CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2012

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

THE HOUSEROCKERS “Shake Around With The Houserockers” - RETO BURRELL “Sunshine & Snow” - LERA LYNN “Have You Met Lera Lynn?” - GRANT PEEPLES “Prior Convictions” - THE LONESOME DRIFTERS “From The Backwoods” - JP HARRIS AND THE TOUGH CHOICES “I’ll Keep Calling” - THE GREAT RECESSION ORCHESTRA “Double Shot” - THE HENHOUSE PROWLERS “Direct From Chicago – Live” - MARTY STUART AND THE FABULOUS SUPERLATIVES “Nashville, Volume 1: Tear The Woodpile Down” - HOT ROD RHYTHM BOYS “Introduction” - MELLOW JO & THE HI-TONES “Mellow Jo & The Hi-Tones” - LUCKY TUBB & THE MODERN DAY TROUBADOURS “Del Gaucho” - OH MY DARLING “Sweet Nostalgia” - STEVE AZAR “Delta Soul Volume One” - CROOKED BROTHERS “Lawrence, Where’s Your Knife?” - RHYTHM RIVER TRIO “Wild Side Of Life” - THE DEEP DARK WOODS “The Place I Left Behind” - ROCKY VOTOLATO “Television Of Saints” - PAT GREEN “Songs We Wish We’d Written II”THE BOOGIE TWISTERS “The Boogie Twisters” - RUBY ANN “Mama’s Back” - VARIOUS ARTISTS “Berlin Rocks The Rock-A-Tiki Rock”

 

 

THE HOUSEROCKERS “Shake Around With The Houserockers” (Rhythm Bomb Records)

(3,5****)

“15 great songs” waarschuwt een opvallend geel label op het hoesje van “Shake Around With The Houserockers” en dat blijkt bij nader inzicht allesbehalve een loze belofte. Het drie man sterke gezelschap uit het Engelse Essex ambieert op zijn nieuwe cd een authentieke jaren-’50-sound, geworteld in voornamelijk rock & roll en rockabilly, maar evenzeer gekruid met een snuif country en R&B op z’n tijd. Oudgediende Rob Glazebrook neemt daarbij ook verder zowel de zang als de leadgitaarpartijen voor zijn rekening. Paul Atkinson en Bob Blades verlieten de groep inmiddels en werden vervangen door respectievelijk bassist Nick Hoadley en drummer Nick Simonon. Samen met Glazebrook stuiteren die twee hier aanstekelijk doorheen klassiek rock & roll-spul genre “That’s All Right Mama”, “Lawdy Miss Clawdy” en “School Of Rock ‘N’ Roll”, heel wat minder bekend fifties-materiaal ook en uiteraard ook weer de nodige eigen op de oude leest geschoolde songs. Lekker ruw gebracht, met de gruizige stem van Glazebrook wat ons betreft als een serieuze blikvanger. De beste man klinkt bij momenten als een ver neefje van de jonge Elvis, maar dan wel zonder moeiallen als Sun-baas Sam Phillips en Colonel Tom Parker in de buurt. Heerlijk fris en wild dus!

The Houserockers op MySpace, Rhythm Bomb Records

 

RETO BURRELL “Sunshine & Snow” (Echopark Music)

(4,5*****)

Eerlijk is eerlijk: ik ben eigenlijk gewoon altijd al een fan geweest van Reto Burrell. Eerdere platen van de hese Zwitser als “Echo Park”, “Shaking Off Monkeys”, “Roses Fade Blue”, “Burrell” en “Go” belanden hier nog regelmatig in de lade van de cd-speler. En dat zal zeker ook met “Sunshine & Snow” nog heel erg vaak gaan gebeuren, want dat is zonder ook maar de geringste twijfel ’s mans allerbeste plaat tot op heden. Voor de opnames ervan trok hij naar Nashville. En daar nam hij in de gerenommeerde Quad Studios in nauwelijks twee dagen tijd negen nieuwe songjuweeltjes op. Daarbij betreft het louter volledig akoestisch gehouden Americana en folk. Zichzelf vrijwel voortdurend begeleidend op de akoestische en zich verder ondermeer verzekerd wetend van muzikale ruggensteun van kleppers als een Bryan Sutton (akoestische en Resonator-gitaren), een Aubrey Haynie (mandoline), een Jeff Taylor (accordeon) en een Dennis Crouch (staande bas) strooit Burrell hier kwistig met eerder weemoedig aandoende schoonheden in het rond. De stem van gaste Kaci Bolls en de bijdragen van een ook al regelmatig opduikend strijkkwartet kleuren daarbij heel mooi bij het vocale schuurpapier van Burrell zelve, die ons in zijn liedjes meeneemt op een trip doorheen onze eigen levens en die van anderen. Hij wil ons zodoende vooral laten nadenken over het waarom van bepaalde door ons gemaakte keuzes. Klinkt allemaal een beetje zwaar op de hand misschien, maar dat is het absoluut niet! Iets als “Let The Good Times Sing” klinkt zelfs ronduit opgewekt. Dit horen is het gegarandeerd ook kopen!

Reto Burrell

 

LERA LYNN “Have You Met Lera Lynn?” (Floating World / Bertus)

(3,5****)

In de States verscheen dit schijfje al in maart van vorig jaar, maar dankzij het Britse Floating World Records-label krijgt het nu ook hier eindelijk een serieuze kans. En dat is maar goed zo ook. Deze Lera Lynn blijkt immers zoveel meer dan alleen maar een opvallende naam. Haar liedjes zijn zodanig goed, dat ze met één ervan, het onderkoeld sombere “Bobby, Baby”, de voorbije zomer nog de Chris Austin Songwriting Competition, de jaarlijkse liedjeswedstrijd tijdens het gerenommeerde Merlefest in Wilkesboro, North Carolina, wist te winnen. Iets wat haar in het verleden ondermeer door “straffe madammen” Gillian Welch en Tift Merritt werd voorgedaan, om maar te zeggen… Dringend even mee kennismaken dus, met deze Lynn, als je dat tenminste nog niet gedaan mocht hebben. Liedjes als de een weinig richting het vroege materiaal van Norah Jones lonkende sleper “Whiskey”, het springerige “Happy Ever After”, de alterna-outlaw-honky-tonk van “Good Hearted Man”, het al genoemde “Bobby, Baby”, de sfeervolle trage “Paper Anchor”, een fel gesmaakte cover van Leonard Cohens “I Tried To Leave You” en andere zullen er al snel voor zorgen, dat je de vraag uit de titel van dit geheel in de toekomst graag met een volmondig “Ja!” zal willen beantwoorden. Dit is wel degelijk top-Americana en dat dan vooral voor wie wel houdt van wat variatie op zijn tijd. De met een ongemeen soulvolle stem gezegende Lynn blijkt er immers niet eentje om veel en lang stil te zitten. Ze mag nu eenmaal graag tonen wat ze zo al allemaal in haar mars heeft. En dat blijkt echt wel heel wat te zijn!

