CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

THE PORTER DRAW “Sets” - KAURNA CRONIN “Glass Fool” - MANDOLIN ORANGE “Such Jubilee” - ANNIE LOU “Tried And True” - GREAT LAKE SWIMMERS “A Forest Of Arms” - ELIZA CARTHY & TIM ERIKSEN “Bottle” - DANNY SCHMIDT “Owls” - THE BOXMASTERS “Somewhere Down The Road” - PHARIS & JASON ROMERO “A Wanderer I’ll Stay” - DIVERSE ARTIESTEN “Folk Awards 2015” - KIMMIE RHODES “Cowgirl Boudoir” - TROUT STEAK REVIVAL “Brighter Every Day” - THE RUBBER KNIFE GANG “Broken Lines” - KEVIN DEAL “Nothing Left To Prove” - ROCKY VOTOLATO “Hospital Handshakes” - RANI ARBO & DAISY MAYHEM “Violets Are Blue” - THE WESTIES “West Side Stories” - ALICE DIMICELE “Swim” - THE  BOOM BAND “The Boom Band” - THE WHIGS “Modern Creation” - NEW MADRID “Sunswimmer” - DIVERSE ARTIESTEN “Stockfisch Records, Closer To The Music, Volume 5” - MARLA BLUMENBLATT “Sag Einfach Ja” - WELDON HENSON “Honky Tonk Frontier” - GREG TROOPER “Live At The Rock Room”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

THE PORTER DRAW “Sets” (Download only!)

(3,5****)

Het gaat er echt wel razend snel aan toe daar in het muzikale universum van The Porter Draw. Nauwelijks twee maanden na “More Trouble” presenteren de alternatieve countryrockers uit Albuquerque, New Mexico ons met “Sets” alweer een… euh,… nieuwe set. Ditmaal tot de nok toe gevuld met covers van eigen favorieten. En daarvan hadden er bij nader inzicht ook flink wat op onze persoonlijke voorkeurslijst gekund.

Afgetrapt wordt er met een geslaagde cover van Steve Earle’s “Copperhead Road”. Vervolgens gaat het via Jerry Reeds oorwurm “East Bound And Down” richting het je vast ook wel van Wilco’s “Summer Teeth”-album bekende “Via Chicago”, Ray Wylie Hubbards in bepaalde delen van de States zo goed als onsterfelijke “Redneck Mother”, Joe Ely’s al bijna even legendarische “Me And Billy The Kid” en Brandi Carlile’s “Hard Way Home”. Daarmee zitten we quasi halverwege “Sets”.

Verderop moeten onder meer ook nog het ons vooral in een uitvoering van Ricky Skaggs bekende “(Hallelujah) I’m Ready (To Go)”, Waylon Jennings’ classic “Good Hearted Woman”, J.D. Crowe’s “Old Home Place”, het bij Gillian Welch geleende “The Way It Goes” en Townes Van Zandts “White Freightliner Blues” eraan geloven. En dan hadden we het nog niet over hét klapstuk hier, een echt wel geweldige countryrockuitvoering van de Green Day-hit “When I Come Around”.

Gewoon een heel lekker plaatje, dit! Niks nieuws onder de Americana-zon, maar dat hoeft ook niet altijd…

The Porter Draw Bandcamp

 

KAURNA CRONIN “Glass Fool” (Songs & Whispers)

(3,5****)

“Glass Fool” wordt aangekondigd als het eigenlijke langspeeldebuut van de Australische zingende songsmid Kaurna Cronin. Eerder verschenen van de beste man immers enkel wat EP’s en singles, pas later verzameld op het naar zichzelf vernoemde “Kaurna Cronin”. We hebben het dan over het an sich ook best al wel aardige drieluik “Pistol Eyes”, “Feathers” en “Goodbye To You”.

Hier en nu willen we evenwel vooral focussen op ’s mans nieuwe worp. Die blijkt bij nader inzicht immers hoogst interessant. Je hebt er heus geen twee luisterbeurten voor nodig om er de vele voordelen van in te gaan zien. Cronin weet op zeer aantrekkelijke wijze elementen uit genres als folk, Americana, pop en rock met elkaar te versmelten. Veelal uitsluitend akoestisch, regelmatig ook met een indie-randje gebracht. Kortom deze Cronin is het soort van singer-songwriter dat vroeg op laat ook hier ten lande op de planken zou moeten kunnen belanden. Echt wel ideaal Radio 1-voer, als je het ons vraagt!

Enkele voorbeelden, wou je? Wel, er is om te beginnen al de catchy eerste single “Inside Your Town Is Inside Your Head”. Nerveus zomert het in dat met leuk koperwerk opgewaardeerd “popdondertje” al een beetje. Zalig liedje gewoon! En van dat soort staan er op “Glass Fool” wel meer. Zo noemen we bijvoorbeeld graag ook nog het ergens tussen Paul Simon, Owl City en Vampire Weekend strandende “The Kind Of Woman I Need”, het met een leuk streepje mondharmonica en een intrigerende tekst gezegende “Everybody’s Still Somebody’s Fool”, het zich sympathiek “oe-hoe-end” vrijwel meteen een permanent stekje tussen ‘s mens trommelvliezen verwervende “Still I Fall” en het bedaard twangende “Gone Is The Ever Unknown”.

Redelijk verslavend werkend spul eigenlijk. Je wordt er in elk geval zo goed als ogenblikkelijk happy van…

Kaurna Cronin

 

MANDOLIN ORANGE “Such Jubilee” (Yep Roc)

(4****)

“This Side Of Jordan”, het twee jaar geleden verschenen vorige album van het Amerikaanse duo Andrew Marlin en Emily Frantz, ook wel Mandolin Orange, bleek een echte voltreffer. De twee uit North Carolina wisten met die tweede cd zo ongeveer wereldwijd de aandacht op zich te vestigen. En dat terecht ook! Met hun aanstekelijke mengvorm van elementen uit genres als folk, country en bluegrass sloegen ze wat ons betreft immers spijkers met koppen. En een prominent stekje in het kielzog van onder anderen dat andere duo, Gillian Welch en David Rawlings, moest dan ook kunnen, vonden wij.

En dat vinden we nu nog steeds. En alleen nog maar meer eigenlijk. Want ook “Such Jubilee”, de nieuwe worp van het tweetal, is weer van een werkelijk ontwapenende schoonheid. Echt alles klopt eraan. Er zijn in de eerste plaats natuurlijk de weergaloze stemmen van Marlin en Frantz, die elkaar op zulke fraaie wijze aanvullen. En ook op hun instrumenten, respectievelijk akoestische gitaren, mandoline en fiddle, kunnen de twee naar ons gevoel amper iets verkeerd doen. Maar hét verkoopsargument nummer één blijven nach wie vor toch de fantastische liedjes van het duo. Vooral die niet zelden wat droefgeestig aandoende kleinoden zijn het, die het hem voor ons doen. Ze vertederen, maar zetten geregeld ook aan tot nadenken. En ook dat vinden wij alleen maar een pluspunt.

Neem nu zoiets als “Blue Ruin”. Hoe men daarin omspringt met de gevoelens opgeroepen door het in december 2012 door de 20-jarige Adam Lanza in de Sandy Hook Elementary School in Newtown, Connecticut aangerichte bloedbad spreekt tot de verbeelding. Een veel mooiere verklanking van de roep om een strengere wapenwetgeving in de States kunnen we ons eigenlijk amper voorstellen.

Andere absolute beauties hier: het voorzichtig de zomer al een weinig aankondigende bluegrasskleinood “Old Ties And Companions”, het onder meer door het prachtige harmonieerwerk erin opvallende “Little World” en de knappe ballads “Rounder” en “Of Which There Is No Like”.

In hun thuisland zal hier wellicht andermaal veelvuldig de uitdrukking “Highly recommended!” voor van stal worden gehaald. En daar kunnen ook wij ons best wel in vinden.

Mandolin Orange

 

ANNIE LOU “Tried And True” (Annie Lou Music)

(4,5*****)

Duizenden albums passeerden hier de voorbije jaren recensiegewijs al de revue. En ik lieg echt niet, als ik zeg, dat ik “Big Dream” en “Trouble”, twee liedjescollecties van de Canadese Anne Louise Genest tot het selecte clubje van de allermooisten daarvan reken. Ik maakte eerder toevallig kennis met haar muziek, toen Ctrl. Alt. Country nog in z’n kinderschoenen stond. En meteen was ik compleet weg van haar songs. Maar na die twee albums werd het plots heel stil rond Genest. Zo leek het althans. Tot ik er enkele jaren later al bijna even toevallig achter kwam, dat ze gewoon niet langer onder haar volledige naam opnam en optrad, maar onder de nieuwe vlag Annie Lou.

