CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES NOVEMBER 2010

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

DERAILERS “Live! From Texas” - YVETTE LANDRY “Should Have Known” - THE VOLEBEATS “The Volebeats” - Honky Tonkitis “Deep End Of The Bottle” - STEVE WYNN & THE MIRACLE 3 “Northern Aggression” - CARRIE RODRIGUEZ & BEN KYLE “We Still Love Our Country” - KEVIN JONES “Raising The Ebenezer” - DEAD MEN’S HOLLOW “Angels’ Share” - SOUTHER STILL “Great Wild Street” - LYNN MILES “Fall For Beauty” - BLUE EYED BLONDES “Blue Eyed Blondes Anno 2010” - BJ BAARTMANS “Voor/Achter” - SLOWMAN & FRIENDS “Hey Jimi – Slowman & Friends Play Hendrix” - DALE WATSON “Carryin’ On” - STACIE COLLINS “Sometimes Ya Gotta…” - MOJO MONKEYS “Blessings & Curses” - CHRIS BRECHT & DEAD FLOWERS “Dead Flower Motel” - LARKIN POE “Summer” - GREG TROOPER “Upside-Down Town” - VARIOUS ARTISTS “The Imus Ranch Record II” - BOB REA “Ragged Choir” - FILIP DE FLEURQUIN “A Monkey On A Wooden Horse” - PIANO RED “The Lost Atlanta Tapes” - THE SECRET SISTERS “The Secret Sisters” - JUICE NEWTON “Duets, Friends & Memories” - CHIP TAYLOR & CARRIE RODRIGUEZ “The New Bye & Bye” - SANDY DENNY “Sandy Denny”

 

DERAILERS “Live! From Texas” (Varèse Vintage)

(4****)

Her en der lees je, dat het hier om het eerste live-album van de Derailers zou gaan, maar dat is natuurlijk je reinste onzin. Daarvoor moeten we immers alweer ruim dertien jaar terug in de tijd met “Live Tracks”. Illustreerde die plaat indertijd vooral het enorme potentieel van een nog relatief jonge groep, dan staat het recentere “Live! From Texas” voor een podium-snapshot van een ondertussen ontzettend goed gerodeerd geheel, volkomen terecht uitgegroeid tot een gevestigde waarde in het genre. Een groep met een geheel eigen geluid, stoelend op traditionele country Bakersfield style, maar volop gekruid met elementen uit andere genres, als daar zijn sixties-Britpop, rockabilly en R&B. Een lekker swingende hybride die, naar we uit eigen ervaring menen te mogen weten, heus niet enkel bij countrypuristen aanslaat. Onder het motto “You gotta mix it up, keep people dancing, that’s the honky-tonk world!” presenteren zanger-gitarist Brian Hofeldt en de zijnen ons hier een aantal fanfavorieten van hun negen studioplaten tot op heden, aangevuld met twee niet eerder verschenen songs. Ingeblikt werd dat vijftiental op twee verschillende locaties, de legendarische Gruene Hall meer bepaald en het ook al zeer gerenommeerde Dan’s Silver Leaf  in Denton, beide in Texas uiteraard. Hoogtepunten van deze absoluut geen mindere momenten kennende concertregistraties zijn wat ons betreft de knappe Everly Brothers-cover “You’re My Girl”, het de eigen levensstijl mooi samenvattende en superswingende “Cold Beer, Hot Women And Cool Country Music”, Wynn Stewarts heerlijk rockend gebrachte en ergens zeer dicht in de buurt van de Blasters in hun hoogdagen residerende “Come On” en het nog maar eens de bijzonder diepe voorliefde voor Buck Owens van de heren onderstrepende “Lies, Lies, Lies”. Ideaal spul om de eigen huiskamer even mee tot een onvervalste honky-tonk om te toveren!

Derailers

 

YVETTE LANDRY “Should Have Known” (Soko Music)

(4****)

De vanuit Breaux Bridge, LA actieve Yvette Landry is oneindig veel meer dan het zoveelste knappe countrysnoetje, dat met hooggespannen verwachtingen haar debuutplaat op de wereld loslaat. Als begenadigde multi-instrumentaliste zag ze immers al grote stukken van de wereld. Ze was bovendien ook één van de stichtende leden van het gereputeerde vrouwencollectief Bonsoir Catin en optreden deed ze ondermeer al met Darrell Scott, Dirk Powell, Bill Kirchen, John Lilly en Balfa Toujours. Talent zat, met andere woorden! En dat hoor je duidelijk ook op haar debuutplaat “Should Have Known”. Daarop brengt Landry zestien nummers van eigen hand, waarin ze het fenomeen liefde in al z’n facetten aan bod laat komen. Een heerlijk authentiek aandoende countrystem, handen die vaardig hun weg vinden over snaren, ogenblikkelijk herkenbare teksten, straffe melodieën en een select groepje begeleiders zorgen ervoor, dat je de Amerikaanse al na één enkele beluistering van dat “Should Have Known” stevig aan de boezem gaat drukken. In het gezelschap van leden van ook hier gewaardeerde collectieven als The Redstick Ramblers, The Wilders, River Road en anderen grossiert ze immers ruim drieënvijftig minuten lang in “homemade honky-tonk”, waaruit naast een grote liefde voor traditioneel opgevatte country vooral ook een zekere hang naar het muzikale erfgoed van Louisiana en verre omstreken blijkt. En precies dat element verleent aan haar muziek een bepaalde eigenheid. In Nashville zal ze er daardoor zeker geen potten mee gaan breken, maar in kringen van rootsmuziekminnaars juist des te meer. Een echt juweel van een plaat!

Yvette Landry

CD Baby

 

THE VOLEBEATS “The Volebeats” (Rainbow Quartz International / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Speelde de factor alternatieve country nog een behoorlijk bepalende rol op eerdere platen van The Volebeats, dan lijkt die hier een beetje zoek. Op de onder de productionele hoede van kopstukken Matthew Smith en Jeff Oakes ergens op locatie in Hamtrack, MI ingeblikte opvolger van “Like Her” uit ’95 gaat het door Ryan Adams ooit tot “best American band” uitgeroepen vijftal samen met gast Ryan Gimpert nogal nadrukkelijk voor een retro-getint pop- en rockgeluid. Ruim negentien nummers lang lijken eerder invloeden van groepen als de Velvet Underground en The Kinks en andere sixties-Brit-poppers in hun muzikale universum binnen te sijpelen dan deze van pakweg Gram Parsons en de zijnen. ’t Is dat je nog af en toe eens de pedal steel van Gimpert hoort… Dan wordt heel even voorzichtig de Cosmic American Country-kaart getrokken. Voor het overige klinken de Volebeats hier eerder als The Jesus & Mary Chain ontdaan van alle gitaarherrie of zoals al eerder aangegeven de VU en andere “laat-zestigers” na een kruisbestuiving met folk. Opvallende covers zijn er daarbij onderweg van “See You Tonight” van hardrocklegende Kiss en van “This Is Where I Belong” van Ray Davies en The Kinks.

