CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2013

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

NORA JANE STRUTHERS & THE PARTY LINE “Carnival” - GARRETT LEBEAU “Rise To The Grind” - KIM RICHEY “Thorn In My Heart” - DYLAN SNEED “Texodus” - THE STEEL WHEELS “No More Rain” - HANS THEESSINK “Wishing Well” - DIVERSE ARTIESTEN “The Blueprint Sessions, Celebrating The 15th Anniversary of Blueprint” - BUXTON “Nothing Here Seems Strange” - TURNPIKE TROUBADOURS “Goodbye Normal Street” - TIM EASTON “Before The Revolution, The Best Of 1998 - 2011” - STEVE EARLE & THE DUKES (& DUCHESSES) “The Low Highway” - UNCLE LUCIUS “And You Are Me” - POCO “All Fired Up” - FABRIZIO POGGI & CHICKEN MAMBO “Spirit Of Mercy, A Collection” - THE REVOLUTIONAIRES “The Joker Royalé” - HOLLIS BROWN “Ride On The Train” - THE DAUGHTERS OF BLUEGRASS “Pickin’ Like A Girl, The Box Set” - TODD THIBAUD “Waterfall” - PAPER AEROPLANES “Little Letters” - SHOOTER JENNINGS “The Other Life”

 

 

NORA JANE STRUTHERS & THE PARTY LINE “Carnival” (Blue Pig Music)

(4****)

Nu net geen drie jaar geleden wist de toen nog niet zo heel erg lang in Nashville neergestreken Nora Jane Struthers voor het eerst onze aandacht te trekken. Met haar titelloze debuutplaat, met daarop twaalf lappen “classic Americana”, opgenomen met de nodige bijstand van kleppers als Tim O’Brien, Stuart Duncan, Rob Ickes, Bryan Sutton, Scott Vestal, Dennis Crouch, Shawn Lane en Brent Truitt, wist ze ons ogenblikkelijk te vloeren. De schone Struthers, een voormalige lerares Engels, bleek immers ook een bijzonder getalenteerde artieste. Sterk niet enkel als zangeres en gitariste, maar vooral ook als tekstdichteres en songmid. Heel erg beïnvloed naar eigen zeggen door vandaag de dag nog actieve collega’s als een Gillian Welch en een Tim O’Brien, maar vooral ook door stokoud materiaal uit zowel de country-, de bluegrass- als de folkhoek. En wat dat betreft is er eigenlijk niet zo heel erg veel veranderd op haar onlangs verschenen tweede cd “Carnival”. Struthers is er in de sinds het verschijnen van haar eersteling verstreken jaren enkel maar beter op geworden. En met co-writes als het samen met de ook door ons heel erg gewaardeerde Robby Hecht gepende “Bike Ride” en “Two Women”, dat ontstond in samenwerking met Paul Kramer, hoopt ze, naar eigen zeggen, naar de toekomst toe haar grenzen zelfs nog wat meer te kunnen verleggen. Iets wat gezien de torenhoge kwaliteit van die twee liedjes ook geen enkel probleem zou mogen opleveren, zo lijkt ons nu al. Maar goed, in welk opzicht verschilt “Carnival” dan eigenlijk wel van z’n voorganger? Voor de productie tekende opnieuw de hoger al eens even vermelde Brent Pruitt. Dat is het dus ook niet. Maar wel het feit dat Struthers ditmaal niet kon terugvallen op een all-star-ensemble voor het inblikken van haar liedjes. Iets waar overigens ook helemaal geen behoefte meer aan was, want met The Party Line heeft ze ondertussen een uitstekende eigen groep achter zich. P.J. George neemt daarin de bas voor z’n rekening, evenals het accordeon, de pedal steel en wat akoestische gitaar en banjo, Drew Landhorn tekent onder meer voor drums en percussie, Joe Overton zorgt voor clawhammer banjoklanken en Aaron Jonah Lewis doet het op diverse fiddles, mandoline en banjo. Harmoniëren met hun frontvrouwe doen ze “onderweg” allemaal. Heel mooi bijvoorbeeld ook in enkele door ons erg geapprecieerde songs als “The Baker’s Boy”, het titelnummer, het lentefrisse “Jack Of Diamonds”, het zwierige, nogal nadrukkelijk op dansgrage benen mikkende “Barn Dance” en het hier eerder al eens aangestipte “Bike Ride”. Dat vijftal verdient wat ons betreft zonder verpinken een stekje op elke rootsmuziekvriendelijk ingestelde iPod! Of beter nog: het gehele “Carnival” een plaatsje langs dames als de al genoemde Gillian Welch, Diana Jones, Iris DeMent, Alison Krauss, Claire Lynch, Rhonda Vincent en aanverwanten in je cd-collectie en geregeld een draaibeurt in je cd-speler. Je leven zal er op den duur alleen maar een stuk aangenamer door worden…

Nora Jane Struthers, Noisetrade (Maak hier gratis kennis met Struthers’ volledige debuut en het titelnummer van haar nieuwe worp!)

 

GARRETT LEBEAU “Rise To The Grind” (Music Road Records)

(3,5****)

Liefhebbers van artiesten als een Boz Scaggs, een Al Green, een J.J. Cale, de Van Morrison vanaf midden de jaren zeventig, een Tony Joe White en aanverwanten zijn bij de Amerikaan Garrett Lebeau aan het juiste adres voor een muzikale verrassing van formaat. Met name diens heerlijk soulvolle zang op z’n debuut is ronduit indrukwekkend te noemen. Maar ook op de (elektrische) gitaar blijkt hij een uitzonderlijk talent. Zijn labelmaatje Jimmy LaFave spreekt daarom ook vol bewondering over “a musical soul gypsy of the first degree, with guitar stylings unique and authentic”. Woorden, waaruit een diepe bewondering voor de nieuwkomer blijkt. En dat is eigenlijk niet meer dan terecht ook. Hoe Lebeau op “Rise To The Grind” invloeden uit genres als soul, blues, folk, jazz en rock op volkomen natuurlijke wijze laat uitmonden in iets geheel eigens spreekt vrijwel meteen tot de verbeelding. Strikt hokjesdenken is er bij hem duidelijk niet bij. Hij laat de muziek als het ware haar gang gaan. En dat resulteert hier in elf prachtige, naar ons gevoel best ook wel voor een wat groter publiek geschikte liedjes. Puntgaaf spul alleszins, mede dankzij de bijdragen van de je van hun werk voor onder anderen Leonard Cohen, Jennifer Warnes, Robben Ford, John Mayer en de Tedeschi Trucks Band bekende ritmetandem Roscoe Beck (bas) en J.J. Johnson (drums), B3-virtuoos Red Young en de recent nog met Jason Mraz aan de slag geweest zijnde toetsenist Stefano Intelisano. Roscoe Beck tekende met Lebeau zelf overigens ook voor de productie van “Rise To The Grind”.

