CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2014

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

PAUL STEPHENSON “Girl With A Mirror” - BLAIR CRIMMINS & THE HOOKERS “Sing-A-Longs” - ROBERT FRANCIS & THE NIGHT TIDE “Heaven” - TISH HINOJOSA “After The Fair” - TAKE BERLIN “Lionize” - AMELIA WHITE “Old Postcard” - JOAN OSBORNE “Love And Hate” - GEORGIE FAME, MADELINE BELL AND STEVE GRAY “Singer, The Musical” - THE GLOAMING “The Gloaming” - LINCOLN DURHAM “Exodus Of The Deemed Unrighteous” - MORGAN O’KANE “The One They Call The Wind” - BASKO BELIEVES “Idiot’s Hill” - THE WOOD BROTHERS “The Muse” - HENHOUSE PROWLERS “Breaking Ground” - RETO BURRELL “Lucky Charm” - RODNEY CROWELL “Tarpaper Sky”

                                                                                                                                                                                                                                                        

 

PAUL STEPHENSON “Girl With A Mirror” (Stockfisch Records)

(3,5****)

Sinds jaar en dag al manifesteert zich Günter Pauler van het Duitse Stockfisch Records als beschermheer van tal van zachtgevooisde liedkunstenaars. Zo menig een hedendaagse (folk)troubadour vond al beschutting onder zijn uitnodigende luifel: te weten opnemen voor zijn platenlabel, in zijn studio, met zijn geweldige muzikanten-vrienden en onder zijn productionele hoede. En meestal leverde dat prachtige resultaten op. Zoals ook nu weer met “Girl With A Mirror”, het nieuwe album van de ondertussen in Frankrijk woonachtige Britse songsmid Paul Stephenson, die u misschien nog wel kent van de geweldige cd “A Bend In The Road” uit 1991 onder zijn pseudoniem Tom Zola.

Die plaat mag in haar geheel dan al net iets donkerder dan haar voorgangers klinken, echt zwaarmoedig doet ze niet aan. En dat ondanks het feit dat hier voornamelijk gevoelens eigen aan of gepaard gaand met verlies, ontgoocheling, berusting en andere hun weg naar poëtische overpeinzingen vinden. Vijftien bescheiden meesterwerkjes levert het ons op. Waaronder een werkelijk bloedmooie nieuwe versie van ’s mans “signature song” “Girl With A Mirror”, het nummer dat er ons indertijd toe aanzette om z’n album “A Bend In The Road” te kopen.

Samengevat: echt iets voor “gevorderde luisteraars”, dit album, voor liefhebbers van (quasi) perfect verpakte inhoud.

Stockfisch Records

 

BLAIR CRIMMINS & THE HOOKERS “Sing-A-Longs” (New Rag Records)

(4****)

Gezien de laaiend enthousiaste reacties waarop acts als Pokey LaFarge & The South City Three en Meschiya Lake & The Little Big Horns recentelijk in onze kontreien onthaald werden, zou het echt wel doodjammer zijn mocht er niet ook een platenlabel bereid worden gevonden om zich hier over het lot van Blair Crimmins& The Hookers te buigen. Qua aanstekelijkheid moeten die Crimmins en de zijnen immers allerminst onderdoen voor het genoemde tweetal. De manier waarop zij ragtime en twintiger jaren Dixieland jazz vertalen naar het hier en nu spreekt echt wel tot de verbeelding. En nog veel meer, als je weet, dat elk van de elf liedjes op “Sing-A-Longs” Crimmins-originelen zijn. Ongelooflijk eigenlijk! Dingen als “”Roll Over Bessie”, “Run That River Down”, “Little Red Train”, “The Krog Street Strut” en vele andere toveren zó een brede smile op je gezicht. Dit swingt echt als een tiet! Onze soundtrack voor de stilaan nakende zomer van 2014!

Blair Crimmins & The Hookers

 

ROBERT FRANCIS & THE NIGHT TIDE “Heaven” (Membran / Suburban)

(4****)

“Heaven” is na het overheerlijke drietal “One By One” uit 2007, “Before Nightfall” uit 2009 en vooral ook “Strangers In The First Place” van net geen twee jaar geleden de ondertussen vierde cd van de jonge Amerikaanse singer-songwriter Robert Francis. En net als z’n drie voorgangers is het andermaal een ware dijk van een plaat geworden. Echt tot de nok toe gevuld met pop- en rockliedjes van het werkelijk allerbeste soort.

