CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES MEI 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

MOUNTAIN HEART “Blue Skies” - SLOBBERBONE “Bees And Seas: The Best Of Slobberbone” - HACKENSAW BOYS “Charismo” - WILLIE NILE “World War Willie” - KRISTOFER ÅSTRÖM “Pipe Dream EP” - ERIC BIBB AND NORTH COUNTRY FAR WITH DANNY THOMPSON “The Happiest Man In The World” - BILLY SHADDOX “I Melt, I Howl” - THE MYSTIX “The Mystix Live: Rhythm And Roots” - BLIND LEMON PLEDGE “Pledge Drive” - THE CHAPIN SISTERS “Today’s Not Yesterday” - JUNE STAR “Pull Awake” - THE RIFTERS “The Architecture Of A Fire” - KEEGAN MCINROE “Uncouth Pilgrims” - BEN KUNDER “Golden” - TEDDY THOMPSON & KELLY JONES “Little Windows” - EVA ALMAGOR “Against The Grain” - COURTNEY YASMINEH “Red Letter Day Unplugged” - THE VOODOO FIX “In Deep”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

MOUNTAIN HEART “Blue Skies” (Compass Records)

(4****)

“Blue Skies”, z’n eerste nieuwe studioplaat in vijf jaar tijd, blikte het Amerikaanse bluegrasscollectiefje Mountain Heart in een zo goed als volledige vernieuwde groepsbezetting in. Van de vertrouwde gezichten bleven enkel Josh Shilling (lead & harmony vocals, akoestische gitaren, piano, Hammond B3 en tamboerijn) en Aaron Ramsey (mandoline, upright bass, lead & harmony vocals) over. De overige drie namen zijn nieuw: Seth Taylor (akoestische gitaren, banjo, cajon en backing vocals), Jeff Partin (Resophonic, lap steel, upright bass en harmony vocals) en Molly Cherryholmes (violen en harmony vocals).

Gebleven is echter de open geest van de groep. Een puristische bluegrassbenadering is ook het nieuwe vijftal absoluut vreemd. En “Blue Skies” krijgt daardoor meer het cachet van een eclectisch roots-totaalpakketje dan wat anders. Met een wat ons betreft overduidelijke hang naar Southern rock en Americana in opener “Blue Skies”, met zelfs wat blues en soul in de aderen bij “Miss Me When I’m Gone”, met een knipoog richting folk-rock in de even zwierige als geslaagde Dylan-cover “Maggie’s Farm”, met verantwoorde eigentijdse country genre “No One To Listen”, met (op z’n minst gevoelsmatig) gekruid met een flinke snuif R&B in het groovy “She’ll Come Back To Me” en het speelse, bij Ronnie Bowman, Chris Stapleton en James Stewart geleende “I Can’t Get Over You”, met natuurlijk ook wervelende bluegrass op nu-maat zoals in eerste single “Addicted” en het daarop aansluitende “The Bad Grounds”, met behoorlijk straffe verhalende Americana in “Have You Heard About The Old Hometown”, ja, zelfs met een nadrukkelijk op hitparadekansen mikkende poppy pianoballade in de vorm van het afsluitende “Hurting”.

Voor de productie van “Blue Skies” stond de groep samen met Eric Wilson zelf in. Op de gastenlijst verder slechts één naam: die van Jim Vancleve meer bepaald, die bijdragen leverde op viool, mandoline en als backing vocalist.

Mountain Heart, Compass Records

 

SLOBBERBONE “Bees And Seas: The Best Of Slobberbone” (New West Records / PIAS)

(5*****)

Neil Young liet zich ooit over Nils Lofgren ontvallen, dat die laatste gewoon te goed was om echt succesvol te kunnen zijn. En aan die uitspraak moesten wij hier toch wel even denken, toen we de carrière-retrospectieve “Bees And Seas: The Best Of Slobberbone” voor de kiezen kregen. Ook Brent Best en de zijnen kregen vanuit commercieel oogpunt immers nooit echt waar ze eigenlijk wel volop recht op hadden. Het beste van de vier uit Denton, Texas bleek niet goed genoeg voor een goedgevulde portefeuille. Lovende kritieken werkelijk à volonté en een behoorlijk devote fanschare ook wel, maar de echt grote commerciële successen bleven toch een beetje achterwege.

Iets waaraan nu met “Bees And Seas” vooralsnog zou kunnen worden verholpen. Dat album biedt het beste van de vier tussen 1996 en 2002 verschenen platen van Brent Best (zang, harmonica, gitaren, baritongitaar, mandoline en orgel), Jess Barr (gitaar), Brian Lane (bas en orgel) en Tony Harper (drums en percussie). Van debuut “Crow Pot Pie”, opvolger “Barrel Chested”, fantastische nummer drie “Everything You Thought Was Right Was Wrong Today” en zwanenzang “Slippage” dus. Wat ons betreft goed voor een achttien tracks lang durend muzikaal orgasme. Een adrenalineopstoot van formaat, gekneld ergens tussen punk, grunge, roots rock en alternatieve country. Gekenmerkt door de energie, de ruwheid ook van de eerste drie genres en met vooral tekstgewijs zo menig een brug richting het laatste. Al zijn er zeker ook muzikaal meer dan voldoende uitstapjes in die richting, hoor.

Van maiden release “Crow Pot Pie” krijgen we respectievelijk “Whiskey Glass Eye”, “I Can Tell Your Love Is Waning”, “Little Sister” en “Tilt-A-Whirl” opgedist, van “Barrel Chested” liefst zes nummers, inclusief het titelnummer, “Engine Joe”, “Front Porch”, “Little Drunk Fists”, “Your Excuse” en “Haze Of Drink”, van “Everything You Thought Was Right Was Wrong Today” het zestal “Placemat Blues”, “Trust Jesus”, “Gimme Back My Dog”, “Lazy Guy”, “Lumberlung” en “Pinball Song” en van het indertijd door velen zwaar onderschatte “Slippage” ten slotte “Springfield, IL” en “Sweetness, That’s Your Cue”.

