CAC Banner.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES NOVEMBER 2009

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

CHRIS KNIGHT “Trailer II” - OR, THE WHALE “Or, The Whale” - TOM OVANS “Get On Board” - ROSIE FLORES “Girl Of The Century” - ROGER HOLZHEIMER “Rough Hewn Heart” - CLARENCE BUCARO “New Orleans” - ANGIE PALMER “Meanwhile, As Night Falls…” - BRAD COLERICK “When I’m Gone” - CAROLINE HERRING “Silver Apples Of The Moon” - IAN SIEGAL “Broadside” - THE MALDIVES “Listen To The Thunder” - THE O’S “We Are The O’s” - CAROLYN MARK & N.Q. ARBUCKLE “Let’s Just Stay Here” - CHARLIE FAYE “Wilson St.” - BOB CHEEVERS “Tall Texas Tales” - CAROLINE HERRING “Golden Apples Of The Sun” - BLUE MOTHER TUPELO “Heaven & Earth” - EILEEN ROSE & THE HOLY WRECK “Luna Turista” - JOE IADANZA “Traveling Salesman” - CLIFF EBERHARDT “500 Miles: The Blue Rock Sessions” - BOCA CHICA “Lace Up Your Workboots” - BARNABY BRIGHT “Wake The Hero” - KRIS KRISTOFFERSON “Closer To The Bone – DeLuxe Edition” - JAMES MCMURTRY “Live In Europe” - CHRIS SMITHER “Time Stands Still”

 

CHRIS KNIGHT “Trailer II” (Drifter’s Church)

(4****)

Chris Knight moet aangenaam verrast zijn geweest over de wel erg lovende ontvangst van “The Trailer Tapes”. Hoe anders verklaren, dat hij al vrij snel uitpakt met deze “sequel” daarop? Meer van hetzelfde, met dat verschil, dat op “Trailer II” nogal wat oerversies zijn terug te vinden van Knight-liedjes, die op latere platen hun opwachting zouden maken in een meer aangeklede vorm. Dingen als “It Ain’t Easy Being Me”, “Highway Junkie”, “Summer Of ‘75”, “Bring The Harvest Home”, “Love And A .45”, “The River’s Own”, “Send A Boat”, “Blame Me” en andere, die naderhand zouden uitgroeien tot heuse favorieten op het repertoire van de hese bard uit Slaughters, Kentucky. De nummers op “Trailer II” werden net als hun voorgangers in de zomer van ’96 in Knights woonwagen aan tape toevertrouwd. De enige hulp die de beste man daarbij genoot was die van “producers” Frank Liddell en Joe Hayden. Wie zijn singer-songwriters graag “gritty, honest & real” mag hebben, heeft ook hier weer een flinke kluif aan.

Chris Knight

 

OR, THE WHALE “Or, The Whale” (Seany Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Alex Robins (zang, akoestische gitaar, banjo, percussie), Matt Sartain (zang, elektrische gitaar, banjo, percussie), Lindsay Garfield (zang, percussie), Julie Ann Thomasson (zang, piano, keyboards, orgel, percussie), Justin Fantl (bas, percussie, zang), Jesse Hunt (drums, percussie) en Tim Marcus (pedal steel, elekrische gitaar, dobro, piano, percussie) vormen samen Or, The Whale. Zijn wat aparte naam ontleende dat vanuit San Francisco actieve zevental aan “Moby Dick” van Herman Melville. De volledige titel van dat al in 1851 verschenen boek luidde immers “Moby Dick; Or, The Whale”. En minstens net zo eigenzinnig als die naamkeuze is óók de muziek van het collectief. Met liefst vier leadvocalisten in zijn rangen trekt het zo ongeveer alle registers tussen rock en country ver open. Daarbij nu eens herinnerend aan Neil Young, dan weer aan de Drive-By Truckers, maar toch voornamelijk zichzelf blijvend verandert het septet op zijn titelloze tweede CD van muzikale mood als een ander van ondergoed of van sokken. Heerlijk ruw gaat het er zo bijvoorbeeld aan toe in het onder een dikke laag feedback gedijende “Black Rabbit”, country en folk regeren dan weer volop in het introvert gebrachte “Never Coming Out”, country rock lijkt een gepaste omschrijving voor prijsnummer “Datura” en “Rusty Gold” heeft zelfs een licht psychedelisch randje. En als men het in de eigen bio heeft over “something that is neither country nor rock, but exists somewhere in the space between the two”, dan kunnen wij dat van hier uit eigenlijk alleen maar onderschrijven. Feit is, dat het in die eigen niche van Or, The Whale bijzonder aangenaam toeven is.

Or, The Whale

Sonic Rendezvous

 

TOM OVANS “Get On Board” (Floating World / Bertus)

(3,5****)

Hoeveel platen heeft deze man ondertussen al wel niet op z’n actief? Wij zijn onderweg ergens de tel kwijt geraakt… (Twaalf stuks, aldus zijn huidige werkgever!) Feit is, dat je ook over “Get On Board” weer amper een recensie schrijven kan zonder de naam Dylan te laten vallen. En dat is iets, wat eigenlijk zo ongeveer voor elke Tom Ovans-CD opgaat. Wel is het zo, dat de gelijkenissen met Dylan door de jaren heen steeds beter gecamoufleerd werden. En storen doen ze eigenlijk al lang niet meer. Ovans kan het nu eenmaal ook niet helpen, dat die hese rasp van een stem van ‘m zo Dylanesk aandoet. En als je dan ook nog eens in hetzelfde genre actief bent, dan komen de vergelijkingen als het ware vanzelf. “Get On Board”, ’s mans nieuwste, valt eigenlijk in grote lijnen in twee helften uiteen. Enerzijds zijn er flink wat onder de noemer roots rock vallende liedjes. Songs als het titelnummer, “Breakdown And Cry” en “Honorable Mention” zullen het zo wellicht goed doen bij liefhebbers van het werk van collega-singer-songwriters als een Willie Nile, een Tom Gillam en een Elliott Murphy. Wat rustigere dingen als “Rainbows”, “Candy Lane”, “Every Single One” en “Taken With You” lijken dan weer eerder te mikken op het publiek van de al genoemde Dylan en een Steve Forbert ook wel. En het zijn vooral de deuntjes uit die laatste categorie, waarvan wij het hier bij momenten lekker warm vanbinnen kregen. Vooral de wat klagerig gebrachte Americana-trage “Western Plains Blues” en het hopeloos romantische “Taken With You” – Dat mondharmonicaatje! – vonden wij echt onwaarschijnlijk mooi.

