ARCHIEF CD-RECENSIES NOVEMBER 2003

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Boris McCutcheon “When We Were Big”OX “Dust Bowl Revival” - Jenny Kerr Band “Extra Strength”Michael Veitch “Southern Girl” - The Red Stick Ramblers “Bring It On Down”Various Artists “Light Of Day: A Tribute To Bruce Springsteen”Brady Harris “Lone Star” - Kevin Bowe And The Okemah Prophets “Angels On The Freeway (Crosses On The Road)”Mark Kreitzer “pages.” - Joan Baez “Dark Chords On A Big Guitar” - Bill Chambers, Audrey Auld & Others “Reckless Records Garage Sale 1997 – 2003” - Nancy Apple “Shoulda Lied About That” - Darrell Scott “Theatre Of The Unheard” - Ryan Adams “Love Is Hell Pt. 1”Kevin Montgomery “2:30 am”Larry John McNally “Loose Ends”Duncan Walters “Northern Rain” - David Olney “Border Crossing”Dawn Kinnard “Dawn Kinnard”Hardpan “Live”Josh Rouse “1972”Chris Stuart & Backcountry “Saints And Strangers” - Townes Van Zandt “Songs Torn From The Flesh”Mr Jones “Waitin’ For Me”Little Muddy “Mayan Mud” - Ilse DeLange “Here I Am / 1998 – 2003” - Grandpaboy “Dead Man Shake” - Rosie Flores “Single Rose” - Joe Strummer & The Mescaleros “Streetcore” - Riders In The Sky “Silver Jubilee”Delbert McClinton “Live”Martin Devaney “September” - Hot Club Of Cowtown “Continental Stomp” - Flaco Jimenez “Squeeze Box King” - Rodney Crowell “Fate’s Right Hand”Anny Celsi “Little Black Dress & Other Stories” - Various Artists “Beautiful A Tribute To Gordon Lightfoot” - Rob Jungklas “Arkadelphia”John Lilly “Last Chance To Dance”The Believers “Row” - Jason Walker & The Last Drinks “Ashes & Wine”Mark Olson & The Creekdippers “Creekdippin’ For The First Time” - Rick Shea & Patty Booker “Our Shangri-La” - Paul Burch “Fool For Love” - The Forresters “Skindeep”

 

BORIS McCUTCHEON

“When We Were Big”

(Cactusman Records / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

Een plaat die door rootsmuziekminnend Nederland al een tijdje in het hart werd gesloten en die dat ook dubbel en dwars verdient is “When We Were Big” van Boris McCutcheon. In tijden waarin iemand als Ryan Adams er absoluut geen geheim van maakt zich zoveel mogelijk te willen distantiëren van de hand die hem zo lang voedde, is het alt. country-genre heel erg gebaat bij de opkomst van nieuwe supertalenten als de vanuit Massachussets opererende biologische boer McCutcheon. Een apart stemgeluid, knappe songs, intelligente teksten… hij heeft het echt allemaal!

Zo’n nummer als het desolate “Hitch A Ride” waarmee hij “When We Were Big” nog een beetje schoorvoetend aftrapt, nodigt je meteen uit om er maar even bij te gaan zitten en het er eens goed van te nemen. Wedden dat ook jij binnen de kortste keren verslingerd zal zijn aan de voortbrengselen van die verweerde stembanden van ‘m? Op ons had McCutcheon zo ongeveer hetzelfde effect als JW Roy indertijd. Een liefde waar tot op heden nog niet de minste sleet op is gekomen…

Ook “Beautiful Prison” is prettige, op de grens tussen country, bluegrass en folk voortkabbelende roots music van erg hoog niveau. En bij het swingende “Idiot Lights” moesten wij onwillekeurig even denken aan Dylan op z’n (uitstekende) laatste album. In nummers als het enigszins melancholische tweetal “Clumsy Kiss” en “Sad Mountain” riep de zang dan weer vrij sterke herinneringen aan de al eerder genoemde Roy op. En da’s lang niet de enige gereputeerde naam, waaraan wij voortdurend gingen denken. Mensen die houden van artiesten als een Steve Earle, een Tim Easton, een Jeff Black, een John Hiatt en een JW Roy durven we dit kleinood van harte aanbevelen. Een uitstekende investering alleszins voor wie alt. country wél trouw blijft…

www.borismccutcheon.com

www.milesofmusic.com

http://www.luckydice.nl/

 

OX

“Dust Bowl Revival”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Het vanuit het Canadese Vancouver opererende OX is een collectief bestaande uit dragende kracht Mark Browning, Nathan Lawr (Royal City), Chôn (Radiogram), Jesse Zubot (Zubot & Dawson), Ruby Loves U (Sarah Craig) en “Cosmic” Dave Jeffrey. Hun debuutplaat “Dust Bowl Revival” deed het goed in zowel de Canadese college radio chart, als in die van CMJ, het toonaangevende Amerikaanse blad inzake alternatieve muziek. En als we er de recente uitgaven van de Euro Americana Chart even op naslaan, dan zien we deze prikkelende folk-/alt. country-hybride ook daar bepaald geen mal figuur slaan. En dat hoeft bij nader inzicht ook absoluut geen verbazing te wekken. Mark Brownings zang leunt regelmatig erg dicht aan bij die van eeuwige treurwilg Neil Young. En muzikaal gezien hebben die van OX hun hoogsteigen niche gevonden ergens tussen pop, rock, folk en alt. country in. “Dust Bowl Revival” groeit op die manier uit tot een intrigerend album dat het ook hier lang niet alleen in alt. country-middens goed zal doen. Nu eens hoorden wij echo’s van Springsteen (“Stolen Bike”), dan weer van Young (“Stolen Car”), dan weer van Ryan Adams in één van zijn betere momenten (“Carolinah”). Maar het blijft altijd wel bij echo’s. Browning en zijn kornuiten zijn immers allesbehalve epigonen. Met “Dust Bowl Revival” sluiten ze gewoon keurig achteraan aan in het rijtje der veelbelovende nieuwkomers die in de voetstappen der eerder opgesomde grootheden lijken te willen treden. En als je ’t ons vraagt, is het ook gewoon een kwestie van tijd alvorens een stel flitsende radiojongens deze plaat oppikken en er zich voor OX mogelijkheden zullen aandienen. Nee, nee, over dit OX hebben we hier nog lang niet het laatste woord geschreven…

(O en by the way, voor we ’t vergeten, het afsluitende “Oh Eileen”, een naar het einde toe breed uitwaaierende, hartverscheurend mooie alt. country ballade, is in onze ogen in al zijn breekbaarheid gewoon één van de allermooiste liedjes van het jaar.)

www.oxmusic.ws

 

 

JENNY KERR BAND

“Extra Strength”

(Okey Doke Records)

(4.5) J J J J J

 

Toen we hier een tijdje geleden “Itch” van de Jenny Kerr Band bespraken konden we eigenlijk maar één puntje van kritiek verzinnen en dat was dat het album met z’n acht nummers aan de eerder korte kant uitviel. Maar daaraan hebben Kerr en haar discipelen in afwachting van een volgend jaar te verschijnen nieuwe cd alvast een mouw gepast. “Itch” werd immers met vier tracks uitgebreid en wordt nu te koop aangeboden met als nieuwe titel “Extra Strength”.

Nieuwe nummers zijn de bijzonder aanstekelijke speed country van “Big Red Truck”, de sfeervolle, enigszins bluesy Americana van “California” (met enerzijds een behoorlijk hoog mardi grass-gehalte door de tuba-inbreng van Ed Ivey, anderzijds echter ook overduidelijk met een bluegrass-noot door Eric McFaddens inspanningen op de mandoline), de knappe blues(rock) van “Devil Song” (waarin Kerr haar harmonica heerlijk laat janken) en het afsluitende “Quand Je Serai Chez Moi”. Dat laatste nummer is een krachtige kruisbestuiving tussen bluegrass, cajun, blues en country(rock), die mede door het mondje Frans dat Kerr zo nu en dan zingt gewoonweg onweerstaanbaar blijkt.

Voeg daar eerdere prijsbeesten als de ingetogen border song “Tijuana Waltz”, de mooie country van “If I Had Wings” en het stomende titelnummer “Itch” (waarin country en blues het wel heel erg goed met elkaar kunnen vinden) aan toe en je bekomt een bijzonder fraaie collectie. Jenny Kerr bewijst daarop uitgebreid veruit één van de interessantste artiesten te zijn die het schemergebied tussen blues, country en Americana bevolken. En die volledig nieuwe cd, die kan er wat ons betreft dan ook niet snel genoeg komen…

www.jennykerr.com

 

 

MICHAEL VEITCH

“Southern Girl”

(Silverwolf / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Milieuactivist, politicus, professioneel fotograaf, folk singer… Michael Veitch is er duidelijk de man niet naar om veel stil te zitten. Met “Southern Girl” is de singer-songwriter inmiddels aan zijn derde cd toe. En bij een eerste beluistering daarvan valt je al snel op, waarom z’n maatje Shawn Colvin z’n carrière al herhaaldelijk een zetje probeerde te geven. Veitch is immers een erg getalenteerde liedjesschrijver, die bovendien gezegend is met een bijzonder expressieve tenorstem. De combinatie van die twee factoren is het die je keer op keer opnieuw voor zijn liedjes zal doen vallen. Pakkende teksten die sterk worden vertolkt, wat wil een mens immers nog meer?

Highlights zijn het pittige “A Box Of Letters”, waarin een doos vol oude brieven aan een ex wordt terugbezorgd op haar huwelijksdag, het heerlijk melancholische “Sunday Driving”, waarin zeer levendige herinneringen aan zondags (auto)rijplezier in zijn jeugd opborrelen, het beklemmende “Frank Sinatra” (over een tragisch verkeersongeval) en het uitermate intrigerende “Las Vegas Sand”. Even een voorsmaakje uit dat laatste nummer:

“Running away from that bright lighted curse

Stopping for gas and a little rebirth

She’s looking at you for all that you’re worth

Just a fistful of Las Vegas sand,”

zingt Veitch hier en vat op die manier perfect het gevoel samen dat duizenden gelukszoekers in Vegas reeds moeten hebben ervaren. En het is tegelijk ook een mooie illustratie van de manier waarop de man met woorden omspringt. Zoals het een goede fotograaf betaamt laat hij zijn beelden spreken. En dat levert steeds opnieuw bijzonder fraaie teksten op. Een aanrader derhalve voor de liefhebbers van folk singer-sonwriters.

www.michaelveitch.com

www.sonic.nl

http://www.silverwolfmusic.com/southern_girl.htm

 

 

THE RED STICK RAMBLERS

“Bring It On Down”

(Memphis International Records)

(3.5) J J J J

 

Het muzikale levensverhaal van de Red Stick Ramblers begint in de buurt van de Louisiana State University in Baton Rouge, LA, waar elk van de zes groepsleden woont, werkt of school loopt. Sinds hun debuut op de planken aldaar nu goed drie jaar geleden werkte het combo zich razendsnel op tot één van de meest gesmaakte jonge roots acts van het ogenblik. Dat deden ze met een flamboyante mix van cajun fiddle deunen, Western swing liedjes, bluegrass en traditionele jazz. Zoekend naar vergelijkingspunten kom je bijna als vanzelfsprekend beurtelings in het vaarwater van groepen als de Hot Club Of Cowtown en Asleep At The Wheel terecht. Nergens verloochenen de Red Stick Ramblers echter hun afkomst.

Op hun tweede cd “Bring It On Down” komen we zo bijvoorbeeld enkele in het Frans gebrachte nummers tegen (het doorleefd gezongen “Belle” en het veelzeggend getitelde “Two-Step Des Condamnés”, met accordeonwerk van Steve Riley), een stel echte oude knarren (als “Sixteen Tons” en “Dinah”), een paar oude Western swing-bekenden ook (“Bring It On Down To My House” en “Stay All Night”) en zelfs een lekker potje weemoedige bluegrass (“Rattle My Cage”).

Samenvattend: “Bring It On Down” staat voor een bijzonder infectueuze Creoolse traktatie (“Authentic Cajun gypsy swing,” noemen ze ’t zelf!) van een gezelschap dat een zeer mooie toekomst in het verschiet lijkt te hebben. En dat zeker niet alleen in de States…

www.redstickramblers.com

www.memphisinternationalrecords.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Light Of Day: A Tribute To Bruce Springsteen”

(U.S. Version)

(Schoolhouse Records)

(4) J J J J

 

Een album waar we een poosje hebben op moeten wachten, maar dat wachten blijkt meer dan de moeite waard geweest… We hadden voor de gemakkelijkheidsoplossing kunnen opteren en kunnen gaan voor de 43 tracks en één album meer tellende Europese uitvoering van dit eerbetoon aan The Boss, maar we hadden zo onze redenen om dat niet te doen. Bleek immers, dat de Amerikaanse versie nog net iets meer schoon volk bevatte dan deze die je hier ondermeer via Blue Rose op de kop kan tikken. Met “slechts” 37 nummers en ruim 2 en een half uur muziek gepend door Springsteen en vertolkt door tal van zijn collega’s naar onze bescheiden mening toch de betere keuze. Al missen we daardoor dan ook de Cracker-uitvoering van “Sinaloa Cowboys”.