Lera Lynn, Floating World Records

 

GRANT PEEPLES “Prior Convictions” (GatorBone Records)

(5*****)

Wordt 2012 het jaar van z’n definitieve doorbraak voor Grant Peeples? Wij durven hier alvast luidop te denken van wel. ’s Mans vierde sinds zijn terugkeer in de States na een verblijf van elf jaar in Nicaragua is immers één van die platen, waarop werkelijk alles lijkt te kloppen. In een productie van de in het verleden ondermeer ook al om zijn werk met Lucinda Williams, Ray Wylie Hubbard en Mary Gauthier geprezen Gurf Morlix houdt Peeples zich op “Prior Convictions” vooral met geloofsgerelateerde gevaren en valstrikken bezig. Daartoe covert hij ondermeer op geweldige wijze Dylans “Things Have Changed”. Funky gitaartje van grootmeester Morlix, gortdroog drumwerk van Rick Richards en daarover dan Peeples’ eigen nasale stem en dia van duetpartner Ruthie Foster, zalig gewoon! En dat geldt hier voor wel meer nummers! We denken dan bijvoorbeeld aan het ons met name sfeergewijs een weinig aan de hier al eerder vernoemde Mary Gauthier herinnerende en door Peeples aan de hem al jaren inspirerende Dave Hickey opgedragen “Patriot Act”, aan een werkelijk sublieme rootsy adaptatie van “Gunning For Buddha”, in de jaren tachtig een publieksfavorietje op het repertoire van het Britse alternatieve rockgezelschap Shriekback, aan het verstilde, aan het songbook van lokale songsmid Myshkin ontleende “Market Town” en aan het een weinig dreigend gebrachte rootsrockertje “Road To Damascus”. En dan vergaten we nog bijna het door het gelijknamige schilderij geïnspireerde Americana-juweeltje “Sad Naked Woman”, het op zijn tijd in Nicaragua terugblikkende en door Joel Guzman van een sfeervol streepje accordeon voorziene “Last Night I Dreamed In Spanish” en vooral ook het gedreven “Nigger Lover”. In dat laatste blikt Peeples terug op z’n nog volop door racisme gekleurde eigen schooltijd om vervolgens met een toch wel wat wrange smaak in de mond vast te moeten stellen, dat zich nu, zoveel jaren later en ondanks de in onbruik geraakte term uit de titel van het liedje, onbegrijpelijkerwijze nog altijd vergelijkbare haatgevoelens jegens anderen laten optekenen. En dan resten er nog maar twee songs. Ook al echte schoonheden! In het door dichteres Andrea Gibson geïnspireerde “Pole Dancing To Gospel Hymns” zoekt Peeples naar een antwoord op de vraag, wat er gebeurt als een paaldanseres haar nieuwgevonden geloof moet zien te verzoenen met haar broodwinning. Al had het natuurlijk net zo goed om een bankier of een makelaar kunnen gaan… Hier levert het alleszins één van de meer swingende momenten van allemaal op. En afsluiten doet GP vervolgens met een fraai ingetogen eerbetoon aan de filosoof Diogenes. Mocht u hebben meegeteld, dan heeft u het al wel begrepen: tien songs, tien voltreffers! En de vijf sterren boven dit stukje zijn op de keper beschouwd dan ook dik en dik verdiend! Een echte superplaat!

Grant Peeples, CD Baby

 

THE LONESOME DRIFTERS “From The Backwoods” (Rhythm Bomb Records)

(4,5*****)

De naam The Lonesome Drifters zei mij tot voor kort volslagen niets. Ik had hoegenaamd nog nooit gehoord van dat drietal uit Bad Saulgau, een plaatsje verscholen diep in het Zuiden van Duitsland. En ook het nodige gegoogle leverde eigenlijk niet echt veel bruikbare info op. Integendeel zelfs. Ik vond van de drie youngsters enkel een MySpace-pagina en wat concertgegevens. En dat verbaasde me na het beluisteren van hun debuut “From The Backwoods” toch wel serieus. Dat vijftien songs tellende geheel is immers niets minder dan een echte bom! Primitieve rockabilly en hillbilly op z’n authentiekst! Vereeuwigd onder het waakzame oog van Rawand Ahmad en met behulp van vintage jaren ’50-opnamemateriaal en dat mist zijn doel hier duidelijk niet! Zanger-slaggitarist Steve, leadgitarist Silvio en bassist Joe – Zelfs hun familienamen wist ik niet te achterhalen! – klinken alsof ze zo aan de jaren vijftig ontsnapt zijn. En ze bedienen zich daartoe ook voornamelijk van stokoud materiaal. Veelal van hooguit regionaal bekend geraakte artiesten, maar bijvoorbeeld ook van een Johnny Burnette, een Glenn Honeycutt en een Warren Smith. En dat leidt regelmatig tot ronduit verbluffende resultaten! Ruim een halve eeuw geleden zouden deze drie knapen waarschijnlijk probleemloos onderdak hebben gevonden bij het legendarische Sun Records. Overdreven denk je? Luister dan bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar het sfeervolle, met een echte grafstem gebrachte “My Hanging Day”, naar het wild met de heupen schuddend de jonge Elvis volop naar de kroon stekende “Where There’s A Will”, naar het heel erg aan de jonge Cash en zijn Tennessee Two herinnerende tweetal “Lonesome Train” en “Feelin Low” of naar de heftig rockende story song “Ballin Keen” en je zal je mening wellicht snel bijstellen! Wat mij betreft één van dé platen van het moment zondermeer! Echt rete-aanstekelijk!