Tom Ovans op Facebook

Floating World

Bertus

 

ROSIE FLORES “Girl Of The Century” (Bloodshot / Bertus)

(4****)

Rosie “Rockabilly Filly” Flores is op haar nieuwe CD “Girl Of The Century” weer in zeer goede doen. In het gezelschap van Jon Langford en The Pine Valley Cosmonauts levert ze een lekker gevarieerd geheel af, dat wat ons betreft de concurrentie met haar beste materiaal so far moeiteloos aankan. Van het ergens tussen blues en old time stringband music vallende openingsnummer “Chauffeur” over de richting huis van vertrouwen Sun Records lonkende rockabilly en rock & roll van “This Little Girl’s Gone Rockin’” en “I Ain’t Got You” tot de blauwogige seventies soul van “Halfway Home”, van de swampy torch song “Dark Enough At Midnight” over de Texaans gestijlde swing van “Little Bells” of het van wijlen Johnny Cash geleende en hier heerlijk onder stoom gebrachte “Get Rhythm” tot “Last Song”, een lekkere, met één tegel ruimschoots genoegen nemende trage, van de schokschouderende R&B van “You’re The One” tot “This Cats’s In The Doghouse”, een met Patricia Vonne gepend king size-rockertje, “Who’s Gonna Take Your Garbage Out?”, minstens even veel met Johnny & June als met Conway & Loretta gemeen hebbende Texas twang, en “Girl Of The Century”, “gewoon” heel erg fraaie Americana, je zal hier ons inziens vergeefs naar mindere momenten zoeken! Knappe plaat zondermeer!

Rosie Flores

Bloodshot Records

Bertus

 

ROGER HOLZHEIMER “Rough Hewn Heart” (Roger Holzheimer)

(3***)

“Rough Hewn Heart” is een aardige collectie akoestische (folk)rockliedjes van een ons tot voor kort volslagen vreemde singer-songwriter uit Colorado. Roger Holzheimer, want zo heet de man, grijpt op dat album terug naar lang vervlogen tijden. Mede door zijn wat aparte stem ben je al snel geneigd om een link naar Cat Stevens te leggen. Maar ook andere namen, zoals die van Bruce Springsteen, John Hiatt, Ronny Elliott en Johnny Cash om er maar enkele te noemen, zijn hier en daar best wel op hun plaats. Holzheimer kiest op “Rough Hewn Heart” met enige regelmaat voor een erg sobere begeleiding. Zijn zowel het eigen innerlijke als de mensheid in haar totaliteit als onderwerp gebruikende liedjes klinken daardoor niet zelden alsof ze ergens aan het eind van de jaren zestig, begin jaren zeventig werden ingeblikt. Onze favorieten: het lekker wegrockende “’57 Chevy”, het uit hetzelfde vaatje tappende “Ghost Of Kerouac” en het heerlijk intimistische, eerder herfstig verpakte “Life Again”.

Roger Holzheimer

CD Baby

 

CLARENCE BUCARO “New Orleans” (Hyena / Bertus)

(4,5*****)

Voor ons één van de allermooiste platen van het moment, deze nieuwe van Clarence Bucaro. En dan te bedenken, dat het album bijna voorgoed aan onze neuzen voorbij gegaan was. Bucaro nam het immers al in 2004 op, kort nadat hij van Cleveland, Ohio naar New Orleans verkaste. Hij had zich voorgenomen, om zich voor het maken van zijn nieuwe schijf te laten leiden door het rijke muzikale erfgoed van die regio. Dat gegeven, een nieuwe liefde in zijn leven en een samenwerkingsverband met collega Anders Osborne resulteerden uiteindelijk in tien ongemeen soulvolle liedjes, ingeblikt in één enkele, amper zes uur durende sessie. Dat het uiteindelijk ruim vijf jaar zou duren alvorens Bucaro de moed vond om deze ook effectief op de wereld los te laten, had alles te maken met de vaak erg persoonlijke teksten ervan. Maar goed, eind goed, al goed! En daar worden wij als luisteraars alleen maar beter van! De stemgewijs zo ongeveer het midden tussen Aaron Neville, Ray LaMontagne en Jackson Browne houdende Bucaro levert hier immers een echt tijdloze set aan songs af. Gelijk vanaf het fraaie openingsnummer “Light In Your Eyes” is het meteen goed raak. Een flink onder de huid gaand mondharmonicaatje, wat gospelinvloeden en die geweldige falsettostem van Bucaro zelve verrichten daarin ogenblikkelijk wonderen. “Matters Of The Heart” is vervolgens een dijk van een ballade, zoals die eigenlijk alleen maar in The Big Easy worden gemaakt, “On My Coast” laat je zwelgen in even soulvolle, als diepgaande amoureuze overpeinzingen, “Unfulfilled Love” is lijzig, enigszins jazzy ingevuld zomers laatavondvermaak, “Standing On Old Ground” leunt sfeervool op een net-niet-reggae groove, “The Other End” koppelt op aanstekelijke wijze rock aan R&B, “It’s Only You Tonight” is een doorleefde trage, die nog menig een vrouwenhart sneller zal doen slaan, “Let Me Let Go Of You” valt onder de noemer vernuftig gesyncopeerde soul, “Abandoned Mind” is opnieuw een wolk van een slow song en het afsluitende “Red Herring” herinnerde ons voorzichtig aan de betere momenten van Van Morrison.

Clarence Bucaro

Hyena Records

 

ANGIE PALMER “Meanwhile, As Night Falls…” (Akrasia)

(3,5****)