Wat we dan wel in de plaats kregen, vroeg je je af? Wel dat is om te beginnen een heel erg bezield “Brilliant Disguise”, waarop Elvis Costello klinkt zoals hij dat ten tijde van “King Of America” ook pleegde te doen. Heel fraai dus! En er is ook een wel erg aparte, maar daarom niet minder aantrekkelijke versie van “Hungry Heart” door Ryan Adams z’n maatje Jesse Malin. Of de gedreven kijk op “Workin’ On A Highway” van Joe Ely. Of een lekker ruige benadering van “Born To Run” door Cowboy Mouth. En dan hadden we ’t nog niet over de bijdragen van Jennifer Glass (“Bobby Jean”), The Clarks (“The River”), Marc Broussard (“Back In Your Arms”), John Cafferty & The Beaver Brown Band (“E Street Shuffle”), The Format (“For You”) en Tom Cochrane & Damhnait Doyle (“Secret Garden”).

Voor het overige overlappen de eerste twee cd’s van de Europese versie en deze dubbelaar elkaar wel. Dat wil zeggen dat we hier behoorlijk wat fraais aangeboden krijgen “voor het goede doel”. Springsteen stond er immers op, dat de volledige netto-opbrengst van deze compilatie naar twee door hemzelf gekozen goede doelen zou gaan, met name de Parkinson’s Disease Foundation (www.pdf.org) en de Kristen Ann Carr Fund, een organisatie die zich bezighoudt met het bestrijden van Sarcoma, een zeldzame vorm van kanker (www.sarcoma.com).

Zullen we samen eens even de hoogtepunten overlopen? Dat zijn er behoorlijk wat! Het begint allemaal met een lekker gedreven uitvoering van “Better Days” door Elliott Murphy, op de voet gevolgd door de al even aanstekelijke, soulvolle kijk op “Book Of Dreams” van good old Dion DiMucci en een erg rootsy “Valentine’s Day” door Lucky 7, de groep rond Kenny Margolis. Dan Bern kiest vervolgens voor “Thunder Road”, dat hij zelf één der beste songs ooit geschreven noemt, omdat dat nummer ontgoocheling transformeert in eeuwige hoop. Bijzonder fraaie versie trouwens, die hij van dat nummer neerzet. Als we ooit met z’n allen op zoek moeten naar een nieuwe Springsteen, dan is het misschien niet zo’n kwaad idee om hier onze zoektocht te beginnen… Dampende rock & roll serveren The Mystic Knights Of The Sea, zeg maar Dan Baird (Georgia Satellites) en Rick Richards en kompanen, in “Johnny 99”. En het drietal “If I Should Fall”, “Something In The Night” en “Mansion On The Hill” is gewoon driemaal sublieme rootspop. De vertolkers ervan zijn dan ook niet de minsten: respectievelijk Cindy Bullens, Matthew Ryan en Billy Bragg & The Blokes. En “Atlantic City” door Mike Rimbaud en “Highway Patrolman” door Sid Griffin doen daar eigenlijk in niets voor onder. Om nog maar te zwijgen over een messcherpe versie van “State Trooper” door Steve Wynn, die zich hier even lekker laat gaan en dat tot ons groot jolijt.

Op de tweede cd zijn het naast de eerder al aangesproken Costello-, Malin- en Ely-bijdragen vooral het ingetogen “New York City Serenade” (door Pete Yorn), het funky “Pink Cadillac” (door ouwe knar Graham Parker), het onheilspellende “Streets Of Philadelphia” (door Garland Jeffreys), het passionele “My Hometown” (door Jason Ringenberg), het melodieuze “Lucky Town” (in een bloedstollend mooie, kwetsbare versie van Rosie Flores), het intimistische “I’m On Fire” (door de nog steeds waanzinnig onderschatte Willie Nile), het een weinig old-timey aandoende “Downbound Train” (door Kirk Kelly) en het ook al bloedmooie “Stolen Car” (door een zoals vrijwel steeds erg overtuigend klinkende Patty Griffin) die ons weten te bekoren.

Als je ’t ons vraagt is dit dus wel een bijzonder sterke compilatie. Eén van de betere eerbetonen die we al mochten smaken. Een leuk hebbedingetje voor onder de kerstboom, zo lijkt ons… Zeker gezien de goede bedoelingen die erachter schuilgaan.

www.lightofday.org

 

 

BRADY HARRIS

“Lone Star”

(Lampshade Records)

(3.5) J J J J

 

Als een plaat “Lone Star” als titel meekrijgt, dat mag je er bijna voor de volle honderd procent zeker van zijn, dat de maker ervan op de één of andere manier gelieerd is met Texas. En dat is dus ook in het geval van Brady Harris zo. Zij het misschien niet meteen op de manier die je verwachten zou. De man werd immers wel geboren in de Lone Star State, maar woont en werkt dezer dagen in Venice, Californië. En dan is het eigenlijk maar logisch ook, dat je muziek meer raakpunten met het lokale muziekgebeuren vertoont dan met dat van je geboorteplaats.

Het werk van Harris neigt op zijn derde cd echter nog nadrukkelijker naar dat van de Beatles. Onder zo’n nummer als opener “Welcome Me Back” bijvoorbeeld had gerust de naam van Paul McCartney mogen prijken. (Al heeft zijn stem dan ook meer van die van John Lennon…) En dat geldt eigenlijk ook wel voor het meteen daaropvolgende, met fraaie backings gelardeerde “Weekend In Detroit”. Gewoon heel erg mooie rootspopliedjes zijn dan weer het rustige “Good To Know” en het probaat getitelde “Ordinary Song”. Terwijl er in “Streets Of Spain” of “Blame” even flink gerockt mag worden. (En dan doet Harris ons een beetje denken aan Grant McLennan van de Go-Betweens - ook al geen misse referentie…)

Héél erg catchy vonden wij daarnaast “Strangers When We Meet”, een nummer dat ook hier radiogewijs bepaald geen mal figuur zou slaan. Moest Harris dus maar eens snel op single uitbrengen…

Al bij al een heel erg mooie, zeer gevarieerde rootspopplaat van een man die we graag eens met topproducer Michael Carpenter zouden zien samenwerken. Hun gemeenschappelijke muzikale interesses zouden immers wel eens tot zeer interessante resultaten kunnen leiden.

www.bradyharris.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28396&variation=&aitem=1&mitem=2

http://www.cdbaby.com/cd/bradyharris3

 

 

KEVIN BOWE AND THE OKEMAH PROPHETS

“Angels On The Freeway (Crosses On The Road)”

(CoraZong Records)

(4) J J J J

 

Wie wel houdt van een portie ouderwets lekkere roots rock op zijn tijd, die kunnen we alleen maar adviseren om zich onverwijld het album “Angels On The Freeway (Crosses On The Road)” van Kevin Bowe en zijn Okemah Prophets aan te schaffen. Bowe is immers een excellente songsmid en een begenadigde zanger op de koop toe. Met die lekkere rauwe hese stem van ‘m laveert hij hier voortdurend heen en weer tussen twangy roots pop en enigszins heftigere bluesescapades.

De up-tempo opener “Sault Ste. Marie” (met heerlijk harmonicawerk) blijkt zo een waarlijk gedroomde single. En wat ingetogener songs als “The Land Of Cain” of “Leaving To Stay” zouden de liefhebbers van pakweg een John Hiatt, een Bob Seger of het rustigere werk van The Replacements wel eens erg kunnen bevallen. Het samen met Shannon Curfman gepende “No Riders” is dan weer lekkere bluesy stuff. En “Coulda, Woulda, Shoulda”, dat we ook al kenden in de uitvoeringen van medeauteurs Peter Case en Duane Jarvis, en “Soon Enough”, dat Bowe pende samen met supertalent Gwil Owen, zijn gewoon perfecte roots rock liedjes.

Conclusie? Bij CoraZong Records hebben ze hun huiswerk weer eens goed gemaakt. Een talent van dit kaliber verdient inderdaad ook in de Lage Landen alle aandacht die het maar krijgen kan. Knappe plaat!

 

(Opgelet wel voor diegenen onder jullie, die al iets van het eerdere werk van Bowe in huis hebben. Het betreft hier immers een compilatie die voor een flink stuk gebaseerd werd op de cd “Restoration”.)

www.kevinbowe.com

www.corazong.com

 

 

MARK KREITZER

“pages.”

(Okey-Dokey Records)

(3.5) J J J J

 

De connoisseurs onder jullie zal de naam Mark Kreitzer wellicht niet geheel onbekend in de oren klinken. Kreitzer verdiende in het verleden immers reeds uitgebreid zijn sporen in het bluegrassgezelschap The Middle Spunk Creek Boys. En nu is er dus zijn eerste voor eigen rekening, “pages.” En dat voor eigen rekening mag je voor één keer wel héél erg letterlijk nemen. Met uitzondering van de liner notes, waarvoor bekende collega Laurie Lewis tekende, schreef, speelde en zong Kreitzer namelijk alles zelf. “pages.” groeit op die manier uit tot een album dat zich in heel wat genres lijkt thuis te voelen. Nu eens geeft Kreitzer zich over aan zijn oude liefde bluegrass (zoals in de okselfrisse instrumentals “Dog Faced Boys” en “S.O.S” bijvoorbeeld), dan weer profileert hij zich als een doorgewinterde singer-songwriter (zoals in het oorstrelend mooie liefdesliedje “All I Know” of het al even fraaie “Long Distance Runner”) of bewijst hij ook wel oog te hebben voor de vandaag de dag o zo florerende Americanascène (zoals in het aangrijpende tweetal “Talk To Me” en “I Made My Baby Cry”, waarin bluegrass en Americana een korte maar bijzonder hevige romance aangaan).

“pages.” is al bij al zo’n plaat die je met plezier telkens weer opnieuw blijft opzetten. Een plaat die het vooral moet hebben van de enorme menselijke warmte die ervan afstraalt. Van de emotionaliteit ook. In het beschrijven daarvan toont Kreitzer zich immers een grootmeester. Héél mooi allemaal!

http://www.markkreitzer.com/

 

 

JOAN BAEZ

“Dark Chords On A Big Guitar”

(Sanctuary)

(4) J J J J

 

Goed en wel zes jaar geleden was het, dat Joan Baez nog met nieuw plaatwerk uitpakte en die creatieve pauze heeft haar klaarblijkelijk goed gedaan. Met “Dark Chords On A Big Guitar” voegt de folklegende immers weer een bijzonder spannend hoofdstuk aan haar omvangrijke oeuvre toe. Haar jongste staat volledig in het teken van composities van anderen die voornamelijk in de alt. country- of Americanahoek te situeren vallen. Het album opent sterk met gevoelvolle versies van “Sleeper” van Greg Brown en Ryan Adams’ “In My Time Of Need”. Qua sfeer lijkt het allemaal een beetje verwant aan de jongste platen van Emmylou Harris. En dat is een maatstaf die kan tellen als je ’t ons vraagt. Andere gegadigden wat betreft het aandragen van de liedjes zijn ondermeer Caitlin Cary (met het muzikaal gezien een heel klein beetje aan Randy Newmans “You Can Leave Your Hat On” verwante “Rosemary Moore”), Gillian Welch en haar partner in crime David Rawlings (voor het vitale “Caleb Meyer”), Natalie Merchant (voor de echt op het lijf van Baez geschreven brok onderkoelde passie “Motherland”), veelbelovende youngster Josh Rouse (wiens “Wings” in de verstilde versie van Baez alleen nog maar aan spankracht wint), de onlangs nog zelf met een knappe nieuwe plaat uitpakkende Joe Henry (met het uptempo “King’s Highway”) en Steve Earle (wiens “Christmas In Washington” ook heel mooi bij het timbre van Baez kleurt). Als we dan ook nog even in rekening brengen, dat Greg Brown en Welch & Rawlings elk voor twee songs tekenden, dan is het plaatje zo goed als compleet. Het zijn respectievelijk een doorleefde uitvoering van “Rexroth’s Daughter” van eerstgenoemde en het bizarre “Elvis Presley Blues” van Welch en haar metgezel die het programma hier completeren.

Qua opzet doet het allemaal een weinig aan de laatste platen van Cash denken. En net als bij die albums kan je hier eigenlijk alleen maar even goedkeurend bij knikken. Een eenvoudig optelsommetje leert ons immers:

sterke songs + sterke stem = sterke plaat!