The Lonesome Drifters op MySpace

 

JP HARRIS AND THE TOUGH CHOICES “I’ll Keep Calling” (Cow Island Music)

(3,5****)

Liefhebbers van hardcore country mogen bij dezen weer even de oren spitsen. Met de vanuit Nashville actieve JP Harris en zijn Tough Choices dient zich immers een hun volledige aandacht waardig stel talenten aan. Amper 29 is hij, die Harris, maar dat hoor je absoluut niet aan zijn liedjes. Die ontkennen als het ware vrijwel zonder uitzondering zijn nog relatief jonge leeftijd. Evenals zijn knappe stem trouwens. En die vond in het door de ritmesectie van de Red Stick Ramblers, steeler Asa Brosius en Dixons- en Defibulators-gitarist Chris Hartway neergelegde klanktapijt ook een ideale voedingsbodem. Zowat het hele traditionele countryspectrum wordt op “I’ll Keep Calling” hier of daar wel even aangedaan. Zwierig op hardhouten dansvloeren mikkend zoals in “Two For The Road” of “I’ll Keep Calling”, goed voor enkele drinks extra zoals in de met steelklanken behangen trage “Badly Bent”, heerlijk swingend zoals in “Take It Back” en “I’m Stayin’ here”, klassiek huilend boven het eigen biertje zoals in “The Day You Put Me Out” en “Just Your Memory”, een aardig potje (hillbilly)rockend zoals in – het überhaupt niets met Elvis te maken hebbende – “Return To Sender” of “Shake It”, zelfs een klassiek geschoolde truck song blijkt met “Gear Jammin’ Daddy” aan boord. Zo doe je dat dus! Een fijne aanwinst zondermeer, deze JP Harris! Maar ja, dat kon eigenlijk ook moeilijk anders voor iemand wiens webstek naar de veelzeggende naam www.ilovehonkytonk.com luistert…

JP Harris & The Tough Choices, Cow Island Music

 

THE GREAT RECESSION ORCHESTRA “Double Shot” (NewTex Records)

(4****)

Enige tijd geleden outen wij onszelf hier al eens als serieuze fans van de wel bijzonder swingende aanpak van die van The Great Recession Orchestra. Dat was naar aanleiding van het aan één van hun muzikale helden opgedragen “Have You Ever Even Heard Of Milton Brown?”. Diens Western swing-liedjes kregen op dat album een best wel smaakvol eigentijds jasje aangemeten. En datzelfde gebeurt op de nieuwe van het veelkoppige Texaanse gezelschap nu ook met materiaal van The Mississippi Sheiks en een heleboel andere, ons veelal niet bekende songwriters, actief in het Fort Worth van de jaren veertig van de vorige eeuw. Eigenlijk betreft het bij “Double Shot” dus gewoon twee nieuwe albums van het G.R.O.. De eerste collectie kreeg als titel “The Forties In Fort Worth” mee, de tweede “Shaking The Sheiks”. Vreemd genoeg belandden de twee niet op aparte schijfjes, maar werden de nummers gewoon door elkaar gemengd aan één zilverling toevertrouwd. Niet dat dit stoort of zo, hoor, dat nu ook weer niet. Vocalisten als Damon Gray, Maryann Price, Grace Taylor Vogelzang en anderen swingen zich onder de vaardige instrumentale begeleiding van kleppers van muzikanten als Floyd Domino, Jimmy “J.D.” Smith, Warren “Bubba” Stephens, John Leventhal, Mike Chapman, Buddy Whittington, Mike Chapman en nog een handvol anderen immers bijna voortdurend zo goed als uit de naad en dat werkt echt verdomd aanstekelijk. Blijven stilzitten blijkt dan ook zo goed als onmogelijk, wanneer heupwiegende niemendalletjes als “She Ain’t No Good”, “Divorce Me”, “Hambone”, “The Mustard”, “Sweet Maggie” en co de atmosfeer rond je opvullen. Het maakt van “Double Shot een echt feel-good geheel.

The Great Recession Orchestra

 

THE HENHOUSE PROWLERS “Direct From Chicago – Live” (Prowlers Music)

(4****)

Met “Direct From Chicago – Live” levert het ondertussen tot vijf man uitgedunde bluegrasscollectief The Henhouse Prowlers zijn vierde cd in goed zes jaar tijd af. En dat tijdens gigs in januari en februari van dit jaar in The Abbey Pub in hun thuishaven in Illinois ingeblikte geheel vat heel mooi samen, waarvoor Dan Andree (fiddle en zang), Jon Goldfire (bas en zang), Starr Moss (akoestische gitaar), Ben Wright (banjo en zang) en Grant Ziolkowski (mandoline en zang) staan. De vijf voeren zowel traditie als innovatie hoog in het vaandel. Keurig in het pak gestoken en daarbij geschaard rond één enkele microfoon banen ze zich dynamisch een weg doorheen een handvol eigen songs van Jon Goldfine en ex-lid James Weigel en covers van materiaal van rolmodellen als Earl Scruggs (“Silver Eagle”), Lester Flatt (“Rollin’ In My Sweet Baby’s Arms”) en Sonny Osborne en Dale Sledd (“Sledd Ridin’”). Net iets minder voor de hand liggend zijn adaptaties van ondermeer “Home Grown Tomatoes” van Guy Clark en “Why You Been Gone So Long” van Mickey Newbury. Misstaan doen ze hier echter zeker niet. Evenmin als andere elders gehaalde liedjes als “Sunny Side Of The Mountain”, “Don’t Give Your Heart To A Rambler”, “Fireball/I Hope You Have Learned” en “Shenandoah Valley Breakdown/Category Stomp” trouwens. Alles klinkt hier even energiek, even authentiek ook. En bij hun volgende doortocht doorheen ons land zullen wij de Henhouse Prowlers dan ook met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid met één of meerdere bezoekjes vereren, zoveel staat nu al wel vast…