The Volebeats op MySpace

Sonic Rendezvous

 

Honky Tonkitis “Deep End Of The Bottle” (Nuculer Music)

(4****)

Tweede cd van het vanuit Wisconsin actieve vijftal luisterend naar de als een besmettelijke ziekte klinkende roepnaam Honky Tonkitis. En zowat anderhalf jaar na hun vrijwel unaniem lovend onthaalde debuut “You Drink And Drive Me Crazy” mikken “baritenor” John Steffes en de zijnen daarmee opnieuw resoluut op een publiek opgegroeid met de muziek van Johnny Cash, Waylon Jennings, Buck Owens, Hank Williams en aanverwanten. Ze verdiepen zich op “Deep End Of The Bottle” met de tong diep in de wang geplant andermaal in hun favoriete onderwerpen drank en hartzeer. En een nieuw clublied voor de AA zal je hier dan ook niet aantreffen. Titels als “You Will Find Me In The Deep End Of The Bottle”, “Which Are You First: Drunk Or Stupid?”, “Beans And Beer For Breakfast”, “Six Pack Lovers” of “Drinking Beer Leads To Harder Things” spreken wat dat betreft voor zich. En dat doet ook de muziek! Het uitgangspunt vormt hier “nach wie vor” het honky-tonkgenre, maar binnen de grenzen daarvan blijkt aardig wat te kunnen. Van een qua ritmiek overduidelijk aan “The Man In Black” schatplichtig opdondertje (“I’ll Be Seeing The Floor Pretty Soon”) tot zwierige, met twang beladen countryrock (“C’mon, Baby, Get It Off Your Chest”), van rockabilly (“Half-Ass Heartache”) tot op sierlijke wijze elk hoekje van de hardhouten dansvloer verkennend spul (“You Will Find Me In The Deep End Of The Bottle”), van een komisch opgevat, voorzichtig met Western swing flirtend niemendalletje (“I Need More Makeup”) tot een ons volop aan Ned Millers “From A Jack To A King” herinnerende sleper (“If It’s Paradise”), van een rete-aanstekelijk Tex-Mex-uitstapje (“But Not Me”) tot recht-toe-recht-aan honky-tonk (“I’m A Maker”) en andere, met de zestien songs op hun “moeilijke tweede” leveren Steffes, gitarist Chris Conrad, bassist Jason Ploetz, fiddler Tom Hanson en drummer Kurt Weber het soort van spul af, dat met de nodige hoeveelheden bier en feestgrage klanten in de buurt gegarandeerd aanleiding zal geven tot een lekker wild feestje. Dringend maar eens proberen dus…

Honky Tonkitis

CD Baby

 

STEVE WYNN & THE MIRACLE 3 “Northern Aggression” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Persoonlijk vind ik “Northern Aggression”, na “Static Transmission” uit 2003 en “tick… tick… tick…” van twee jaar later zijn derde met The Miracle 3, zowat het beste, wat ik van Steve Wynn al mocht vernemen in zijn dagen na The Dream Syndicate. En dat zegt eigenlijk veel meer over deze plaat dan over de vele voorgangers ervan. Wynn, zijn drummende echtgenote Linda Pitmon, bassist Dave DeCastro en vooral ook gitarist Jason Victor blijken op “Northern Aggression” immers in absolute topvorm te verkeren. Met zijn geweldige solo’s op de elektrische stuwt Victor niet enkel tal van de songs hier, maar ook z’n broodheer Wynn naar ongekende hoogten. Heerlijk luide rock & roll is dit, in de werkelijk allerbeste garage-traditie! Eén langgerokken opstoot van adrenaline, die je eigenlijk eerder van een rebels jong broekje verwacht, dan van een heerschap op jaren als Wynn. Maar hij flikt het ‘m dus wel weer, he! Gelijk van bij de eerste nerveuze gitaarakkoorden van openingsnummer “Resolution” weet je welk vlees je hier in de kuip hebt. Een fulminante, licht psychedelisch getinte start van een ruim drie kwartier durend sonisch vuurwerk is dat. Met meteen op de hielen daarvan het al even straffe, ritmegewijs zo goed als volledig door Victor op de slaggitaar gedragen en heerlijk gemeen bekkende “We Don’t Talk About It” en het daarmee nadrukkelijk verwante, met wat synths en steelgitaarklanken onderbouwde “No One Ever Drowns”. Een eerste bescheiden rustpuntje vormt het ons qua sfeer een heel klein beetje aan het materiaal van The Doors herinnerende “Consider The Source”. Dat nummer vormt samen met een andere trage, het ronduit sublieme “St. Millwood”, één van de absolute hoogtepunten van “Northern Aggression”. Ook héél straf: het nadrukkelijk aan de acid rockers van de late sixties schatplichtige “Colored Lights” en het ondanks een meteen in stelling gebrachte gitarentweeling in vergelijking met veel van de rest hier eerder bezadigd rockende “The Other Side”.

Steve Wynn

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

CARRIE RODRIGUEZ & BEN KYLE “We Still Love Our Country” (Ninth Street Opus)

(3,5****)

Het blijft dezer dagen wel opvallend druk rond de bevallige Carrie Rodriguez. Na de eerder dit jaar in eigen beheer uitgebrachte live-cd “Live In Louisiana”, de leuke coverplaat “Love And Circumstance” en de aan haar dagen aan de zijde van Chip Taylor gewijde verzamelaar “The New Bye & Bye” is er zo nu weer de streng gelimiteerde en enkel tijdens optredens en via de webstek van de betrokkenen verkrijgbare mini “We Still Love Our Country”. Daarop horen we La Rodriguez aan de slag in een achttal duetten met de van zijn werk met Romantica bekende Ben Kyle. Het betreft daarbij voornamelijk covers van materiaal van anderen. Enkel de rootsy popdeun “Fire Alarm” en de in steelklanken gehulde valse trage “Your Lonely Heart” vormen wat dat betreft uitzonderingen. Voor het eerste tekenden Rodriguez en Kyle samen, het tweede schreef het Romantica-kopstuk in zijn eentje. Verder hier fraaie herinterpretaties van Townes Van Zandts “If I Needed You”, Chip Taylors “Big Kiss”, Luke McDaniels “You’re Still On My Mind”, John Prine en Robert Braddocks “Unwed Fathers”, Hazel Housers “My Baby’s Gone” en Boudleaux Bryants “Love Hurts”. En die bewijzen eigenlijk zonder uitzondering andermaal, dat Rodriguez op haar best is, als ze de vocale hoofdrol mag delen met een (bij voorkeur mannelijke) partner. Pas in die context komt haar stem ogenschijnlijk volledig tot haar recht.

Carrie Rodriguez

 

KEVIN JONES “Raising The Ebenezer” (Taxim /Bertus)

(3,5****)

Aan de beste platen gaat, volgens een al wat oudere – En wijzere! – collega van me, steevast een zekere “incubatieperiode” vooraf. Hij vindt het immers niet meer dan normaal, dat artiesten er hun tijd voor nemen om ruwe ideeën tot voldragen songs te laten uitgroeien. En misschien heeft de beste man daar tot op zekere hoogte ook wel gelijk in. Heel wat singer-songwriters zullen je tussen pot en pint door immers vertellen, dat ze hun al wat oudere materiaal nu op een geheel andere manier zouden invullen. Niet echter Kevin Jones! Toen diens “Nobody’s Father” zo’n tien jaar geleden verscheen, bleek het merendeel van de songs daarop immers al meer dan tien jaar oud. En ook over zijn nieuwe worp, “Raising The Ebenezer”, deed de aan dezelfde scène als ondermeer Mary-Chapin Carpenter, John Jennings – Ook de producer van Jones’ nieuwe plaat! – en wijlen Ace Smith ontsproten Amerikaan een heel decennium. Het minste wat je dan ook kan stellen, is dat zijn songs ruim de tijd hebben gekregen om te rijpen. En dat is eraan te horen ook! In zijn liedjes mag Jones graag “het ongewone in het gewone” aankaarten en uitvergroten. Ergens tussen country, folk en pop zoekt en vindt hij al doende in de grote voetsporen van voorbeelden als een John Prine en een Steve Goodman voor elk van zijn rootsy liedjes wel ergens een eigen niche. Met een wat onopvallende, maar daarom zeker niet minder aangename stem brengt hij zijn doorgaans erg knappe verhalen, zich daarbij hier en daar geruggensteund wetend door zijn oude maatje Carpenter. Zij leent haar stem aan enkele van de mooiste liedjes hier, te weten het ingetogen tweetal “Death To Life” en “Girl From Lancaster”. Ook leuk: het zwierig rockende “Dirty Rotten Dad Blame Blues”, dat Jones leende van de hoger al genoemde Ace Smith. Meteen ook de enige cover hier, want alle twaalf de resterende songs dragen de signatuur van Jones zelve.