Garrett Lebeau, Music Road Records

 

KIM RICHEY “Thorn In My Heart” (Lojinx / Bertus)

(5*****)

Voor één van dé allermooiste albums van 2013 so far moet je wat ons betreft bij Kim Richey zijn. De recentelijk na drie jaar van leven en werken in Londen weer naar haar thuisland verkaste Amerikaanse zingende liedjesschrijfster levert daarmee alvast haar ontegensprekelijk allerbeste plaat tot op heden af. “From the beginning I wanted this to be a country record,” aldus de zangeres zelf daarover en dat werd het uiteindelijk ook. Een schijf van het genre, dat we de laatste jaren ook van artiestes als een Emmylou Harris, een Tift Merritt en een Lucinda Williams gewoon zijn geworden. Heerlijk ontspannen overkomende, grote delen van het ter beschikking staande rootspalet ook effectief gebruikende Americana, met op de keper beschouwd erg hoge houdbaarheidswaarde. Veelal zacht van aard, met nogal wat rustige topmomenten. Als daar zijn bijvoorbeeld al het samen met producer Neilson Hubbard geschreven en uit een naar het ongezonde neigende twijfel een waar “thing of beauty” barende titelnummer, de enkele jaren terug door Richey nog voor haar vertrek naar die stad aan papier toevertrouwde en ons een weinig aan Neil Young in één van z’n akoestische momenten herinnerende ballade “London Town” of het (haar eigen) rusteloosheid als uitgangspunt gebruikende en door gast Will Kimbrough van even fraai als subtiel banjowerk voorziene “Something More”. Als tegengewicht voor al dat bedaarde fraais fungeren dingen als het zachtjes twangende, samen met Jason Isbell gebrachte “Breakaway Speed” en het voorwaar zelfs voorzichtig richting Buddy Miller-territorium opschuivende rootsrockertje “Come On”. Vreemd genoeg net die twee nummers waarvoor moderne countryster Trisha Yearwood de harmony vocals verzorgde. Andere ronduit zalige momenten: de verstilde countryfolkballade “Angels’ Share”, het ruim vier minuten lang angeliek over de in een soort van “flou artistique” badende dansvloer van je dagdagelijkse bestaan rondwalsende “Love Is”, de ronduit hemelse, verkapte Americana-pianoballade “I’m Going Down” en het ogenschijnlijk nadrukkelijk een vrouwelijke schrijfhand verradende, maar Richey bij nader inzicht wel door de tandem Neilson Hubbard-Ben Glover aangereikte “No Means Yes”. Veel mooier dan dit worden ze naar onze bescheiden mening niet (meer) gemaakt!

Kim Richey, Lojinx

 

DYLAN SNEED “Texodus” (Dylan Sneed)

(4****)

Laat ze maar allemaal een potje janken over hoe schadelijk het internet wel is voor de gehele muziekindustrie, de zakkenvullers aan het werk bij grote platenlabels, die er naar eigen zeggen hun gigantische winsten fors door zien teruglopen, artiesten als deze Dylan Sneed zullen je vanuit hun optiek een geheel ander verhaal weten te vertellen. Zoals veel van zijn collega’s slaagde ook die jonge Texaan er immers in om z’n nieuwe plaat vooraf volledig door zijn fans te laten financieren. Zelfs de bijkomende fondsen vereist voor een internationale radiocampagne en een toernee doorheen Europa konden er via Kickstarter nog mee van af. Iets wat vroeger, in tijden voor de entree van het wereldwijde web, gewoon ondenkbaar ware geweest en dezer dagen eigenlijk alsmaar vaker voorkomt. “All it takes” is kwaliteit. En daarover beschikt de songsmid Sneed alleszins in ruimschoots voldoende mate. De door een Amerikaanse collega met “a sober Townes Van Zandt” vergeleken Sneed vergast ons op het behoorlijk persoonlijk ingekleurde en over het algemeen eerder intimistisch gehouden “Texodus” op elf knappe eigen songs en een volstrekt unieke akoestische benadering van de Cyndi Lauper-hit “Girls Just Want To Have Fun”. Dat laatste lijkt ons alvast gesneden koek voor radiomakers met een hart voor Americana. Al zullen die zeker ook van tussen de overige elf songs nog wel de één of andere parel weten op te diepen. Iets wat wij hier gelukkig niet hoeven te doen. Voor ons is het gewoon volop genieten geblazen van het gehele “Texodus”. Een plaat, die ondanks haar pesoonlijke karakter toch steeds weer universele thema’s weet aan te snijden. Een plaat ook, die Sneeds eigen uittocht uit zijn geboorteplaats Austin definitief lijkt te willen bezegelen. De titel ervan zou er alvast mee verklaard zijn. En het uptempo titelnummer ook. Evenals het verstilde “The Garden”. Al lijkt het onderwerp verandering daarin al bij al veel ruimer opgevat. Iets wat we verderop op “Texodus” overigens nog wel eens meer menen te mogen denken. Tussendoor ook wat gewoon rond de liefde in al haar facetten draaiende songs. Want ook daarin stellen zich voor rusteloze zielen als Sneed natuurlijk de nodige problemen. We verwijzen hier wat dat betreft graag naar het lekkere, compleet inclusief liefdesadvies afgeleverde folkrockertje “Selfish Boy”, naar de inhoudelijk vooral op gehuwde stellen mikkende lentefrisse rootspopdeun “Love You Like I Do” en het ongemeen opgewekt aandoende, nochtans aan de wellicht door elkeen gekende angst om er in “l’amour” voor te gaan opgehangen folkriedeltje “Climb This Wall”. Singer-songwriter-Americana van de bovenste plank!