Liner notes zijn er van de zich nadrukkelijk als fan outende Patterson Hood van geestesverwante act Drive-By Truckers, voor fraai artwork tekende op zijn beurt dan weer Will Johnson van Centro-Matic. Twee leuke extraatjes voor een geschiedenisles die je absoluut niet wil missen.

Slobberbone

 

HACKENSAW BOYS “Charismo” (Free Dirt Records / Music & Words)

(4****)

Na de beide, EP-gewijs aangeboden volumes van “The Old Sound Of Music” en de live-albums “For The Love Of A Friend” en “Live ‘Til The Sweet By And By” is het met “Charismo” eindelijk weer eens tijd voor een volwaardige nieuwe Hackensaw Boys-langspeler. Daarvoor trokken David Sickmen en de zijnen ditmaal naar of all places New York, alwaar ze in het gezelschap van de gerenommeerde Larry Campbell een flink aantal verse songs inblikten.

Het uit die sessies resulterende “Charismo” wordt al bij al eerder relaxed ingezet met “Don’t Bet Against Me”. Rustige old-time storytelling bluegrass is dat, nog eerder traditioneel van opzet. Gelijk vanaf track twee, het wervelende “By And By”, belanden we echter al terug op vertrouwder Hackensaw Boys-terrein. Dat van de lekker rammelende grass met punky attitude met name. En track drie, “Content Not Seeking Thrills (Ain’t You?)”, gaat zelfs nog wat verder. Voor het beschrijven daarvan zijn termen als hypernerveus en vingervlug alweer absoluut noodzakelijk.

Met dat drietal is in grote lijnen meteen ook al de toon voor de rest van “Charismo” gezet. High energy stuff à la “Limousin Lady” en “Ol’ Nick” wordt er immers op afgewisseld met wat voor de Hackensaw Boys eerder atypische kalme dingen zoals het ons op de één of andere manier wel wat aan de Pogues – En hun “Dirty Old Town” dan met name! – herinnerende “The Sweet” en de lounge grass van “Happy For Us In The Dawn”. Tussen die beide polen in is er voorts ook nog plaats voor tempogewijs wat op twee gedachten hinkende songs genre “Flora”, “Wolves Howling”, “You Want Me To Change” en “Worlds Upside Down”.

“Charismo” is wat ons betreft zonder meer de meest toegankelijke plaat van de Hackensaw Boys tot op heden. Benieuwd of ze er in termen van erkenning ook nieuwe deuren mee zullen kunnen openen. Het zou eigenlijk wel mogen…

Hackensaw Boys

 

WILLIE NILE “World War Willie” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Het hoesje van z’n nieuwe langspeler “World War Willie” toont good old Willie Nile gitaar in aanslag voor een foto van het tijdens de Tweede Wereldoorlog gebombardeerde Dresden. Een buitengewoon fascinerend tafereel, aldus de beste man daarover zelf, omdat het wel heel erg veel verraadt over het menselijke ras als dusdanig. We moeten met z’n allen toch tot veel beter in staat zijn dan dat, niet? Met behulp van een lekkere pot rock & roll bijvoorbeeld. Daarin schuilt voor Nile immers een verlossende kracht. Iets wat alvast aan zijn wereld zin geeft.

“Er is momenteel heel wat aan de hand in deze wereld,” stelt Nile eerder nuchter vast, “zowel in goede als in kwade zin en daartussen – en dit album probeert, om zich daarmee bezig te houden.” Wat er concreet op neerkomt, dat we als luisteraars een net geen achtenveertig minuten bestrijkende portie vintage Nile voor de kiezen krijgen. Van opener “Forever Wild”, een catchy Springsteenesk rockend saluut aan het rock & roll-genre, over het hymnische, nadrukkelijk naar gebruik in grote stadions lonkende en en passant tot meer eenheid oproepende “Let’s All Come Together” en het grappige, zich wervelend over zijn eigen passie buigende “Grandpa Rocks” tot de fraaie ingetogen ballad “Runaway Girl”, van het kreunend onder een ironische lading voorbij gerockt komende titelnummer via het bluesy ADHD’ertje “Bad Boy” en het als bezeten met zijn kettingen rammelende “Hell Yeah” tot “Beautiful You”, nog zo’n mooie ballade, van “When Levon Sings”, een geweldig (folkrock)eerbetoon aan het adres van wijlen Band-maestro Levon Helm, langs stringente story-song “Trouble Down In Diamond Town” en het opnieuw aardig bluesy uitgevallen “Citibank Nile” tot afsluiter “Sweet Jane”, een tip of the hat aan het adres van één van z’n eigen bewonderaars, Lou Reed zaliger, in totaal twaalf songs hier bij iedere nieuwe beluistering weer goed voor evenveel goedkeurende knikjes.

Noem “World War Willie” dus gerust maar een bevestiging van wat we met z’n allen eigenlijk al wel langer wisten dan vandaag, namelijk dat Willie Nile als songsmid momenteel tot de absolute wereldtop behoort. En dat gegeven gekoppeld aan gedreven performances zoals we die hier echt voortdurend voorgeschoteld krijgen, blijkt niks minder dan een garantie voor een dijk van een plaat. Nile’s zoveelste al…

Willie Nile, Blue Rose Records

 

KRISTOFER ÅSTRÖM “Pipe Dream EP” (Startracks)

(4****)

Van de Zweed Kristofer Åström verscheen begin dit jaar al de erg knappe cd “The Story Of A Heart’s Decay”. De aan dat album voorafgaande sessies blijken nu echter nog meer pareltjes te hebben opgeleverd dan alleen maar tien nummers daarop. Anders kan je de vier bijkomende deunen op de EP “Pipe Dream” ons inziens anders omschrijven. Een EP, die nu, na een aanvankelijke gelimiteerde run van 500 exemplaren op vinyl, overigens ook gewoon als cd verkrijgbaar is.

