ARCHIEF CD-RECENSIES NOVEMBER 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Various Artists “Spreading The Word (Early Gospel Recordings)” (4 CD Box Set)Bucksworth “The Cajon Passages” - Bruno Deneckere “Crescent Of The Moon”Nathan Holscher With Sarah Ferrell “Pray For Rain” - Steve Coffey & The Lokels “32 Below Sessions”Various Artists “Hit The Hay Vol. 7” - Byron Hill “Ramblings…”Charlie Poole “Charlie Poole With The North Carolina Ramblers And The Highlanders” (4 CD Box Set) - Stephen Simmons “Last Call”Greg Hobbs “Threats & Promises” - Rick Broussard’s Two Hoots And A Holler “Songs Our Vinyl Taught Us”Mary McCaslin “A Life And Time”Cliff Carlisle “A Country Legacy 1930 – 1939” (4 CD Box Set) - Various Artists “Back Roads To Cold Mountain”John England & The Western Swingers “Thanks A Lot”Garnet Rogers “Shining Thing” - Jeff & Vida “Loaded”The Sprague Brothers “Savage”Tracy O’Connell “Durango Red” - Mulehead “Finer Thing”Brian Joseph “King Of Echo Park”Lorrie Morgan “Show Me How”Sweet Sunny South “Bell Creek Dance Club” - Robert Burke Warren “Lazyeye”Martin Devaney “La Mancha”Sir Vincent Lone (A.K.A. Jackie Leven) “Songs For Lonely Americans”Bob Cheevers “One Man One Martin” - The Woodys “Telluride To Tennessee”Brian Rung “Late For The Show”Nathaniel Mayer “I Just Want To Be Held”Mark Chesnutt “Savin’ The Honky Tonk”Burrell “Burrell”The Melroys “The Melroys”David O’Gilvy “Mockingbird” - Billy Don Burns “Heroes, Friends & Other Troubled Souls”Steve Mayone “Bedroom Rockstar”Bill Mallonee “DearLife,” - Walt Wilkins “Mustang Island”Larry Gatlin & The Gatlin Brothers “Sing Their Family Gospel Favorites”Steff Mahan “42.50” - Rosavelt “The Story Of Gasoline”Tim Lee “No Discretion”Curtis Potter “Them Old Honky Tonks” - Beausoleil avec Michael Doucet “Gitane Cajun”Dave Kirby “Is Anybody Going To San Antone?” - Peter Case “Who’s Gonna Go Your Crooked Mile? – Selected Tracks 1994 – 2004”Todd Thibaud “Northern Skies”Laurie & John “Arabella” - Mike & Amy Finders Band “Where You Are”Various Artists “Beautiful Dreamer – The Songs Of Stephen Foster”Various Artists “Creole Bred – A Tribute To Creole & Zydeco” - Iris DeMent “Lifeline”Craig Dillingham “Almost Yesterday”Various Artists (Fat Possum) “Not The Same Old Blues Crap 3” - Velvetone “Switchback Ride”Deryl Dodd “Stronger Proof”Ruthie Foster “Stages”Stephanie Davis “Crocus In The Snow” - Alastair Moock “Let It Go”ME “The Wagon Fair”Peter Rowan & Tony Rice “You Were There For Me” - Melanie Hersch “Waiting For The Moment”Rich Robinson “Paper” - Dan Montgomery “Man From Out Of State”Doug MacLeod “Dubb”The Copperheads “This Train Is Gainin’”Mark McKay “Shimmer”Nels Andrews “Sunday Shoes”Blaze Foley “Oval Room”Eric Taylor “Shameless Love”

 

VARIOUS ARTISTS

“Spreading The Word”

(Early Gospel Recordings)

(4CD Box)

(JSP Records / Music & Words)

 

In tijden waarin goddeloosheid en religieus fanatisme stilaan veeleer regel dan wel uitzondering geworden zijn heeft de mensheid dringend nood aan stichtende voorbeelden moet men bij het Britse JSP-label gedacht hebben. En in een poging om op die gedachte in te spelen pakte men prompt uit met de vier CD’s bestrijkende en ruim 105 tracks tellende collectie “Spreading The Word – Early Gospel Recordings”. Van de vroege jaren twintig tot de vroege jaren vijftig van de vorige eeuw opgetekende “vrome lofzangen aan den Here” van artiesten als Arizona Dranes, Sister Mary Nelson, Washington Phillips, Bessie Johnson, de Texas Jubilee Singers, Richard Bryant, Jessie May Hill, Luther Magby, Rev. “Shy” Moore, Prof. Johnson, Goldie Haynes en Reverend Joe Lenley vallen je daarop in geremasterde uitvoeringen en voorzien van de nodige tekst en uitleg ten deel. Historisch gezien bijzonder waardevol materiaal allemaal, waarvan de passie werkelijk met beekjes afloopt. Geen kwaad alternatief voor het klassieke “te voet naar Scherpenheuvel” dus…

www.jsprecords.com

www.musicwords.nl

 

 

BUCKSWORTH

“The Cajon Passages”

(Silent John Records)

(4) J J J J

 

Is eigenlijk al zo’n half jaar uit, dit schijfje, maar zoals dat wel vaker gebeurt, betekent een nieuw management ook nieuwe kansen. En omdat het gebodene hier kwalitatief gezien echt wel van een uitzonderlijk hoog niveau is, spelen wij graag dat spelletje mee. Op de opvolger van hun ook al indrukwekkende volwaardige debuutschijf uit 2001, “Haul Alone”, steken Mark Nemetz en de zijnen nog een tandje bij. Met zijn zwaar aan de jonge Van Morrison herinnerende stem beschikt die Nemetz daarbij over een ongemeen sterk wapen in zijn strijd om Bucksworth onder de aandacht te brengen. Aandacht die deze groep overigens ruimschoots verdient. Met zeven ijzersterke eigen liedjes die zich beurtelings als roots rock, Americana en alt. country (pop) laten categoriseren en een cover van het ooit ook door Johnny Cash vertolkte “Crystal Chandeliers And Burgundy” van J.W. Routh puzzelen de vier hier een conceptalbum in mekaar, gebaseerd op het mythische verhaal van een jongen en zijn familie onderweg op de in John Steinbecks legendarische roman “The Grapes Of Wrath” uitgestippelde route. En dat levert een bijzonder soulvol totaalbeeld op. In het middelpunt van de belangstelling staat daarbij – we zouden haast zeggen uiteraard – de bezielde zang van Nemetz zelf, maar ook het gitaarwerk van Joe Hill en gelegenheidskracht en co-producer Kelly McGuire en de mandoline- en harmonica-accentjes die met de nodige precisie her en der werden toegevoegd dragen in hoge mate bij tot de instant-aantrekkelijkheid van “The Cajon Passages”. Daardoor wordt het typisch zo’n plaat, die je al na één luisterbeurt nooit meer zou willen missen.

Bucksworth

Miles Of Music

 

 

BRUNO DENECKERE

“Crescent Of The Moon”

(HKM Records)

(4) J J J J

 

Wie zei daar ook alweer dat er in Vlaanderen geen goede Americana wordt gemaakt? Mag dringend worden bijgesteld die opvatting! Een klein uur lang bewijst Bruno Deneckere op zijn derde CD “Crescent Of The Moon” immers volop het tegendeel. Deneckere die vooral bekendheid geniet dankzij zijn werk als de drijvende kracht achter de ondertussen ter ziele gegane Pink Flowers en zijn bijdragen aan projecten als Het Gespuis en het Nick Drake Tribute onderstreept opnieuw dertien nummers lang dat zijn materiaal hoegenaamd in niets hoeft onder te doen voor dat van veel bekendere buitenlandse collega’s. Samen met The Herods, zijn begeleidingsgroep bestaande uit Nils De Caster (viool, pedal steel, mandoline, achtergrondvocalen), Yves Meersschaert (piano, orgel), Mario Vermandel (double bass) en collega singer-songwriter Perry Rose (percussie, achtergrondvocalen), plaatst hij ons land zodoende weer wat nadrukkelijker op de Americana-kaart. Deneckere’s aangename, enigszins nasale stem kleurt wonderwel bij de warm aandoende muzikale lappendeken die zijn maats hier voortdurend voor hem uitspreiden. Van het door De Casters bijzonder sfeervolle vioolbijdrage van een Ierse teint voorziene “Laura”, over het ingetogen stukje singer-songwriter-liefdesverdriet “Beatrice” of het volop van een zacht jammerende steel profiterende – en werkelijk wonderschone – titelnummer tot de intense afsluiter “It Took So Long For Me To Find You”, het ene nummer is al mooier dan het andere. We nodigen je hierbij dan ook graag uit om op dit album naar één enkel moment van zwakte te zoeken. Je zal zien, het zal vergeefse moeite blijken… Van hieruit weerklinkt bij dezen dan ook een welgemeend “Chapeau, meneer Deneckere.” “Crescent Of The Moon” is grote klasse!”

www.brunodeneckere.be

 

 

NATHAN HOLSCHER WITH SARAH FERRELL

“Pray For Rain”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Sluw vosje, deze Nathan Holscher. Toen hij in het najaar van 2000 richting Richmond vertrok, gebeurde dat niet geheel zonder eigenbelang. Enerzijds wou hij er zijn moeders honger naar een diploma best wel proberen te stillen, maar anderzijds zocht hij toch vooral ook aansluiting bij de bruisende muziekscene aldaar. En hij slaagde in elk van beide opzetten ook. Theologiestudies werden met succes beëindigd en in Sarah Ferrell – eerder aan de slag bij Vida -  vond hij een geschikte partner om zijn muzikale dromen mee na te jagen. Zij deelde immers niet enkel zijn voorliefde voor Townes, Gram en whisky, ze bleek bovendien vooral ook over een stem te beschikken die prachtig harmonieerde met de zijne. En dat is meteen ook de sterkste troefkaart van hun debuut “Pray For Rain”. Holschers gruizige stem en het werkelijk alle registers tussen helder twangvol en klaaglijk introvert bestrijkende tegengewicht daarvoor geboden door Ferrell zullen snel veel goede vrienden gaan maken. Echt prachtig hoe die twee samen kleuren! Een ander pluspunt vormen de tien ijzersterke eigen liedjes van Holscher. Van eerder speelse Americana als opener “Comin’ Home To You” en “New Mexico” tot een hartverscheurend mooi stukje verklankte eenzaamheid als “Lend A Lullaby”, lekker spannend, een beetje aan iets van Cohen refererend spul als “After Me” of het snarengewijs van een old-timey touch voorziene “Shake You Out”, wij lusten er alvast wel pap van. Het klinkt echt onvoorstelbaar goed allemaal, zeker als je dan ook nog eens rekening gaat houden met het feit, dat het album in één enkele, vijftien uur durende sessie werd ingeblikt. Je vraagt je af, wat er uit de bus zou zijn gekomen als de twee er wat meer tijd hadden mogen voor nemen. Maar dat zal de toekomst wellicht nog wel uitwijzen. Twee namen om in de gaten te houden zijn dit alleszins…

www.nathanholscher.com

CD Baby

 

 

STEVE COFFEY & THE LOKELS

“32 Below Sessions”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 “32 Below Sessions”, de opvolger van het al in 2002 verschenen “East Of East Coulee”, is opnieuw een erg knappe rootsplaat geworden. En Steve Coffey & The Lokels solliciteren op die manier dan ook wel erg nadrukkelijk naar een wat prominentere rol binnen het actuele alt. countrygebeuren. Net als de enigszins geestesverwante Gourds laten ook de uit het Canadese Edmonton afkomstige Lokels aardig wat invloeden in hun muziek binnensijpelen. Iets waar Coffey overigens allerminst lijkt om te malen, want met zijn gruizig-nasale stem voelt die zich zowat overal in thuis. In “Cottonwood Road” bijvoorbeeld, een lap sfeervolle, haast Dylaneske (alt.) country soul, of in “Steel Guitar Waltz”, dat zowel muzikaal als thematisch gezien z’n titel alle eer aandoet. “Blue Tears” en “Fondly Remembered” zijn dan weer onvervalste rammelende honky-tonk. En (het door gitarist Steve Relf gebrachte) “Bottle Of Wine” lijkt Americana weggelopen uit het songbook van James McMurtry. Voeg daar nog het ingetogen tweetal “Missing” en (het van ingehouden spanning zinderende) “Someday”, het swingende “Corns” en de strakke rootspop van “Raising Grace” en “Vinyl Soul” aan toe en je houdt in handen een album met vrijwel uitsluitend hoogtepunten d’rop. Hier is dan ook sprake van een onvervalste aanrader!

www.steve-coffey.com

CD Baby

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Hit The Hay Vol. 7”

(Sound Asleep Records)

(4) J J J J

 

 “Now that’s what I call music!” Het is natuurlijk ook de naam van een al een eeuwigheid meegaande Britse hitcompilatiereeks, maar het waren toevallig wel de eerste woorden die me na het beluisteren van “Hit The Hay Vol. 7” te binnen schoten. Met die fraaie dubbelaar, die als ondertitel “1994-2004: 10 Years Of Great American Music” meekreeg, viert het bescheiden Zweedse label Sound Asleep Records van Jerker Emanuelson zijn tienjarig bestaan. En Jerker heeft daarbij niet op een inspanning meer of minder gekeken. Liefst zevenenveertig songs schotelt hij ons hier voor, waarvan er een flink aantal nooit eerder het daglicht zagen of slechts moeilijk verkrijgbaar zijn. Roots rock, Americana, alt. country, singer-songwriters en aanverwanten vormen daarbij de rode draad. Onuitgegeven werk is er van Matt Keating (het bitterzoete, in een brede sloot rinkelende gitaren ondergedompelde “I’m So Happy (I Can’t Stand It)”, van Denison Witmer (het ingetogen, door de man in zijn eentje gebrachte “Worry All The Time”), van Tim Easton (“Lady Luck”, licht bluesy, broeierig singer-songwriterspul van het allerbeste soort), van de Sex Clark Five (de opzwepende, enigszins psychedelische rocker “I Was Looking At Her”), van Nixon’s Head (het een weinig naar groepen als Hüsker Dü en Sugar neigende krachtvoer van “Go Away”), van P. Hux (het stevig naar de late sixties en de vroege seventies geurende groovy rootsrockgeweld van “Things Could Be Worse”), van ex-Velvet Undergrounder Doug Yule (het gedreven “Rules To The Game”), van Austinite Eric Blakely (het op een nerveus gitaartje voorthikkende “That’s What I Like”), van Kevin Salem (het binnenkort op een CD met zeldzame en onuitgebrachte tracks van ‘m te verschijnen “Box Of Words”), van Michael Fracasso (het melancholische “Laughing Boy”), van Aaron Spade (mét Ward Dotson in de zomerse rootspopdeun “Hey Girl”), van The Sycamores (de weemoedige alt.country van “Anna Karina”) en van Russ Tolman (het volledig zelf ingespeelde, voor zijn doen zeer beheerste rootsrockertje “Kim’s Song”). En alsof dat alles nog niet zou volstaan zijn er verder ondermeer ook nog bijdragen van Martin Zellar & The Hardways, Mary Alice Wood, Graham Lindsey, Eric Westbury, The Anomoanon, Cowboy Nation, Dave Gleason’s Wasted Days, Old Reliable, John Wesley Harding, Jason Collett, The Silos, Todd Steed & The Suns Of Phere, David Childers, Steve Owen, Little Pink, Jesse Valenzuela, Brady Harris en Eric Athey, om er maar enkelen te noemen. Je hebt het al lang begrepen natuurlijk: dit is een schoolvoorbeeld van een verzamelaar. Maximum twang gegarandeerd!

www.soundasleeprecords.com

 

 

BYRON HILL

“Ramblings…”

(BHP Recordings)

(3.5) J J J J

 

Byron Hill geniet vooral bekendheid als songleverancier van artiesten die vanuit Nashvegas van zich doen spreken. George Strait, Randy Travis, Brooks & Dunn, Gary Allan, Tracy Byrd, Trace Adkins, John Michael Montgomery, Toby Keith, George Jones,… het lijstje klanten aldaar is schier eindeloos. Voor je het op een lopen gaat zetten, willen we daar echter meteen aan toevoegen, dat de plaat die Hill hier voor eigen rekening aflevert een stuk aangenamer wegluistert dan zowat alles wat hij voor anderen schreef. “Ramblings…” staat boordevol bekoorlijke akoestische country singer-songwriter stuff, van opzet een beetje vergelijkbaar met de jongste van Irene Kelley of met het werk van David Ball. Hill beschikt over een aangename gebronsde stem in het verlengde van Alan Jackson en liet zich voor dit album begeleiden door klasbakken van muzikanten als Glen Duncan (mandoline, fiddle, banjo), Mike Johnson (dobro), Dave Pomeroy (akoestische bas), Paul Scholten (drums, percussie), Larry Beaird, B. James Lowry, Pat McGrath en Billy Panda (akoestische gitaren) en Jelly Roll Johnson (harmonica). Zelf hanteert hij naast de akoestische gitaar ook de Flamenco. Het resultaat is een erg charmant geheel dat z’n aantrekkingskracht vooral ontleent aan de warme voordracht van Hill zelf, het persoonlijke karakter van zijn liedjes en de souplesse waarmee ze door alle betrokkenen worden vertolkt.

www.byronhillmusic.com

 

 

CHARLIE POOLE

“With The North Carolina Ramblers

And The Highlanders”

(4CD Box)

(JSP Records / Music & Words)

(3) J J J

 

Menig een stukje countrygeschiedenis mochten we hier de voorbije maanden aan de hand van de box sets van het Britse JSP-label al even toelichten en ditmaal is het daarbij de beurt aan bandleader / banjo man Charlie Poole. Tijdens de jaren twintig van de vorige eeuw waren Poole en zijn North Carolina Ramblers één van de allerpopulairste string bands überhaupt. En net als de hier eerder ook al besproken Uncle Dave Macon beschouwt men de man nu dan ook terecht als één van de peetvaders van de country- en bluegrassgenres. Nochtans waren Poole en kompanen wat dat betreft zeker geen puristen. Prille country en bluegrass, folk, ragtime en pop, gekruid met een flinke snuif humor kon het echt allemaal. “Don’t Let Your Deal Go Down”, “Sweet Sunny South”, “White House Blues”, “Blue Eyes” en “If The River Was Whiskey” waren slechts enkele van de vele hits die de man liet optekenen voor hij onder invloed van ten gevolge van de depressie teruglopende verkoopscijfers alsmaar harder aan het drinken ging en zijn gezondheid zodoende zwaar hypothekeerde. In 1931 zou hij zijn filmdebuut gaan maken, maar zover kwam het zelfs niet meer. Nog voor men aan draaien toekwam verzuimde Poole’s hart het en overleed hij. Zijn muzikale nalatenschap wordt ons nu verspreid over 96 geremasterde tracks en 4 CD’s aangeboden. Daarop staat overigens niet enkel zijn North Carolina Ramblers-werk, maar ook dat met The Highlanders. Een hebbedingetje voor verzamelaars.

www.jsprecords.com

www.musicwords.nl

 

 

STEPHEN SIMMONS

“Last Call”

(Locke Creek Records)

(4.5) J J J J J

 

Aardig wat erg knappe nieuwe platen gehoord de jongste weken, maar deze steekt er toch echt wel met kop en schouders bovenuit. Dit in Nashville met producer-muzikant Eric Fritsch – zie bijvoorbeeld ook Scott Miller – en verder ook collega’s als Paul Griffith (drums , percussie), Dave Jacques (bas), David Henry (cello), Paul Niehaus (pedal steel), Kenny Vaughn (elektrische gitaar), Casey Driesen en Ward Stout (fiddles) opgenomen tweede album van de in het stadje Woodbury in Tennessee opgegroeide singer-songwriter Stephen Simmons is wat onze Duitse medemensen “ein echter Leckerbissen” zouden noemen. Een bijzonder smakelijk muzikaal hapje dus, boordevol materiaal dat zowel door Simmons hees-gruizige voordracht als door zijn oog voor het detail bij het beschrijven van de eerder donkere kant van het leven op de buiten beurtelings verwijst naar collega’s als Steve Earle, Robert Earl Keen, Chris Knight en Slaid Cleaves. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar het tragisch aflopende verhaal van door uit verveling keet schoppende jongeren uit de buurt moe getergde “old man Johnson”, die in “Loserville” het recht in eigen handen probeert te nemen, en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. ’t Is dat de man er niet woont natuurlijk, anders zouden we deze Simmons hier en nu al een grote toekomst als Texaanse troubadour voorspellen. Heerlijke plaat gewoon!

www.stephensimmonsmusic.com

Lucky Dice

 

 

GREG HOBBS

“Threats & Promises”

(Puddle Thief)

(3.5) J J J J

 

Greg Hobbs is een vanuit het Canadese Toronto opererende singer-songwriter die met “Threats & Promises” al aan zijn vierde CD toe is. Een te beachten productie die hem ondermeer al optredens opleverde samen met kleppers als ons aller Fredje Eaglesmith, Carolyn Mark en de Cash Brothers. En op basis van het hier gebodene wordt al snel duidelijk waarom. Binnen het gouden driehoekje folk-roots-country doet Hobbs immers heel mooie dingen. Zo klinkt hij in “I Won’t Always Be Smiling” en “Amanda” als een ver neefje van Slaid Cleaves – met wie hij ook een zekere stemgelijkenis vertoont overigens – en Rod Picott, laat “Gospel Barroom” een subtiel bluegrassluchtje gewaarworden, komt de Americana van “Storm” even dreigend over als z’n titel al enigszins voorspelt en zijn titelnummer “Threats & Promises”, “Ordinary Day”, “Leave This Town” en “You Came Along” gewoon heel knap (grotendeels) akoestisch singer-songwritermateriaal. “Me & This Girl” is op zijn beurt dan weer folky country en “Tonight The Guys Are Coming Over” breekt een weinig met de rest, want daarin gaat Hobbs lekker aan het (roots)rocken. Afgesloten wordt met de live ingeblikte komische meezinger “Beautiful Girls”, waarin bij wijze van definitieve uitsmijter een stukje van Dylans “Blowin’ In The Wind” verwerkt werd.

