CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

ELIZA GILKYSON “Roses At The End Of Time” - VARIOUS ARTISTS “No One Got Hurt - Bloodshot Records 15th Anniversary @ The Hideout, Chicago” - GINA SICILIA “Can’t Control Myself” - KATE & ANNA MCGARRIGLE “Odditties” - BARRENCE WHITFIELD AND THE SAVAGES “Savage Kings” - RICHARD LINDGREN “Memento” - ANDREA STRAY “Vacancy” - VARIOUS ARTISTS “I Love Tom T. Hall’s Songs Of Fox Hollow” - JEFFREY FOUCAULT “Horse Latitudes” - TIM GRIMM “Thank You Tom Paxton” - OH SUSANNA “Soon The Birds” - MR. ISAAC ALLEN “Don’t Smoke” - HOLLY GOLIGHTLY AND THE BROKEOFFS “No Help Coming” - THE GRASCALS “The Grascals & Friends” en “Dance Til Your Stockings Are Hot And Ravelin’” - JUDE DAVISON “Outskirts Of Eden” - JIM STUBBLEFIELD “Inspiración” - SOUTHEAST ENGINE “Canary” - MARYBETH D’AMICO “The Light Inside”

 

 

ELIZA GILKYSON “Roses At The End Of Time” (Red House / Music & Words)

(4,5*****)

Er zijn wel degelijk nog zekerheden in het leven! Zo kan je er als liefhebber van Americana bijvoorbeeld gif op innemen, dat elke nieuwe plaat van zingende liedjesschrijfster Eliza Gilkyson je wel weer zal bevallen. En dat is dan ook met “Roses At The End Of Time” niet anders. Nu eens niet in een productie van “usual suspect” Mark Hallman, maar van Cisco Ryder levert ze daarmee misschien wel de beste plaat van haar leven af. Met uitzondering van “Death In Arkansas” van broerlief Tony bevat “Roses At The End Of Time” uitsluitend eigen materiaal. En daarin tast Gilkyson als vanouds op hoogst aantrekkelijke wijze de grenzen van het genre af. De voor haar zo karakteristieke aanstekelijke akoestische ballades worden erop afgewisseld met wat “ruimdenkender” materiaal. Gaande van pittige folkrockertjes tot voorzichtig met elektronica stoeiende kleinoden. Het atmosferische “Once I Had A Home” is er zo bijvoorbeeld eentje. Daarmee belandt Gilkyson prompt in hetzelfde vaarwater als Emmylou Harris voor heel wat van het materiaal van haar laatste platen. Meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Roses At The End Of Time” trouwens, dat liedje! Al zijn er daarvan wel bepaald veel ditmaal. Zo waren wij hier bijvoorbeeld ook nog compleet ondersteboven van de deels in het Spaans gebrachte border song “Vayan El Norte”, het door Summer Erickson op z’n tuba onderbouwde en met de tong diep in de wang geplant onze huidige levenswijze hekelende “2153”, het bepaald radiogenieke, over puik gitaarwerk van Mike Hardwick een aardig eindje wegrockende “Looking For A Place” en het ook al erg knappe titelnummer, eerder te bestempelen als “vintage Gilkyson”. Gastbijdragen zijn er op “Roses At The End Of Time” ondermeer van John Gorka, Lucy Kaplansky, de al genoemde Mark Hallman, Warren Hood, Rich Brotherton en Tony Gilkyson. Met z’n allen helpen zij op niets tot de verbeelding overlatende wijze te onderlijnen, dat Gilkyson zich zo stilaan op de top van haar kunnen als songwriter moet bevinden. Erg, erg sterk allemaal!

Eliza Gilkyson

Red House Records

Music & Words

 

VARIOUS ARTISTS “No One Got Hurt – Bloodshot Records 15th Anniversary @ The Hideout, Chicago” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

“Waar is dat feestje? Hier is dat feestje!” En “hier” betekent in dit geval The Hideout in Chicago, sinds jaar en dag zo’n beetje het clublokaal van de alt.-countrypioniers van Bloodshot Records. Op 12 september van 2009 vierden zij daar hun vijftienjarig bestaan en lieten ze er voor zo’n vierduizend aanwezigen tal van labelcoryfeeën aanrukken: van de Sanctified Grumblers (“EZ Ridin’ Grumblers”) over Sally Timms & Jon Langford (“Sad Milkman” en “Pill Sailor”), The Blacks (“Theresa Leaves Lonesome Town” en “Horrorshow”), Bobby Bare Jr. (“Monk At The Disco” en “Valentine”), Moonshine Willy (“Turn The Lights Down Low”), The Scotland Yard Gospel Choir (“Aspidistra” en “Tear Down The Opera House”), Scott H. Biram (“Still Drunk, Still Crazy, Still Blue” en “Truck Driver”), de Deadstring Brothers (“If You Want Me To” en “Smile”), Alejandro Escovedo (“Castanets” en “I Was Drunk”) tot de Waco Brothers (“Red Brick Wall”, “Merseysong” en “See Willy Fly By”), goed voor een alleraardigste, redelijk representatieve dwarsdoorsnede van alles waar het label tot dan toe voor gestaan had. En ”No One Got Hurt” is dan ook leuk als aandenken voor alle er toen aanwezigen, leuk voor de fans van alle betrokkenen, gewoon leuk voor iedereen eigenlijk, die Bloodshot Records om wat voor reden dan ook ooit even een warm hart heeft toegedragen. (En dat zelfs ondanks een lang niet altijd even geweldige geluidskwaliteit!)

