nachten. Maar ook gewoon zó een plaat om te hebben en een leven lang intens van te houden. Wat ons betreft nu al een gedoodverfde favoriet voor de titel van “plaat van het jaar”.

Hayward Williams

Continental Record Services

 

JENNY WHITELEY “Forgive Or Forget” (Black Hen / Continental)

(4****)

Schrijven over country in Canada betekent haast onvermijdelijk schrijven over Jenny Whiteley. Haar beide vorige platen, “Hopetown” uit 2004 en “Dear” van zo’n twee jaar later, katapulteerden haar probleemloos naar de absolute top van het countrygebeuren in haar land. Die twee albums lieten ons kennismaken met een ongemeen expressieve stem en een al even fenomenale pen. En most of all, het waren schijfjes, die het lange wachten op nieuw materiaal van dit nachtegaaltje welhaast ondraaglijk maakten. En we waren dan ook uitermate verheugd, toen we enige tijd geleden vernamen, dat met “Forgive And Forget” eindelijk een nieuwe van Whiteley in de pijpleiding zat. Een nieuwe, die ook opnieuw door Steve Dawson geproduceerd werd. En ook dat hoorden we graag.  Dawson is immers een echte meester in zijn vak en in combinatie met de talenten van Whiteley zelf, zijn eigen gitaarspel, de bas- en drumkunstjes van Darren Parris (Daniel Powter) en John Raham (Be Good Tanyas), toetsenwerk van Chris Gestrin (Randy Bachman) en gezongen bijdragen van bluegrasslegende Tim O’Brien leidt dat vrijwel voortdurend tot erg lekkere resultaten. Een beetje zoals bijvoorbeeld ook een Tift Merritt en een Allison Moorer dat graag mogen doen toont Whiteley zich niet bepaald stijlgebonden. Country en Americana vormen als vanouds weliswaar het uitgangspunt voor zowat alles op “Forgive And Forget”, maar zeker niet een terminus. Zo is openingsnummer en cover “It’s Raining In My Heart” wat ons betreft ontegensprekelijk bluegrass, flirten dingen als “There Was Love”, “Truth And The Eyes Of The Dead” en “Final Season” op soulvolle wijze met roots pop dan wel rock en is “Ripple Effect” minstens even veel roots & roll als country. Heel mooi ook: de in steelklanken badende torch song “Cold Kisses”, één van de traditionelere momenten van dit geheel. En één van de vele liedjes hier ook, waarmee Whiteley zich vaardig tussen dames als het hoger al genoemde tweetal en een Lucinda Williams of een Pieta Brown weet te wringen. Kwalitatief bijzonder hoogstaand allemaal! Het doet ons nu alweer reikhalzend uitkijken naar meer. Hopelijk moeten we daar weer geen vier jaar op wachten…

Jenny Whiteley

Black Hen Music

Continental

 

CLARENCE BUCARO “’Til Spring” (Twenty Twenty Records)

(4****)