The Henhouse Prowlers, CD Baby

 

MARTY STUART AND THE FABULOUS SUPERLATIVES “Nashville, Volume 1: Tear The Woodpile Down” (Superlatone Productions / Sugar Hill)

(4,5*****)

Sinds hij zijn muzikale lot aan dat van Kenny Vaughan (elektrische en akoestische gitaren), Harry Stinson (drums en percussie) en Paul Martin (bassen en toetsen) oftewel The Fabulous Superlatives verbond lijkt het leven Marty Stuart alleen nog maar toe te kunnen lachen. De ene na de andere, door critici nagenoeg onder de lofbetuigingen bedolven prachtplaat leverde hij sindsdien af. Ga maar na: “Country Music”, “Cool Country Favorites”, “Compadres”, “Live At The Ryman”, “Badlands”, “Souls’ Chapel”, “Ghost Train” en nu weer “Nashville, Volume 1: Tear The Woodpile Down”, traditioneel georiënteerde country is bij Stuart en co duidelijk al een poosje nadrukkelijk in goede handen! En niet zelden bleek er achter die recente platen van het viertal het één of andere concept verscholen te zitten. Ook nu weer. Stuart focust met name op zijn aankomst als youngster in Nashville. Van zijn eerste ontmoeting met Lester Flatt tot zijn eerste keer in de Grand Ole Opry enzovoort. En dat levert ook nu weer een kleine tweeëndertig minuten aan top-country op. Met Buck Trent raast hij door het hypernerveus naar zowel bluegrass als Bakersfield lonkende titelnummer, “Sundown In Nashville” is een onwaarschijnlijk mooie, op parelend gitaarspel van Vaughan en knappe zang van Stuart zelve gebaseerde, nostalgische “valse trage” en het met Kenny Lovelace te gast op de fiddle gebrachte “A Matter Of Time” een echte wolk van een trage. “Hollywood Boogie” staat vervolgens voor het betere instrumentale scheurwerk, “Holding On To Nothin”, opnieuw met Buck Trent op de elektrische banjo, is als eerder midtempo te bestempelen Bakersfield stuff, “Truck Driver’s Blues” eigenlijk exact dat en “Going, Going, Gone” opnieuw een door Stuart zelf gepende, klassiek opgevatte sleper. Resten nog: het op ingehouden twangend gitaarwerk geënte “The Lonely Kind”, de met Lorrie Carter Bennett gebrachte “huiler” “A Song Of Sadness” en het voor velen allicht opvallendste nummer van alle hier, “Picture From Life’s Other Side”. Het Hank Williams-nummer inderdaad en gebracht met diens kleinzoon Shelton Hank Williams III. Een sfeervolle afsluiter voor een alweer uitstekende Marty Stuart-plaat. Het wordt zo stilaan een goede gewoonte…

Marty Stuart, Sugar Hill Records

 

HOT ROD RHYTHM BOYS “Introduction” (Jupiter Stroll Records)

(3,5****)

Van een begeesterend debuut gesproken! Dit Finse viertal onder aanvoering van de je wellicht al wel van andere bands als Restless, Red Hot & Blue en The Space Cadets bekende Mark Harman knalt als geen ander. “Full Service Rock N’ Roll” prijkt er onder de groepsnaam en dat is inderdaad waar dit kwartet nadrukkelijk voor staat. Voor fijngevoeligheid ben je bij de Hot Rod Rhythm Boys duidelijk aan het verkeerde adres! Hier staat immers zo goed als alles in het teken van een wervelend huwelijk tussen rock & roll en rhythm & blues. En daarbij wordt er nogal wat af gecoverd. Het ondertussen als public domain te boek staande “Mercury Blues” krijgt zo bijvoorbeeld een beurt mee, de ZZ Top-hit “Sharp Dressed Man” ook, Bob Segers “Get Out Of Denver”, Bob Dylans “I Wanna Be Your Lover”, Stevie Ray Vaughans “The House Is Rockin’”, Emiliana Torrini’s “Jungle Drum”, Crazy Cavans “My Little Sister Gotta Motorbike”, “Homework” van Nine Below Zero en Muddy Waters’ “I Want To Be Loved”. Enkel het wild stuiterende, een weinig naar psychobilly neigende “They Go Wild” en afsluiter “Country Showdown”, een wervelende speed country instrumental, blijken eigen composities van gitarist Jari Rautio. Samen goed voor twaalf heerlijke lappen eigentijdse rock & roll, die je als luisteraar compleet murw maar voldaan achterlaten.

Hot Rod Rhythm Boys

 

MELLOW JO & THE HI-TONES “Mellow Jo & The Hi-Tones” (Tombstone Records)

(4****)

Herinnert u zich de Haystack Hi-Tones nog? Ja? Dan kent u zonder het allicht goed en wel te beseffen ook Mellow Jo al. Met Anitta Langereis vormde Marjos Rinders – Haar echte naam! – immers jarenlang dat uitstekende retro-rootsduo. Een nieuwkomelinge is ze dus allesbehalve. En zoveel wordt bij het beluisteren van dit debuut al snel duidelijk ook. Rinders is nog steeds een geweldige zangeres en aan Rolf Hartogs (leadgitaar en een enkele keer ook lap steel), Jan Kramer (slaggitaar), Raymond Blom (staande bas en zang) en Jan van Leeuwen (drums en zang) heeft ze zoveel meer dan alleen maar een helpende hand in de buurt. Dit is een fantastisch op elkaar ingespeeld collectiefje, dat moeiteloos een veelheid aan stijlen aankan. Swing, country, hillbilly, rockabilly, het maakt hen naar eigen zeggen allemaal niet zo heel erg veel uit. Ze houden immers van elk van die stijlen. En bij het kiezen van hun nummers kunnen ze dan ook lekker ruim gaan. Zo stoten we hier onder andere op materiaal van Faron Young (“Aimin’ On Livin’ Some”), Peggy Lee (“It’s A Good Day”), Bing Crosby (“Steamheat”), Loretta Lynn (“Heartache Meets Mr. Blues”), Red Sovine (“Whiskey Flavoured Kisses”) en Conway Twitty (“Treat Me Mean”). En ook bij het hier regelmatig best wel als referentie bruikbare en door ons echt op handen gedragen gezelschap Big Sandy & The Fly-Rite Boys wordt wat geleend. De speelse boogiedeun “Loser’s Blues” meer bepaald. En dat is samen met de een weinig atypische afsluiter van het album meteen één van onze absolute lievelingsstukken hier. Die uitsmijter is een z’n titel alle eer aandoende adaptatie van de Led Zeppelin-klassieker “Rock and Roll”. Heerlijk gewoon! En als dusdanig ook dé geknipte afsluiter voor een album, dat hier al dagenlang de cd-wisselaar niet meer verlaten heeft. Warm aanbevolen!