Bloodshot Records

Bertus

 

GINA SICILIA “Can’t Control Myself” (Vizztone / Bertus)

(3,5****)

Wie het wachten op een nieuwe schijf van Bonnie Raitt wat al te lang aansleept, moest tussentijds maar eens even een oor te luister durven te leggen bij Gina Sicilia. Op haar derde langspeler werpt die vanuit Philadelphia volop aan de weg timmerende jonge Amerikaanse zich immers andermaal op als een waardig alternatief. De stemgewijs best wel wat aan Raitt herinnerende Sicilia verbreedt daarop nadrukkelijk haar horizonten. Waar in het verleden vooral R&B en blues haar aandacht trokken, durft ze nu ook volop soul en Americana aan. “Can’t Control Myself” bevat naast zeven eigen liedjes ook covers van het hier vooral in de uitvoering van Bobby “Blue” Bland bekende “Members Only” (Uitstekende versie!), de door Willie Dixon gepende Muddy Waters-kraker “Crazy ‘Bout You Baby” en het in het verleden al door Stevie Wonder, de Four Tops en tal van andere soulartiesten gebrachte “A Place In The Sun”. Dé absolute stand-out hier is wat ons betreft echter een eigen nummer van Sicilia, meer bepaald het een weinig aan “Under The Boardwalk” verwante schuifelaartje “Before The Night Is Through”. In een wat rechtvaardigere wereld zou dat liedje simpelweg niet uit de ether weg te branden zijn. Net als nogal wat andere radiogenieke deunen hier trouwens. Een echte tip!

Gina Sicilia

Bertus

 

KATE & ANNA MCGARRIGLE “Odditties” (Querbeservice / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Begin vorig jaar stierf met Kate McGarrigle één van de twee zussen die wellicht voor eeuwig in het collectieve geheugen gegrift zullen blijven door de lentefrisse folkdeun “Complainte Pour Ste Catherine”, waarmee ze in 1975 een terechte wereldhit scoorden. Naast elkaar fantastisch aanvoelende zangeressen waren die Kate en haar zus Anna vooral ook prima songwriters. En dat wordt hier en nu nog maar eens dik in de verf gezet met de postuum verschijnende compilatie “Odditties”, een verzameling eigen liedjes en covers (van materiaal van o.m. Stephen Foster en Wade Hemsworth), die de McGarrigles voor tal van projecten tussen 1973 en 1990 inblikten, maar die om uiteenlopende redenen op de plank achterbleven. Al langer hadden de twee dames met de gedachte gespeeld om een aantal van die opnames naar het digitale hier en nu te laten vertalen, maar tot een effectieve release had dat tot op heden nog niet geleid. En dus mag Kate het ook niet meer meemaken, hoe van een definitief archief-bestaan geredde liedjes als “Was My Brother In The Battle”, “Better Times Are Coming”, “Gentle Annie”, “Ah May The Red Rose”, “The Log Driver’s Waltz”, “My Mother Is The Ocean Sea”, “As Fast As My Feet”, “A La Claire Fontaine”, “Parlez-Nous A Boire”, “Lullaby For A Doll”, “Louis The Cat” en “You Tell Me That I’m Falling Down” alsnog tot een “nieuwe” Kate & Anna McGarrigle-plaat leiden. Daaronder tal van knappe folk(rock)deuntjes, ingespeeld met schoon volk als Joel Zifkin, Andrew Cowan, Chaim Tannenbaum, Gilles Losier, Pat Donaldson, Gordon Adamson, Gerry Conway, Danny Greenspoon, Jody Golick, Michel Dupire, Audrey Bean, Peter Weldon, Jane McGarrigle, Dane Lanken en Rufus Wainwright aan hun zijde. De topmomenten, vroeg u? Dat zijn voor ons vooral het quasi a capella live gebrachte “A La Claire Fontaine”, het olijke drinklied “Parlez-nous à Boire” en het lekker folkrockende, met een leuke accordeonbijdrage opgewaardeerde “As Fast As My Feet”. Bij dat soort van liedjes ging de ondertussen toch ook al wat oudere jongere in ons zich spontaan heel erg in z’n nopjes voelen.

Kate & Anna McGarrigle

Sonic Rendezvous

 

BARRENCE WHITFIELD AND THE SAVAGES “Savage Kings” (Munster / Sonic Rendezvous)

(4****)