Die bracht Francis ditmaal voor het eerst met z’n pas vorig jaar gevormde groep The Night Tide. Daarin zetelen naast hemzelf ook nog David Kitz en Ben Messelbeck. En voorts mocht ook een bescheiden legertje aan sessiemuzikanten mee aan de slag. Naast gezongen interventies leverde dat ook bijdragen op keyboards, pedal steel en sax en wat percussie op. Voor de productie tekende Francis zelf. Gemixt werd “Heaven” door Mark Rains (Black Rebel Motorcycle Club), gemastered door Howie Weinberg (Nirvana, Jeff Buckley).

Op tekstueel vlak is Francis “this time around” vooral in de weer met dingen groter dan onszelf. Vandaar de titel “Heaven”. En daarbij doet hij wat betreft het muzikale nogal wat terrein aan. Pop en rock is en blijft het inderdaad allemaal wel, maar er worden “en passant” toch flink wat uithoeken van het beschikbare palet bestreken. Met als resultaat een uitermate gevarieerd, dertien songs rijk geheel, dat als ideaal canvas voor Francis’ betoverende stem fungeert. Een stem uitermate rijk aan emoties, kwetsbaar en krachtig tegelijk. Uitnodigend en warm in de intiemere momenten, quasi strijdvaardig als het er allemaal wat vlotter aan toe gaat.

Onze zoals steeds onverbintelijke luistertips: het heerlijk ingehouden en zich wat ons betreft echt als een gedoodverfde radiohit aandienende “Pain”, het sfeervolle “Take You To The Water” en het al even beklijvende titelnummer. Liedjes van dat kaliber verdienen het ten volle om “en masse” te worden verkocht.

Robert Francis & The Night Tide, Membran, Suburban

 

TISH HINOJOSA “After The Fair” (Varèse Sarabande / Colosseum)

(3,5****)

Wat betreft Tish Hinojosa mogen wij ons met recht en rede fans van het eerste uur noemen. Al van in de dagen van “Taos To Tennessee”, “Homeland” en andere dragen wij de Texaanse immers een bijzonder warm hart toe. En door de jaren heen zijn we haar ook altijd trouw gebleven. Van elk van haar albums prijkt er hier dus een exemplaartje in de collectie. Vele daarvan gewoon aangeschaft op automatische piloot eigenlijk. Met name de laatste jaren dan. Het nieuwe was er immers stilaan zo’n beetje af…

Tot nu, that is! Met “After The Fair” verrast Hinojosa ons immers eindelijk weer eens in aangename zin. Op dat onder de productionele auspiciën van Moe Jaksch in Berlijn ingeblikte album klinkt ze anders dan anders. Gedurfder eigenlijk. Beter dan in haar recente verleden alleszins. Zonder dat ze zichzelf daarvoor diende te verloochenen overigens. Want uiteraard staan er ook op “After The Fair” weer een heleboel liedjes die haar Mexicaanse roots verraden. En al even vanzelfsprekend vonden wij het om ook hier weer op een stel rustige folkdeuntjes van het genre waarop ooit ook Nanci Griffith een patent leek te hebben te stoten. Maar er is dus meer. Het samen met haar vriend Marvin Dykhuis gepende “Tu Cancion” bijvoorbeeld promoveert Hinojosa zomaar tot zangeres van een sixties beat band. En het ook al volledig in het Spaans gebrachte “Los Deportados” is op de keper beschouwd een niets minder dan sublieme cover van “Deportee” van Woody Guthrie. Is trouwens slechts één van de drie covers hier, dat liedje. De overige twee zijn “Me Captivo Con Su Mirar”, een Spaanstalige adaptatie van Paul McCartney’s “A Certain Softness”, en het bij collega Matthew Sever geleende popdeuntje “I Will Do The Breathing”.

Voor het overige enkel eigen liedjes, die tekstgewijs regelmatig haar recentelijk afgesloten periode in de Duitse havenstad Hamburg reflecteren. Zo heeft ze het bijvoorbeeld over de onvermijdelijke Reeperbahn en over het voor Duitsland onverwachterwijze met een Italiaanse kater afgelopen wereldkampioenschap voetbal van 2006.

Fijn plaatje!

Tish Hinojosa

 

TAKE BERLIN “Lionize” (Take Berlin Music / Sonic Rendezvous)

(3***)

Take Berlin is een nog relatief jong duo bestaande uit Jesse Barnes en Yvonne Ambrée. Hij vooral bekend als lid van Eli “Paperboy” Reeds band The True Loves, zij een veelgevraagde achtergrondzangeres met op haar konto onder meer werk voor soulgrootheden als Syl Johnson, Ann Sexton en Gwen McCrae. De twee ontmoetten elkaar voor het eerst tijdens een Baltic Soul Weekender aan het Weißenhäuser Strand aan de Oostzee. En van het één kwam al snel het ander. Ze vormden zoals hoger al aangegeven Take Berlin en leverden onlangs met de EP “Lionize” ook al hun plaatdebuut af.