“Eén van de beste Britse singer-songwriters überhaupt,” noemde BBC-instituut Bob Harris Angie Palmer ooit en wie zijn wij dan nog om zelfs ook maar te proberen om daar iets tegen in te brengen. Een vaststelling, waar je overigens absoluut geen valse bescheidenheid van onzentwege dient achter te gaan zoeken. Het is gewoon een feit, dat Harris al jarenlang een uitstekende smaak etaleert en bovendien is de beste man véél en véél beter geplaatst om de Americana scene van zijn land te beoordelen dan ons. Maar goed, kritisch mogen we ondanks dat alles toch blijven. Zeker ook omdat nogal wat Britse spitsbroeders uit puur patriottisme wel eens zonder gegronde redenen daartoe durven te gaan hypen wat van eigen bodem komt. En dus namen we Harris’ opinie bij het beoordelen van “Meanwhile, As Night Falls…”, de nieuwe van Angie Palmer, gewoon mee als een aanbeveling, maar ook niet meer dan dat. Die door Alan Gregson van Cornershop geproduceerde opvolger van het al in 2006 verschenen “Tales Of Light & Darkness” verdient bij nader inzien echter het betoonde respect volledig. Palmer, die zelf een alleraardigst eindje uit de voeten kan op de akoestische, haar band The Revelators en gasten B.J. Cole (pedal steel) en Sophie Hastings (percussie), serveren daarop immers een bijzonder geslaagde gumbo van elementen uit respectievelijk country, blues, folk en pop. Palmer schreef alle twaalf de nummers op “Meanwhile, As Night Falls…” samen met haar partner Paul Mason. Het merendeel van de liedjes ontstond tijdens een langdurig verblijf aan de rand van een woud ergens in het diepe Zuiden van Frankrijk. Iets wat allicht voor een groot stuk de onthaaste indruk die veel van haar songs nalaten verklaart. Van enige druk was tijdens het ontstaan ervan allicht absoluut geen sprake. Palmer en Mason konden zich in alle rust toeleggen op het uitwerken van de hier gebrachte, een weinig in het verlengde van het materiaal van onder anderen Joni Mitchell, Gillian Welch en Lucinda Williams liggende liedjes. Hun forte schuilt vooral in hun uitgesproken verhalend karakter. Palmer en Mason houden wel van een zekere literaire inslag. Aan de grondslag van “Hey Lazarus!” lag zo bijvoorbeeld een Bijbelse parabel, “The Fiery Lake” zoekt en vindt aansluiting bij een Russisch volksverhaal en “Hunting The Wolf” grijpt terug naar een oud sprookje. Om maar te zeggen, dat hier véél en véél meer gebeurt dan gewoon maar wat om zich heen kijken en beschrijven. Hier is duidelijk over nagedacht! En dat gegeven, gekoppeld aan de lichthese zang van Palmer zelf en de krachtige muzikale begeleiding van haar entourage, levert – Bob Harris zal het graag horen! – inderdaad een erg mooie plaat op.

Angie Palmer

CD Baby

 

BRAD COLERICK “When I’m Gone” (Back 9 / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Ook op zijn vorige twee albums “Cottonwood” en “Lines In The Dirt” al liet singer-songwriter Brad Colerick er niet de minste twijfel over bestaan, dat hij een intelligente jongen is, en dat is op zijn nieuwe, “When I’m Gone”, niet anders. De zoetgevooisde Californiër brengt daarop tien eigen nummers en een cover van “Red Rooster In The Mash Pile”, een nummer van Joe Crookson, een tot op heden eerder onbekend gebleven collega, die hij leerde kennen toen ze beiden aantraden op het Falcon Ridge Folk Festival. Sterkste nummers op “When I’m Gone” zijn wat ons betreft het zich nogal kritisch aan het adres van Nashville uitlatende openingsnummer, het lieflijke, door het Russische adoptiekindje van een bevriend koppel geïnspireerde “Anisia Valentina”, het de wantoestanden met betrekking tot de sociale zekerheid in zijn land aankaartende “What’s In Front Of Me”, het vertederende, als een dialoog met zijn kind opgevatte “Paper In Heaven” en het titelnummer. Net als voor zo ongeveer alle songs op zijn derde CD bedient Colerick zich daarvoor van een soort van muzikale hybride bestaande uit min of meer gelijke delen roots pop, folk en Americana.

Brad Colerick

Sonic Rendezvous

 

CAROLINE HERRING “Silver Apples Of The Moon” (Signature Sounds)

(3,5****)

Het betreft hier een bij ons weten enkel via haar platenlabel Signature Sounds verkrijgbare aanvulling op de nieuwe CD van Caroline Herring, “Golden Apples Of The Sun”. “Silver Apples Of The Moon” bevat vijf songs, die om uiteenlopende redenen dat album net niet haalden. Nochtans is er absoluut niks mis met de liedjes in kwestie. Zowel de eigen deunen “Sam’s Song”, “China” en “Mistress” als Herrings covers van “Here In California” van Kate Wolf en “Dixie Darling” van A.P. Carter sluiten wat ons betreft perfect aan bij wat ze doet op haar nieuwe album. En met name haar samen met Garth Hudson gebrachte interpretatie van Carters “Dixie Darling” vinden wij echt wel bloedmooi. We raden je dan ook aan, om zo snel mogelijk een exemplaartje van dit kleinood te bemachtigen. Dit zou op termijn immers wel eens kunnen gaan uitgroeien tot een heus collectors item.

Caroline Herring

Signature Sounds

 

IAN SIEGAL “Broadside” (Nugene / Bertus)

(5*****)

Met betrekking tot deze recensie mag je ons rustig van enige vooringenomenheid betichten. Wij kunnen het nu eenmaal ook niet helpen, dat we het bij zo ongeveer alles wat de Brit Ian Siegal doet koud en warm tegelijk krijgen. De man heeft ontegensprekelijk één van dé stemmen van het moment, schrijft fantastische songs en schuwt daarenboven ook nog eens geen enkel risico. Iets wat overigens nooit duidelijker bleek dan op zijn nieuwste worp. Op “Broadside” kiezen Siegal (zang, gitaren) en zijn maats Andy Graham (bas) en Nikolaj Bjerre (drums) onder de productionele hoede van Matt Schofield voor een wel bijzonder eclectische benadering van het bluesidioom. Een aanpak, die regelmatig afdwaalt richting Americana, soul en R&B en op die manier leidt tot ’s mans wellicht meest toegankelijke plaat tot op heden. Het is hier volop genieten geblazen van stilistisch zo diverse pareltje als de onvervalste old-time soulsleper “Take A Walk In The Wilderness”, de akoestische story blues van “The Ballad Of Big-foot Chester”, het over een Diddley-eske beat neergelegde stampertje “Little Paranoia”, de luie swamp rock van “Stealing From The Queen”, het groovy funkende “Like Hell”, het met een snuifje Mariachi-sentiment gekruide countrydeuntje “The Bleeding Cowboy’s Lament”, het recht-toe-recht-aan bluesrockende “Kingdom Come”, het hypernerveuze, op een sixties-gitaaraanpak leunende “Quarantine”, het qua ritmiek een weinig aan striphit “You Can Leave Your Hat On” herinnerende, sexy R&B-kleinood “Hard-pressed” en het tussen (roots)pop en blues twijfelende “Slaker”. Als we het goed hebben maakt dat een 10 op 10. En vandaar dan ook de vijf sterren boven dit stukje. Noteer wat ons betreft nu al maar: “Broadside” van Ian Siegal is dé bluesplaat van het jaar 2009!