Precies vijfentwintig jaar geleden besloten gitarist Peter Greenberg en bassist Phil Lenker gelijktijdig om het muzikantenbestaan de rug toe te keren en op die manier luidden ze meteen ook het einde in van één van de meest opwindende rock & roll acts van het moment. Exit de originele Barrence Whitfield & The Savages. Voorgoed voorbij, dat zo bruisende huwelijk tussen R&B, rockabilly en garage rock, dat het gezelschap rond de extravagante shouter op z’n naar zichzelf vernoemde debuut uit ’84 en de opvolger daarvan, het al even knappe “Dig Yourself”, had voltrokken, zo leek het. Tot nu dus! Net op het moment dat old school soul dankzij acts als Sharon Jones & The Dap Kings, Eli “Paperboy” Reed, James Hunter en een kleine handvol anderen weer op wat goede wil lijkt te kunnen rekenen, nemen Whitfield en de zijnen de draad van hun carrière samen weer op. En dat doen ze met het naar eigen zeggen als een soort van hommage aan het adres van het legendarische King-label uit Cincinatti opgevatte “Savage Kings”. Daar in Ohio blikten ze trouwens de twaalf songs van hun comebackplaat ook in. Te beginnen met de falset-“R&B ‘n’ roll” van “(Your Love Is Like A) Ramblin’ Rose”, dat zo van achter een achteloos opengelaten garagepoort op je aan lijkt te komen waaien. Vervolgens staat “Just Moved In” garant voor een opwindende pot energieke “American Music Blasters style”, blijkt “It’s Mighty Crazy” stampvoetende soul met beheerste uitlopers richting blues, is “You Told A Lie” een onheilszwangere sleper van het werkelijk allerbangelijkste kaliber, rockt “Willie Meehan”, daarbij fameus aangejaagd door een retestrak agerende sax en dito gitaren, een aardig eindje weg en vindt “Shot Down” stuiterend een eigen niche tussen een funky groove en alweer messcherp snarenrockwerk. De tweede helft van “Savages” wordt aansluitend ingezet met “Who’s Gonna Rock My Baby?”, wederom zo’n geweldige kruisbestuiving van rock & roll met R&B, met Whitfield bij momenten op z’n schreeuwende best. En zo gaat het hier maar verder. Met als absoluut ook nog te vermelden hoogtepunten zeker ook nog het over een heerlijk honkende sax onweerstaanbaar met de kont schuddende “Barefoot Susie”, de hypernerveus rockende smeekbede “Stop Trying To Break Me Down” en het afsluitende “Bad Girl”, een met regelmatig aardig overslaande stem getackelde soulvolle story song. De “Wilden” “rulen” weer, zoveel moge ondertussen al wel lang duidelijk zijn…

(Ook verkrijgbaar op vinyl!)

Barrence Whitfield & The Savages

Munster Records

Sonic Rendezvous

 

RICHARD LINDGREN “Memento” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: dit is een ronduit verbluffend knappe retrospectieve gewijd aan één van de best bewaarde geheimen van de Europese rootsmuziekscène, de Zweedse singer-songwriter Richard Lindgren. Verspreid over drie in een handig doosje verpakte cd’s serveert huis van vertrouwen Rootsy ons daarop 46 liedjes van de Scandinavische veelkunner, waarvan er liefst 22 nooit eerder het daglicht zagen. Als dusdanig de ondertitel “1994-2010: Best Of + Rare & Unreleased” meer dan rechtvaardigend. Een veritabele schatkist is dit van de man, waarover collega Mary Gauthier in de door haar gepende liner notes liefdevol opmerkt, dat hij “zingt en schrijft als een stervende, als iemand die hoegenaamd niks meer te verliezen heeft”. Net als ons viel ook zij voor de werkelijk ontwapenende eerlijkheid van Lindgren. De manier waarop hij zijn hart lucht in zijn liedjes is eigenlijk amper nog van deze tijd. En dat hij dat bovendien ook nog eens doet in bijzonder knappe songs schaadt de goede zaak natuurlijk ook niet. Knappe rootsy pop (“Lighthouse In The Dark”, “One Step Behind”, “When My Days Are Done”, “Blue Sky Hut”, “Lone Star Blues” en andere) daarbij ondermeer afwisselend met sfeervolle Waitsiaanse achterbuurten-late night jazz (“Five Pints And A Wink From Gwendolyn”), uitmuntende Americana en folk (het hier drie jaar na onze eerste beluistering ervan nog steeds volop kippenvel verwekkende “Back To Brno”, “Poets Drown In Lakes” en het met Andi Almqvist geschreven en gebrachte “Mezcal Mae”), zalige pianoballades (“Aberdeen”) en gestoei met een tangomotiefje (“Black Morning, Black Train”) weet Lindgren vrijwel doorlopend te boeien. Ook in het door hem vertolkte materiaal van anderen. Zo brengt hij ondermeer een wel bijzonder levendige versie van Townes Van Zandts “White Freightliner Blues”, tackelt tegen een jazzy pianoachtergrond met veel gevoel Dylans “Blind Willie McTell”, leent bij Hank Williams “I’m So Lonesome I Could Cry”, hier gebracht in duet met Maria Blom, en eert Woody Guthrie, Leonard Cohen en Tom Waits met lezingen van respectievelijk hun “Deportees (Plane Wreck At Los Gatos)”, “Famous Blue Raincoat” en “Tom Traubert’s Blues”. Grote songwriters, met het nodige respect benaderd door een uitermate getalenteerde collega, die met dit “Memento” eindelijk maar eens op wat grotere schaal moest gaan doorbreken. Van het feit, dat hij dat ondertussen meer dan verdient, kan je jezelf gaan overtuigen op Rootsy’s aan deze box set gewijde Bandcamp-pagina. Je kan er alle 46 tracks in hun geheel beluisteren. Wedden, dat je niet eens de helft ervan nodig zal hebben om tot de aanschaf van dit juweeltje over te gaan?