Dylan Sneed, CD Baby

 

THE STEEL WHEELS “No More Rain” (The Steel Wheels)

(4****)

We hebben hier al wel eens vaker eens lans gebroken voor dit vanuit de Blue Ridge Mountains in Virginia actieve rootsviertal en dat doen we bij dezen graag nog eens opnieuw. Wat Trent Wagler (zang, gitaar en banjo), Jay Lapp (mandoline, gitaren en banjo), Eric Brubaker (fiddle en zang) en Brian Dickel (bas en zang) op hun derde brengen kan immers zo’n beetje voor een synoniem doorgaan van wat wij graag onder Americana anno nu mogen verstaan. Misleidend eenvoudig aandoende, maar vaak juist tot in de puntjes verzorgde, aan bluegrass en old-time stringband country verwante liedjes zijn duidelijk het specialisme van de vier. Evenals pakkende verhalen. En die worden verpakt in zich ogenblikkelijk knus tussen je oren nestelende melodieën. Elf in totaal. Nummer twaalf – het openingsnummer van “No More Rain” – blijkt immers een cover van de je wellicht ook wel van de collectie “Orphans (Brawlers, Bawlers & Bastards)” bekende Tom Waits-Kathleen Brennan-compositie “Walk Away”. Onder alle andere nummers prijkt de naam van Trent Wagler. En dat is – Gelukkig voor ons! – een echte kanjer in z’n vak. Hij voorzag z’n band van extreem catchy materiaal, dat in kringen van liefhebbers van acts als Old Crow Medicine Show, het momenteel zo waanzinnig populaire Mumford And Sons en de Avett Brothers naar alle waarschijnlijkheid op erg veel bijval zal kunnen rekenen. Onze zegen hebben de Steel Wheels alleszins al!

Via NOISETRADE trakteren de heren momenteel overigens nog steeds gratis op 19 tracks “caught in the act”, oftewel het album “Live At The Ignition Garage”. En ook dat is een heus aanradertje!

The Steel Wheels

 

HANS THEESSINK “Wishing Well” (Blue Groove / Music & Words)

(4,5*****)

Na “Delta Time”, zijn ook al “oorstrelend” mooie samenwerking met Terry Evans van vorig jaar, staat “Wishing Well” voor een nieuwe parel aan de kroon van “Wahlwiener” Hans Theessink. De in Wenen woonachtige Nederlandse bluesmaestro geeft zich ook op dat nieuwe album van ‘m weer volledig over aan de door hemzelf zo diep gekoesterde Amerikaanse rootsmuziek. En met name dan aan die van de zuidelijke staten van de States. “Handmade” spul met z’n wortels in folk, blues en aanverwante genres. Op “Wishing Well” gebracht in quasi-solomodus. Volledig akoestisch. Veel ingetogener ook dan we dat van hem gewoon zijn geraakt. En misschien wel net daardoor ook zo heerlijk intens. Met topmomenten werkelijk aan de lopende band. Zoals bijvoorbeeld een behoorlijk beklijvende versie van “Snowin’ On Raton” van z’n overleden vriend Townes Van Zandt, het grimmige “Ballad Of Hollis Brown”, ontleend aan de indrukwekkende songcatalogus van Bob Dylan, een in al zijn eenvoud ook al machtig overkomend “Wayfaring Stranger”, Theessink ooit nog aangeleerd door Johnny Cash zelve, en de traditionele “murder ballad” “Delia. Stuk voor stuk geknipte vehikels voor Theessinks warme baritonstem en dito snarengestoei. En dat geldt wat ons betreft eigenlijk gewoon voor elk van de veertien hier gebrachte stukken: voor eigen nummers als “New Home Upon The Hill”, “Wishing Well”, “Take Your Picture”, “Hellbound”, “Kathmandu”, “Didn’t We Try” en “Early This Morning Blues”, voor covers als de hier hoger al genoemde Van Zandt- en Dylan-deunen en Brownie McGhee’s “Living With The Blues” en ook voor adaptaties van traditionals als “Make Me Down A Pallet On Your Floor” en “Alberta Let Your Hair Hang Down Low”. Wat Theessink hier aflevert is in enkele woorden eigenlijk gewoon ronduit subliem te noemen! Warm aanbevolen!

Hans Theessink, Music & Words

 

DIVERSE ARTIESTEN “The Blueprint Sessions, Celebrating The 15th Anniversary of Blueprint” (Alex Staal)

(4****)

Zo wil ik er dus ook wel eens jaartje bijdoen, zie! Echt een prachtig verjaardagsgeschenk, waarop presentator Thomas Kaldijk en de zijnen zichzelf en ons hier trakteren! Vijftien kaarsen blazen de makers van het door Radio Parkstad in het Nederlandse Veendam uitgezonden rootsprogramma “Blueprint” met deze buitengewoon fraaie compilatie uit. Een dikke proficiat daarvoor van hieruit. Evenals voor de verzamelaar zelf trouwens. Die bevat immers uitsluitend exclusief materiaal, voor het programma opgenomen op diverse locaties in Veendam. Veelal spiernaakt, van alle overbodige franje ontdaan spul, dat recht op het hart mikt. Nogal wat gewaardeerde singer-songwriters passeren zo de revue. We noemen onder meer Rod Picott (“Rust Belt Fields”), Trevor Alguire (“Are You Ready”), Romi Mayes (met haar band in “Smoke More Than I Drink”), Doug MacLeod (“Brand New Eyes”), David Philips (“Our Own Hands”), Patrick Sweany (“World Of Love”), Hayward Williams (“High Horse”), Boris McCutcheon (“Bad Road, Good People”), Royal Wood (“Will We Ever Learn”), Little Birdie (Orit Shimoni) (“I Left The City Burning”), Sarah Slean (het met The Cairn Quartet gebrachte “Life”) en Annie Keating (“Valentine”). Voorts natuurlijk ook best wel wat locale talenten. Zoals de ondertussen helaas een beetje uit het gezicht verdwenen Beansprouts (“Birds”), de (lichtjes) fantastische Johan Borger (“Small Town”), Taneytown (“Why Feel Lonely”), Ann Vriend (de mooie pianoballade “Don’t Cry”), Eric Devries (“Sharon Says”), The Veldman Brothers (“This Pain”) en Dix (“Sayonara”). Vooral veel Americana en folk dus, met hier en daar een bescheiden bluesintermezzo. Absoluut voor herhaling vatbaar! En, beste Thomas, je hoeft daar echt geen vijftien jaar mee te wachten….