Ian Siegal

Nugene Records

Bertus

 

THE MALDIVES “Listen To The Thunder” (Mt. Fuji / Sonic Rendezvous)

(4****)

U luistert regelmatig nog wel eens naar iets van Gram Parsons, de Flying Burrito Brothers, de Band of de Jayhawks? Ja? Dan moet u bij gelegenheid beslist ook de vanuit Seattle actieve Maldives eens een luisterend oor gunnen. Net zoals recentelijk bijvoorbeeld ook nog het onvolprezen I See Hawks In L.A. grijpen singer-songwriter Jason Dodson en de zijnen op hun debuut “Listen To The Thunder” schaamteloos terug naar wat bon ton was in de hoogdagen van het countryrockgenre. Er is de zwaar melancholische, bij momenten een weinig getormenteerd aandoende zang van Dodson zelf, er is het pakkende harmonieerwerk van zijn maats, er zijn de bij tijd en wijle echt lekker loos gaande gitaarbijdragen van Jesse Bonn en Tim Gadbois, er is de fraai ondersteunende pedal steel van Chris Zasche, de fiddle van Seth Warren, …Enfin, zo’n beetje alles wat een mens van lekkere countryrock leerde te verwachten, is hier in ruimschoots voldoende mate aanwezig. In deze liedjes over “altijd weer dezelfde dingen”, aldus Dodson zelve, “eenvoudige dingen, liefde, de dood en zo”, klopt daardoor een ontzettend groot hart. Je loopt er ogenblikkelijk warm van. Het herinnert een beetje aan het gevoel, dat ook onze eerste kennismaking met de Jayhawks indertijd opwekte. Ook toen wisten we meteen, dit worden vrienden voor het leven! Net zoals nu bij schoonheden van songs als de zwaarmoedige, ruim de 10-minutengrens overschrijdende sleper “Walk Away”, het intimistisch opgevatte “Going Home”, het qua opzet ergens tussen Neil Young en The Band strandende “Blood Relations”, het melodieuze countryrockertje “Tequila Sunday” of het met leuk harmonicawerk opgewaardeerde soortgenootje “Cold November”. Alsof je met een teletijdmachine een klein uurtje lang zo’n drie decennia terug in de tijd wordt getransporteerd… Héél erg lekker allemaal!

The Maldives

Sonic Rendezvous

 

THE O’S “We Are The O’s” (Idol Records)

(3,5****)

The O’s zijn Taylor Young en John Pedigo, twee knapen uit Dallas met een aardig indrukwekkend verleden bij bands als Slick 57, Polyphonic Spree, Young Heart Attack, Young James Long, Boys Named Sue, P.W. Long, Backsliders en Rose County Fair. Ergens in de zomer van 2008 besloten de twee hun krachten te bundelen en samen op zoek te gaan naar een wat toegankelijkere Americana-hybride. Een opzet, waarin ze op hun debuut “We Are The O’s” ook wonderwel slagen. Dat volledig met z’n tweeën ingespeelde en volkomen akoestisch ingeblikte visitekaartje verenigt op volstrekt harmonieuze wijze genres als pop, rock, folk en Americana. De twee schudden hier de ene aanstekelijke oorwurm na de andere uit de mouw. Opvallende rollen zijn er daarin met name voor de enigszins primitief betokkelde banjo van Pedigo en het puike harmonieerwerk van de twee heren. Het resultaat zijn een elftal aanstekelijke deunen, die het met name bij fans van collectieven als Chatham County Line en de Avett Brothers goed zullen doen.

The O’s

 

CAROLYN MARK & N.Q. ARBUCKLE “Let’s Just Stay Here” (Mint / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hier is sprake van zoiets als een heuse Canadese superalliantie. Carolyn Mark doet het op haar nieuwe CD “Let’s Just Stay Here” immers met N.Q. Arbuckle. Een logisch vervolg eigenlijk alleen maar op “Fireworks”, een nummer van haar in 2005 verschenen duettencompilatie “Just Married”, waarvoor ze ook al in zee ging met de vanuit Toronto actieve Neville Quinlan en diens maats Peter en Mark Kesper (respectievelijk gitaren en drums) en John Dinsmore (bas). Maar ditmaal is er in tegenstelling tot toen sprake van een echte teamprestatie. Naast zes Mark-liedjes bevat “Let’s Just Stay Here” immers ook drie N.Q. Arbuckle-originelen en drie in gezamenlijk overleg gekozen covers. En ook wat betreft de zangpartijen zet Mark regelmatig een stapje opzij voor Quinlan. Iets wat alleen maar bijdraagt tot het creëren van een heerlijk divers geheel. Waarvoor bovendien ook nog eens een aantal speciale gasten werden opgetrommeld. Corb Lund springt zo bij op de mandoline, Lily Fawn laat haar zaag zingen, Miranda Mulholland doet het op de viool en Jenny Whiteley valt op met prachtig harmonieerwerk. Met eigenlijk uitsluitend innemende resultaten. Openingsnummer “All Time Low” is zo bijvoorbeeld torchy twang à la Neko Case, “Officer Down” fraaie ingetogen countryrock, “The 2nd Time” een al even prachtige botsing tussen pop, folk en roots rock, “Saskatoon Tonight” flirt vervolgens met jazz en Americana tegelijk en Mike McDonalds (Jr. Gone Wild) “Downtime” staat - Mede dankzij ongegeneerd twangend gitaarwerk! - voor een hap alt. country van het betere soort. “Itchy Feet” zoekt het aansluitend bij old-timey snarenwerk, “Passing Dream”, geleend van Tony Evans, de voorman van Growler, de eerste band van de Kesper-tweeling, is ingetogen, enigszins dromerig aandoende roots pop, “Canada Day Off / Toronto” met wat punkattitude op smaak gebrachte countryrock, “Too Sober To Sleep” – Van Justin Rutledge en wat ons betreft hét absolute hoogtepunt hier! – een ingehouden streepje roadhouse rock, “Sunday Morning” z’n titel alle eer aandoende zweverige “zondagochtend-Americana”, “When I Come Back” transporteert Johnny en June wild met de heupen schuddend naar het hier en nu en titelnummer “Let’s Just Stay Here” wentelt zich in herfstige melancholie. Wij lusten er hier wel pap van!