En daaronder verscheen zopas al haar derde cd. Na het naar zichzelf vernoemde “Annie Lou” uit 2009 en “Grandma’s Rules For Drinking” van drie jaar later is het nu de beurt aan het door Andrew Collins geproduceerde “Tried And True”. Opnieuw een overheerlijke collectie akoestische rootsmuziekdelicatessen, grotendeels van eigen makelij. Tien van de dertien liedjes schreef Genest immers zelf. De overige drie zijn respectievelijk het door producer Collins aangedragen en op fraai banjowerk van Genest zelve geënte “My Good Captain”, het aan de songcatalogus van de legendarische Hazel Dickens ontleende “It’s Hard To Tell The Singer From The Song” en een lentefrisse lezing van de traditional “Weary Prodigal”.

En met Hazel Dickens viel meteen ook al de naam van één van de artiesten, waarmee Genest regelmatig vergeleken wordt. Met die Dickens maar bijvoorbeeld ook met Kate en Anna McGarrigle, de Be Good Tanyas, Gillian Welch, Iris DeMent en Emmylou Harris. En dat zijn vergelijkingen die niet enkel kunnen tellen, maar wat mij betreft ook absoluut terecht zijn.

Genest betovert hier met een weergaloos amalgaam van old-time mountain music, traditionele country, bluegrass en de Appalachen-variant daarop. Muziek, waarin eenvoud nog volop regeert. Zowel wat betreft de instrumentale invulling van haar liedjes, als wat betreft het tekstuele aspect ervan houdt de Canadese het doorgaans simpel. Daarbij ondersteund door een bescheiden legertje aan uitermate vakbekwame landgenoten op onder meer akoestische gitaar, banjo, mandoline, fiddle, pedal steel, staande bas en drums buigt ze zich songgewijs over levens geleefd op de buiten in haar land.

Ingetogen schoonheden van songs als het titelnummer, het walsje “Roses Blooming” en het zachtjes swingende “Haunted” worden daarbij afgewisseld met wat uitgelatener spul als het door de fiddle van Trent freeman aangejaagde “In The Country”, het zonnige bluegrassriedeltje “Sally At The Crossroads” en het al even sprankelende “Envy Won’t Leave Me Be”.

Wat mij betreft opnieuw ontegensprekelijk een aanrader van formaat, deze nieuwe collectie van Genest. Het soort van plaat waarvan je eigenlijk nu al weet, dat je ze altijd zal blijven koesteren als iets heel dierbaars.

Annie Lou

 

GREAT LAKE SWIMMERS “A Forest Of Arms” (Nettwerk / V2)

(4****)

“A Forest Of Arms” is ondertussen al album nummer zes voor Tony Dekker en de zijnen. En ik moet eerlijk bekennen, dat ik het één van hun beste vind ook. Een heerlijk gevarieerd geheel alleszins. En een plaat die voorganger “New Wild Everywhere” eigenlijk zowat ogenblikkelijk doet vergeten.

Gelijk van bij het over een exotisch ritme gedrapeerde en met leuk kopergeschetter opgewaardeerde “Something Like A Storm” hadden Dekker en co me aandachtig bij de les. En daar zouden ze me vervolgens net geen eenenveertig minuten lang ook houden. Van het überhaupt wat ijl aandoende rootspopjuweeltje “Zero In The City” tot het ook al extreem catchy “Shaking All Over”, van het moody “Don’t Leave Me Hanging” over het soulvol rockende “One More Charge At The Red Cape”, het op zomers lijzige wijze aan een mens voorbij trekkende “I Was A Wayward Pastel Bay” en het mede door een banjobijdrage eraan wat meer folk(pop)georiënteerde “A Bird Flew Inside The House” tot het afsluitende “Expecting You”, van verveling was hier echt hoegenaamd geen moment sprake. Wel integendeel!

En “A Forest Of Arms” horen komt wat mij betreft dan ook bijna zeker overeen met “A Forest Of Arms” ook kopen! Probeer het maar eens, je zal wel zien…

Great Lake Swimmers

 

ELIZA CARTHY & TIM ERIKSEN “Bottle” (Navigator Records / Proper Music)

(3,5****)

“Bottle” is de titel van de hoogst intrigerende eerste samenwerking tussen Eliza Carthy en Tim Eriksen. Geen van beiden echt onbekenden meer hier natuurlijk. Zij goed voor een lekker potje hardcore Anglicana op z’n tijd, hij van zijn kant voor de Amerikaanse tegenhanger daarvan. En een heuse clash of cultures kondigde zich vooraf dan ook aan. Maar achteraf bekeken valt het allemaal nogal mee. Als er al één ding is dat “Bottle” ten volle aantoont, dan is het wel, dat de Britse en Amerikaanse folktradities elkaar zeer goed aanvullen kunnen.

Het album bruist als het ware van de passie en de energie. En long time friends Carthy en Eriksen vullen elkaar stemgewijs op zonderling mooie wijze aan. Net als de hier volop aanwezige elektrische gitaargeluiden en de aan meer traditionele instrumenten ontlokte klanken eigenlijk. Eriksens donkerbruine grom en Carthy’s vertrouwde engelenzang, ze lijken bij nader inzicht wel voor elkaar geboren.

Je gelooft ons niet? Luister dan bijvoorbeeld maar eens naar het door het duo in een soort van hanengevecht tussen elektrische gitaar en fiddle gedropte “Buffalo”, het mede door subliem snarenwerk ongemeen sfeervol uitpakkende “Logan’s Lament”, het wat traditioneler uitgewerkte “Castle By The Sea”, het volledig a capella gebrachte “May Song” en andere. Dertien songs lang zal je er echt niet omheen kunnen, dat de stemmen van onze twee protagonisten, hoe eigenaardig dat aanvankelijk misschien ook moge lijken, wel degelijk heel erg complementair zijn.

Een duootje van Britse folk en Americana, overgoten met een pittig punky sausje, het bleek een gerecht dat ons best wel wat sterren waard was.

Eliza Carthy, Tim Eriksen, Navigator Records

 

DANNY SCHMIDT “Owls” (Live Once Records)

(4****)

Een nieuwe plaat van Danny Schmidt is wat ons betreft altijd weer iets om naar uit te kijken. Dat was al zo bij elk van z’n zes voorgaande albums en dat is zeker ook weer het geval voor “Owls”, ’s mans eerdaags te verschijnen nieuwe worp. Naar onze bescheiden mening zonder meer één van z’n meest intrigerende so far.

Voor “Owls” ging de Texaanse songsmid in zee met de gerenommeerde David Goodrich. Onder de productionele auspiciën van die onder meer om z’n werk met Jeffrey Foucault, Peter Mulvey en Chris Smither geroemde veelkunner blikte hij z’n zevende in de Fire Station Studios in San Marcos live off the floor in. Mee van de partij waren daarbij verder ook Mike Meadows (drums en percussie), Andrew Pressman (bas), Lloyd Maines (steelgitaar), Keith Gary (piano) en wederhelft Carrie Elkin, Daniel Thomas Phipps en Ali Holder (harmony vocals). Zelf betokkelde Schmidt ook een gitaar en ook Goodrich deed hetzelfde als hij toevallig even niet achter de knoppen of de piano zat.

Het resultaat is een heerlijk organisch aandoend geheel, dat meteen opvalt door z’n wat moody aandoend karakter. Een geheel dat niet enkel liefhebbers van het materiaal van grootmeesters als een Leonard Cohen, een Bob Dylan, een Townes Van Zandt en een Dave Carter zou moeten kunnen aanspreken, maar ook die van “jonge helden” als een Josh Ritter en een Damien Rice. En met name dan de eerste van dat tweetal.