Mellow Jo & The Hi-Tones

 

LUCKY TUBB & THE MODERN DAY TROUBADOURS “Del Gaucho” (Rhythm Bomb Records)

(4****)

Nummer vier ondertussen ook alweer voor Lucky Tubb en de zijnen. En wat ons betreft opnieuw een bijzonder geslaagde poging om de muzikale familie-eer van de Tubbs hoog te houden. Onder de bast van de verre nazaat van Ernest, Justin en anderen klopt immers ook een hillbillyhart zo groot als Texas. Dertien nummers lang geeft hij op “Del Gaucho” liefhebbers van traditioneel geschoold countrygoed weer rijkelijk waar voor hun geld. Zeven daarvan blijken eigen liedjes. Verder waagt hij zich ondermeer aan covers van “White Silver Sands”, bekend in uitvoeringen van ondermeer Brenda Lee, Hank Snow en Ernest Tubb, Waylon Jennings’ “Lil Ole Wine Drinker Me”, “Never Shoulda Fell In Love” van zijn oom X Lincoln, “Stood There” van Glen Douglas (Tubb) en het door Justin Tubb aangeleverde “Bachelor Man”. Eén liedje, de ook door haar gezongen countrytrage “I Can’t Sleep A Wink”, is tenslotte van de hand van Tubbs trouwe fiddle-secondante Natalie Page. Stuk voor stuk gaat het bij deze dertien songs om schoolvoorbeelden van hoe country eigenlijk gewoon altijd al hoorde te klinken. Nogal wat boogie- en rockabillygetint spul zorgt voor de nodige afwisseling, maar al bij al overheerst hier toch het traditionele countrygevoel. ’n Weinig hillbilly, ’n weinig Western. Met als absolute stand-outs wat ons betreft de ronduit wervelende story song “Officer Guerrero”, de ook al briljante trage “Guess I’m A Fool”, het zwierige, z’n naam alle eer aandoende “Cowtown Boogie” en de lekker rockend gebrachte afsluiter “That’s What I Get”. Voor materiaal van dat kaliber komen wij te allen tijde maar wat graag uit onze pijp!

Lucky Tubb & The Modern Day Troubadours op MySpace, Rhythm Bomb Records

 

OH MY DARLING “Sweet Nostalgia” (Oh My Darling)

(3,5****)

Als we hun slechts zes songs tellende, naar zichzelf vernoemde debuut uit 2009 mogen meerekenen zijn de Canadese dames van Oh My Darling met “Sweet Nostalgia” al aan hun derde album toe. En dat zal het net als voorganger “In The Lonesome Hours” uit 2010 ongetwijfeld ook weer uitstekend gaan doen. “We took pieces of the past, music and experiences, and shaped them into songs to fill the days ahead with the sound of Sweet Nostalgia,” aldus de vier zelf over de inhoud ervan. En zo klinkt wat ze doen inderdaad ook weer, als muziek-geworden nostalgie. In een met Steve Dawson gedeelde productie slaan Vanessa Kuzina (lead & backing vocals, gitaar en fiddlesticks), Rosalyn Dennett (fiddle, lead & backing vocals), Allison de Groot (banjo, backing vocals) en Marie-Josée Dandeneau (staande bas en backing vocals) op vaardige wijze een brug tussen verleden en heden. Genres als folk, bluegrass en old-time country versmelten hier op wonderbaarlijke wijze tot een ook anno nu gemakkelijk verteerbaar muzikaal geheel. Eigen nummers van het kwartet worden daarbij afgewisseld met traditionals als “Fly Around”, “Roustabout”, “Ma Belle” en “Kiss & Tell”. Let vooral even op de geweldige samenzang van de vier!

Oh My Darling

 

STEVE AZAR “Delta Soul Volume One” (Ride Records / Sonic Rendezvous)

(2,5***)

Steve Azar debuteerde al in 1996 met het album “Heartbreak Town”. En met “Waitin’ On Joe” (2002), “Indianola” (2007) en “Slide On Over Here” (2009) volgden er nog eens drie alvorens hij aan het nu voorliggende “Delta Soul Volume One” toekwam. Enkele singles van die platen, zoals “Someday” en “I Don’t Have To Be Me (‘Til Monday)”, groeiden uit tot hits in de Billboard country chart. Behoorlijk commercieel spul met andere woorden. En dat geldt ook weer voor zo ongeveer alles wat we op ’s mans nieuwe schijf aantreffen. Daaraan kan zelfs het occasioneel inschakelen van een slidegitaar of een bluesy mondharmonica absoluut niets veranderen. Voor mij is en blijft Azar nadrukkelijk meer moderne country dan blues, soul, Americana of wat dan ook. Opgegroeid zijn in de Mississippi Delta-regio alleen volstaat heus niet om één van die omschrijvingen te mogen claimen. Zelfs voorzichtig stoeien met die genres rechtvaardigt ons inziens het predicaat “Delta Soul” absoluut niet. Wat er dan wél vóór Azar pleit en hem toch nog wat sterren boven dit stukje oplevert? Dat is in de eerste plaats zijn gloedvolle voordracht. Met name die warmbloedige zang en enkele fijne liedjes, zoals het hier hernomen “Indianola”, het niet met het gelijknamige Dylan-nummer te verwarren “Highway 61” en het groovy “Goin’ To Beat The Devil” zorgden af en toe toch voor wat goedkeurend gegrom van onzentwege.