Al bij al verdient “Threats & Promises” wat ons betreft zeker aanbeveling bij alle liefhebbers van het eerder al genoemde tweetal – Cleaves en Picott - en aanverwanten. Hobbs’ knappe liedjes en aangenaam gruizige vocalen zullen bij hen vast in goede aarde vallen.

www.greghobbs.com

 

 

RICK BROUSSARD’S

TWO HOOTS AND A HOLLER

“Songs Our Vinyl Taught Us”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

 “Songs Our Vinyl Taught Us” markeert de even onverwachte als welgekomen terugkeer van één van de populairste acts die eind jaren tachtig begin jaren negentig de florerende muziekscene van Austin bevolkten. Ter illustratie daarvan: het rond energieke zanger-gitarist Rick Broussard opgetrokken Two Hoots And A Holler kreeg door de jaren heen liefst zevenmaal de onderscheiding voor beste roots rock band op de prestigieuze Austin Music Awards toegekend. En dat is toch wel veelzeggend. Samen met groepen als Rank & File, de Wagoneers en Teddy & The Talltops stonden Rick Broussard (leadzang en gitaar), Vic Gerard (bas en zang) en Chris Staples (drums en percussie) synoniem voor cowpunk Texas style. Country-, rock (& roll)- en punkelementen vormden samen met het messcherpe gitaarspel en de twangy voordracht van Broussard de hoekstenen van de muzikale hybride waarmee de Hoots tal van feestjes op hun kop zetten. Helaas leidde dat slechts tot één album, het in 1992 - bij het alweer lang ter ziele gegane Franse New Rose - verschenen en ondertussen als een klassiekertje beschouwde “No Man’s Land”. Daarna ging het bergafwaarts. Broussard raakte betrokken bij vechtpartijen, zette het op een zuipen, ging aan de drugs en Two Hoots And A Holler waren op die manier een vogel voor de kat.

Maar de man vocht verbeten terug en na een succesvol afgesloten rehab-programma kreeg hij zijn oude maats uiteindelijk ook weer bij elkaar. En het resultaat daarvan ligt nu in de winkels. “Songs Our Vinyl Taught Us” is een zeer uiteenlopende collectie covers geplukt van het live-repertoire van de groep die op vraag van de fans werd ingeblikt. Van wijlen Roy Orbison leende men zo bijvoorbeeld “You Got It”, van Marshall Crenshaw “Someday Someway”, van Johnny Cash “I Still Miss Someone”, van Nick Lowe “Raging Eyes”, van The Cramps “Garbage Man”, van Elvis Presley “I Can’t Help Falling In Love” en van de legendarische Roky Erickson “Starry Eyes”. Retro twang van het allerbeste soort is wat daarbij ontstond. En een mens kan eigenlijk alleen maar hopen, dat er nu snel ook een plaat met nieuw eigen materiaal volgt, want dit smaakt beslist naar meer!

Two Hoots And A Holler

www.texasmusicroundup.com

 

 

MARY McCASLIN

“A Life And Time”

(Flying Pig / Music & Words)

(3.5) J J J J

 

Van een welgekomen heruitgave gesproken! In 1981 verscheen met “A Life And Time” één van de mooiste albums van Mary McCaslin, één van de beste Amerikaanse folkzangeressen überhaupt, al geniet ze dan ook niet meteen de bekendheid die daarvan al lang het gevolg had mogen zijn. McCaslin weet met haar wollig-warme stem, die uit gelijke delen Nanci Griffith en Carole King lijkt te bestaan, een mooie brug te slaan tussen traditionele en moderne folk enerzijds en pop anderzijds. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar haar breekbare, akoestische benadering van de Supremes-hit “You Keep Me Hangin’ On” en je zal die vaststelling wellicht meteen beamen. De keuze van haar covers is trouwens net één van de sterke punten van McCaslin. De traditional “Fair And Tender Ladies” met zijn fraaie wisselwerking tussen de mandoline van Bob Bigelow en de akoestische gitaar van John Corzine, een met een flinke streep banjo doortrokken versie van Michael Nesmith z’n “Some Of Shelley’s Blues” en de prachtige C&W van Paul Siebels “Pinto Pony” vormen daarvan drie verdere tastbare bewijzen. Maar ook eigen liedjes als “Northfield”, “Santana Song” en titelnummer “A Life And Time” zijn ijzersterke toegankelijke folkdeunen die in de drieëntwintig jaar die sinds het verschijnen van het album zijn verstreken nauwelijks aan charme hebben ingeboet. Waardig ouder worden heet dat dan…

www.flyingfish.com

www.rounder.com

www.musicwords.nl

 

 

CLIFF CARLISLE

“A Country Legacy 1930 – 1939”

(4CD Box)

(JSP Records / Music & Words)

(3.5) J J J J

 

Het Britse JSP Records gaat zich steeds meer opwerpen als een valabel alternatief voor Bear Family. Toegegeven, de box sets van dat Duitse label zijn meestal van een oogverblindende schoonheid. Kosten noch moeite worden door dat huis van vertrouwen gespaard om de muziekliefhebber een product aan te bieden waarmee hij naar buitenuit kan pronken. Stevige opbergdozen op LP-formaat, verzorgde en uiterst gedetailleerde begeleidende boekwerkjes, geremasterde opnames, etcetera, etcetera, etcetera. Maar daar betaal je natuurlijk ook allemaal wel voor… En dat terwijl de muziek toch eigenlijk de belangrijkste factor zou moeten zijn… Daarom mogen wij ze wel, die wat minder luxueus uitgevoerde setjes van JSP. Kosten een stuk minder en bevatten ook altijd weer tonnen prima muziek.

De nieuwste worp van het label die ons zopas bereikte is gewijd aan Cliff Carlisle. Een man wiens naam zelden of ooit wordt uitgesproken zonder dat onmiddellijk daarvoor of daarna ook die van Jimmie Rodgers valt. Heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat Carlisle net als Rodgers ook een zogeheten blue yodeler was. Maar Carlisle combineerde dat etiket met een uitstekende roep als steelgitarist. En bovendien durfde hij in tegenstelling tot Rodgers ook wat pikantere onderwerpen aan te snijden in zijn teksten. En al trad hij dan ook in de voetsporen van de indertijd immens populaire Rodgers, een loutere epigoon kan je deze rasartiest bezwaarlijk noemen. Op de keper beschouwd was hij zelfs een betere zanger dan de man die door velen als de peetvader van het countrygenre wordt beschouwd. Dat bewijzen de 84 tracks op “A Country Legacy 1930 – 1939” ten voeten uit. Train songs, liedjes over gokken, drinken en andere ondeugden des levens, religieus geïnspireerde deunen, huwelijksklaagzangen, bluesjes, yodels, het aanbod blijkt uiterst gevarieerd. En wij zouden knapen als een Yoakam, een Earle en een Dylan – net zoals ze dat eerder voor Rodgers deden - ook hier wel eens een eerbetoon aan willen zien bevolken, al was het dan ook maar om Carlisle van de obscuriteit de redden. Tot het ooit zover komt volstaan de vier CD’s in deze set echter weer ruimschoots om onze honger naar stokoude countryschatten te bevredigen.

www.jsprecords.com

www.musicwords.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Back Roads To Cold Mountain

(Smithsonian Folkways / Music & Words)

(4) J J J J

 

Het is en blijft eigenlijk een beetje een raadsel, hoe twee films er in godsnaam in slaagden om een genre dat door de omknelling van het digitale tijdperk gewis een stille dood leek te zullen gaan sterven nieuw leven in te blazen. Meer nog, het populairder dan ooit te doen worden… En toch is dat precies wat gebeurde door toedoen van de soundtracks bij respectievelijk “O Brother, Where Art Thou?” en “Cold Mountain”. Old-time, mountain music en bluegrass lagen nog nooit zo goed in de markt als na die twee prenten.

In “Cold Mountain”, de film gebaseerd op het boek van Charles Frazier, deserteert de gewonde Civil War-soldaat Inman en trekt door velden, bossen en bergen op weg naar huis, naar zijn geliefde. De muziek die hij op die tocht doorheen het negentiende eeuwse North Carolina gehoord zou kunnen hebben werd nu door John Cohen voor Smithsonian Folkways Recordings op de adembenemend mooie collectie “Back Roads To Cold Mountain” verzameld. Bij het beluisteren van dat album volstaat het gewoon even de ogen te sluiten en je waant je zo in de leefwereld van het hoofdpersonage van de film of het boek. In velden, langs stofferige wegen, vanuit kerken en vanop afgelegen veranda’s weerklinken passioneel uithalende stemmen, het geluid van bezield betokkelde banjo’s, krijsende fiddlesnaren en andere akoestische instrumenten. Je voelt je in één klap weer een stuk dichter bij de natuur. De oudste opnamen die Cohen hier opdiept stammen uit de jaren twintig en zijn van Fiddlin’ John Carson & Earl Johnson (“Christmas Time Will Soon Be Over”) en Dacosta Woltz’s Southern Broadcasters (“John Brown’s Dream”), de recentste komen van het in 2002 in een kerk in Kentucky opgenomen “Songs Of The Old Regular Baptists: Lined-Out Hymnody From Southeastern Kentucky, Vol. 2”. Daar tussenin passeren heel wat bekende en minder bekende namen de revue. Van Bill Monroe (“Wayfaring Stranger”) of The Stanley Brothers (“Rank Stranger”) over Roscoe Holcomb (“Omie Wise”) en Ora Dell Graham (“Pullin’ The Skiff”) tot James Crase (“Give The Fiddler A Dram”), E.C. & Orna Ball (“Angel Band”) en nog een handvol anderen. De namen zeiden ons vaak helemaal niets. Maar het totaalbeeld dat hier van de muziek der Appalachen wordt opgehangen dat is zoals eerder al aangegeven van een haast onaardse schoonheid. Daarom toch nog maar eens een welgemeende merci richten aan de broertjes Coen en Anthony Minghella en zeker ook aan T-Bone Burnett, de man die verantwoordelijk was voor beide soundtracks en zonder wie deze muzikale schatten wellicht nooit meer het daglicht zouden hebben gezien.

www.folkways.si.edu

www.musicwords.nl

 

 

JOHN ENGLAND & THE WESTERN SWINGERS

“Thanks A Lot

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Zo wordt recenseren wel heel erg gemakkelijk! De groepsnaam vertelt je hier gewoon de ene helft van het verhaal, de titel van de plaat de andere. “Thanks A Lot”, het tweede album van de vanuit Nashville opererende John England en zijn Western Swingers, is immers een als muzikaal bedankje opgevat eerbetoon aan één van de grootste honky-tonkers ooit, Ernest Tubb. De plaat bevat twaalf songs die zich op de één of andere manier met die Tubb laten associëren, maar dan gebracht in een zwaar naar Bob Wills verwijzende Western swing-uitvoering. Van de originele opener “Thanks A Lot” over covers van “Walkin’ The Floor Over You”, “I Love You Because”, “It’s Been So Long Darlin’”, “Waltz Across Texas” en vele andere is dit één groot feest. Zo eentje van het genre waarin ook die van Asleep At The Wheel nogal eens willen uitblinken.

www.westernswingers.com

CD Baby

 

 

Garnet Rogers

“Shining Thing”

(Snow Goose)

(4.5) J J J J J

 

Natuurlijk is het uitermate egoïstisch wanneer je de mooiste muziek voor jezelf wil bewaren, maar toch... De albums van deze performer-songwriter zijn zo puur… Als onafhankelijke recensent krijg je al bijna een beroerte bij de gedachte dat zoiets in handen van cultuurbarbaren zou vallen! Dit zijn namelijk geen snelle muziekbrokken bestemd voor vluchtige consumptie. ”This is the real thing!”

1983 betekende een keerpunt in Garnet Rogers’ leven. Zijn broer Stan – traditioneel Canadees folkicoon – kwam toen door verstikking om het leven bij een vliegtuigongeluk. De voorgaande 10 jaren van zijn leven had Garnet in de schaduw van zijn broer gestaan, hem ondersteunend als muzikant en arrangeur en zorg dragend voor de productie. In 1984 verschijnt dan zijn eigen debuut op - zijn eigen label - Snow Goose Records. En aansluitend volgen er nog een stuk of negen solo releases. Greg Brown is dusdanig onder de indruk van dat repertoire, dat in 2002 via Red House Records - Gregs label! - voor de Amerikaanse markt “All That Is” verschijnt, een soort van “best of”-CD en de eerste Rogers-plaat die buiten Canada wordt gedistribueerd.

Op de valreep van 2004 wordt nu “Shining Thing” afgeleverd. Een erg compleet album. Wederom zijn alle ingrediënten aanwezig. Heerlijke poëtische muziek, vaak dromerig uitgesponnen over flarden gitaarspel en aaneengebreid door Garnets basstem. De twaalf zeer verzorgde, technisch gezien puntgave songs bestrijken samen ruim een uur. Geopend wordt er met “Soul Kiss”, waarin herinneringen aan een jeugdliefde worden beschreven. Vervolgens is er “First Day Of Spring”, opgehangen aan ervaringen resulterend uit een tragisch voorval in zijn eigen leven eerder dit jaar. Tijdens de sessies voor dit album ontsnapten Garnet en zijn vrouw Gail immers maar ternauwernood aan de dood, toen ze wachtend voor een rood stoplicht werden geramd. “De volgende dag realiseer je je weer hoe gelukkig je mag zijn en ben je dankbaar met hetgeen je hebt,” aldus Rogers zelf, “de lucht ruikt plots veel frisser en de vogels zingen mooier dan ooit.”

“The first day of spring is fading fast,

By the bed the light is dim,

Open up your arms,

Take her in.”

In het derde nummer verwoordt Garnet zijn woede over het feit dat een D-Day-veteraan geweigerd werd voor een kranslegging voor zijn gevallen vrienden bij het Juno Beach Memorial. Nummer vier is een korte akoestische instrumental, origineel geschreven door Valerie, Garnets moeder. De songs onderscheiden zich, behalve door Garnets schitterende stem, vooral door stemmige snaarinstrumenten, zoals diverse gitaren, cello, bas en viool, maar ook de ritmische ondersteuning is behoorlijk rijk. Ideaal dus voor liefhebbers van goed verzorgde folkgeoriënteerde muziek. Als ik een parallel mag trekken, denk dan aan het beste van Richard Shindell en voeg daar een Canadese “touch” van besneeuwde landschappen aan toe.

EENZAME SCHOONHEID.

www.garnetrogers.com

www.folkweb.com

www.festival.bc.ca

 

 

JEFF & VIDA

“Loaded”

(Binky Records)

(4) J J J J

 

Jeff Burke en Vida Wakeman behoren vooralsnog tot de best bewaarde geheimen van het Americana-genre. Onbegrijpelijk eigenlijk! Het in 1999 van New York City naar New Orleans verkaste duo leverde met “One Horse Town” en “The Simplest Plans” immers reeds twee uitstekende albums vol gedreven rootsmuziek af. Traditionele bluegrass en eigentijdse folk en alt. country werden daarop versmolten tot een nagenoeg onweerstaanbare hybride, waarin vooral Vida’s ongepolijste twangy voordracht, Jeffs vocale weerwerk en zijn straffe gitaar-, mandoline- en banjo-aanpak en de sterke narratieve kwaliteiten van de eigen songs opvielen.

Nummer drie in het rijtje, “Loaded”, borduurt op datzelfde stramien verder. Openingsnummer “High Load Heavy Load” is een folk country snelcursus “rig-ologie”, in “Don’t Give Your Heart To A Stranger” waarschuwt Vida over een door een twangend gitaartje en dito orgelwerk van Trevor Brooks gedragen lap country rock voor “smooth talkers”, “Lonely Eyes” is een wat bitterzoet aanvoelend liefdesverhaal verpakt in een klassieke countrytrage en “Everybody’s Darling” een door een dronken barpiano en bluesy snarenwerk voortgestuwde rock & roll-deun. Sterkste momenten vonden wij de high-speed folkgrass van “Let Him Go” en “I Remember Wrong” over respectievelijk een door haar wederhelft net één keer teveel verlaten vrouw en een voor de schone schijn altijd weer vergevingsgezinde lotgenote.