Net als het eind vorig jaar verschenen “New Orleans” is ook “’Til Twenty” weer een ongelooflijk warm en soulvol klinkende plaat geworden. Opgenomen werd het geheel al in het najaar van 2007 onder de inspirerende leiding van Tom Schick. En die zag wellicht tot zijn grote tevredenheid, hoe Clarence Bucaro (zang, gitaren, piano) in het gezelschap van gitarist Kirk Fletcher, bassist George Rush, toetsenman Glenn Patscha, drummer Konrad Meissner en speciale gasten Neal Casal en Anders Osborne (beiden gitaar en backing vocals) in een tiental nieuwe songs zijn eigen grenzen regelmatig flink durfde te verleggen. De van de blanke soul druipende ballades bleven zoals ook wel enigszins te verwachten viel weliswaar ruimschoots in de meerderheid, maar ook aardig wat steviger materiaal stond ditmaal op het programma. Zo mag wat ons betreft voor het snedige en van een bijzonder knappe tekst voorziene “When Man Plays God” gerust de term roots rock uit de kast. En het minste wat je wel van “Back In The World” kan zeggen, is dat er een bescheiden shot R&B aan te pas kwam. Maar goed, uiteindelijk blijven toch vooral de eerder al aangesproken, weer volop aan illustere voorgangers als Van Morrison en James Taylor refererende bezielde slepers Bucaro’s voornaamste forte. Wij blijven het alvast een zaligheid vinden om te luisteren naar liedjes als “’Til A Spring Wind Blows Again”, “Take My Love”, “Tirelessly Blue” en andere, waarvoor de beste man zijn hele ziel en zaligheid veil lijkt te hebben gehad. Veel meer dan louter en alleen een liedje vertolkt Bucaro daarin naar onze bescheiden mening oprechte gevoelens. En dat slaat vanzelfsprekend nog net dat ietsje meer aan. En je begrijpt wellicht dan ook wel, waarom we van hier uit ook “’Til Spring” weer van ganser harte durven aan te bevelen. Deze plaat is eigenlijk gewoon veel te mooi om zomaar te laten liggen.

Clarence Bucaro

 

ALLEZ SOLDAAT “D’n Duvel Die Slaapt Nooit” (Johnny 99 / Continental)

(3,5****)

Bjorn van der Doelen is je wellicht vooral als voetballer bekend. Als werkgrage middenvelder gaf de man jarenlang het beste van zichzelf bij ondermeer PSV, Twente en Standard. Nu, op zijn drieëndertigste, toont hij zich van een geheel andere kant. Een voor ons enigszins onvermoede kant eigenlijk. Als kopstuk van de dialectband Allez Soldaat profileert hij zich immers als een niets minder dan uitstekende singer-songwriter. In zijn eigen Brabantse idioom beschrijft hij op kleurrijke wijze, wat hij ziet en hoort in zijn directe omgeving. In een erg knap ingevulde blues & roots setting heeft hij het zo bijvoorbeeld over de eigen familie (“Vader”, “Moeder”), rondhangende jonge delletjes (“De Breezer-Sletjes-Blues”), de drankduivel (“De Fles”), de liefde (“Zoen”), te vroeg gestorven muzieklegendes (het op bezwerende wijze rockende “Kruispunt”) en andere. En hij doet dat zo ongeveer met dezelfde overgave, die vroeger op de grasmat ook al zo kenmerkend voor hem was. Liefhebbers van de muziek van bijvoorbeeld een JW Roy, een BJ Baartmans, een Grayson Capps, een Ray LaMontagne of een Van Morrison zullen hier een vette kluif aan hebben. Een uitermate boeiend debuut!

Continental

 

WILLIE NELSON “Country Music” (Rounder / Decca)

(4****)

Lang niet alles wat Willie Nelson de voorbije jaren afleverde verdiende onverdeeld onze aanbeveling. Wisselvalligheid was zowat het sleutelwoord. Maar als de beste man echt in vorm zit, dan behoort hij nog altijd tot het allerbeste wat de huidige countryscène te bieden heeft en dat bewijst hij eindelijk nog eens ten voeten uit met “Country Music”. Een toepasselijke titel voor een plaat, waarop hij in een productie van T-Bone Burnett en in het gezelschap van schoon volk als Buddy Miller, Chris Sharp, Dennis Crouch, Riley Baugus, Russ Pahl, Stuart Duncan, Ronnie McCoury en Jim Lauderdale zijn nog resterende tanden zet in een trits singer-songwriter country classics als “Nobody’s Fault But Mine”, “Dark As A Dungeon”, “I Am A Pilgrim”, “Freight Train Boogie”, “Satisfied Mind” en andere. Iets wat op de keper beschouwd leidt tot één van zijn allerbeste platen ooit. Een plaat, die zowel in kringen van liefhebbers van traditionele country als bij afficionados van Americana erg hoge ogen zal gaan gooien, let op onze woorden! Zo ongeveer alles klinkt hier even puur en warm. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Willie Nelson