In veel van de liedjes op “Owls” draait het rond eigenheid. En rond transformatie ook wel. En dat vanuit een soort van alwetend of op z’n minst alziend perspectief. Dat van de uil op de achterzijde van het mooie digipack, waarin “Owls” aan de man wordt gebracht als het ware, die vanaf z’n eigen tak de wereld wijs overschouwt. Muzikale schattenjagers gezegend met het nodige geduld zullen er andermaal een flinke kluif aan hebben. Al zullen ze er wel hun tijd voor moeten nemen. Schmidts teksten hebben immers vaak iets bepaald esoterisch over zich. Ze geven lang niet al hun geheimen zomaar zonder slag of stoot prijs. En dan blijkt het wel handig, als je ze ook even mee kan lezen. Zelfs al moet je daarvoor dan wel kort ’s mans webstek bezoeken, want een booklet wordt wellicht om economische redenen niet met de cd meegeleverd.

Danny Schmidt

 

THE BOXMASTERS “Somewhere Down The Road” (101 Ranch Records)

(4,5*****)

Hier heb ik echt maar één woord voor: zalig! Een veel sterker staaltje van pretentieloos vermaak verwacht ik dit jaar echt niet meer tegen te komen.

Gelijk van bij de eerste tonen van openingsnummer “Sometimes There’s A Reason” was ik al verkocht. Wat rinkelen die gitaren weer lekker! En die stemmen ook! Wow! Het gruis van die van Billy Bob en daar dan die van de rest al harmoniërend overheen… Ik zei het al: zalig! En het goede nieuws is, dat Thornton en z’n maatjes Teddy Andreadis, J.D. Andrew en Brad Davis dat fantastische niveau hier en nu liefst twee cd’s lang weten vol te houden.

En dat in tegenstelling tot eerder nu ook uitsluitend met eigen nummers. Waren het op voorgangers “The Boxmasters” en “Modbilly” nog vooral hun even eigenzinnige als aanstekelijke covers van het materiaal van anderen die de aandacht trokken, dan trekken Bud Thornton en de zijnen hier op compositorisch vlak werkelijk alle registers open. Met tweeëntwintig knappe originele lappen “modbilly” tot gevolg. Rootsy pop en rock, rijk aan twang, duidelijk met een zekere hang naar het verleden. Klinkend als een Buck Owens of een Dwight Yoakam jammend met de Beatles en de Byrds.

Echt een dikke, dikke aanrader!

The Boxmasters

 

PHARIS & JASON ROMERO “A Wanderer I’ll Stay” (Borealis Records)

(5*****)

Wie het lange wachten op nieuw werk van Gillian Welch en David Rawlings maar niks vindt, zou zich bij wijze van verstrooiing het nieuwe album van de vanuit Horsefly, BC actieve tandem Pharis en Jason Romero eens moeten aanschaffen. Dat inmiddels al derde album van het duo biedt wat ons betreft immers een zo goed als zekere garantie op luisterplezier van de allerhoogste orde.

Net als op het in 2011 verschenen “A Passing Glimpse” en het van twee jaar later stammende “Long Gone Out West Blues” charmeren de twee daarop met een aan lang vervlogen tijden refererend geluid. Vroege country, old-time, blues en bluegrass zijn hun ding, zoveel is duidelijk. Maar net als Welch en Rawlings weten ook de Romero’s dat gegeven op onnavolgbare wijze naar het hier en nu te vertalen.

En als hun voornaamste troeven daarbij zouden we hier graag hun werkelijk vlekkeloze samenzang, hun ronduit geweldige liedjes en hun daar amper voor onderdoende snarenbijdragen willen naar voren schuiven. In een met David Travers-Smith gedeelde productie en met her en der een handje hulp van Josh Rabie (fiddle), John Hurd (bas), Marc Jenkins (pedal steel) en Brent Morton (drums) duwen de Romero’s hier twaalf nummers lang de deur naar de rootshemel op een kier.

Acht daarvan zijn eigen composities. We noemen in dat verband onder meer het op bedaarde wijze een rusteloos hart aan het woord latende titelnummer, het aan uitermate lentefris banjogetokkel opgehangen “Ballad Of Bill”, het werkelijk magistrale, door Pharis richting de sterren gecroonde “There’s No Companion”, het old-timey, z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “New Lonesome Blues” en het nagenoeg perfect daarbij aansluitende “Lonesome & I’m Going Back Home”.

Vreemde eenden in de bijt zijn de Charley Willis-compositie “Goodbye Old Paint”, het bij Billy Mayhew geleende en door Marc Jenkins op erg fraaie wijze op de pedal steel onderbouwde “It’s A Sin To Tell A Lie”, de zacht swingende Luke Jordan-cover “Cocaine Blues” en het afsluitende “The Dying Soldier” van Buell Kazee.

Hoe dan ook van het allermooiste dat 2015 tot op heden al te bieden had!

Pharis & Jason Romero, Borealis Records

 

DIVERSE ARTIESTEN “Folk Awards 2015” (Proper Music Distribution)

(4****)

‘t Is weer die tijd van het jaar! Vanavond (22 april) vindt in het Wales Millennium Centre in Cardiff voor de zestiende opeenvolgende keer de uitreiking van de prestigieuze BBC Radio 2 Folk Awards plaats. En naar goede gewoonte gaat die jaarlijkse hoogmis van het Britse folkgebeuren ook nu weer gepaard met een fraaie het gebeuren zo ongeveer perfect illustrerende compilatie.

Verspreid over twee schijfjes worden ons ruim zevenentwintig liedjes aangeboden. Het betreft daarbij voornamelijk sleutelnummers van de recente releases van flink wat voor een award genomineerden. Met voorop nogal wat eerder traditioneel opgevat spul van onder anderen mooie Cara Dillon (“Moorlough Mary” van haar knappe laatste cd “A Thousand Hearts”), Martin & Eliza Carthy, Greg Russell& Ciaran Algar, Cruinn (het etherische, werkelijk bloedmooie “Manus Mo Rùin”), The Furrow Collective en Stick In The Wheel. En vanzelfsprekend natuurlijk ook flink wat fraai verhalend liedgoed. In die context noemen we hier graag de bijdragen van nachtegaaltje Nancy Kerr, Peggy Seeger, Julie Fowlis, Naomi Bedford, Jez Lowe en The Young’uns.

Wie houdt van instrumentaal werk komt allicht volop aan z’n trekken bij de contributies van harmonicavirtuoos Will Pound en z’n band, Kathryn Tickell & The Side en de tandem Sam Sweeney & Rob Harbron. Hipsters zullen dan weer vooral opgetogen zijn om ook het duo Josienne Clark & Ben Walker, de Martin Green-Becky Unthank-samenwerking “I Saw The Dead”, de Welshe sensatie 9Bach en good old Loudon Wainwright III op de compilatie aan te treffen.

En ook de toekomst krijgt z’n stekje op het geheel. De vier laatste tracks van cd twee blijken immers gereserveerd voor genomineerden voor de 2015 BBC Radio 2 Young Folk Award. Het betreft daarbij uitsluitend artiesten tussen de zestien en de eenentwintig jaar oud, live vereeuwigd tijdens de jongste editie van het Young Folk Award Weekend. Schots erfgoed komt daarbij aan bod middels het opgewekte “Charlie/Waterfall” van Talisk, werkelijk heerlijk harmonieerwerk bij het naar eigen zeggen door acts als Fleet Foxes, The Staves en James Taylor beïnvloede trio Wildwood Kin en een fijne neus voor een al even fijn liedje bij supertalent Roseanne Reid. Liefhebbers van Americana zullen ten slotte wellicht vallen als een blok voor het met piekfijn banjowerk opgewaardeerde “Pretty Fair Maid In Her Garden” van het uit Reuben en Tabitha Agnew bestaande duo Cup O’Joe.

Folk leeft daar aan de andere kant van het Kanaal, zoveel blijkt hier andermaal weer eens duidelijk!

BBC Radio 2 Folk Awards 2015, Proper Music Distribution

 

KIMMIE RHODES “Cowgirl Boudoir” (Sunbird Records)

(3,5****)

In een poging om zelf met een omschrijving van het door haar op haar nieuwe album “Cowgirl Boudoir” gebodene op de proppen te komen sprak Kimmie Rhodes onlangs over “a retro-cowgirl-hippie-chick musical experiment”, over het schrijven en zingen van songs die traditionele countrygeluiden koppelen aan invloeden reikend van de jaren zestig tot ergens in de jaren tachtig.