Blueprint

 

BUXTON “Nothing Here Seems Strange” (New West Records / Rough Trade)

(4****)

Ik moet zeggen, dat ik best wel wat misleid werd door wat ik vooraf over dit album op het “wereldwijde web” las. Het vijf man sterke gezelschap van Buxton uit Houston wordt immers vrijwel overal geprezen voor zijn rootsy aanpak. En folk-rock is de omschrijving die met betrekking tot hun muziek het meest blijft opduiken. En daarmee doe je het Texaanse kwintet wat mij betreft op de keper beschouwd toch wel wat tekort. Ik kan nog wel akkoord gaan met de stelling, dat de elementen folk en rock bepalend zijn voor zo ongeveer al het op “Nothing Here Seems Strange” gebrachte. Maar een folk-rockbandje, neen dat dus niet. Daarvoor heeft teveel op “Nothing Here Seems Strange” iets van een scherp indierandje. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar “Wolves And Owls” en je zal meteen begrijpen wat ik met die uitspraak bedoel. Lijkt in dat nummer aanvankelijk nog een banjo de lijnen te mogen gaan uitzetten, dan is het uiteindelijk toch vooral de elektrische van Jason Willis die de klankkleur bepalen gaat. En zij stuwt het nummer nadrukkelijk meer richting rock dan folk. Iets wat je bijvoorbeeld ook bij het veel commerciëler ingestelde bandje Mumford & Sons wel eens hoort. Al is dat niet meteen de beste vergelijking, die je met betrekking tot “Nothing Here Seems Strange” maken kan, besef ik ook wel. Neen, dan liever even richting Grant Lee Buffalo kijken. Daaraan deden Sergio Trevino en de zijnen me geregeld wel even denken. Met name dan in wat rustigere dingen als de sfeervolle ballade “Fingertips” of “Riverbed”. Maar ook die vlag dekt de lading hier zeker niet helemaal. Overtuig je daarvan vooral zelf ook even, zou ik zo zeggen, door hier gratis de digitale single “Boy Of Mine / Riverbed” te downloaden. Dat zegt uiteindelijk immers toch nog zoveel meer dan een stel (weliswaar) goedbedoelde woorden…

Buxton, New West Records

 

TURNPIKE TROUBADOURS “Goodbye Normal Street” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Tijdens de jongste uitreiking van de prestigieuze Lone Star Music Awards schoten die van de Turnpike Troubadours naar onze bescheiden mening volkomen terecht liefst twee van de hoofdvogels af. Hun derde langspeler “Goodbye Normal Street” en het daarvan afkomstige “Good Lord Lorrie” werden er immers uitgeroepen tot respectievelijk album en song van het jaar. Hoog tijd dus om het Amerikaanse vijfmanschap ook hier even de nodige aandacht te gunnen. En dan komt het natuurlijk heel goed uit, dat “Goodbye Normal Street” zopas ook aan een officiële Europese release toekwam. Elf nummers staan er op die plaat. Stuk voor stuk eigen songs van met name zanger Evan Felker en bassist R.C. Edwards. Zogeheten Red Dirt Americana, waarin naast de gebruikelijke elementen uit country, folk en rock ook sporen van bluegrass en in mindere mate cajun opduiken. Verhalend sterk spul bovendien, waarin met name het leven op de buiten regelmatig een erg dankbaar onderwerp blijkt. Nu eens goed voor een lach, elders dan weer eerder voor een traan. En ook wat betreft het muzikale stoten we op dergelijke contrasten. In die zin dat hier ruim vijfenveertig minuten lang op eerder frivole wijze wordt omgesprongen met tempo’s. De rootsy rocker “Gin Smoke & Lies” twijfelt zo bijvoorbeeld openlijk tussen in tweede versnelling blijven hangen of toch maar optrekken, “Before The Devil Knows We’re Dead” schiet, daarbij aangezwengeld door de fiddle van Kyle Nix, als bezeten uit de startblokken, de ballade “Southeastern Son” is een pracht van een “valse trage” en “Blue Star” op zijn beurt leuke mid-tempo country Texas anno 2013 style. Sterkste momenten van het geheel zijn wat ons betreft het als een klassiek countryduetje opgevatte “Call A Spade A Spade”, het door gast John Fullbright accordeongewijs met een snuif cajun afgewerkte swingertje “Morgan Street”, de heerlijke trage “Gone, Gone, Gone” en het eerder al genoemde en ons best wel wat aan Robert Earl Keen herinnerende “Good Lord Lorrie”.

Turnpike Troubadours, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

TIM EASTON “Before The Revolution, The Best Of 1998 – 2011” (New West Records / Rough Trade)

(5*****)

Ons hoefde men er al lang niet meer van te overtuigen, maar goed… Tegen bewijsmateriaal van het kaliber van de verzamelaar “Before The Revolution, The Best Of 1998 – 2011” zeggen wij natuurlijk niet neen. Dit “afscheidsgeschenk” van z’n voormalige werkgever New West Records illustreert immers nog maar eens ten voeten uit, hoe goed Tim Easton wel is in “zijn vak”. Als singer-songwriter maakte de hese Amerikaan de voorbije vijftien jaar plaat na plaat opnieuw indruk. En dat bewijzen de negentien ons hier aangereikte songs van de zeven albums die van de beste man verschenen tussen 1999 en 2011 op werkelijk voorbeeldige wijze. Huisfavorietjes à volonté! Van ’s mans solodebuut “Special 20” krijgen we zo het aan rinkelend gitaarwerk opgehangen deluxe-rockertje “Help Me Find My Space Girl”, het titelnummer en “All The Pretty Girls Leave Town”, van het in 2001 verschenen en toendertijd volkomen terecht ook al erg lovend onthaalde “The Truth About Us” “Carry Me”, het behoorlijk Dylanesk aandoende “Get Some Lonesome” en de prachtige alternatieve countryballade “I Would Have Married You”, van “Break Your Mothers Heart” uit 2003 het drietal “Poor Poor L.A.”, “Hummingbird” en “Hanging Tree”, van “Ammunition” van drie jaar later het aan deze collectie haar titel verlenende “Before The Revolution”, de herfstige Americana-sleper “Next To You”, “Black Dog” en “Oh People”, van “Porcupine” van vier jaar geleden “7th Wheel”, “Burgundy Red” en “Broke My Heart” en van het in 2011 gelijktijdig verschenen albumtweetal “Beat The Band” en “Since 1966, Volume 1” respectievelijk het duo “Maid Of The Mist” en “Daily Life” en het deze ronduit zalige compilatie op gepaste wijze afrondende “Festival Song”. “I like my rock and roll to have a little porch-party in it and my folk music to have some distortion,” aldus Easton zelf ooit over zijn creaties en hoe treffend hij daarmee zijn eigen werk wist te verwoorden bleek eigenlijk nog nooit duidelijker dan hier. Negentien songs lang bonken Easton zelf en gasten als de je wellicht vooral van Wilco bekende tandem Ken Coomer en John Stirratt, Jayhawks-maten Gary Louris en Tim O’Reagan, Tift Merritt en anderen hier verwoed op de poorten van de rootshemel. En een excuus om je daarvoor niet helemaal open te stellen bestaat eigenlijk gewoon niet…

Tim Easton, New West Records

 

STEVE EARLE & THE DUKES (& DUCHESSES) “The Low Highway” (New West / Rough Trade)

(4,5*****)