Steve Azar, Sonic Rendezvous

 

CROOKED BROTHERS “Lawrence, Where’s Your Knife?” (Transistor 66 Record Company / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hun nochtans ook voortreffelijke debuutplaat “Deathbed Pillowtalk” van zo’n drie jaar geleden ontsnapte volkomen onterecht nog aan onze aandacht, maar dat zal met geen van de volgende platen van de Crooked Brothers nog gebeuren. Om te beginnen al niet met “Lawrence, Where’s Your Knife?”, de eind vorig jaar al in hun thuisland Canada verschenen tweede van Jesse Matas (mandoline, gitaren, banjo en zang), Darwin Baker (dobro, harmonica, lap steel, gitaar en zang) en Matt Foster (banjo, gitaren en zang), die nu ook hier eindelijk aan een officiële release toe is. Broers, maar dan niet echt dus, deze drie, al zijn ze muzikaal dan ook zeker verwant. Anders kun je een dergelijke gevarieerde plaat als deze gewoonweg niet samen maken. Te categoriseren als “urban folk” lazen we ergens, maar die vlag dekt de hier aangeboden lading ons inziens absoluut niet. Openingsnummer “17 Horses” heeft zo bijvoorbeeld al iets bevreemdends met Tom Waits en Sixteen Horsepower, “Kansas” blijkt weemoedige, in steelgehuil gevangen alternatieve country en “Cold As You” een bitterzoet streepje folkpop over een klaarblijkelijk allesbehalve ideale partner (“As long as I can remember, there was no December that was as cold as you,” luidt het daarover bijvoorbeeld veelzeggend!). En dat hadden we het nog niet over het licht bluesy “Bluebirds”, het alweer erg Waits-iaans aandoende “Your Love Is A Ghost Town”, de ingehouden Americana van “Working For The Government” en de “power grass” van “Up The Mountain”. Neen, hier is zoveel meer loos dan alleen maar “urban folk”, whatever that may be… Wij spreken in verband met “Lawrence, Where’s Your Knife?” liever van een bijzonder knappe rootsplaat. Dat houdt tenminste steek.

Crooked Brothers

 

RHYTHM RIVER TRIO “Wild Side Of Life” (Rhythm Bomb Records)

(4****)

Wat een heerlijke plaat is dit! En dat terwijl het hier nog maar het debuut van dit vanuit Londen actieve drietal betreft. David Short (zang en slaggitaar), Bruno Pannone (double bass) en Morgan Willis (leadgitaar) spelen pas samen sinds de zomer van 2010, maar dat hoor je er absoluut niet aan. Hier waan je je ogenblikkelijk in de rockabilly-hemel! Onder de hoede van Axel Praefcke (The Roundup Boys, Cherry Casino & The Gamblers) en Ike Stoye (Ike & The Capers) werden in het najaar van 2011 in Berlijn vijf eigen liedjes en ook nog eens een zevental covers (“Wild Side Of Life”, “I’m Comin’ Home”, “How Come It”, “Mama’s Little Baby”, “Treat Me Right”, “Send Her Back”, “Brother That’s All”) ingeblikt. Vooral veel pure rockabilly en vroege country, heerlijk boppend en ritmisch krachtig, maar drumloos gebracht en zodoende wat ons betreft quasi spelenderwijze in de voetsporen van genregroten als een Eddie “The Memphis Bopper” Bond en een Charlie Feathers tredend. Onze luistertips: het wervelende, werkelijk ongelooflijk energiek gebrachte “Wild Side Of Life”, het met een aan de Cash van in zijn Sun-jaren ontleende ritme stoeiende eigen nummer “Wastin’ Time On You”, de aanstekelijke Kenny Parchman-cover “Treat Me Right” en de je alle hoeken van de ring tonende afsluitende instrumental “Willis Boogie”. Een echte aanrader!

Rhythm River Trio (op MySpace), Rhythm Bomb Records

 

THE DEEP DARK WOODS “The Place I Left Behind” (Sugar Hill / Welk Music Group)

(4,5*****)

In hun thuisland Canada verscheen de magistrale vierde van The Deep Dark Woods vorig jaar al, dus echt nieuw kan je dit schijfje bezwaarlijk nog noemen. Dat we het hier zoveel later toch nog even onder de aandacht willen brengen heeft dan ook alles te maken met een nieuwe release ervan. Ditmaal onder de vleugels van het gereputeerde Sugar Hill Records. Een nadrukkelijke poging om de Amerikaanse – En terloops allicht ook de Europese! – rootsmuziekgemeenschap voor zich te winnen. En dat zou met materiaal van deze schoonheid absoluut ook moeten kunnen lukken. Liefhebbers van acts als Bonnie “Prince” Billy, Great Lake Swimmers, Shearwater, Dolorean en aanverwante sombere geesten zullen met de dertien songs op de opvolger van het al zowat overal ter wereld door beroepscritici onder de lofbetuigingen bedolven “Winter Hours” van nu goed een jaar of drie geleden hun geluk wellicht niet op kunnen. Muzikale subtiliteit wordt erop gekoppeld aan veelal eerder moody aandoende prachtliedjes, waarin de intrieste stem van zanger-songsmid Ryan Boldt volop haar werk mag doen tussen vergelijkbare, ondermeer aan een Hammond-orgel, een pedal steel, een fiddle en een banjo ontlokte klanken. De je wellicht uit de entourage van Chip Taylor bekende Kendel Carson (fiddle) en de hier ook al wel eens geprezen Old Man Luedecke (banjo) stonden op de gastenlijst. Met hun ook al uitermate subtiele bijdragen tekenden ze mee voor de beklijvende, veelal nostalgische sfeer die het gros van het materiaal hier kenmerkt. Heel mooi, hoe het grensgebied tussen genres als rootspop, folk(rock) en Americana er bijna voortdurend in wordt verkend. Nog steeds een aanrader van formaat!