Een opzet waarvoor ze uiteraard ook weer kon rekenen op de nodige hulp van Gabe. Die schreef aan flink wat van de liedjes mee, tekende voor de productie en bespeelde en passant ook nog tal van instrumenten, waaronder gitaren, elektrische sitar, mandoline, ukelele en keyboards. Een andere belangrijke betrokkene was Johnny Goudie. Ook hij schreef mee aan enkele songs. Eentje droeg hij zelfs zelf aan en zong het ook samen met Rhodes in. Openingsnummer “I Am Falling” meer bepaald. Daarnaast horen we hem ook terug in “Having You Around”. En dat niet enkel met een gezongen bijdrage, maar ook met wat kunstjes op piano en akoestische gitaar.

Anderen die Rhodes hielpen bij het realiseren van “Cowgirl Boudoir” waren onder meer Glen Fukunaga (bas), Dony Wynn (drums en percussie), Tommy Spurlock (steelgitaar en dobro), Stephano Intelisano (keyboards) en Jolie Goodnight (backing vocals). Met z’n allen zorgden zij voor een van zo goed als elke vorm van opwinding verstoken gebleven muzikale achtergrond, waartegen Rhodes naar goede gewoonte uitgebreid vocaal schitteren kan. Iets waaraan zelfs het gegeven dat haar stem met de jaren alsmaar kwetsbaarder geworden is amper iets veranderen kan. Wars van alle trends en modes doet de Texaanse hier voortdurend volslagen ongedwongen haar eigen ding. En ze maakt zo het soort van plaat die je eigenlijk alleen maar maken kan met voldoende levenskilometers op je teller.

Nogal wat ballades trekken op “Cowgirl Boudoir” aan je voorbij. Maar ook in midtempo kan er het één en ander. Soms al wat meer popgetint, zoals in het eveneens met Johnny Goudie vertolkte “Having You Around Me”, maar doorgaans toch vooral country of op z’n minst country-esk. Zachtjes twangend, swingend of walsend. Gefluisterd soms bijna.

Een heel mooi geheel!

Kimmie Rhodes        

 

TROUT STEAK REVIVAL “Brighter Every Day” (Trout Steak Revival)       

(4****)

Trout Steak Revival is een vijf man sterk eigentijds bluegrasscollectiefje actief vanuit Denver, Colorado. Het kwintet bestaande uit Steve Foltz (mandoline, gitaar en zang), Casey Houlihan (bas en zang), Travis McNamara (banjo, piano en zang), Bevin Foley (fiddle en zang) en Will Koster (gitaar, dobro en zang) is met het door Chris Pandolfi van The Infamous Stringdusters geproduceerde “Brighter Every Day” inmiddels al aan z’n derde cd toe. Eerder verschenen immers ook reeds hun titelloze debuutplaat (2010) en de opvolger daarvan, “Flight” (2012).

Na die tweede plaat ging het met de carrière van de groep alleen maar steil bergop. Met als voorlopige hoogtepunt ontegensprekelijk het winnen van de 2014 Telluride Bluegrass Festival Band Competition. Da’s immers een serieuze adelbrief, die men je nooit meer kan afnemen. Een adelbrief, waardoor zo menig een eerder gesloten gebleven deur plots wel voor je blijkt open te gaan. Onder meer ook die van Ctrl. Alt. Country…

En de vraag is maar, wie daar nu eigenlijk het gelukkigst om moet zijn, die van Trout Steak Revival dan wel wijzelf. Want – Om een lang verhaal meteen maar een flink stuk korter te maken! – “Brighter Every Day” is een ronduit heerlijk te noemen album. Werkelijk alles klopt eraan. Het songmateriaal is van een werkelijk uitzonderlijk hoog niveau, de zang, zowel de solopartijen als het harmonieerwerk, al evenzeer en dan hadden we het nog niet eens over het instrumentale aspect van het geheel. De vijf blijken stuk voor stuk echte kanjers op hun instrumenten, maar cijferen zich waar nodig graag even weg voor het te bereiken resultaat. En dat is wat ons betreft alleen maar lovenswaardig.

En wij zouden je dan ook durven aan te raden, om er vooral niet te lang mee te wachten om je net als ons te laten betoveren door dingen als het zomerse, door de banjo van McNamara op sleeptouw genomen “Union Pacific”, het al even sprankelende duo “Get A Fire Going” en “Oklahoma”, stralend titelnummer “Brighter Every Day”, de instrumental “Sierra Nevada” en andere. Je zal ons nog heel dankbaar gaan zijn voor die goede raad, geloof ons daarin vrij…

Trout Steak Revival, CD Baby

 

THE RUBBER KNIFE GANG “Broken Lines” (The Rubber Knife Gang)

(3,5****)

Het vanuit Cincinnati, Ohio al flink wat jaren aan de weg timmerende trio The Rubber Knife Gang is één van de vele acts die dit jaar tijdens het derde weekend van juni acte de présence zullen geven op het Muddy Roots Europe Festival in Oostkamp. En in afwachting van hun gig aldaar presenteren de drie ons nu bij wijze van voorsmaakje alvast hun nieuwe cd. Hun derde al, na het al in 2008 verschenen “A Rubber Knife Life” en het van zo’n jaar of vijf geleden daterende “Drivin’ On”.

En dat “Broken Lines” blijkt een prima plaat ergens in de schemerzone tussen (alt.-)country, folk, bluegrass, pop en rock. Een plaat, die we – aldus de heren zelf vooraf – graag mochten aanbevelen aan liefhebbers van het materiaal van acts als Old Crow Medicine Show, de Avett Brothers, de Punch Brothers, Trampled By The Turtles en Greensky Bluegrass. En daar valt nu, ondertussen toch alweer enkele luisterbeurten verder, best wel wat voor te zeggen ook. Net als genoemde acts springen immers ook Hank (Henry Becker – gitaar, banjo, bas en zang), Willy (Todd Wilson – mandoline, gitaar, ukelele en zang) en John (John Oaks – staande bas, gitaar en zang) bijzonder creatief met hun invloeden om. En net als hen lijken ze op de één of andere manier wel voorbestemd om vroeg of laat een wat groter publiek aan te gaan spreken. Iets wat wellicht in grote mate valt toe te schrijven aan hun alternatieve benaderingswijze van hun veelal traditionele invloeden.

In een productie van Robert Fugate dist het drietal hier een bijzonder smakelijk twaalfgangenmenu op. Een menu uitsluitend bestaande uit eigen nummers. Songs geënt op zich meteen knus tussen je oren nestelende melodieën. En bovendien blijken ook de teksten ervan meer dan alleen maar de moeite waard. En dat is uiteraard ook aardig meegenomen. Maar wat ons op de keper beschouwd het meest aansprak in het gros van de nummers van The Rubber Knife Gang, da’s toch de manier waarop ze bijna voortdurend balanceren op het slappe koord tussen de hoger al genoemde genres. Heerlijk gewoon!

“Broken Lines” bevat mede daardoor eigenlijk zo’n beetje voor elk wat wils. Het ene moment wordt er resoluut gemikt op dansgrage benen, het andere zet men je aan tot enkele tellen luidkeels meelallen of integendeel juist in alle stilte een eindje wegmijmeren. Enkele van onze lievelingsgangen: de door een hypernerveuze banjo op gang getrokken eerste single “Bringing The Rain”, het fris als een lentebriesje aan een mens voorbij trekkende “Siren Serenade”, het zich vervolgens als een zeer knappe rootspopdeun tout court aandienende “Draw The Line”, het ingetogen titelnummer en vooral ook “House On Fire”, waarin banjogewijs quasi en passant ook wat oriëntaalse muzikale elementen naar binnen worden gesmokkeld.

The Rubber Knife Gang

 

KEVIN DEAL “Nothing Left To Prove” (Kevin Deal)

(4****)

“Nothing Left To Prove” heet de nieuwe van Kevin Deal en zo is het wat ons betreft ook maar net. Tien albums diep in z’n carrière heeft de Texaanse songsmid hier inderdaad al lang niets meer te bewijzen. Platen als “Honky Tonks-N-Churches”, “Kiss On The Breeze”, “The Lawless”, “Roll” en “There Goes The Neighborhood”, om er maar enkele te noemen, zijn ten huize Ctrl. Alt. Country stuk voor stuk graag geziene gasten. En datzelfde lot lijkt in de nabije toekomst ook weggelegd voor ’s mans recentste worp.