Afgetrapt wordt er met het titelnummer. Een over een soort van verkapt Cash-motiefje gedrapeerde meditatie over het eigen leven, waaraan het voorgaande album bij nader inzien z’n titel blijkt te hebben ontleend. Vervolgens zijn er de op ingehouden wijze onterechte beschuldigende vingertjes terechtwijzende rootsy rocker “Stupidity” en het breekbare streepje Scandicana-melancholie “Solid Ground”. Vierde en laatste halte tenslotte is het daar perfect bij aansluitende “Stay Down”, nog zo’n ingetogen beauty.

Het soort van item waarmee Åström op Record Store Day veel mensen gelukkig had kunnen maken.

Kristofer Åström

 

ERIC BIBB AND NORTH COUNTRY FAR WITH DANNY THOMPSON “The Happiest Man In The World” (DixieFrog / Bertus)

(4****)

Wat heeft deze man al een schat aan fraai materiaal op z’n actief staan! En je mag hem wat ons betreft dan ook zonder meer één van de allerbeste akoestische blues performers van de voorbije paar decennia noemen, deze Eric Bibb. Met elke nieuwe release weet hij ons diep te raken. En dus ook met “The Happiest Man In The World” weer.

Dat Bibb graag mag samenwerken met gelijkgestemde geesten, dat wisten we al wel langer. Denk maar aan z’n nog redelijk vers in het geheugen zittende albums “Brothers In Bamako”, “Blues People” en “Lead Belly’s Gold”. Daarop deed hij mooie dingen met respectievelijk Habib Koité, de Blind Boys Of Alabama, Ruthie Foster, Leyla McCalla, Popa Chubby, Harrison Kennedy, Guy Davis en J.J. Milteau. En ook ditmaal weer wist de beste man zich echt uitstekend te omringen. Met kennissen uit z’n Finse periode als de broers Janne (drums en percussie) en Olli  (dobro, pedal steel, Weissenborn- en Martin-gitaren) Haavisto en hun maatje Petri Haakala (mandoline, mandola, fiddle en gitaar), met wie hij in het verleden als Eric Bibb & North Country Far ook al wat gigs verzorgde, en vooral ook met de legendarische bassist Danny Thompson, bekend van z’n werk bij en voor onder meer Pentangle, Donovan, Alexis Korner en John Martyn. En met verder onder meer ook nog van de partij Michael Jerome Browne (slide- & 12-snarige gitaren), Mary Murphy (Irish whistle), Pepe Åhlqvist (harmonica) en Ulrika Pontén Bibb (backing vocals).

Het resultaat van hun in de zomer van vorig jaar verspreid over enkele dagen in een studio in de buurt van het Engelse Norwich ingeblikte samenwerking is ruim tweeënvijftig minuten bluesgoed van de bovenste plank. Heerlijk relaxed neergelegd, met de zalige goudbruine stem van Bibb zelve uiteraard weer bijna voortdurend in het middelpunt van de belangstelling. Bijna voortdurend, want met “1912 Skiing Disaster” en het folky “Blueberry Boy” telt het album ook twee instrumentals. (Drie eigenlijk, als we de hidden bonus track helemaal aan het eind van het geheel meetellen!)

Afgesloten wordt “The Happiest Man In The World” met het misschien wel opvallendste nummer van allemaal. Het betreft daarbij immers een heerlijk groovy versie van de Kinks-hit “You Really Got Me”. Geloof ons vrij: zó hoorde u dit nummer nog nooit! Die Ray Davies-pennenvrucht is overigens maar één van in totaal twee covers hier. De andere is een ook al heel erg mooie versie van de traditional “Tell Ol’ Bill”. Eén van de vele nummers hier waarin de scheidingslijn tussen blues en Americana nog maar heel dun blijkt.

Het ideale antidotum eigenlijk voor een al lang niet meer altijd even vriendelijk leven van alledag. Balsem voor de ziel!

Eric Bibb

 

BILLY SHADDOX “I Melt, I Howl” (Folkwise)

(4****)

Van deze Billy Shaddox verschenen voorheen al twee albums. Het momenteel enkel als download verkrijgbare “Mellow Me” uit 2003 was een verzameling liedjes geschreven tijdens een trektocht doorheen het zuidelijke deel van Nieuw-Zeeland. “Golden Fate” van vier jaar geleden bestempelde de beste man zelf als “a collection of songs written per a period of time when love was discovered, children were born, mountains were climbed, rivers were waded, friendships were forged, and roads were traveled.” En voor de volledigheid dienen we hier eigenlijk ook nog een in het voorjaar van 2013 verschenen en met Kara Tauchman gedeelde EP te vermelden.

De dezer dagen vanuit Boulder, Colrado actieve Shaddox mag zichzelf niet graag onder de noemer folk onderverdeeld weten. Daarvoor is hij gewoon door teveel dingen beïnvloed, vindt hij. Zelf heeft hij het inzake zijn creaties liever over Cosmic American Music. Maar dat zien wij dan weer niet echt zitten. Onze gedachten dwaalden bij het voor het eerst beluisteren van zijn nieuwe langspeler “I Melt, I Howl” bijna voortdurend af richting het werk van collega’s als een Josh Rouse, een Josh Ritter, een Robby Hecht en aanverwanten. Richting mensen die zeker niet vies zijn van wat popgevoel op z’n tijd met andere woorden. En dus was de keuze voor Sam Kassirer, bekend van zijn werk met onder anderen die Josh Ritter, Lake Street Dive en ook Langhorne Slim, eigenlijk niet eens zo’n slechte zet.