Dat schijfje bevat een zestal op een enkele jaren geleden door Barnes van het stort geredde aftandse tape deck ingeblikte songs, die hoegenaamd nergens onder stoelen of banken steken zwaar beïnvloed te zijn door het werk van de Braziliaanse tandem Carlos Jobim en Vinicius de Moraes of ook hun landgenoot Joao Gilberto. Eerder klassiek geconcipieerde liedjes dus, een weinig lui aandoend van wezen, lekker soulvol neergelegd door twee stemmen die heel mooi “samen kleuren”.

Met “Stranger” komen ze heel even dicht in de buurt van onze eigen vaderlandse trots Hooverphonic. Elders, zoals doorheen eerste single “Vermona” of titelnummer “Lionize”, waait een enigszins folky aandoend sixties-windje. Of een heerlijk zwoel Braziliaans briesje, zoals doorheen het bedaarde “Eaves”.

Take Berlin

 

AMELIA WHITE “Old Postcard” (White-Wolf Records)

(4,5*****)

Liefhebbers van het werk van dames als Mary Gauthier, Lucinda Williams, Kate Campbell, Emmylou Harris en Patty Griffin hoeven de rest van dit stukje niet te lezen. Zij kunnen zich echt wel zonder nadenken dit zevende album van de vanuit East Nashville actieve Amelia White aanschaffen. Onder de productionele hoede van voormalig Grammy-winnaar Mike Poole en zich muzikaal geruggensteund wetend door plaatselijke kleppers als diezelfde Poole, John Jackson, Sally Barris, Bryan Owings, Anne McCue, Brian Harrison, Sergio Webb, Billy Earheart, Jon Byrd, Tim Carroll, Pete Finney, Melissa Wolf en Julie Christensen levert die immers een volstrekt tijdloos geheel af. Een plaat om te hebben en heel erg innig van te houden.

Een plaat met tal van geweldige momenten alleszins. En da’s iets wat op de keper beschouwd ook allerminst hoeft te verwonderen, als je weet, dat White voor het schrijven van het merendeel ervan de hulp inriep van gewaardeerde collega’s als Doug & Telisha Williams, Thomm Jutz, John Hadley, Anne McCue, Jon McElroy, Andrew Dorff en Tony Kerr. Met Hadley tekende ze zo bijvoorbeeld voor het prachtige titelnummer. “Dreams that never will come true are still dreams after all,” luidt het daarin achteromkijkend wijs. Nog zo’n toppertje is het met Anne McCue gedeelde Young-iaanse rootsrockertje “Brothers”. Dat nestelt zich “in no time” knus tussen je oren om er zich vervolgens met geen stokken meer te laten verdrijven. Iets wat bij nader inzicht eigenlijk ook wel geldt voor het onder meer met een snuifje “seventies Stones” gekruide “Mary’s Gettin’ Married”.

Maar op haar best vinden wij White toch nog altijd in haar wat bedaardere momenten. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de stijlvolle “country noir” van “Hollow Heart”, de ronduit heerlijke trage “Old Stone” en het met Thom Jutz gepende “Goodbye Today”. Daarin komt de met de jaren alleen maar lekkerder wordende lijzige stem van White naar onze bescheiden mening gewoon het best tot haar recht.

Wat ons betreft echt wel warm aan te bevelen, dit bij momenten behoorlijk persoonlijk uitgevallen werkstukje! Ontegensprekelijk White’s beste album so far! Een echt blijvertje…

Amelia White

 

JOAN OSBORNE “Love And Hate” (Membran / Suburban)

(3,5****)

“What if God was one of us? Just a slob like one of us. Just a stranger on the bus…” We hebben het op een onbewaakt moment vast allemaal ooit wel eens meegeblèrd, dat geweldige liedje, waarmee Joan Osborne ergens in ’95 voor zichzelf de deur naar een toekomst in de kijker wist open te trappen. Amper te geloven eigenlijk, dat dit absolute “moment de gloire” van de Amerikaanse al zo ver achter ons ligt. Een momentum, dat ze overigens niet echt lang stevig vast wist te houden, onze Joan. Want hoe goed haar volgende albums bij momenten ook waren, het (commerciële) succes van “One Of Us” en de bijhorende cd “Relish” wist de ondertussen toch ook al de kaap van de vijftig gepasseerde zangeres nooit meer te evenaren.

En de vraag is maar, of Osborne zelf daar dezer dagen nog wel echt op uit is. Door de jaren heen is ze immers steeds resoluter haar eigen ding gaan doen. Pop en rock moesten zo bijvoorbeeld regelmatig plaats ruimen voor andere muziekstijlen als folk, Americana en soul. Als luisteraar wist je zo op den duur vooraf eigenlijk nooit meer echt, wat ze nu weer voor je in petto zou gaan hebben. Iets wat ook voor haar achtste studioplaat “Love And Hate” weer opgaat.