Taxim Records

Bertus

 

DEAD MEN’S HOLLOW “Angels’ Share” (Acoustic Americana)

(3,5****)

Met hun vierde cd “Angels’ Share” komen Mike Clayberg (leadgitaar, zang), Marcy Cochran (fiddle, zang), Jared Creason (bas, zang), Caryn Fox (zang, mandoline), Belinda Hardesty (zang, banjo) en Amy Nazarov (zang, ritmegitaar) oftewel Dead Men’s Hollow eigenlijk gewoon tegemoet aan de alsmaar groeiende vraag van hun fans naar een zuivere gospelplaat. Geheel in de lijn van z’n drie vorige worpen “Forever True” (2005), “Two-Timin’” (2006) en “Death Must Be A Woman” (2008) presenteert het vanuit de regio Washington actieve zestal ook op “Angels’ Share” weer een bijzonder aangenaam wegluisterende mix van country, bluegrass, folk, blues en gospel Southern style. Heerlijke close-harmony gezangen wordt op sympathieke wijze gekoppeld aan een volledig akoestisch gehouden instrumentarium, waarbij de gitaren, mandolines, fiddle en banjo te allen tijde mooi binnen de lijntjes van het liedje blijven kleuren. Niet het zich outen als virtuoos op een welbepaald instrument is hier belangrijk, maar wel het eindresultaat van de gezamelijke inspanningen. En de elf liedjes op “Angels’ Share” laten zich derhalve ook vangen onder de noemer “warmbloedig”. Dit is spiritueel ingekleurde bluegrass van het soort, waarvoor je absoluut geen gelovige hoort te zijn om er met volle teugen van te kunnen genieten. En dat lijkt ons gezien de huidige maatschappelijke context zeker geen nadeel…

Dead Men’s Hollow

CD Baby

 

SOUTHER STILL “Great Wild Street” (Feed Dog Records)

(4****)

Ook aan de andere kant van het Kanaal wordt er met enige regelmaat best wel uitstekende Americana geproduceerd. Zoals door het vanuit Londen actieve Souther Still bijvoorbeeld. Dat naar aanleiding van zijn inmiddels ook alweer derde gooi naar glorie “Great Wild Street” tot een heus ensemble inclusief pedal steel, cello en orgel uitgebreide collectiefje onder aanvoering van songsmeden Bradley Putze en Kevin Stokes doet dat zelfs op een danig hoog niveau, dat enkel de teksten her en der nog een Britse afkomst verraden. De muziek van Putze en Stokes en co doet dat zeker niet, die is immers “nach wie vor” op-en-top Amerikaans en herinnert zoals ook al ten tijde van voorganger “Dizziness And Darkness” beurtelings aan het werk van acts als Grant Lee Buffalo, Whiskeytown en Neil Young. Het betreft daarbij met een zeker waas van mystiek omhangen folk blues met een behoorlijk uitgesproken grootstadskarakter en bij momenten welhaast verraderlijk zacht uit de hoek komende Americana. Mooi is het allemaal zondermeer en als dusdanig menen we hier “Great Wild Street” ook in eer en geweten een heuse aanrader te mogen noemen.

Souther Still

ReverbNation

 

LYNN MILES “Fall For Beauty” (True North Records)

(4,5*****)

Al jarenlang behoort Lynn Miles tot de absolute top van de Canadese folk & roots scene. En ook met haar nieuwe plaat “Fall For Beauty” lijkt ze die behoorlijk prominente stek alleen maar te zullen consolideren. Op die opvolger van het fabuleuze akoestische “Black Flowers”-tweeluik kiest ze voor het eerst sinds het al in 2005 verschenen “Love Sweet Love” weer voor een voldragen studioaanpak. Hulp krijgt ze daarbij ondermeer van producer-multi-instrumentalist Ian Lefeuvre, bassist Maury Lafoy, drummer Peter Von Althen en violist Drew Jurecka. En die doen echt wel een uitstekende job hier. In hun gezelschap kan Miles zich immers ten volle concentreren op haar eigen werk, te weten het brengen van wel doordachte heerlijkheden van songs, veelal vallend binnen een voornamelijk door eenvoud gesierd keurslijf, door haarzelf in één van haar liedjes treffend omschreven met de al een kleine eeuwigheid meegaande definitie van een goed countrynummer “Three Chords And The Truth”. Wat overigens absoluut niet hoeft te betekenen, dat Miles met “Fall For Beauty” een countryplaat pur sang afgeleverd zou hebben. Haar liedjes situeren zich naar goede gewoonte ook ditmaal weer in de schemerzone tussen folk, country en volwassen popmuziek. Nu eens ligt de klemtoon wat meer op het ene, dan weer eerder op het andere. Met als absolute uitschieter wat ons betreft het hartverscheurend mooie en tegelijk ook erg geladen “Love Doesn’t Hurt”, een nummer over huiselijk geweld, waarin Miles voor eens en voor altijd de grenzen van het in die context (nog net) toelaatbare lijkt te willen vastleggen. Ook héél erg fraai: het werkelijk in hartzeer zwelgende “Cracked And Broken”, de in duet met haar landgenoot Jim Bryson gebrachte klaagzang op een stukgelopen relatie “Goodbye” en de ogenschijnlijk op een onbewaakt moment uit het Great American Songbook weggeglipte afsluiter “Time To Let The Sun (Have It’s Day)”, waarin optimisme en hoop heel even de bovenhand krijgen.

Lynn Miles

True North Records

 

BLUE EYED BLONDES “Blue Eyed Blondes Anno 2010” (Dead Tree Music)

(4****)

Blue Eyed Blondes zijn Lina Lönnberg en Kristoffer Emanuelsson, een, zoals hun namen dat al laten vermoeden, Zweeds rootsduo, dat enkele jaren geleden een plattelandsbestaan de rug toekeerde om vanuit grootstad Göteborg zijn muzikale dromen te gaan najagen. Niet dat je dat hoort op de onlangs verschenen EP “Blue Eyed Blondes Anno 2010” overigens, want dat schijfje ademt nog uit zo ongeveer elke porie meer rurale Amerikaanse invloeden. En de vier nummers – Plus verborgen bonus track! –  erop zouden het ons inziens dan ook wel eens heel erg goed kunnen gaan doen in kringen, waar men kickt op acts als Gillian Welch, Rachel Harrington of de Be Good Tanyas. Openingsnummer “Maneater” lijkt bijvoorbeeld zó weggelopen van de soundtrack bij de film “O Brother, Where Art Thou?”, “Laughing My Heart Out” houdt op z’n Welch op ingetogen wijze mooi het midden tussen old-time country en folk, met Lönnberg daarbij in een vocale glansrol, het van Ruth Moody (The Wailin’ Jennys) geleende “Glory Bound” komt mede door z’n knappe samenzang en een nadrukkelijk aanwezige banjo in Be Good Tanyas-vaarwater en “Why Don’t You Love Me” blijkt gewoon een heel erg knappe, zo goed als volledig onthaaste versie van die Hank Williams-klassieker. Al bij al redelijk straf spul, dat je al na enkele draaibeurten volop hongerend naar meer achterlaat.