Zo simpel kan het inderdaad allemaal zijn…

www.joanbaez.com

 

 

BILL CHAMBERS, AUDREY AULD & OTHERS

“Reckless Records Garage Sale 1997 – 2003”

(Reckless Records / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

Afdeling aangename muzikale verrassingen! Bill Chambers is een kanjer. Audrey Auld is dat ook. Een compilatie met odds & ends van die twee wordt dus een echt snoepje. Onder de hoofding “Reckless Records Garage Sale 1997 – 2003” worden hier de voorbije zeven jaren omgeploegd en menig een verloren gewaand pareltje van Audrey en Bill komt daarbij naar boven. We horen Chambers bijvoorbeeld een bijzonder knappe live-uitvoering van Steve Earle’s “Goodbye” neerzetten. En met zijn tweetjes tekenen ze voor een al even geslaagde benadering van de Louvin Brothers-hit “The Angels Rejoiced”. Als Audrey vervolgens samen met nachtegaaltje Camille Te Nahu Hank Williams’ “I’m So Lonesome I Could Cry” naar haar hand zet, dan hebben wij eigenlijk al redenen genoeg gehoord om ons dit album onverwijld aan te schaffen, maar wat er nog allemaal volgt is gewoonweg te mooi om hier onbesproken te blijven. Er wordt bijvoorbeeld rijkelijk geput uit de ondertussen schier onvindbare EP “Audrey” die in 1997 van Auld verscheen. Daarvan treffen we op deze cd de nummers “Fake Love With Me” (Grandioze titel!), “Cry”, “You Remind Me Of A Bad Memory” en “Hobo’s Meditation” aan. Van Bill Chambers stoten we ook nog op het zijn titel alle eer aandoende “Hillbilly Daddy” en het een stuk subtieler swingende “Going Crazy Without You”. En met Auld tekent hij ook nog voor de mooie hommage “Tex & Buddy” aan het adres van de heren Morton en Williams. Auld gaat op haar beurt samen met Rick Carey dan weer voor een zeer mooie versie van Slim Dusty’s “I’ll Never Be Fooled Again” en staat Fred Eaglesmith live bij tijdens “Wilder Than Her”. “The World Changed Today”, dat ze onder het toeziende oog van Michael Carpenter opnam, is haar kijk op die fameuze dag in september, waar we allemaal nog wel eens met afschuw aan terugdenken. En met Kerstmis stilaan weer voor de deur vonden we ’t ook wel prettig om haar de Gillian Welch-kerstdeun “Santa Spend X-mas With Me” te horen doen. Is eens wat anders!

Nog niet genoeg gehad? Welnu, bij Reckless Records zijn verder ook nog de Australische Yearlings en Mary Gauthier ondergebracht. En om er een soortement labelverzamelaar van te maken krijgen we van dat tweetal respectievelijk ook nog “Oh, Susanna” en “Camelot Motel” aangereikt. We kunnen dus wel weer even verder…

www.recklessrecords.com

http://www.luckydice.nl/

 

 

NANCY APPLE

“Shoulda Lied About That”

(Ringo Records)

(4) J J J J

 

 “Shoulda Lied About That” is de tweede solo-cd van de uit Memphis afkomstige “Princess of Twang” Nancy Apple. Dat album klinkt in vergelijking met z’n voorganger “Outside The Lines” heel wat minder rockabilly-getint. Het moet het integendeel meer hebben van zijn cheating (country) songs en zijn lekkere twangy rootspopbijdragen. Je zou Apple ditmaal kunnen situeren ergens op weg van Libbi Bosworth naar de jonge Rosie Flores toe. En je mag van ons aannemen, dat er op dat traject heel wat te beleven valt. Alles op deze klasse plaat klopt gewoon! Schitterende rootspopdeunen als opener “This Time Around”, het relaxte “Mama’s Stories” of titelnummer “Shoulda Lied About That” worden afgewisseld met mooie countrymomenten als de zeer mooie, beheerste story song “Angel Fire” of het z’n titel helemaal waarmakende “Queen Of Country”. Dé momenten van de plaat zijn voor ons evenwel “The Outlaw”, “Hard Luck ‘n’ Old Dogs” en “Fruit Of The Vine”. In het eerste nummer van dat rijtje stoomt Apple als een vrouwelijke uitvoering van Johnny Cash doorheen een heerlijke countryriedel compleet inclusief een heuse yodel. In het tweede (een werkelijk briljante story song) steekt ze ongegeneerd Waylon Jennings naar de kroon. En het derde is prachtige tongue-in-cheek-country, geschreven daags na een lichtjes uit de hand gelopen verjaardagsfeestje en dat hoor je eraan ook.

Het ziet er dus naar uit, dat niet kunnen weerstaan aan dit appeltje je het paradijs niet zal kosten… Wel integendeel! Er zal zich eerder een paradijselijk ogende nieuwe wereld voor je openen. Eentje waarin country weer als vanouds lekker spannend blijkt. En da’s een aantrekkelijke gedachte, niet?

www.nancyapple.com

www.ringorecords.net

 

 

DARRELL SCOTT

“Theatre Of The Unheard”

(Full Light Records)

(4) J J J J

 

Muzikale sprookjes, ze bestaan nog, dat bewijst Darrell Scott met z’n jongste release “Theatre Of The Unheard” of wat hij zelf noemt “the freakiest album I’ve made so far”. Met dat album redt hij immers zijn eerste, tot op heden onuitgegeven plaat van de obscuriteit. Het begon allemaal in 1991 toen zijn toenmalige (major) platenlabel weigerde om de plaat te verkopen. Dat betekende een flinke klap in het gelaat van Scott die dan ook enige tijd nodig had om deze tegenslag te verwerken. Hij stortte zich dan maar vol overgave op het schrijven van songs voor anderen en op een rol van begeleider van muzikale collega’s. Nummers als “Long Time Gone” en “Heartbreak Town” van de Dixie Chicks, “Great Day To Be Alive” van Travis Tritt, “Born To Fly” van Sara Evans, “Family Tree” van Darryl Worley, “When No One’s Around” van Garth Brooks en “You’ll Never Leave Harlan Alive” van zowel Patty Loveless als Brad Paisley stammen allemaal uit het werkhok van Scott. En voor je gaat denken, dat dit allemaal verdacht veel naar Nashville ruikt, willen we daar snel aan toevoegen, dat Scotts eigen plaat nauwelijks raakpunten vertoont met de opgesomde songs. Die dienen enkel en alleen om aan te geven, dat de man over een bijzonder vaardige pen beschikt. Net zoals hij trouwens een verbluffende muzikant is. Scott staat bekend als iemand die alles bespeelt wat je in zijn buurt durft neer te leggen, maar toch vooral om zijn begaafdheid waar het het hanteren van de gitaar, de dobro en de mandoline betreft. Scott stond zo ondermeer al samen met Guy Clark, Sam Bush, en Tim O’Brien op de planken en verleende hand- en spandiensten bij het opnemen van platen van onder anderen Steve Earle, Jimmie Dale Gilmore en Patty Loveless.

Eerder verschenen van de man in 1997 al “Aloha From Nashville” en in 1999 “Family Tree”, evenals het duo-album “Real Time” met Tim O’Brien in 2000. En nu is er dus, zoals gezegd, eindelijk het opnieuw ingeblikte “Theatre Of The Unheard”. Da’s een bijzonder eclectisch album geworden waarin elementen uit rock, jazz, country en folk versmelten tot één behoorlijk eigenzinnig organisch geheel. De meer toegankelijke momenten ervan als “East Of Gary”, “Full Light”, “Uncle Lloyd”, “After All” of “Day After Day” behoren zondermeer tot de beste Americana van het jaar. Regelmatig moesten wij daarbij terugdenken aan een Steve Earle in zijn beste dagen. Helaas houdt Scott dat niveau niet het hele album lang vol. Regelmatig verliest hij zichzelf ook in ellenlange instrumentale uitspattingen en daar houden wij persoonlijk niet zo van. Samenvattend kan je “Theatre Of The Unheard” echter een ongemeen spannende collectie liedjes noemen, die twaalf jaar na dato volledig terecht weer boven water kwam.

www.darrellscott.com

 

 

RYAN ADAMS

“Love Is Hell Pt. 1”

(Lost Highway / UMG)

(3) J J J

 

Het heeft nogal wat voeten in de aarde gehad vooraleer Ryan Adams met deze “Love Is Hell” mocht uitpakken. Zijn label vond het allemaal maar niks. Veel te somber, dacht men luidop. Adams toog serieus in zijn kruis getast dan maar terug aan het werk en leverde het snoeiharde “Rock N Roll” af, dat wel op voldoende goedkeuring kon rekenen om de publicitaire bal volop aan het rollen te brengen. Gladde Adams kreeg zijn werkgevers bij wijze van tegenprestatie wel zover om “Love Is Hell” vooralsnog uit te brengen. Zij het in E.P.-formaat. En in twee delen op de koop toe. Het eerste daarvan zag zopas gelijktijdig met “Rock N Roll” het levenslicht en het tweede mogen we verwachten begin december.

Maar dat zal aan ons alvast niet meer besteed zijn… Daarvoor ruikt “Love Is Hell Pt. 1” ons een beetje al te zeer naar Britpop. Neem nu zo’n nummer als “Afraid Not Scared”, dat twijfelt toch voortdurend tussen iets van Coldplay en iets van Echo & The Bunnymen. En een cover van Oasis’ “Wonderwall”, zat jij daar op te wachten? Wij alvast zeker niet. Is er immers geen oude volkswijsheid die zegt, dat je van iets wat al perfect is maar best je vingers kan afhouden?

Wel goed vonden wij “This House Is Not For Sale”, al komen ook in dat nummer Ian McCulloch en de zijnen toch weer zeer nadrukkelijk om de hoek kijken. En ook het catchy rockertje dat het titelnummer “Love Is Hell” is, heeft ondanks een behoorlijk twangy gitaartje veel meer met het spul in de Britse charts gemeen dan met de alt. country waarmee Adams zich ooit een plaatsje ergens diep in ons hart wist te verdienen.

Gelukkig biedt de tweede cd-helft nog een paar lichtpuntjes. Met het schimmige “The Shadowlands” betreedt Adams Nick Drake-territorium: een sombere, depressief aandoende ballade met een dominante rol voor de piano. “World War 24” is vervolgens één van de mooiste nummers van het geheel. Al spreekt de tekst van dit zacht voortkabbelende popnummer dan ook weer boekdelen:

“I guess I’m kinda lost in space

And London’s O.K.,”

zingt Adams doodserieus en wij menen ondertussen te weten waar hij het over heeft. En dan zijn er nog het rustige “Avalanche” en de met Leona Naess ingezongen singer-songwriterdeun met chaotisch einde “Caterwaul”. En het felle licht aan het einde van de tunnel is van de tweede zogeheten bonus track, “Halloween”. Da’s in al zijn naaktheid gewoon het allermooiste liedje van de plaat. Americana op z’n fraaist! Dit is Ryan Adams zoals we ’m kennen en willen horen… En als hij er tien van dit kaliber op deel twee wil zetten, dan komen we graag terug op onze eerder genomen beslissing. Maar hij moet wel willen natuurlijk…

http://www.ryan-adams.com/

www.losthighwayrecords.com

 

 

KEVIN MONTGOMERY

2:30 am

(Syren Records)

(4) J J J J

 

Wij herinneren ze ons nog als de dag van gisteren, onze eerste kennismaking met de extreem getalenteerde singer-songwriter Kevin Montgomery. Dat was in 1995 en naar aanleiding van het door zijn toenmalig platenlabel A&M gratis verspreide cd’tje “There’s More… Beyond Words”. Daarop vielen de twee liedjes van de ons tot dan toe volslagen onbekende Montgomery danig op tussen snoepgoed van ondermeer John Hiatt, Del Amitri, The Caulfields en The Innocence Mission, dat we de man sedertdien eigenlijk nooit meer echt uit het oog verloren hebben. Volgend op zijn heerlijke debuutplaat “Fear Nothing” verschenen er nog een 5-tal platen van ‘m, maar de verwachte grote doorbraak bleef vooralsnog uit. En daarin zou met “2:30 am” wel eens verandering kunnen komen. Kosten noch moeite werden ditmaal klaarblijkelijk gespaard en met gastoptredens van zulke Nashville-coryfeeën als Trisha Yearwood en Lee Ann Womack heeft het album net dat tikkeltje meer te bieden dan zijn voorgangers. Enkele van de sterkere nummers van die platen, zoals “I Want You”, “Red-Blooded American Boy” en “Fear Nothing”, worden hier trouwens hernomen. Het album is in zijn totaliteit opgevat als een soort allegaartje van al bekende nummers en songs die in de loop der jaren zijn blijven liggen. Daarbij laat Montgomery voortdurend proeven van staaltjes van zijn uitzonderlijk talent als liedjesschrijver. Nummers als het ooit samen met Jon Randall (Wanneer nog eens een nieuwe plaat van die man?) gepende en met de mooie Lee Ann Womack ingezongen “I Can’t Drive You From My Mind”, de met Trisha Yearwood gebrachte nieuwe versie van het pittige “Tennessee Girl”, het wervelende “Melrose” of het ingetogen “She Don’t Wake Me Up” mogen zo met opgeheven hoofd postvatten langs de enige cover van de plaat, het van Bruce Springsteen geleende “No Surrender”. En dat is toch wel betekenisvol!

Onze conclusie met betrekking tot deze plaat is dan ook even simpel als terecht: als er zoiets als gerechtigheid bestaat, dan bewerkstelligt Kevin Montgomery met het ijzersterke “2:30 am” eindelijk zijn al lang verdiende grote commerciële doorbraak.

www.kevinmontgomery.com

 

 

LARRY JOHN McNALLY

“Loose Ends”

(Leni Stern Recordings)

(3.5) J J J J

 

Binnenkort is hij weer eens in de buurt voor een stel optredens als onderdeel van de bijzonder veelbelovend ogende Songwriter Circle waarvan verder ook Slaid Cleaves, Ray Wylie Hubbard en Lynn Miles zullen deel uitmaken. We hebben het uiteraard over meester-liedjesschrijver Larry John McNally. Een man die sinds z’n album “Vibrolux” een aanzienlijke reputatie geniet binnen kennerskringen in de Lage Landen. McNally’s liedjes vonden in het verleden dan ook niet geheel ten onrechte al hun weg naar zo uiteenlopende gerespecteerde afnemers als Bonnie Raitt, Don Henley, Chaka Khan, Rod Stewart en Joe Cocker.