Daarop prijken twaalf liedjes, die aan ons na enkele luisterbeurten referentiepunten als de “popstootjes” uit het vermaarde Brill Building, het legendarische songgoed van de heren Bacharach & David en recenter materiaal van onder anderen Cat Power en Shelby Lynne wisten te ontlokken. Behoorlijk apart ingevulde popdeunen, waarin Osborne op soulvolle wijze de (niet zelden eerder grijze) zone tussen liefde en haat verkent. Daarbij naar eigen zeggen vooral geïnspireerd door niet-muzikale bronnen, zoals poëzie, short stories, film en het leven zelve. Zo ongeveer het hele spectrum tussen beide tegenpolen doet ze op het toepasselijk getitelde “Love And Hate” aan.

En aanraders zijn daarbij wat ons betreft vooral het heerlijk groovy neergelegde “Keep It Underground”, het melodie- en sfeergewijs heel even voorzichtig richting “Hotel California” van de Eagles knipogende “Work On Me”, het titelnummer (Een echt wel magistrale pianoballade!) en het zomers luchtige, met zijn hoofd nadrukkelijk in het verleden levende popriedeltje “Where We Start”.

Joan Osborne, Membran, Suburban Records

 

GEORGIE FAME, MADELINE BELL AND STEVE GRAY “Singer, The Musical” (Proper / PIAS Rough Trade)

(3***)

Het betreft hier in januari 2004 voor de Nederlandse publieke omroep NTR in de 013 in Tilburg gemaakte, maar niet eerder uitgegebrachte opnames van een musical gewijd aan de “rise& fall” van een getalenteerde jonge Amerikaanse zangeres. Madeline Bell en Georgie Fame vertolken de songs, het Metropole Orchestra en de Jody Pijper Singers onder leiding van Johan Plomp doen de rest. Als een mini-opera omschrijft speerpunt Bell het op haar eigen webstek zelf. Maar dan wel één in een jazzy gewaad. Soulvol ook, zij het dan in een big band-context. Meer iets voor liefhebbers van jazz dan voor regelmatige bezoekers van deze pagina’s eigenlijk, dit ondertussen zo’n dertig jaar geleden op een onbewaakt moment door Edwin “Ome Willem” Rutten geïnitieerde roject.

Georgie Fame, Madeline Bell, Proper Records

 

THE GLOAMING “The Gloaming” (Real World Records)

(5*****)

Met z’n titelloze debuut slaat het uit Iarla Ó Lionáird (zang), Caoimhín Ó Raghallaigh (viool), Dennis Cahill (gitaar), Martin Hayes (fiddle) en Thomas Bartlett (aka Doveman, piano) bestaande The Gloaming op werkelijk wonderbaarlijke wijze een brug tussen het buitengewoon rijke Ierse folkverleden en het (New Yorkse) hier en nu. Wat de vijf op hun eersteling doen heeft iets hoegenaamd magisch. Iets wat zich eigenlijk maar heel erg moeilijk onder woorden laat brengen.

Van beklijvende, door Ó Lionáird in het Gaelic een aardig eindje richting de sterren gezongen sean-nós-liederen tot al even adembenemende instrumentaaltjes en alles wat daar tussenin zoal kan, je valt hier als luisteraar met de mond wagenwijd open voortdurend van de ene in de andere verrassing. Van de compleet onthaaste, bijna onaardse schoonheid van iets als “Song 44” over de heerlijk authentieke instrumental “Allistrum’s March” of het voornamelijk door de magnifieke zang van Ó Lionáird en het pianospel van Bartlett gedragen “The Necklace Of Wrens” tot het ruim zestien minuten durende “magnum opus” “Opening Set”, waarin an sich al veel meer gebeurt dan op de doorsnee-folkplaat, en andere, dit is niets minder dan ademberovend!

The Gloaming hertekent hier “en passant” als het ware de muzikale toekomst van Ierland. Een echte revelatie! En als u mij nu even wil excuseren, ik moet hoognodig even de van het kippenvel recht omhoog staande haartjes op mijn armen plat gaan kammen…

The Gloaming

 

LINCOLN DURHAM “Exodus Of The Deemed Unrighteous” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Like the howl of the wind and rumble of a thunderstorm Lincoln Durham’s music is raw and real, the way it should be.” Aan het woord: Hayes Carll, zoals ondertussen allicht alom bekend zelf een meer dan gemiddeld begaafde songsmid. En hij is lang die de enige Amerikaanse singer-songwriter die deze nog jonge collega mateloos bewondert. Onder meer ook James McMurtry en Ray Wylie Hubbard zijn naar verluidt grote fans. En die laatste gaat daarin zelfs zeer ver. Zo bestempelde Durham hem zelf al als zijn mentor. Als de man waarvan hij heel wat van z’n kunstjes leerde.