Wat een verdomd knappe plaat alweer! We hebben er met z’n allen een aardig poosje moeten op wachten, maar dat wachten blijkt nu meer dan de moeite te zijn geweest! “The Low Highway” staat immers garant voor een Steve Earle in topvorm! En zoveel is ook gelijk al vanaf het de feestelijkheden openende titelnummer volstrekt duidelijk. Daarmee grijpt onze man immers terug naar het soort van country, waarmee hij in zijn begindagen probleemloos ganse drommen aan fans van het genre achter zich wist te scharen. Een werkelijk bloedmooi liedje! Van een heel ander kaliber is vervolgens het pittige (country)rockertje “Calico County”. Da’s eigenlijk eerder het soort van materiaal, dat je door de jaren heen van Earle en z’n producerende Twangtrust-partner in crime Ray Kennedy bent gaan verwachten. Via het reflectieve “Burnin’ It Down” belanden we vervolgens bij het over een sexy (zydeco-)accordeonbijdrage heen gedrapeerde “That All You Got?”, één van de drie nummers hier, die Earle recentelijk bijdroeg aan de populaire Amerikaanse tv-reeks “Treme”, waarin hij overigens ook zelf een rol vertolkte. De andere twee zijn het ook al erg catchy Americana-niemendalletje “Love’s Gonna Blow My Way” en het op een aparte manier melancholisch werkende “After Mardi Gras”. Resten dan nog: het tegen gespierd pianowerk aanleunende “popdondertje” “Pocketful Of Rain”, de mooie trage “Invisible”, het ook effectief door het instrument uit z’n titel aangejaagde old-time-manoeuvre “Warren Hellman’s Banjo”, het daar door z’n uitgesproken bluegrass feel perfect bij aansluitende “Down The Road Pt. II”, het door z’n gitaren voorwaar even aan het pop- en rockgebeuren van de late sixties herinnerende “21st Century Blues” en het uitermate ingetogen “Remember Me”. Samen goed voor wat naar onze bescheiden mening één van Earle’s beste platen in tijden is. Eén die hier de volgende weken nog heel vaak haar weg naar de cd-speler zal weten te vinden alleszins…

Steve Earle, New West Records

 

UNCLE LUCIUS “And You Are Me” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

In de States was dit album al ruim een half jaar verkrijgbaar, maar dankzij de inspanningen van het onvolprezen Duitse Blue Rose Records kan je het je voortaan ook hier gewoon bij de betere platenboer om de hoek aanschaffen. En dat is goed nieuws, want de derde van het vanuit Austin actieve vijftal Uncle Lucius is echt wel een heel knappe plaat. Zo retro als het maar kan, maar o zo lekker! Je denkt erbij aan Lynyrd Skynyrd, aan Bad Company, aan de Black Crowes, aan The Band, aan The Black Keys, aan zeventiger-jaren-Stones en nog zoveel meer. Je hoort min of meer gelijke delen aan rock, blues, soul en country, shaken, not stirred! Nu eens met de nadruk op het ene genre, dan weer wat meer op het andere. Wat op de keper beschouwd maakt, dat de muziek van Uncle Lucius zich maar moeilijk in één enkel muzikaal vakje laat onderbrengen. Zou je het retro rock kunnen noemen? Zeker weten! Zou je het als classic rock kunnen omschrijven? Yep! Of als Southern rock misschien? Definitely! Maar ach, fuck al die hokjes! Gewoon luisteren naar die handel, dat moet hier de enige boodschap zijn! Je wordt ervoor beloond met ruim meer dan een uur muziek van de bovenste plank. Ongemeen sterke songs, een geweldige zanger (Kevin Galloway) en een al even prima leadgitarist (Mike Carpenter) wachten er als het ware op om door je ontdekt te worden! En op deze Europese versie van “And You Are Me” kan dat nog net iets uitgebreider dan op de Amerikaanse voorloper ervan. Als toemaatje krijgen we hier immers ook nog eens drie nummers van voorganger “Pick Your Head Up” geserveerd, meer bepaald de prijsbeesten “Everybody Got Soul”, “Liquor Store” en “A Million Ways”. Great stuff!

Uncle Lucius, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

POCO “All Fired Up” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“All Fired Up” is een album, dat eigenlijk een weinig gebukt gaat onder het uitzonderlijke karakter van tal van z’n voorgangers en zeker ook de reputatie van z’n makers. Onbewust ga je als luisteraar – En dus ook als recensent! – elke nieuwe worp van Poco immers weer vergelijken met hun roemruchte daden van weleer. En dan wordt het voor zo’n groep best wel een beetje moeilijk natuurlijk. Om maar iets te zeggen: de Stones maken nu ook niet bepaald elk jaar een nieuwe “Exile On Main Street”… En dus probeerden we ons hier naar aanleiding van dit stukje zo goed en kwaad als dat ging maar eens even volledig af te schermen van alles wat we wisten over Poco. En met name van de groep dan die in de jaren zeventig zoveel furore maakte. En zodoende kwamen we al vrij snel tot het besluit dat “All Fired Up” eigenlijk best wel een fijne plaat is. Een beetje oubollig aandoend her en der misschien, maar “soit”… Gevangen onder de noemer “vintage country rock” klinkt zelfs dat niet echt negatief meer. En zo hoort het gewoon ook! Toch voor dingen als het meteen tot meezingen en -stampen uitnodigende openings- en titelnummer. Misschien geen echt groots nummer, dat liedje, maar wel héél erg catchy. Wél een echte superdeun vonden en vinden wij na enkele draaibeurten eigenlijk nog steeds het meteen daaropvolgende, door Michael Webb met wat aanstekelijke accordeonklanken gekruide countryeske rockertje “Drink It In”. Daarin krijgen we de groep Poco anno 2013 op haar paasbest. Vervolgens gaat het via het ook al sympathieke, met Bobby Keys in een gastrol op de sax gebrachte rootsrockertje “That’s What Rock And Roll Will Do” over de knappe, buitengewoon radiovriendelijke Rusty Young-trage “Regret” richting het louter muzikaal gezien bijna onopvallend richting de Amerikaanse Westkust lonkende “When She’s Mine”, het voorzichtig richting blueswateren uitwijkende “A Little Rain” en het ingetogen “Hard Country”, een mooie story song van de hand van Jack Sundrud en Bruce Miller. Wachten dan nog: het echt wel heel erg naar het (eigen) countryrockverleden teruggrijpende “Love Has No Reason”, het z’n titel wat ons betreft echt alle eer aandoende “Rockin’ Horse”, het heel erg op de leest van de ster uit de titel ervan geschoeide en elke familieverwantschap daarmee nadrukkelijk ontkennende “Neil Young”, de (ons wel wat aan de Eagles herinnerende) pianoballade “Long Shot” en de lentefrisse afsluitende instrumentale “Pucky Huddle Stomp”. Alles samen twaalf songs, die ons, verwend als we zijn, nu toch al enkele keren best wel met iets van een bevredigd gevoel achterlieten. En voor ons is het dan ook overduidelijk: Rusty Young, Jack Sundrud, Michael Webb en George Lawrence kunnen met z’n allen nog wel een tijdje mee!