Gelijk van bij het zomerse, wat ons betreft volkomen terecht als openingsnummer weerhouden titelnummer zitten we goed. Shaddox’ vrijwel onmiddellijk heel erg vertrouwd aandoende zang, extreem catchy gitaarlijntjes en een wolk van een melodie doen het hem daarvoor helemaal. En met het al even sprankelende “My Hands Don’t Lie” wordt ook onmiddellijk voor opvolging gezorgd. Opnieuw een erg straf liedje! “Feels Like Home”, de nummer drie op de playlist tapt vervolgens uit een ander vaatje. Noem dat maar country rock California style. En opnieuw een nummer gezegend met een dijk van een melodie!

En het lijkt maar niet op te willen houden! Ook het al bij al wat melancholischer ingevulde “Fireflies”, het springerige rootspopdeuntje “I Believe” en de innemende ballad “Story Of You And I” blijken immers zonder uitzondering prima songs. En dan is er plots “Telescope”. Da’s even verschieten. Daarin vlamt Shaddox immers enkele tellen lang in wat je met wat goede wil power-popmodus zou kunnen noemen. En dat breekt eigenlijk best wel wat met wat eraan voorafgaat. Al is het zeker geen kwaad liedje. Integendeel zelfs!

Stompertje “Golden Coast”, het sprankelende, naar ons gevoel zelfs met wat Motown gekruide “Leaves In Autumn”, het akoestische kleinood “Who You Were” en de best wel wat richting het vroegwerk van Neil Young lonkende folkrocker “Not Easy Anymore” ronden een tot dan toe sowieso al erg geslaagd geheel ook nog eens heel fraai af.

Wat ons betreft zonder meer één van de aangenamere verrassingen van 2016 so far.

Billy Shaddox, Bandcamp

 

THE MYSTIX “The Mystix Live: Rhythm And Roots” (Mystix Eyes)

(4****)

U heeft het vast ook al wel eens meegemaakt. Puur toevallig beland je op een optreden van een je voorheen totaal onbekende act en die blijkt dan zó goed, dat je in het naar huis gaan nog snel even langs de tafel móet. De tafel, u weet wel, het standje waar je het anders niet altijd even gemakkelijk verkrijgbare plaatwerk van de artiest in kwestie zomaar voor het oprapen vindt. En als aandenken gaat er dan iets mee naar huis, waar je naderhand nog vele uren puur luisterplezier aan beleeft.

Dat soort van plaat is “The Mystix Live: Rhythm And Roots”. De samenvatting van een geslaagd avondje rootsvertier in het gezelschap van een aantal van de beste muzikanten op dat vlak uit Boston en verre omstreken. We hebben het dan over Jo Lily (zang en gitaar), Bobby Keyes (gitaar), Marty Richards (drums), Jesse Williams (bas en zang), Annie Raines (harmonica, orgel, mandoline en zang) en Matt Leavenworth (fiddle). En voor een echt onwaarschijnlijk innemende vertolking van Bob Dylans “To Ramona” ook nog Dennis McDermott (drums) en Tom West (accordeon).

Na vijf studioplaten vonden Lily en co dat het hoog tijd was voor een liveplaat. En geef ze na het beluisteren van dit lekkere ding verdorie maar eens ongelijk! Een waar genot voor de zinnen is het om de grofgevooisde Lily en de zijnen zich een weg doorheen dingen als de traditional “Long John”, Steve Earle’s “You’re The Best Lover That I Ever Had”, Dylans “To Ramona”, Jimmy Reeds “Things Ain’t What They Used To Be”, Stephen Fosters “Hard Times”, Carl Perkins’ “Boppin’ The Blues”, John Lee Hookers “Whiskey And Wimmen”, “Cry Cry Cry” van Johnny Cash en andere te horen banen. Allemaal covers dan? We horen het u al denken. Neen. Dat niet. Véél covers, dat wel, maar ook een aantal daar perfect bij aansluitende eigen nummers van de hand van kopstuk Lily. We droppen hier in dat verband graag even de titels van originele klapstukken als “Midnight In Mississippi”, het fraaie titelnummer van hun laatste studioplaat, “Blue Morning”, “A Lifetime Worth Of Blues” en “Hi-Line”.

Uitgangspunt voor heel wat van de liedjes van The Mystix vormt het akoestische countrybluesgenre. Zich daartoe beperken doen ze hier echter zeker niet. Maar dat had u na de hoger opgesomde reeks titels vast ook zelf al wel begrepen. Country, Americana, folk, blues, R&B, roots rock, rock and roll, you name it, they’ll play it. En hoe! Moet je wel van houden, van dit door zo menig een Amerikaanse vakbroeder prompt tot roots-supergroep gebombardeerde collectiefje. Wij zijn alvast hooked, nu u nog!

The Mystix, CD Baby

 

BLIND LEMON PLEDGE “Pledge Drive” (OFEH Records)

(4****)

Variatie, dat is ook op de opvolger van het knappe “Evangeline” weer het sleutelwoord voor James “Blind Lemon Pledge” Byfield. Net als op die plaat toont de beste man zich ook hier weer allesbehalve stijlvast. Zonder dat het ook maar ergens storend wordt fietst hij vaardig heen en weer tussen een ware veelheid aan rootsmuziekstijlen en varianten daarop.