 

COURT YARD HOUNDS “Court Yard Hounds” (Columbia)

(3,5****)

De Court Yard Hounds zijn Emily Robison en Martie Maguire oftewel gewoon de Dixie Chicks zonder Natalie Maines. De beide dames ontvluchten met hun titelloze debuutplaat naar eigen zeggen de verveling ontstaan naar aanleiding van de vooral door Maines gewenste pauze in het bestaan van de Chicks. En vooral Robison maakt dankbaar gebruik van de gelegenheid om zich wat meer te profileren. Ze neemt zo goed als overal de lead vocals voor haar rekening en tekende ook voor het gros van de teksten. Dé grote uitzondering wat dat betreft vormt de trage “Gracefully”. Daarin staat Maguire immers in het middelpunt van de belangstelling. Helemaal onlogisch is het overigens niet, dat net Robison zo creatief uit de hoek komt. Zij verwerkte op die manier als het ware haar recente scheiding van collega singer-songwriter Bruce Robison. Hartzeer zoals zo vaak ook hier als de ideale voedingsbodem voor nieuwe liedjes dus. Nieuwe liedjes, die zich veel minder dan die van de Dixie Chicks beperken tot country tout court. Hier hoor je naast country, bluegrass en Americana ook folk-, pop- en rockinvloeden. Met als meest in het oog springend nummer “See You In The Spring”, een duet met Jakob, de van de Wallflowers bekende zoon van Bob Dylan. Daarin bloeit op melancholische wijze iets heel moois tussen pop, ingetogen roots rock en bluegrass. Ook erg knap de “love gone wrong songs” “April’s Love” en “It Didn’t Make A Sound”. Het moge duidelijk zijn, dat Robison daarin zeer goed wist waar ze het over had.

Court Yard Hounds

 

JACKSON BROWNE & DAVID LINDLEY “Love Is Strange” (Inside Recordings)

(4****)

Zouden grote sterren als Jackson Browne de gevolgen van de crisis dan toch ook beginnen te voelen? Je bent haast geneigd om te gaan denken van wel, want met “Love Is Strange” levert de beste man nu al zijn derde live-cd in goed vijf jaar tijd af. In tegenstelling tot die twee vorige worpen betreft het daarbij ditmaal geen solo performance. “Love Is Strange” is een soort van dagboek van een aantal door Browne en David Lindley in 2006 in de Spaanse steden Barcelona, Madrid, Sevilla en Oviedo afgewerkte akoestische optredens. In een volledig akoestische setting en geflankeerd door gereputeerde vrienden des huizes als Carlos Nunez, Javier Mas, Kiko Veneno en Luz Casal passeren tal van klassiekers op het repertoire van beide heren de revue. We noemen in dat verband ondermeer “I’m Alive”, “Looking East”, “Mercury Blues”, “El Rayo X”, “Take It Easy”, “For Everyman”, “Late For The Sky”, “Running On Empty”, “These Days” en “The Next Voice You Hear”. Voor die twee laatste nummers kreeg Browne de nodige hulp van respectievelijk Casal en Veneno. Hét leukste moment hier is echter een sympathieke medley van “Love Is Strange” en “Stay”. Daarin mag het falsetstemmetje van Lindley weer eens even uit de kast en dat leidt zoals geweten bijna steeds tot alleraardigste resultaten. “Love Is Strange” is overigens als geheel gewoon heel erg geslaagd te noemen. Browne en co vinden hier een aantal van ’s mans liedjes als het ware opnieuw uit en doen dat met zoveel overgave en expertise, dat het heel erg moeilijk wordt om er niet meteen voor te vallen. En “Love Is Strange” zal hier in de nabije toekomst dan ook nog heel erg vaak in de cd-speler gaan belanden. Dat staat nu al vast.