Poco, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

FABRIZIO POGGI & CHICKEN MAMBO “Spirit Of Mercy, A Collection” (Ultra Sound Records)

(5*****)

De Italiaanse mondharmonicavirtuoos Fabrizio Poggi prezen we hier nog niet zo heel erg lang geleden al eens (mee) de sterren in naar aanleiding van zijn gewaardeerde bijdragen aan het nieuwe album van Guy Davis en dat mogen we nu nog eens dunnetjes overdoen. Van de beste man zelf en zijn groep Chicken Mambo verscheen er zopas immers ook een nieuwe cd. Nu ja, nieuwe… Helemaal nieuw is het niet, wat we op “Spirit Of Mercy” aantreffen. Dat blijkt immers een compacte samenvatting van materiaal (en alternate takes) van de eerder verschenen Poggi-albums “Mercy” en “Spirit& Freedom”. Veelal spiritueel gekleurd bluesspul, waarin nogal wat “schoon vriendenvolk” de revue passeert. We noemen in dat verband onder meer Garth Hudson, Ponty Bone, Charlie Musselwhite, The Blind Boys Of Alabama, Eric Bibb, Debbi Walton, Rob Paparozzi, Guy Davis, Augie Meyers en Flaco Jimenez. Met z’n allen droegen zij bij tot een album werkelijk bulkend van de voortreffelijke songs, gekenmerkt door een ongelooflijke emotionele diepgang. Wat Poggi en co hier brengen is zó doorleefd allemaal, dat het je eigenlijk onmogelijk koud kan laten. Dit is blues met een hart zo groot als de Italiaanse laars zelve. En werkelijk alles klopt eraan ook: van de hoger al geroemde liedjes tot de fluwelen zang van Poggi himself, van de instrumentale bijdragen tot de productionele afwerking. In één woord: bloedmooi!

Fabrizio Poggi & Chicken Mambo

 

THE REVOLUTIONAIRES “The Joker Royalé” (Revolutionaires)

(4****)

Op dinsdag 30 april aanstaande is Wuustwezel voor bluesliefhebbers weer heel even het muzikale epicentrum van Vlaanderen. Dan vindt daar in het P.C. St.-Godelieve (Achter D’Hoven 63) immers de ondertussen toch ook alweer achtentwintigste uitgave van de “Nacht van de Blues” plaats. Met op de affiche dit jaar naast onze eigenste Tiny Legs Tim, The Reverend Peyton’s Big Damn Band en Doghouse Sam & His Magnatones ook het Britse viermanschap van The Revolutionaires. En tijdens het optreden van die laatsten, zichzelf zonder daarbij te blozen omschrijvend als “pioneers of rhythm & blues for the new millenium”, lijkt een uitermate wild feestje ons nu al zowat gegarandeerd. Afgaande op het op hun vijfde cd “The Joker Royalé” gebodene zullen bezoekers van de “Nacht van de Blues” editie 2013 die bewuste avond zo ongeveer hun laatste druppel zweet in Wuustwezel laten. Zanger-gitarist Ed “Eddie Boy” Stephenson, diens broer en de bassist van de groep Rich “Smiler” Stephenson, saxofonist Gary “R.G. Growler” Hoole en drummer Mark “Slim” Matthews mikken daarop liefst zestien nummers lang ongegeneerd op dansgrage benen. En hoe? Stomend hete R&B is duidelijk hun handelsmerk. Daarbij quasi terloops invloeden als een Louis Jordan, een Big Joe Turner, een Little Richard, een Chuck Berry en een Roy Brown verradend storten de Stephensons en hun maats zich hier met het schuim op de lippen op vreemdmateriaal van onder anderen Magic Sam (“Lookin’ Good”), de al genoemde Big Joe Turner (“Sally Zu-Zazz”), Ray Charles (“Hallelujah I Love Her So”), Sam Cooke (“Nothing Can Change This Love”) en John Lee Hooker (“Boom Boom”). Zestien covers brengen ze in totaal. En geloof ons, die zijn lang niet allemaal even voor de hand liggend! Of wat dacht je van iets als de “slow burner” “The Joker Royalé (St. Louis Blues)” van WC Handy, van het een wervelende exotisch getinte R&B-dansvloermake-over meekrijgende “Americano” van wijlen Renato Carosone of van het tot een ingehouden swingende kuitenbijter ingekleurde “Hole Hearted” van de heavy rockers van Extreme. Heerlijk ruw gebracht allemaal! De ongebreidelde energie van hun live-optredens nadrukkelijk vertalend naar hun studiowerk! Onze lievelingsmomenten daarbij: een heerlijk “honkende” versie van het klassieke “Hound Dog”, een al even catchy neergelegd “Burnt Toast And Black Coffee” van Mike Pedicin en met name ook het op retestrakke wijze de feestelijkheden voor geopend verklarende “Seven Nights To Rock” van Moon Mullican. Feestje!!!

Revolutionaires

 

HOLLIS BROWN “Ride On The Train” (Alive Natural Sound Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Dit moet zowat het meest bejubelde nieuwe rootsbandje van de voorbije jaren zijn! En wat ons betreft meer dan terecht ook! Wat Mike Montali, Jon Bonilla, Michael Graves en Dylan DeVito op hun langspeeldebuut brengen is immers echt al wel verbluffend goed. Hoe ze uit de laatste vijftig jaar pop- en rockgeschiedenis een ogenblikkelijk herkenbaar en bovendien ook nog eens buitengewoon catchy eigen geluid weten te distilleren, spreekt meteen tot de verbeelding. Ergens tussen Americana, (roots) rock en pop doen Montali en co zonder ook maar de minste schroom hun ding. En dat resulteert op “Ride On The Train” in tien prachtsongs, waarmee het viertal zich ondertussen al van de nummer-1-stek in de gerenommeerde Euro Americana Chart wist te verzekeren. Van het zomers luchtige, als “Springsteen goes Americana” klinkende titelnummer tot het eerder klassiek opgevatte “meebrulrockertje” “Down On Your Luck”, van de heerlijke, ons een heel klein beetje aan de Jayhawks in hun topdagen herinnerende sleper “When The Weather’s Warm” tot “valse trage” “Nothing & The Famous No One”, dat de Green On Red-fan op jaren in ons vrijwel meteen wist aan te spreken, van het veel meer dan z’n titel dat vooraf doet vermoeden rockende “Doghouse Blues” tot het heerlijk “down to earth” neergelegde “Gypsy Black Cat”, het met haast naïef aandoende gitaarklanken besprenkelde en naar onze bescheiden mening heel erg radiogenieke “Faith & Love”, het zich als een echte wolk van een ballade aandienende “If It Ain’t Me”, het onder vurig snarenwerk kreunende en flink om zich heen stampende “Walk On Water” en het eerder bedaard de feestelijkheden afsluitende “Nightfall”, wat valt er hier ruim zevenendertig minuten lang ongelooflijk veel te genieten. En als je het ons vraagt wacht er deze vier youngsters uit NYC dan ook niets minder dan een stralende toekomst. Dit horen is het allicht onverwijld ook kopen! Vooral doen!