Blue Eyed Blondes op MySpace

 

BJ BAARTMANS “Voor/Achter” (Continental Europe)

(4****)

Het najaar van 2010 staat voor BJ Baartmans volledig in het teken van een opmerkelijke verjaardag. Dertig jaar staat de beste man inmiddels in het vak en dat zullen we geweten hebben ook! Middels een even ambitieuze als prestigieuze dubbelaar maakt hij ons immers deelachtig aan de feestelijkheden. De ene helft daarvan, een album luisterend naar de titel “Voor”, is zijn eigenlijke tiende plaat als soloartiest en confronteert ons met dertien nieuwe Baartmans-liedjes in het Nederlands. (Bij enkele daarvan blijkt het bij nader inzicht te gaan om adaptaties van eerder al eens in het Engels verschenen dingen als “Lily Dear”, “No Soap” en “Priceless Man”.) En net als op voorgangers “Verpand”, “Verwant”, en “Wild Verband” presenteert de Nederlander zich daarop ook nu weer als een tekstdichter met een ontzettend goed ontwikkeld observatievermogen. Hij kijkt in zijn liedjes vrijwel voortdurend om zich heen. En met de precisie van een hartchirurg achter de operatietafel tekent hij op wat hij ziet, hoort en voelt en gunt je op die manier op bijzonder subtiele wijze een kijk in zijn eigen leefwereld. Zonder het al te nadrukkelijk over zichzelf te hebben geeft hij zich zo toch beetje bij beetje bloot. En dat schept natuurlijk een zekere band. Het verleent aan zijn teksten ook iets van een literair randje.

Het tweede schijfje, “Achter”, focust dan weer op Baartmans’ alter ego. De Brabander is immers niet enkel een geweldige liedjesschrijver, hij geldt door zijn activiteiten als sessiemuzikant en producer ook en vooral al één van dé hoekstenen van de Americana- en rootsrockscènes in Nederland. In de negen liedjes op “Achter”, ook al herwerkingen van ouder materiaal van ‘m, neemt Baartmans dan ook genoegen met een rol op de achtergrond. Op gitaren, bas, mondharmonica, toetsen, percussie-instrumenten en zelfs drums stelt hij zich ten dienste van tal van vrienden en collega’s, die “zijn feestje” graag mee wilden komen opluisteren. Een ronduit indrukwekkende gastenlijst is daarvan het gevolg. Daarop prijken ondermeer de namen van JW Roy, Bart de Win, Eric de Vries, Iain Matthews, Beatrice van der Poel, Gerard van Maasakkers, Marcel de Groot en Frank Lammers. Met vocale glansprestaties helpen zij met z’n allen om niet enkel de songsmid Baartmans maar ook de geweldige muzikant daarachter even in het zonnetje te zetten. Warm aanbevolen derhalve ook, deze erg knappe dubbelaar!

BJ Baartmans

Continental Europe

 

SLOWMAN & FRIENDS “Hey Jimi – Slowman & Friends Play Hendrix” (Slow Records)

(3,5****)

Een met veel liefde en kennis van zaken ingespeeld en –gezongen eerbetoon aan het adres van één van de grootste gitaristen ooit. Svante “Slowman” Törngren (zang en gitaren) en zijn vrienden Bengt Alm (bas), Stefan Rosén (drums) en Katarina Byman Seger (harmony vocals) gooien zich met wel bijzonder veel overgave op bekend en net wat minder bekend Jimi Hendrix-spul als “Fire”, “Purple Haze”, “Manic Depression”, “Red House”, “Bold As Love”, “Voodoo Child”, “Foxy Lady”, “Little Wing”, “The Wind Cries Mary”, “Crosstown Traffic” en “Angel”. Een bijzonder hachelijke onderneming, omdat je eigenlijk al bij voorbaat weet, dat je de originelen toch nooit echt naar de kroon zal kunnen steken. Maar Törngren en co brengen het er meer dan verdienstelijk van af. Ze trekken de songs van hun idool veelal flink wat meer richting blues rock en daar blijken die bijzonder goed te gedijen. Pluspunten vormen daarbij wat ons betreft vooral Törngrens gruizig-seductieve zang en vooral ook zijn geweldig expressieve gitaarspel. En een speciale vermelding mag er zeker ook nog zijn voor “Electric Angel”. Daarin wordt Hendrix ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van zijn overlijden voorwaar in zijn eigen stijl geëerd door Törngren. An sich niks bijzonders, ware het niet dat het daarbij een compositie van onze beste Slowman zelve betreft. Heel knap gedaan!

Slowman

 

DALE WATSON “Carryin’ On” (Me & My Records / Continental)

(5*****)

Met het ouder worden lijkt Dale Watson flink wat aan scherpte te hebben ingeboet. Al té expliciet taalgebruik aan het adres van het huidige country establishment wordt zo bijvoorbeeld alsmaar meer geschuwd. Maar de beste man is en blijft natuurlijk wel een rebel in hart en nieren. Een traditionalist tot in de kist, zeg maar. En het statement, dat hij dezer dagen bij monde van zijn liedjes aflevert, is er één dat ons inziens minstens even duidelijk is als de stoere taal van weleer. Zelfs wanneer hij ze, zoals nu, in het hol van de leeuw zelf, te weten in de Hilltop Studios in Nashville, durft in te gaan blikken, laten ze absoluut niets aan de verbeelding over. Dit is nergens minder dan “country the way it was always supposed to be”. In het gezelschap van door de wol geverfde studioratten als een Lloyd Green (steelgitaar), een “Pig” Robbins (piano) en een Pete Wade (gitaar) leverde hij daar met de veertien songs van “Carryin’ On” zelfs zijn naar ons gevoel sterkste plaat ooit af. Nooit klonk die geweldige baritonstem van ‘m naar onze bescheiden mening beter dan hier! Wat bezadigder dan in het verleden misschien wel, maar tegelijk ook ongelooflijk verzorgd. Iets wat met name door de snarenbijdragen van Pete Wade nog wat extra in de verf wordt gezet. Het heeft er echt alle aanschijn van, dat die met zijn subtiel geplaatste gitaaraccentjes Watsons gevleugelde woorden met een aardig in het oog springend kleurtje nog wat meer heeft willen onderlijnen. Van complementariteit gesproken! Het levert echt hoogtepunt na hoogtepunt op. Luister zo bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar het qua ritmiek aan classics als “City Of New Orleans” en “Gentle On My Mind” verwante titelnummer, drinking songs als “Hey Brown Bottle” en “Tequila, Whiskey And Beer, Oh My!”, met zwier gebrachte liefdesliedjes als “Flower In Your Hair” en “Ain’t That Livin’”, schuifelaars genre “You’re Always On My Mind” en “Heart Of Stone” of het afsluitende “Hello, I’m An Old Country Song”, een zich met zorgelijk gelaat nog één keer over het wel en wee van het traditionele countrygenre buigende, in steelklanken gedrenkte ballade en kom samen met ons tot het besef, dat dit straks best wel eens de mooiste countryplaat van het jaar zou kunnen blijken te zijn. Dale Watson still rules, zoveel is na “Carryin’ On” alleszins al wel zeker.

Dale Watson

Continental Record Services

 

STACIE COLLINS “Sometimes Ya Gotta…” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

“Sometimes Ya Gotta…”, de door de Duitse tekenaar Jan Meininghaus van een wel bijzonder knappe hoestekening voorziene derde van Stacie Collins, bruist regelrecht van de vitaliteit. En te verbazen hoeft dat eigenlijk allerminst, als je leest wie de knappe Amerikaanse ditmaal allemaal voor haar kar wist te spannen. Uiteraard van de partij was haar bij Jason & The Scorchers de bas hanterende wederhelft Al Collins, maar ook diens maatjes Dan Baird en Warner E. Hodges, drummer Jimmy Lester, snaren-veelkunner Eric “Ebo” Borash, toetsenist Michael Webb, Brad Jones en zingende collega’s Jonell Mosser en Ben Strano gaven graag thuis om een handje toe te komen steken. In een productie van ex-Georgia Satellites-kopstuk Baird stuwen zij powerhouse Collins doorheen een dozijn van wilde rock & roll en blues doordrongen songs, waarin op de keper beschouwd nog bijzonder veel blijkt te kunnen. Met de stootkracht van de ontketende stier op het hoesje ervan scheurt Collins op “Sometimes Ya Gotta…” al shoutend en ook vrijwel voortdurend excellerend op haar blues harp doorheen een je al dampend van het zweet achterlatende collectie rootsrockgewelddaden. Onmogelijk gewoon om je beheersing niet te verliezen bij veritabele heerlijkheden van songs als de stomende rockers “Lend The Devil A Hand” en “Hey Mister”, het accordeongewijs intraveneus van een shot Tex-Mex bediende “Carry Me Away”, het swampy “Cool”, het aan de Stones in hun allerbeste dagen herinnerende “Don’t Doubt Me Now”, de flink onder de huid gaande bluesrocker “Give It Up” en andere. Slechts twee momentjes van rust werden er door Collins ingelast. En één daarvan blijkt meteen ook één van dé allermooiste liedjes op “Sometimes Ya Gotta…”. We hebben het dan over de ongemeen soulvol neergelegde alternatieve countrytrage “It Hurts To Breathe”. Is als het ware de kers op de taart van een van de eerste tot de laatste noot zwaar verslavend werkende plaat, dat liedje.