Jackson Browne

David Lindley

Inside Recordings

 

TYLER FORTIER “This Love Is Feeling” (Tyler Fortier)

(4****)

Hoe langer je met een webstekje als dit in de weer bent, hoe meer dingen er je worden toegespeeld, waar je eigenlijk gewoon liever aan voorbij was gegaan. Dingen, die je op de keper beschouwd alleen maar van je werk afhouden. Dingen, die ervoor zorgen, dat albums, die je aandacht wél verdienen, veel langer op de plank blijven liggen dan voorzien. Het overkwam ons onlangs bijvoorbeeld nog met “This Love Is Fleeting”, de werkelijk voortreffelijke nieuwe van de vanuit Eugene, Oregon aan de weg timmerende zingende songsmid Tyler Fortier. Waar die op zijn vorige platen nog koos voor een behoorlijk eclectische aanpak, waarin zowel blues, rock, folk als country vertegenwoordigd waren, ging hij ditmaal resoluut voor een veel meer naar Americana neigend geheel. “This Love Is Fleeting” is een plaat, waarop nogal wat wordt afgetreurd. Over het verlies van momenten, herinneringen, gevoelens en zo meer. En daarbij herinnerde Fortier ons met enige regelmaat aan knapen als Grant-Lee Phillips, Rod Picott en Slaid Cleaves. Zijn introspectieve Americana leunt immers net als veel van het werk van die drie heren op bijzonder intelligent ingevulde teksten en een markante, enigszins klaaglijk aandoende stem. Andere mogelijke referentiepunten vormen Ryan Adams in zijn bezadigdere momenten, de vroege Josh Ritter en Jackie Greene ook wel. Straffe kost, vinden wij alleszins, en we durven je “This Love Is Fleeting” dan ook van ganser harte aan te bevelen.

Tyler Fortier

CD Baby

 

MC HANSEN “Pariah” (Bogrough Records / Gateway Music)

(3,5****)

Zo’n zes jaar lang timmert hij inmiddels al aan de weg, deze Deense bard. En dat bracht hem ondertussen ook al in grote delen van Europa, alwaar hij ondermeer voorprogramma’s voor acts als Madeleine Peyroux, Taj Mahal en Mavis Staples afwerkte. Iets wat natuurlijk lang niet alles over de kwaliteit van zijn muziek zegt, maar anderzijds toch ook wel ruimschoots genoeg om er je interesse mee te wekken. Zelf mag hij zichzelf graag een minnestreel noemen. Een beeld, dat zowat perfect bij de eigen “way of life” past. Dat van de knaap die van stad tot stad trekt met name, gewoon omdat hij nu eenmaal graag zijn liedjes aan de man mag brengen. Liedjes, die in zijn geval zowat voortdurend tussen folk, country en blues vallen. Liedjes over het laatste oordeel, de maan, de seizoenen, treinen, het verkeer en andere onderwerpen, beurtelings eerder ingetogen en dartel, quasi uitnodigend tot een dansje. Liedjes, die je eigenlijk eerder van een doorgewinterde Amerikaanse singer-songwriter dan van een bewoner van het Hoge Noorden zou verwachten. En dat lijkt ons bij nader inzicht zo ongeveer het mooiste compliment dat je deze zingende songsmid maken kan. Waarvoor dank trouwens ook aan landgenoten van ‘m als Uffe Steen (elektrische gitaar, klarinet), Morten Brauner (bas), Jacob Chano (drums), Rune Højmark (pedal steel, mandoline, akoestische en elektrische gitaren), Rene Schmidt en Tobias Stenkjær (backing vocals), die er mee voor zorgen, dat alles hier werkelijk tot in de puntjes verzorgd klinkt. En ook aan CS Nielsen, met wie MC Hansen één van de topmomenten hier, het fraaie “Take Your Time (The Tale Of Lovelight Ave.)”, deelt. Een andere primus inter pares: het bluesy “On A Day As Good As Any Other”, waarin met name snarengewijs nogal wat te beleven valt.