Maar Durham gaat verder, véél verder dan Hubbard. Je zou zijn muziek zo ongeveer als des duivels kunnen omschrijven. Ongemeen rauw. Ongelooflijk “real”. Heerlijk gemeen. “Definitely” meer blues dan Americana. Meer gehuild dan gezongen eigenlijk. Uitgebraakt als het ware. Denk Howlin’ Wolf en Son House, Tom Waits. Zoiets. Durhams creaties kennen bepaald geen mededogen. Dingen als “Ballad Of A Prodigal Son”, “Rise In The River”, “Annie Departee”, “Beautifully Sewn, Violently Torn”, “Stupid Man”, “Sinner”, “Exodus Waltz”, “Mama” en andere overvallen je als luisteraar. Kansloos ben je. Meer nog dan die van het nochtans zelf ook al verre van misse “The Shovel vs. The Howling Bones” laten ze je met een gevoel van onbehagen achter.

Verhalen waar Edgar Allan Poe trots op geweest zou zijn, lazen we ergens. En zo is het maar net. Alleen kleedt Lincoln Durham ze veel spectaculairder in. Met dank daarvoor ook aan producer George Reiff.

Lincoln Durham, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

MORGAN O’KANE “The One They Call The Wind” (Dollartone / Sonic Rendezvous)

(4****)

Buitengewoon intrigerend heerschap toch, deze Morgan O’Kane! Nog eens wat je noemt een echte original. Maar daarmee vertellen we natuurlijk niks nieuws, want zoveel wisten we met z’n allen al na zijn eerste twee releases, z’n in 2010 verschenen debuut “Nine Lives” en het van een jaar later stammende en hier behoorlijk jubelend onthaalde “Pendulum”.

En nu is er dus nummer drie van het fenomeen uit Virginia. En ook dat is weer een ronduit uitstekende plaat. Boordevol met Amerikaanse volksmuziek met een al bij al behoorlijk punky karakter. Folk, bluegrass en Americana met een als wel heel erg scherp te omschrijven randje. Muziek met veel zin voor traditie, maar vooral toch ook voor het hier en nu. Muziek als uitlaatklep voor een activist in de traditie van groten der aarde als een Woody Guthrie, een Phil Ochs en een Pete Seeger. Een (milieu)activist met gouden vingers bovendien. Een echte meester op de banjo!

En als je dat alles dan ook nog eens weet te koppelen aan een stem die een weinig doet denken aan die van Bruce Springsteen en een sterke prestatie van gelegenheidsteammaats Ezekiel Healy (dobro, hurdy gurdy), Ferd Moise IV (Hackensaw Boys, fiddle), Liam Crill (spoons, shaker), JR Hankins (flugelhorn) en Domino Kirke (backing vocals), dan krijg je materiaal van het kaliber van de elf deunen op “The One They Call The Wind”. Onze luistertips: het door O’Kane’s nerveus-virtuoze banjobepotelingen en JR Hankins’ geblazen bijdrage een aardig eindje richting folkperfectie evoluerende “Compass Rose”, het mede door diezelfde combinatie ook al hoogst eigenzinnig uit de hoek komende “Shroud Of Turin”, het net wat melodieuzere “Across The Distance” en het afsluitende, op een wolk aan herinneringen aan een met de zeilboot van Ferd Moise IV gemaakte trip drijvend eerbetoon aan precies die boot.

Morgan O’Kane is binnenkort ook te gast in de Lage Landen. Volgende data en locaties verdienen zeker een plaatsje in jullie agenda’s: Geel (15 mei, Bacchus Café), Utrecht (17 mei, Tivoli De Helling), Rotterdam (18 mei, Het Klooster), Nijmegen (14 juni, Kids N Billies), Middelburg (19 juni, Kaffee Het Hof) en Waardamme (20 juni, Muddy Roots).

Morgan O’Kane, Sonic Rendezvous

 

BASKO BELIEVES “Idiot’s Hill” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Als je echt gelooft in wat je doet, dan moet je er ook de nodige risico’s voor durven te nemen, zo ongeveer moet de Zweed Johan Örjansson gedacht hebben, toen hij een tijdje geleden besloot om in te gaan op de aanhoudende verzoeken van McKenzie Smith en Joey McClennan van het gerenommeerde Midlake om vooral toch maar eens naar de States af te zakken om er samen met hen en wat van hun vrienden een nieuw album op te nemen. Geen gemakkelijke beslissing nochtans! Niet enkel het kostenplaatje had de beste man aanvankelijk immers tegengehouden om op dat droomaanbod in te gaan, maar ook het feit dat hij zich voor het zetten van deze stap (tijdelijk) zou moeten distantiëren van zijn ondertussen opgebouwde schare trouwe Zweedse fans en zijn al even loyale bandmaats.