Straffe kost, vinden wij opnieuw. En we kunnen je eigenlijk alleen maar adviseren om, als je een aanschaf van deze ijzersterke plaat overweegt, gelijk ook even voorganger “The Simplest Plans” mee te pikken. Die is in onze ogen zelfs nog wat sterker…

www.jeffandvida.com

www.binkyrecords.com

 

 

THE SPRAGUE BROTHERS

“Savage”

(Early Recordings From The Vault)

(Wichita Falls Records)

(3) J J J

 

 “Savage” is de onlangs bij Wichita Falls Records verschenen nieuwe CD van de Sprague Brothers, een uit het Westen van Texas afkomstig duo dat eerder al van zich deed spreken met “Let The Chicks Fall Where They May” en “Forever And A Day”, twee flink door artiesten als Buddy Holly, de Everly Brothers, de Bobby Fuller Four en de Ventures beïnvloede platen voor Hightone. En “Savage” biedt eigenlijk alleen maar meer van hetzelfde. Sprankelende liedjes, knappe harmonieën en twangy gitaartjes alom. Met als meest in het oog springende songs zwaar naar Buddy, Phil en Don overhellende meezingertjes als “Once Again I’m Falling” en “She’s An Adultress” of het door het originele arrangement van Frank Sprague van countrydeuntje tot pure sixties rock & roll omgetoverde “Betty’s Got A Hot Rod” – ooit nog een hit voor Pam Tillis als “Betty’s Got A Bass Boat”. Een plaat die derhalve vooral mensen met een flinke boon voor de muziek van de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig uitermate goed zal bevallen.

www.spraguebrothers.org

www.wichitafallsrecords.com

 

 

TRACY O’CONNELL

Durango Red”

(Sienna Records)

(3.5) J J J J

 

Tracy O’Connell beschikt over het soort van stem waarmee je zelfs de meest verstokte ijsbeer binnen de kortste keren aan het gloeien krijgt. Ergens halverwege bekendere collega’s als een Patty Loveless, een Rhonda Vincent en een Nanci Griffith doet ze haar ding. En dat is in een volledig akoestische setting het beste uit genres als (old-time) country, bluegrass, folk en Americana versmelten tot liedjes waar je je als luisteraar ogenblikkelijk goed bij gaat voelen. “Hearing the songs on this CD is like making eleven new friends you seemed to have known all of your life,” voorspellen de liner notes op het hoesje ervan. En zo is het maar net ook! Op een nonchalant uitgespreide lappendeken van akoestische gitaren, dobro’s, fiddles en mandolines groeien lieflijke (eigen) liedjes als “Roses Will Come Our Way”, “Hummingbird”, “The Old Prairie Waltz” en titelnummer “Durango Red” dankzij de nachtegalenaanpak van O’Connell in no time onopvallend uit tot vrienden voor het leven. Très sympa!

www.tracyoconnell.com

CD Baby

 

 

MULEHEAD

“Finer Thing”

(Max Recordings)

(4) J J J J

 

Mooie liedjes duren meestal niet lang, wil een oud spreekwoord, en dat blijkt maar weer eens. Na vier albums houdt met Mulehead immers wederom één van onze favoriete alt. country-bandjes het definitief voor bekeken. De groep rond singer-songwriter-gitarist Kevin Kirby – die ooit nog samen met Brent Best van Slobberbone aan de slag was - mocht ons dankzij de heerlijke albums “Never Again” (1998), “Gospel Accordeon II” (1999) en “Rocket Surgery” (2001) al een poosje tot zijn schare vaste bewonderaars rekenen. De groep verstond het als geen ander om het beste uit genres als roots rock, Americana en country in een potente mix te verenigen. Met als bekendste voorbeelden allicht de nummers “When The Dope Ran Out (So Did She)” en “Cheap Red Wine”. Lijzig rockende rootsmuziek met dat hier al wel vaker geprezen typische back porch-gevoel was in het verleden steeds weer het handelsmerk van Kirby en de zijnen. En daarin benaderen ze ook op hun zwanenzang “Finer Thing” weer de perfectie. Het meest voor de hand liggende referentiepunt zijn wat ons betreft The Gourds. Zeker wanneer het gaat over countryrockertjes als “My House”, “There Are Nights” – met zo’n typisch Sir Douglas Quintet-orgeltje - en “All Fall Down”. Maar ook de wat rustigere liedjes mogen er zeker zijn. Het behoorlijk richting bluegrass overhellende duet met de ons volslagen onbekende Virginia Ralph “Crows On A Wire”, het even simpele als aanstekelijke “Cottonmouths And Copperheads” en de prachtige introspectieve akoestische afsluiter “Feathers In The Wind” zijn gewoon superieure Americana. En dat maakt zo’n onverwacht afscheid er natuurlijk alleen nog maar zwaarder op…

Max Recordings

Miles Of Music

 

 

BRIAN JOSEPH

“King Of Echo Park

(FrogSongs Records)

(3.5) J J J J

 

 “King Of Echo Park” is na “Somewhere It’s True” uit 1999 en “We’re Gonna Laugh” uit 2001 het derde album van de - ook enige bekendheid als acteur genietende - boomlange singer-songwriter Brian Joseph. In een productie van Wendy Waldman dompelt de man je op die prima plaat onder in een muzikaal bad waarin elementen uit folk, pop, soul en Americana het schuim uitmaken. Met zijn soulvolle – een weinig aan Joe Henry en John Wesley Harding herinnerende – stem en zijn elegant akoestisch gitaarwerk beschikt hij daarbij over twee uitstekende troeven om zijn aansprekende songs de behandeling te geven die ze best wel verdienen. Vijf van de dertien gepresenteerde liedjes schreef hij trouwens in zijn eentje. Voor de overige acht mocht hij rekenen op de hulp van respectievelijk Wendy Waldman, Jim Photoglo, Melanie Hersch en Rechelle Malin. De mooiste momenten zijn daarbij in onze ogen de ingetogen Americana van titelnummer “King Of Echo Park”, waarin Julie Wolf het accordeon omgordt en – de hier onlangs ook zelf nog besproken - Melanie Hersch tekent voor prachtige harmonieën, de pianoballades “Nobody Misses You” en “Cordelia”, het door prominent aanwezige blazers van een stevige shot soul bediende “Walk On Alvarado”, het cynisch-komische - enigszins Dixie-eske - “The Road To Endearment” en vooral ook het door zijn prachtige vergelijkingen opvallende, verstilde rootsliefdesliedje “Cal’s Chevy”, waarin Danny Donnelly (Kenny Loggins Band) met een heerlijke dobrobijdrage het laken een weinig naar zich toetrekt, terwijl ook Hersch en Wolf weer hun ding mogen doen.

Knappe plaat!

www.brianjosephmusic.com

CD Baby

 

 

LORRIE MORGAN

“Show Me How”

(Image Music Group)

(2.5) J J J

 

En dan maar weer eens eentje uit de categorie “not so alt.” country… Het betreft meer bepaald “Show Me How”, de nieuwe van Lorrie Morgan. Die liep de voorbije jaren meer in de kijker door haar levenswandel dan door haar muziek. De ondanks haar leeftijd nog altijd beeldschone blondine Morgan groeide door het bijzonder hoge tempo waaraan zij wederhelften blijft verslijten door de jaren heen zo’n beetje uit tot de Elizabeth Taylor van Nashville. Keith Whitley, Billy Don Burns, Jon Randall, Sammy Kershaw,… het zijn zomaar enkele namen van bekende Morgan-partners die we ons uit het blote hoofd herinneren. Door dat alles zou eens mens nog gaan vergeten, dat bevallige Lorrie eigenlijk ook gewoon een prima zangeres is. Het probleem met haar platen is evenwel dat ze er heel mooie dingen steeds weer op afwisselt met flink wat middelmatig materiaal. En dat is op “Show Me How” niet anders. Vlotte – maar al bij al toch redelijk onopvallende - pop country-deuntjes als de hit “Do You Still Wanna Buy Me That Drink (Frank), “Bombshell” en “Us Girls” worden erop afgewisseld met ballades als “I Can Count On You” en midtempo spul à la het titelnummer. Echt mooi wordt het pas als in “The Wedding” en “Another Winter Without You” – met Aubrey Haynie op mandoline – en “Charlie And Betty” – met wat vocale bijstand van Alison Krauss en Rhonda Vincent - een wat meer rootsy pad wordt bewandeld. Misschien moest Morgan het dan ook maar eens gaan overwegen om net als haar collega’s Dolly Parton en Patty Loveless een integrale bluegrassplaat in te blikken. Dan zit er voor ons wellicht wel een kwalitatief van begin tot einde bevredigende plaat in.

www.lorrie.com

 

 

SWEET SUNNY SOUTH

“Bell Creek Dance Club”

(TwoDollaReccas)

(3.5) J J J J

 

 “Bell Creek Dance Club” van Sweet Sunny South is één grote reis doorheen het verleden van het rurale Colorado. Rob Miller (gitaar, zang), Shelley Gray (bas, zang), Cory Obert (fiddle, zang), Bill Powers (mandoline, banjo, zang) en gastvocalist Adam Burke serveren daarop onder het motto “Bluegrass. Old-time. Anytime” bij wijze van eerbetoon aan een in de jaren dertig en veertig populaire balzaal in Paonia , CO een stel traditionals en eigen liedjes, die zonder uitzondering onder de noemer bluegrass en mountain music vallen. En aan de hand van korte quotes van voormalige bezoekers van die zaak tussen de nummers door wordt het gevoel van authenticiteit dat sowieso al over de plaat hing alleen nog maar verstevigd. Leuke deuntjes, knappe vocalen, virtuoze instrumentbehandeling,… werkelijk alle ingrediënten voor een prima album zijn hier voorhanden. Het lijkt ons dan ook nog louter een kwestie van tijd alvorens dit kwieke clubje door één van de grotere bluegrasslabels zal worden binnengehaald.

www.sweetsunnysouth.com

CD Baby

 

 

ROBERT BURKE WARREN

“Lazyeye”

(Jackpot Music)

(3.5) J J J J

 

Met de opvolger van zijn door kenners al op een goedkeurend knikje of een innige omhelzing onthaalde debuut-CD “… To This Day” uit 1999 tekent voormalig Fleshtones-lid Robert Burke Warren voor een echt groeiplaatje van formaat. Met elke beluistering ga je immers meer affiniteit voelen met ’s mans naar eigen zeggen thematisch gezien rond de liefde van haar minder mooie kant bekeken cirkelende liedjes. In Warren schuilt een folk pop singer-songwriter van het kaliber van pakweg een Peter Case. Net als deze laatste weet de man zijn songs behendig tussen genres als Americana, (roots) pop, folk en blues heen te manoeuvreren om op die manier regelmatig tot verrassend catchy resultaten te komen. Het met Kate Pierson van de B-52’s ingezongen “Junkman” is zo bijvoorbeeld attractieve bluesy pop, het ingetogen “Build Better Wings” excellent singer-songwritermateriaal, het met een streepje dobro opgeluisterde “God Thinks The World Of Me” werkelijk wonderschone rootsy Americana, “You Look Good In The Rain”, waarvoor zowel Rosanne Cash (zang), John Leventhal (elektrische gitaar) als de legendarische Jerry Marotta (drums) kwamen opdraven, een oorwurm van het type van Michael Penns “No Myth” en “Tobacco Road” rockt zelfs voorzichtig.

Het naar zijn eigen handicap – Warren werd immers geboren met een lui oog – vernoemde “Lazyeye” verdient het ons inziens dan ook om door (héél) velen gehoord te worden. Luie oren zijn in dit geval taboe!

www.robertbwarren.com

CD Baby

 

 

MARTIN DEVANEY

“La Mancha”

(Eclectone Records)

(3) J J J

 

Martin Devaney is een bezig baasje. Op zijn vierentwintigste mag deze jonge singer-songwriter reeds terugblikken op drie volwaardige albums en toerwerk met gerenommeerde artiesten als de Jayhawks, Dan Bern, Evan Dando, Damien Jurado en Mason Jennings. En bovendien stampte hij met Eclectone Records – zie bijvoorbeeld ook Dan Israel, Big Ditch Road en First Prize Killers - ook al een eigen platenlabel uit de grond. Eén van de daarop al verschenen albums is zijn eigen derde CD “La Mancha”. Op die opvolger van het eerder uitgebrachte en vrij lovend onthaalde tweetal “Somebody Somewhere” en “September” gooit de jongeling het roer behoorlijk om. Waar zijn vorige platen vrij intimistische aangelegenheden waren, kiest hij ditmaal resoluut voor een wat stevigere, meer gitaargeoriënteerde aanpak. Daarbij mocht hij ondermeer rekenen op de steun van zijn eigen live band, van Pete Sands van The Honeydogs (keyboards) en van ex-Replacements-gitarist Slim Dunlap. Thematisch gezien draait zo goed als alles hier om frustratie en hoop. En die gevoelens worden ingebed in catchy melodietjes met hooks zo scherp als een recent geslepen slagersmes. Goede voorbeelden daarvan zijn de pompende opener van het album “Is That You?”, nerveuze, typische eind-jaren-zeventig-rockertjes – denk Parker, Costello, Stiff - als “Meeting Like This” en “”Falling Away”, het gedreven “Say Anything” en jengelpopdeuntjes als “Magazine” en “Nobody Writes Letters Anymore”.

www.martindevaney.com

www.eclectonerecords.com

Miles Of Music

 

 

SIR VINCENT LONE (A.K.A. JACKIE LEVEN)

“Songs for Lonely Americans”

(Glitterhouse – mail order only)

(3.5) J J J J

 

Bij het recenseren van dit album vervagen de alt. country-grenzen weer wat verder, want wat zijn nu eigenlijk de definities van “ons” genre? Gelukkig kan ik onmiddellijk als tegenargument opwerpen, wie maakt deze grenzen, en wie beperkt ze voor Jackie Leven? De “Keltische Soul” van deze singer-songwriter - from the Kingdom of Fife, Schotland – is zo rijk, dat je eenvoudigweg kan concluderen, dat Jackie’s muziek etiketvrij is, los van allerlei benepenheid, los van contractuele verplichtingen, los van God. Zijn levensfilosofie bezingt en verhaalt hij vanuit zijn hart, eerlijk en direct, maar ook met de nodige zwarte humor. Jackie’s oorspronkelijke kwaadheid/frustratie, veroorzaakt door een troosteloos en leeg bestaan, dreven hem jaren geleden - weg van huis - doorheen diverse Europese steden, alwaar hij zijn uitzonderlijk muzikale talent vorm gaf. Jackie’s drive is inmiddels gelouterd en zijn honger naar “de wegen van de wereld” wordt verwoord in zijn songs, in de zeventiger jaren eerst via zijn rockband Doll by Doll, jaren daarna via zijn solo-werk.

Zonder diepte- ook geen hoogtepunten. En omdat hij behoorlijk diep is geweest, kan je stellen dat hij momenteel euforisch is. Jackie Leven kent de laatste jaren een aanzienlijke productie, want buiten zijn reguliere CD-werk verschijnt via hobby-club Haunted Valley ook ieder jaar een zogenaamde officiële bootleg. Vanwege alsmaar toenemende belangstelling werd de eerste uit deze serie bootlegs (“For Peace Comes Dropping Slow”) in 2004 opnieuw uitgebracht.

Op de hoes van dit laatste album, “Songs for Lonely Americans”, wordt een foto getoond van een jonge Jackie Leven. Die ziet eruit alsof gemaakt tijdens een vroeger optreden, maar de opname is zo gedetailleerd dat hij vast niet uit de losse pols genomen is. Ik herken hierin een vorm van jeugdige onbezorgheid, maar dan wel verstild in een religieus moment, vandaar dat wellicht gekozen is voor het pseudoniem “Sir Vincent Lone”, een frisse impuls, jezelf realiserend dat de verleden tijd daadwerkelijk voorbij is. Deze constatering geldt overigens uitsluitend voor het fysieke beeld, want het audio-materiaal is schoon als altijd.

Met assistentie van Michael Cosgrave, Kevin Foster en David Wrench zijn 7 tracks zorgvuldig neergelegd, waarbij bas, gitaar en keyboards de hoofdlijn bepalen binnen de instrumentatie, de resterende 2 nummers komen rechtstreeks uit “The Vaults of Sir Lone”. Jackie’s muziek, ongetwijfeld niet besteed aan iedereen, blijft spannend en intrigerend, maar ook losjes en fijngevoelig. En voorlopig blijf ik dan ook graag meevaren op dit avonturenschip. Weliswaar is dit album niet van zo’n unieke schoonheid als bijvoorbeeld “For Peace Comes Dropping Slow”, maar het bevat wel degelijk een aantal onmiskenbare pareltjes, die een echte liefhebber niet zal schuwen.

“Songs For Lonely Americans” is vooralsnog uitsluitend beschikbaar als postorder-item bij Glitterhouse (Return To Sender-reeks), zoek er onder Jackie’s alter ego.

 

De opnames die vorig jaar van Leven op Crossing Border in Den Haag werden gemaakt zijn overigens momenteel ook op DVD beschikbaar. Eveneens bestelbaar via één van de onderstaande URL’s - werktitel “The Meeting of Remarkable Men – Jackie Leven Live” (m.m.v. Ian Rankin, Ciaran Carson, David Thomas (Pere Ubu) en multi-instrumentalist Michael Cosgrave.)

http://www.jackieleven.com

Glitterhouse

Cooking Vinyl

 

 

BOB CHEEVERS

“One Man One Martin”

(Inbred Records)

(3.5) J J J J

 

Eindelijk weer eens een album dat zijn titel probleemloos weet waar te maken. “One Man One Martin” is immers een plaat die exact datgene biedt wat ze daarin belooft: één man, zijn liedjes en zijn akoestische gitaar. De man in kwestie is de dezer dagen in Nashville woonachtige songsmid Bob Cheevers, die de voorbije jaren regelmatig van zich deed spreken met “meer aangeklede” releases als “Gettysburg To Graceland”, “The Stories I Write” en de restjescompilatie “People, Places & Things”. Maar hier is het dus helemaal back to basics. Vertaald naar een twaalf eenheden tellende collectie erg directe Americana folkliedjes, een nasale vaagweg aan Willie Nelson herinnerende stem en het zeer expressieve gitaarspel van Cheevers zelf. Dat die minimalistische benadering na verloop van tijd allesbehalve tot vervelingsverschijnselen gaat leiden spreekt boekdelen over de sterkte van Cheevers’ songs. “I don’t know if these stories are true,” stelt hij daarover zelf in het openingsnummer van de plaat “Horseshoe Man”, “but they happened to me.” En zo klinken ze dan ook.

www.bobcheevers.com

CD Baby

 

 

THE WOODYS

“Telluride To Tennessee

(Rocade Records)

(4.5) J J J J J

 

 “Telluride To Tennessee” is ondertussen al de derde CD van Michael en Dyann Woody en net als voorgangers “The Woodys” uit 1998 en “Teardrops And Diamonds” uit 2001 is het een ronduit heerlijke countryplaat geworden. Een mens vraagt zich daarbij zelfs luidop af, hoe het in godsnaam mogelijk is dat de twee nog niet op grote schaal zijn doorgebroken. Hun samenzang is als naar goede gewoonte ronduit goddelijk. (Als Phil en Don Everly broer en zus waren geweest, dan hadden ze waarschijnlijk geklonken als deze Woodys.) En Michael is bovendien ook nog eens een fantastische songwriter.