“Run John Run” klinkt zo als een meer swampy benadering van Bo Diddley, “Moon Madness” blijkt een sneaky late night achterbuurtenbluesje, “Nag Nag Nag” hamert er pianogewijs wat meer R&B in, de ballad “Cora Lee” baadt zonder ook maar de minste gêne volop in de soul, “Birmingham Walk” is net als “Brimstone Joe” op ’s mans vorige een fijn streepje “N’awlins Noise” en “5 Weeks Of Heaven” rootsrockt er net geen vier minuten lang heerlijk op los.

De tweede helft van “Pledge Drive” wordt vervolgens ingezet met het heel erg straffe “She Broke The Ten Commandments”, dat op een onbewaakt moment een nog open gebleven stoeltje tussen roots, blues en rock wist binnen te doen. Aansluitend daarop zijn er de jazzy rootsy (pop)schuifelaar “You Can’t Get There From Here”, de nijdige slide rocker “O Katrina”, het zelfs titelgewijs al maar bitter weinig meer aan de verbeelding overlatende “You Know You Really Got The Blues”, het daar nerveus hikkend eigenlijk gewoon perfect bij aansluitende “Kokomo” en het afsluitende “Railroad Mama”, een ronduit zalig stampertje in onvervalste jug band style.

Samengevat: opnieuw een bijzonder lekkere plaat, deze vijfde van Byfield. Doe er vooral je voordeel mee!

Blind Lemon Pledge

 

THE CHAPIN SISTERS “Today’s Not Yesterday” (Lake Bottom Records)

(3,5****)

We zien het steeds vaker gebeuren. Albums die in de States al ettelijke maanden uit zijn en die dan plots toch ook een Europese release krijgen. En dat om lang niet altijd voor de hand liggende redenen. Om samen te vallen met een tournee alhier, akkoord, daarin volgen we nog wel. Maar zomaar out of the blue? Ik weet het niet, hoor…

Neem nu de laatste van de onvolprezen Chapin Sisters. Verscheen in Amerika al op 23 oktober van vorig jaar. En nu, bijna een half jaar later, dus ook hier. Zonder op stapel staande optredens. Zonder enige andere aanwijsbare reden. Want een echt verkoopssucces kan je de in een nadrukkelijk naar de Byrds classic “Sweetheart Of The Rodeo” verwijzend hoesje gestoken opvolger van “A Date With The Everly Brothers” van een jaar of drie geleden nu ook niet echt noemen. Een lekker plaatje, dat wel. En misschien moet dat als reden alleen ook maar volstaan. (Maar toch…)

Voor het inblikken van dat “Today’s Not Yesterday” togen zussen Abigail en Lily Chapin ditmaal richting Jonathan Wilsons Fivestar Studios in Los Angeles. Daar vereeuwigden ze samen met coproducers Dan Horne, bekend van zijn werk met onder meer Conor Oberst, Allah-Las en Jonathan Wilson, en Jesse Lee, een twaalftal nieuwe eigen liedjes. Iets wat ondertussen toch ook alweer vijf jaar geleden was. Van hun naar de veelzeggende titel “Two” luisterende tweede langspeler meer bepaald.

Zelf tekenden de zussen naar goede gewoonte voor werkelijk oorstrelend mooie zangpartijen en wat akoestisch gitaarwerk. Horn en Lee deden het op respectievelijk bas en pedal steel en drums. En voor wat bijkomende accentjes werden onder anderen ook nog Jessica Craven (zang in “We Will Not Stop”), Luke Paquin en Omar Velasco (beiden elektrische gitaar), Lee Pardini (piano, orgel en synths) en Bobby Rodriguez (Rhodes) ingehuurd. Met z’n allen zorgden zij ervoor dat achter het fraaie harmonieerwerk van de Chapins ook een uitermate innemend muzikaal decorum kwam te zitten. Een heel erg seventies aandoend decorum. Men denke daarbij met name aan de soft rock van Fleetwood Mac. Zo ongeveer ten tijde van hun megaseller “Rumours”.

Een typische California vibe worden we terloops ook gewaar. Alsof je op een zacht briesje wordt meegenomen, zoiets. The Mamas & The Papas konden dat indertijd ook zo goed. Al heeft wat de Chapins hier doen muzikaal gezien dan ook niet zo heel erg veel te maken met hun oeuvre. Hier is het met name bedaarde (folk)rock en -pop die regeert. Ook gedragen door elkaar op hemelse wijze aanvullende stemmen uiteraard.

Onze luistertips: het net als het seizoen uit de titel ervan een gevoel van weemoed en voornamelijk sepiatinten evocerende “Autumn”, de ingetogen countryrockers “Angeleno” en “Sleep In”, de catchy poppy spring-in-‘t-veld “Getaway”, het op een bepaald uitnodigende golf van pedal-steelklanken surfende “Love Come Back” en vooral ook de prachtige ballad “Waiting”, met opnieuw dat aparte “hazy shade of was het nu autumn of winter”-gevoel over zich.

The Chapin Sisters

 

JUNE STAR “Pull Awake” (June Star)

(4****)

Een nieuw album van June Star, da’s altijd weer goed nieuws. Het vanuit Westminster, Maryland al zo’n achttien jaar lang voor top-Americana en roots rock garant staande viermanschap ontgoochelde ons immers nog nooit. En dat doet het ook nu weer niet, op z’n inmiddels toch ook alweer tiende langspeler. De opvolger van “Kill The Lights” van een jaar of twee geleden is gewoon opnieuw een heel erg sterke plaat geworden.

Elf nummers lang vintage June Star eigenlijk. Met de heerlijk hoekige baritonstem van Andrew Grimm uiteraard als vanouds up front and center. En met diezelfde Grimm bij momenten ook weer machtig aan de slag op respectievelijk elektrische en akoestische gitaren en banjo. En natuurlijk ook weer met de zalig jammerende pedal steel van David Hadley. Die drie factoren zijn nach wie vor redelijk bepalend voor het geluid van June Star. Zonder met die uitspraak afbreuk te willen doen aan de bijdragen van multi-instrumentalist Andy Bopp (backing vocals, elektrische gitaren, keyboards en percussie) en drummer Kurt Celtnieks overigens.