Richard Lindgren op MySpace

Richard Lindgrens “Memento” op Bandcamp

Sonic Rendezvous

 

ANDREA STRAY “Vacancy” (Andrea Stray)

(3***)

De naar verluidt vanuit San Francisco actieve Andrea Stray brengt op haar eerste release “Vacancy” het soort van liedjes, waarvoor liefhebbers van de muziek van acts als een Neko Case, een Jesse Sykes, een Lucinda Williams of de Cowboy Junkies wellicht wel even uit hun tent zullen willen komen. Niet zelden behoorlijk desolaat aandoende deunen, waarin ze ondermeer rondzwervend doorheen door God en klein Pierke verlaten streken en tegen de toog van naar verschaald bier en eenzaamheid geurende bars aanleunend  dankbaar gebruik maakt van de hand- en spandiensten van de hier vooral van zijn werk voor de Desert Rose Band bekende Tim Grogan op drums, piano, B3 en Rhodes, Coleman Murphy op diverse elektrische gitaren, de van Willie Nelson geleende Mike Waldron op gitaar, slide en bouzouki, de ook wel eens in de buurt van Dale Watson geziene Rod Lewis op bas en de alom gewaardeerde David Henry op cello. Het resultaat? Sfeervolle, bij momenten best wel wat filmisch aandoende alternatieve country en Americana, die helaas niet altijd kan verhullen, dat Stray niet echt over een grote stem beschikt. Bij momenten net een beetje te vlak, naar onze begrippen…

Andrea Stray

CD Baby

 

VARIOUS ARTISTS “I Love Tom T. Hall’s Songs Of Fox Hollow” (Red Beet Records)

(3,5****)

Het naar zijn eigen farm in Tennessee vernoemde “Songs Of Fox Hollow” van Tom T. Hall moet zowat het meest succesvolle country-kinderalbum aller tijden zijn. Het leverde de beste man destijds in ’74 met “I Love” en “I Care” zelfs twee heuse nummer 1-hits op. En tonnen aan respect vooral ook. Genoeg om er zelfs nu, toch bijna veertig jaar later, nog eens uitgebreid op terug te komen. Dat vonden althans Peter Cooper en zijn maatje Eric Brace, je wellicht beter bekend als het kopstuk van Last Train Home. Zij verzamelden een reeks bekende en mindere bekende vrienden om zich heen en speelden het album geheel en al opnieuw in. Daarbij vakkundig bijgestaan door een gelegenheidsband bestaande uit Lloyd Green (pedal steel), Jen Gunderman (keyboards, piano, accordeon), Mike Bub (akoestische bas) en Mark Horn (drums) waden ondermeer Patty Griffin, Buddy Miller & Duane Eddy, Jim Lauderdale, Elizabeth Cook & Tim Carroll, Gary Bennett, Jon Byrd, Mark & Mike, Tommy Cash, Bobby Bare en Fayssoux Starling McLean en Hall zelve zich doorheen legendarisch geworden liedjes als het al genoemde duo “I Love” en “I Care”, “Sneaky Snake”, “The Mysterious Fox Of Fox Hollow”, “I Wish I Had A Million Friends”, “The Song Of The One-Legged Chicken”, “How To Talk To A Little Baby Goat” en andere. En natuurlijk doen ook Cooper en Brace zelf hun duit in het zakje. Met als sterkste momenten wat ons betreft Patty Griffins ongemeen sfeervolle lezing van “I Love”, het door Buddy Miller en de legendarische Duane Eddy tot een lekker “twangertje” herschapen “Sneaky Snake”, het door Brace met z’n kompanen van Last Train Home in een tot de rand toe met weemoed gevuld bad ondergedompelde “The Mysterious Fox Of Fox Hollow”, het door Bobby Bare met verweerde stem nog wat meer richting een eeuwig leven getilde “I Care” en zeker ook het afsluitende “I Made A Friend Of A Flower Today”, waarin Fayssoux Starling McLean zich geflankeerd wetend door de oude Hall zelve laat verleiden tot een zoveelste vocale glansprestatie. Très sympa allemaal!

Songs Of Fox Hollow

Red Beet Records

 

JEFFREY FOUCAULT “Horse Latitudes” (Signature Sounds / Continental Song City / Munich / V2)

(5*****)

Na de “zijstapjes” “Shoot The Moon Right Between The Eyes”, een collectie geadapteerde liedjes van zijn idool John Prine, “Seven Curses”, z’n “murder ballad-samenwerking” met collega-labelmaatje Mark Erelli, “Cold Satellite”, songs geënt op de schrijfsels van dichteres Lisa Olstein, en een live-cd als Redbird met wederhelft Kris Delmhorst en Peter Mulvey eindelijk weer eens “echt nieuw werk” van de Amerikaanse singer-songwriter Jeffrey Foucault. Eigenlijk is dit dus gewoon de opvolger van “Ghost Repeater”, het album dat wij hier in 2006 weerhielden als “plaat van het jaar”. En het zou al heel vreemd moeten gaan lopen, mocht ook “Horse Latitudes” straks weer niet voor die eer in aanmerking gaan komen. Foucault bevestigt hier eigenlijk gewoon al het goede, dat we in het verleden reeds over hem verkondigden. Als songwriter kent hij amper zijn gelijke en dan zijn er natuurlijk ook nog die ongemeen expressieve stem van ‘m en zijn kunstjes op de akoestische. Stuk voor stuk dingen, die hem live keer op keer weer tot een echte sensatie laten uitgroeien. Iets wat op ons alvast een blijvende indruk gemaakt heeft. En geloof ons vrij, wij zullen lang niet de enigen zijn…