Als geheel klinkt “Telluride To Tennessee” een stuk gevarieerder dan zijn voorgangers. Er werd ditmaal geopteerd voor een meer rootsgetint geluid, waarbij een opvallend ruim aandeel blijkt weggelegd voor bluegrass en aanverwante genres. En schoon volk als Pat Flynn (gitaar), Ronnie McCoury (mandoline), Dave Pomeroy (bas), Larry Atamanuik (drums), Tammy Rogers (fiddle), Al Perkins (dobro), Scott Vestal (banjo), Fats Kaplin (accordeon), Herb Pedersen en Gretchen Peters (harmonieën) werd dan ook graag bereid gevonden om een handje te komen toesteken. Hoogtepunt na hoogtepunt ontstond op die manier. Een klassieke countrysleper als “Long Time Gone”, rootsy Americana à la “Greener Pastures”, “Hillbilly At Heart”, “Telluride To Tennessee” of “My Train Of Thought”, een hartverscheurend mooie cover van de Chris Hillman-Gram Parsons-compositie “Sin City”, een cajunesk intermezzo als “Kick Up The Dust”, onvervalste bluegrass van het type “He’s Back & I’m Blue(grass)”,… We zouden eigenlijk gewoon alle nummers kunnen opsommen, want kaf zit er hoegenaamd niet tussen het koren van The Woodys. De conclusie is dan ook even simpel als voor de hand liggend: dit is een dijk van een plaat!

www.thewoodysmusic.com

www.rocade-records.no

CD Baby

 

 

BRIAN RUNG

“Late For The Show”

(Boggy Creek Records)

(4) J J J J

 

Met zijn ondertussen ook al weer vier jaar geleden verschenen titelloze debuutplaat had de jonge Texaan Brian Rung wat ons betreft al duidelijk bewezen één van dé vanuit die hoek opererende singer-songwriters voor de toekomst te zijn. En de opvolger van dat album, “Late For The Show”, bevestigt ruimschoots al het goede wat we toen al in hem meenden te mogen horen. In een coproductie met zijn collega Matt Powell en Britton Biesenherz serveert de duidelijk door Dylan beïnvloede Rung daarop ditmaal tien nieuwe eigen liedjes – al kreeg hij daarbij voor “Straight To The Bottom” wel wat hulp van Chad English – die zich door de grotendeels akoestische instrumentale invulling ervan nog het best laten typeren als Texaanse country folk. Enkel voor het bluesy stampertje “All The Way To Waycross” gaat het tempo even gevoelig omhoog. Elders is het heerlijk mijmeren geblazen bij met mandoline, dobro, pedal steel, banjo, fiddle en occasioneel ook een orgel versierde liedjes gedragen door de charmant-ruige stem van Rung, die zich als een wurgslang om zijn eigen poëtische uitingen over de liefde en het leven in het algemeen sluit.

Warm aanbevolen! (Zeker aan allen die bijvoorbeeld een Guy Clarke, een Rod Picott of een Bill Chambers een warm hart toedragen.)

www.brianrung.net

Texas Music Round-Up

 

 

NATHANIEL MAYER

“I Just Want To Be Held”

(Fat Possum Records / Munich)

(4) J J J J

 

Enkele dagen geleden bespraken we hier de Fat Possum Records labelverzamelaar “Not The Same Old Blues Crap 3” en één van de artiesten die daarop de diepste indruk op ons maakten was Nathaniel Mayer. Deze achtenvijftigjarige kleurling afkomstig uit de achterbuurten van Detroit leek op basis van singles als “My Last Dance With You”, “Village Of Love”, “Leave Me Alone” en “I Want Love And Affection (Not The House Of Correction)” vroeg in de jaren zestig voorbestemd tot grootse dingen. Het lot zou er echter anders over beslissen. Zijn toenmalige werkgever, Fortune Records, bleek immers een stuk minder fortuinlijk dan die naam deed vermoeden. Het label moest onder de niet aflatende druk van de economie na verloop van tijd zijn deuren zelfs helemaal sluiten. En Mayer? Die raakte ten gevolge daarvan aan lager wal. Van de regen in de drop ging het: werkeloosheid, alcohol, drugs… Het bekende plaatje!

Een kentering kwam er pas toen de man begin dit jaar uit louter financiële noodzaak contact zocht met de soul- en bluespioniers van Fat Possum Records. Bepaald diplomatisch ging hij daarbij niet tewerk, zoals de volgende, aan dat eerste gesprek ontleende woorden afdoende mogen verduidelijken. “Look, goddamnit, I know you have some fucking money. I’m not a child, don’t treat me like one. We’re not gonna do no record no how. Fuck the thousands dollars. Fuck everything. Just send me twenty dollars so I can get my dick sucked. Add seven more for something to drink – I been good all week and I got to get high and party tonight. Look just wire me a hundred bucks, needs cigarettes too, and we cool.” Maar zijn directe aanpak sprak danig aan, dat Mayer - wellicht tot zijn eigen grote verbazing - prompt een contract kreeg aangeboden. En daar mogen we met zijn allen best blij om zijn. “I Just Want To Be Held” is immers een fantastische soulplaat van een man die qua intensiteit volop herinnert aan artiesten als Sam & Dave en James Brown in hun beste dagen. Soul, R&B, funk en blues gaan hier allemaal in één grote emmer, die je vervolgens brutaal over het lijf wordt geknald. Onmogelijk om hierbij stil te blijven zitten. Met uitzondering van een bloedgeile, wild om zich heen stampende cover van John Lennons “I Found Out”, het broeierige “Satisfied Fool” van zijn gitarist Jack Yarber en het stomende “From Now On” van Devora Brown gaat het daarbij uitsluitend om eigen composities van Mayer. Die werden met de hulp van gitaristen Dale Beavers, Jeff Meier en de hoger al even vermelde Jack Yarber, bassist Greasy Carlisi, drummer Timo Gross, toetsenman Adam Woodard en blazers Suzi Hendrix (sax) en Brandon Lewis (trompet) dodelijk efficiënt ingeblikt. Voor ons is dit daardoor een even grote verrassing als Solomon Burke’s retour de force “Don’t Give Up On Me” dat twee jaar geleden al was.

www.fatpossum.com

www.munichrecords.com

 

 

MARK CHESNUTT

“Savin’ The Honky Tonk”

(Vivaton! Records)

(4) J J J J

 

Savin’ the honky tonk? Als er naast Dwight Yoakam nog één ook in Nashville regelmatig aan de bak komende artiest is aan wie we dat toevertrouwen, dan is het wel Mark Chesnutt. Chesnutt is immers één van de beste klassieke countryzangers van zijn generatie en wat meer is… de man heeft Texaanse roots! Dat hij voor zijn laatste CD songs van streekgenoten als Kevin Fowler (de zwierige drinkliederen “The Lord Loves The Drinkin’ Man” en “Beer, Bait And Ammo”) en Billy Joe Shaver (een krakende versie van “Honky Tonk Heroes”) coverde, is dan ook niet zo verwonderlijk. “Tell me, is it too much for a man to ask, to hear Haggard and Jones sing “CC Waterback”?”, vraagt hij zich bezorgd af in de met Jimmy Ritchey en Bob Regan zelf gepende opener “Somebody Save The Honky Tonks”. Een taak die hij zich vervolgens maar zelf ter harte neemt. Zalig croonend in “Would These Arms Be In Your Way” – bekend ondermeer in de uitvoering van wijlen Keith Whitley -  en “Mama’s House”, belerend swingend vanuit zijn hoekje van de bar in Roger Miller z’n “You Can’t Do Me This Way” of “Don’t Ruin It For The Rest Of Us”, uitnodigend tot “a cold one” in de eerder al aangesproken Kevin Fowler-songs en in het beheerst (country)rockende “My Best Drinkin’”, of gewoon “tonkend” alsof zijn leven ervan afhangt, zoals in het in fiddle- en steelklanken zwelgende “Since You Ain’t Home” of het catchy “The We Can All Go Home”, Chesnutt bewijst hier vrijwel voortdurend, dat ook commerciële country anno nu nog best charmant kan zijn. Net als het hier onlangs nog besproken “Almost Yesterday” van Craig Dillingham willen we dit dan ook graag tot een echte topper in zijn genre uitroepen.

www.markchesnutt.com

www.vivatonrecords.com

 

 

BURRELL

“Burrell”

(Muve Recordings)

(3.5) J J J J

 

Eerder dit jaar plezierde onze favoriete Zwitserse singer-songwriter Reto Burrell ons nog door zich op zijn derde CD “Roses Fade Blue” van zijn akoestische kant te tonen, maar sinds het verschijnen van die plaat is er behoorlijk wat veranderd. Reto Burrell werd Burrell, platenlabel Blue Rose Records werd na een vijf jaar durende samenwerking bedankt voor bewezen diensten en ingeruild voor Muve Recordings en op zijn in een flitsend hoesje gestoken vierde album gaat de man resoluut voor een meer mainstream georiënteerd geluid. Een geluid waarin de elektrische gitaren opnieuw een hoeksteen blijken. Openingsnummer “Take The Sun” is zo een stevige, op een dreigende bas geënte kamerbrede rocker waarin de ooh-hoos voortdurend aanstekelijk laag over komen vliegen, “Into You” en “Foolish” zijn bepaald radiovriendelijke rootspopdeuntjes, “Maybe Yes, Maybe No”, “No One’s Around” en “Shut The World Down” blijken knappe, hitgevoelige ballades te zijn, “You’re A Sin” en “Wash Away Lies” dan weer dampende gitaarrockers en “Everything I Need”, “Good Time” en het afsluitende “Favourite Waste Of Time” popliedjes van het type dat het bijvoorbeeld ook op de nationale jeugdzender Studio Brussel verre van kwaad zou doen.

Het is dus weliswaar allemaal even wennen na die ingetogen voorganger, maar al na enkele draaibeurten dulden Burrells catchy songs nauwelijks nog weerstand en nestelen ze zich als vanouds weer knus tussen je oren.

www.burrell.ch

Blue Rose

 

 

THE MELROYS

“The Melroys”

(95 North)

(3.5) J J J J

 

Een CD die - voornamelijk door toedoen van de enorme stroom aan nieuw materiaal die we de voorbije weken over ons heen zagen komen - veel langer dan ons normaliter lief is op haar welverdiende bespreking diende te wachten is het bijzonder knappe debuut van de uit St. Louis, MO afkomstige Melroys. Singer-songwriter Randy Leiner en de zijnen zijn daarop zeer gedreven in de weer met twangy rock & roll. Het ene moment doen ze je denken aan Dave Edmunds in volle Rockpile-tijd (“I Don’t Care (What They Say)”), het andere zijn Tom Petty (“Top Of My World”), de country-Costello (“Who’d A Thought You’d Be The One To Go”) en de Traveling Wilburys (het George Harrison-eerbetoon “Where The Good Ones Go”) de aangewezen referentiepunten. Leuk is ook de swingende, het geheel afsluitende R&B-gestijlde cover van de Billy Swan-compositie “Lover Please”.

Heerlijk twangende gitaartjes, knappe lap steel-, slide-, harmonica- en keyboardbijdragen en vooral ook de bij tijd en wijle echt knappe samenzang verlenen aan dit schijfje een aangenaam nostalgisch tintje. Geen slecht woord van onzentwege dan ook over dit visitekaartje vol “jangly twang”, dat integendeel nu al volop doet uitkijken naar meer… Dat bewijst trouwens ook het feit, dat The Melroys nu al enkele weken lang genoteerd staan in de op radio spins gebaseerde AMA-chart.

www.themelroys.com

www.95northrecords.com

Miles Of Music

 

 

DAVID O’GILVY

“Mockingbird”

(Thumbpick Records)

(3.5) J J J J

 

 “Mockingbird” is de wel bijzonder sfeervolle tweede CD van de – ons tot voor kort volslagen onbekende – Schotse singer-songwriter David O’Gilvy. Die blijkt daarop niet enkel een uitstekend liedje in de vingers te hebben, hij beschikt daarnaast over een buitengewoon expressieve stem – ’n beetje Guy Clark-achtig - en bespeelt in eigen productie ook zelf gitaren, mandoline, tres, pedal steel, dobro, ukelele, whistle en piano’s. Van een duiveltje-doet-al gesproken! Voor twaalf van de veertien prachtig gearrangeerde liedjes tekende hij zelf. De overige twee zijn doorleefde covers van Bob Dylan z’n “Tomorrow Is A Long Time” en Townes Van Zandts “White Freight Liner Blues”. En daarmee is hij artistiek gezien meteen ook enigszins gesitueerd. Als Brit heeft hij niet alleen oog voor het eigen (Keltische) muzikale erfgoed, maar lonkt hij ook stevig naar de Texaanse groten. Mocht hij in de Lone Star State hebben gewoond, dan zouden we trouwens al lang veel meer van ‘m gehoord hebben. Een regelrechte revelatie!

www.davidogilvy.co.uk

 

 

BILLY DON BURNS

“Heroes, Friends & Other Troubled Souls”

(IndieMafia Records)

(4) J J J J

 

De ons vanop het hoesje van zijn nieuwe CD van achter donkere brillenglazen vervaarlijk aankijkende Billy Don Burns is nog eens wat wij hier “‘nen echten” plegen te noemen. In tegenstelling tot veel van de het legertje neo-outlaws bevolkende individuen is Burns allesbehalve een poseur. Hij moet het hoegenaamd niet hebben van een vooraf zorgvuldig uitgedokterd imago. Zijn pennenvruchten vormen immers gewoon een verlengstuk van zijn woelige persoonlijke leven. Een bestaan dat zo menig een zwarte bladzijde heeft opgeleverd, met als absoluut dieptepunt de vroege jaren negentig, toen hij door een ernstig drugprobleem getekend werd voor het leven. Burns’ liedjes zijn vaak echte pareltjes. Als je d’r bijvoorbeeld de naam Cash zou onder zetten, dan zouden ze gegarandeerd uitgroeien tot klassiekers. “Mississippi”, het openingsnummer van zijn nieuwe CD, schreef hij zo met de legendarische Hank Cochran. Het blijkt om een stevig countryrockduet met zijn vrouwelijke collega Tanya Tucker te gaan. In “I Was There” is vervolgens de storyteller Burns aan het woord. In dat liedje verwoordt hij het stukje levensgeschiedenis dat van hem een muzikant zou maken. Evenals in het cynisch opgevatte eerbetoon aan zijn helden “Haggard & Hank” trouwens. Hen schuift hij met de tong stevig in de wang geplant de zwarte piet toe voor zijn eigen zwaar leven als muzikant. In “Dark Side Of The Spoon”, een donkere, moody story song over een “gebruiker”, “Runnin’ Drugs Out Of Mexico”, een broeierig (country)verhaal over een flink uit de hand gelopen deal, en “Full Blown Addict”, een lap op fraai mandoline- en banjowerk van Dale en Don Wayne Reno geënte rootsy country, plaatst hij de spuit nog één keer tegen de arm van zijn eigen verleden. En “No Man’s Land” brengt hem zelfs even in de buurt van zijn grote held Johnny Cash. Net als de ingetogen cover van diens “Give My Love To Rose” trouwens, de enige niet-Burns-compositie hier. Speciale vermeldingen zijn er verder ook nog voor de eerste single van de plaat, “Keith Whitley Blue”, waarin hij middels vergelijkingen met de gemoedsgesteldheid van Keith Whitley en de oude Williams zijn eigen eenzaamheid zoekt te verwoorden, het als een soort slow motion-versie van “City Of New Orleans” opgevatte “Sailing Down The Nile” en de met z’n maatjes Willie Nelson en Hank Cochran gebrachte trage honky-tonk ode aan de grote Cline, “Patsy” that is.

Billy Don Burns staat met andere woorden nog voor country op z’n puurst. En “Heroes, Friends & Other Troubled Souls”? Dat is gewoon een ijzersterke plaat.

www.billydonburns.com

 

 

STEVE MAYONE

“Bedroom Rockstar”

(Umver)

(3.5) J J J J

 

Steve Mayone draait al zo’n goeie twintig jaar mee in het vak. En dat leverde ondermeer vijftien gewoon thuis ingeblikte albums op. Een gegeven dat meteen mee helpt verklaren, hoe het kan dat zijn “officiële solodebuut” “Bedroom Rockstar” zo verrassend rijp overkomt. De multigetalenteerde Mayone stond in het verleden ondermeer ook in voor het snarenwerk – gitaar, mandoline, bas – bij bands als Hummer, Sticky en de Benders, en de kleine lettertjes op de platen van bekendere collega’s als Kris Delmhorst, Jess Klein, Levon Helm, Jimmy Ryan (Blood Oranges) en Dave Mattacks (Fairport Convention) leren dat hij bovendien ook daar zijn sporen verdiende als begeleider. Op zijn eersteling voor eigen rekening treffen we een veelheid aan stijlen aan: prachtige Americana (zoals het met Clare Burson gebrachte duet “Deeper In The Well” of het van een sprankelende banjobijdrage voorziene “Going Down”), Beatle-eske pop (“Other Side”), ingetogen (rockende) akoestische singer-songwriter stuff (“Not That Strong”, “Wanted Man” - wederom met Clare Burson - en “Losing”), melodieuze power pop (“The Sweetest Thing”), gitaarrock (het titelnummer), een pianoballade (“I Don’t Deserve You”), folk (“She Runs Deep”) - een echt muzikaal smörgasbord is het. Dat “Bedroom Rockstar” desondanks toch een hecht geheel vormt, is vooral te danken aan de flexibele stem van Mayone zelf. Die vormt als het ware het cement tussen de twaalf bouwstenen van deze buitengewoon intrigerende plaat. (Dertien zelfs, als we de gevoelsmatig weer volop aan de Fab Four herinnerende instrumentale bonus track volledigheidshalve ook nog even mee in rekening brengen.)

www.stevemayone.com

CD Baby

 

 

BILL MALLONEE

“Dear Life,”

(Fundamental Records)

(3.5) J J J J

 

Op zijn jongste albums was singer-songwriter Bill Mallonee zich wat al té nadrukkelijk gaan inlaten met Britpop om ons nog echt voltijds te kunnen bekoren. “Dear Life,” markeert evenwel een terugkeer langs de grote poort, waarbij alt. country gelukkig weer terug het sleutelwoord blijkt. Voor die nieuwe schijf nam de man naast al het schrijf- en zingwerk zelf ook akoestische en elektrische gitaarbijdragen, percussiewerk, de banjo en de harmonica voor zijn rekening. Zijn partner in crime binnen The Driving Rain, Jake Bradley, is er eveneens voor gitaarwerk en bespeelt verder de bassen en het accordeon. Andere betrokkenen zijn John Keane (productie, pedal steel, akoestische en elektrische gitaren, backing vocals), David Claassen (fiddle), Jon Radford (drums, percussie), Brandon Reynolds (keyboards, piano) en Patrick Ferguson (drums). Samen tekenen zij voor een wel erg persoonlijk overkomend geheel. Bij momenten lijkt het erop, dat we samen met Mallonee rond het op het hoesje van de CD afgebeelde kampvuur zitten en hij volop uit zijn eigen dagboeken citeert. Daarbij blijken de ontgoochelingen in zowel zijn persoonlijke als zijn artistieke leven vrijwel voortdurend centraal te staan.

“You cut yourself on dreams * it’s

broken glass ya can’t quite escape *

so you gather up the shards * and

sprinkle them on magnetic tape,”

vat hij dat gevoel mooi samen in “After All This Dust Settles Down”, het met pedal steel, harmonica en akoestische gitaar ingekleurde breekbare openingsnummer van de plaat. Vergelijkbare geluiden horen we verder bijvoorbeeld ook in “Carol Merrill” en “High… And Lonesome”. Steviger kan het evenwel ook allemaal. “Ready And Red-Eye” bijvoorbeeld is een lekker rockertje met onweerstaanbaar rinkelende (Byrds)gitaartjes, “Who Will You Love?” singer-songwritermateriaal twijfelend tussen een rock & roll-ondertoontje en Cash-style country en “Chameleon (Pin My Hope)” gewoon een speels twangy popliedje. Twee andere hoogtepuntjes zijn het door een klagende pedal steel in onzekerheid ondergedompelde “The Kidz On Drugz (Or Life)” en het van een mooie harmonica-intro voorziene “I Will Never Be Normal (After This), een “I’m On Fire”- achtig liefdesliedje mét inhoud – een eerder zeldzaam verschijnsel dezer dagen.