The Deep Dark Woods, Sugar Hill Records

 

ROCKY VOTOLATO “Television Of Saints” (Defiance Records / Cargo)

(4,5*****)

De voor zijn achtste cd benodigde fondsen zamelde Rocky Votolato via het dezer dagen bij singer-songwriters alsmaar populairder wordende Kickstarter-systeem in. Zijn fans financierden zodoende wat op de keper beschouwd wel eens zijn beste plaat tot op heden zou kunnen zijn. In de tien nummers erop regeert eenvoud volop. “Front and centre” staan voortdurend Votolato’s teksten en liedjes, zijn stem, zijn akoestische en zijn mondharmonica.  En dat het mede daardoor allemaal weer een weinig lijkt op Ryan Adams in zijn wat bezadigdere momenten, so what? Het is al verdomd lang geleden, dat Adams zelf nog een vergelijkbaar sterke plaat afleverde. De tien liedjes op “Television Of Saints” zijn immers zonder uitzondering bloedmooi te noemen! En het betreft daarbij ook weer allemaal eigen nieuw materiaal. Enkel voor het dartele “Little Spring” mocht collega-songsmid Matt Pond even mee aan de schrijftafel. Andere bij “Television Of Saints” betrokkenen: Votolato’s broers Sonny (basgitaar) en Cody (elektrische), Dave Barker en Michael Lerner (beiden drums en percussie), Jeff Fielder (elektrische gitaar) en Casey Foubert (diverse gitaren, bas en percussie). Laatstgenoemde, bekend van zijn werk met ondermeer Sufjan Stevens,  hielp Votolato naar verluidt ook een handje bij de productie van het album. Mede dankzij hem kon “Television Of Saints” dus uitgroeien tot de uitzonderlijk rijpe plaat die het geworden is. Ingetogen Americana van het allerbeste soort is wat er je hier ruim vierendertig minuten lang te beurt valt.

Rocky Votolato

 

PAT GREEN “Songs We Wish We’d Written II” (Sugar Hill / Welk Music Group)

(3,5****)

In 2001 bundelden Pat Green en Cory Morrow, toen nog gezien als dé coming men van het Texaanse singer-songwritergebeuren, vrij onverwacht hun krachten. Met “Songs We Wish We’d Written” trakteerden ze hun fans op een verzameling liedjes van anderen, die ze maar wat graag zelf geschreven hadden. En dat bleek al snel een slimme zet, want het album groeide in no time uit tot een flink succes en genereerde bovendien ook heel wat bijkomende aandacht tot ver buiten de grenzen van de Lone Star State. Songs als Waylon Jennings’ “Are You Sure Hank Done It This Way?”, Django Walkers “Texas On My Mind”, John Prine’s “Paradise”, Shavers “Live Forever”, Merle Haggards “Red Bandana” en andere misten hun effect duidelijk niet. Green en Morrow waren nu definitief goed gelanceerd en konden zich weer volop gaan focussen op hun eigen materiaal. Pas nu, goed en wel elf jaar later, ligt er even plots als indertijd een vervolg op die fameuze coverplaat op tafel. “Songs We Wish We’d Written II” heet ze weinig verrassend en op de hoes ervan treffen we enkel nog de naam van Pat Green aan. Cory Morrow blijkt op de keper beschouwd nog wél van de partij, maar nog slechts in één nummer, met name een cover van Lyle Lovetts “If I Had A Boat”. Andere gasten: Aaron Lee Tasjan in zijn eigen “Streets Of Galilee”, Monte Montgomery op de akoestische gitaar in Warren Haynes’, je ongetwijfeld ook wel van de Allman Brothers Band bekende “Soulshine”, Ed Roland van post-grunge-collectief Collective Soul in de door hem en zijn bandmaatje Brian Ross Childress uitgedokterde power ballad “The World I Know” en Jack Ingram in het door Todd Snider en Will Kimbrough gepende “I Am Too”. Andere gecoverde songs: “All Just To Get To You” van Joe Ely (en Will Sexton), Shelby Lynne’s “Jesus On A Greyhound”, Tom Petty’s “Even The Losers”, Walt Wilkins’ “If It Weren’t For You” en Jon Randalls “Austin”. In een productie van Justin Pollard brengt Green dat song-tiental redelijk strak en gestroomlijnd. Wat men hem door de jaren heen steeds meer is gaan verwijten – Met name dat hij ten prooi gevallen was aan de commercie! – wordt hier eigenlijk gewoon andermaal bevestigd. Green grossiert dezer dagen in het soort van gespierde country(rock), dat zowel in de toonaangevende country chart van Billboard als in Texaanse studentenkringen aanslaat. Niet kwaad allemaal, tot in de puntjes verzorgd alleszins, maar tegelijk ook niet echt ons ding. Mocht jij er wél voor vallen, dan kan je het album maar best nu al bestellen. Vroege kopers krijgen er met een versie van Springsteens “My Home Town” immers nog één extra liedje bij.

Pat Green, Sugar Hill Records

 

THE BOOGIE TWISTERS “The Boogie Twisters” (Rhythm Bomb Records)

(4****)

The Boogie Twisters zijn een mij tot voor kort volslagen onbekend trio uit het Duitse Frankfurt, dat zopas een dijk van een visitekaartje heeft afgeleverd. Slechts zeven nummers op die eersteling, maar wat voor een klappers! Heerlijk energiek en rauw allemaal! Rockabilly zoals het anno 2012 bedoeld is, zeg maar! Aangejaagd door in vitriool gedrenkte snaren, een bezeten pompende bas en de metronoom op hol knallende drums. Zo hoorde je nummers als Jimmy Rodgers’ “Sloppy Drunk”, Jimmy Martins “Deep River” en Sonny Stewarts “Let Me Lie” beslist nog nooit! Geen wonder, dat hun live-reputatie deze drie heren vooruitsnelt! Als ze dezelfde power daadwerkelijk ook op een podium weten te ontwikkelen, dan betekent dat inderdaad zo goed als een garantie voor een wild feestje!