Het hier ter bespreking voorliggende album “Loose Ends” bevat ook niet meer dan dat. Het is inderdaad een collectie “overblijvertjes”: een stel demo’s, wat samenwerkingen met Leni Stern, enkele nooit eerder uitgebrachte liedjes, zeldzame versies van enkele favorieten, een out-take van een nummer van zijn debuut en zelfs een instrumental. Toch moet je dit niet meteen afschrijven. Als je deze “restjes” beluistert, dan kan je immers maar één ding concluderen: McNally is een heus fenomeen. En heel wat mindere goden zouden zonder verpinken hun rechterhand veil hebben voor “liggenblijvertjes” als deze. Neem bijvoorbeeld maar de bijzonder intens overkomende demo’s “City Sing For Me” en “Black Guitar”. Of het knappe, wat jazzy aandoende “So Good To You” en het van zeer fraai dobrowerk van McNally zelf voorziene “Amateur”. Dat worden in de handen van derden gewoon moordsongs.

En zo kunnen we er nog wel een paar opsommen. Het verstilde, aan zijn keukentafel in NYC opgenomen “In A Lonely Place” bijvoorbeeld. Of de hier voor ’t eerst opduikende, knappe vroege versie van “In My Indiscretion”. Of de broeierige demo-uitvoering van “Tar On The Roof” ook wel.

Enfin, een tip. Als je één van de hoger aangesproken Songwriter Circles zou bijwonen, dan zal je na afloop van de optredens zoals gebruikelijk in de gelegenheid verkeren om je de albums van alle betrokkenen aan te schaffen. En wij kunnen je eigenlijk alleen maar aanraden om deze aparte collectie niet aan je voorbij te laten schieten.

www.larryjohnmcnally.com

http://www.cdbaby.com/cd/mcnally5

 

 

DUNCAN WALTERS

“Northern Rain”

(Spent Round Records)

(5) J J J J J

 

Muzikale avonturier Duncan Walters levert met “Northern Rain” een echte droom van een countryalbum af. Het soort plaat dat met één vlotte armbeweging alles wat dezer dagen in Nashville bon ton is van de tafel veegt. Walters is gezegend met een uitnodigende warme baritonstem (een soort van Tony Joe White light, zeg maar – heel mooi), een bijzonder fijne pen en tonnen goede smaak. En in het bekwame gezelschap van topmuzikanten als Randy Kohrs (dobro), Larry Paxton (bas), Eddie Bayer (drums) en Larry Franklin (mandoline), om er maar een paar te noemen, groeien zijn liedjes dan ook stuk voor stuk uit tot blijvertjes.

De hoogtepunten volgen elkaar op “Northern Rain” werkelijk aan een razend snel tempo op. Om te beginnen is er het licht cajuneske titelnummer (tevens de opener van de plaat), een stukje heerlijke Americana waarin slide, dobro, fiddle en akoestische gitaar er werkelijk alles aan doen om onze aandacht vast te houden. En wat te denken van het rustige “Americana”? Da’s een nummer dat zijn titel zowel qua vorm als qua inhoud echt alle eer aandoet. Of van het ongelooflijk mooie “Asunder”? Een liedje dat bij de liefhebbers van huisfavorieten als Slaid Cleaves en Rod Picott gegarandeerd in goede aarde zal vallen. En dan zijn er nog droomsongs als het relaxte, wat jazzy ogende “Palm Tree”, een werkelijk verbluffend mooie, bijzonder sfeervolle cover van de Delmore Brothers-hit “Deep River Blues” (met een hoofdrol voor Randy Kohrs op de dobro), het al even betoverende folkliedje over verslaafd zijn “Blind Lullaby” en het stevig swingende “Moral Fiber”, een verre verwante van Asleep At The Wheel.

Kortom “Northern Rain” is rootsy country op z’n allerbest. En een plaat die het mits de nodige media-aandacht ver zou moeten kunnen schoppen ook. Wij kijken in elk geval nu al met hangende pootjes uit naar meer!

www.duncanwalters.com

http://www.cdbaby.com/cd/dwalters

 

 

DAVID OLNEY

“Border Crossing”

(CoraZong Records)

(4) J J J J

 

Van een aangename verrassing gesproken! Bij CoraZong Records spelen ze vervroegd voor Sinterklaas dit jaar. Eerder bespraken we hier al de knappe Townes Van Zandt-heruitgave “Songs Torn From The Flesh”, nu is het de beurt aan één van de compadres, waarmee hij in 1992 nog de planken van Paradiso deelde tijdens de legendarische Singer-Songwriter Marathon aldaar, David Olney. Van die Olney verscheen in dat jaar het bijzonder fraaie album “Border Crossing”. Om de één of andere ons onbekende reden bleef dat echter maar beperkte tijd leverbaar. Een doorn in het oog van de vele nieuwe Olney-fans die in de daaropvolgende jaren vergeefs op zoek gingen naar hun kopie van de plaat. En dat ontging ze dus bij CoraZong niet. En gelukkig maar ook!

“Border Crossing” mag immers zondermeer tot de interessantste platen van David Olney worden gerekend. Zoals dat bij het merendeel van zijn oeuvre het geval is wordt ook hier de aandacht verdeeld over ballads en midtempo materiaal, waarbij telkens weer opvalt met welk sprekend gemak Olney een goed verhaal uit de mouw schudt. Het absolute hoogtepunt van de plaat is wat ons betreft “Message To Garcia”, waarin een ontsnapte gevangene met een verbeten trekje om de mond aan z’n voormalige onderdrukker laat weten, hoe hij kon ontsnappen. Dankzij zijn eigen vrouw mag deze laatste de toekomst met een klein hartje tegemoet zien. Een ander hoogstandje is het enigszins schizofrene “Two Kinds Of Love”, waarin een nieuw lief niet blijkt te kunnen tippen aan die ene voortaan onbereikbare. Al zijn haar leugens dan ook nog steeds duidelijk hoorbaar… En héél erg knap vonden wij ook het onheilszwangere “Blue Days, Black Nights”, dat met zijn intrigerende jazzy ondertoon klinkt als een duistere steeg in de één of andere gore achterbuurt bij nacht: griezelig spannend dus. En wat dan te denken van de verbitterde love-gone-wrong-song “Little Bit Of Poison”, waarin Olney cynisch laat weten:

“You need a little bit of poison

You need a little bit of poison

A little bit of poison

To keep you strong”?

Of van de prachtige border story song “Sister Angelina”, waarin een uitgeputte en zieke zoon van de woestijn verliefd wordt op zijn reddende engel, een non? Prachtig materiaal gewoon.

En alsof dat album an sich nog niet volstaan zou hebben, heeft men er vanwege CoraZong ook nog twee nummers van het eerder aangesproken optreden in Amsterdam in ’92 aan toegevoegd. Het betreft het heerlijke duo “Love’s Been Linked To The Blues” en “Deeper Well”, twee van Olney’s beste songs überhaupt. En dan kan je eigenlijk alleen maar heel dankbaar zijn en je de koning te rijk prijzen, dat je dit prachtalbum na al die jaren nu toch nog aan je collectie kan toevoegen. Een welgemeend dankjewel is hier dan ook op zijn plaats!

www.davidolney.com

www.corazong.com

 

 

DAWN KINNARD

“Dawn Kinnard”

(Rusted Rose Music)

(4.5) J J J J J

 

Fans van het hier verafgode drietal Kathleen Edwards, Mary Alice Wood en vooral ook Lucinda Williams zullen ook het debuut van de vijfentwintig jaar jonge uit Pennsylvania afkomstige doopsgezinde predikantendochter Dawn Kinnard gegarandeerd een warm hart toedragen. De bloedmooie Kinnard blijkt immers gezegend met een stem die dezelfde hartstochtelijke looplijnen volgt als die van Williams. En dat resulteert op deze in de kerk van haar vader opgenomen eersteling in acht lappen ronduit voortreffelijke Americana. Waarbij de eerlijkheid ons zelfs gebiedt daar meteen even aan toe te voegen, dat we hier veel meer door gecharmeerd werden dan door de laatste van La Williams zelf.

Kinnard verkocht om de opnames van deze oorspronkelijk als vijf tracks tellende demo bedoelde plaat te bekostigen haar dierbaarste bezit. De Harley die haar niet enkel vele uren van genot, maar tevens een flink stuk van de inspiratie voor dit debuut bezorgde, moest wijken voor een hoger doel. Geen nood echter – op basis van wat we op dit kleine meesterwerk te horen krijgen, zou het niet al te lang mogen duren alvorens ze zich een nieuwe machine kan aanschaffen. Luister maar eens naar pareltjes als de melancholische Americana van “Wires In The Sky” of “Pictures”, haar wel bijzonder sombere vertolking van de traditional “Will The Circle Be Unbroken”, de spannende country folk van “Fire On The Back Door”, de passionele twang van het openingsnummer “Blue Rain” of de doorleefde ballade “Mexico” en je zal net als ons maar tot één conclusie kunnen komen: Dawn Kinnard wordt een hele grote! En zo heel erg lang gaat dat niet meer duren ook…

www.dawnkinnard.com

http://www.cdbaby.com/cd/kinnard

http://www.pastemusic.com/product/669

 

 

HARDPAN

“Live”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Een driedubbele box! Met foto's van het viertal Terry Lee Hale, Todd Thibaud, Joseph Parsons en Chris Burroughs in actie met diverse gitaren, die gelijk de passende sfeer scheppen. Zelfs Jim, de met tape afgewerkte kartonnen doos die als drum fungeerde, is op de achtergrond zichtbaar. De afbeelding van de vier verstrengelde handen op de discs is ook een geweldige vondst! Er zijn twee CD's met elk negen songs van het concert in Heilbronn. Een extraatje is het derde schijfje, een DVD met zes tracks om het allemaal nog even zichtbaar te maken ook. Niks fancy gedoe, gewoon eerlijke muziek, niet eens helemaal vlekkeloos gebracht, want als muzikanten vooraf weten dat er opgenomen wordt, dan gaan de zenuwen parten spelen. Terry Lee, met wat hulp van Joseph, geeft een rake beschrijving van het hele Hardpan-avontuur in de liner-notes, "parking garage follies" - hilarisch. Het studioalbum van Hardpan was een doorslaand succes en dit enthousiaste live-gebeuren is een logisch vervolg daarop. De shows waren zo speciaal dat er toch iets vastgelegd moest worden. Ik was er zelf bij in Hannover (ondanks de "fucked-up" P.A., wat een emotie...) en in Leiden (lekker speluh!) en dus wilde ik de nieuwe songs natuurlijk ook op een CD! Bijvoorbeeld Terry Lee's "Take Away" en Joseph's "Crocodile" en verder de gezamenlijk gezongen cover van de Band-classic "It Makes No Difference". Ik mis wel de improvisatie-instrumental "Bluebonnets"! En het ingetogen "Fickle Fate" klinkt bijna als een hidden track. Leuk wel dat veel van de praatjes erin gelaten zijn.

Mooi! Mooi! Mooi! Mooi gezongen, mooi gespeeld. Volop afwisseling met die vier verschillende stemmen en songstijlen en niet te vergeten de rigoureuze instrumentenruil na elk lied. Aanbevolen voor iedereen, of je erbij was of niet. Zeg dus maar een schietgebedje, opdat Hardpan weldra weer de studio zou ingaan en ook snel opnieuw een tour plant!

(Johanna J. Bodde)

www.hardpan.net

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

JOSH ROUSE

“1972”

(Rykodisc / Zomba)

(3.5) J J J J

 

Met de titel van zijn vierde cd, “1972”, verwijst Josh Rouse niet enkel naar zijn eigen geboortejaar, maar ook naar het bouwjaar van zijn Telecaster. En die titel blijkt dan ook allesbehalve zomaar lukraak gekozen. Het was Roush’ vrome wens, zo blijkt, om een plaat af te leveren “die klonk als dat jaar”. Retro tot op het bot dus met andere woorden. En als dusdanig ook fundamenteel verschillend van zijn drie voorgangers. Het is eigenlijk één grote collectie poppareltjes, die in hun diversiteit een mooi totaalbeeld ophangen van wat er op muzikaal vlak leefde in de vroege jaren zeventig.

Van de tegen die o zo typische seventies soul aanleunende meezinger en terechte eerste single “Love Vibration” over ingetogen beauties als opener “1972” en “Under Your Charms” tot het complex gearrangeerde, pompende “Sunshine”, het klinkt allemaal even fris en vernuftig. Inzoverre zelfs dat wij geregeld namen als Steely Dan, Thomas Dolby en Prefab Sprout meenden te zien oplichten. De perfectie komt inderdaad geregeld stiekem om het hoekje gluren. Maar een plaat voor roots rock- of Americanaliefhebbers zouden we dit niet meteen meer durven noemen. Daarvoor zijn er gewoonweg te weinig muzikale raakpunten overgebleven.

http://www.joshrouse.com/

 

 

CHRIS STUART & BACKCOUNTRY

“Saints And Strangers”

(Backcountry Music)

(5) J J J J J

 

Toen we enige tijd geleden met Chris Stuart kennismaakten middels zijn debuut-cd “Angels Of Mineral Springs” was dat zo’n typisch geval van liefde op het eerste gehoor. De man versmolt in onze ogen op bijzonder aantrekkelijke wijze bluegrass en Americana en stal op die manier dan ook meteen ons hart. En met z’n nieuwe cd, “Saints And Strangers”, is dat niet anders. Dit is er zelfs één voor ons eindejaarslijstje. Zeker weten!