Wat ons betreft is Mallonee met “Dear Life,” dan ook daar terug aanbeland waar hij eigenlijk thuishoort, met name tussen de allerbeste Americana/alt. country-artiesten van het moment.

www.billmallonee.net

www.fundamentalrecords.com

Paste Music

 

 

WALT WILKINS

Mustang Island

(CoraZong / Heartselling / MML)

(4) J J J J

 

In het overaanbod ons vanuit Texas bereikende platen vormen die van singer-songwriter Walt Wilkins steeds weer een ware verademing. Voor zover je een CD al grijs kan draaien is dat precies wat hier gebeurde met ’s mans vorige album, “Rivertown”. En het zou al heel vreemd moeten lopen wil dat ook niet het lot zijn dat zijn nieuwe plaat “Mustang Island” wacht.

Wilkins is dan ook een speciale. Zijn liedjes vinden zowel in Nashville (Ricky Skaggs, Ty Herndon, Perfect Stranger, Sammy Kershaw, Pam Tillis,…) als in Texas (Pat Green) gretig aftrek. En dat zegt eigenlijk veel over de kwaliteit ervan. Net als bijvoorbeeld ook een Kevin Welch, een Radney Foster of een Kris Kristofferson behoort Walt Wilkins tot dat selecte clubje van songsmeden die zowel bij het grote publiek als bij de betweterige incrowd goed liggen. En dat verdankt hij vooral aan het feit dat hij ook altijd wel echt iets te vertellen heeft in zijn liedjes. Een Amerikaanse schrijvende collega ging zelfs zo ver om hem te vergelijken met John Steinbeck. Als dat geen compliment is… Voeg daar nog aan toe dat de man gezegend is met een bijzonder warme, van emotie doordrongen stem en je begrijpt wellicht waarom wij zo hoog met hem oplopen. Wat ons betreft is hij gewoonweg één van de laatste échte Texaanse troubadours.

Zo’n liedjes als het heerlijke country-niemendalletje “I Chose This Road” – de terechte eerste single van de plaat overigens – waarin Wilkins op doorleefde wijze te kennen geeft absoluut geen spijt te hebben van de keuzes die hij in zijn leven tot dusver maakte, vloert je al meteen na de eerste gongslag genadeloos. En van dat kaliber vind je hier wel meer materiaal. Het met Billy Montana gepende “We’ve All Got Our Reasons” bijvoorbeeld (over op het eerste gezicht vreemd overkomende beslissingen die mensen in je omgeving in hun persoonlijke levens wel eens durven te nemen), het ingetogen “Someone Somewhere Tonight” (over het zoeken naar bevestiging van een liefde in een wereld waarin dat alsmaar abnormaler wordt) ook, of de Pat Green co-write “Wrapped”. Montana en Green zijn overigens lang niet de enigen die met Wilkins achter de schrijftafel postvatten. Ook Danny Flowers, Jamie Richards, Kimmie Rhodes, Jon Randall, Jim McBride, Liz Rose, Davis Raines en Naoise Sheridan gingen maar wat graag op zijn verzoek om samen te werken in. Vermelden we tenslotte volledigheidshalve ook nog even, dat met Michael Nesmith’s “Grand Ennui” en Kevin Welch z’n “One Way Ride” ook twee puike covers op deze bijzonder mooie plaat belandden. En dat “Mustang Island” verkrijgbaar is via CoraZong Records.

www.waltwilkins.com

www.corazong.com

 

 

LARRY GATLIN & THE GATLIN BROTHERS

“Sing Their Family Gospel Favorites”

(Dualtone / Bertus)

(2) J J

 

Gospel blijkt behoorlijk in tegenwoordig. Buddy Miller deed er al zijn voordeel mee om met “Universal United House Of Prayer” één van de mooiste albums van het jaar te maken. En onlangs nog bespraken we het ook al fantastische “Lifeline” van Iris DeMent. Om nog maar te zwijgen over de vele religieus geïnspireerde liedjes die in de loop van het jaar op tal van andere platen opdoken. De broertjes Gatlin hadden dan ook nauwelijks een beter moment kunnen kiezen bij het prikken van een releasedatum voor hun nieuwe album “Larry Gatlin And The Gatlin Brothers Sing Their Family Gospel Favorites”. Maar… Hun opportunisme blijkt een tweesnijdend zwaard. Enerzijds surfen ze zo natuurlijk behendig mee op die golf van wat momenteel hot is, anderzijds liggen de vergelijkingspunten zomaar voor het oprapen en die vallen al bij al toch wel vrij zwaar in hun nadeel uit. Larry en zijn broers Steve en Rudy mogen dan al mooizingers zijn, die door hun samenzang in een oogwenk je aandacht weten te trekken, wat ze met klassiekers als “Swing Down Chariot”, “Amazing Grace”, “Rock Of Ages” of “In The Garden” doen getuigt gewoon van te weinig creativiteit en weet slechts zelden te bekoren. Grote uitzondering is de fraaie close harmony-medley die de drie brengen van “Just A Closer Walk With Thee” en “What A Friend We Have In Jesus”. Maar geef ons al bij al toch maar liever de eerder genoemde platen, waarop het gospelgenre een flink stuk origineler benaderd wordt.

www.gatlinbrothers.com

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

STEFF MAHAN

“42.50”

(Lounge Hound Records)

(3.5) J J J J

 

Ik breek er me al een poosje het hoofd over, hoe je haar naam nu eigenlijk hoort uit te spreken. Op z’n Frans, of toch maar op z’n Engels? Maar ach, wat doet het er ook allemaal toe… Gewoon luisteren naar haar nieuwe album, da’s waar het eigenlijk om gaat, niet toch? De in Nashville woonachtige Steff Mahan heeft met haar tweede CD “42.50” immers een erg leuke (alt.)country-CD afgeleverd. Die door Michael Grimes geproduceerde plaat valt meteen op door haar catchy karakter. Gelijk van bij de speelse opener – titelnummer “42.50” – wint Mahan in het gezelschap van een stuk bekendere collega’s als de dezer dagen alomtegenwoordige Will Kimbrough en Colonel J.D. Wilkes van Th’Legendary Shack*Shakers je sympathie. Bij haar o zo toegankelijke liedjes over het leven on the road en aanverwante thema’s voel je je ogenblikkelijk thuis. En dat ligt in niet geringe mate aan de bijzonder soulvolle manier waarop Mahan ze weet te brengen. Vooral wat introvertere songs als “Leaving Money” en “Not So Perfect” gloeien een beetje. Beheerste gitaren, een zacht jammerende steel en sfeervolle keyboards vormen daarin de ideale achtergrond voor Mahans knappe zang. Door de overtuiging waarmee ze de tien liedjes hier naar haar hand zet, herinnert ze vocaal soms een heel klein beetje aan haar onfortuinlijke collega Melissa Etheridge (bij wie onlangs borstkanker werd vastgesteld). Niet helemaal zonder commerciële potentie, zo lijkt ons…

www.steffmahan.com

CD Baby

 

 

ROSAVELT

“The Story Of Gasoline”

(Gaff Music / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Ik moet je eerlijk bekennen dat de naam Rosavelt mij voor het consumeren van “The Story Of Gasoline” maar bitter weinig zei. Toch blijkt het daarbij al om de derde CD van dit vierkoppige gezelschap rond zanger-gitarist Chris Allen te gaan. De groep, die verder bestaat uit bassist Keith Hanna, tweede gitarist Jesse Bryson en drummer Miles Loretta, liet zich, zo leerde wat opzoekwerk op het internet, op haar twee eerder verschenen platen “Carp & Bones” en “Transistor Blues” vooral in met roots rock en alt. country. En wat dat betreft betekent het derde album dan toch een beetje een stijlbreuk. Recht-toe-recht-aan-rock & roll wordt daarop immers gepreekt. Liefhebbers van Slobberbone, recent nog Two Cow Garage en vooral ook The Replacements mogen stilaan rechtop gaan zitten en de oren spitsen. De opvallende stemgelijkenis van Allen met Paul Westerberg zal daarin wellicht wel een bepalende rol spelen. Maar ook een aantal van de songs schreeuwen wel degelijk om een vergelijking met de Mats. “The Last Heartache” bijvoorbeeld, dat me gevoelsmatig vrijwel onmiddellijk deed denken aan “Merry Go Round” van het klassieke album “All Shook Down” van Westerberg en de zijnen. Of het superaanstekelijke “Perfect Girl” dat ik in al zijn gruizige rauwheid nu al een blijvertje durf te noemen. Spannende gitaren, een dreigende bas, een strak om zich heen meppende drummer en dan die passionele grom van zanger Allen, meer moet dat niet zijn. Twaalf ijzersterke liedjes maken van “The Story Of Gasoline” überhaupt een aanrader, in zijn primitieve eenvoud net zo verleidelijk als dat lekkere kontje dat zich op het hoesje ervan gracieus naar boven begeeft. En producer Don Dixon bewijst hier terloops ook nog even het klappen van de zweep zeker nog niet verleerd te zijn.

www.rosavelt.com

www.gaffmusic.com

www.sonic.nl

 

 

TIM LEE

“No Discretion”

(Paisley Pop)

(3.5) J J J J

 

De verkoolde gitaar die het hoesje van zijn eerste soloplaat meteen zal doen opvallen tussen andere minder in het oog springende producten bij je platenboer is een duidelijke indicatie voor wat ex-Windbreakers Tim Lee voor je in petto heeft op dat album. Anderhalf jaar lang trok de man doorheen zijn thuisland rond om op diverse locaties met gerenommeerde producers als Mitch Easter, Todd Steed, Don Coffey Jr. (Superdrag), Bruce Watson en Neilson Hubbard dat visitekaartje in te blikken. En dat leverde een behoorlijk pittige CD op, waarop power pop en roots rock elkaars beste vrienden blijken en elementen uit de psychedelische hoek en bij momenten zelfs een onvermoede punk attitude de rest doen. Sterkste stukken zijn het licht Spectoriaanse, onder de hoede van Mitch Easter opgenomen rockertje “Speak Up Girl”, het naar iets van Tom Petty overhellende titelnummer, het punky “Keep Me Down” en het ingetogen “New Hope”, waarin een mandoline, een fiddle en een accordeon een aangenaam tegengewicht vormen voor al het hier toch wel overheersende elektrische gitaargeweld. Lee’s teksten, zijn catchy liedjes, zijn energieke gitaarbehandeling en de verzorgde productie van het geheel geven aan dat we ook in de toekomst wel degelijk nog rekening met hem zullen moeten houden. “No Discretion” is alvast het soort van plaat waarvoor je de volumeknop met plezier een lel naar rechts zal geven.

www.timleemusic.com

www.paisleypop.com

Miles Of Music

 

 

CURTIS POTTER

“Them Old Honky Tonks”

(Heart Of Texas Records)

(2.5) J J J

 

Justin Trevino liet zich door Curtis Potter als producer voor de kar van diens nieuwe CD “Them Old Honky Tonks” spannen. Hij was zo ondermeer ook verantwoordelijk voor de songkeuze. En dat werkje bracht hem tot bij de schrijftafels van Ray Pennington, Mel Holt, Clifton Crofford, Bobby Braddock, Doodle Owens, Don Rollins en Cindy Walker. Die dragen elk één of meerdere liedjes aan, waar Potter zich met veel zwier en pathos doorheen croont/zingt. Zo’n beetje à la Ray Price, zeg maar. De man leerde het vak dan ook bij groten als Slim Willet en Hank Thompson en heeft door de jaren heen al ruimschoots bewezen een goede leerling te zijn geweest. Luister ter illustratie bijvoorbeeld maar eens naar het in 1995 met Willie Nelson opgenomen album “Six Hours At The Pedernales” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. Maar ook “The Old Honky Tonks” is best een charmante plaat. Voor al wie zijn country nog graag puur en op z’n Texaans geserveerd krijgt tenminste, met andere woorden gekruid met een flinke snuif Western swing en andere honky-tonk-dansvarianten. Dave Kirby, Buddy Emmons, Jimmy Capps, David Smith, Kenny Malone, Rob Hajacos, Hank Singer en Bunky Keels zorgden voor de vakkundige aankleding van de liedjes, met een royale fiddle- en steel-inbreng als meest in het oor springend pluspunt. Daardoor klinkt dit album ook een stuk minder belegen dan het hier elders besproken en bij hetzelfde label verschenen jongste album van Dave Kirby.

www.hillbillyhits.com

Texas Music Round-Up

 

 

BEAUSOLEIL AVEC MICHAEL DOUCET

“Gitane Cajun”

(Vanguard Records / Munich)

(3.5) J J J J

 

Een nieuw album van de broers Michael (fiddle, gitaar, mandolie en leadzang) en David Doucet (gitaren en zang) en hun bondgenoten van Beausoleil is altijd weer welgekomen. Je weet bij voorbaat wat er je te wachten staat, maar het wordt steeds opnieuw met zoveel overtuiging en zo levenslustig gebracht, dat het toch telkens weer moeilijk is om eraan te weerstaan. Op hun jongste worp, hun eerste album sinds vijf jaar en ook hun eerste voor nieuwe werkgever Vanguard Records, “Gitane Cajun”, spelen de heren met flink wat invloeden. Pure cajun kan je ’t allemaal zeker niet meer noemen. Van bluesy spul (“La Flèche d’Amour”) tot eerder countryesk materiaal (“Lena Mae”), van zydeco (“Bye, Bye Boozoo”, hun eerbetoon aan Boozoo Chavis) tot walsjes of andere traditionele dansdeuntjes (“La Femme Qui Jouait Aux Cartes”), de Doucetjes leggen zich stilistisch gezien ditmaal nauwelijks beperkingen op. En precies daardoor groeit “Gitane Cajun” ook uit tot een plaat die een veel ruimer publiek zal aanspreken dan het gros van zijn voorgangers. Eigenlijk is het veeleer een roots- dan een cajunalbum. Très joli, denken wij dan. “I hope you enjoy the journey,” is de vrome wens die Michael Doucet aan het eind van de liner notes uitspreekt. De brave man kan op beide oren slapen…

www.vanguardrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

DAVE KIRBY

“Is Anybody Going To San Antone?”

(Heart Of Texas Records)

(1.5) J J

 

Dave Kirby kan terugblikken op een rijk gevulde muzikale carrière. Hij was een geliefde country disc jockey, speelde in Willie Nelsons groep, hanteerde de gitaar ook voor andere grootheden in het genre als Dolly Parton, The Hag, Emmylou Harris en Ray Price en heeft met het nummer “Is Anybody Going To San Antone?” zelfs een heuse country-klassieker achter zijn naam staan als liedjesschrijver. Spijtig genoeg vertaalt zich dat alles op het naar dat laatste liedje vernoemde nieuwe album van de man niet meteen in spectaculaire resultaten. De songs zijn over het algemeen nog best aardig te noemen, dat wel. Het gaat dan ook ondermeer om materiaal dat Kirby schreef voor een stuk bekendere collega’s als Merle Haggard, Johnny Cash, Ray Price, Waylon Jennings en Gene Watson. Maar dan zijn de te verdelen pluimpjes onherroepelijk op. Zowel ‘s mans zang als de productie zijn aan de eerder vlakke kant en ook de instrumentale invulling van de liedjes is allesbehalve wereldschokkend te noemen. Daardoor ontstaat de indruk dat je te maken hebt met een product dat ergens eind jaren zestig begin jaren zeventig het daglicht zag. Country van het wel zeer traditionele soort dus. Maar dan wel op zeer middelmatige wijze aan de man gebracht.

www.hillbillyhits.com

CD Baby

 

 

PETER CASE

“Who’s Gonna Go Your Crooked Mile?”

(Selected Tracks 1994 – 2004)

(Vanguard Records / Munich)

(3.5) J J J J

 

Bij het horen van de naam Peter Case zou je in eerste instantie moeten denken aan The Plimsouls, de uit Los Angeles afkomstige power pop band waarmee hij in de jaren tachtig ondermeer tekende voor het heerlijke “A Million Miles Away”, een klassieker in zijn genre. Vervolgens waren er zijn titelloze solodebuut (1986) en de qua titel nogal weirde opvolger daarvan, “The Man With The Blue Post-Modern Fragmented Neo-Traditionalist Guitar” (1989), twee fantastische hard folk-platen, die Case in een wat rechtvaardigere wereld ongetwijfeld tot sterrenstatus zouden hebben gebombardeerd. Niet dus! Via “Six-Pack Of Love” (1992), zijn zwanenzang voor zijn toenmalige werkgever Geffen, en het rauwe, samen met Marvin Etzioni gewoon in de living opgenomen “Sings Like Hell”, landde Case vervolgens een platendeal met Vanguard Records. Dat was in ’95. Voor dat label verschenen aansluitend nog “Torn Again” (1995), “Full Service No Waiting” (1997), “Flying Saucer Blues” (2000) en “Beeline” (2002). En tussendoor bracht hij in eigen beheer ook nog de akoestische verzameling “Thank You St. Jude” uit.

“Who’s Gonna Go Your Crooked Mile?” recapituleert nu – zoals de ondertitel (“Selected Tracks 1994 – 2004”) al deed vermoeden – het grootste deel van zijn Vanguard-jaren. En dat zijn jammer genoeg niet echt de hoogdagen van zijn carrière, vanwege wisselvalligheid troef. Enkel “Torn Again” en “Flying Saucer Blues” rekenen wij nog tot het betere werk van Case. De andere albums kenden weliswaar zo hun momenten, maar kon je als geheel bezwaarlijk echt geslaagd noemen. En dan wordt een verzamelaar als deze natuurlijk wel bijzonder handig. Aangevuld met twee nieuwe liedjes (“Wake Up Call” en “My Generation’s Golden Handcuff Blues”) en één niet eerder verkrijgbare live-opname (het in McCabe’s Guitar Shop in Santa Monica, CA ingeblikte titelnummer“Crooked Mile”) blijkt “het beste van” zijn vier Vanguard-albums toch goed voor ruim 71 minuten aangenaam luistervoer, dat gepaard gaat met de nodige tekst en uitleg van de man zelve in nogal summier uitgevallen liner notes. Luistertips: het met collega’s Kevin Bowe en Duane Jarvis gepende rockertje “Coulda Shoulda Woulda”, het Earle-eske “Two Heroes” en de “Celt-a-billy” van “On The Way Downtown” – één van de betere momenten van “Full Service No Waiting”.

www.vanguardrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

TODD THIBAUD

“Northern Skies”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

De uit Vermont afkomstige singer-songwriter Todd Thibaud wist ons onmiddellijk van bij zijn in 1997 verschenen solodebuut “Favorite Waste Of Time” – eerder maakte hij deel uit van de Courage Brothers – al te bekoren. En dat deed hij in ’99 met “Little Mystery” en nog eens een jaar later met “Squash” met gemak nog tweemaal over. Thibaud beschikt immers over het soort warm-gruizige stem dat bij bosjes slachtoffers maakt, hij schrijft ongemeen melodieuze roots rock-/popliedjes en is daarnaast ook een uitstekende gitarist. En veel meer moet dat voor ons absoluut niet zijn.