“Horse Latitudes”, vernoemd naar de zogeheten “Paardenbreedten”, een gebied van subtropische hogedrukzones met weinig tot geen wind, waar Spaanse zeelui volgens de overlevering uit pure wanhoop ooit paarden in zee dumpten om überhaupt nog maar vooruit te kunnen geraken, graaft louter inhoudelijk gezien weer heerlijk diep. Met name de vaak hand in hand gaande thema’s “love & loss” blijken hoekstenen voor tien liedjes van werkelijk superieure kwaliteit. Tussen het nogal moody ingevulde titelnummer, waarmee “de feestelijkheden” worden ingezet, en het afsluitende “Tea And Tobacco”, een lieflijk folky niemendalletje over een leven “on the sidewalk”, zit er werkelijk niet één kneusje. Zowel wat het tekstuele als de muzikale invulling ervan betreft zijn de door Foucault hier uit de hoge hoed getoverde songs stuk voor stuk af. En dat hoeft eigenlijk niet eens te verwonderen, als je weet, dat het in amper drie dagen tijd in L.A. ingeblikte “Horse Latitudes” mee verwezenlijkt werd door schone lieden als de recent ondermeer rond Ray LaMontagne en Sam Phillips opgemerkte bassiste Jennifer Condon, Morphine-drummer Billy Conway, vrouwlief Kris Delmhorst (cello en zang), snarenvirtuoos Eric Heywood (pedal steel en diverse gitaren) en de legendarische Van Dyke Parks (piano, accordeon en Hammond-orgel). Dankbaar maakt dat vijftal van de door Foucault zelf gelaten ruimte gebruik om op z’n respectievelijke instrumenten te schitteren in functie van de gebrachte liedjes. Met name Eric Heywood dan. In de sfeervolle countryrocker “Pretty Girl In A Small Town” ondersteunt die op z’n elektrische de protagonist van dienst echt wel bijzonder knap. Iets wat hij wat verderop in dingen als de beeldige Americana-trage “Starlight And Static” en het nog wat meer onthaast aandoende “Goners Most” gelijk nog even overdoet, zij het dan wel op de pedal steel. Sfeer en inhoud gaan in die liedjes, net zoals in zowat alle andere hier, op wonderbaarlijke wijze hand in hand. En de term meesterwerk dringt zich dan ook bijna als vanzelfsprekend weer eens op. Wat ons betreft zondermeer een verplichte aanschaf.

Jeffrey Foucault

Continental Record Services

 

TIM GRIMM “Thank You Tom Paxton” (Vault Records)

(4****)

Na een recent gespeelde wedstrijd in de UEFA Champions League waren wij getuige van een zo op het eerste gezicht eigenaardig tafereel. We zagen, hoe één van de beste spelers van het ogenblik – Na een winnend afgesloten partij nota bene! – op één van zijn tegenstanders toe stapte en om diens shirtje ging bedelen. Een mooi gebaar. Een teken van veel respect vooral ook. En een bewijs voor de vaststelling, dat ook onze helden zo hun helden hebben. En da’s eigenlijk niet meer dan normaal ook. Het zijn tenslotte ook maar mensen. En die kijken nu eenmaal graag op naar anderen. Of ze laten er zich door beïnvloeden. Zoals Tim Grimm ook. Die met “Coyote’s Dream” uit 2003 wat ons betreft voor één van de allermooiste platen aller tijden verantwoordelijke Amerikaanse singer-songwriter groeide op met de muziek van folkicoon Tom Paxton. Diens songs waren het, die Grimm naar eigen zeggen voorgoed veranderden. Door te luisteren naar Paxton leerde hij. Over de oorlog in Vietnam, over sociaal protest, over de liefde, maar vooral ook over liedjes en hun structuren. En nu, op al wat latere leeftijd, wil hij zijn idool daarvoor op zijn manier bedanken. Zijn nieuwe plaat is dan ook een uit diep respect geboren eerbetoon. Met een handvol vrienden brengt hij in een met de uit de entourage van John Prine geplukte Jason Wilber gedeelde productie een twaalftal songs van zijn held. En het resultaat is om het met één enkel woord samen te vatten verrukkelijk. De hoogtepunten volgen elkaar op “Thank You Tom Paxton” echt aan een hels tempo op. “Rumblin’ In The Land”, een met Wilber op de elektrische en Joe Crookston op de banjo en als vocale rechterhand gebrachte old-time lezing van die Paxton-klassieker, is er meteen zo eentje.  En ook de folkrocker “Bishop Cody’s Last Request”, het atmosferische, op wel heel erg ingetogen wijze met Sarah en Claire Bowman gedeelde “Whose Garden Was This”, het speels met “ganjo” besprenkelde “My Favorite Spring”, de mijmerende Americana van “The Last Thing On My Mind”, een als The White Lightning Boys op muziek gezet stukje geschiedenis over “General Custer” en het bijna op z’n Leonard Cohens meer gefluisterde dan gezongen “Forest Lawn”, met een opvallende vocale gastrol voor Krista Detor”, zijn dat zeker. En dan vergeten we er nog wel enkele! Om maar te zeggen, dat dit eigenlijk gewoon één enkel verbluffend mooi geheel is.

Tim Grimm

 

OH SUSANNA “Soon The Birds” (Continental Song City / Munich / V2)

(4****)

Vier lange jaren zaten er vervat tussen het verschijnen van haar laatste, het met een Juno genomineerde “Short Stories” uit 2007, en “Soon The Birds”, de nieuwe van Suzie Ungerleider. Als Oh Susanna doet de Canadese daarop nochtans gewoon verder datgene, waar ze al tijden zo verdomd goed in blijkt. En dat is, als je het ons vraagt, het brengen van prima roots music met een net wat radiovriendelijker kantje dan die van het gros van de concurrentie. Ditmaal gebeurde dat aan het handje van de ondermeer om zijn werk met de Wailin’ Jennys en het duo Manx en Breit geprezen lokale producer David Travers-Smith. Onder diens toeziende oog werd er eigenlijk maar weinig veranderd aan wat in het verleden voor Ungerleider al een winnende formule bleek. Ergens halverwege traditionele country en folk wist de getalenteerde brunette ook ditmaal weer een elftal bijzonder aangenaam wegluisterende liedjes voor ons samen te harken. Herfstig weemoedig aandoende pedal-steelklanken en met al even veel omzichtigheid neergelegde zachte gitaarwolkjes bepalen daarin grotendeels de klankkleur. En natuurlijk ook de prachtige stem van La Ungerleider zelve. Die heeft van het klaaglijke karakter daarvan ondertussen zo’n beetje haar handelsmerk gemaakt. En let vooral ook even op de hemelse harmony vocals van Ruth Moody! A perfect match gewoon, die twee! Met als absolute stand-outs “this time around” wat ons betreft het door collega Burke Carroll van wat fraai Weissenborn-werk voorziene “Millions Of Rivers”, het snarengewijs old-time ademende “By Rope”, het ongemeen relaxte “Drunk As A Sailor” en de mooie ingetogen roots rock van “Your Town”.