MC Hansen

 

INCENDIO “Vihuela” (Incendio Music)

(3***)

Niet meteen ons dagelijkse kostje, dit, maar desalniettemin wel heel mooi. Het betreft hier het inmiddels zevende album al van de vanuit L.A. actieve wereldmuziekgroep Incendio. Liza Carbé, Jim Stubblefield, Jean-Pierre Durand en gast Bryan Brock brengen daarop een twaalftal, voor velen wellicht onder de noemer flamenco vallende instrumentale liedjes. Nochtans is de term world fusion meer op z’n plaats hier. Spaanse gitaarmuziek wordt door dit Amerikaanse viertal immers uit zijn verstikkende isolement verlost en gekoppeld aan elementen uit tal van andere, veelal toegankelijkere genres. Wat daarbij ontstaat, is het soort van aangename achtergrondmuziek, dat binnenkort aan warme zomeravonden nog net dat zekere ietsje meer zal verlenen.

Incendio

CD Baby

 

EDGEHILL AVENUE “Rambler” (Departure Records)

(3,5****)

Op “Rambler”, hun nieuwe cd, evolueren die van Edgehill Avenue van akoestisch georiënteerde rootsmuziek nadrukkelijk richting een eerder onder de noemer (Southern) rock vallend geluid. Goede aanknopingspunten vormen ondermeer de Allman Brothers, de Black Crowes, Neil Young en Tom Petty. Frontman Drew Perkins en de zijnen grossieren hier in Americana en Southern rock, die tegelijk op benen en hersenen mikken. In een productie van William Bartley brengen ze ter zake doende teksten, verpakt in afwisselend lekker stevige en meer bedachtzaam ingevulde, maar immer melodieuze songs, die zich uitermate snel tussen je oren thuis gaan voelen. Goede voorbeelden daarvan zijn ondermeer het met sfeervol gitaarwerk van “Hurricane” Mike McLaughlin opgewaardeerde titelnummer over de abolitionist Frederick Douglass en het afsluitende “Justified”, met als uitgangspunt massamoorden. “Rambler” wordt ondermeer te koop aangeboden via CD Baby, alwaar je het album voor amper $6.99 kan scoren. Een echt buitenkansje dus!

Edgehill Avenue

CD Baby

 

DONNA ULISSE “Holy Waters” (Hadley Music Group)

(4****)

We mogen het nu stilaan wel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid constateren: Donna Ulisse heeft haar tweede artiestenadem gevonden. Na een veelbelovende start bij het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw met het album “Trouble At The Door” en de daaraan vastgekoppelde singles bleef het vele jaren relatief stil rond de nochtans uitstekende zangeres. Totdat ze in 2007 plots met het bluegrassalbum “When I Look Back” uitpakte. Flink wat liefhebbers van dat genre gingen haar naam naar aanleiding van dat schijfje prompt in één en dezelfde adem vernoemen met die van andere nachtegaaltjes als Alison Krauss, Rhonda Vincent, Claire Lynch en aanverwanten. En terecht ook, zo bleek al in 2009, toen ze met “Walk This Mountain Down” volop bevestiging bracht. En zoals de oude volkswijsheid het wil: geen twee zonder drie! Met “Holy Waters”, haar nieuwe plaat, schrijft Ulisse probleemloos een volgend hoofdstuk in wat zo stilaan toch wel een succesverhaal mag worden genoemd. “A soul journey” noemt ze die plaat zelf. Een verkenning van de eigen ziel dus, nogal nadrukkelijk spiritueel getint. Ook nu weer in een productie van Keith Sewell brengt ze twaalf eigen liedjes en een bevlogen cover van Carter Stanley’s “Who Will Sing For Me”. Hulp is er daarbij naast van de al genoemde Sewell op de akoestische ondermeer ook van Andy Leftwich op fiddle en mandoline, van Scott Vestal op banjo, van Byron House op diverse bassen en van Rob Ickes op dobro. Aanvullende vocale bijdragen leveren dan weer Sewell, Wendy Buckner en Rick Stanley. Bepaald geen kwaad gezelschap dus. En dat levert dan ook een tot in de puntjes verzorgde bluegrassplaat op, die ondanks haar behoorlijk godsvruchtige inslag van begin tot einde weet te bekoren. Hier wordt voortdurend zó bezield gezongen en zó sprankelend gemusiceerd, dat het uiteindelijk wel aanstekelijk moet gaan werken. Knap gedaan!