Met z’n band Backcountry, bestaande uit Janet Beazley (banjo, tinwhistles en zang), Ivan Rosenberg (resonator gitaar, clawhammer banjo en zang) en Dean Knight (staande bas en zang), levert Stuart opnieuw twaalf klasse songs af. Waarbij de aandacht eens te meer gelijkmatig verdeeld wordt over bluegrass en Americana. Het mooie titelnummer bijvoorbeeld is een geslaagd huwelijk tussen Ierse folk en bluegrass. Terwijl het door Rosenberg aangedragen “Buckshot” een spetterend staaltje van instrumentale grass blijkt. En het verstilde lapje Americana “This Body Is A Honky-Tonk” is zondermeer één van de mooiste liedjes die wij dit jaar al voor de kiezen kregen. En dat wil al iets zeggen, geloof ons vrij… “Twenty Naked Pentecostals In A Pontiac” is dan weer een vette knipoog naar cajun en zydeco. Kortom, ze zijn van heel wat markten thuis, deze Chris Stuart en de zijnen. En als wij straks in de categorie bluegrass op zoek zullen gaan naar een album van het jaar, dan zal deze tweede van ‘m een serieuze kanshebber blijken. Vijf dik verdiende sterren! Trek je conclusie…

www.chrisstuart.com

http://www.cdbaby.com/cd/cstuart2

 

 

TOWNES VAN ZANDT

“Songs Torn From The Flesh”

(CoraZong Records)

(4.5) J J J J J

 

Bij het Nederlandse CoraZong Records lijkt men het goede voornemen te hebben opgevat om Townes Van Zandt postuum alsnog de bekendheid te laten geworden die hem eigenlijk altijd al toekwam. Enkele maanden geleden werden we zo al getrakteerd op de prachtig vormgegeven heruitgave van “Live At The Old Quarter”. En nu is het de beurt aan twee van Townes’ beste albums, het uit 1972 stammende “High, Low And In Between” en het een jaar later op de wereld losgelaten “The Late Great Townes Van Zandt”. Twee voor de prijs van één, opnieuw in zo’n leuke digipack gestoken en voorzien van een booklet dat een schat aan informatie bevat. Wat wil een mens eigenlijk nog meer? Voor wie de originele albums al bezat op vinyl het ideale moment om ze in te wisselen voor de van klank veel zuiverdere cd-uitvoeringen, voor wie ze nog niet mocht bezitten een uitgelezen kans om deze twee pareltjes goedkoop in huis te halen. Schitterende songs als “To Live Is To Fly”, “High, Low And In Between”, “Highway Kind”, “Pancho & Lefty” of “If I Needed You” laten immers een Van Zandt aan het werk horen op het toppunt van zijn kunnen. Het zijn platen als deze die hem lieten uitgroeien tot de patroonheilige der Texaanse singer-songwriters. (Minstens zo invloedrijk als een Hank Williams.)

www.townesvanzandt.com

www.corazong.com

 

 

MR JONES

“Waitin’ For Me”

(Dollar Bill Records)

(4) J J J J

 

Om een lang verhaal kort te maken: “Waitin’ For Me” is de beste “Texaanse plaat” ooit door een Duitser gemaakt. Mr Jones is immers het pseudoniem van de uit het Duitse Pfarrkirchen afkomstige Juergen Birchlmeier. Na “Sunrise” uit ’97 en “Back Home Again” uit ’99 is “Waitin’ For Me” ook alweer z’n derde cd. En daarop laat onze oosterbuur horen zondermeer tot de betere singer-songwriters van het ogenblik te mogen worden gerekend. In een productie van zijn maatje Eric Taylor (met wie hij onlangs nog in ons land te gast was voor een optreden in Toogenblik te Haren) tackelt hij ondermeer op bijzonder smaakvolle wijze “Lungs” van halfgod Townes Van Zandt en “What You Do With What You’ve Got” van Si Kahn. Het spreekt echter boekdelen over zijn talent als liedjesschrijver dat in een dergelijk select gezelschap de beste songs desalniettemin tussen zijn eigen pennenvruchten dienen te worden gezocht. “Hide And Seek” is er zo eentje. (Met zijn heerlijke mystieke tekst en dan nog die lekkere stem – ergens in de buurt van de jonge Waits, A.J. Croce en wijlen Townes Van Zandt zeg maar.) Of ook de qua sfeer een weinig aan het rustigere werk van Springsteen verwante ballade waaraan het album z’n titel ontleende, “Waitin’ For Me”. Da’s een liedje dat je maar wat graag elke dag op de radio zou horen. En liefst nog meer dan één keer ook… Of “Colorado”, dat ons voor het eerst sinds lang weer eens deed terugdenken aan de muziek van Jim Croce. En daarvoor moet je al van bijzonder goeden huize komen…

Enfin, je hebt het ondertussen natuurlijk al lang begrepen: wij vinden deze derde van Mr Jones een aanrader van jewelste!

www.mrjones.net

www.dollarbillrecords.com

 

 

LITTLE MUDDY

“Mayan Mud”

(Shoeless Records)

(3.5) J J J J

 

Je leest voor ‘t eerst de naam Little Muddy. Waaraan denk je? De blues uiteraard. En wat dat betreft kom je hier ook uitgebreid aan je trekken. Zij het niet helemaal zoals verwacht. De vier van Little Muddy tekenen op hun tweede cd “Mayan Mud” immers voor een volledig instrumentale benadering van het genre. Noem het maar instrumentale roots rock. Nu eens in de buurt van pakweg Los Super Seven of de Latin Playboys (zoals in hun zeer eigenzinnige cover van Henry Mancini’s “Lujon”), dan weer met een vette knipoog naar Ry Cooder (zoals in de rootsminiatuurtjes “Giant Steps No.1” en “Giant Steps No.2”). Het ene moment “Touch Too Much” van AC/DC verbouwend tot uitstekende instrumentale rootsrock, het andere Santo & Johnny bluesy naar de kroon stekend met een spetterende cover van de Floyd Cramer-hit “Last Date”. En wat te denken van het beklijvende “Dark Alley Swing”, dat probleemloos het in z’n titel gemaakte belofte inlost? De ideale soundtrack bij een late zwerftocht doorheen verlaten achterbuurten!

Iemand zou Quentin Tarantino dringend een exemplaar van deze plaat moeten bezorgen. Wedden dat de man er wel weg mee weet? Qua soundtrack kan dit immers tellen.

www.littlemuddy.com

 

 

ILSE DELANGE

“Here I Am / 1998 – 2003”

(WEA / Warner)

(3.5) J J J J

 

Het blijft toch wel met plezier terugdenken aan “World Of Hurt”, die even verrassende als knappe eersteling van Ilse DeLange, een album vol weliswaar commerciële country, maar zo matuur en professioneel klinkend dat je (ook als alt. country-liefhebber) nauwelijks anders kon dan er sympathie voor opbrengen. De knappe blondine met de lekkere hese countrystem had dan ook al snel de muziekminnende helft van de Lage Landen aan haar voeten liggen. Jammer genoeg zou evenwel de verhoopte kans in het verre Nashville uitblijven. En de volgende albums van de sympathieke spring-in-‘t-veld, nu ja, die konden ook lang niet echt al het goede wat die straffe debuutplaat liet horen bevestigen. En dan wordt een verzamelaar natuurlijk zoiets als een godsgeschenk. Vandaar dus deze “Here I Am / 1998 – 2003”.

Naast leuke deunen als “I’m Not So Tough”, “World Of Hurt”, “I’d Be Yours” en “When We Don’t Talk” van dat fameuze eerste album treffen we daarop ook het beste van haar resterende oeuvre aan. Van het (door Gary Nicholson aangedragen) licht bluesy “Livin’ On Love” over het van Julie Miller geleende “I Still Cry” of de knappe John Hiatt-cover “Have A Little Faith In Me” tot het (ook al) live met de groep Kane ingezongen “Before You Let Me Go”.

En er zijn natuurlijk ook nog een hele trits nieuwe nummers om het ook voor de fans aantrekkelijk te houden, of wat dacht je. En dat blijken eigenlijk stuk voor stuk knappe songs: of we ’t nu hebben over het speelse “Let Go” dan wel over de heerlijke pianoballade “I Almost Believed” (een geheide hit), over de poppy Americana van “Wouldn’t That Be Something” of het wat ingetogen werkende (best wel soulvolle) “All The Answers” (wat ons betreft het mooiste nummer van de plaat, zeker in de live bonus versie). Wij kunnen er ons alvast bij voorstellen, dat heel wat fans van het eerste uur DeLange op basis van dat viertal met plezier weer in de armen zullen sluiten.

Al bij al een toffe compilatie! (Al is met “Amsterdam, Sunday Night”, het duet dat Ilse ooit opnam samen met JW Roy, misschien wel het mooiste moment van haar carrière over het hoofd gezien…)

www.ilsedelange.com

 

 

GRANDPABOY

“Dead Man Shake”

(Fat Possum / Epitaph)

(3.5) J J J J

 

Voormalig Replacements-kopstuk Paul Westerbergs carrière wordt momenteel gekenmerkt door een voor de man door de jaren heen niet bepaald karakteristiek gebleken vlaag van werklust. Sinds hij zijn alter ego Grandpaboy in het leven riep is Westerberg nauwelijks nog te stuiten in zijn dadendrang. Sinds “Stereo / Mono”, de dubbele worp deels onder eigen naam, deels onder zijn pseudoniem, zijn nog maar goed twee jaar verlopen en kameraad Paul vond alweer inspiratie voor twee nieuwe albums. Enerzijds is dat “Come Feel Me Tremble”, officieel de nieuwe Westerberg, anderzijds het lekker vuige bluesalbum “Dead Man Shake”, de nieuwe van Grandpaboy. Dat laatste album toont Westerberg van een onvermoede kant. Vanaf opener “MPLS” laat hij niet de minste twijfel over zijn intenties bestaan. “Dead Man Shake” is lo-fi bluesgeweld zoals je dat eigenlijk enkel en alleen vanop het Fat Possum-label, z’n nieuwe werkgever, verwachten mag. Lekker spannend en precies daardoor de moeite meer dan waard. Westerberg klinkt hier het ene moment als de één of andere zwarte blueslegende die aan het verkeerde snoepgoed heeft gezeten (“Do Right In Your Eyes” en “No Matter What You Say”), het andere als de Stones of de Replacements in betere tijden (“Vampires & Failures”). Maar bovenal, zoals al gesteld, heel erg spannend. Nummers als “MPLS”, “Cleaning House” en “Natural Mean Lover” staan voor retestrakke blues die volop doet uitkijken naar meer. En de heerlijke cover van Hank Williams’ “I’m So Lonesome I Could Cry” mag Westerberg wat ons betreft gerust op het idee brengen om eens wat meer van zijn eigen favorieten te tackelen op een aangepaste cd. Het resultaat van zo’n manoeuvre zou immers –afgaande op wat hij this time around presenteert- wel eens heel speciaal kunnen blijken…

http://users.aol.com/paulspage/main.htm

www.fatpossum.com

www.epitaph.com

 

 

ROSIE FLORES

“Single Rose”

(Durango Rose Records)

(4) J J J J

 

Met gepaste trots pakt Rosie Flores uit met haar eerste album voor haar eigen zopas uit de grond gestampte platenlabel Durango Rose Records. Voortaan doet ze dus toch gewoon alles voor eigen rekening zeker. En als de resultaten van die inspanningen op eigen benen van het niveau van dit “debuut” blijven, dan mag ze daarmee wat ons betreft nog heel lang blijven doorgaan ook.