Hollis Brown, Sonic Rendezvous

 

THE DAUGHTERS OF BLUEGRASS “Pickin’ Like A Girl, The Box Set” (Blue Circle Records)

(4,5*****)

Laat amper iets te wensen over, deze werkelijk monumentale collectie all-female bluegrass. Maar ja, The Daughters Of Bluegrass zijn dan ook niet zomaar een groepje, he. Het betreft hier eigenlijk de muzikale liefdesbaby van mevrouw Tom T. Hall, Miss Dixie voor de vrienden. Zij verzamelde een aantal jaren geleden voor het eerst een soort van vrouwelijke bluegrass all-star cast om zich heen voor het nu als bonus aan de voorliggende collectie toegevoegde “Bluegrass Bouquet”. En met dat project oogstte ze toen zoveel bijval, dat een opvolger eigenlijk gewoon niet kon en mocht uitblijven. Alleen, ons aller Dixie ging de dingen nu wel heel groots zien. Het resultaat: “Pickin’ Like A Girl”, een drie nieuwe cd’s tellende, meerdere generaties aan bluegrassdames overschrijdende collectie Tom T. Hall- en Miss Dixie-songs, tweeënvijftig in totaal, geschreven in hun eentje, met z’n tweetjes of samen met anderen en hier gebracht door zo’n beetje alles wat naam heeft binnen het genre en wel eens een rok draagt. Even wat namen droppen misschien? Dat is eigenlijk gewoon onbegonnen werk, maar goed, de voornaamsten dan maar… En dat zijn toch wel Dixie Hall zelve, Dale Ann Bradley, Laurie Lewis, Alecia Nugent, Donna Ulisse, Fayssoux Starling McLean, Tina Adair, Pam Tillis, Kathy Kallick, Valerie Smith, Sierra Hull, Michelle Nixon, Becky Schlegel, Jeanette Williams, Frances Mooney, Brooke Aldridge, Janette Carter, Stella Parton, Sally Jones, Rebecca Frazier, Becky Buller, Pam Gadd, April Stevens Seiber, de Isaacs- en de Lawrence-zussen, Missy Raines, Donica Christensen, Martha Hearon Adcock, Kristin Scott Benson,… Alleraardigst lijstje al, niet? En dan heb ik nog het gevoel, dat ik bepaalde bekendheden over het hoofd aan het zien ben… Maar goed, eigenlijk moeten we ons hier vooral niet blijven blindstaren op de kwantiteit. Veel belangrijker dan hun aanwezigheid zijn de door alle door Miss Dixie bij het project betrokkenen afgeleverde bijdragen. En die zijn van een dergelijk hoge kwaliteit, dat je als recensent “Pickin’ Like A Girl” zonder ook maar de minste aarzeling aan zowat elke liefhebber van het bluegrassgenre durft aan te bevelen. Hier wordt er met zoveel liefde voor het liedje gezongen en gemusiceerd, dat van mindere momenten eigenlijk amper sprake is. Zelfs wanneer youngsters als Sarah Rigsby (11), Jaelee Roberts (eveneens 11), Cara (13) en Frannie (15) DiGiovanni en Elizabeth “Lizzie” Engle (6) of  oude glorieën als Janette Carter ten tonele worden gevoerd stoort dat eigenlijk absoluut niet. En dat is mooi zo. Je wordt er als luisteraar voorwaar zelfs een beetje warm vanbinnen van.  Sterke liedjes, bezielde vertolkingen, wat wil een mens nog meer? Wat stand-outs misschien? Wel, die zijn er natuurlijk ook. Voor eenieder wellicht andere, voor ons alvast deze. Om te beginnen “Mama Remember” door Becky Schlegel. Een supergevoelig nummer over een haar moeder met een sterk nalatend geheugen bijstaande dochter. O zo herkenbaar, maar ook o zo mooi. Oók heel erg goed: het grappige “Men”, waarin de lead vocals worden gedeeld door Michelle Nixon, Lizzy & Rebekah Long, Susanne Mumpower-Johnson en Janet McGarry, het de lotgevallen van de sterke Thelma Louise Parker bezingende “The Meanest Lady Cop” door Dale Ann Bradley en de gospeldeun “He Knows The Way” met opnieuw een vocale glansrol voor die laatste. Maar ach, als je ons binnen enkele dagen naar onze favorieten vraagt, dan zullen we er wellicht gewoon een resem andere opsommen. De songs zijn hier immers allemaal nogal aan elkaar gewaagd. Hall-huiskwaliteit, zeg maar! En da’s al jaren een garantie voor de absolute top! Wedden dan ook, dat opvallende afwezigen als een Alison Krauss, een Dolly Parton, een Claire Lynch en een Rhonda VIncent er bij een volgende gelegenheid ook absoluut bij zullen willen zijn? Ons zou zulks alvast helemaal niet verbazen!

Good Home Grown Music, Blue Circle Records, CD Baby

 