Met z’n aangenaam gruizige stem en z’n vaardige pen uiteraard ook ditmaal weer als z’n voornaamste bondgenoten neemt Deal ons hier mee op een trip langsheen twaalf nieuwe songkostelijkheden. Ingetogen verhalend countryspul van het genre van het titelnummer, “On The Outside Looking In”, “Why Bad Things” en “Stand And Deliver”, maar evengoed wat uitgelatener materiaal. De countryrocker “Let Them Horses Run”, het hoogst aanstekelijke, en passant met flink wat Keltisch folkgevoel opgezadelde “The Irish Bands Are In America” en de catchy Tex-Mex-spielerei “Mucho Trabajo Y Poco Dinero” zijn daarvan uitstekende voorbeelden.

Zo klinkt voor ons de Lone Star State dus op z’n best!

Kevin Deal, CD Baby

 

ROCKY VOTOLATO “Hospital Handshakes” (Glitterhouse Records)

(4****)

“Hospital Handshakes”, Rocky Votolato’s eerste nieuwe plaat in drie jaar tijd, is er niet zomaar één. Z’n achtste markeert immers ’s mans glorieuze comeback na de wellicht donkerste periode uit z’n bestaan. Kort na het verschijnen van voorganger “Television Of Saints” was het fout met hem beginnen gaan. Z’n tot dan toe schier onuitputtelijk lijkende liedjesbron kwam plots volkomen droog te staan. Een extreem geval van writer’s block, zeg maar, van creatieve droogte. Zo erg, dat het zelfs pijn ging doen om überhaupt nog met muziek bezig te zijn. En een flinke depressie was dan ook het gevolg. Een depressie, die er onze man zelfs toe aanzette om de muziek volledig de rug toe te keren. Voorlopig tenminste, zoals in de zomer van 2014 blijken zou.

Votolato had tussentijds hulp gezocht en was langzaam weer uit het dal waarin hij zich bevond gekropen. De liedjes kwamen plots ook weer. En met hen laaide ook ’s mans passie voor muziek weer helemaal op. In nauwelijks drie maanden tijd schreef Votolato ruimschoots voldoende materiaal voor twee albums. Daarmee toog hij vervolgens richting The Hall of Justice in z’n thuishaven Seattle. Richting dezelfde studio dus, waar hij in 2003 met “Suicide Medicine” al één van z’n succesvolste platen had ingeblikt. En net als toen trok hij ook ditmaal weer de je wellicht ook van Death Cab For Cutie bekende Chris Walla als producer aan.

En die Walla kreeg een Votolato in topvorm te zien. Heel erg gefocust, gewapend met een collectie ijzersterke songs, waarin het verwerken van zijn eigen recente verleden het centrale thema bleek. Het verwerken van een trauma, het overwinnen van een depressie, het vinden van een echte zin in het leven, het zijn slechts enkele van de vele, behoorlijk zware aangekaarte thema’s op “Hospital Handshakes”, dat ondanks alles uiteindelijk toch een positieve indruk achterlaat. Votolato blijkt immers goed geplaatst om te beseffen, dat ergens aan de horizon uiteindelijk altijd wel een verlossend lichtje brandt. Je moet het alleen willen zien ook…

Bij het inblikken van “Hospital Handshakes” kreeg Votolato de nodige studiohulp van een behoorlijk indrukwekkende schare aan lokale muzikanten. Zijn je van The Blood Brothers bekende broer Cody sprong bij op elektrische gitaar en een enkele keer ook bas, Eric Corson van The Long Winters hanteerde diezelfde bas overal elders, Andy Lum van Craft Spells drumde, producer Walla leverde tal van toetsenbijdragen en zorgde voor wat soundscapes, Casey Foubert van Pedro The Lion kwam langs voor enkele interventies op tamboerijn, kick drum en elektrische gitaar en de ons voorheen volslagen onbekende Alexandra Niedzialkowski zorgde her en der voor wat backing vocals.

Het resultaat van dat alles is een lekker gevarieerd muzikaal geheel dat wat ons betreft zo langs het allerbeste van Votolato mag. Met quasi voortdurend als stralend middelpunt van de belangstelling zoals ook in het verleden altijd al ’s mans warme, van de passie overlopende stem. Werkelijk excellent in als eerder ingetogen te bestempelen stukken als openingsnummer “Boxcutter”, titeltrack “Hospital Handshakes” en het atmosferische “Sawdust & Shavings”, maar evengoed een te duchten wapen in wat meer op het element rock focussende tracks als “The Hereafter”, het hyperkinetische “White-Knuckles” en “Rumi”.

Een kingsize dosis indie folk rock van de bovenste plank is het logische gevolg. Materiaal dat je zonder ook maar de minste bedenking durft aan te bevelen aan fans van schoon volk als een Paul Westerberg – En bij uitbreiding natuurlijk ook The Replacements! – en een Ryan Adams. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Rocky Votolato, Glitterhouse Records

 

RANI ARBO & DAISY MAYHEM “Violets Are Blue” (Signature Sounds)

(4****)

Album nummer vijf toch ook alweer voor Rani Arbo en haar maats. En wat voor één! De vanuit New England actieve schone en haar string band vieren dit jaar hun vijftienjarig artiestenbestaan samen en dat zullen we geweten hebben ook. Dat ze tot de origineelsten in hun genre behoorden, dat wisten we natuurlijk al wel langer, maar hier doen ze er voor de gelegenheid toch nog een flinke schep bovenop!

Gelijk van bij openingsnummer “Heart Of The World” voel je als luisteraar al, dat Arbo ditmaal weer net dat ietsje meer haar best gedaan heeft. Echt een heerlijk liedje is dat! Het fundament ervoor vormt een zowel door de vermaarde Bo Diddley beat als door West-Afrikaanse muziekvormen beïnvloede drum groove. Aangevuld met uitermate subtiele bijdragen op gitaar en lap steel hét ideale muzikale decorum voor Arbo’s ontboezemingen over een liefde. De liefde, die in heel wat van haar verschijningsvormen überhaupt zowat de rode draad doorheen “Violets Are Blue” vormt. Wat aan bassist Andrew Kinsey met betrekking tot het gebrachte liedgoed alvast de ad rem-bedenking ontlokte, dat we hier te maken hebben met “suikervrije liefdesliedjes”. Zoet dus, maar niet té, he…

En met aan hoogtepunten wat ons betreft alvast allerminst een gebrek. Van het lentefrisse, met twangend gitaarwerk van Anand Nayak en een fijne mandolinebijdrage van Joe Walsh opgewaardeerde “Down By The Water” en het lijzige rootspopniemendalletje “Keep It In Mind” tot het ook al met een flinke knipoog richting pop aan de man gebrachte “Walk Around The Wheel”, het onder meer door Andrew Kinsey’s banjogepingel heel erg old-timey aandoende “You Should See Me Now” en het swingende, door prominente gast Dirk Powell accordeongewijs van een cajuntoets voorziene “Swing Me Down”, van de met een soort van rootsy soulgevoel besprenkelde versie van May Erlewine’s “I Love This City” en het daar perfect bij aansluitende desolate folky luisterliedje “Piece Of Land” tot het sexy “Over And Over”, het enigszins bedaard, maar o zo lekker swingende “I’m Satisfied With You”, het andermaal wat pop met z’n country vermengende “If I’m One” en het afsluitende “Sweet And The Bitter”, we vonden het eigenlijk gewoon allemaal even goed.

Warm aanbevolen derhalve dan ook, deze vijfde op het actief van Arbo en de haren.

Rani Arbo & Daisy Mayhem, Signature Sounds

 

THE WESTIES “West Side Stories” (Pauper Sky Records)

(5*****)

Succesauteur Stephen King noemde z’n landgenoot Michael McDermott ooit “één van de beste songschrijvers ter wereld en misschien zelfs wel het grootste onontdekt gebleven rock & roll-talent van de voorbije twintig jaar”. Welnu, ik moet zeggen, ik ben geneigd om de beste man daarin tot op zekere hoogte te volgen. Als ik het goed heb, dan is McDermott met het met The Westies gepresenteerde “West Side Stories” inmiddels al aan zijn tiende worp toe. En zo ongeveer alle schijfjes die daarvan bij me op de plank belandden zijn werkelijk uitstekend. Met name naar “Last Chance Lounge” uit 2000 en “Ashes” uit 2004 grijp ik regelmatig graag nog eens terug. En dat nieuwe “West Side Stories” mag je wat mij betreft gelijk al aan dat lijstje toevoegen. Dat is immers ontegensprekelijk ’s mans allerbeste plaat tout court. Nu al een klassieker! Van het allerbeste wat het tot nu toe nochtans bepaald niet bloedarme 2015 al voor ons in petto had!