Stacie Collins

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

MOJO MONKEYS “Blessings & Curses” (Medikull Records)

(3,5***)

Mojo Monkeys is het exclusieve speeltje van drie van de meest gevraagde (studio)muzikanten uit de regio Los Angeles. De namen van zanger-drummer David Raven, bassist Taras Prodaniuk en gitarist Billy Watts kwam je zo bijvoorbeeld al tegen in verband met ondermeer Lucinda Williams, Dwight Yoakam, Bruce Springsteen, Bonnie Raitt, Norah Jones, Jim Lauderdale en Richard Thompson. De absolute instrumentale top dus, zoveel moge duidelijk zijn! En dat drietal pakt dus nu uit met een tweede worp samen. “Blessings & Curses”, het betreffende album, zweert net als z’n voorganger “Hang” over grote delen trouw bij een eerder swampy aandoend geluid, maar het beperkt er zich niet uitsluitend toe. “Bodacious” blijkt zo ondermeer een benadering van het bluesgenre op z’n ZZ Tops, “Our Curse” doet iets moois met jazz en spoken word, “She’ll Be Alright” is fraaie, uitermate melodieuze Americana en het afsluitende “The Mockingbird Song”, een wel erg ironische kijk op stukken eigen muzikaal verleden, sluit vrij dicht aan bij wat men meestal met de term old-time country pleegt te omschrijven. Voor het overige echter wél veel naar zompige moerasgronden geurend spul hier. Met als enkele van de sterkste staaltjes het over een retestrakke countrybeat voortdenderende “Californialabama”, het funky, aan hun thuisland en alle “red blooded girls” erin opgedragen “Enough”, het over een bluesy groove uitgesmeerde “Can’t Say No” en het bezwerende “Monkeythumb”.

Mojo Monkeys

CD Baby

 

CHRIS BRECHT & DEAD FLOWERS “Dead Flower Motel” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Nog net op tijd om een rol van betekenis te kunnen gaan spelen in de ongetwijfeld stilaan weer vaste vormen aannemende eindejaarslijstjes belandde zopas “Dead Flower Motel”, de tweede van de vanuit Austin, Texas actieve zingende songsmid Chris Brecht in de winkelrekken. Wat ons betreft alvast zondermeer één van dé kandidaten voor de titel van plaat van het jaar, die opvolger van ’s mans ook al indrukwekkende debuut “The Great Ride”. Brecht toont zich op die regelrechte moordplaat immers andermaal een woordkunstenaar van het kaliber van de jonge Dylan en Cohen en verkent muzikaal gezien het uitzonderlijk brede spectrum zich uitstrekkend tussen wat momenteel in z’n thuishaven bon ton is, Cosmic American Music genre The Flying Burrito Brothers, The Byrds en The Band en meer contemporaine alternatieve country en roots rock à la de Dave Rawlings Machine en het onvolprezen Richmond Fontaine. Opvallend is dat bij het uitwerken van al dat moois ditmaal een veel prominentere rol weggelegd bleek voor zijn begeleiders van de Dead Flowers. Brecht was zelf de eerste om toe te geven, dat hemzelf eigenlijk voornamelijk lofbetuigingen voor het tekstuele aspect van “Dead Flower Motel” te beurt dienden te gaan vallen. De songs groeiden immers pas tijdens het eigenlijke opnameproces en mede door de inbreng van zijn cohorten uit tot wat we op plaat terugvinden. Wat meteen ook verklaart, waarom Brecht er voor opteerde om het geheel onder de groepsnaam uit te brengen. Ere wie ere toekomt, zoiets…

Chris Brecht & Dead Flowers

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

LARKIN POE “Summer” (Edvins / Sonic Rendezvous)

(4****)

Onvoorstelbaar getalenteerde muzikanten toch, die nog piepjonge zussen Lovell! En bovendien ook nog eens schier bodemloze vaten aan inspiratie. Dat blijkt maar weer eens naar aanleiding van de mini “Summer”, het tweede deel van hun eerder dit jaar ingezette reeks gewijd aan de vier seizoenen. Daarop ditmaal negen liedjes. De zes studio-opnames die aanvankelijk als EP zouden verschijnen, aangevuld met in de Noorse Ocean Sound-studio voor een zo’n honderd koppen tellend publiek live ingeblikte versies van de traditional “In My Time Of Dying”, Massive Attacks “Teardrop” – Hadden we nooit zo’n knap rootsnummer achter gezocht! – en het eigen “Principle Of Silver Lining”. Het nieuwe studiomateriaal illustreert perfect de voortdurende hang naar nieuwe uitdagingen van Rebecca en Megan Lovell. De wel bijzonder eclectische aanpak, die ze daarin etaleren, is gezien hun nog zo jonge leeftijd hoogst bewonderenswaardig te noemen. Sluit openingsnummer “Praying For The Bell” nog enigszins bij het wat aan de Dixie Chicks herinerende rootsy geluid van de Lovell Sisters aan, dan kan het verderop echt wel zo’n beetje alle kanten uit. “Sea Song” en “Natalie” zijn zo bijvoorbeeld door subtiele gitaaraccentjes opvallende zomerse flirts met pop, het sfeervolle “Wrestling A Stranger” valt dan weer onder de noemer rock tout court, “Enough For You” doet iets moois tussen roots en datzelfde rockgenre in en “By The Pier” is een echte wolk van een pianoballade. Zes echte topsongs zondermeer! En voortreffelijk vertolkt bovendien ook! Ze doen je eigenlijk nu al reikhalzend uitkijken naar het materiaal dat de Lovells aan de twee hen nog resterende seizoenen zullen gaan wijden.