Carolyn Mark

Mint Records

Sonic Rendezvous

 

CHARLIE FAYE “Wilson St.” (Wine & Nut Records)

(3,5****)

Charlie Faye is een bijzonder lekker ogend opdondertje, dat voor het eerst van zich deed spreken met eigen materiaal in 2006. Toen verscheen van haar immers de CD “Last Kids In The Bar”. Een plaat, waarvoor collega-critici prompt vergelijkingen met groten der aarde als een Bonnie Raitt, een Lucinda Williams en een Tom Waits uit hun hoge hoeden tevoorschijn toverden. En dat vonden wij toen wel een beetje al té voortvarend. Faye tapte weliswaar nogal nadrukkelijk uit hetzelfde muzikale vaatje, maar het niveau van die drie iconen haalde ze ons inziens toch nog lang niet. En dat is ook op haar nieuwe worp “Wilson St.” nog steeds niet het geval. Faye grossiert daarop in soulvolle Americana, waarin de nadruk beurtelings wat meer op alternatieve country en al dan niet akoestisch gebrachte blues of R&B komt te liggen. En dat doet ze goed! Bij momenten héél erg goed zelfs! “Simple Seduction”, een bezield samengaan van country en R&B, maakt zo bijvoorbeeld spelenderwijze zijn titel waar. En “She’s Gonna Go”, het onafwendbare einde van een stormachtige relatie bezingend, is een echte wolk van een ballade. Think Kathleen Edwards, zoiets! Op haar sterkst is Faye trouwens überhaupt net in die nummers, waarin ze zich wat kwetsbaarder opstelt. Het ingetogen “Waitin’ On Something” en het afsluitende “Ready To Fall” zijn daarvan twee uitstekende voorbeelden. Ook heel erg leuk: het tegen ingehouden twangende gitaren vertelde verhaal van de “Lady Of The Leading Man”.

Charlie Faye

 

BOB CHEEVERS “Tall Texas Tales” (Inbred Records)

(4****)

Voor allen die - Zelfs na zijn ronduit uitstekende twee laatste platen “Texas To Tennessee” en “Fiona’s World”! - nog een bijkomende reden nodig hadden om Bob Cheevers toelating te verlenen om definitief door te stoten tot de premier league der zingende songsmeden is er nu “Tall Texas Tales”. En dat is een plaat, die haar titel alvast niet gestolen heeft. Cheevers verkaste recentelijk immers naar de Lone Star State en aangezien hij ook daar zijn motto sinds jaar en dag (“I don’t know if these stories are true, but they happened to me!”) trouw bleef, is het album doorspekt met verwijzingen naar zijn nieuwe Wahlheimat. “Tall Texas Tales” beluisteren is je heel even een echte Texaan wanen. Een gevoel, dat nog extra in de hand wordt gewerkt door de muzikale kruisbestuiving, waar Cheevers de voorbije maanden het stralende middelpunt ging van vormen. Hij liet zich voor zijn nieuwe plaat overduidelijk inspireren door zo ongeveer alles wat binnen het lokale circuit bon ton is. Openingsnummer “Grown Up People” ademt zo een zekere torchy twang uit, “Luckenbach” groeit mede dankzij een zomerse accordeonbijdrage van Chip Dolan tot onversneden Tex-Mex uit, “Texas Is An Only Child” leeft geheel en al van een vette blues groove, “Budget Motel” zoekt nadrukkelijk aansluiting bij een rijke traditie van red, white & blue-songwriters, “Turquoise Heart With A West Texas Smile” mikt rootsy rockend op een wat jonger publiek, “Mushroom Cloud Lil” is naast een wolk van een story song ook gewoon een streepje sublieme country rock, “One Good Rib” smeekt al stuiterend over een Diddley beat met de tong diep in de wang geplant naar airplay en “Falling” rondt in stijl “op z’n Cheevers” af, ergens heel erg dicht in de buurt van het beste van good old Willie Nelson dus. Kortom, een heerlijk gevarieerd geheel, ingespeeld bovendien met “the cream of the Texan crop”. Daartoe mag je knapen als Stephen Doster, Marvin Dykhuis, Bob Pearce, Dennis Ludiker, Chip Dolan, Charlie Irwin, Rich White en George Ensle ons inziens immers zeker rekenen. Een aanrader van formaat!

Bob Cheevers

 

CAROLINE HERRING “Golden Apples Of The Sun” (Signature Sounds / Continental / Munich)

(4****)

Alle superlatieven, die al voor haar vorige drie albums uit de kast mochten, mogen ook nu weer van stal! Onder de productionele hoede van David Goodrich straalt Caroline Herring op “Golden Apples Of The Sun” immers meer dan ooit. Goodrich opteerde nadrukkelijk voor een van alle overbodige franje ontdaan geluid, waardoor Herrings stem en gitaarspel nog meer dan anders in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. En bovendien durft ze hier ook een aantal verrassende covers aan. Cyndi Laupers “Time After Time” krijgt zo bijvoorbeeld een 70s-folkjasje aangemeten. En met Joni Mitchells “Cactus Tree” laat Herring ook verderop nog eens nadrukkelijk horen, dat zulks wel degelijk de bedoeling was. Heel wat van het materiaal op “Golden Apples Of The Sun” ademt trouwens eenzelfde sfeertje uit. Wat meer Joni Mitchell en Judy Collins dan voorheen, zeg maar. Of gewoon wat meer folk dan Americana. Al blijft dat laatste genre wel nog manifest aanwezig. Zoals in de door een nerveuze banjo voortgestuwde herinterpretatie van de traditional “Long Black Veil” en in de van een verbluffend nieuw arrangement voorziene bluesklassieker “See See Rider”. Maar laat het ons vooral ook even hebben over Herrings eigen liedjes hier. De echte pareltjes dienen we immers juist daar te zoeken. In intimistische, uit haar eigen ervaringen ontstane liedjes als “Abuelita” en “The Dozens” bijvoorbeeld is Herring pas echt op haar best. Dan denk je als recensent van dienst ogenblikkelijk weer in termen als “volstrekt tijdloos”, “heerlijk gracieus” of “hemels”. Maar ook wat meer uptempo spul als “A Little Bit Of Mercy” mag er best wezen. Om nog maar te zwijgen van het op een passage uit Dante’s “Inferno” geënte “The Great Unknown”.