In de schemerzone tussen Americana, folk en pop slaan McDermott en de zijnen hier tien songs lang spijkers met koppen. Op werkelijk ongemeen sfeervolle wijze klauwen ze daarin naar een van langsom lelijkere wereld. Verlies, verraad, het schier eindeloze gevecht tegen de spreekwoordelijke bierkaai, het zijn slechts enkele voorbeelden van daarbij terloops de revue passerende thema’s. Echt vrolijk word je er op de keper beschouwd dus niet echt van, maar dat hoeft natuurlijk ook niet…

Minstens even belangrijk als McDermotts poëtische beslommeringen is de verpakking waarin ze ons worden aangereikt. Dat de man een geweldige stem had, dat wisten we natuurlijk al wel een poosje, maar stralen zoals hier deed ze naar onze bescheiden mening eigenlijk nog nooit! En dat is allicht in niet geringe mate mee de verdienste van z’n hem vocaal buitengewoon fraai ondersteunende wederhelft Heather Horton (ook fiddle) en z’n begeleiders, The Westies. Lex Price (bas en elektrische gitaar in het nummer “Devil”), Joe Pisapia (elektrische gitaar), Ian Fitchuk (drums en piano), John Deaderick (piano), Fred Eltringham (drums in “Devil”) en Daniel Tashian (elektrische gitaar in “Devil”) zorgen immers voor een muzikaal decorum zoals McDermott zich dat allicht altijd al wel gedroomd had. Ongemeen sfeervol, bij momenten op het etherische af, alleszins beklijvender dan ooit.

Je gaat hierbij onwillekeurig denken aan groten der aarde als een Bruce Springsteen en een Elliott Murphy. En dat zou ik nu niet bepaald slecht nieuws durven te noemen. Als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan wordt McDermott dankzij deze plaat binnen afzienbare tijd een rijke mens. Het weze hem bij dezen van hieruit alvast van ganser harte gegund!

The Westies

 

ALICE DIMICELE “Swim” (Alice Otter Music)

(4****)

“Swim”, het ondertussen toch ook al dertiende album in eigen beheer van Alice DiMicele, zou je gemakshalve kunnen omschrijven als een soort van roots-totaalpakketje. Maar zelfs die an sich best al wel ruime vlag dekt de gehele lading dan nog niet. DiMicele gaat immers nog breder. In haar veelal met de termen groove folk en acoustic soul aangeduide muziek gaat de Amerikaanse hoegenaamd geen bron uit de weg. Folk, jazz, funk, Americana, rock, soul,… Je zegt het maar!

En dan helpt het natuurlijk wel een flink eind vooruit, als je over een stem zo machtig als die van DiMicele beschikt. Je weet wel, het soort van pipes, waarvoor geen rivier te diep, geen berg te hoog is… Huiveringwekkend goed gewoon! Eén enkele beluistering van “Swim” zal allicht wel volstaan om ons ogenblikkelijk in die stelling bij te treden.

Van het gospeleske “Soul Fly Free” en de ons een weinig aan Joni Mitchell in haar nadagen herinnerende jazzy herwerking van “If I Could Move The World” van eerder album “Naked” tot de zacht rockende Americana van “Open Road”, de aanstekelijke milieubewuste roots pop van “Old Life Back”, het uitermate fragiel gebrachte “Inside” en de met wat Tex-Mex-getoeter gekruide alternatieve country van “When Jane Rides Scout”, stuk voor stuk zijn het ijzersterke liedjes. Net als de resterende vier trouwens. Ook het van de ingehouden spanning levende groove folk-deuntje “Schoolhouse”, funky titelnummer “Swim”, de ballad “This Love” en DiMicele’s Grateful Dead-cover “Ripple” konden meteen op onze ongebreidelde sympathie rekenen.

Onder meer Bill Payne van Little Feat, Vince Herman van Leftover Salmon, Bonnie Paine en Daniel Rodriguez van Elephant Revival, toetsenist Skip Edwards, vioolvirtuoos Darrel Anger, snarenwonder Jeff Pevar en trompettist Mikey Stevens werkten aan het tot stand komen van “Swim” mee. Voor de uitermate geslaagde productie ervan tekende DiMicele zelf.

Alice DiMicele

 

THE BOOM BAND “The Boom Band” (Boom Recordings / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Coincidence is God’s way of being anonymous,” liet de Amerikaanse schrijfster Laura Pedersen zich ooit ontvallen en als ze met die uitspraak ook al is het maar een heel klein beetje gelijk heeft, dan lacht er momenteel ergens ver daarboven eentje al z’n tanden wagenwijd bloot. Een puur toeval was het immers, waaraan we de Britse blues-supergroep The Boom Band te verdanken hebben. De je onder meer van z’n bijdragen aan de Snowy White Blues Project en aan The Motives bekende gitarist Matt Taylor en z’n drummende collega Steve Rushton (Imelda May, Jeff Beck) doodden na een festival in Zwitserland samen wat tijd en spraken daar en toen af om eenmaal terug in hun thuisland samen een gelegenheidsgroep op te starten. Iets wat ze gelukkig voor ons niet vergaten! Want aangevuld met Jon Amor van The Hoax (gitaar en zang), jong talent Marcus Bonfanti (gitaar en zang), Mark Butcher (gitaar en zang), Paddy Milner (keyboards en zang) en Scott Wiber (bas) kwam er wel iets heel speciaals uit de bus! Een band, die überhaupt maar weinig gemeen heeft met andere bands…

Werkelijk iedereen eet hier bijna voortdurend z’n patatje mee! Zonder uitzondering alle betrokkenen dragen songs aan. Zowel Matt Taylor, Marcus Bonfanti, Marcus Butcher, Jon Amor, als Paddy Milner zingen lead. De eerste vier, die doen het bovendien ook nog eens alle vier prominent op gitaar. Klinkt zo op het eerste gehoor als nogal wat volk op een kluitje, niet? En dus was onze grootste vrees vooraf dan ook, dat we op den duur door de bomen – Lees: het oeverloze gesoleer! – het bos niet meer zouden gaan zien. Maar dat valt achteraf gezien echt reuze mee.

Op het titelloze debuut van The Boom Band regeert doorgaans immers het liedje. Niet wat alle bij het project betrokkenen in hun eentje kunnen is hier belangrijk, maar wel tot wat ze samen in staat zijn. En dat blijkt nogal wat. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het lome, het laatste woord van z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Favour Bank Shuffle”, het behoorlijk dirty uit de hoek komende bluesje “Diamonds In The Rust”, het over hoegenaamd z’n gehele lengte in de soul badende “Under The Skin”, de zalige bedaarde rootsy Bonfanti-Gilbert-compositie “When You Come Home”, de glorieuze Southern rocker “We Can Work Together” en de prachtige, door Jon Amor gezongen Ray LaMontagne-cover “You Can Bring Me Flowers”.

En met dat laatste liedje belandden we gelijk ook bij de aan de “Deluxe Edition” van het album toegevoegde bonus tracks. Vier in totaal. Allemaal akoestisch gebracht. Met als werktitel “The Boom Guitars”. Het betreft daarbij covers van de door het treintje Amor-Bonfanti-Butcher-Taylor van een nieuw arrangement voorziene traditional “Nobody’s Fault But Mine”, de hoger al vermelde LaMontagne-compositie en Steve Winwoods “Can’t Find My Way Home” en een werkelijk bloedmooie herwerking van het openingsnummer van de plaat, “We Can Work Together”.

Gaan we, als het God belieft, binnenkort op zo menig een zomerfestival nog het nodige plezier aan beleven, aan deze Boom Band! Op 2 mei aanstaande treden de heren alvast aan op Moulin Blues in het Nederlandse Ospel.