Maar goed, uiteindelijk bleken die argumenten dus niet langer op te wegen tegen de almaar toenemende drang naar verandering en de drive om een album af te leveren, waarvoor absoluut geen compromissen meer zouden moeten worden gemaakt. En dus toog Örjansson richting het Texaanse Denton, waar hij in de Redwood Studio samen met het al genoemde duo (drums en gitaren), Aaron McClellan (Israel Nash Gripka’s band, bas), Eric Swanson (ING, pedal steel), Evan Jacobs (ooit nog Midlake, keyboards), Jesse Chandler (Midlake, fluit), Buffi Jacobs (The Polyphonic Spree, cello), Daniel Hart (ooit ook The Polyphonic Spree, fiddle), Kaela Sinclair (zang) en blazers David Pierce, Pete Clagett en David Monsch “Idiot’s Hill” opnam.

En na enkele beluisteringen van die plaat kunnen we eigenlijk alleen maar zeggen, dat we op de keper beschouwd met z’n allen heel erg blij moeten zijn om ’s mans gedurfde beslissing. Wat is dit immers weer een heerlijkheid van een album! Tien met veel zorg uitgewerkte, hoogst persoonlijke liedjes, gedragen door Örjanssons geweldige, hier eigenlijk gewoon beter dan ooit klinkende stem en volop profiterend van de gesofisticeerde arrangementen van de Midlake-tandem. De weelderige orkestratie doet de liedjes van de Zweedse songsmid pas echt stralen. Met zijn modernistische folkpop belandt hij op die manier als het ware ergens tussen Damien Rice, Ryan Adams en David Gray in.

Sterke zang en sterke teksten dus, maar vooral ook tonnen aan sfeer. Soms eerder poppy, elders wat meer folkgericht, een enkele keer ook behoorlijk soulvol. Hoogtepunten zat alleszins. Wij noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het bezielde “The Waiting”, het ons voorzichtig aan de ingetogen kant van U2 ten tijde van “The Joshua Tree” herinnerende “Lift Me Up”, het bedaarde “Going Home” en het buitengewoon radiogenieke “Rain Song”.

Vijf sterren! Wat ons betreft dubbel en dik verdiend!

Basko Believes, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

THE WOOD BROTHERS “The Muse” (Southern Ground Artists)

(4,5*****)

Met hun opvolger voor het ondertussen toch ook alweer goed twee en een half jaar achter ons liggende “Smoke Ring Halo” lijken de Wood Brothers klaar voor een doorbraak op grote schaal. Samen met de ondertussen tot volwaardig groepslid uitgegroeide drummer-multi-instrumentalist Jano Rix leveren Chris (zang, bas, harmonica, gitaar en mandoline) en Oliver Wood (zang, gitaar en mandocello) in een productie van Buddy Miller een plaat af die eigenlijk in geen enkele zichzelf respecterende Americana-collectie zou mogen ontbreken. Geruggensteund door onder anderen diezelfde Miller (baritongitaar), de zussen McCrary (backing vocals) en blazers Jim Hoke, Bill Huber en Steve Herrman waden ze op “The Muse” omzichtig doorheen tien nieuwe originelen en een cover van één van onze favoriete dronkemansliederen überhaupt, te weten “I Got Loaded”.

Enkele ogenblikken lang waanden wij ons aanvankelijk voorwaar even in de achtertuin van The Band. Aan het prille werk van dat legendarische gezelschap herinnerde openingsnummer “Wastin’ My Mind” ons immers behoorlijk nadrukkelijk. Klassiek spul dus! En dat is een predikaat, dat wat ons betreft eigenlijk op heel wat van de deunen op “The Muse” mag. Je voelt als luisteraar immers vrijwel meteen aan, dat je hier nog héél erg lang naar zal blijven teruggrijpen. En de hier door de Wood-broertjes geserveerde gumbo van bluesy Americana en country en swampy funk zal ons inziens op termijn dan ook door velen naar waarde worden geschat. Zowel door rootsmuziekliefhebbers op jaren, als door jonge, dankzij acts als Mumford& Sons en de Avett Brothers pas onlangs in het genre gerolde oren.