Na zijn derde album raakte de man echter verwikkeld in problemen met zijn Amerikaanse platenlabel en kwam zo noodgedwongen een poosje op non-actief te staan. Die periode overbrugde hij samen met zijn Blue Rose-stalgenoten Chris Burroughs, Terry Lee Hale en Joseph Parsons als Hardpan. Met het nodige succes overigens, zoals bijvoorbeeld nog mocht blijken uit de eerder dit jaar van die groep verschenen CD-DVD-combinatie “Live”.

’s Mans fans zullen desalniettemin maar wat tevreden zijn, dat er eindelijk weer eens nieuw werk van hun held in de schappen belandde. Kort na de DVD “Live At Toad” vormt “Northern Skies” ontegensprekelijk het voorlopige creatieve hoogtepunt in Thibauds carrière. Hij focust op die vierde CD wat nadrukkelijker op zijn Americana rock-zijde en dat gaat hem bijzonder goed af. Lekker veel gitaren, hier en daar een sfeervol B3-tje, mandoline, dobro en pedal steel als kersen op de taart en dan die aangename stem. Soms behoorlijk snedig zoals bijvoorbeeld in de sprankelende opener “Three Words”, in het slepend rockende “What She Means” of in de instant-meezinger “Long Way Down”, soms eerder ingetogen (en nogal rootsy) zoals in “Beautiful Dream” of “Sleep Tonight”, het klinkt echt allemaal even aantrekkelijk. En wij kunnen dan ook alleen maar hopen, dat hij ons op zijn volgende plaat niet weer vier jaar zal laten wachten. Zo word je veel te snel oud, man!

www.toddthibaud.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

LAURIE & JOHN

“Arabella”

(Broadmoor Records / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Hem kennen we vooral van zijn bijdragen aan baanbrekende acts als Uncle Tupelo ,Wilco en The Autumn Defense, haar als de muzikale wederhelft van Cary Hudson in Blue Mountain. Als ooit het grote geschiedenisboek van het alt. country-genre zal worden geschreven zullen John en Laurie Stirratt dus alleszins niet onopgemerkt blijven. En misschien zal er dan zelfs ook wel een voetnoot gereserveerd worden voor “Arabella”, hun eerste plaat samen sinds de late 80’s. De in november van 1967 op amper vijf minuten van elkaar geboren en later net buiten New Orleans ook samen opgegroeide tweeling verkent op die naar een straat in datzelfde New Orleans vernoemde collectieve inspanning waarop folk, country en rock een lonende romance aangaan gevoelens als eenzaamheid, verlangen en spijt. Dat resulteert in een aangenaam melancholisch geluid, waarin naast de mooie samenzang van de twee vooral ook de lap steel van John zelf en de pedal steel van John Pirruccello zeer nadrukkelijk aanwezig zijn. Opgemerkte gastbijdragen zijn er voorts ook van Will Kimbrough (baritongitaar), Jeff Tweedy (akoestische gitaar), Leroy Bach en Brad Jones(bas), Glenn Kotche (drums) en Pat Sansone (ondermeer op gitaar, bas, tamboerijn, piano en orgel). Herfstige liedjes als “Canadian Moon”, het al van Blue Mountain bekende “When You’re Not Mine” of het het verlies van een ouder bezingende “Ten Years Ago Today” maken van – het overigens in een fraaie, de sfeer van de plaat perfect illustrerende digifile gestoken - “Arabella” een album dat zich telkens weer warm tegen je aandrukt en onopvallend om je aandacht bedelt. Een album ook, dat zowel in folk-, Americana- als alt. country-middens ongetwijfeld in de smaak zal vallen. Benieuwd dan ook of we er ooit nog een vervolg op zullen mogen begroeten.

(“Arabella” is nu ook gewoon lekker handig dicht bij huis verkrijgbaar via Sonic Rendezvous.)

www.thestirratts.com

www.sonic.nl

 

 

MIKE & AMY FINDERS BAND

“Where You Are”

(Neighborly Records)

(4) J J J J

 

Voor “Where You Are” van de Mike & Amy Finders Band – Spreek uit zoals vlinders! – moeten we naar de afdeling uitstekende Americanaplaten. In onze ogen die van het type niet te missen zelfs eigenlijk. Nu zijn de echtelieden Finders en hun begeleiders met dat album dan ook niet meteen aan hun proefstuk toe. Eerder verschenen immers ook al “A Place To Carry Me To…” – toen nog onder de naam Fingers – (1998), “A Breeze Away From Gone” – als Mike & Amy Finders - (1999) en “Crystal Blue Morning” (2002).

Op hun vierde, voor het grootste deel door Patrick Brickel geproduceerde album evolueren de Findersen steeds meer in de richting van collega’s Buddy & Julie Miller. Net als dat veelgeprezen duo blijken ze beide over uitstekende stemmen te beschikken. Hij lichthees, wat rasperig, zij wulps, niet-zo-verborgen-verleidelijk. En net als de mannelijke Miller blijkt ook de mannelijke Finders een uitstekende songwriter te zijn. Acht van de elf liedjes hier droeg hij zelf aan. Twee daarvan, “River’s Blues” en “Muscatine”, zijn reprises van nummers van hun eerste beide albums. Covers zijn er verder van het door Harlan Howard en Billy Walker gepende “I’m Down To My Last Cigarette”, van Dave Moore’s “Take Our Time And Do It Right” en een heerlijke rootsy countryversie van Merle Haggard zijn “I’m Bringing Home Good News” met Amy in een opvallende vocale hoofdrol. Eén van de nieuwe liedjes, het qua sfeer volop aan de fameuze duetten van John Prine met Iris DeMent op “In Spite Of Ourselves” herinnerende “Adeline”, werd enkele maanden geleden bekroond tot de winnende bijdrage aan de vermaarde Chris Austin Songwriting Contest op het jaarlijks terugkerende Merlefest in Wilksboro, NC. Het heeft er dan ook alle aanschijn van dat mooie Amy en vlotte Mike de springplank naar een wat ruimere bekendheid gevonden hebben. En met hun knap uitgewerkte folkgrass verdienen ze dat succes ook wel. Liedjes als het al eerder aangeraakte en door de echtelui samen gezongen “Adeline”, Mike’s met David Zollo achter de piano en Al Murphy op de fiddle gebrachte Americana country tongue in cheek-smeekbede om na een relletje terug bij de groep te mogen, het door Amy hartverscheurend mooi gebrachte “River’s Blues” en het licht bluesy “Chuck Brown” zijn immers gewoon fenomenaal goede liedjes. En dan hadden we het nog niet eens over “Muscatine”. Dat is sfeervolle Americana à la Gram en Emmy, Buddy en Julie en/of Dave Carter en Tracy Grammer, met de stemmen van Mike en Amy gedrapeerd over een zacht betokkelde mandoline, een wel zeer effectief ingezette dobro en een puntige harmonica touch. Erg, erg mooi! En als geheel van ganser harte aanbevolen!

www.mikeandamyfinders.com

Miles Of Music

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Beautiful Dreamer”

(The Songs Of Stephen Foster)

(American Roots / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Stephen C. Foster leidde tussen 4 juli 1826 en 13 januari 1864 een vrij kort maar intens leven. Maar ondanks het feit dat de man op erg jonge leeftijd het tijdelijke voor het eeuwige verruilde liet hij een ongelooflijke muzikale erfenis achter. Zo blijken zijn liedjes ook bijna anderhalve eeuw later nog maar weinig aan zeggingskracht te hebben ingeboet. Zoveel blijkt duidelijker dan ooit op de eerste American Roots Publishing release “Beautiful Dreamer – The Songs Of Stephen Foster”, waarop een schare aan top acts uit de rootshoek zich aan één van zijn liedjes waagt. Mavericks-voorman Raul Malo croont zich met de van hem bekende Orbisoniaanse zwier een weg doorheen het titelnummer, sirene Alison Krauss weet zich in het gezelschap van Yo-Yo Ma, Edgar Meyer en Mark O’Connor uitstekend omringd voor een door merg en been gaande ingetogen lezing van “Slumber My Darling”, Michelle Shocked en Dwight Yoakam sideman Pete Anderson maken van het klassieke “Oh! Susanna” een hoogst aardig akoestisch bluesje, Grey De Lisle doet in “Willie We Have Missed You” op introverte wijze nog eens over wat ze ook op haar eigen laatste album al zo groots deed, die van grote belofte Ollabelle bewijzen in “Gentle Annie” over tonnen roots soul te kunnen beschikken, Ron Sexsmith klinkt in “Comrades Fill No Glass For Me” intriester dan ooit en John Prine tekent met die karakteristieke verweerde stem van ‘m in zijn versie van “My Old Kentucky Home, Goodnight” voor de wel allermooiste bijdrage van allemaal. Verdere betrokkenen zijn BR549, Alvin Youngblood Hart, Judith Edelman, The Dukhs, Henry Kaiser, Beth Nielsen Chapman, David Ball, Mavis Staples, Roger McGuinn, Suzy Bogguss en Will Barrow. Samen staan zij in voor een prettig gevarieerd eerbetoon aan het adres van één van de allergrootste songsmeden die Amerika ooit gekend heeft.

www.americanrootspublishing.org

www.sonic.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Creole Bred”

(A Tribute To Creole & Zydeco)

(Vanguard Records / Munich)

(3.5) J J J J

 

Ann Savoy oogstte met het nu goed twee jaar geleden verschenen en door haar uitgedokterde eerbetoon aan het Cajungenre “Evangeline Made” al behoorlijk wat bijval. Dankzij bijdragen van ondermeer Linda Ronstadt, John Fogerty, Patty Griffin, Richard en Linda Thompson en Maria McKee viel er voor iedereen wel wat te beleven op die plaat. En dat geldt eigenlijk ook wel voor het vervolgstuk dat er nu aangebreid wordt. Waar het op “Evangeline Made” bejubelde Cajungenre geldt als de muziekvorm waaraan vooral de blanke bewoners van Louisiana zich nogal eens te buiten willen gaan, zijn Zydeco en Creole, het thema van “Creole Bred”, een voornamelijk Afro-Amerikaanse aangelegenheid, waarbij het eerste staat voor stedelijke, behoorlijk opzwepende dansmuziek, terwijl het laatste als plattelandsvariant het meer moet hebben van huis-en-tuingebruik. Diatonische trekzakken, rubboards, fiddles, zware drums en een aardig mondje Creools Frans zijn in beide gevallen de voornaamste ingrediënten.

En één van de vreemdste eenden in de bijt hier, Cyndi “Girls Just Want To Have Fun” Lauper, blijkt daar alvast aardig mee uit de voeten te kunnen. Zowel in Clifton Chenier z’n “Allons A Grand Coteau” als in “Festival Zydeco” laat de popdiva zich door het spetterende accordeonwerk van Zydeco Cha-Cha Nathan Williams tot (voor haar doen) grote daden inspireren. Een andere opvallende bijdrage is “Mon Conné La Cause” waarin de vooral van Los Lobos bekende David Hidalgo de drumvellen er flink van langs geeft terwijl hij dat ook als “Flames Of Hell” te boek staande liedje in zijn beste Frans over de penspiano- en rubboard-contributies van respectievelijk de grote Geno Delafosse en Demetrix Thomas uitsmeert. Sweet Honey In The Rock betoveren als vanouds met hun aparte meerstemmige a capella-benadering van het treurige “Mon Homme Est Pas ‘Rivé” en Michelle Shocked toont in “Paper In My Shoe” dat er ergens in dat tengere lijf van d’r in één of andere uithoek ook een beetje Creool schuilgaat. Het mooiste liedje van allemaal is echter “’Tit Monde”. Voortkabbelend op licht schuimende accordeongolven - veroorzaakt door opnieuw Delafosse - en sprankelend fiddlewerk van Beausoleil-kopstuk Michael Doucet toont Taj Mahal zich daarin innemender dan ooit. Hiervan ga je spontaan de ingebeelde muggen van rond je hoofd meppen die zich in zo’n Zuiders-zomers broeierig sfeertje natuurlijk heel erg thuis voelen. Eén minpuntje ook. En dat is het door Talking Heads-afstoot Tom Tom Club wat al té modernistisch opgevatte “Only The Strong Survive”, waarin de zware beats het feestje tijdelijk enigszins komen verknallen. Voor het overige is “Creole Bred” echter een bijzonder feestelijke bedoening. En daar weten wij natuurlijk wel raad mee…

www.vanguardrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

IRIS DEMENT

“Lifeline.”

(Flariella / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

Er zijn zo van die platen waar een mens net iets meer naar uitkijkt dan naar andere. Maar er zijn dan ook artiesten die je net wat langer durven te laten wachten als anderen. Neem nu zo’n Iris DeMent. Acht jaren gingen er voorbij sedert haar laatste release, “The Way I Should”. En da’s lang, veel té lang eigenlijk. Van iemand als DeMent, één van de meest gerespecteerde nog in leven zijnde country-folk-artiesten, mogen wat ons betreft bij wijze van spreken elke dag nieuwe platen verschijnen. DeMent weet met haar buitengewoon pure voordracht immers steeds opnieuw te bekoren. En als er daarboven ooit eentje begint aan de vrouwelijke helft van zijn engelenkoor, dan zal de vrouw van Greg Brown samen met Emmylou Harris wellicht hoog op zijn verlanglijstje staan. En al zeker als ze dan ook nog platen gaat maken als “Lifeline”. Dat blijkt immers een collectie onvervalste gospelliedjes te zijn. Jeugdherinneringen noemt ze het zelf. Teruggrijpend naar de dagen waarop ze als jong meisje uren achter de piano doorbracht met het zingen van precies die deuntjes. Liedjes die voor haar niet zozeer een religieuze betekenis hebben overigens. Ze beschouwt ze veeleer als haar eigen persoonlijke reddingslijn in moeilijke tijden. Songs waaruit je voldoende kracht kan putten als het water je weer eens tot aan de lippen stijgt. Het behoeft dan ook geen betoog, dat de liedjes op haar vierde CD overtuigender dan ooit worden gebracht. De passie waarmee DeMent een twaalftal gospel standards en haar eigen “He Reached Down” vertolkt zorgt regelmatig voor kippenvel. Voor de productie ervan stond ze samen met Jim Rooney ook zelf in. Enkel voor “He Reached Down” en “God Walks The Dark Hills” verkoos ze daarbij de hulp van Bo Ramsey. “Lifeline” verscheen op DeMents eigen label Flariella Records.

www.irisdement.com

www.sonic.nl

 

 

CRAIG DILLINGHAM

“Almost Yesterday”

(Carnival Recording Company)

(4) J J J J

 

Hoe mooi “not-so-alt.-country” nog kan zijn in de handen van de juiste mensen bewijst de vanuit Texas naar Nashville verkaste Craig Dillingham op zijn door Frank Liddell van Decca geproduceerde CD-debuut “Almost Yesterday”. De man is een zogeheten traditionalist. Hij leerde de stiel bij ondermeer Ray Price en Willie Nelson en dat hoor je. Met een zalige - een heel klein beetje aan die van Mark Chesnutt verwante – bariton neemt hij je op zijn eersteling mee op een trip doorheen acht liedjes waar hij zelf de hand in had en twee covers. Eén van die twee is de eerste single van het album, “Just One More”, een top 5-hit voor George Jones in 1956, hier getransformeerd van walsje in driekwart-maat tot trage Texas shuffle. De andere is “Not Exactly What I Had In Mind”, een klassieke sleper, gesigneerd Cowboy Jack Clement. Maar voor het overige dus niks dan eigen nummers hier. Opener She’ll Be Breaking Someone’s Heart In San Antonio” en het met Hank Cochran gepende “Magic In The Band” zijn zwierige two-steps, de Sonny Throckmorton-Mark Sherrill-co-write “I Wonder Who’s Missing You Now?” is dromerig gecroonde stuff, “Call Me Sometime When You’ve Been Drinking” dan weer beheerste swing, in “My Heart Is In The Highway” lijkt David Ball wel in de buurt en het afsluitende “Second Time Sun” herinnert volop aan The Hag in zijn beste dagen.

Veel meer is er niet nodig om van ons weer heel even een countryfan tout court te maken. Voorbeeldige plaat! Een topper in zijn genre: het soort van album dat de heren Strait en Jackson en kompanen al een poosje niet meer maken.

www.craigdillingham.com

www.carnivalmusic.net

 

 

VARIOUS ARTISTS (FAT POSSUM RECORDS)

“Not The Same Old Blues Crap 3”

(Fat Possum / Munich)

(3) J J J

 

Het vanuit Oxford, Mississippi stevig aan de weg timmerende Fat Possum Records heeft zich de voorbije jaren een aardige reputatie opgebouwd als het meest innovatieve blueslabel überhaupt. En om die goede naam zoveel mogelijk te exploiteren wordt onder de noemer “Not The Same Old Blues Crap” op regelmatige basis een spotgoedkope labelverzamelaar boven de doopvont gehouden, die de gebrachte muziek bij een ruime schare aan belangstellenden moet helpen promoten. Het derde en voorlopig laatste deel bevat zo bijdragen van Charles Caldwell, The Black Keys (met de in elke bocht stevige averij oplopende bluesrocker “Set You Free”), Nathaniel Mayer (met het Waitsiaans beklemmende “I Found Out”), Iggy & The Stooges (met “You Better Run”, hun messcherpe bijdrage aan “Sunday Nights: A Tribute To Junior Kimbrough”), Little Freddie King, R.L. Burnside, Thee Shams (met het volop naar de jonge Stones geurende “You Want It”), Kenny Brown, Bob Log III, Paul Westerbergs Grandpa Boy (met het ook al aan Jagger en de zijnen verwante “Vampires And Failures” van “Dead Man Shake”), T-Model Ford (met het “charmant rammelende” “Bad Man”), Robert Belfour, Joe Callicot, Fred McDowell, Furry Lewis, Jimmy Lee Williams en Robert Pete Williams. Samenvattend: voor een prikje biedt “Not The Same Old Blues Crap 3” veel smerige en voor vernieuwing open staande blues en rock voor jonge, wilde honden en niet al te conservatief ingestelde en nog behoorlijk kwieke oude zakken. Je mag zelf uitmaken, tot welk van die twee categorieën je jezelf meent te moeten rekenen…

www.fatpossum.com

www.munichrecords.com

 

 

VELVETONE

“Switchback Ride”

(CrossCut Records)

(4) J J J J

 

Onweerstaanbare roots rock! Voila, het grote woord is er op die manier meteen uit. The Reverend Horton Heat gaf die van Velvetone al zijn zegen, The Paladins, Brian Setzer, Candye Kane, Tav Falco en Willy Deville schakelden hen al in als support act - nog meer geloofsbrieven nodig? Vast niet. Ray Devaro (zang, maracas, rubboard), Tammo Lüers (gitaren, lap steel, Farfisa), Andy Merck (bassen en backing vocals) en Lars Köster (drums, tamboerijn, rubboard en backing vocals) mogen zich wel degelijk met recht en rede Duitslands beste rock & roll band noemen. Aanknopingspunten, vroeg je? The Blasters, The Paladins en The Fabulous Thunderbirds zijn regelmatig niet ver uit de buurt, de Riptones zijn een andere referentie, The Reverend Horton Heat zelf ook wel. Van dwingende voodoo twang tot retestrakke country, van knallende rockabilly tot lekker vette R&B, Velvetone blijkt van heel wat markten thuis. Op het hun derde volwaardige CD “Switchback Ride” begeleidende schrijven stellen die van platenlabel CrossCut, “Als Tarantino Velvetone gekend zou hebben toen hij “From Dusk Til Dawn” maakte, dan had hij Tito & Tarantula snel weer oefenen gestuurd in de rock & roll-kindergarten.” En zo is het maar net! Veertien tracks en ruim tweeënvijftig minuten lang levert de groep daarvoor hier het bewijs. Een manische versie van Waylon Jennings’ “Just To Satisfy You” en een verrassende, duister twangende benadering van de Frankie Goes To Hollywood-hit “Welcome To The Pleasure Dome” zijn op de nieuwe schijf van de vier Duitsers de op het eerste gezicht het meest in het oog springende tracks. Maar wij waren toch vooral ondersteboven van supersonisch voortjakkerende rock & roll-adrenalineopstoten als “Git To Gittin’ Baby”, “Leave Me Cryin’” en “Rosalee”, van de gedurfde turbo-zydeco van “Allons A Lafayette”, van de stomende R&B van “What I Did To You” en van de Blastereske train song “Number Nine Train”. Al staat “Switchback Ride” al bij al gewoon als geheel als een huis. Ijzersterke plaat! Zeg dat Ctrl. Alt. Country het gezegd heeft.