The Boom Band

 

THE WHIGS “Modern Creation” (New West Records / ADA Warner Music)

(4****)

Goed en wel een jaar geleden verscheen hij al in de States, deze “nieuwe” van The Whigs. En nu ziet die heerlijke schijf dus eindelijk ook hier officieel het daglicht. Waarom we er zo lang op hebben moeten wachten? Joost mag het weten, want dit is echt wel een heel dikke plaat. Rock & roll met een hoofdletter R. Live off the floor ingeblikt onder de hoede van de je wellicht ook van z’n werk met onder anderen Wilco, Tom Petty en Matthew Sweet bekende Jim Scott in diens PLYRZ Studio in Valencia, California. Gewoon lekker met z’n drieën samen in één enkele ruimte en proberen je live sound zo dicht mogelijk te benaderen, zoiets…

Met als resultaat een tot de rand toe gevulde trog krachtvoer voor rockgrage (feest)varkens als ondergetekende. Voor mensen die in de late sixties en vroege seventies graag wat Who en Stones voorgeschoteld kregen. Mensen, die goed en wel een decennium later bij wijze van verjongingskuur met veel plezier zo menig een punkwatertje doorzwommen. Die in de jaren tachtig aandachtig ronddwaalden doorheen de Paisley underground. Mensen, die ook de prille Kings Of Leon wel wisten te pruimen. Kortom: liefhebbers van een lillende lap niks ontziende rock& roll op z’n tijd. Van vanuit de één of andere garage lekker om zich heen schoppende herrie met aandacht voor het liedje. Voor hen is deze vijfde van The Whigs bestemd.

Wat ons betreft verplichte kost: het titelgewijs meteen zo’n beetje als een soort van leidmotief te beschouwen en ons heel erg aan de Replacements herinnerende rockopdondertje “You Should Be Able To Feel It”, het omineuze, door de donderende drums van Julian Dorio aangejaagde “Asking Strangers For Directions”, het rete-catchy, als het ware op z’n blote knieën om luid meebrullen smekende “Hit Me”, het middels messcherpe gitaaruithalen en een hyperkinetisch ritme elke mogelijke weerstand ook al ogenblikkelijk aan flarden rijtende “Friday Night”, het ondanks weer erg nadrukkelijk aanwezig snarenwerk toch aardig melodieus uit de hoek komende “She Is Everywhere” en de al was het ook maar enkele tellen lang rust predikende powerpop-oorwurm “Too Much In The Morning”.

Zoals hoger al even aangestipt: een dikke, dikke plaat! Een mens zou er verdomme zomaar bij vergeten, dat hij stilaan een dag ouder aan het worden is….

The Whigs, New West Records

 

NEW MADRID “Sunswimmer” (Normaltown Records / ADA Warner Music)

(2,5***)

New Madrid – Vooral niet te verwarren met de Britse New Madrids! – is een uit Phil McGill (zang en gitaar), Graham Powers (gitaren en zang), Ben Hackett (bas en zang) en Alex Woolley (drums en percussie) bestaand viertal uit Athens, GA dat met het zopas verschenen “Sunswimmer” ondertussen al aan z’n tweede cd toe is. “Yardboat”, het in 2012 in eigen beheer op de wereld losgelaten debuut van de heren, oogstte toen nogal wat lovende commentaren. Maar onze eerlijkheid gebiedt ons hier te bekennen, dat die plaat indertijd volledig aan onze aandacht ontsnapte. Wat we erover weten, is wat we er naar aanleiding van het verschijnen van deze tweede over lazen. En dat is bijvoorbeeld dat ze onder de hoede van David Barbe, je ook wel bekend van zijn werk voor onder anderen de Drive-By Truckers en Deerhunter, werd ingeblikt.

Geen wonder dan ook, dat we diens naam ook op deze nieuwe worp van de groep aantreffen. Een worp, waarmee de vier ongetwijfeld weer heel wat bijval zullen gaan oogsten. En met name in wat alternatiever ingestelde kringen dan. Wij kunnen het ons alvast heel goed voorstellen, dat men zich daar vingers en duimen zal gaan aflikken bij het geëxperimenteer van McGill en co. Hun doorgaans behoorlijk wazig aandoende soundscapes zijn als het ware gefundenes Fressen voor wie voortdurend op zoek is naar weer maar wat nieuws. En al zeker als wat (ellenlange) psychedelische spielereien daarbij moeten kunnen.

Zelf zijn we hier niet echt kapot van. Maar ja, underwater-psych-rock behoort hier dan ook niet meteen tot wat je noemt de dagelijkse kost…

New Madrid

 

DIVERSE ARTIESTEN “Stockfisch Records, Closer To The Music, Volume 5” (Stockfisch Records)

(3***)

Label samplers… Eigenlijk waren het ooit vooral handige dingen voor radiojongens. Niks was immers zo gemakkelijk als lekker veel muziek op één enkel schijfje. En van allemaal verschillende artiesten dan nog…

Maar ja, de tijden veranderen. En dat doen ze nog elke dag wat sneller, zo lijkt het wel. En die radiojongens? Die gaan natuurlijk ook met hun tijd mee en doen dezer dagen zo ongeveer alles digitaal. En dus is het stellen van de nodige vragen bij een label sampler als het onderwerp van deze bespreking allicht gerechtvaardigd. Je kan je bijvoorbeeld afvragen, wat men er precies mee wil bereiken. Wij zouden het alvast niet weten… Wil men er ons nieuwe producten mee leren kennen, zei u? Nu ja, daar bestaan tegenwoordig toch wel andere middelen voor, niet? Daar hoeven we ons heus geen label samplers meer voor aan te schaffen… Een bescheiden dagelijks ommetje op het internet volstaat daartoe ruimschoots. Waarom dus nog verzamelaars à la deze? U mag het ons altijd even komen uitleggen…

Maar goed, we willen hier ook niet al té negatief gaan doen, he. Op “Closer To The Music Volume 5” van het onvolprezen Duitse Stockfisch Records blijkt er bij nader inzicht immers nogal wat goede muziek voorhanden. Materiaal, dat veelal thuis blijkt te horen onder de ruime hoofdingen singer-songwriter en folk. Veelal, maar niet uitsluitend. De laatste drie tracks bijvoorbeeld mogen rustig in het bakje met klassieke muziek. We hebben het dan over de bijdragen van het La Folia Barockorchester (“Vivaldi – L’inverno – Largo”), The Spirit Of Gambo (“The Silver Swan”) en de Chinese zangeres Song Zuying (“A Riverside Town”).

Verder vooral veel spul van onlangs door Stockfisch Records op de wereld losgelaten albums en ook enkele deuntjes van binnenkort nog bij het label te verschijnen platen. Tot de eerste categorie behoren songs van Allan Taylor, Steve Strauss, The Greater Good, David Roth, Brooke Miller, Paul Stephenson, Carl & Parissa, David Munyon, Paul O’Brien en Ranagri. Tot de voor muzikale ontdekkingsreizigers beduidend interessantere tweede liedgoed van de intrigerende Noorse Kerstin Blodig (“Fause Fause” van het op stapel staande “Out Of The Woods”), de gerenommeerde Carrie Newcomer (“Sparrow” van haar titelloze volgende), gitaarvirtuoos Don Ross (“Simple Thought” van “Black Chandelier”) en good old Tony – “Is this the way to Amarillo?” – Christie, die samen met de muzikanten van Ranagri voorwaar een heel album met traditionele Ierse songs vulde (“Carrickfergus” van “Ranagri Feat. Tony Christie”).

Kortom: een plaat vol fijne luistermuziekskes, vooral interessant voor mensen met een schrijnend gebrek aan zoektijd die nog niet echt veel materiaal van “huis van vertrouwen” Stockfisch Records op de plank hebben staan. En uiteraard ook nu weer aangeboden in het van de Duitsers bekende en geliefde hybrid-super-audio-cd-formaat.