Donna Ulisse

Hadley Music Group

CD Baby

 

POINT QUIET “Point Quiet” (CRS / Munich)

(4,5*****)

White Sands is niet meer, lang leve Point Quiet! “Alleen de naam van de groep veranderde, de muziek niet!”, verzekerde kopstuk Pascal Hallibert ons hoogst persoonlijk. En overschot van gelijk heeft de beste man. Dit “debuut” beantwoordt inderdaad volkomen aan wat we van Hallibert en de zijnen verwachtten. Veelal introverte, weidse Americana, sfeervoller dan ooit, regeert hier. Al mijmerend troont Hallibert je mee richting oorden, waar ook die van Calexico, de Willard Grant Conspiracy en Grant-Lee Phillips zich wel eens durven ophouden. Oorden, waar de grens tussen country, Americana en (Appalachen)folk lang niet altijd even duidelijk meer is. Oorden, waar pure schoonheid nog stukken belangrijker is dan louter winstbejag. Zalig toeven is het in het gezelschap van deze Nederlandse geluidskunstenaars! Klaaglijke stem, dito gitaren, een bescheiden prise pedal steel, banjo, mandoline, mondharmonica, strijkers, blazers, accordeon en glockenspiel, wat percussie, wat sfeervol toetsenwerk, juist gedoseerd hét recept, zo blijkt, voor net geen vijftig minuten on-Nederlands goed muzikaal vermaak, dat wat ons betreft dringend aan een doorbraak op grote – Lees: internationale! – schaal toe is. Met nummers als “Red Eye Nights”, “A Simple Life” en “Norteña” als de spreekwoordelijke kersen op een in haar geheel uiterst smaakvolle taart.

Point Quiet

Continental

 

SARAH MCMONAGLE “Tea On Tuesday” (Sarah McMonagle)

(3,5****)

Noem dit wat ons betreft rustig een veelbelovende nieuwelinge. De jonge Australische Sarah McMonagle heeft immers zo ongeveer alles om het snel te gaan maken: een leuk snoetje, een knappe, erg expressieve stem en bovenal ook liedjes om u tegen te zeggen. Ze vertaalt ondanks haar nog relatief jonge leeftijd op bijzonder volwassen wijze heel erg persoonlijke gegevens naar fraai het midden tussen country, folk en roots pop houdende songs. En je bent als luisteraar dan ook al snel geneigd, om haar in één adem met haar landgenote Kasey Chambers te gaan noemen. “An album full of real, homespun stories and alluring vocals, one of those that keep you going back for more,” lazen we op CD Baby en daarmee sloeg de recensent van dienst aldaar naar onze bescheiden mening spijkers met koppen. Wat je hier hoort klinkt immers daadwerkelijk ogenblikkelijk allemaal heel erg vertrouwd en tegelijk toch ook verfrissend. En we raden je van hier uit dan ook aan om snel eens kennis te gaan maken met schoonheden van liedjes als single “Tea On Tuesday”, het tegen een melancholisch gekleurde achtergrond van fiddle, dobro en banjo neergelegde “Every Vow” en het heerlijke, over het huis van haar grootouders geschreven “Myrtle Avenue”, je zal het je beslist niet beklagen!