www.velvetone.de

www.crosscut.de

 

 

DERYL DODD

“Stronger Proof”

(Dualtone / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Het levensverhaal van de Texaanse singer-songwriter-gitarist Deryl Dodd is er één met opmerkelijke ups en downs. Nadat de man in 1991 de Lone Star State achter zich liet om in Nashville zijn geluk te gaan beproeven, leek alles aanvankelijk van een leien dakje te zullen gaan lopen. Als gitarist kon hij er al vrij snel aan de slag bij sterren als Martina McBride en Tracy Lawrence. En na samenwerkingen met ondermeer John Hiatt, Kevin Welch en Radney Foster mocht hij als schrijver een weinig later ook zijn handtekening zetten onder een contract bij BMG Music. Wat onder andere resulteerde in enkele nummers op megaverkopende albums van Tim McGraw. En dan waren er natuurlijk ook nog zijn eigen in 1996 verschenen debuutalbum “One Ride In Vegas” en de twee jaar later uitgebrachte en naar hemzelf vernoemde opvolger daarvan, die zeker niet onopgemerkt voorbijgingen. Met liedjes als Tom T. Halls “That’s How I Got To Memphis” en “A Bitter End” scoorde hij zelfs enkele heuse hits. Maar dan sloeg het noodlot plots ongenadig hard toe. Dodd viel ten prooi aan een acute vorm van virale encephalitis, een ziekte die tot ernstige verzwakking leidt en op termijn het centrale zenuwstelsel aantast. Hij slaagde er daardoor aanvankelijk enkel niet meer in zijn gitaar op een passabele manier te bespelen. Maar dat bleek slechts de voorbode. Dodd werd alsmaar zwakker en moest noodgedwongen een langdurige behandeling ondergaan en 24 uur per dag zijn bed houden. In die zwarte periode in zijn leven trok hij zich vooral op aan wat hij op T.V. gezien had in een documentaire over zijn wielrennende streekgenoot Lance Armstrong. Net als deze laatste – op wonderbaarlijke wijze van teelbalkanker gerecupereerde – doorbijter nam hij zich voor om na zijn ziekte een retour de force te maken. En zo geschiedde ook. Na zijn herstelperiode kon hij vrijwel onmiddellijk weer de hort op met Tim McGraw en Faith Hill en een weinig later blikte hij wat zijn laatste CD voor Sony zou worden, “Pearl Snaps”, in voor het sublabel van die major, Lucky Dog, toendertijd ondermeer ook de thuisbasis voor andere Texanen als Bruce en Charlie Robison, Jack Ingram en de Derailers. Met de twee eerste singles van die plaat, “Pearl Snaps” en “Honky Tonk Champagne”, slaagde hij erin tweemaal tot de top van de Texas Music Chart door te stoten. Een gegeven dat hem inspireerde om Nashville definitief de rug toe te keren en naar Texas terug te trekken. Daar vond hij wat hij zocht. Hij trok er opnieuw van honky-tonk naar honky-tonk om zijn muziek te verspreiden en leerde dat die bescheiden aanpak een veel gelukkiger mens van hem maakte. En overigens niet zonder succes ook. Zo verscheen in augustus van vorig jaar bijvoorbeeld nog de live-CD “Deryl Dodd Live At Billy Bob’s, TX”. En op basis van zijn nieuw verworven populariteit in en rond Texas werd hij getekend door Dualtone, één van de betere rootslabels van het ogenblik.

Het eerste resultaat van die samenwerking is zijn zopas verschenen vijfde CD “Stronger Proof”. Daarop laat Dodd horen nog niks van zijn kunstjes te zijn verleerd. Hij slaagt erin om commerciële country middels een flinke snuif Texas ook voor ons interessant te houden. Dat gebeurt aan de hand van negen eigen liedjes en een cover van de Kenny Rogers-hit “Love Or Something Like It”. Enkele van de meest memorabele momenten zijn daarbij wat ons betreft de meer dan zomaar een klein beetje aan Buck Owens herinnerende shuffle “Never Again”, de mooie traditioneel gestijlde country van titelnummer “Stronger Proof”, de hartverscheurende ballade “Outside Lookin’ In” en het speelse “More Of The Same”. Maar pittig (country)rockend kan het ook. Zie daarvoor bijvoorbeeld het snedige “Something Ain’t Always Better (Than Nothin’)” of het al eerder aangesproken “Love Or Something Like It”. En charmerend is ook “The Crowd”, het slotnummer van de plaat, waarin Dodd zijn publiek bedankt voor het al die tijd in hem gestelde vertrouwen. Klantenbinding heet zoiets…

Vernieuwend is het allemaal zeker niet wat de man hier brengt. Maar het luistert wel lekker weg en zal in zijn thuisstaat wellicht wel weer goed zijn voor enkele knoeperds van hits. Hier te lande zullen daarentegen vooral verstokte Texas-fanaten er hun voordeel mee kunnen doen.

www.deryldodd.com

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

RUTHIE FOSTER

“Stages”

(Blue Corn / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

Ik mag zo nu en dan graag een potje live soul genieten. Platen als Otis Redding z’n “Live In Europe” uit 1967 en Sam Cooke’s “Live At The Harlem Square Club, 1963” zijn zo bijvoorbeeld enkele van mijn all-time favourites. Wat die albums in mijn ogen zo onweerstaanbaar maakt zijn de ongebreidelde passie en de nauwelijks te evenaren intensiteit die ervan afstralen. Eigenschappen die je op recentere releases nog maar hoogstzelden aantreft. En in dat opzicht vormt “Stages”, de live-opvolger van Ruthie Fosters ijzersterke derde CD “Runaway Soul” de uitzondering die de spreekwoordelijke regel bevestigt. Bij de jonge Texaanse kleurlinge vloeien liters soul door de aderen, zoveel is na het beluisteren daarvan wel duidelijk. Wat opvalt is de spontane manier waarop ze erin slaagt om haar publiek bij het haar performance te betrekken. En natuurlijk zijn er ook nog die ijzersterke liedjes en die fenomenale stem! Nummers als “Crossover”, “Turn Me On” en het “in Sam Cooke-stijl geschreven” “Another Rain Song” behoren tot de fraaiste staaltjes die we op soulgebied in tijden gehoord hebben, “Real Love” is vurige reggae, “God Bless The Child” sfeervol gecroonde jazz, “Death Came A Knockin’ (Travelin’ Shoes)” broeierige gospel, “Church” – net als “Walk On” trouwens - vitale akoestische blues en “Lost In The City” en “Prayin’ For Rain” rekenen we graag tot het betere singer-songwritermateriaal. Zelfs haar ingetogen lezing van het onderhand suf gecoverde “Oh! Susannah” is echt bloedmooi. Vergeet dus maar snel die Tracy Chapman-vergelijkingen. Deze Ruthie Foster heeft immers zo oneindig veel meer in haar mars.

www.ruthiefoster.com

www.bluecornmusic.com

www.luckydice.nl

 

 

STEPHANIE DAVIS

“Crocus In The Snow”

(Recluse Records)

(3.5) J J J J

 

Aangenaam verrassend of verrassend aangenaam? Louter een kwestie van hoe je ’t bekijkt natuurlijk. Feit is, dat “Crocus In The Snow”, de jongste CD van Stephanie Davis ons aardig meevalt. En dat hadden we – om eerlijk te zijn – in het geheel niet verwacht. Komt ervan als je liedjes zich laten aantreffen op de platen van hier niet echt populair volk als Garth Brooks, Martina McBride en Roger Whittaker natuurlijk. Een tijdrovende bezigheid trouwens voor Davis, dat schrijven voor anderen, zo blijkt. In elf jaar tijd kwam ze zelf immers pas aan vier eigen albums toe. En “Crocus In The Snow”, als laatste in dat rijtje, blijkt een prettig gevarieerd geheel. Er is het lijzig swingende openingsnummer “Something ‘Bout Montana”, het komisch-verhalende “Talkin’ Harvest Time Blues”, het hillbilly jazz-stampertje “Yodel Blues” (waarin Ranger Doug van “America’s Favorite Cowboys” Riders In The Sky verantwoordelijk blijkt voor de eerste helft van de titel), de enigszins aan Nanci Griffith verwante singer-songwriter stuff van titelnummer “Crocus In The Snow” of “Just A Cup Of Coffee”, de kwikzilveren country gospel van “Turning To Light” (met de basstem van Garrisson Keillor van “A Prairie Home Companion”), de zomerse Tex-Mex Polka “You Been A Friend To Me” (met Ray Benson van Asleep At The Wheel), de (overbodige) spoken word performance van “The Spotted Ass”, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Variatie is dus duidelijk het sleutelwoord hier. En precies die eigenschap maakt van “Crocus In The Snow” zo’n… verrassend aangename plaat.

www.stephaniedavis.net

Amazon

 

 

ALASTAIR MOOCK

“Let It Go”

(Moockshake Music)

(4) J J J J

 

Even het lijstje met namen overlopen met wie de jonge Alastair Moock de jongste jaren de affiche deelde zou moeten volstaan om je ervan te overtuigen dat hij heel wat in zijn mars heeft. Openen voor of optreden met mensen als Greg Brown, Peter Case, Kasey Chambers, Slaid Cleaves, Marshall Crenshaw, Ramblin’ Jack Elliott, Mary Gauthier, Patty Larkin, Lynn Miles, Carrie Newcomer en Bill Morrissey – om er maar een paar te noemen – doe je immers niet als je niet uit het goede hout bent gesneden. En als je gerespecteerde collega’s als Mark Erelli, Ellis Paul, Tracy Grammer en wijlen Dave Carter bovendien ook nog eens bereid weet te vinden om op je platen mee te doen, dan illustreert dat alleen nog maar meer dat je in kennerskringen een serieuze mate van respect geniet. Een waardering die Moock op basis van drie eerder uitgebrachte albums (“Walking Sounds” uit ‘97, “Bad Moock Rising” uit ‘99 en het in 2002 verschenen “A Life I Never Had”) overigens ook al ruimschoots waard bleek. Met zijn schuurpapieren, een weinig aan de jonge Waits en Steve Forbert herinnerende stem bracht hij daarop een folk-Americana hybride van het betere soort. Die albums bulkten van de prachtige singer-songwriterdeuntjes en catapulteerden Moock al snel naar de status van veelbelovende nieuwkomer in de Boston scene en later ook ver daarbuiten.

En nummer vier in het rijtje, het onlangs verschenen “Let It Go”, bevestigt al het goede wat die drie voorgangers al deden vermoeden. In een productie van Michael Dinallo (Radio Kings) kiest Moock ditmaal wel voor een iets steviger geluid. Americana, folk en tot z’n naakte essentie herleide roots rock vormen de ideale muzikale achtergrond voor zijn uit het leven gegrepen liedjes. De aardig rockende opener “My Famous Leaving Song” – met vinnig mondharmonicawerk van Mark Erelli – had zo bijvoorbeeld wel van Steve Earle kunnen zijn, “Standing At Five Corners” en “Red Ribbon Waltz” bloeien dankzij een vocale samenwerking met collega Kris Delmhorst open tot respectievelijk potente Americana folk(rock) en een countrygetinte trage en titelnummer “Let It Go” is gewoon lekker twangy rootsrockspul. Stuk voor stuk ijzersterke songs en zo treffen we er hier wel meer aan. Nauwelijks nog weg te branden uit onze CD-speler daardoor dit album. “Let It Go” houden we dan ook graag in ons achterhoofd voor als er straks naar goede jaarlijkse gewoonte weer aan eindejaarslijstjes gewerkt zal moeten worden.

www.moock.com

CD Baby

 

 

ME

“The Wagon Fair”

(Volkoren)

(4) J J J J

 

ME is de wat eigenzinnig aandoende artiestennaam die staat voor Minco Eggersman, de voorman van het At The Close Of Every Day-collectief, dat met haar intrieste conceptalbum rond de ramp met de veerboot Estonia in 1994 “The Silja Symphony” onlangs vrij onverwacht VPRO’s prestigieuze 3VOOR12-award voor het beste Nederlandse album van het jaar in de wacht wist te slepen en zodoende de veel commerciëlere concurrentie een flinke neus zette. En ook voor zijn zopas verschenen eerste solo-album trok die Eggersman opnieuw de conceptuele toer op. Ditmaal vond hij daartoe inspiratie in “The Devil’s Playground”, een BBC-documentaire gewijd aan het leven van de Amish in Noord-Amerika. Bijna net zo sober als die mensen door het leven stappen klinkt “The Wagon Fair”. Eggermans diep-donkerbruine stem en zijn breekbare akoestische gitaarspel trekken daarop kanjers van voren doorheen het gemoed van zijn luisteraars. Lydia Wever (piano en zang), Fredrik Wilde (pedal steel), Abne Herrebout (bas) en de inmiddels zelf behoorlijk hippe Zweed Thomas Denver Jonsson (harmonica) zorgen voor de overige herfstige tinten op dit verstild melodieuze palet. Menig een druilerige najaarsdag zal een stuk makkelijker te verteren blijken in het gezelschap van een aangenaam soort van tristesse uitstralende liedjes als “See Me Through” en “Your Time Will Come”, waarin de stemmen van Eggersman en Wever telkens iets heel moois met elkaar hebben. Prachtig hoe men hier elementen uit toch behoorlijk diverse genres als pop en Americana vrijwel voortdurend weet te versmelten tot iets wat een zekere tijdloze klasse uitstraalt. Buitengewoon intrigerende stuff!

www.mincoeggersman.com

www.volkoren.com

 

 

PETER ROWAN & TONY RICE

“You Were There For Me”

(Rounder)

(3.5) J J J J

 

Met “You Were There For Me” delen roots-grootmeesters Peter Rowan (zang, gitaar en mandola) en Tony Rice (akoestische gitaren) voor het eerst plaatgewijs één en dezelfde affiche. De wegen van de twee virtuozen kruisten elkaar in het verleden weliswaar al wel eens vaker, maar nooit eerder namen ze samen een volledig album op. En nu gebeurde dat in het bijzijn van Billy (mandoline en mandola) en Bryn Bright (akoestische bas en harmonieën), Tony Garnier (eveneens akoestische bas), Larry Atamanuik (percussie) en Robert Emery (baritonharmonieën) dus wel. En met buitengewoon aardige resultaten ook. “You Were There For Me” is immers een schoonheid van een akoestische rootsplaat geworden. Rowan nestelt zich vocaal knusjes in tien eigen liedjes en laat collega Rice ondertussen de sterren van de hemel picken op zijn akoestische wederhelft. De opvallendste liedjes die op die manier ontstaan zijn het brandactuele en buitengewoon beklijvende “Ahmed The Beggar Boy”, verteld vanuit het standpunt van een Iraakse jongen op de vlucht voor het recente oorlogsgeweld in zijn land, het behoorlijk jazzy ingekleurde “Angel Baby” en de werkelijk wonderschone eigentijdse Western song “Come Back To Old Santa Fe”. De vanzelfsprekendheid waarmee daarin de muzikale perfectie wordt benaderd dwong hier diep respect af.

www.peterrowan.com

www.tonyrice.com

www.roundereurope.com

 

 

MELANIE HERSCH

“Waiting For The Moment”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

 “Waiting For The Moment” is de veelzeggende titel van het muzikale visitekaartje van de uit Los Angeles afkomstige schone Melanie Hersch. En het zou best wel eens kunnen, dat voor de jonge singer-songwriter met die samen met haar dezer dagen erg actieve collega Tom Freund geproduceerde eersteling dat moment effectief is aangebroken. Met veel bravoure werkt ze zich daarop immers doorheen negen eigen composities en een cover van het uit de film “Annie” bekende “Tomorrow”. En door de wol geverfde artiesten als vriend-producer Freund (bas, elektrische gitaar, B3, harmonica, melodica, mandoline en zang), omnipresent snarenwonder Greg Leisz (pedal steel, akoestische slide), Michael Jerome (drums) en Danny Frankel (drums en percussie) steken daarbij graag een handje toe. Toch is het vooral de stem van Hersch zelf die voortdurend de aandacht trekt, zo’n beetje het midden houdend tussen die van pakweg een Kelly Willis en een Lucinda Williams. De twangy deuntjes op haar maiden release profiteren alleszins volop van deze bij een debutante onvermoede vocale présence. Zowel wat lichtvoetigere liedjes als het door Dave Jacksons accordeonspielereien van een cajunaccentje voorziene “Phone Number In Heaven”, de bluesy rootspop van “Pulling Me Towards You” of het op een zee van rinkelgitaartjes en B3-tonen voort dobberende “In A Resting Place” als de volop in de meerderheid verkerende ingetogen bijdragen van het kaliber van het bijzonder fraaie tweetal “Orion” en het zijn titel alle eer aandoende “Beautiful” winnen enorm aan zeggingskracht door de lenigheid en de diepgang van die nochtans nog erg jonge stem. Hersch lijkt dan ook een talent om in de gaten te houden. Zeker als je bedenkt dat haar liedjes moeiteloos zowel de Americana-liefhebber als de meer pop en folk(rock) georiënteerde consument moeten kunnen inpakken.

www.melaniehersch.com

Miles of Music

CD Baby

 

 

RICH ROBINSON

“Paper”

(Key Hole / Sonic Rendezvous)

(2.5) J J J

 

Enkel en alleen al op basis van zijn moddervette gitaarbijdragen aan de eerste twee Black Crowes-platen “Shake Your Money Maker” en “Southern Harmony And Musical Companion” zullen veel rockliefhebbers Rich Robinson altijd een warm hart blijven toedragen. Jammer genoeg garandeert snarenvirtuositeit niet altijd vergelijkbare zangkwaliteiten. En dat speelt de ex-kraai - ondanks het plichtsbewust volgen van zangonderricht - op zijn solodebuut toch wel wat parten. “Paper” is een doe-het-zelfproduct in de waarste zin van het woord: Robinson schreef alle liedjes eigenhandig, zong ze in, bespeelde vrijwel alle instrumenten, produceerde het geheel zelf en tekende zelfs voor het schilderijtje op de cover ervan. Enkel ex-Black Crowes-toetsenist Eddie Hawrsch (keyboards), Joe Magistro (drums en percussie), Taylor Robinson (eveneens percussie), BR549’s Donnie Herron (fiddle en pedal steel) en een stel strijkers mogen bescheiden mee aan tafel.