Caroline Herring

Signature Sounds

Continental

 

BLUE MOTHER TUPELO “Heaven & Earth” (Diggin’ Music / Shut Eye)

(3,5****)

“Quite possibly the best husband and wife duo you’ve never heard of,” noemde collega Jewly Hight Blue Mother Tupelo in het Amerikaanse vakblad Paste Magazine. En daarmee sloeg ze wat ons betreft alvast spijkers met koppen. Wij waren inderdaad nog niet vertrouwd met het materiaal van Micol en Ricky Davis. En daardoor misten we wel degelijk iets! Dat leiden we althans af uit wat we op “Heaven & Earth” voorgeschoteld krijgen. Daarop tekenen de Davissen voor een ontzettend smaakvolle en bovenal ook erg beklijvende collisie tussen (Southern) rock, country, blues en gospel. Veertien nummers lang geurt het daarop naar het diepe Zuiden van de States. Veertien nummers lang surft het duo op geweldige grooves heen en weer tussen de hoger genoemde genres. Veertien nummers lang wordt niet op een druppel zweet meer of minder gekeken. Mocht je ook jezelf daarvan willen overtuigen, dan volstaat het om snel even enkele tellen van de volgende nummers te beluisteren. Beginnen kan je bijvoorbeeld met het lijzig rockende “Always Lookin’”. Om dan vervolgens via het bijna voortdurend tussen gospel, blues en rock twijfelende “Heaven And Earth”, het swampy “Give It Away / Hard Times”, het over een dronken kroegpianootje uitgesmeerde rustpuntje “The War”, het deluxe-stampertje “Goin’ Down Midnight” en de aparte Americana van “Tupelo” definitief vermurwd te worden door de enigszins ontspoorde train song “Ramblin’ Train”. Verrassend goed allemaal!

Blue Mother Tupelo

 

EILEEN ROSE & THE HOLY WRECK “Luna Turista” (Freeworld / Bertus)

(4****)

Muzikale hokjesdenkers trekken zich de haren uit het hoofd telkens weer Eileen Rose met een nieuwe CD op de proppen komt. Wat zouden ze haar graag als dé ultieme alt. country babe afschilderen! Maar hier is – Tot spijt van wie het benijdt! - veel meer aan de hand… “A bit of a gypsy,” noemt ze zichzelf. En dat slaat heus niet alleen op haar nomadenbestaan van de voorbije jaren. De ondertussen in Nashville, Tennessee neergestreken chanteuse is minstens even rusteloos in haar liedjes. Dat was al zo op “Shine Like It Does” uit 2000, op “Long Shot Novena” uit 2002, op het machtige “Come The Storm” uit 2005 en op “At Our Tables” uit 2008 en dat is op haar met The Holy Wreck opgenomen nieuwste “Luna Turista” niet anders. Met die plaat verwerkt Rose ondermeer een aantal zware tegenslagen in haar recente privé-leven. Zo verloor ze op korte tijd ondermeer haar broer en haar vader. En zoiets tekent een mens natuurlijk. Luister maar eens naar de door merg en been gaande semi-ballade “Sad Ride Home” en je zal meteen begrijpen, wat we met die laatste woorden bedoelen. “What’s a man to do, when the words that came so easily are gone,” zingt La Rose daarin. Of nog: “What are we to do with a need to fight but nothing to attack?” Het verwoordt op treffende wijze het gevoel van onmacht, waarmee ze geruime tijd worstelde. Elders gaat het er allemaal wat opgewekter aan toe. Zoals in het tegen een boom-chick-a-boom-ritme aanleunende “Trouble From Tomorrow”, waarin Rose zich out met betrekking tot haar neiging om al bij voorbaat in de toekomst moeilijkheden te gaan opzoeken. Het resultaat is een bedrieglijk optimistisch aandoend meezingertje. Very country indeed! “Third Time’s A Charm” is vervolgens een atmosferisch streepje Americana meets power pop, “Silver Ladle” een uit gelijke delen geloof, hoop en liefde opgetrokken schuifeltrage, “Luckenbach, Texas” een geweldige, in duet met fiddler Joshua Hedley – “Mijn eigen Emmylou,” noemt Rose hem al glimlachend… – gebrachte Waylon Jennings-cover, “Strange” recht-toe-recht-aan roots rock, “Why Am I Awake?” door banjogetokkel en de zacht huilende pedal steel van The Legendary Rich Gilbert gedragen old-timey country, “The One You Wanted” een klanktapijtgewijs welhaast Spectoriaanse proporties aannemende pianoballade en “All These Pretty Things” tenslotte een streep volvette rock & roll pur. Elke hoek van het canvas liet ze ons meermaals zien, La Rose! Totaal murw, maar “utterly, utterly” voldaan bleven we achter! Wat een brok natuurgeweld toch!

Eileen Rose

Freeworld

Bertus

 

JOE IADANZA “Traveling Salesman” (Joe Iadanza)

(3,5****)

Joe Iadanza is een wat aparte verschijning. Zowel qua uiterlijk als op muzikaal vlak heeft de vanop Long Island actieve folkie iets van een zonderling. Onder zijn karakteristieke hoedje lijkt zo op het eerste gezicht inderdaad eerder een “Traveling Salesman” schuil te gaan dan een artiest. Enkel zijn gitaarkoffer verraadt het tegendeel. En wat zijn muziek betreft? Tja, die valt eigenlijk ook maar moeilijk in één enkel hokje onder te brengen. Iadanza eet van heel wat walletjes tegelijk. Americana, folk, pop, rock en jazz, ze passeren in zijn met intelligente - Niet zelden van een humoristische noot voorziene! – teksten opgewaardeerde liedjes allemaal de revue. Je gedachten dwalen vrijwel ogenblikkelijk richting een John Prine, een Jason Mraz of een Cat Stevens af. Met de eerste van dat drietal deelt hij de gave om wat hij observeert in immer originele teksten te verwerken, met de tweede het talent om instant-meezingbare oorwurmen van liedjes af te leveren, met de derde een wat speciaal, ogenblikkelijk uit de duizenden herkenbaar stemgeluid. Die drie troeven zouden als je het ons vraagt voor Iadanza ruimschoots moeten volstaan om het een stuk verder te schoppen dan de gemiddelde Americana singer-songwriter. Hij heeft immers een pak meer ijzers in het vuur om een groot publiek te kunnen bereiken dan het gros van zijn collega’s. En wij kijken dan ook nu al met belangstelling uit naar het effect dat “Traveling Salesman” hier zal teweegbrengen als Iadanza in april van volgend jaar samen met Jenee Halstead onze kontreien zal aandoen. Onze luistertips: het in regelrechte bohémien-stijl swingende “Sunshine Blues”, het door Carolin Pook van een speciaal vioollijntje voorziene en je qua ritmiek geregeld op het verkeerde been zettende “Night Light Lullaby” en het met leuke meerstemmige momenten gekruide en heel erg seventies aandoende “One More Lonesome Tune”.

(Een tip nog: via ’s mans webstek kan je momenteel gratis “Joe Live On Acoustic Long Island” uit 2006 downloaden.)