TODD THIBAUD “Waterfall” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

‘t Is eigenlijk amper te geloven, maar ‘t is effectief alweer dik vier jaar geleden, dat de Amerikaanse meester-songsmid Todd Thibaud uitpakte met z’n laatste studioplaat. In 2008 was dat meer bepaald, met het eerder introspectief gehouden “Broken”. En door terloops alvast even op die ene karaktertrek van dat album te wijzen hebben we meteen ook al het voornaamste verschil met ’s mans nieuwe worp te stekken. Op “Waterfall” gaat het er immers een flink stuk pittiger aan toe. Op die plaat regeren liedjes die regelmatig wat meer moeite hebben met de borden met snelheidsbeperkingen langs hun muzikale wegen. Liedjes, waarin de gitaren volop van stal mogen en die mede daardoor gekenmerkt worden door een wat meer rockgeoriënteerd geluid. Meer “Favorite Waste Of Time” of “Northern Skies” dus dan “Broken”, om deze nieuwe ook even binnen Thibauds eigen oeuvre te plaatsen. En daar kwamen we bij onze eerste beluistering ervan al vrij snel achter ook. Gelijk van bij het nerveus pompende “What May Come” is het serieus prijs. Thibaud overduidelijk in rock-modus “this time around”. Iets wat het daaropvolgende “Not For Me” en titelnummer “Waterfall” vervolgens alleen maar fluks bevestigen. Het eerste een catchy, meteen tot meeneuriën uitnodigend rockertje uit dezelfde school als Tom Petty’s “Refugee”, het tweede een “breedbeeldpopdeun” met heerlijk gitaarwerk en vooral ook een zekere hitpotentie. In het ongemeen sfeervolle “When The Evening Falls” gaat het tempo vervolgens heel even wat naar omlaag en waan je je “in no time” in Crowded House-territorium, “Hollow” is dan weer een kanjer van een melodieuze gitaarrocker met een opvallende gastrol voor Bill Janovitz van Buffalo Tom en “Lonesome June” herinnerde ons ritmegewijs voorwaar enkele tellen lang aan “She’s About A Mover” van de Sir Douglas Quintet alvorens in zomers dartele roots rock te culmineren. Aansluitend gaat het aan een rap tempo van swampy roots rock (in het op bezwerende wijze gebrachte “Stranger”) en een power ballad (“All In A Dream”) over “rockin’ Americana à la Thibaud” (“My Own” en “Wears Me Down”) tot twee wat rustiger uitvallende afsluiters. De in zalig rinkelende gitaarklanken badende ballade “Change A Thing” zou je daarbij als “vintage Thibaud” kunnen omschrijven, het akoestische “Evermore” gewoon als een wolk van een folky liefdesliedje. Wat ons betreft als naar goede gewoonte beloond met weer maar eens een goed rapport voor Todd Thibaud! Verdomd jammer toch, dat zo weinig mensen hem vooralsnog kennen…

Todd Thibaud, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

PAPER AEROPLANES “Little Letters” (Navigator Records)

(3,5****)

Ze vormen pas sinds 2009 een muzikaal stel, maar in de paar sindsdien verstreken jaren hebben Welshmen Sarah Howells en Richard Llewellyn wel al een lange, lange weg afgelegd. Het eerdaags te verschijnen “Little Letters” is zo bijvoorbeeld al hun derde cd samen. En iets, ergens heel diep in ons, meent nu al met klem te mogen stellen, dat het er ditmaal “vol op” gaat zijn voor het tweetal. En dat zal dan wellicht in niet geringe mate te maken gaan hebben met het feit, dat men op deze derde meer richting een volwaardig groepsgeluid evolueert. Wat bleef, dat zijn de kleine “songportretten”, die ergens tussen folk, pop en rock op catchy wijze in de weer gaan met aan het eigen (gevoels)leven van Howells en Llewellyn ontleende thema’s. Van teloorgegane vriendschappen en liefdes (“Sleeper Train”, “Multiple Love”) tot de eigen thuishaven tijdelijk ontredderd achterlatende drama’s als ontploffingen in lokale olieraffinaderijen en dergelijke (“When The Windows Shook”). Een soort van telaatgekomen soundtrack als het ware bij de levens van onze beide protagonisten. “Korte brieven” met telkens één of meerdere herinneringen als uitgangspunt. Muzikaal wat ons betreft te situeren ergens tussen pakweg een Laura Veirs, een Mindy Smith, een Aimee Mann, de latere Fleetwood Mac, Everything But The Girl en Texas.

Paper Aeroplanes, Navigator Records

 

SHOOTER JENNINGS “The Other Life” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het voorbije jaar meldde Waylon Albright, ook wel “Shooter”, Jennings zich met het album “Family Man” indrukwekkend terug. De ondertussen 33-jarige zoon van wijlen Waylon Jennings en Jessi Colter zocht in het gezelschap van z’n nieuwe begeleidingsgroep The Triple Crown bij momenten weer behoorlijk nadrukkelijk het kielzog van z’n oudjes op. Een terugkeer naar z’n eigen country roots, zeg maar. Al betekende dat in geen geval het ontkennen van een al even duidelijke voorliefde voor genres als Southern rock en alternative Americana. De jonge Jennings mag nu eenmaal graag van veel walletjes tegelijk eten… En misschien is het wel net dat, wat zo’n interessante verschijning van hem maakt. Het lijkt, alsof hij zo’n beetje overal lak aan heeft. Enkel z’n eigen goesting telt! En dat betekent, dat we hier en nu alsnog worden geconfronteerd met “deel 2” van het aanvankelijk als dubbelaar aangekondigde “Family Man”. Waarom dat feestje toen niet doorging, weten we eigenlijk nog steeds niet, maar we zijn wel blij met Jennings’ beslissing om ons toch ook de rest van de sessies voor dat album nog voor te schotelen, want het is een verdomd lekkere plaat! Een plaat, die begint met een hoogst verrassend te noemen cover. Van de behoorlijk trippy aandoende “Flying Saucer Song” van Nilsson meer bepaald. Een eerste van drie covers in totaal. De twee andere zijn het er met wildeman Scott H. Biram uitgehamerde “The White Trash Song”, je ongetwijfeld wel bekend van Steve Young, en het obscure “15 Million Light Years Away”, van Southern rockers Black Oak Arkansas en hier ook gebracht in duet met hun kopstuk Jim Dandy. Voor het overige enkel en alleen nog Jennings-originelen. En die blijken doorgaans van uitstekende kwaliteit. Zo bewandelt “A Hard Lesson To Learn” op buitengewoon vaardige wijze het slappe koord tussen honky-tonk en (slow) boogie, is “Wild & Lonesome” een heel fraai klassiek opgevat countryduet genre George Jones en Tammy Wynette, wordt in het kloeke “Outlaw You” charismatisch achteromgekeken naar vaderlief Waylon en diens rol binnen het outlaw-gebeuren van weleer en is titelnummer “The Other Life” een wolk van een trage. “The Low Road” en “Mama, It’s Just My Medicine” doen dan weer elk op geheel eigen wijze iets moois met boogie ‘n’ rock, “The Outsider” is voorwaar even regelrechte Waylon-anno nu en het afsluitende “The Gunslinger” neemt in schoonheid nog vlug even epische proporties aan. Vakkundig onderbouwd door het lichtjes fantastische The Triple Crown goed voor zomaar even zes en een halve minuut fabelachtige, graag tot een uitgebreid potje jammen bereide Southern rock, dat laatste nummer. Een behoorlijk fameuze afsluiter voor een al even fameuze plaat, als u het ons vraagt.

Shooter Jennings, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home