The Boogie Twisters op MySpace, The Boogie Twisters op YouTube, Rhythm Bomb Records

 

RUBY ANN “Mama’s Back” (Rhythm Bomb Records)

(5*****)

Dit is voor mij zondermeer dé plaat van het moment! Authentieker dan dit kan je ze immers amper nog maken, zo lijkt me. Op haar vierde sinds het in 1999 nog met The Boppin’ Boozers ingeblikte “Boppin’ Like A Chicken” illustreert Ruby Ann royaal ondertussen tot een absolute (rockabilly) top act te zijn uitgegroeid. In een productie van Axel Praefcke en zich tijdens de opnames verder ook geruggensteund wetend door de werkelijk steengoede Round Up Boys gaat de Portugese veertien nummers lang voor aanstekelijke perfectie. En daarbij gaat het er ook heerlijk gevarieerd aan toe. Openingsnummer “Call His Name” is zo bijvoorbeeld een catchy R&B-opdondertje, Axel “Cherry Casino” Praefckes “Knocked Out, No Love” een ’n weinig aan Eddie Cochrans “Somethin” Else” verwante streep real rock & roll, “Mad Mama” een behoorlijk nadrukkelijk het kielzog van de grote Wanda Jackson opzoekende lap “tough-ladies-‘billy” en “Who’s Been Fooling Me?” een met hartzeer doordrongen traditionele countrytrage. Maar de nadruk ligt hier natuurlijk vooral op de spécialité de la maison en dat blijft tot nader order uiteraard nog altijd rockabilly. Zoals in het krolse, enigszins exotisch ingevulde “Your Mama’s Here”,  het wervelende “Do Right Mama”, het door de Round Up Boys van volop aan Presley’s Jordanaires herinnerende backing vocals voorziene “Baby I Don’t Care”, het superswingende “No I Won’t Cry” en de wel bijzonder toepasselijk getitelde afsluiter “I’m Gonna Have Myself A Ball”. Wat mij betreft niets minder dan een echte must-have, deze geweldige schijf!

Ruby Ann, Rhythm Bomb Records

 

VARIOUS ARTISTS “Berlin Rocks The Rock-A-Tiki Rock” (Rhythm Bomb Records)

(5*****)

Als liefhebber van rock & roll en rockabilly kom je bij de traditionele media radio en televisie dezer dagen helaas nog maar weinig aan je trekken. En dat terwijl acts als Imelda May, Chris Isaak, The Baseballs en Dick Brave & The Backbeats de voorbije maanden toch wel nadrukkelijk bewezen, dat er ook voor die genres nog volop belangstelling bestaat. Goed dus, dat platenlabels zoals het toonaangevende Duitse Rhythm Bomb Records met enige regelmaat uitpakken met compilaties met daarop het neusje van de zalm van hun eigen producties. Zo kan je op het door kenner Alex van de Rock-A-Tiki-shop in hartje Berlijn samengestelde “Berlin Rocks The Rock-A-Tiki Rock” genieten van liefst zesentwintig heerlijkheden van de catalogus van het label. Latino-rocker Pep Torres trapt af met het veelzeggende “K.M.A.”, een gestrekte middelvinger aan het adres van allen die hem in het verleden een muzikale koerswijziging probeerden aan te smeren. Vervolgens zijn er het bij het Britse rock & roll-geluid van de vroege sixties aansluiting zoekende en vindende “Bossman” van Doug Wilshire, het heerlijk knallende “I’m Not Ready For That” van het nog piepjonge Duitse collectiefje Marc And The Wild Ones, “Knocked Out, No Love” van de hier elders al flink bewierookte Miss Ruby Ann, het ook al erg aanstekelijke “Feel True Love” van de ondertussen helaas al gesplitte Cordwood Draggers en het in traditionele fifties-country gewortelde “Sandy” van Blisters N Gray. Van Berlijn, thuishaven van die Blisters N Gray, gaat het vervolgens richting Kroatië voor de hun naam echt alle eer aandoende Mad Men. Hun “It’s Time To Howl” is lekker wild, heerlijk primitief rockabillyspul genre een Hank Mizzell. Next up: van El Paso, Texas de Star Mountain Dreamers met het gortdroog voorbijstuiterende “Trail Burning”, de wervelende “Berliner” van Spo-Dee-O-Dee met “Hey Little Baby Doll”, de als zanger van de Flatfoot Shakers ook hier een stevige reputatie genietende Aussie Kieron McDonald met de “valse trage” “Dragstrip Girl”, de met Western swing stoeiende Mike Penny en zijn Moonshiners (“I Ain’t Got Nobody”), de zijn muzikaal heil ergens in de voetsporen van de grote Hank Williams zoekende Jason Lee Wilson (“Wah-Ya-Tsi”) en de ook al volop een hillbilly-troefkaart uitspelende Honest Hal & The Capers (“Havin’ A Good Time”). Verder ook nog van de partij: de je misschien nog wel van de JoBoxers bekende Dig Wayne (“The Hell You Say”), de vanuit Berlijn actieve Amerikaan Rob Ryan en zijn Roadshow (“Heaven Yes, Hell No”), de Smalltown Casanovas (“Cold Cold Woman”), de ronduit geweldige Lonesome Drifters (“Run Baby Run”), de ons tot voor kort volslagen onbekende Piccadilly Bullfrogs (“Wildcat Tamer”), Johnny Law (het twangy “I Don’t Want You Around”), de hyperkinetische Boogie Twisters, gegarandeerd één van dé sensaties van het komende festivalseizoen, de Hongaarse Mystery Gang (“Gang Up!), Big Art Peters van het gerenommeerde punkgezelschap The Lurkers (“Grown Up Evil”), het Kroatische bandje Billy & The Kids (met de bijzonder bezielde R&B-sleper “W.O.M.A.N.”), de Bird Doggin’ Daddies (“Hot Rod Baby”), de lokale helden van The Roundup Boys (met hun clubhit “The Buffalo Song”) en Cherry Casino & The Gamblers (met het heerlijk honkende “Let’s Play Around”). In totaal liefst 26 songs, waarvan er hoegenaamd niet één uit de toon valt! All killer, no filler!

Rock-A-Tiki, Rhythm Bomb Records 

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home