“Single Rose” is de registratie van een akoestische live set in haar eentje in Douglas Corner in Nashville. En bij een eerste beluistering betekent dat even wennen. Dit is immers niet de Flores van wie we door de jaren heen hebben leren houden. Maar al heel snel ga je net als het bij het optreden aanwezige publiek voor de bijl voor de charmes van de intimistische aanpak van de zangeres. Ingetogen beauties als titelnummer “Single Rose” en “Bandera Highway” tonen Flores van een kant die we eigenlijk nog niet zo goed van haar kenden, met name die van de doorgewinterde singer-songwriter die je, slechts gewapend met de eigen gitaar, mateloos weet te boeien. Deunen als het ten dele in het Spaans gebrachte “It’s Over” of het pittige “Aromatherapy Cowgirl” bewijzen dan weer, dat swingen ook best in je eentje kan. Leuk zijn desalniettemin de gastoptredens van Tammy Rogers en James Intveld in respectievelijk het verstilde, voor haar overleden vader en drummer bedoelde “Daddy’s Lullaby” en het lang geleden samen met Intveld geschreven “Midnight To Moonlight”. Dat laatste is een prachtige ballade die zondermeer tot de hoogtepunten van deze zeer mooie cd mag worden gerekend. Laten we hopen dat er snel een verdeler bereid wordt gevonden om de plaat ook hier gemakkelijker verkrijgbaar te maken. Het is immers bijzonder aangenaam toeven in de buurt van een Flores die je voortdurend het gevoel geeft dat je bij haar op de koffie bent of omgekeerd, zij bij jou…

(Mocht je net als ons evenwel niet kunnen wachten tot het moment waarop dat eventueel gebeurt, dan kan je je de cd uiteraard al via haar website aanschaffen.)

www.rosieflores.com

 

 

JOE STRUMMER & THE MESCALEROS

“Streetcore”

(Hellcat / Anti / Epitaph)

(3.5) J J J J

 

 “Streetcore” is het album waaraan Joe Strummer met z’n Mescaleros werkte tot aan zijn vroegtijdige dood door een hartstilstand op 22 december van vorig jaar. En die plaat deed het beste verhopen voor de toekomst van de man. Strummer had er weer zin in zoveel was duidelijk. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de terechte eerste single, het heerlijk wegrockende “Coma Girl”, dat zo op “London Calling” van de Clash had gemogen. Of naar de onheilszwangere reggaerock van “Get Down Moses”, dat volop herinnert aan de dagen van “Sandinista!”. Om maar te zeggen, dat het er bij momenten op “Streetcore” echt wel heel geïnspireerd aan toe gaat. Heel knap zijn ook een paar akoestische intermezzo’s, zoals bijvoorbeeld het rootsy, speciaal voor Johnny Cash gepende (maar nooit door de Man In Black opgenomen) “Long Shadow” en een intrigerende versie van de Bob Marley-klassieker “Redemption Song”. Lekker folky tot zelfs countryesk is dan weer het afsluitende “Silver And Gold”, eigenlijk één van de leukste liedjes hier. Al mag ook het spitant rockende (en weerom volop naar de nadagen van The Clash geurende) “All In A Day” er wat ons betreft best wezen. Kortom “Streetcore” betekent een waardig afscheid van een man die als één van de markantste figuren van het hele punkgebeuren een stukje muziekgeschiedenis heeft geschreven dat nog lang zal nazinderen. Spijtig dat hij ons niet meer zal kunnen laten horen, waar deze opleving in zijn carrière nog allemaal had kunnen toe leiden.

http://www.anti.com/artist.php?id=80454

 

 

RIDERS IN THE SKY

“Silver Jubilee”

(Acoustic Disc)

(4) J J J J

 

Riders In The Sky bestaan precies vijfentwintig jaar en dat zullen we geweten hebben ook! Via Acoustic Disc verschijnt immers een fraai dubbelalbum met heropnamen van hun meest geliefde songs, evenals een bonus live mini-concert.

Al sinds 1977 cultiveren de Riders de muzikale traditie die door zingende cowboylegendes als Gene Autry en de Sons Of The Pioneers in lang vervlogen tijden in het leven werd geroepen. En op hun jubileumplaat krijgen Ranger Doug, Too Slim en Woody Paul daarbij flink wat hulp van Joey “The Cowpolka King” Miskulin. De man tekende niet enkel voor de werkelijk vlekkeloze productie van het album, maar doet ook met z’n accordeon en al zingend een flinke duit in het spreekwoordelijke zakje. Het resultaat van deze gezamenlijke inspanningen is één groot, aangenaam wegluisterend feest der herkenning. Klassiekers als “La Malaguena”, “Cool Water”, “(Ghost) Riders In The Sky” en “Tumbling Tumbleweeds” worden afgewisseld met eigen juweeltjes als “We’re Burnin’ Moonlight” en “Here Comes The Santa Fe” en komische intermezzo’s als “Sidekick Heaven”. Voor iedereen die net als ons gecharmeerd is door deze vorm van oercountry een aangename luistertrip. Voeg daar nog aan toe, dat het geheel opvalt door zijn schitterende vormgeving (met een fraai vierentwintig pagina’s tellend en alles onthullend cd-boekje) en dan weet je zo ongeveer wel genoeg, lijkt ons…

www.ridersinthesky.com

www.acousticdisc.com

 

 

DELBERT McCLINTON

“Live”

(New West / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

Het kan verkeren, wist Bredero. En of de man gelijk had. Dat blijkt maar weer eens…Toen Delbert McClintons optreden op het Bergen Musicfest eerder dit jaar getapet werd, gebeurde dat eigenlijk enkel en alleen met de bedoeling om het een weinig later te kunnen gebruiken voor radio-uitzending. Maar na een beluistering van de opnames raakten alle betrokken partijen het er al snel over eens, dat die echt alles hadden wat een goede live-cd kenmerkt. En zo kan het dus, dat we je het concert van die bewuste avond in Noorwegen nu als ’s mans nieuwe dubbele “Live”-cd mogen voorstellen. En, om maar meteen met de deur in huis te vallen, da’s echt één van de allerbeste live-platen die wij ooit al gehoord hebben.

McClinton wisselt eigen stomende klassiekers als “Giving It Up For Your Love”, “Old Weakness” en “Leap Of Faith” af met werk van zijn twee recentere platen, het met een Grammy bekroonde “Nothing Personal” en het uit 2002 stammende en ook onder de lovende kritieken bedolven “Room To Breathe”. Een mix die geen enkele zichzelf respecterende liefhebber van rootsmuziek onberoerd zal laten. Enkele van de opvallendste momenten op dit geheel dat staat als een huis zijn de hartverscheurend mooie trage “When Rita Leaves”, een zomerse cover van Mickey Jupps “I’m With You”, het spetterende, met pittige harmonica-accenten gelardeerde “Maybe Someday Baby” en een werkelijk verbluffend mooie uitvoering van de Otis Redding-klassieker “I’ve Got Dreams To Remember”. McClinton is wellicht één van de weinige blanke soulstemmen die aan dat nummer hun vingers niet verbranden. Zoals dit hele album überhaupt zeer goede reclame voor “witte” blues is. Een aanrader van jewelste derhalve ook voor iedereen die niet vies is van een portie stomende blues op zijn tijd.

www.delbert.com

www.newwestrecords.com

www.sonic.nl

 

 

MARTIN DEVANEY

“September”

(Eclectone)

(3.5) J J J J

 

Een plaat die hier als het ware een poosje heeft liggen wachten op het juiste jaargetijde, maar die echt wel heel goed is, is “September” van Martin Devaney. Deze enigszins alternatieve singer-songwriter herinnert een klein beetje aan Vic Chesnutt. Hij maakt het je als luisteraar bepaald niet gemakkelijk in dat opzicht, dat hij je overrompelt met teksten en nauwelijks ruimte laat voor refreinen. Dat klinkt als tamelijk ontoegankelijke muziek, horen we je al volop denken, maar dat is eigenaardig genoeg niet zo. Nummers als opener “Impressions”, het daaropvolgende “Nobody’s Saint”, titelnummer “September” en vooral ook hét prijsbeest van de plaat “Paint The Town Blue” zijn juist liedjes die rond deze tijd van het jaar een zeldzaam soort warmte uitstralen.

Devaney schreef alle nummers op “September” zelf. En ook de productie nam hij samen met Mark Stockert van het uit dezelfde Minneapolis-scène stammende Taconite Haven voor eigen rekening. Dat levert een mooie, wat herfstige plaat op, die bij de liefhebbers van artiesten als een Josh Ritter best wel eens in de smaak zou kunnen vallen.

www.martindevaney.com

http://www.cdbaby.com/cd/devaney2

 

 

HOT CLUB OF COWTOWN

“Continental Stomp”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Er lijkt maar geen einde aan te willen komen, aan de reeks live-cd’s die dit jaar op de rootsmuziekliefhebber worden losgelaten. Ons bereikte zonet de zoveelste binnen een zeer korte tijdsspanne en wat meer is de zoveelste steengoede ook. Crisis in de platenindustrie? Als de gevolgen van deze aard blijven, dan zullen wij er alvast geen traan om laten…

Opgenomen op een warme avond ergens in mei in de vermaarde Continental Club in Austin, is dit alweer het vijfde album van de Hot Club Of Cowtown. En het is wat ons betreft met lengtes afstand hun beste ook! Nooit klonk hun ingenieuze melange van Hot Club jazz en Western swing immers vitaler -en dus beter- dan hier. Wie zich nog zou afvragen, waarom de Hot Club Of Cowtown en Bob Wills & His Texas Playboys steeds vaker in één adem worden genoemd, vindt het antwoord op die vraag op “Continental Stomp”. Bloedmooie violiste Elana Fremerman, gitarist Whit Smith en bassist Jake Erwin geven hem hier veertien tracks lang (als we de verborgen bonus track tenminste gemakshalve gewoon even mogen meerekenen) serieus van jetje. Klassieke stuff als de wervelende opener “Diga Diga Doo”, het al even swingende “Ida Red”, het rustpuntje “Pennies From Heaven” of het ronduit verbluffende “Orange Blossom Special” heeft je al na één luisterbeurt stevig bij je nekvel te grazen, om je vervolgens niet al te spoedig meer te willen lossen. En alsof dat broeierige live-geweld op zich al niet volstaan zou hebben, zijn er bovendien eigenlijk maar liefst twee toetjes voorzien. Enerzijds is dat de studio track “I Can’t Believe You’re In Love With Me”, anderzijds een niet geheel ten onrechte vakkundig helemaal aan het uiteinde van de cd als mystery track weggemoffelde, nogal aangebrande toegift. De productie van dit spetterende feestje was overigens in handen van de dezer dagen alomtegenwoordige Lloyd Maines en da’s al zoveel als een kwaliteitsgarantie op zich.

Binnenkort zijn ze ook in het land –zowel in Nederland, als in België trouwens- voor een stel optredens en geloof ons vrij, afgaande op wat we op dit album hoorden, wil je ze absoluut niet missen…

www.hotclubofcowtown.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

FLACO JIMENEZ

“Squeezebox King”

(Compadre / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Wij hebben in deze kontreien wel eens eerder een lans gebroken voor Flaco Jimenez en dat doen we bij dezen graag opnieuw. Temeer daar de man ons met zijn nieuwste album echt wel op onze wenken bedient. Waar hij op zijn zijn jongste cd’s telkens weer een weinig lonkte naar een wat ruimer publiek, grijpt hij op het toepasselijk getitelde “Squeeze Box King” of beter nog “El Rey Del Accordéon” terug naar zijn roots. En dat betekent in dit geval een hele cd in het Spaans gezongen polka’s, bolero’s, ranchera’s en cumbia’s. Nu ja, niet echt een hele cd… In het eerste nummer “En El Cielo No Hay Cerveza (In Heaven There Is No Beer)” horen we de beste man achtereenvolgens switchen van Spaans naar Engels naar… Nederlands. “In de hemel daar is geen bier,” horen we hem verkondigen met een tongval die het tegendeel laat vermoeden. Moet welhaast de invloed van de knapen van Rowwen Hèze zijn, met wie Jimenez eerder samenwerkte.

En net als de muziek van die jongens is ook het werk van Jimenez het ideale tegengif voor verveling. Elk feestje profiteert volop van de typische partymuziek van de man. Probeer het maar eens met songs als de al eerder aangesproken polka “En El Cielo No Hay Cerveza”, de Tex Mex ranchera’s “De Donde Has Sacado” en “La Rosa Negra” of de ook al in de uitvoering van Los Lobos bekende Tex Mex bolero “Prenda Del Alma”. Als je het bij dergelijke opgewekte muziek niet voelt kriebelen in de benen, dan scheelt er iets… Warm aanbevolen deze Tex Mex van de bovenste plank!

www.flacojimenez.com

www.compadrerecords.com

www.sonic.nl

 

 

RODNEY CROWELL

“Fate’s Right Hand”

(DMZ / Epic / Sony)

(5) J J J J J

 

Met de opvolger van zijn ronduit verbluffende comebackplaat “The Houston Kid” uit 2001 slaat Rodney Crowell opnieuw genadeloos toe. Waar hij op die meesterlijke voorganger vooral achteromkeek lijken op “Fate’s Right Hand” echter vooral het hier en nu en de toekomst de man te interesseren. Heel wat van de nummers op het door Crowell zelf en Pete Coleman geproduceerde album bekijken de wereld door de ogen van een man op leeftijd, van iemand gerijpt door de jaren, van iemand met visie… “Time To Go Inward” noemt hij bijvoorbeeld ook zelf nadrukkelijk een ode aan midlife.

“It’s time to go inward

Take a look at myself

Time to make the most

Of the time that I’ve got left,”

klinkt hij daarin strijdvaardiger dan ooit. Wat er nog komen zal, kan je niet weten, maar je kan er wel het allerbeste proberen van te maken. Een soortgelijk verhaal horen we ook in het uitstekende, zacht rockende Americanaliedje “Still Learning How To Fly”. Een nummer dat Crowell schreef voor een vriend die zich in de laatste ronde van zijn gevecht met terminale kanker bevond. Dat er leven na de dood moet zijn, daarover waren ze het in hun laatste gesprekken eens, evenals over het feit dat je ook van het hiernamaals zelf maar het beste moet zien te maken.

Een ander heel fraai liedje is het aangrijpende “Adam’s Song”. Ook daarin wijdt Crowell zich aan de dood van een naaste. Met name die van het zoontje van een goede vriend wiens hart het tijdens een doordeweekse basketbaltraining begaf. De onbeschrijflijke pijn waarmee zijn ouders verder moeten zit heel mooi vervat in één enkel zinnetje:

“Surely each new day will give what we need to do our part

To keep learning how to live with a lifelong broken heart.”