Sarah McMonagle

CD Baby

 

TRIFFIDS “Wide Open Road – The Best Of” (Domino / Munich)

(5*****)

De beste Australische groep ooit voor een zacht prijsje samengevat in achttien songs, dat is zo’n beetje waar “Wide Open Road” voor staat. Uiteraard de nodige overlappingen vertonend met het in ’94 door Mushroom gepresenteerde “Australian Melodrama”, maar als poging om de groep rond de veel te vroeg heengegane singer-songwriter David McComb aan een nieuwe generatie voor te stellen desalniettemin erg geslaagd te noemen. Platenlabel Domino kwijt zich werkelijk uitstekend van zijn taak bij het in kaart brengen van de bezwerende grandeur van de Triffids. Dat heerlijke huwelijk tussen country, blues, pop en (roots)rock! Die quasi perfecte verklanking van het vaak desolate van de eigen heimat! Sehnsucht en intensiteit volop troef hier! Zowel in vroege songs als “Reverie”, “Red Pony”, “Raining Pleasure” en “Hell Of A Summer” als in latere klassiekers als “Wide Open Road”, “Bury Me Deep In Love”, “A Trick Of The Light”, “Jerdacuttup Man” en “Save What You Can”. Beklijvend van de eerste tot de laatste noot!

Triffids

Domino

 

EMIL FRIIS “The Road To Nashville” (Southern Imperial Recordings)

(4****)

Was ons tot voor kort volslagen onbekend, deze knaap. En toch blijkt Emil Friis met “The Road To Nashville” al aan zijn derde langspeler toe. In 2007 verscheen van de Deense singer-songwriter immers al het album “Mutineer”, een jaar later gevold door “Tennessee Theft”. En als die twee schijven net zo goed zijn als deze nieuwe, dan hebben we wel degelijk iets gemist. Friis, gezegend met zo’n typische klaaglijke rasp van een stem, zoekt én vindt op “The Road To Nashville” aansluiting bij het geluid van klassieke alt. country acts als Green On Red en The Jayhawks. Zonder daarvoor al té nadrukkelijk retro te gaan roept hij met enige regelmaat de beste momenten van die beide groepen op. Uitmonden doet dit in tien bijzonder sfeervolle lappen alternatieve country, waarin zo nu en dan ook even met andere genres geflirt wordt. Het mooist gebeurt dat in het bijzonder fraaie titelnummer. Daarin wordt blazersgewijs subtiel wat Mariachigevoel verwerkt. Stevige aanrader!

Emil Friis op MySpace

 

DIRTY SWEET “American Spiritual” (Acetate Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Naar aanleiding van hun debuut “Of Monarchs And Beggars” werden die van Dirty Sweet al in 2007 quasi bedolven onder de superlatieven. Gezaghebbende bladen als het Britse NME gingen daarin zelfs al zover, om de groep een toekomst als regelrechte mega act toe te dichten. En misschien verdient het door loepzuivere rockstrot Ryan Koontz aangevuurde Amerikaanse vijftal dat ook wel daadwerkelijk. Als we hier even op de kwaliteit van hun nieuwste, het zopas verschenen “American Spiritual”, mogen afgaan tenminste. Dat is het soort van plaat, dat je als luisteraar binnen de kortste keren in een staat van roes krijgt. Het soort van plaat, dat je soulvol grimmig rockend een schop onder je kont verkoopt, om je vervolgens bijna op het arrogante af zonder om te kijken smekend om meer achter te laten. Songs als het na een eerder rustige intro brutaal opengescheurde “Star-Spangled Glamour”, het tegen een enigszins militair aandoend riff-marsregime neergelegde en de vele onzinnige tragedies van zo menig een absurde oorlog aanklagende “Rest Sniper, Rest” en het op bijzonder soulvolle wijze aan de grote hard rock acts van de vroege seventies herinnerende “You’ve Been Warned” hebben hoegenaamd alles om je als luisteraar genadeloos in te palmen. Hier wordt op bijzonder creatieve wijze met het gegeven classic rock omgesprongen. Je hoort nu al overduidelijk, dat dit gezelschap bepaald niet van plan is om ter plaatse te blijven trappelen. Omdat we hun vorige plaat nu toevallig goed vonden, zullen ze ons die heus geen tweede keer gaan serveren. Iets wat hen siert en aan ons alvast de vaststelling ontlokt, dat de “buzz” rond deze groep volledig te rechtvaardigen valt.