Joe Iadanza

CD Baby

 

CLIFF EBERHARDT “500 Miles: The Blue Rock Sessions” (Red House / Music & Words)

(4****)

Grote platenfirma’s brengen sinds jaar en dag hun voornaamste kanonnen graag pas in stelling wanneer het einde van het jaar stilaan in zicht komt. Om voor de hand liggende redenen natuurlijk. Er moeten immers pakjes onder die boom… En misschien moet in die richting ook wel een verklaring worden gezocht voor de ontzagwekkende stroom aan ronduit uitstekende rootsmuziek, die ons de jongste weken overspoelde. Vooral in de afdeling Americana singer-songwriters volgden de pareltjes elkaar aan een regelrecht verschroeiend tempo op. En als we snel even een oogje op onze releaselijst laten vallen, lijkt het einde nog lang niet in zicht ook! Maar dat is nog toekomstmuziek. Letterlijk en figuurlijk dan! Het hier en nu confronteert ons met “500 Miles: The Blue Rock Sessions”, de nieuwste van Cliff Eberhardt. En ook daar mogen gelijk weer de nodige sterren voor uit de kast! Voor die opvolger van het in 2007 verschenen en ook al onder de nodige lofbetuigingen bedolven “The High Above And The Down Below” zocht Eberhardt de rust van de vermaarde Texaanse Blue Rock-studio’s op. En daar blikte hij, daarbij bijgestaan door een legertje aan geweldige, voornamelijk lokale studiomuzikanten als Glenn Fukunaga, Rick Richards, Billy Crockett, Mike Hardwick, Joel Guzman en Colin Brooks, tien eigen nieuwe songs en covers van Hedy Wests “500 Miles” en John Hiatts “Back Of My Mind” in. Dat laatste liedje en een “door het leven zelf bijgestuurde” herwerking  van zijn eigen klassieker “The Long Road” uit 1990 zijn meteen twee van de meest in het oog springende songs op een collectie rijk aan echte pareltjes. En eigenlijk hoeft dat niet eens meer echt te verbazen. Dat Eberhardt gezegend is met een ongemeen soulvolle stem wisten we immers al wel langer. En dat hij net wat eloquenter uit de hoek kan komen dan het gros van zijn collega’s, is ook al geen nieuws meer. Wat voor ons van “500 Miles” echter zo’n geweldige plaat maakt, is vooral de atmosferische kracht die er van uitgaat als geheel. Je hoort als het ware in elke hier gezongen en gespeelde noot, dat de creativiteit van alle betrokkenen serieus gestimuleerd moet zijn geworden door het unieke kader waarin het album werd opgenomen. En wij durven deze CD dan ook zonder ook maar de minste schroom aan te bevelen aan liefhebbers van het oeuvre van pakweg een John Hiatt, een JW Roy, een John Gorka en een Jimmie LaFave. En een aanwinst voor elke zichzelf respecterende collectie met materiaal van zingende songsmeden is het sowieso ook.

Cliff Eberhardt

Red House Records

Music & Words

 

BOCA CHICA “Lace Up Your Workboots” (Boca Chica / Shut Eye)

(3,5****)

Boca Chica is op de keper beschouwd eigenlijk gewoon een pseudoniem voor Hallie Pritts. Als een volleerde voetbalcoache werkt die vanuit het Amerikaanse Pittsburgh actieve chanteuse met een heus rotatiesysteem. Haar noden bepalen, wie of wat er voor een bepaald liedje dient te worden ingeschakeld. En dat zorgde er ditmaal ondermeer voor dat Jeff Baron van The Essex Green en Ladybug Transistor mee de studio in mochten om haar bij het realiseren van haar aparte hybride van folk en indie bij te staan. “Lace Up Your Workboots” is overigens al het derde album van Pritts. Eerder verschenen al “Boca Chica” in 2005 en “Transform Into Beats” in 2007. En eerlijk gezegd verbaast het ons wel een beetje, dat ze met die twee platen nog geen grotere naambekendheid wist te bewerkstelligen. Met haar zowel een weinig aan acts als de Be Good Tanyas en Gillian Welch refererende, als bij alternatieve folkies genre Iron & Wine, Hem en The Innocence Mission aanleunende liedjes lijkt ze immers alle troeven in handen te houden, die vereist zijn om tot zelfs in Europa toe een vaste waarde te kunnen worden binnen de indiescène. Met haar charmante, enigszins breekbare stem schurkt ze beurtelings behaaglijk tegen akoestische en elektrische gitaren, synthesizer, keyboards, banjo, pedal steel, fluiten en cello. Het resultaat is een plaat, die hier de komende weken tegen een achtergrond van naar goede jaarlijkse gewoonte weer prachtig verkleurende en door de wind meegevoerde bladeren nog aardig vaak als soundtrack zal mogen fungeren. Als er immers al één ding is, dat je over deze muziek zeker kwijt mag, dan is het wel, dat ze nogal herfstig aandoet. Ze doet je als het ware nu al verlangen naar de gezellige warmte van een zacht knetterende open haard. Een lekker glaasje binnen handbereik, een goed boek in de buurt en genieten maar… Het zijn prettige vooruitzichten!

Boca Chica

CD Baby

 

BARNABY BRIGHT “Wake The Hero” (Barnaby Bright)

(4****)

Hij een graduaat van het vermaarde Berklee College of Music met een graad in jazzcomposities en saxofoon, zij een dertien jaar jongere, klassiek geschoolde operazangeres. Een onwaarschijnlijk duo zo op het eerste gezicht, maar door hun gemeenschappelijke voorliefde voor simpele folkdeuntjes, hun vaak bijzonder fraaie strijkersarrangementen en hun veelbetekenende, meestal aardig doorleefde teksten werden Nathan en Rebecca Bliss wél voor het leven verenigd. In die mate zelfs, dat ze dezer dagen als man en vrouw nog heel wat meer delen dan gelijklopende muzikale interesses. Het maakt hen het leven als artiestenpaar allicht een flink stuk gemakkelijker. En dat is mooi meegenomen. Zeker als straks een internationale doorbraak zou kunnen. Iets wat voor Barnaby Bright absoluut niet uit te sluiten valt. De muziek van het tweetal is immers anders dan anders. Namen als Iron & Wine of Damien Rice kunnen hooguit dienen om je een idee te geven van het muzikale kader, waarin de Blissen dienen te worden gesitueerd. Hun muziek is echter zó volstrekt uniek, dat elke vergelijking eigenlijk bij voorbaat achterwege kan worden gelaten. Wat ze brengen is zo ongeveer hét ideale koptelefoonvermaak. Indie-kamerfolk! De combinatie van werkelijk impeccabele samenzang, weelderige strijkers, zalige akoestische gitaarpartijen en een onvoorspelbare benadering van het palet met andere, niet allemaal even “gewone” instrumenten, zorgt voor een muzikaal totaalbeeld, dat in zo goed als om het even welke context moet kunnen functioneren. Het sleutelwoord zal daarbij steeds “genieten” blijven. Genieten van de hemelse zang van beide protagonisten, genieten van hun doorgedreven instrumentale perfectionisme, genieten van hun erg mooie songteksten. Kortom: gewoon genieten. En willen we dat niet allemaal van om het even welke plaat, die we ons aanschaffen? You bet!