Een volgend hoogtepuntje is het muzikaal gezien een weinig aan Bruce Springsteen z’n “I’m On Fire” verwante “Ridin’ Out The Storm”. Daarin beleven we mee, hoe Crowell in het bijzijn van zijn dochter in een vlaag van menslievendheid op een barre winteravond kort voor Kerstmis zijn warme jas wil afstaan aan een duidelijk kou lijdende dakloze. De man weigert echter tot hun verbijstering het geschenk.

“He said I don’t need pity for these choices are my own

He bowed his head just lightly and quietly moved along.”

Prachtig verhaal, prachtige song ook. En dat geldt heel zeker ook voor het slotnummer van de cd, “This Too Will Pass”. Dat pende Crowell speciaal voor zijn dochter Carrie, al was het maar om haar te laten weten, dat hij er zichzelf ook bewust van is, dat hij haar (en zijn andere kinderen) voortdurend levenslessen probeert mee te geven. Het nummer ontleent zijn speciale karakter een weinig aan het feit dat Crowell en kompanen tijdens de opnamen ervan hoorden dat George Harrison overleden was. Naast de nodige krokodillentranen leverde dat mooie Beatleske la-la-la’s en een bij wijze van afscheid gefluisterd “Goodnight George” op. Een heel mooi slotakkoord voor een heel mooie cd. Rodney Crowell zit duidelijk in een periode van creatieve hoogconjunctuur. En zo lang dat meesterwerkjes als “The Houston Kid” of deze “Fate’s Right Hand” blijft opleveren kunnen we met z’n allen alleen maar hopen, dat die nog lang duren mag.

www.rodneycrowell.com

www.rodneycrowellmusic.com

 

 

ANNY CELSI

“Little Black Dress & Other Stories”

(Ragazza Music)

(3.5) J J J J

 

De vanuit Los Angeles opererende zingende liedjesschrijfster Anny Celsi is met “Little Black Dress & Other Stories” niet echt aan haar proefstuk toe, maar het heeft er pas nu eindelijk alle aanschijn van dat een doorbraak nakende is. En dat heeft wellicht alles te maken met het feit dat haar (vooral in Nederland) al een stuk succesvollere Californische collega Grey DeLisle haar nummer “’Twas Her Hunger Brought Me down” opnam voor haar uitermate positief onthaalde cd “Homewrecker”. Mede als een gevolg daarvan ontmoette Celsi ook gitarist-producer Marvin Etzioni die twee nummers met haar inblikte. Het twangy titelnummer “Little Black Dress” met name en het wat duister en zodoende mysterieus overkomende “Wicked Little Heart”. Op elk van die twee nummers beroert de ex-Lone Justice-gitarist trouwens ook de snaren. Tussen het andere schone volk dat zich liet overtuigen om een potje mee te komen spelen treffen we ondermeer ook Danny McGough, Phil Paralapiano, Randy Weeks (Lonesome Strangers), Joey Peters (Grant Lee Buffalo), Robert Lloyd, Kirk Swan (Dumptruck) en Sheldon Gomberg (Ryan Adams) aan. Dat levert een album op waarop (alt.) country, folk en roots tijd vinden voor een triootje. Echo’s van Aimee Mann, Eleni Mandell, Amy Rigby en vooral ook de eerder al genoemde Grey DeLisle meenden wij te horen op “Little Black Dress & Other Stories”, evenals een gezonde voorliefde voor all things sixties. Heel knap vonden wij zo bijvoorbeeld de ballad “It Hurts / My Heart / To Hear / Your Voice” (met harmony vocals van Randy Weeks en toch wel behoorlijk reminiscent aan het werk van Aimee Mann), de Americana pur van “Empty Hangers” (met een fraai mondje harmonica van Celsi en eigenlijk een song waar DeLisle zich ook maar eens op moest storten) en het rond een aanstekelijk accordeonmotiefje van Carl Byron cirkelende “So Many Bad Dreams”.

Knap is trouwens ook het artwork in regelrechte “Pulp Fiction”-stijl. Bij elk liedje vertelt Celsi in het booklet bovendien een aangepast kortverhaal. Alleen jammer dat daardoor de teksten ontbreken. Maar da’s dan ook het enige minpuntje dat we inzake deze knappe cd kunnen aanstippen. En liefhebbers van de hoger genoemde dames weten dus wat hun te doen staat!

www.annycelsi.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=27618&variation=&aitem=1&mitem=1 (Miles Of Music)

http://www.glitterhouse.com/index.asp?lang=d&mode=artinfo&submode=&id=28640&searchfor=&searchmode=0&pos=&wk=&rnd=0%2C2140772 (Glitterhouse)

http://www.cdbaby.com/cd/annycelsi (CD Baby)

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Beautiful – A Tribute To Gordon Lightfoot”

(Borealis / NorthernBlues Music)

(4) J J J J

 

Bij het Canadese NorthernBlues hebben ze de smaak goed te pakken! Na het voortreffelijke, eerder dit jaar verschenen eerbetoon aan Johnny Cash, “Johnny’s Blues”, pakt men er nu (samen met folklabel Borealis) uit met een tribute-cd voor Gordon Lightfoot. “Beautiful” heet die en dat is hij ook. In een productie van Colin Linden komt een hele stoet Canadese personaliteiten voorbij, die elk met het grootst mogelijke respect een nummer van Lightfoot brengen. Dat zijn om te beginnen de Cowboy Junkies die in “The Way I Feel” een kolfje naar hun hand vonden. Geïnspireerder als hier hebben wij Timmins en de haren al in geen tijden meer aan het werk gehoord. Dan is er good old Jesse Winchester met een licht funky kijk op één van Lightfoots grootste hits, “Sundown”. En van Gord, zoals de Canadezen hem liefdevol plegen te noemen, naar Ron Sexsmith, da’s maar een kleine stap. “Drifters” klinkt in diens wat dromerige uitvoering dan ook werkelijk betoverend mooi. Net als “Ribbon Of Darkness” in de versie van die andere Canadese singer-songwriter-coryfee Bruce Cockburn trouwens. Veel meer dan een gitaar en een mandoline bleken voor hem niet nodig om ook dit te laten uitgroeien tot één van de vele hoogtepunten hier. Blue Rodeo gooit het aansluitend over een wat andere boeg. “Go Go Round” klinkt bij hen echt door en door sixties. Veertig jaar terug in de tijd zou dit stukje jangly gitaarpop gegarandeerd hoog geëindigd zijn in de hitparade. Blackie And The Rodeo Kings maken dan van “Summer Side Of Life” iets wat op het repertoire van Reckless Kelly of de Lemonheads had kunnen staan en één van de populairste vrouwelijke folkartiesten van het ogenblik in Canada Connie Kaldor zet een fraaie verstilde versie van “If You Could Read My Mind” neer. Blijft een heel fraai nummer, dat! De ons voorheen volslagen onbekende Terry Tufts tekent vervolgens met een fraaie Americana / bluegrass-versie van “For Lovin’ Me” misschien wel voor het allermooiste moment van het album. Al blijft dat relatief natuurlijk, want ook bij de prachtige slide-klanken van Harry Manx in “Bend In The Water” dachten we eigenlijk in die richting…

En uiteraard mochten ook die van The Tragically Hip niet ontbreken op deze op en top Canadese aangelegenheid. “Black Day In July” wordt bij Gordon Downie en de zijnen een lekkere lap rootsrock. Murray McLauchlan is aansluitend verantwoordelijk voor een kippenvelversie van één van Lightfoots meest onderschatte songs, zoals ie ’t zelf noemt, “Home From The Forest”. En in zijn kielzog gaan Maria Muldaur (De enige Amerikaanse hier van de partij!)voor een ontroerend mooie benadering van “That Same Old Obsession” en James Keelaghan voor een Iers getint “Canadian Railroad Trilogy”. En dan zijn er nog Sylvia Tyson, Cindy Church, Caitlin Hanford en Gwen Swick, oftewel Quartette, die met hun oorstrelend mooie harmonieën in “Song For A Winter’s Night”tot diep onder de huid gaan. Schitterend gewoon! Tot slot mag Aengus Finnan, een in Ierland geboren maar al sinds tijden in Canada residerende singer-songwriter, een zelf gepend punt zetten achter de festiviteiten. En hij doet dat in stijl ook met “Lightfoot” – passender kan gewoon niet!

Een schoolvoorbeeld van een tribute is dit dus geworden. Niet enkel omdat de betrokken artiesten zich met brio van hun taak hebben gekweten, maar vooral ook omdat dit een eerbetoon is aan het adres van iemand die er ook echt één verdiende. En dat is dezer dagen al lang niet altijd het geval meer…

www.northernblues.com

 

 

ROB JUNGKLAS

“Arkadelphia”

(Madjack Records / Bertus)

(4.5) J J J J J

 

Op 14 november aanstaande zal Rob Jungklas het Crossing Border-festival in Den Haag aandoen. En dat optreden belooft afgaande op zijn zopas verschenen cd “Arkadelphia” een echte klapper te zullen worden. De muziek van Jungklas is immers messcherp. De broeierige intensiteit die ervan uitgaat – werkelijk op het angstaanjagende af bij momenten – maakt vergelijkingen met Sixteen Horsepower en Chris Whitley voor de hand liggend. De religieuze blues van Jungklas kan zondermeer met het beste van die twee acts wedijveren. Ook hier dicteren immers getormenteerde bottlenecks en voortstrompelende banjo’s de wet. Ook hier vormt de zelfkant van de maatschappij het ideale decorum voor religieuze razernij. Of wat dacht je hiervan:

“God rode through Clarksdale with murder in his heart

The world is mine to shatter

Right here’s the place to start

Who killed my son?”

Het bezwerende karakter van songs als het nummer waaruit we zonet citeerden, “God Rode Through Clarksdale”, “Hell And Helena”, “Drunk Like Son House” of “Crooked Letter I” zal gegarandeerd slachtoffers maken daar in Den Haag. En eigenlijk verdient Rob Jungklas het gewoon om met “Arkadelphia” binnen de kortste keren op grote schaal door te breken. Intrigerender als dit zal je ze niet snel meer vinden…

www.robjungklas.com

www.bertus.com

 

 

JOHN LILLY

“Last Chance To Dance”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4.5) J J J J J

 

Als een donderslag bij heldere hemel stond hij enkele weken geleden plots verrassend op nummer 1 in de Freeform American Roots radio chart -dé gezaghebbende lijst voor all things Americana, aangezien ze wordt samengesteld op basis van gegevens ingeleverd door radiojongens met het hart op de juiste plaats- deze John Lilly. Dat moet toch ook voor de man zelf even schrikken geweest zijn. Al was het natuurlijk wel zo, dat ook zijn debuut “Broken Moon” (uit 2000) in die lijst al hoge ogen gooide. Lilly stond dus al een weinig bekend voor zijn wat aparte, akoestische benadering van het countrygenre.

“Somewhere in my wildest dreams lives a world where the past and the future dance cheek-to-cheek. To embrace either one of these partners, you suddenly find yourself dancing with the other,” zo omschrijft de man zelf op het binnenhoesje van zijn nieuwe cd wat hij voor ogen had toe hij eraan begon. En veel adequater kan je wat hier gebeurt eigenlijk ook niet beschrijven. Lilly slaat inderdaad een perfecte brug tussen traditie en vernieuwing. Van zijn songs straalt eenzelfde authenticiteit af als van die van pakweg een Hank Williams of een Jimmie Rodgers (Zijn grote muzikale voorbeeld!), maar toch durven ze ook volop vooruit te kijken. En precies dat maakt deze muziek zo apart.

Opener “Whodunit?” troont de Everly Brothers mee naar Jimmie Rodgers-land en profiteert volop van de heerlijke harmonieën van Ginny Hawker. Titelnummer “Last Chance To Dance” is een lekkere bluesy deun, waarin Sonny Landreth op de slide de show steelt en zo de sfeer bepaalt. En het van Hazel Dickens geleende “Coal Miner’s Grave” is old-time bluegrass op z’n allermooist. Ook de andere covers op de plaat staan trouwens als een huis. Jimmie Rodgers zou fier geweest zijn op de versie die Lilly hier van “No Hard Times” neerzet en de bluegrass twist die Rod Stewarts “Gasoline Alley” hier meekrijgt is een even grote verrassing als verademing. En dan zijn er nog “Log Train” en “Born Again”, waarvoor respectievelijk het songbook van Hank Williams en dat van de Louvin Brothers even open moest. Met veel respect en feeling gebracht groeit dat tweetal uit tot twee van de hoogtepunten op deze sowieso al fraaie plaat.