Oh Susanna

Continental Record Services

 

MR. ISAAC ALLEN “Don’t Smoke” (Horizon Music Group)

(3,5****)

“Don’t Smoke” drukt hij ons vanop het booklet van zijn zopas verschenen cd-debuut op het hart, maar zelf lijkt Isaac Allen het met die gouden stelregel absoluut niet zo nauw te nemen. Ondanks zijn nog relatief jonge leeftijd – Amper vierentwintig is hij! – verraadt zijn stem immers een nadrukkelijke hang naar nicotine en andere niet erg stembandvriendelijke substanties. Ongelooflijk verweerd klinkt ze. Iets wat hem ondertussen al vergelijkingen met zo uiteenlopende groten der aarde als een Nick Cave, een Johnny Cash, een Townes Van Zandt en vooral ook een Leonard Cohen opleverde. En dat eigenlijk niet eens helemaal ten onrechte. Temeer daar ook in zijn muziek wel sporen in elk van die richtingen terug te vinden zijn. Americana, country, blues, pop en jazz, allemaal spelen ze ergens wel een rol van betekenis in de intrigerende muzikale lappendeken, die “Don’t Smoke” blijkt te zijn. Al lijkt de nadruk op de keper beschouwd toch vooral op dat laatste genre te liggen. En dat leent zich misschien ook wel het best tot het brengen van eerder sombere boodschappen als die van Allen hier. In zijn teksten concentreert hij zich immers bepaald niet op de schonere kant van het leven. Wel integendeel! Hij focust zich naar eigen zeggen vooral op wat hij rond zich allemaal verkeerd ziet gaan en op “what’s happening in hurt hearts”. Dat zulks behoorlijk beklemmend materiaal oplevert, behoeft wellicht amper betoog. We verwijzen in dat verband graag naar dingen als het intrigerende, ergens tussen pakweg de hoger al genoemde Nick Cave en Warren Zevon aanmerende “Daddy’s On Death Row”, de beklijvende Waitsiaanse late night-grootstadsjazz van “The Devil” of het een aparte draai aan het begrip swing gevende “The Mouse In My Head”. Deunen van dat kaliber rechtvaardigen de toevoeging van de afkorting “Mr.” voor de naam van Isaac Allen naar onze bescheiden mening nu al volledig. Wij zouden zelfs meer durven te zeggen: deze jonge New Yorker is echt een hele grote meneer in wording!

Mr. Isaac Allen

 

HOLLY GOLIGHTLY AND THE BROKEOFFS “No Help Coming” (Transdreamer / Bertus)

(4****)

Zoals Holly Golightly zijn er geen twee. Maar goed, dat wisten we natuurlijk al jaren, om tot die vaststelling te komen hadden we “No Help Coming” absoluut niet meer nodig. Deze vierde in het gezelschap van de Texaanse one man band Lawyer Dave opgenomen langspeler brengt dan ook vooral bevestiging van een aantal dingen. Van het eigenzinnige karakter van Golightly zelve, van haar toch echt wel aan het ongelooflijke grenzende vermogen om tussen gruizige blues, old-time folk en country, bluegrass en rockabilly toch steeds weer een originele eigen niche te vinden en van haar bedrevenheid als zangeres en songwriter vooral ook. Zo pakten zij en haar compadre Dave ons ditmaal “in no time” weer helemaal in met knappe songs als het hoegenaamd langs alle kanten rammelende alterna-bluesy titelnummer, het amper anders dan als bezwerende roots rock te omschrijven “The Rest Of You Life”, het op een ogenschijnlijk Zuid-Amerikaans (gitaar)motiefje voortwaggelende “Burn Oh Junk Pile Burn”, de withete country-opstoot “Under Arrest” en andere. En als toemaatje lieten zich uiteraard naar goede oude Golightly-gewoonte ook weer een aantal hoogst eigenzinnige covers optekenen. De knapste daarvan vonden wij een in regelrechte Lee & Nancy-stijl gebrachte lezing van countryfluisteraar Bill Andersons “Lord Knows We’re Drinking”. Maar ook de overige twee droegen vrijwel ogenblikkelijk onze absolute goedkeuring weg. Het betrof daarbij een ronduit hypnotische lezing van de R&B cult classic “Here Lies My Love” van de mysterieuze Mr. Undertaker en een al even bezwerende adaptatie van Wendell Austins psycho-country epos “L.S.D. Made A Wreck Of Me”, dat door Lawyer Dave aangelengd met een shot of twee ‘billy nu zelfs gewoon nog wat lekkerder smaakte. (Aanbevolen vooral aan liefhebbers van het materiaal van acts als Heavy Trash en de late White Stripes.)