Wij zijn er alvast helemaal weg van. Van het lekker funky om zich heen schoppende “Who The Devil” tot het enigszins onthaast en mede daardoor juist heel erg passioneel aan de man gebrachte “I Got Loaded” en het al eerder aangekaarte “Wastin’ My Mind”, van het bedaarde, ook al wat aan Robbie Robertson en co schatplichtige “Neon Tombstone” tot het mede dankzij de zoals steeds hemelse vocale ondersteuning van de McCrary-zussen aardig gospelesk uitpakkende “Sing About It”, het bluesy titelnummer en andere, voor ons betekent dit keer op keer opnieuw ruim drieënveertig minuten volop genieten!

Vanaf eind april zijn de Wood Brothers overigens ook in de buurt voor een stel optredens. Meer bepaald in Heerlen (29 april, Cultuurhuis), Waardamme (30 april, Cowboy Up), Amsterdam (1 mei, Bimhuis – Bimbop), Leiden (2 mei, Qbus), Horst (4 mei, Cambrinus), Eindhoven (5 mei, Muziekgebouw Frits Philips) en Den Bosch (7 mei, Blue Room).

The Wood Brothers

 

HENHOUSE PROWLERS “Breaking Ground” (Prowlers Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het live-album “Direct From Chicago” van zo’n jaar of anderhalf geleden meegerekend zijn die van de Hensouse Prowlers met “Breaking Ground” ondertussen al aan hun vijfde cd toe. En we hebben het hier naar aanleiding van enkele van die voorgangers en optredens hier te lande al wel eens vaker gezegd: wij zijn alvast helemaal weg van wat die vier uit Chicago doen. “New traditional bluegrass” noemen ze het zelf en dat is een vlag die haar lading uitstekend dekt. Ben Wright (banjo en zang), Starr Moss (akoestische gitaar en zang), Jon Goldfine (staande bas en zang), Dan Andree (fiddle en zang) en gelegenheids-Prowler Grant Ziolkowski (mandoline en zang) vertrekken immers daadwerkelijk vanuit een traditioneel bluegrassgegeven om in het hier en nu spijkers met koppen te slaan.

Onder de vakbekwame productionele hoede van Greg Cahill van Special Consensus knallen ze op hun nieuwe cd doorheen elf verse originelen en covers van de traditional “Pretty Polly” en de Temptations-hit “Ain’t Too Proud To Beg”. Vingervlugge snarenescapades worden daarbij als vanouds afgewisseld met al evenzeer tot de verbeelding sprekende sentimentele ballades. En de heren etaleren daarbij naast een werkelijk impeccabele instrumentbeheersing ook een buitengewoon fijne neus voor harmonieerwerk. Iets wat verstokte fans van de Del McCoury Band als ons uiteraard wel weten te appreciëren.

Ben Wright en Jon Goldfine tonen zich met respectievelijk vier en drie liedjes de voornaamste songleveranciers. Starr Moss bracht er twee aan, Dan Andree en Grant Ziolkowski beiden eentje. En van dat respectabele elftal onthielden wij na enkele draaibeurten vooral de volgende selectie: het heerlijk melodieuze openingsnummer “Why Is The Night So Long?”, de op de keper beschouwd behoorlijk countryesk opgevatte valse trage “Drunk Again”, het verhalende “The Track” en het onder hyperkinetisch snarengewriemel kreunende “Soul Saver”. Dat zijn samen met de hier hoger al even vermelde, werkelijk grandioze cover van “Ain’t Too Proud To Beg” van de Temptations de nummers die mp3-gewijs in de nabije toekomst nog heel wat kilometers met ons zullen gaan maken.

Op zaterdag 26 april en zondag 27 april aanstaande kan je de Henhouse Prowlers ook live meepikken tijden het Gasketblowers Fest in Sint-Katelijne-Waver (Rick’s Place, Fortsesteenweg 31). Nog op 27 april doen ze daarnaast ook de Cowboy Up in Waardamme aan. En op 1 mei wervelen ze ook nog snel even over de op het Roots & Roses Festival in Lessen aanwezige menigte.

Henhouse Prowlers, Sonic Rendezvous

 

RETO BURRELL “Lucky Charm” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Bij de vanuit Zwitserland actieve songsmid Reto Burrell weet je eigenlijk vooraf al in grote lijnen waar je aan toe bent. In die mate zelfs, dat je je, als je één van zijn eerdere albums in huis hebt en er nog regelmatig naar teruggrijpt, ook zonder al te veel nadenken elk van de volgende kan aanschaffen. De voornaamste ingrediënten blijven immers doorgaans zo goed als onveranderd.