Maar of het nu gaat om de covers, dan wel om één van de zeven eigen nummers van Lilly, eigenlijk valt er hier maar één constante te onderkennen. En dat is het feit, dat de kwaliteit van dit album waanzinnig hoog is. De FAR-jongens hadden het dus (Weer maar eens!) bij het rechte eind. Eén van de mooiste country releases van het jaar! En daarover valt absoluut niet te discussiëren…

www.johnlillymusic.com

http://www.cdbaby.com/cd/lilly

 

 

THE BELIEVERS

“Row”

(Baptism By Fire Records)

(4.5) J J J J J

 

The Believers zijn Craig Aspen en Cynthia Frazzini een zingend en liedjes schrijvend paar uit Seattle, dat met zijn debuut “Row” een droom van een Americanaplaat afleverde. Een plaat die met een beperkt budget werd ingeblikt en dat hoor je ook. Maar dat draagt er in dit geval enkel toe bij het geheel een beetje ruwer te laten overkomen. En da’s nu precies wat de hese rasp van Aspen en de soulvolle pipes van Frazzini nodig hadden. Als de twee gaan harmoniëren dan levert dat vrijwel zonder uitzondering grote momenten op. Dan ga je zo denken aan andere zingende koppels als Buddy en Julie Miller of zelfs heel even aan Gram en Emmylou. Als je ’t zuiver muzikaal bekijkt, dan ligt een vergelijking met de Shiners, de Demolition String Band, de Handsome Family of de Pine Valley Cosmonauts misschien net iets meer voor de hand.

Wat er ook van zij, vijftien nummers lang ervaren we hier het echte spul. Heerlijke harmonieën, lap steel, banjo, dobro, mandoline, fiddles, gewoon alles wat country aantrekkelijk kan maken passeert hier de revue. En dan zijn er nog de songs, die ook al van een bovenmodale kwaliteit blijken. Allemaal eigen composities bovendien – dat belooft dus voor de toekomst! Absolute stand-out is het aan het repertoire van de Louvin Brothers verwante “Dear John”. Daarin neemt het liefje van een bajesklant op emotionele wijze afscheid van haar vriend achter de tralies. Onder het motto anderen en beteren… Het zijn trouwens over het algemeen de wat “old-timey” of “grassy” aandoende songs die het sterkst overkomen. Al gebeurt er ook telkens weer wat moois als de mondharmonica tevoorschijn wordt getoverd, zoals in “Ain’t Life Grand?” bijvoorbeeld of in “White Trash Queen”.

Een droom van een debuut dus gewoon!

www.thebelieversusa.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=25710&variation=&aitem=1&mitem=1

http://pastemusic.com/product/657

 

 

JASON WALKER & THE LAST DRINKS

“Ashes & Wine”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(5) J J J J J

 

Verdomd lang geleden is het, dat wij ons nog zo hebben laten inpakken door een plaat. “Ashes & Wine”, de tweede van Jason Walker, zal dan ook heel erg hoog gaan eindigen in ons eindejaarslijstje, daar kan je nu al van op aan. Probeer je voor te stellen, hoe het zou zijn als de Stones (ten tijde van “Far Away Eyes”) Ryan Adams aan de borst zouden drukken voor een stel songs samen. Zo ongeveer klinken namelijk Jason Walker & The Last Drinks op de ronduit indrukwekkende opvolger van zijn ook al allesbehalve misselijke debuut “Stranger To Someone” uit 2001. Waar op die eersteling de aandacht nog verdeeld werd over een stel covers van ondermeer Freedy Johnston, Johnny Paycheck, Bruce Springsteen, Mark Olson, Gram Parsons en Tom Waits en eigen materiaal, overtuigt “Ashes & Wine” met twaalf zelf gepende songs. Hier en daar kreeg Walker daarbij wel wat bijstand van Michael Carpenter, die net als op zijn debuut ook tekende voor de productie. Het resultaat van hun samenwerking is nu al klassieke Australiana / alt. country.

Knappe, volop naar de Stones in betere tijden lonkende countryrockertjes als “Dissatisfaction”, “Let Down” en “Drown In That River” worden afgewisseld met heerlijke, wat melancholisch aandoende momenten als opener “You’re On Your Own”, “Helpless Guy (Every Moment With You)” of “Angel”. Daarnaast is er ook een knipoog naar Neil Young in het van een stevige gitaarmuur voorziene “Please Save Your Tears” en lijken zelfs de Beatles even model te hebben gestaan voor de dromerige en rijkelijk georkestreerde afsluiter “Looking Out”.

Daarbij is het vrijwel voortdurend de ongemeen knappe, lichthese stem van Walker zelf die de show steelt. Ons deed hij bij herhaling denken aan Mick Jagger, maar bijvoorbeeld ook aan Ryan Adams, de Jayhawks en de jonge Steve Earle. Neem het dus maar van ons aan: grote zanger, grote songs, grote plaat! “Ashes & Wine” in de buurt van je cd-speler laten rondslingeren betekent zoveel als een zak snoepgoed in de buurt van een klein kind achterlaten – je weet gewoon wat er zal gaan gebeuren…

www.laughingoutlaw.com.au

www.bertus.com

 

 

MARK OLSON & THE CREEKDIPPERS

“Creekdippin’ For The First Time”

(Fargo / Bertus)

(4.5) J J J J J

 

Kan je verliefd worden op een plaat? Indien ja, dan is dit wat ons betreft een geval van liefde op het eerste gezicht. Vanaf de eerste op de harmonica geblazen noten van openingsnummer “Flowering Trees” gaven wij ons vrijwel onmiddellijk geheel en al over aan de nieuwste van Mark Olson & The Creekdippers, “Creekdippin’ For The First Time”, een plaat die ons al meteen veel meer deed dan de jongste van Olsons oud-maten van The Jayhawks, “Rainy Day Music”. En dan mag je daarbij vooral niet vergeten, dat we dat eigenlijk ook al een zeer mooi album vonden.

“Creekdippin’ For The First Time” klinkt als geheel echter zo warm en liefdevol en geeft je zo’n behaaglijk gevoel, dat je er gewoon niet omheen kan. Er zijn die elkaar zo prachtig aanvullende stemmen van de echtelieden (en ook na tien jaar nog altijd tortelduifjes) Mark Olson en Victoria Williams, er is het veelal spaarzaam gebruikte akoestische instrumentarium en er zijn vooral ook die zeer mooie songs. Noem het desert-folk, noem het gewoon intimistische alt. country, wat maakt het eigenlijk allemaal uit… Je voelt als het ware bij elke noot, dat hier nog om de juiste redenen muziek gemaakt wordt: Olson en Williams spelen waarvan ze houden, gewoon omdat ze ervan houden. En dat is en blijft toch de essentie.

(Wel opletten als je van de Creekdippers al alles bezit! Het gaat hier immers om een achttien tracks tellende compilatie met het beste van enkele eerder verschenen platen van de groep. Slechts in drie van de achttien gevallen hebben we te maken met onuitgegeven songs.)

http://www.creekdipper.com/

www.fargorecords.com

www.bertus.com

 

 

RICK SHEA & PATTY BOOKER

“Our Shangri-La”

(Tres Pescadores Records / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

Rick Shea geniet hier te lande vooral enige naambekendheid dankzij zijn werk aan de zijde van Dave Alvin in de Guilty Men. Patty Booker van haar kant werd door een select groepje van ingewijden liefdevol in de armen gesloten als zeer jonge oma, maar dankzij haar album “I Don’t Need All That…” toch vooral ook als een devote hard country-artieste. “Our Shangri-La”, het eerste album van die twee samen, is dan ook niet geheel onverwacht een dot van een moderne West Coast honky-tonk-cd geworden. Zondermeer één van de beste traditionele countryplaten van het jaar zelfs. Vergelijkingen met de legendarische duetten van stellen als Wynn Stewart en Jan Howard, Buck Owens en Rose Maddox en Merle Haggard en Bonnie Owens dringen zich vrijwel voortdurend op. En dat zegt natuurlijk heel erg veel over het uitzonderlijk hoge niveau dat hier zowat continu gehaald wordt. Eigen songs worden daarbij afgewisseld met pittige covers van nummers als het van Lee Hazlewood en Nancy Sinatra bekende “Summer Wine”, het door Leona Williams gepende “You Take Me For Granted”, het door diezelfde Williams met Merle Haggard vereeuwigde “The Bull And The Beaver” en het van Pat McLaughlin geleende “Fewer Things All The Time”. Hoogtepunten hoorden wij in het licht cajuneske “Just A Matter Of Time”, het speelse titelnummer en de fraaie hier al eerder aangesproken sleper “Fewer Things All The Time”.

Stevige aanrader!

www.trespescadores.com

 

 

PAUL BURCH

“Fool For Love”

(Bloodshot / Bertus)

(4.5) J J J J J

 

Weken met hangende pootjes op zitten wachten, op deze plaat! Paul Burch is namelijk één van die mensen die bij ons vrijwel steeds moeiteloos de juiste snaar weten te beroeren. En dat is met zijn eerste album voor zijn nieuwe werkgever niet anders. Integendeel! Burch lijkt in de vorm van zijn leven te verkeren en levert met “Fool For Love” een album af waar in dikke vette letters het woord twang werd overheen geklad. Songs als het door een ouderwets lekker pompende bas aangedreven countryjuweeltje “Life Of A Fool” of de onderkoeld klinkende honky tonk van opener “Lovesick Blues Boy” zouden je doen geloven dat je te maken hebt met een ver neefje van wijlen Johnny Cash. En de wijds aandoende Americana van “Deserted Love” (met de heerlijk jankende pedal steel van Fats Kaplin) of “Bad Girl She Used To Be”, een sleper à la Nick Lowe, zorgen meteen ook voor het perfecte tegengewicht. En dan is er “C’est Le Moment” dat nu eens nipt van een glaasje cajun, dan weer van een potje Western swing. Bijzonder fraai nummer, dat toont waarom muzikale grenzen best wel eens wat meer overschreden zouden mogen worden. “Call My Name” is vervolgens dromerige Americana van het allerfijnste soort. En “Time To Cry” heeft bepaald iets desolaats over zich. Opnieuw een zeer fraaie country song, voorzien van een lekker twangy gitaartje en een bijzonder functioneel gebruikt orgel. En nog hebben we dan de beste nummers niet gehad. Daarvoor moet bijvoorbeeld ook “Sparks Fly Out” de revue nog passeren. Met één voet al in het heden, maar de andere nog rotsvast in het verleden, is dit een schoolvoorbeeld van hoe country anno nu best wel wat meer zou mogen klinken. Met z’n prachtige harmonieën lijkt het nummer zo te zijn uitgescheurd uit het kladblok van de Everly Brothers! En als we bij “Moments Of Weakness” opnieuw spontaan aan The Man In Black gaan denken, dan weet je meteen dat ook met dat nummer absoluut niks mis is. Afgesloten wordt met het drietal “Last Time I Fell” (met opnieuw een aan Western swing verwant ritme), “Like Railroad Steel” (uit hetzelfde vaatje waaruit ook Thad Cockrell zo nu en dan tapt) en “My Last Match” (een prachtballade).

Zondermeer één van de betere (alt.) countryplaten van het jaar!

www.paulburch.com

 http://www.shoeshine.co.uk/Paul%20Burch.htm

 

 

THE FORRESTERS

“Skindeep”

(Tom Thumb Records)

(4) J J J J

 

Verschrikkelijk foute naam! Zeker als je weet, dat hij ook daadwerkelijk aan de protagonisten van de soapreeks “The Bold And The Beautiful” ontleend werd. Gelukkig blijkt dat zowat het enige minpuntje aan het Australische vijftal dat met “Skindeep” een kanjer van een debuutplaat aflevert. The Forresters zijn het geesteskind van Anthony Bautovich, die al enige bekendheid geniet omwille van zijn betrokkenheid bij The Orange Humble Band. Vanuit Sydney verbaast hij vriend en vijand met een collectie goudeerlijke liedjes, die variëren van alt. country tot power pop en terug.

Opener “Are You Ready” bijvoorbeeld is één van onze kandidaten voor liedje van het jaar. Heerlijk rinkelende gitaartjes, de een weinig aan Roger McGuinn herinnerende stem van Bautovich en een melodie met een erg hoog Byrds-Teenage Fanclub-Posies-gehalte vormen de ingrediënten voor één van de aanstekelijkste deunen die wij in tijden gehoord hebben. En het blijkt bovendien allesbehalve om een alleenstaand geval te gaan. “Skindeep” puilt immers uit van de prettig in het gehoor liggende nummers die je bij elke beluistering nog een beetje nauwer aan het hart gaan liggen. “Fool In Love” is zo een de luxe rockertje in de beste Posies-traditie. En “Outtamyhead” koestert zich net als het openingsnummer in een weldaad aan gitaren met als surplus bovendien wat subtiel blazerswerk. En ook als er wat gas teruggenomen wordt, zoals in “Tremblin’”, “What You Want” of “Missing You” staan de Forresters meer dan hun mannetje. Waar de hoger al genoemde tracks zich eerder als power pop laten omschrijven, mogen de zachtere nummers echter duidelijk onder het kopje alt. country worden bijgeschreven. Daarbij benadert men vrij regelmatig de topmomenten van de Jayhawks. En dan zijn er nog het knappe, duidelijk naar Neil Young lonkende titelnummer, waarvan ons liefst twee versies worden voorgeschoteld, en het ronduit schitterende “The Way You Do”, dat zich misschien nog het makkelijkst laat omschrijven als The Beatles Meet The Byrds.

Voorwaar geen klein bier, wat Bautovich en de zijnen op hun debuutplaat klaarmaken. Een plaat die nu al volop doet uitkijken naar meer. Gezien het al erg hoge niveau van “Skindeep” moeten de Bautovich en de zijnen immers in staat worden geacht vroeg of laat een echte tijdloze klassieker af te leveren. Een plaat die je absoluut niet wil missen!

www.theforresters.com.au

www.tomthumbrecords.com