Enkele van de topmomenten op “Pull Awake”: de op de keper beschouwd even aanstekelijk als bevreemdend werkende alternatieve country van “Walk Away”, de knappe, een weinig meer rockgeoriënteerde Americana-sleper “Tether”, het catchy, ons best wel wat aan Tom Petty in betere Heartbreakers-tijden herinnerende rootsrockertje “Feathers”, de ronduit heerlijke valse trage “Proof” en het afsluitende “The King Is Dead”, een echte wolk van een ballad met de pedal steel van David Hadley quasi voortdurend mee in één van de hoofdrollen.

June Star

 

THE RIFTERS “The Architecture Of A Fire” (Howlin’ Dog Records)

(3,5****)

“Driving blue-grama-grass to ethereal desert beauty. All throughout the southwest.” Met die woorden word je op de webstek van de Rifters geïntroduceerd tot het muzikale universum van de drie heren. Een omschrijving, die, zo leert een vluchtige studie van hun vierde langspeler “The Architecture Of A Fire” al snel, echt wel steek houdt. Don Richmond, Rod Taylor en Jim Bradley tonen zich daarop twaalf originals lang kanjers in het Americana-vak. Echte meesters op tal van instrumenten, maar vooral ook wat betreft hun (samen)zang.

Het eerste nummer blijkt meteen ook het titelnummer van de plaat. Een erg mooie, wat moody uit de hoek komende, mijmerende Americana campfire song. “A Hundred Miles” is op zijn beurt bedaarde banjogestuurde C&W. En “In A Land Where The Wild Birds Sing” zouden we durven te omschrijven als werkelijk bloedmooie slow Americana, met Don Richmonds dobrokunstjes als bijzonder fraai surplus.

“I Got News For You” en “Charlie’s Lament” presenteren The Rifters bluegrass style, “Life Up To Now” is een met name door de puntgave samenzang van de heren erin opvallende rootsy ballad, “John Lebleu’s Ghost Dance Medicine Shirt” focust op ingetogen old-time country storytelling en “Beautiful World” valt op door een jazzy ondertoontje en vooral ook oorstrelend gitaarwerk.

Op “A Good Problem To Have” mag dan weer het label opgewekte fiddle driven country, “Cadillac Song” sluit qua invulling eerder aan bij het hoger al vermelde “A Hundred Miles” en “The Horizon Line” is opnieuw een fijn streepje atmosferische mijmer-Americana à la het titelnummer.

Hét allermooiste liedje op “The Architecture Of A Fire” vonden wij op de keper beschouwd “I Can Live With That”. Met name door Richmonds fiddle-bijdrage eraan kreeg dat een zekere gypsy jazz feel mee. En ook de erin verkondigde boodschap sprak ons wel aan. De spons over in het verleden gemaakte fouten. Maak gewoon het beste van nu, want “(you) can’t live the past, only today.” Hadden we zelf niet mooier kunnen verzinnen.

Eerder verschenen van deze Rifters ook al de albums “The Rifters” (2004), “The Great River” (2011) en “Live At The Sagebrush” (2013).

The Rifters, CD Baby

 

KEEGAN MCINROE “Uncouth Pilgrims” (Keegan McInroe)

(3,5****)

Het fijne aan vrijwel dagelijks over muziekjes schrijven is, dat er je met enige regelmaat ook prima dingen worden aangeboden, die anders gegarandeerd onder je radar doorgevlogen zouden zijn. Dat brengt natuurlijk ook een heleboel extra werk met zich mee, maar dat nemen we er graag bij. Zeker als het blijkt te gaan om dingen als “Uncouth Pilgrims”, de nieuwe van de Texaanse songsmid Keegan McInroe. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op de dag van vandaag nog niet van die man gehoord had. En het verbaasde me dan ook flink om te lezen, dat hij met “Uncouth Pilgrims” al aan zijn vierde soloplaat toe is. En dat hij eerder ook al zes jaar lang deel uitmaakte van Catfish Whiskey.

“Uncouth Pilgrims” blijkt bij nader inzicht een conceptplaat. Voor de titel ervan liet McInroe z’n oog vallen op enkele woorden ontleend aan Mark Twains travelogue “The Innocents Abroad”. Waren de pelgrims van Twain daarin echter religieus van aard, dan zijn die van onze man vooral romantisch van inborst. Zij het bij momenten dan ook eerder onbehouwen. De liefde in al haar facetten als onderliggend thema voor de veertien songs hier dus. En dat in een al bij al ook lekker wijd gehouden Americana-context. Ruwweg te situeren ergens tussen country, folk en blues. Met nu eens de nadruk wat meer op het ene, dan weer wat meer op het andere. En met soms ook wel eens even een ander accentje ertussendoor, zoals bijvoorbeeld in het over een verkapt reggaeritme neergelegde “I Got Trouble” of in het echt wel vervaarlijk richting bluesrock overhellende titelnummer. Dingen als dat tweetal blijven echter al bij al eerder uitzonderingen op de regel.

Ruim veertien nummers lang grossiert McInroe in wat wij zouden willen omschrijven als rustiek vakwerk. In liedjes met hun roots nog nadrukkelijk in lang vervlogen tijden. In tijden toen alles nog zoveel eenvoudiger was of op z’n minst leek.’s Mans voornaamste bondgenoot is daarbij ongetwijfeld zijn krachtige rauw-hees-tedere stem. Al dient zeker ook de rol van zijn begeleiders niet te worden onderschat. Met name Roger Ray (pedal steel en dobro), Darrin Kobetich (mandoline), Sam Smith (fiddle), Ginny Mac (accordeon) en Gary Grammer (harmonica) mogen hier ook even mee in het zonnetje.