Barnaby Bright

CD Baby

 

KRIS KRISTOFFERSON “Closer To The Bone – DeLuxe Edition” (New West / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Dat wij “Closer To The Bone”, de nieuwe CD van Kris Kristofferson, een echte moordplaat vinden, kon je hier elders al lezen en dat hoeven we dus eigenlijk ook helemaal niet te herhalen. Waarom er dan toch nog eens over beginnen? Wel, gewoon omdat we ondertussen ook een exemplaar van de “DeLuxe Edition” van dat schijfje op de kop konden tikken. En die bevat naast het reguliere album ook nog eens een bonus-CD met daarop acht liedjes, opgenomen tijdens een door Kristofferson in het voorjaar van 2008 in The Olympia Theatre in Dublin, Ierland afgewerkte show. En dat blijkt een heel erg mooi tijdsdocument te zijn. Wij vinden het alvast zalig om Kristofferson met die ondertussen toch aardig verweerde stem van ‘m heerlijk intimistisch doorheen liedjes als “This Old Road”, “The Final Attraction”, “Sunday Mornin’ Comin’ Down”, “The Silver Tongued Devil And I”, “For The Good Times”, “A Moment Of Forever”, “Don’t Let The Bastards (Get You Down)” en “Why Me?” te horen waden. En afgaande op de wel erg enthousiaste reactie van het publiek daar in Dublin staan we daarin heus niet alleen. Kristoffersons liedjes zijn als het ware gemaakt voor die “just a man & his guitar”-aanpak. En een pittige anekdote her en der waardeert het geheel alleen nog maar meer op. Wat ons betreft is deze versie van “Closer To The Bone” dan ook nog net iets meer aan te bevelen als de enkele uitvoering ervan. Je haalt er bij nader inzien voor maar enkele euro’s meer eigenlijk gewoon twee prima albums mee in huis. Vooral je voordeel mee doen dus!

Kris Kristofferson

New West Records

Sonic Rendezvous

 

JAMES MCMURTRY “Live In Europe” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wat wij ontzettend sympathiek vinden aan het Duitse label Blue Rose Records is het feit, dat Edgar Heckmann en de zijnen er altijd weer als de kippen bij zijn om je aan een leuke herinnering aan optredens van hun artiesten te helpen. Het aantal live-CD’s van Blue Rose-paradepaardjes, dat zo de jongste jaren het levenslicht zag, is stilaan indrukwekkend te noemen. En zo goed als elk van die platen is bovendien van uitstekende kwaliteit. Niet te veel poespas eromheen, gewoon lekker sobere registraties van gigs zoals je er zelf regelmatig meemaakt. Iets wat vanzelf een zekere band schept. Ook met “Live In Europe” weer, Americana rocker & storyteller James McMurtry’s tweede CD voor Blue Rose. Dat album combineert de beste opnames van shows in het kielzog van “Just Us Kids” in de Amsterdamse rocktempel Paradiso en Rätsche in het Duitse Geislingen. Het laat je genieten van al wat oudere én recentere dingen als “Bayou Tortue”, “Just Us Kids”, “Hurricane Party”, “You’d A’ Thought (Leonard Cohen Must Die)”, “Fräulein O.”, “Ruby And Carlos”, “Freeway View” en “Restless”. Leuk extraatje is daarnaast een bonus-DVD met in Amsterdam gemaakte opnames. Dat net onder de veertig minuten klokkende schijfje gunt je als liefhebber van McMurtry’s kunstjes een eerste keer de kans om ook beeldmateriaal van ‘m in huis te halen. Met “You’d A’ Thought (Leonard Cohen Must Die)” en “Freeway View” vertoont het weliswaar enkele overlappingen met de CD, maar met “Choctaw Bingo”, het onweerstaanbare “We Can’t Make It Here”, het al even delicieuze “Too Long In The Wasteland” en het samen met Jon Dee Graham gebrachte “Laredo”bevat het anderzijds meer dan voldoende lekkers om je een poosje zoet mee te houden.

James McMurtry

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

CHRIS SMITHER “Time Stands Still” (Signature Sounds / Continental / Munich)

(4,5*****)

Amper drie dagen studiotijd had Chris Smither nodig om onder het waakzame oog van producer David “Goodie” Goodrich zijn knapste plaat tot op heden in te blikken. Want dat is “Time Stands Still” wat ons betreft zonder ook maar de minste twijfel. Smithers elfde studioplaat is een elf nummers lang naar de essentie van het liedje delvend geheel, dat in z’n totaliteit een erg relaxte indruk achterlaat. Smither doet het hier met acht eigen originelen en smaakvolle covers van Bob Dylans “It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry”, Mark Knopflers “Madame Geneva’s” en jaren ’20 country blues man Frank Hutchisons “Miner’s Blues”. Door de bepaald spaarzame instrumentale invulling daarvan ligt te allen tijde de nadruk op Smithers drie voornaamste troeven. En dan hebben we het uiteraard over zijn prachtige, aangenaam gruizig aandoende stem, zijn virtuoze fingerpick-techniek en zijn helaas nog door te velen onderschatte akoestische folk- en bluesliedjes. Songs, die zich vrijwel zonder uitzondering laten omschrijven als goudeerlijke uiteenzettingen over het leven in z’n algemeenheid en de liefde en het verliezen (daarvan) meer in het bijzonder. Ons raakten daarvan vooral het in al zijn lijzigheid een weinig aan J.J. Cale herinnerende “Don’t Call Me Stranger”, het door bijzonder precieus snarenwerk in vergelijking met de rest hier eerder lichtvoetig uit de hoek komende “Call Yourself” en het verhalend erg sterke en precies daardoor ook meteen zeer herkenbare “Old Man Down”. Deze en andere deuntjes maken nog maar eens duidelijk, waarom Smither als leverancier van songs bij zo menig een veel bekendere collega hoog aangeschreven staat. En we zijn dan ook bijzonder benieuwd, wie er met materiaal van deze plaat aan het lijstje met klanten als Emmylou Harris, Bonnie Raitt en Diana Krall zal worden toegevoegd. De tijd zal het leren! (Als hij niet stil blijft staan tenminste…)

Chris Smither

Signature Sounds

Continental

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home