In eerste instantie is er zo de buitengewoon aangename, met de jaren eigenlijk alleen nog maar beter wordende gruizige stem van Burrell zelve. Die vormt an sich al een hoegenaamd uitstekend uitganspunt. En zo mogelijk nog beter zijn de liedjes, die Burrell schrijft. Die hebben vrijwel zonder uitzondering hun roots in Americana-grond. Sommige eerder balladesk van aard (“Right Beside Me”, “The Journey” en “Can’t Break The Rules / Hole In My Chest”), andere mid-tempo (het titelnummer en het met – de ons volslagen onbekende – Gigi Moto in vocale steun gebrachte “Half Your Love Is Fine”) tot heerlijk recht-toe-recht-aan rockend (het aantrekkelijke duo “A New Pair Of Shoes” en “Come Rain Come Shine”, het harmonicazwangere “Everybody’s Sneaking Around”, het topzware “Hit The Ground” en de deluxe-rootsrocker “The Reason Why”).

Als referenties voor dit wat ons betreft goed bestede half uurtje lijken “nach wie vor” vooral de namen van Tom Petty en Burrells labelmaatje Todd Thibaud uitermate goede diensten te kunnen bewijzen.

Reto Burrell, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

RODNEY CROWELL “Tarpaper Sky” (New West / Warner)

(5*****)

Voor de opnames van “Tarpaper Sky”, zijn veertiende soloplaat, recruteerde Rodney Crowell zoveel mogelijk van de in 1988 ook al bij z’n invloedrijke bestseller “Diamonds And Dirt” betrokken muzikanten. En dat resulteert ook nu, ruim zesentwintig jaar later, weer in het nodige muzikale vuurwerk. Net als “Diamonds And Dirt” is ook Crowells nieuwe worp weer een veritabele heerlijkheid van een album geworden. Wat meer Americana dan die roemruchte voorganger misschien, maar hem wat betreft de kwaliteit van de liedjes wel zomaar naar de kroon stekend. En dat wil in dit geval heel wat zeggen, aangezien we het toch hebben over de tands des tijds met sprekend gemak weerstaan hebbende songschoonheden als “Crazy Baby”, “I Couldn’t Leave You If I Tried”, “After All This Time”, “Above And Beyond (The Call Of Love)”, “It’s Such A Small World”, “The Last Waltz” en andere.

Voor de productie van “Tarpaper Sky” tekende Crowell zelf. Samen met Steuart Smith en een enkele keer ook Dan Knobler leidde hij de werkzaamheden eraan in goede banen. Iets wat gezien het uitgebreide cv van het merendeel der betrokkenen wellicht niet al te veel moeite heeft gekost. In de Tarpaper Band treffen we zo naast Crowell zelf (zang en akoestische en elektrische gitaren) ook Steuart Smith (diverse gitaren, mandoline, bas, orgel, harmonica en harmony vocals), Michael Rhodes (bas), John Hobbs (piano) en Eddie Bayers (drums en piano) aan. En op de knap uitgebreide gastenlijst prijken voorts onder meer ook nog de namen van Shannon McNally, Will Kimbrough, Fats Kaplan, Jerry Douglas, John Cowan, Pat Buchanan, Cory Chisel, Mike Ferris, Chely Wright, Vince Gill en Ronnie McCoury.

Alle door hen geleverde, buitengewoon vaardige hand-en-spandiensten ten spijt zijn het uiteindelijk echter toch vooral weer Crowells songs die het verschil maken. Tussen de elf exemplaren hier staan er een aantal waarvoor je als recensent zonder blikken of blozen de omschrijving instant classic durft te bezigen. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het zo ongeveer ultieme liefdesliedje “I Wouldn’t Be Me Without You”, het aan z’n buddy Guy Clark opgedragen “The Flyboy & The Kid” en vooral ook de trage “Oh What A Beautiful World”, waarin ook al bij wijze van eerbetoon, maar ditmaal aan het adres van wijlen John Denver, op buitengewoon handige manier een streepje “Take Me Home, Country Roads” wordt verwerkt. Andere pareltjes: het bedaard countryrockend de feestelijkheden inzettende “The Long Journey Home”, het met Will Jennings gepende en quasi terloops op subtiele wijze wat cajungevoel verspreidende “Fever On The Bayou”, de wervelend twangende roots rock van “Frankie Please”, de kippenvelballade “God I’m Missing You”, het bijna uitsluitend van de erin opgevoerde ingehouden spanning levende “Famous Last Words Of A Fool In Love”, het zich schokschouderend als uitermate geschikt voor gebruik in volop naar verschaald bier, sigarettenrook en mannenzweet geurende road houses aandienende “Somebody’s Shadow” en het bedaarde, ogenschijnlijk tot behoorlijk diep in Crowells persoonlijke leefwereld doordringende “Grandma Loved That Old Man”.

Als de grote John Keats het bij het rechte eind had en “a thing of beauty” daadwerkelijk “a joy forever” is, dan willen we bij dezen de nieuwe van Rodney Crowell graag als dat laatste aan al onze lezers aanprijzen.

Rodney Crowell, New West Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home