Holly Golightly And The Brokeoffs op MySpace

Transdreamer Records

Bertus

 

THE GRASCALS “The Grascals & Friends” en “Dance Til Your Stockings Are Hot And Ravelin’” (Bluegrascal Records)

(3,5***)

Een dubbele dosis enkel via importkanalen verkrijgbare Grascals. Op de eerste van de twee verlenen ze naar eigen zeggen in het gezelschap van vrienden als Brad Paisley, Dierks Bentley, Dolly Parton, Tom T. Hall, Darryl Worley, Charlie Daniels, The Oak Ridge Boys, Joe Nichols, Randy Owen, Steven Seagal, Ansley McLaurin en Terri Clark een “bluegrass spin” aan country classics als “Tiger By The Tail”, “Folsom Prison Blues”, “Louisiana Saturday Night”, “The Year That Clinton Delaney Died”, “White Lightning”, “The Devil Went Down To Georgia”, “Leavin’ Louisiana In The Broad Daylight”, “Mr. Bojangles” en andere. En dat werkt wonderwel. De plaat luistert immers bijzonder aangenaam weg en toont op voorbeeldige wijze aan, dat je bluegrass mits wat goede wil best ook op maat van een wat grotere massa concipiëren kan.

Dosis nummer twee, het in een kartonnen slipcover aangeboden “Dance Til Your Stockings Are Hot And Ravelin’” is dan weer een stuk traditioneler van aard. Het betreft daarbij dan ook “A Tribute To The Music On The Andy Griffith Show”. In het collectieve Amerikaanse geheugen gebrande liedjes als “Dooley”, “Boil Them Cabbage Down”, “Stay All Night (Stay A Little Longer)”, “Ol’ Joe Clark” en andere worden daarop danig levenslustig gebracht, dat je ook dat project met een gerust gemoed geslaagd mag noemen. Met een speciale vermelding voor Kristin Scott Benson op haar banjo, Danny Roberts op mandoline en fiddler Jeremy Abshire, die hier elk op hun beurt serieus weten te stralen.

The Grascals

 

JUDE DAVISON “Outskirts Of Eden” (Jude Davison)

(4****)

“Outskirts Of Eden” is na het goed twee jaar geleden verschenen “Circo de Teatro” het alweer volgende bescheiden meesterwerk van de Amerikaanse veelkunner Jude Davison. Nu ja, bescheiden… In tijden van crisis in Platenland verrast de man met een uitermate copieuze dubbelaar met daarop liefst zevenentwintig nieuwe songs. En daarin kan het echt zo ongeveer alle kanten uit. In die mate zelfs, dat het an sich toch al heel erg rekbare begrip Americana bij momenten niet ruim genoeg meer blijkt voor Davison. Van flamboyant exotisch rockend zoals in het rijkelijk met blazers gelardeerde “Paraiso Perdido” over “Americana pur” genre “Medicine Show”, springerige country à la “Red Dirt Heart”, rootsy rock type “Hateful” of folky pop, zoals in het met een cellobijdrage flink opgewaardeerde “Borderline”, gaat het richting de werkelijk rete-aanstekelijke, door een banjo flink aangejaagde country rock van “Smoking Gun”. En dan hadden we het alleen nog maar over de eerste zes nummers! Stuk voor stuk al blijvertjes! En dat geldt verderop wat ons betreft zeker ook nog voor het op z’n New Orleans bluesy werkende, tegen marching band-tempo neergelegde “Dry Bones”, de “very seventies” aandoende rocker “Blood In The Aftermath”, de zomers lijzige Americana van “Dandelion”, het met rockabilly stoeiende “Halfway To Heaven”, de Latin-oorwurm “Magdelina Y Mi Corazon”, het jazzy “Baby Doll”, de bepaald radiovriendelijke roots pop van “Strange Desire”, de okselfrisse R&B van “Brain Street Boogie” en nog wel een kleine handvol anderen. Wat daarbij telkens weer opvalt, is de manier waarop Davison het totaalplaatje weet te verzorgen. Ondanks de ongelooflijke stilistische variatie, die hij op “Outskirts Of Eden” etaleert, weet hij, ondermeer door voor elk liedje steeds weer het juiste – Absoluut aan geen beperkingen beantwoordende! – instrumentarium uit te kiezen, uit een losse verzameling van op het eerste gezicht redelijk weinig met elkaar te maken hebbende deunen toch één enkel werkend geheel te smeden. Heel sterk!

Jude Davison

CD Baby

 

JIM STUBBLEFIELD “Inspiración” (Natural Elements Records)

(3***)

U mag ons gerust op ons woord geloven, als wij hier zonder omwegen durven te stellen, dat lang niet alles wat op onze schrijftafel belandt een even blijvende indruk op ons maakt. Heel wat van de platen die ons bereiken eindigen zelfs gewoon al na enkele beluisteringen op de plank om daar vervolgens nooit meer van af te geraken. Een lot, waartoe ook “Inspiración”, de vijfde van de je misschien wel van zijn werk met Incendio bekende gitarist Jim Stubblefield, voorbestemd lijkt. Niet dat dat zo’n slechte plaat is, verre van zelfs, maar ze staat gewoon vol met muziek van een genre dat ons wat minder aanspreekt. En als wij moeten kiezen tussen pakweg de hier elders besproken nieuwe albums van een Steve Earle, een Diana Jones, een Malcolm Holcombe, een Ben Arnold, een Brian Webb, een Buddy Miller, een Todd Thibaud of deze schijf, dan is onze keuze vrij snel gemaakt. In tegenstelling tot elk van voorgaande platen is “Inspiración” een louter instrumentale aangelegenheid. In elk van de tien nummers erop zoekt Jim Stubblefield naar een verklanking van meer zuidelijk gelegen delen van de States. En meer bepaald dan nog het Zuid-Westen. Zelf geeft hij aan daarbij een “gritty vibe” te hebben nagestreefd, maar die ontgaat ons dan toch een beetje. Wat we wél duidelijk herkennen is een, nog volgens Stubblefield zelf, aan Clint Eastwoods beruchte spaghetti westerns ontleende sfeer. Een sfeer, die overigens ook in titels als “El Pistolero”, “Armadillo” en “Across The Border” vervat lijkt te zitten. Al bij al een van best wel veel vakmanschap getuigend geheel, waarop flamboyant vingerwerk en virtuoos opgebouwde riedeltjes schering en inslag zijn, dat echter naar onze normen net iets teveel richting veredelde achtergrondmuziek neigt. Maar goed, misschien houdt u er daarover wel een geheel andere mening op na. En dat is dan natuurlijk uw volste recht ook…