Larkin Poe

Sonic Rendezvous

 

GREG TROOPER “Upside-Down Town” (52 Shakes Records / Lucky Dice Music)

(4****)

Het mag dezer dagen dan al een drukte van jewelste wezen in het wereldje der zingende songsmeden, opvallen in positieve zin doet hij daarin met zijn nieuwe worp als naar goede gewoonte toch weer, woordkunstenaar Greg Trooper. “Upside-Down Town” is de met fanbijdragen gefinancierde echte opvolger van z’n “Make It Through This World” uit 2005. En het blijkt een plaat te zijn, waarop Trooper voornamelijk reflecteert over de niet altijd even rooskleurige voorbije paar jaren van zijn leven. Even ging daarin niet alles zoals hij het zelf gepland had. De wereld een beetje op zijn kop, vandaar de titel. Natuurlijk vertaald naar een wat ruimere, een wat universelere context, zo kennen we Trooper onderhand wel. In het erg soulvol gebrachte tweetal “Nobody In The Whole Wide World” en “Could Have Been You” en het voorzichtig rockende “Dreams Like This” begeeft hij zich zo op relationeel glad ijs, voor “Bulletproof Heart”, “Might Be A Train” en “Just One Hand” vormden de thema’s leven en dood het uitgangspunt, het op bijzonder innemende wijze verhalende “They Call Me Hank” buigt zich bij monde van de dronkenlap uit zijn titel over de lang niet altijd even evidente zoektocht naar een eigen stek op deze wereld en uit dingen als “Second Wind”, “We’ve Still Got Time” en “Time For Love” blijkt nadrukkelijk dat Trooper zich met het ouder worden steeds meer bewust gaat worden van het fenomeen tijd. En hij gebruikt ‘m dan ook verdomd goed ook, die tijd! Heel wat van de twaalf liedjes op “Upside-Down Town” behoren mede daardoor zondermeer tot zijn beste materiaal so far. Vooral het afsluitende “Everything Will Be Just Time” heeft wat ons betreft echt alles om het tot een klassieker in het genre te schoppen. “Although a little dark it answers the previous ruminations and questions by stating that it takes no more than a simple connection no matter how brief to give us just enough hope to get to the next bend in the road,” aldus Trooper zelf daarover. Een gevoel van hoop, dat mede door erg sfeervol Wurlitzer-werk van Kevin McKendree en wat eigen geblazen accentjes op de mondharmonica ook op passende wijze verklankt wordt. Naast die McKendree leverden verder ook de van zijn werk met ondermeer John Hiatt bekende drummer Kenneth Blevins, bassisten Dave Jacques en Stewart Lerman, Dukes-gitarist Michael McAdam, accordeonist Chip Dolan, zoon Jack (drums en djembe), nichtje Oona Mae Roche en vrouw lief Claire Mullally (harmony vocals) gewaardeerde bijdragen.

Greg Trooper

Lucky Dice Music

 

VARIOUS ARTISTS “The Imus Ranch Record II” (New West / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Na het bijzonder gesmaakte eerste volume van zo’n jaar of twee geleden nu een tweede compilatie bedoeld om wat bijkomende fondsen voor de op het verbeteren van de levenskwaliteit van lijdende kinderen focussende Imus Ranch in New Mexico te genereren. Spijtig genoeg prijkt er daarop ditmaal nogal wat al eerder verschenen materiaal. Enkel Jamey Johnson, soullegende Sam Moore, Hayes Carll, Levon Helm en gospelgrootheden The Blind Boys Of Alabama lieten zich overhalen om speciaal voor de gelegenheid een nieuw nummer in te zingen. Johnson gooit zo al meteen erg hoge ogen met een volledig door die fraaie diepe stem van ‘m gedragen rootsversie van Meat Loafs “Two Out Of Three Ain’t Bad”. En ook wat Sam Moore meteen aansluitend daarop met Dan Seals’ voormalige nummer 1-hit “Bop” doet, getuigt van grote, grote klasse. Via bekend spul van Elizabeth Cook (de knappe trage “You Move Too Fast”) en Cheap Trick (hun best wel lekkere cover van de Elvis-hit “Don’t Be Cruel”) gaat het vervolgens richting Hayes Carlls bijdrage aan het project. En net als met “The Weary Kind” op de soundtrack van de film “Crazy Heart” steelt die ook hier weer de show. Zij het ditmaal niet met een eigen liedje, maar wel met een heerlijk lijzige “down to earth”-uitvoering van Roger Millers vermaarde kraker “King Of The Road”. En ook de volgende twee songs zijn enkel hier terug te vinden. The Blind Boys Of Alabama waden op de ondertussen van hen welbekende soulvolle manier doorheen het belerende “You Can’t Be A Beacon If Your Light Don’t Shine” en Levon Helm onderlijnt andermaal zijn geweldige vormpeil van de laatste jaren door uit Dylans “It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry” een dot van een bluesy rootsdeun te puren. Verder ook nog van de partij: de legendarische Kinky Friedman (met het aangenaam swingende, van Billy Swan geleende “Lover Please”), Charlie Robison (met één van z’n mooiste liedjes, de pakkende ballade “My Home Town”), The Newbeats (met hun enige echt grote hit “Bread And Butter”), Counting Crows-kopstuk Adam Duritz (met zijn sublieme, al van de verzamelaar “The I-10 Chronicles” bekende lezing van Warren Zevons “Carmelita”), Delbert McClinton (met één van z’n vele lijfliederen, het meezing-countrybluesje “Lone Star Blues”) en de Phantom Blues Band (met het lekker vette “Part Time Love”). Aardig wat oude bekenden dus, maar het goede doel heiligt in dit geval de middelen, zullen we maar zeggen…

The Imus Ranch

New West Records

Sonic Rendezvous

 

BOB REA “Ragged Choir” (Shiny Dime Records)

(4****)

“Black Highway”, het in 2003 verschenen debuutalbum van Bob Rea, was voor ons één van dé muzikale hoogtepunten van dat jaar. Volkomen terecht vonden wij het, dat de beste man door sommigen al vergeleken werd met genregroten als een J.J. Cale, een Dave Alvin en een Rodney Crowell. En het behoeft wellicht dan ook helemaal geen betoog, dat wij nogal in onze nopjes waren, toen we onlangs vernamen, dat er met “Ragged Choir” eindelijk een opvolger voor dat pareltje op komst was. Die de voorbije zeven jaar gerijpte en door Tim Lorsch geproduceerde collectie liedjes bleek ons hunkeren ernaar bij nader inzicht meer dan waard. Met zijn gebronsde baritonstem en de eigen gitaar wederom als zijn voornaamste wapenbroeders exploreert Rea op “Ragged Choir” tal van universele thema’s. Zijn flink uit de kluiten gewassen interesse in de condition humaine anno nu zet de man ertoe aan zijn songs te tappen uit het vat van het leven zelve. En wat hij daarin aantreft wordt er met de dag helaas alleen maar erger op. Gelukkig weet Rea hier echter zwartkijkerij pur sang te vermijden. Een occasionele humoristische noot laat zelfs in enkele van zijn donkerste liedjes nog wel wat ruimte voor een sprankeltje hoop aan de einder. En dat doet dit fraaie amalgaam van swamp en roots rock, gospel, country en folk uiteindelijk alleen maar goed. Dát, evenals de inbreng van uiterst getalenteerde begeleiders als gitarist Blue Miller (India.Arie), steelvirtuoos Mike Daley, bassist Dave Carroll, toetsenman Dennis Gage, harmonicawonder Jelly Roll Johnson, drummer Mickey Grimm van Over The Rhine en multi-instrumentalist George Bradfute. Met z’n allen maken zij van dingen als het op een swampy groove leunende “Stand Up”, het de huidige economische baisse bezingende folkrockertje “Platinum Dream” of het bluesy “Wretched Soul” echte beauties. Maar ook in z’n eentje of met een tot haar strikte essentie herleide begeleiding kan Rea best z’n mannetje staan. Dat bewijst hij ondermeer met “Dead River Blues” (met Jelly Roll Johnson op de harmonica) en het duidelijk naar zijn eigen, in het verleden lang niet altijd even gemakkelijke leven teruggrijpende “I Will”. “I will do just what it takes to keep my family warm and safe,” luidt het daarin veelzeggend en wij mogen ons dus eigenlijk best wel gelukkig prijzen, dat Rea daartoe dezer dagen weer het maken van platen als “Ragged Choir” rekent. Een aanrader van formaat!