Dirty Sweet

Sonic Rendezvous

 

BIG SMITH “Roots, Shoots & Wings” (Mayapple Records)

(3,5****)

Variatie troef op “Roots, Shoots & Wings”, de eerste nieuwe studioplaat gevuld met uitsluitend origineel materiaal van Big Smith sinds het in 2000 verschenen “Big Rock”. De door de toevoeging van bassist Bill Thomas en violiste Molly Healey nu liefst zes leadvocalisten tellende groep is op die plaat allerminst voor één gat te vangen. Het geinige “My Overalls (Don’t Fit Me Anymore)” opent de feestelijkheden in een old-time Americana mood. “Ain’t Got Nobody” hinkt vervolgens uitermate swingend op een jazzy groove rond, “Coal Miner’s Blues” verdient mede dankzij z’n sprankelende akoestische aanpak volop het derde lid van z’n titel, “Cicada” is dan weer een heerlijk staaltje van melodieuze countryrock, “Brady And Duncan” een stomende, met folk & roots stoeiende variant daarop, “Forest For The Trees” gewoon mooie, op ingetogen wijze aan de man gebrachte singer-songwritercountry en “Mountain Man’s Lament” een aardig intense flirt met bluegrass. Enfin, u merkte het al, het kan hier hoegenaamd alle kanten uit. En dan hadden we het nog niet eens over het heerlijk uit de speakers knallende “Ride That Train”, dat als een door de wol geverfde priester het nagenoeg perfecte huwelijk tussen wild hipshakende country en roots rock voltrekt, over het zich met een vette knipoog naar Bob Wills en aanverwanten Texas swing eigen makende “Texas Can Wait”, over het uit zo ongeveer al zijn poriën naar drukbezochte honky-tonks geurende “Medical Emergency” en over nog tal van andere heerlijkheden hier. Werkelijk voor elk wat wils op deze lekkere schijf, die ons tijdens de nu toch zo stilaan nakende zomer wellicht nog heel erg vaak zal gaan vergezellen.

Big Smith

CD Baby

 

MARK ERELLI & JEFFREY FOUCAULT “Seven Curses” (Continental Song City)

(5*****)

Een paar jaar geleden blikten Jeffrey Foucault en zijn singer-songwritermaatje Mark Erelli samen een handvol liedjes in. Het betrof daarbij, zoals terecht aangegeven in de ondertitel van dat zopas onder de vlag “Seven Curses” verschenen geheel, “a killer selection of americana murder ballads”. Amper twee nachtelijke opnamesessies resulteerden in een hoegenaamd nergens minder dan briljante plaat. Twee fraaie, elkaar bij momenten echt heerlijk aanvullende stemmen, een flink assortiment oude gitaren en bovenal ook een uitgelezen collectie verhalende liedjes blijken goed voor ruim drie kwartier subliem luistervoer. Foucault en Erelli tackelen hier op overtuigende wijze songs over liefde en de dood als Woody Guthrie’s “Philadelphia Lawyer”, Bruce Springsteens “Johnny 99”, Norman Blake’s “Billy Gray”, Paul Siebels “Louise”, de traditional “Pretty Polly”, Steve Earle’s “Ellis Unit One”, Neil Youngs “Powderfinger” en andere. Enkel voor “Wyoming Wind” zochten de twee hun heil niet elders. Dat nummer stamt immers uit de koker van Erelli zelve. Uit de toon vallen doet het hier echter allerminst. Neen, deze ruwe, goudeerlijke collectie mag u zich zonder ook maar de geringste aarzeling aanschaffen. Het valt als u het ons vraagt immers sterk te betwijfelen, dat u dit jaar nog iets beters geserveerd zal krijgen.

Jeffrey Foucault

Mark Erelli

Continental

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home