Jim Stubblefield

 

SOUTHEAST ENGINE “Canary” (Misra / Bertus)

(4,5*****)

Een groepje, dat ondanks alles als het ware voorbestemd lijkt tot grootse dingen, is het vanuit Athens, Ohio al een kleine eeuwigheid vanuit de marge aan de weg timmerende Southeast Engine. En het heeft er naar ons gevoel echt alle aanschijn van, dat het viertal met zijn vijfde cd “Canary” eindelijk goud in handen houdt. Die conceptplaat, opgebouwd rond het reilen en zeilen van een Appalachenfamilie tijdens de Great Depression-jaren, zou hen in kringen van wat alternatiever ingestelde countryliefhebbers immers best wel eens aan eenzelfde status kunnen gaan helpen als Conor Oberst met Bright Eyes naar aanleiding van het zo’n jaar of zes geleden verschenen “I’m Wide Awake, It’s Morning”. Het door een Amerikaanse vakbroeder treffend als “part wilderness excursion, part history lesson and part revival meeting” omschreven op “Canary” gebrachte blijkt net als die plaat immers ook een uitermate geslaagde evenwichtsoefening op het slappe koord tussen indie, folk en (old-time) Americana. Daarbij nu eens licht overhellend naar het ene, dan weer eerder naar het andere weten de met een zalige “klaagstem” gezegende Adam Remnant en de zijnen bijna opvallend één van de lekkerste platen van 2011 so far uit de mouw te schudden. Fiddle-beladen openingsnummer “Curse Of Canaanville” doet je zo bijvoorbeeld in door de Waterboys ten tijde van “Fisherman’s Blues” in kaart gebracht territorium belanden, “Cold Front Blues” herinnert aan nogal wat materiaal van The Band, in “1933 (Great Depression)” worden nadrukkelijk meer rockende registers opengetrokken, het van nature positief ingestelde “At Least We Have Each Other” koppelt rootsy pop handig aan een vleugje rockpsychedelica en “Adeline Of The Appalachian Mountains” is gewoon een heel erg fraai streepje ingetogen folkgetinte Americana. Dit zou ons inziens straks wel eens uitgesproken eindejaarslijstjesmateriaal kunnen gaan blijken!

Southeast Engine

Misra Records

Bertus

 

MARYBETH D’AMICO “The Light Inside” (Longman Records)

(4****)

Het peloton met vrouwelijke, in de Americana-sector actieve singer-songwriters neemt nog vrijwel alle dagen met enkele eenheden toe en je moet dus stilaan al wel van heel goeden huize zijn om er nog echt in op te vallen of zelfs gewoon stand te houden. En dat is de jonge Amerikaanse Marybeth D’Amico gelukkig wel. Met haar debuutlangspeler “Heaven, Hell, Sin & Redemption” maakte ze ondertussen zo’n jaar of drie geleden al flink indruk en dat doet ze met haar opnieuw door Bradley Kopp geproduceerde nieuwe “The Light Inside” nog eens uitgebreid over. Waar haar visitekaartje echter nog vol stond met eerder donkere verhalen waagt ze zich ditmaal aan het meer persoonlijke. Verpakt in knappe, regelmatig ook wat ruwer aandoende, wat meer rockende songs dan voorheen blijven haar schrijfsels vrijwel zonder uitzondering zeer de moeite waard. In het gezelschap van gereputeerde studiomuzikanten als de al genoemde Kopp (akoestische en elektrische gitaren), Paul Pearcy (drums), Glenn Fukunaga (bas), David Webb (keyboards) en Mark Hallman (mandoline, mandola en bouzouki) bewijst D’Amico twaalf nummers lang het gelijk van allen die haar naar aanleiding van haar eersteling al in de armen sloten. Liedjes als het door rinkelende gitaarklanken gedragen (country)rockertje “The Darkest Day”, de vertederende ballade “Beneath The Rubble”, het op een eigenaardige manier soulvolle “Inside Out”, de fraaie ingetogen Americana beauty “This House” en het haar Duitse connecties nog eens in de verf zettende “Der Grenzer”, een ingehouden rocker, waarin ze vertelt vanuit het perspectief van één van de wachters, die jarenlang werden ingeschakeld om de ruim 1400 kilometer lange, kunstmatig in stand gehouden grens tussen West- en Oost-Duitsland te bewaken, zijn echt wel van een exceptioneel goed niveau. En Marybeth D’Amico, tja, we vallen hier een beetje in herhaling, die verdient het beslist om gehoord te worden.

Marybeth D’Amico

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home