Bob Rea

CD Baby

 

FILIP DE FLEURQUIN “A Monkey On A Wooden Horse” (Rekelberg Music Records)

(4****)

Americana made in Belgium, het is en blijft vooralsnog spijtig genoeg een eerder zeldzaam goed. En al helemaal als het dan ook nog eens blijkt te gaan om materiaal van een dergelijk hoogstaand niveau zoals dat terug te vinden is op “A Monkey On A Wooden Horse”, de nieuwe van Filip de Fleurquin. Die liet er zich na acht veel te lange jaren door zijn vriend Herman “HT Roberts” Temmerman eindelijk nog eens toe overhalen om een nieuwe collectie liedjes in te blikken. En dat blijkt bij nader inzicht een zet, waar noch de beste man zelf, noch wij als liefhebbers van warmbloedig songmateriaal rouwig om dienen te zijn. Wat ancien de Fleurquin (zang, gitaren en liedjes) en zijn compagnons Niels Delvaux (drums en percussie), Bruno Deneckere (gitaren, mandoline, harmonica en zang), HT Roberts (gitaren, banjo, mandoline, bas, harmonica en zang) en Peter Croonenberghs (accordeon) hier afleveren getuigt immers van grote, grote klasse. Ruim eenenvijftig minuten lang duikt de Fleurquin op “A Monkey On A Wooden Horse” de ene na de andere veritabele muzikale parel op. In een hoegenaamd nergens te opdringerige productie van soulmate Temmerman vindt hij daarbij een ideale bondgenoot. Het resultaat? Een heerlijk gevarieerde pot Americana met internationale allure! Laat je net als ons verleiden door heerlijkheden van songs als “Brave (From A Distance)”, een door Deneckere met een lekker gemeen muiltje mondharmonica opgewaardeerde streep roots & roll, “Law West Of The Pecos”, een zowel wat betreft haar inhoudelijke als haar louter muzikale aspect volop aan het diepe Zuiden van de States refererende ballade, “I’ve Been To Mars”, een je werkelijk tot in het diepst van je wezen rakende trage, “The Bellevue Hotel”, een speels-eigenzinnige invulling van het begrip country, en andere en trek uit die ervaring de enige juiste conclusie. En dat is, dat deze plaat echt alles in huis heeft om in no time uit te gaan groeien tot een vriend voor het leven. Liedjes als het al vermelde viertal, het old-timey titelnummer, het met een royale prise blues op smaak gebrachte “The Muddy Waters”, het komisch uit de hoek komende “The Old Ernest Borgnine Blues” en hét absolute prijsbeest hier, het ons gevoelsmatig een weinig aan Warren Zevons klassieker “Carmelita” herinnerende “Half Past Five In The Morning” verdienen wat ons betreft dan ook zondermeer een plaatsje in elke zichzelf ook maar enigszins respecterende platencollectie. Doe jezelf – En de Fleurquin! – daarom een plezier en haal je “A Monkey On A Wooden Horse” ASAP in huis. Je zal het je absoluut niet beklagen! Meer nog, je zal er ons dankbaar voor zijn, dat we een heel klein beetje hebben aangedrongen…

Filip de Fleurquin

 

PIANO RED “The Lost Atlanta Tapes” (Landslide Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Als manager van de Excelsior Mill in Atlanta was Michael Reeves, dezer dagen het beleg op zijn boterhammen verdienend als mede-eigenaar van ondermeer Smith’s Olde Bar, je wellicht net als ons vooral bekend van een live-cd van Shaver, gedurende een flink stuk van de jaren tachtig zo’n beetje de broodheer van Piano Red. Liefst vier avonden per week mocht de semi-legendarische R&B-pianist toendertijd in dat door Reeves uitgebate etablissement immers zijn ding komen doen. En het was tijdens één van die performances, dat het zopas verschenen “The Lost Atlanta Tapes” werd ingeblikt. Een wat ongelukkig gekozen titel trouwens, die men op deze achttien songs tellende collectie plakte. Verloren waren de oorspronkelijke vier-sporenopnames immers absoluut niet. Reeves wachtte naar eigen zeggen gewoon het gepaste moment af om ermee uit te pakken. En dat bleek dus hier en nu, als het ware om de vijfentwintigste verjaardag van Piano Reds overlijden op gepaste wijze te herdenken. Na wat restauratiewerk in de Osiris Studios in het eigen Atlanta toog Reeves met “zijn schat” naar platenlabel Landslide Records en ook daar oordeelde men, dat deze registratie daadwerkelijk een waardevolle aanvulling op het bestaande Piano Red-repertoire kon vormen. En dat is ook effectief zo! Naast ’s mans grootste hits “Rockin’ With Red”, “Dr. Feelgood” – Het nummer waaraan hij zijn roepnaam te danken had! – en “The Right String (But The Wrong Yo Yo)” krijgen we hier immers ook flink wat voorheen niet verkrijgbaar materiaal voor de kiezen. Maar liefst acht songs horen we hier voor het eerst op plaat in hun Piano Red-uitvoeringen. Het betreft daarbij de eigen originals “She’s Mine”, “My Baby’s Gone” en “Baby Please Don’t Go” en vertolkingen van elders gehaalde dingen als “C.C. Rider”, “Cotton Fields”, “St. Louis Blues”, “Shake, That’s All Right” en “Blues And Trouble”. Net voor zijn drieënzeventigste verjaardag klinkt William Lee Perryman, zoals Piano Red echt heette, in deze en andere nummers nog erg vitaal. De “Doctor” amuseert zich hoorbaar en met hem klaarblijkelijk ook zo ongeveer alle aanwezigen. En daarin volgen ook wij hen graag! Voor een heerlijk potje lome, pianogestuurde R&B zijn we hier duidelijk aan het juiste adres.

Piano Red op MySpace

Landslide Records

Sonic Rendezvous

 

THE SECRET SISTERS “The Secret Sisters” (Beladroit / Universal Republic)

(4****)

Als de voorbije jaren ons al iets hebben geleerd, dan is het wel, dat als T-Bone Burnett zich ergens mee gaat moeien, we maar beter bij de les kunnen zijn, want de moeite loont het steevast. En dat is ook ditmaal weer niet anders. Via zijn eigen, speciaal voor deze gelegenheid onder de vleugels van Universal Republic opgerichte label Beladroit Records presenteert Burnett ons de “maiden release” van de uit Muscle Shoals, Alabama afkomstige zussen Laura en Lydia Rogers. Die namen onder de productionele hoede van de ondermeer voor zijn werk met Waylon Jennings en recent nog Jamey Johnson geroemde Dave Knob in de gerenommeerde Blackbird Studio in Nashville hun eersteling op. Burnett op zijn beurt tekende voor een rol als executive producer. Samen zorgden die twee ervoor, dat het de zusjes Rogers vooral aan niets ontbrak bij het inblikken van hun visitekaartje. Allebei waren ze immers danig onder de indruk van het ongelooflijk pure geluid van de dames, dat ze vooral niets aan het toeval wilden overlaten bij het vereeuwigen daarvan. Analoog opnamemateriaal en aangepaste microfoons moesten er zo bijvoorbeeld voor zorgen, dat het werkelijk magische harmonieerwerk van de Rogersen zo waarheidsgetrouw mogelijk voor de eeuwigheid werd vastgelegd. En in dat opzet slaagt men wonderwel. Als je de zussen op innemende wijze hun stempel hoort drukken op classics als “My Heart Skips A Beat”, “Why Baby Why” en “Somethin’ Stupid”, dan kan je haast niet anders dan ogenblikkelijk voor de bijl gaan en Burnett overschot van gelijk geven, als die in de muziek van The Secret Sisters jaren aan rurale Amerikaanse muziekgeschiedenis vervat weet. Aan heel wat van de songs op hun debuut schreven de Rogersen overigens zelf mee. ’t Is dus zeker niet zo, dat ze enkel en alleen oud materiaal aan een fraaie nieuwe draai helpen. En dat maakt het met het oog op de toekomst allemaal alleen nog maar interessanter. “As close to ‘pure’ as it gets, and I’ve been doing this for forty years,” meende Burnett nog en daarin volgen we hem graag. Wij zagen deze twee zussen al als het zo’n halve eeuw te laat opgedoken vrouwelijke antwoord op de Everly Brothers. Vocaal vuurwerk van de bovenste plank dus!