“Uncouth Pilgrims” zouden we zonder daarover al te lang te moeten nadenken durven aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een Slaid Cleaves, een Rod Picott, een Jeff Talmadge, een Ray Wylie Hubbard en een Darrell Scott.

Keegan McInroe

 

BEN KUNDER “Golden” (Ben Kunder)

(3,5****)

“Golden”, de binnenkort ook hier officieel te verschijnen debuutplaat van de Canadese singer-songwriter Ben Kunder, is er wat ons betreft meteen eentje om te hebben en van te houden. Kunder nam het album op in een met John Dinsmore van NQ Arbuckle gedeelde productie en mocht tijdens het inblikken ervan een beroep doen op muzikanten die hun sporen onder meer al bij Dustin Bentall, Danko Jones, Cowboy Junkies, Daniel Romano en Ladies Of The Canyon verdienden.

Wat je als luisteraar bij een eerste beluistering van “Golden” al meteen opvalt, is de ongelooflijke warmte die er van het geheel afstraalt. Niet enkel van de wat speciale (hoge) stem van Kunder zelf, maar ook van de liedjes, van de instrumentale invulling daarvan, van de uiteindelijke afwerking. “Golden” is af, zoveel moge bij dezen al wel duidelijk zijn. En knap, dat het daarbij dan ook nog eens om negen eigen nummers blijkt te gaan. Lekker gevarieerd spul bovendien ook.

Openingsnummer “Travelling” is zo een heerlijk soulvolle zachte rootsrocker, “Love On The Run” een country folk ballad van het genre dat je bijvoorbeeld ook wel van een Neil Young verwachten zou en het met Maia Davies van Ladies Of The Canyon gedeelde titelnummer een streepje fraaie mid-seventies roots pop. Naast “Half Moon” en “Trailhead” mag o.i. dan weer de omschrijving (Springsteen-eske) Heartland rock en “Bags And Barrels” en “Love And Motion” vallen voor ons beide onder het label ingetogen folkspul Canadiana style. En dan is er nog het afsluitende tweetal. Het met de ons voorheen onbekende Kirty gebrachte “Don’t Dance” is een ingetogen akoestisch folkbluesniemendalletje. En slotnummer “Against All Odds” heeft gelukkig niets met de gelijknamige (melige) Phil Collins slow te maken, maar blijkt andermaal een fraai staaltje aan weelderige roots pop.

Een bijzonder fijne binnenkomer zonder meer, dit “Golden”!

Ben Kunder

 

TEDDY THOMPSON & KELLY JONES “Little Windows” (Cooking Vinyl)

(4****)

Teddy Thompson, zoals ondertussen allicht genoegzaam bekend de enige zoon van iconisch ex-folkrockechtpaar Richard en Linda Thompson, en de jonge Amerikaanse chanteuse Kelly Jones sloegen voor “Little Windows” voor het eerst de handen in elkaar. Het resultaat is een werkelijk adembenemend mooie verzameling duetten, waarin het tweetal ongegeneerd terugharkt naar lang vervlogen rock & roll- & countrytijden. Geïnspireerd vooral door Buddy Holly en de Everly Brothers. En als die laatste klinken ze eigenlijk ook wel een beetje. Mochten Don en Phil in plaats van broers broer en zus van elkaar geweest zijn, dan was het er waarschijnlijk boenk op.

Thompson en Jones zongen voor het eerst samen in 2011. Tijdens een optreden in de Club Largo in Los Angeles brachten ze toen samen een liedje van wijlen George Jones. En dat smaakte eigenlijk voor beide partijen onmiddellijk naar meer. Meteen het begin van een muzikale LAT-relatie. Met Thompson in NYC en Jones in LA en een heleboel moderne communicatiemiddelen daartussen om coast to coast tot nieuwe liedjes te kunnen komen.

En tien daarvan belandden uiteindelijk op “Little Windows”. Te beginnen met het onmiddellijk zwaar Everly-esk aandoende “Never Knew You Loved Me Too” en het met een bescheiden, maar wel bijzonder lekkere prise rock & roll gekruide “Make A Wish On Me”. Vervolgens gaat het via de zalig gecroonde sleper “Better At Lying” over het catchy meezingertje “Wondering” richting de mooie ballads “I Thought That We Said Goodbye” en “Don’t Remind Me”, met dat laatste als een soort van kruising tussen iets van Santo & Johnny en iets van de Everlys. Ronduit zalig gewoon!

Met het lentefrisse “As You Were” mag het tempo vervolgens een klein beetje naar omhoog, maar dat is maar voor heel even, want met de duidelijk op een R&B-leest geschoeide schuifelaar “Only Fooling” wordt die versnelling meteen weer in de kiem gesmoord. “You Can’t Call Me Baby” rockt vervolgens op z’n Buddy Holly’s opnieuw sympathiek een aardig eindje weg. En dan is er nog de afsluiter. Dat is de hertenbreker “You Took My Future”, opnieuw een plakker van formaat. Meer tranen dan bier nog, zeg maar.

Voor ons hoeft het echt niet bij deze ene samenwerking te blijven, hoor! Van werkelijk hemels harmonieerwerk als dit zullen we immers nooit genoeg krijgen.

Teddy Thompson, Kelly Jones

 

EVA ALMAGOR “Against The Grain” (Eva Almagor)

(4****)

Over echte supertalenten gesproken, wel, dit is er dus nog eens ééntje. En we hoeven er niet eens ver de deur voor uit. Eva Almagor is immers een jonge Nederlandse, afkomstig meer bepaald uit Nijmegen. En van daar uit dropte ze onlangs haar debuutplaat “Against The Grain”, een door onze landgenoot Werner Pensaert geproduceerde collectie eigen liedjes. Twaalf stuks in totaal. En die hebben het werkelijk zonder uitzondering in zich.