En muzikaal gezien zit het ook allemaal wel goed hier. De liedjes – variërend van lillende lappen rock tot wat slomer en breder uitgesponnen materiaal en zelfs enkele poppy songs meer naar het einde van het album toe – zijn weliswaar niet van een spectaculair hoog niveau, maar ook zelden echt ondermaats te noemen. Robinsons karakteristieke gitaarwerk zorgt bovendien regelmatig voor de nodige meerwaarde. Enkel die stem wilde ons (zelfs na herhaaldelijke beluistering) maar niet echt gaan bekoren. Als je dan terugdenkt aan de soulvolle scheur van zijn broer Chris ten tijde van de twee hoger genoemde Crowes-platen… Een wereld van verschil gewoon! Conclusie? De kraaien moeten gewoon weer wat samen gaan doen, zo simpel is dat toch…

www.richrobinson.net

www.sonic.nl

 

 

DAN MONTGOMERY

“Man From Out Of State”

(Fantastic Yes)

(4) J J J J

 

Een album dat hier al een poosje lag te wachten op een bespreking, is “Man From Out Of State” van Dan Montgomery. Nu zegt dat liggen blijven in het merendeel der gevallen wel iets over de kwaliteiten van de platen in kwestie, maar niet zo in het geval van de opvolger van Montgomery’s debuut, het eveneens op zijn eigen label Fantastic Yes verschenen “Room 104”. Dat is immers werkelijk superieur singer-songwritermateriaal van een man die zich naar eigen zeggen muzikaal gezien ergens tussen Dave Alvin en Alejandro Escovedo ophoudt. ’n Beetje singer-songwriter, ’n beetje Americana dus. De voormalige geluidsman en boezemvriend van Ben Vaughn vestigde zich na jaren van omzwervingen doorheen grote delen van de States niet zo heel erg lang geleden in het prestigieuze Memphis, Tennessee. En daar verwijst hij ook expliciet naar in de titel van zijn nieuwe CD, die als een soort chroniek van “ten years, three thousand miles and almost as many sleepless nights” de muziekgeschiedenisboeken zal ingaan. De muziek ervan nam hij in respectievelijk zijn nieuwe thuishaven en Venice, California op met bekende en minder bekende collega’s als Amy Farriss (viool, mandoline en zeer prominente backing vocals), Gus Cordovox (ook al uit Ben Vaughns entourage op accordeon), steel-expert John McDuffie, compadre Vaughn zelve (keyboards en elektrische gitaar) en Neil Arot (akoestische bas en backing vocals). Zelf tekende Montgomery naast voor al het schrijfwerk en de zang ook nog voor de akoestische gitaar- en harmonicabijdragen. Het resultaat, vraag je? Gewoon één van de mooiste platen in haar genre van het jaar. Ijzersterke melodieën, dito teksten en een al evenzeer hoogstaande muzikale inkleding, wat kan een mens eigenlijk meer van een CD verwachten?. Aanbevolen derhalve dan ook aan allen die bijvoorbeeld ook andere rootsy troubadours als de al eerder genoemde Alejandro Escovedo, een Darden Smith ook wel of een Otis Gibbs een warm hart toedragen.

Dan Montgomery

Miles Of Music

 

 

DOUG MACLEOD

“Dubb”

(Black & Tan / Music & Words)

(3.5) J J J J

 

 “Dubb”? Doug MacLeod? Gelukkig leert de bijsluiter bij de nieuwe CD van de sympathieke bluesman al snel, dat we ons niet al teveel zorgen dienen te maken. Hij heeft zijn principes immers niet verloochend. Ook ditmaal weer geen overdubs. De man houdt überhaupt niet van al té perfecte platen. Juist in hun imperfectie vinden die immers hun levensvatbaarheid, vindt hij, precies daarin schuilt vaak het gevoel dat de artiest er probeert in te steken. Vanwaar dan die “Dubb”? Da’s gewoon de roepnaam die hij door zijn collega George Harmonica Smith kreeg opgespeld en die vervolgens een eigen leven is gaan leiden.

“Dubb” is dan ook gewoon opnieuw een bijzonder lekker nieuw hoofdstuk in de carrière van de man die we in het verleden al uitgebreid leerden kennen als een uitstekende bluesgitarist, een prima songsmid en vooral ook een soulvolle zanger. Met zijn National Reso-Phonics voortdurend in aanslag neemt MacLeod ons mee doorheen een zeer gevarieerd akoestisch landschap. In het speelse openingsnummer “(If You Going To The) Dog House” steekt hij zo bijvoorbeeld alle mannen een hart onder de riem die het zwaar aan de stok krijgen met hun wederhelften ondanks het feit dat ze eigenlijk gewoon helemaal niks mispeuterd hebben. “Age old mystery, so hard to understand, how the ways of a woman can sure upset a man,” vat hij zelf de essentie van dat op een grappige manier berustende liedje samen. En wij zullen heus niet de enigen zijn die ons in dat ene zinnetje best wel kunnen vinden… Via het breekbaar-passionele, vooral op zijn door de Deltablues geïnspireerde gitaarwerk geënte “Walkin’ While I Bleed” gaat het vervolgens over de knappe, door toetsenman Carl Sonny Clelland aangejaagde pianoboogie “She Boogy’n” en het soulvolle “The Sun Shine Down My Way” richting het politieke statement “Dubb’s Talkin’ Politician Blues”. Daarin geeft MacLeod ongezouten zijn mening over de huidige toestand van zijn land. Hij vindt het alleen jammer, lazen we in de liner notes, dat een liedje daartoe zo weinig plaats biedt… “Miss Rita” is aansluitend een solo-uitstapje op de National over een heel speciale vrouw, het bitterzoete “One Fool Show” – over mensen die voortdurend praten zonder goed te weten waarover – laat zich opnieuw niet helemaal los denken van de actualiteit in de States lijkt het en “$50 Wig” is wat MacLeod zelf een fun song noemt, maar dan wel een heel intense, over een dure pruik op een leugenachtig, leeg hoofd – “You telling so many stories, you can’t remember the lies you said. You got a $50 wig, setting on a $5 head.” Langs het gedreven “Have A Little Taste”, het sfeervolle, door twijfel tussen twee liefdes verscheurde “Night Walking” en het traditioneel opgevatte “North Country Woman” belanden we daarna bij het broeierige, op een Zuiders spreekwoord gebaseerde slotnummer “The Devil Is Beating His Wife”. Dat gezegde wordt gebruikt om het fenomeen te omschrijven van een zonnige dag die abrupt wordt onderbroken door een regenstorm. MacLeod graaft echter dieper en betrekt het op het relationele. Als je geliefde wat al te vlotjes beweert dat alles o.k. is, wees er dan maar zeker van, dat het niet zo is, houdt hij ons voor. De regenstorm steekt op…

Al bij al een knappe akoestische bluesplaat.

www.doug-macleod.com

www.black-and-tan.com

www.musicwords.nl

 

 

THE COPPERHEADS

“This Train Is Gainin’”

(Bartered Soul Records)

(3.5) J J J J

 

Vorig jaar toonden we ons hier al behoorlijk in onze nopjes met het debuut van The Copperheads, dat de in onze ogen erg toepasselijke titel “Country & Blues Revue” meekreeg. En dan is het natuurlijk wel prettig om vast te stellen, dat hun zopas verschenen nieuwe album “This Train Is Gainin’” daar naadloos bij aansluit. Witte soul, country(rock) en rootspop versmelten bij Ray Barnard en de zijnen opnieuw tot een aangenaam, een weinig naar de seventies lonkend totaalgeluid dat regelmatig strandt in de buurt van acts als The Band, Poco en The Eagles. Opvallendste nummer is daarbij ontegensprekelijk het van de Eurythmics geleende “Here Comes The Rain”. Wie had er immers ooit gedacht, dat achter dat prettige popliedje een ingetogen countryrock song schuilging? Daarnaast covert men ook nog Elvis Presley’s gospeldeuntje “So High” (een meerstemmig vocaal hoogstandje), maar voor het overige biedt “This Train Is Gainin’” uitsluitend originals. En die showcasen een groep die barst van het zelvertrouwen en van de (country)soul.

www.thecopperheads.com

CD Baby

Miles Of Music

 

 

MARK MCKAY

“Shimmer”

(Toadfish)

(3.5) J J J J

 

Op zijn debuutalbum “Nothing Personal” (2001) en de vorig jaar verschenen liveplaat “Live From The Memory Hotel” liet voormalig Sixty Acres-gitarist Mark McKay zich vooral van zijn wat meer akoestische kant bewonderen. Zijn nieuwe CD “Shimmer” werd echter geproduceerd door Steve Earle sideman Eric “Roscoe” Ambel. En dan weet je wel, he. De elektrische gitaar wordt ditmaal inderdaad niet langer gespaard. Tien eigen liedjes schotelt McKay ons zo voor en een knappe cover van Lucinda Williams’ “Side Of The Road”. En die blijken samen goed voor ’s mans beste tot nu toe. Van de met rinkelende gitaartjes doortrokken rootspop van opener “Rain (Like A Hallelujah) over het bijzonder sfeervolle, samen met huisfavorietje Kris Delmhorst ingezongen ingetogen rockende “Sweet Temptation” of het melancholische “Nashville” tot stevigere stukken als het vlammende “Stay Around” en het met een strak zittend blueskostuum uitgedoste “Mercedes”, dit is door de band genomen roots rock van het lekkerdere soort. Beurtelings ondersteunende, een eindje weg scheurende en twangende gitaren van McKay zelf en Ambel, orgeltje hier, harmonicaatje daar en een aangenaam gruizige stem – zo mogen wij ze graag hebben!

www.markmckay.com

www.toadfish.org

CD Baby

Miles Of Music

 

 

NELS ANDREWS

“Sunday Shoes”

(Little Kiss Records / Lucky Dice)

(4.5) J J J J J

 

 “Sunday Shoes” is het werkelijk adembenemend mooie CD-debuut van de uit Albuquerque, NM afkomstige singer-songwriter Nels Andrews. In 2002 won die op het prestigieuze Kerrville Folk Festival tot zijn eigen grote verbazing de “Newfolk Award”. Iets wat hem in het verleden al werd voorgedaan door zulke illustere grootheden als een Lucinda Williams, een Lyle Lovett, een Slaid Cleaves en een Steve Earle. Om maar te zeggen dat Andrews wel degelijk uit het goede hout gesneden is. Maar dat zal je zelf maar al te graag beamen als je even de tijd neemt om zijn eersteling een kans te gunnen.

In het gezelschap van Jeffrey Richards (Hazeldine, Vic Chesnutt) op gitaar en elektrische banjo, Chris Kitchen op de bas, Heather Dauberman achter het drumstel en harmony-zangeres Michelle Collins (ShineCherries) - samen ook wel “The El Paso Eyepatch” – en met gastbijdragen van schoon volk als ondermeer Brett Sparks (The Handsome Family) op accordeon, Jason Daniello op mandoline en lap steel, David Gutierrez op pedal steel en Sarah Kramer op trompet balt Andrews op zijn eersteling zijn door de jaren heen tijdens zwerftochten doorheen zijn immense thuisland vergaarde verhaaltjes over eerder marginale inwoners daarvan. Muzikaal gezien herinnert hij daarbij aan gerespecteerde jonge collega’s als Ben Weaver, Slaid Cleaves, Rod Picott en Eric Westbury – die van het magistrale “Burnt Tongues And Blue Truths” inderdaad. Met dat viertal heeft hij alvast een aangenaam gruizige stem gemeen. En net als hen verstaat hij de kunst om binnen het toch wel korte tijdsbestek van een liedje de beklijvendste verhaaltjes te vertellen. Luister zo bijvoorbeeld maar eens naar het op subtiel banjowerk van Richards geplakte “Jesse’s Mom” (over de onweerstaanbare lokroep van een zwerversbestaan voor iemand die gypsy blood in de aderen heeft), het de naweeën van een stukgelopen relatie bezingende “Broken Conversation” of het juweeltje gewijd aan de “La Llorona” zingende “Lilli Marlene” van Martineztown.

I-N-D-R-U-K-W-E-K-K-E-N-D gewoon! Een ander woord hebben we hier niet voor.

(En wat die titel “Debuut van het jaar” betreft - misschien moet Justin Rutledge toch nog maar niet al te zeker zijn van zijn zaak…)

www.nelsandrews.com

CD Baby

Miles Of Music

Lucky Dice

 

 

BLAZE FOLEY

“Oval Room”

(Lost Art Records)

(4) J J J J

 

Het begint er stilaan op te lijken dat zowat de halve bevolking van Texas dit jaar de tijd heeft genomen om de zolder een grondige beurt te geven. En dat leidt voor ons als muziekliefhebbers tot hoogst interessante resultaten. Daarbij blijken immers om de haverklap de alleraardigste muziekjes op te duiken. Opnames van legendarische muzikale persoonlijkheden, waar men vaak niet eens van wist, dat ze bestonden. Eerder dit jaar mochten we zo met “Live At The One Knite, Austin, TX, June 8th 1972” en “Live At The Jester Lounge Houston, Texas 1966” al vroegwerk van respectievelijk The Flatlanders en Townes Van Zandt begroeten en zopas kwam met “Oval Room” een zestien liedjes tellende collectie van Blaze Foley uit de lucht vallen. Het betreft hier de wellicht laatste registratie van de man tijdens een optreden in The Austin Outhouse op 27 en 28 december 1988, vlak voor zijn controversiële dood in 1989 dus – Foley werd immers in februari van dat jaar vermoord.

Foley wordt door velen samen met Van Zandt gezien als één van de allergrootste songwriters ooit. Merle Haggard illustreerde dat door één van zijn laatse CD’s te vernoemen naar het door de man geschreven pareltje “If I Could Only Fly”, Lyle Lovett heeft bij voortduring de mond vol over hem, Lucinda Williams en Townes Van Zandt wijdden respectievelijk hun songs “Drunken Angel” en “Blaze’s Blues” aan hem en liefst vier eerbetonen zagen er al het daglicht, om maar te zeggen dat Foley een ongelooflijk respect genoot onder zijn collega’s. En waarom dat zo is, wordt treffend geïllustreerd op “Oval Room”. Voor een beperkte schare luisteraars vertolkt de man daarop enkel eigen materiaal. In het gezelschap van Lost John Casner op de piano, fiddler Champ Hood, vrouwelijke collega Pat Mears en Tony DiRoadie en Ed Bradfield op de harmonica toont hij zich beurtelings kwetsbaar (“Down Here Where I Am”, “My Reasons Why”, “Rainbows And Ridges”), strijdvaardig (“Oval Room”, “WW III”) en ongemeen grappig (“Big Cheeseburgers And Good French Fries”, “Wouldn’t That Be Nice”, “Springtime In Uganda”). In het titelnummer schuwt hij de politieke roede alvast niet: “He’s the president, but I don’t care””, laat Foley de aanwezigen daarin weten. En zo’n openlijke stellingname karakteriseert de man eigenlijk best wel goed. Wanneer hij zich iets in zijn hoofd geprent had, bleek Foley immers de onverzettelijkheid zelve. Een gegeven dat hem wellicht ook een wat florisantere carrière gekost heeft. Foley weigerde zo immers ook halsstarrig toegevingen te doen aan de commercie. En daardoor liep hij het (wat) grote(re) geld mis. Zich wat inschikkelijker opstellen naar de muziekwereld toe zou ongetwijfeld vruchten hebben afgeworpen. Ingetogen schoonheden als het al eerder vermelde “If I Could Only Fly” of het op deze collectie vertolkte tweetal “Rainbows And Ridges” en “My Reasons Why” zijn immers niet van deze wereld, zo overweldigend mooi. Komt bij, dat de schuurpapieren stem van Foley zowat alles wat zij onder handen kreeg sowieso al van een zekere aantrekkingskracht voorzag. En in dit specifieke geval, dat Gurf Morlix samen met John Casner achteraf op respectvolle wijze het nodige deed om de opnames wat op te waarderen. Het resultaat is dan ook van een adembenemende schoonheid. En een must derhalve voor elke liefhebber van het betere singer-songwritermateriaal.

www.lostartrecords.com

Miles Of Music

 

 

ERIC TAYLOR

“Shameless Love”

(Blue Ruby Music)

(4.5) J J J J J

 

Na drieëntwintig jaar wordt Eric Taylors debuut eindelijk heruitgebracht op CD (officiële US release op 4 december). Waarom eindelijk? Niet vanwege de vermeende schaamteloze liefde, maar simpelweg omwille van het feit dat het een heerlijk album is, dat ondanks zijn leeftijd allesbehalve gedateerd aandoet. Waarom heeft deze release dan zo lang op zich laten wachten? Ik meen dat men daarvoor wel een aantal redenen zou kunnen bedenken, maar de voornaamste zal toch wel de financiële draagkracht van de artiest zijn. Het geld ligt nu eenmaal niet altijd zomaar voor het oprapen voor muzikanten.

De oorspronkelijke tracklist van 10 nummers werd uitgebreid met 2 bonus tracks. Alles werd bovendien zorgvuldig digitaal geremastered en dat terwijl het album van zichzelf al puntgaaf en tot in het kleinste detail geperfectioneerd klonk. Ondanks de zeeën aan tijd die aan dit album werden besteed, klinkt het toch zeer fris, spontaan en allerminst overdadig gepolijst. Als ik het album met één woord zou trachten te vatten, dan kan dat het best met de term “gepassioneerd”. Vol met knappe, intelligente nummers, geen hoge toeren, afgepast, maar toch energiek en vooral geen noot teveel. Dat geeft zowat de essentie weer van Erics toenmalige ingesteldheid: een beginnende artiest voor wie de wereld open scheen te liggen, een verliefde en krachtige jongeman met grote toekomstdromen. Spijtig genoeg werden zijn idealen later fiks bijgesteld na teleurstellingen en tegenslagen, want het zou daarna ruim 15 jaar duren alvorens een opvolger het levenslicht zag.

De 2 “nieuwe” songs hier, waarvan het afsluitende “Half Moon Hotel” - als ik me niet vergis – een ode aan een bordeeldame is, sluiten naadloos aan bij de totale klankkleur. Behalve door Taylor zelf, wordt de muzikale omlijsting verzorgd door o.a. James Gillmer (percussie), John Grimaudo (gitaar) en Gurf Morlix (bas) en vocale ondersteuning is er van Erics toenmalige vrouw.

Chip Renner schreef indertijd op http://www.allmusic.com “Every song is good on this album. The acoustic guitar blends well with Taylor's voice, and Nanci Griffith sings nice harmony on several songs. This is a highly recommended album for the Texas singer/songwriter's fans.” We kunnen gerust stellen dat hij gelijk had. Dit album is gewoon een klassieker van jewelste, een verplichte aanschaf voor iedere muziekliefhebber eigenlijk en al zeker voor de aanhangers van dit specifieke genre.

Songs uit het verre verleden zijn uiteraard geen garantie voor de toekomst, maar gezien de warmte die ook nu nog van dit album afstraalt, raakte ik alvast vernieuwd geïnteresseerd in toekomstige pennenvruchten van deze nobele songsmid uit “The Houston Scene”. Meer nog, ik kijk er nu al reikhalzend naar uit. Potentiële gegadigden voor dit album kunnen de CD van 4 tot 9 november overigens nog persoonlijk uit Erics handen plukken, want gedurende die periode is hij in Nederland onderweg tijdens een bescheiden tournee. - zijn reisschema treft u aan op onderstaande site. Anderen dienen nog eventjes te wachten, totdat het album beschikbaar wordt via de wondere wegen van het www of wellicht zelfs via de betere detailhandel in hun directe omgeving.

http://www.bluerubymusic.com