The Secret Sisters

 

JUICE NEWTON “Duets, Friends & Memories” (Freeworld / Bertus)

(2**)

Juice Newton herinnert u zich ongetwijfeld nog van haar prille, volop met pop flirtende countrysuccesjes “Angel Of The Morning”, “Queen Of Hearts” en “Love’s Been A Little Bit Hard On Me”. Dat waren immers dingen, die u wellicht net als ons graag af en toe eens op de radio voorbij mocht horen trekken. Na de vroege jaren tachtig verloren we Newton echter even snel als ze kwam opduiken ook weer terug uit het oog. En pas in 1998 zou ze er weer even in slagen om op onze radar te verschijnen. Dat was met “The Trouble With Angels”, een weliswaar best aardige, maar tegelijk ook redelijk overbodige collectie heropgenomen eigen hits, aangevuld met wat nieuw materiaal. Daarna was het wat ons betreft wederom stil rond Newton. En dat tot nu. Anno 2010 tracht ze zich opnieuw in de kijker te zingen. En daartoe deed ze een beroep op heel wat bekende gasten. Zo passeren op “Duets, Friends & Memories” ondermeer Willie Nelson, Glen Campbell, Dan Seals, Melissa Manchester, Randy Meisner, Frankie Valli en Gary Morris de revue. De vrienden uit de titel, zeg maar. “En de herinneringen dan?”, zal u zich afvragen. Wel, dat blijken bekende liedjes als “Take It To The Limit”, “Without You”, “Fooled Around And Fell In Love”, “You’ve Lost That Lovin’ Feeling”, “Funny How Time Slips Away”, “Up Where We Belong” en andere. En die worden door Newton en haar gasten gebracht op een manier, waar wij nu niet meteen opgewonden van raken. Zo ongeveer alles op deze plaat hoorden we immers ooit al wel eens in een betere uitvoering. Het klinkt ons gewoon allemaal veel te commercieel. Overgeproduceerd. Lees: té braaf.

Juice Newton

Bertus

 

CHIP TAYLOR & CARRIE RODRIGUEZ “The New Bye & Bye” (Train Wreck Records / Continental)

(5*****)

Laat dit alstublieft een voorteken zijn! Een voorteken van een nieuwe start samen voor Chip Taylor en Carrie Rodriguez. Want laten we wel wezen, wat die twee na “hun scheiding” in 2006 nog aan materiaal afleverden, was bij momenten weliswaar verre van kwaad, maar echt in de buurt van het tijdens hun samenwerkingen gebrachte kwam het toch niet meer. De magie van die twee elkaar zo wonderwel aanvullende stemmen was weg. En dat was jammer! Doodjammer! Maar nu is er dus weer een sprankeltje hoop…

Ook toen ze elk weer hun eigen weg gingen, bleven Taylor en Rodriguez op regelmatige basis contact met elkaar houden. En toen Taylor eerder dit jaar besloot om het beste van hun drie studioplaten en één live-worp samen op één enkele cd te verzamelen, kostte het hem hoegenaamd geen moeite om Rodriguez weer even mee de studio in te loodsen. Daar werden vier nieuwe liedjes ingeblikt, die de verzamelaar “The New Bye & Bye” ook interessant maken voor allen, die hun eerdere albums al in hun bezit hebben. Het eerste van die vier, “Your Name Is On My Lips”, een wolk van een trage, helt aardig over richting klassieke country. Met onmiddellijk weer die ronduit hemelse samenzang van de twee om je met bruut geweld over de streep te trekken. Vervolgens is er het compleet onthaaste walsje “On An Island”. En ook daarin blijkt de oude magie nog compleet intact. Net als in het lieflijke “Play It Again, Sam” en in titelnummer “The New Bye & Bye” trouwens. Dat laatste mogen onze protagonisten zelf qua concept trouwens graag vergelijken met “Fairytale Of New York”, het grandioze duet van Shane MacGowan van The Pogues met Kirsty MacColl van weleer. Erg mooi zondermeer, dat liedje! Voor het overige hier zoals al eerder gesteld enkel nog ouder materiaal van de albums “Let’s Leave This Town”, hun debuut samen, “The Trouble With Humans”, “Red Dog Tracks” en “Live At The Ruhr Triennale”. Enkel het afsluitende “The New Bye & Bye (Reprise)” wijkt nog even van die vaststelling af. Al bij al een voorbeeldig samengestelde collectie, die je volop hongerend naar meer achterlaat. Dit is wat ons betreft Americana op z’n allermooist!

Chip Taylor op MySpaceCarrie Rodriguez

Train Wreck Records

Continental Record Services

 

SANDY DENNY “Sandy Denny” (Island / Universal Music Group)

(5*****)

De eerste aan Sandy Denny gewijde retrospectieve in boxvorm is dit zeker niet en de laatste zal het wellicht ook wel niet zijn, maar dé definitieve met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wél. Hier wordt immers met veel liefde en een enorme kennis van zaken gestreefd naar volledigheid. Het resultaat is dan ook een bijzonder lijvig uitvallend, in gelimiteerde oplage aangeboden geheel, dat geen steen op het muzikale levenspad van de op 21 april 1978 aan de gevolgen van de val van een trap overleden folklegende onomgekeerd laat. Liefst negentien cd’s bevat de naar Denny zelf vernoemde box set, waarvan er zich elf concentreren op haar al eerder commercieel beschikbare oeuvre en acht gevuld werden met “bonusmateriaal”. Allemaal samen goed voor liefst 316 liedjes, waarvan er meer dan honderd nooit eerder verkrijgbaar waren. Vertrekkend van bij haar nog als eerder traditioneel te bestempelen werk als aanstormend talent met Alex Campbell en Johnny Silvo over haar eerste stappen als soloartieste, haar voor het folkrockgenre zo betekenisvolle dagen bij The Strawbs, Fairport Convention, Fotheringay en The Bunch tot en met haar laatste plaat, “Rendezvous” uit ’77, hoegenaamd alles komt hier aan bod. En rijkelijk aangevuld dan ook nog eens met de nodige alternate takes, demo’s, onuitgebrachte liedjes, live recordings, BBC-materiaal en wat zeldzame radio-interviews. Met name de vele live-opnames blijken daarbij van haast onschatbare waarde. Denny, met haar bezwerende misthoorn van een stem in onze ogen één der allergrootste en al helemaal zeker één der meest expressieve zangeressen ooit, kwam immers nergens beter tot haar recht dan op een podium. En hoe subtieler daarbij de begeleiding, hoe meer ze ging stralen. Pakkende getuigenissen daarvan vormen hier niet enkel “Fairport Live Convention (A Moveable Feast)” en het kort na haar dood uitgebrachte”Gold Dust”, de optekening van haar allerlaatste optreden op 27 november 1977, maar ook “Fairport Live At The L.A. Troubadour 1974” en tal van de al eerder genoemde BBC- en andere concertopnames. Verder hier zeker ook nog het vermelden waard: een hele rist aan vroege, gewoon thuis ingezongen demo’s, “The Byfield Demos” uit de periode ’74-’77, Denny’s bijdrage aan de door Manfred Mann geproduceerde soundtrack bij “Swedish Fly Girls”, het materiaal van “Fotheringay II” en haar allerlaatste opname ooit, een zalige akoestische versie van “Moments”. Tel daar nog bij een verzorgd 72 pagina’s tellend boekwerk met tal van zeldzame foto’s, een uitgebreide biografie, een reproductie van één van Denny’s kladschriftjes, een collectie speciale postkaarten en tal van andere begerenswaardige prullaria en je kan om dit geheel eigenlijk gewoonweg niet meer heen. De grootste folkzangeres ooit eindelijk op waardige wijze herinnerd!

Sandy Denny

Universal Music Group

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home