Het eerste wat je gelijk bij een eerste beluistering al opvalt is de geweldige stem van Almagor. Die is voor haar leeftijd echt al wel ongemeen soulvol. Te situeren ergens tussen Shelby Lynne, Dusty Springfield, Susan Tedeschi en Mathilde Santing in, zeg maar. Kan al tellen als referentie, niet?

En het wordt allemaal alleen nog maar beter! De liedjes van Almagor blijken immers óók uitzonderlijk sterk. Heerlijk soulvolle dingen als “Mistakes”, “Tease Me”, “Leave You”, “Good Hands” en andere maakten ons op slag razend nieuwsgierig naar de platencollectie van de youngster. Het zou ons alvast niet verbazen, mochten er daarin flink wat Southern soul classics huizen. En op haar eigen webstek spreekt Almagor bovendien over helden als de hoger ook al even genoemde Susan Tedeschi, Bonnie Raitt, Jason Isbell en Ray LaMontagne. Ook verre van kwaad gezelschap natuurlijk.

Bij nader inzicht blijkt “Against The Grain” een heerlijk gevarieerde rootsplaat met aan soul absoluut geen gebrek. En met zo nu en dan een bescheiden uitstapje richting wat meer bluesy uitvallende wateren ook. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag de over een bijzonder lekker stuitergitaartje weghikkende eerste single “While We’re Waiting”

Andere hoogtepunten hier: het dromerige “By Surprise”, de prachtballad “Try”, het werkelijk van de zuiderse energie bruisende “Pictures” en het ons, om onszelf niet meteen duidelijke redenen, een beetje aan Bobbie Gentry herinnerende “Lasts Not Burns”.

Wat een talent! Als ze krijgt wat haar toekomt, dan wordt deze Almagor een hele grote!

(P.s.: Een complimentje voor haar begeleiders en voor producer Pensaert trouwens ook, ook zij leverden immers uitstekend werk. Van internationale klasse!)

Eva Almagor

 

COURTNEY YASMINEH “Red Letter Day Unplugged” (Stupid Bitch Records)

(2,5***)

Als Courtney Yasmineh in de titel van haar nieuwe worp aangeeft dat het gaat om “Red Letter Day Unplugged” dan is dat niet gelogen. Het gaat hier immers daadwerkelijk om vijf nummers van haar twee jaar geleden boven de doopvont gehouden album “Red Letter Day”.

Toen Yasmineh om die langspeler te promoten voor een reeks optredens langs radiostations aan de Amerikaanse East Coast moest, kwam ze tot het besef dat de meeste van die zenders allicht niet over voldoende grote ruimtes beschikten om er met haar volledige begeleidingsgroep in aan te treden. En dus besloot ze maar om samen met haar drummer-maatje Rob Genadek nieuwe versies van een aantal nummers in te oefenen. Stripped down, zoals dat dan in vakjargon heet. Akoestische oerversies van de rock songs op “Red Letter Day”.

Die nieuwe duoversies werden vervolgens zowel door de betrokken dj’s als door het ermee bereikte publiek zo laaiend enthousiast onthaald, dat Yasmineh en Genadek opnieuw samen de studio indoken en er vijf van de nummers van “Red Letter Day” ook in hun nieuwe uitvoeringen inblikten. En die vijf vinden we nu dus terug op de voorliggende EP. Het gaat daarbij om respectievelijk “Stupid With Your Love”, “Friend Of Mine”, “Red Letter Day”, “Misfits And Losers” en “Cleaning Crew”.

Lijkt ons op de keper beschouwd vooral iets voor de fans van Yasmineh, dit akoestische tussendoortje. Houden van indie pop en rock is alleszins een must om het ten volle te kunnen appreciëren.

Courtney Yasmineh

 

THE VOODOO FIX “In Deep” (Nashvillain Records)

(3***)

“In Deep” is het eerdaags te verschijnen debuutalbum van het Los Angeles als uitvalsbasis gebruikende Amerikaanse (blues)rockcollectiefje The Voodoo Fix. Dat drietal combineert op z’n maiden release op bijzonder aanstekelijke wijze elementen uit (hard) rock, blues, soul en funk. En met de daaruit voortkomende muzikale gumbo verdienden de drie ook al rijkelijk bijval. “Het wat funkier uitgevallen neefje van de Black Keys”, meende één van onze vakbroeders na het horen ervan. En geef toe, dat maakt op z’n minst nieuwsgierig.

Recht-toe-recht-aan knallend worden de startblokken verlaten met het op een dreigende beat leunende “Take Me Back” en het als bezeten tussen stuiterende gitaren rondspringende “Wake Up”. Het meteen daaropvolgende “Jack Was Bad” herinnert ons tegelijk aan Led Zeppelin, de Red Hot Chili Peppers en John Lee Hooker. Vervolgens is er het naar onze bescheiden mening beste nummer van de plaat. Te weten de donkere bluesy schuifelaar “I Was Wrong”.

Via het funky “The Curse” gaat het vervolgens richting ZZ Top en aanverwanten met “Hard To Change (Let It Go)”, richting nog wat radiogeniekere hard rock met het massieve “Sun Won’t Shine”, richting een onvervalst rustpuntje met het gaandeweg van soulvolle power ballad tot bedaarde roots rock evoluerende “Rock Bottom”, richting zwierige, juke joint-rijpe roadhouse rock met “Let It Kill You” – Een tweede echt hoogtepunt! – en zeer catchy richting de uitgang ten slotte met het hyperkinetisch aan z’n kettingen snokkende punky rockertje “Without You”.

The Voodoo Fix

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home