Stockfisch Records

 

MARLA BLUMENBLATT “Sag Einfach Ja” (AdP Records / AL!VE)

(2,5***)

Met haar vorige langspeler, haar werkelijk grandioze debuutplaat “Immer die Boys”, wist de in Wenen als kind van Macedonische ouders opgegroeide Marla Blumenblatt ons met één enkele, op de keper beschouwd veel te breed ingezette tackle genadeloos te vloeren. Heerlijk gewoon, hoe ze op dat album de late jaren vijftig naar het hier en nu wist te vertalen. En in het Duits dan nog! Als een soort van eigentijdse uitvoering van legendarische fatale madammen als een Caterina Valente, een Connie Francis en een Wanda Jackson gaf ze quasi terloops aan het begrip vintage een totaal eigen draai mee. Met veelal rete-catchy liedjes als “Cornetto”, “Gartenpavillion”, “Lichter von Berlin”, “Gängsterbraut”, “Gefühle zeigen ist nicht sexy”, “Verliebt aber allein”, titelnummer “Immer die Boys”, “Was kann ich dafür” en nog een handvol andere had ze er hier al na één enkele luisterbeurt een fan voor het leven bij. Dachten we…

Maar nu, kort na het ontvangen van haar nieuwe worp “Sag einfach ja”, zien we ons verplicht die mening toch een weinig te nuanceren. De vijf nummers daarop breken immers behoorlijk radicaal met wat Blumenblatt op haar eersteling deed. Hier lijkt plots alles in het teken te staan van een frontale aanval op liefst zoveel mogelijk hitlijsten tegelijk. Gelijk van bij het an sich best wel aanstekelijke titelnummer wordt je als luisteraar duidelijk gemaakt, dat je met je verwachtingen naar aanleiding van “Immer die Boys” op je honger zal gaan blijven zitten. Dat door aardig repetitief blaaswerk aangejaagde niemendalletje lonkt immers al behoorlijk nadrukkelijk richting dance charts. En dat blijkt later al evenzeer het geval voor het met elementen ontleend aan respectievelijk hip-hop en R&B stoeiende tweetal “Alles für den guten Swag” en “Großstadtcowboys”. Voor dat laatste kwam zelfs Deutsch-Rapper Eko Fresh even voorbij.

“Mein Ding” sluit op zijn beurt dan weer wel een beetje aan bij Blumenblatts recente verleden. Da’s namelijk een lekker (hitgevoelig) rockertje, waarin het retro-element nog niet helemaal naar de achtergrond verdrongen werd. En dat kan aanvankelijk met ongeveer evenveel recht worden gezegd over het afsluitende “Hast du heute schon getanzt”. Maar de sympathiek ten dans uitnodigende surfgitaarklanken van de eerste paar tellen daarvan worden mede onder invloed van de inbreng van rapper Olexesh al snel tot een figurantenrol in alweer een R&B-deuntje veroordeeld. Jammer…

Nu gunnen wij schone Blumenblatt van ganser harte het nodige succes, maar als het niet meteen zou lukken… Bij een nieuwe schijf à la “Immer die Boys” staan we graag terug op de eerste rij!

Marla Blumenblatt

 

WELDON HENSON “Honky Tonk Frontier” (Hillbilly Renegade Records)

(4****)            

Ruim vier jaar na “One Heart’s Gone” mogen we eindelijk weer eens nieuw plaatwerk begroeten van neo-traditionalist Weldon Henson. De sympathieke Texaan met de lekker warme baritonstem schrijft met het toepasselijk getitelde “Honky Tonk Frontier” schijnbaar onvermoeibaar verder aan z’n eigen al in 2008 met “Tryin’ To Get By” aangevatte en de volgende jaren met “Trouble For Me” (2009) en het al genoemde “One Heart’s Gone” (2011) verder uitgediepte succesverhaal. Met tien nieuwe songs van eigen hand en een cover van Don Singletons “Hey, Bottle Of Whiskey” geeft hij er ons alvast weer aardig wat redenen bij om hem stevig aan de borst te drukken.

In een met de gerenommeerde tandem Tommy Detamore en Ricky Davis gedeelde productie en met de nodige studio-hand-en-spandiensten van diezelfde Davis op pedal steel en dobro, Trey Kincade op bas, Ronnie Huckaby op piano en Eric C. Hughes op drums presenteert Henson hier een set die al het in het verleden al over hem geschreven goede alleen maar bevestigt. De man bewijst elf nummers lang niet enkel over een heerlijke countrystem te beschikken maar bovendien en vooral ook een fijn deuntje in de vingers te hebben en een aardig eindje op zowel akoestische als elektrische gitaren uit de voeten te kunnen. Nogal wat typische traditionele onderwerpen komen daarbij tekstueel aan bod. Met voorop natuurlijk de nodige drank en hartzeer. Zoals in het in het verleden ook al door Gary Stewart getackelde “Hey, Bottle Of Whiskey”, het binnenkort wellicht sierlijk over zo menig een plaatselijke hardhouten dansvloer heen swingende “I Need Wine” en de twangy rocker “Heartache Game”. Met liedjes van dat kaliber zou Weldon Henson zich spelenderwijze een plaatsje tussen het materiaal van knapen als een Dale Watson, een Dwight Yoakam, een Kevin Fowler en een Alan Jackson in je collectie moeten kunnen verwerven.

Van het ook al van een veelzeggende titel voorziene “Honky Tonk Feels Right” en het eerder bedaard aan de man gebrachte “Looking For My Break” tot de door Ricky Davis in steelklanken ondergedompelde tragen “Not A Home” en “The Score”, het toepasselijkerwijze met z’n vrouw Brooklyn gedeelde swingertje “Hey Baby, Can You Help Me”, de knappe countryrockers “Trying To Pretend” en “That Look” en het gelijk door z’n uitermate positieve ingesteldheid opvallende “Just Believe”, ruim achtendertig minuten lang serveert Henson hier wat wij feel good country zouden willen noemen. Muziek, waarbij we de komende weken, maanden, jaren nog regelmatig graag een flesje zullen kraken…

Weldon Henson

 

GREG TROOPER “Live At The Rock Room” (52 Shakes Records / Lucky Dice Music)

(4****)

Precies op tijd om de honger naar het bijwonen van één van de optredens van z’n op stapel staande tournee doorheen de Lage Landen nog wat aan te scherpen pakt de Amerikaanse singer-songwriter Greg Trooper uit met een nieuwe live-cd. “Live At The Rock Room” is al de derde in het rijtje. Eerder verblijdde de beste man ons immers ook al met het tweetal “Between A House And A Hard Place, Live At Pine Hill Farm” (2002) en “The BackShop Live” (2006). Gelukkige bezitters van op z’n minst één van die twee albums of zij die al wel eens een gig van Trooper meepikten kennen hem niet enkel als een begenadigd zanger en dito songsmid maar ook en vooral als een rasentertainer. Als iemand die z’n publiek ook tussen z’n liedjes door weet te boeien.

En dat brengt ons meteen bij één van de pluspunten van ’s mans nieuwe worp: met name het feit dat men ook een aantal van die intro’s tot z’n liedjes voor het eindproduct weerhouden heeft. Ze geven het geheel alleen nog maar meer kleur. Voor zover nog nodig natuurlijk! Want het songmateriaal van “Live At The Rock Room” alleen al zou eigenlijk ruimschoots moeten volstaan. De nadruk van de set ligt uiteraard op liedjes van Troopers twee laatste platen “Upside-Down Town” en “Incident On Willow Street”. Van de eerste van dat tweetal dist hij en passant het lichtjes fantastische “They Call Me Hank”, “Might Be A Train” en “We’ve Still Got Time” op. Van de tweede met “All The Way To Amsterdam”, “Good Luck Heart”, “Mary Of The Scots In Queens”, “Everything’s A Miracle”, “The Land Of No Forgiveness”, “One Honest Man” en “Amelia” liefst zeven eenheden. Van eerdere platen als “Floating” en “Make It Through This World” krijgen we daarnaast de “klassiekertjes” “Inisheer”, “This I’d Do” en “Don’t Let It Go To Waste” en als kers op de taart is er ook nog één volslagen nieuw nummer. Dat is de verstilde parel “Broken Man”, de pakkende verklanking van het verborgen verdriet van een man op jaren.

Bij het vertolken van al dat moois kon Trooper daar in het verre Austin terugvallen op de muzikale kunstjes van secondanten Chip Dolan en Jack Saunders. Dolan deed het op accordeon en keyboard, Saunders van zijn kant op contrabas en beiden zongen ze her en der ook een mondje mee. En dat leidt tot bij momenten ronduit verbluffend mooie resultaten. Trooper klinkt hier eigenlijk gewoon soulvoller dan ooit! En dat wil al iets zeggen, als je weet dat zelfs een collega als Steve Earle zich ooit liet ontvallen ’s mans stem al een poosje te begeren…

Greg Trooper, Lucky Dice Music

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home