CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES NOVEMBER 2013

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

MARTYN JOSEPH “Tires Rushing By In The Rain” - PATTY GRIFFIN “American Kid” - MATT THE ELECTRICIAN “It’s A Beacon It’s A Bell” - BOB WOODRUFF “The Year We Tried To Kill The Pain” - LEYLA MCCALLA “Vari-Colored Songs” - ANNIKA FEHLING “Rust & Gold” - JESS KLEIN “Behind A Veil” - DAN BAKER “Pistol In My Pocket” - ED ASKEW “For The World” - OF MONTREAL “Lousy With Sylvianbriar”

 

 

MARTYN JOSEPH “Tires Rushing By In The Rain” (Pipe Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

“Tires Rushing By In The Rain” biedt wat mij persoonlijk betreft zo’n beetje het beste van twee werelden. Ik mag mezelf immers graag als een fan van zowel Martyn Joseph als van The Boss beschouwen. En de manier waarop de Welshe songsmid hier de liedjes van de ook door hem heel erg bewonderde Springsteen tackelt is ronduit subliem te noemen. Hij ontdoet ze van hoegenaamd elk beetje overbodige franje en dringt zo op buitengewoon intrigerende wijze tot de essentie ervan door. Met zijn prachtige stem en de eigen akoestische gitaar als zowat zijn enige bondgenoten vergroot hij alle door z’n idool in z’n songs al zo royaal aangereikte emoties alleen nog maar meer uit. En – Eerlijk is eerlijk! – nogal wat liedjes varen daar wel bij. Van wat minder bekende dingen als “Growin’ Up”, “Cautious Man”, “Happy” en “Walk Like A Man” tot kleppers als “Thunder Road”, “The Promise”, “The Ghost Of Tom Joad”, “The River”, “Badlands”, “Factory”, “One Step Up”, “The Rising”, “If I Should Fall Behind”, “No Surrender” en het hier werkelijk overheerlijke “Brilliant Disguise”, zeventien stuks in totaal. “Louter schaduwen van de originelen,” aldus Joseph zelf heel erg bescheiden. Maar wat voor schaduwen! Hier en daar overtreffen ze naar onze bescheiden mening zelfs hun bronnen. En dat wil in dit geval echt wel iets zeggen… Eigenlijk zouden we Joseph dit best wel eens samen met The Boss willen horen doen. Zomaar een ideetje… Maar voor nu nemen we hier graag nog wel een poosje genoegen mee! Echt wel een aanrader van formaat!

Martyn Joseph, Lucky Dice Music

 

PATTY GRIFFIN “American Kid” (New West Records / Import)

(5*****)

Op dit “importje” hebben we wel héél erg lang moeten wachten! Maar goed, moed en volharding – Zo ervoeren we ondertussen uitgebreid! – worden in dezen wel meer dan beloond. We zouden met betrekking tot “American Kid” van Patty Griffin zelfs nu al voorzichtig durven gewagen van onze plaat van het jaar! Twaalf goede redenen geeft de Amerikaanse ons daartoe. De ene al mooier dan de andere. Laten we ze hier samen maar eens even overlopen.

Nummer één is “Go Where You Wanna Go”, een veritabele heerlijkheid van een Americana ballad met Griffin zelf in vocale bloedvorm en Craig Ross, Luther Dickinson en Doug Lancio respectievelijk op gitaar, slide en mandoline volop ten dienste van het liedje. Nummer twee is het wat meer uptempo uitvallende “Don’t Let Me Die In Florida”, dat van dezelfde betrokkenen een bescheiden bluesy touch meekreeg. Nummer drie dan, is naar ons gevoel hét absolute klapstuk op “American Kid”. We hebben het over de buitengewoon atmosferische, met Band Of Joy-collega Robert Plant gebrachte trage “Ohio”. Nummer vier is vervolgens “Wild Old Dog”, een ons best wel wat aan Emmylou Harris herinnerend streepje Americana pur. Voor nummer vijf ging Griffin in de leen bij wijlen Lefty Frizzell. Zijn “Mom And Dad’s Waltz” brengt ze in kleine bezetting met opnieuw Dickinson en Lancio als een de titel ervan alle eer aandoend ingetogen walsje. Voor nummer zes, het ook al zeer ingetogen en op de keper beschouwd behoorlijk folky aandoende “Faithful Son”, schoof opnieuw Plant een stoel bij. En ook voor nummer zeven, de kristalheldere Americana-schuifelaar “Highway Song”, bleef hij nog even in de buurt hangen. Nummer acht is de wat brave beauty “That Kind Of Lonely”, nummer negen de zuivere pianoballade “Irish Boy”, nummer tien het als een soort van meezinger voor “bargebruik” tegen sluitingstijd opgevatte “Get Ready Marie”, nummer elf de spaarzaam aangeklede ballade “Not A Bad Man” en nummer twaalf, “la grande finale”, de Americana torch song “Gonna Miss You When You’re Gone”, een hier terstond het nodige kippenvel veroorzakend vaarwel aan haar eigen vader.

En mocht je daarmee nóg niet genoeg aan je trekken zijn gekomen, dan is er ook nog de “Deluxe Edition” van “American Kid”. De daar aan toegevoegde bonus-dvd bevat naast de verhelderende docu “The Making Of American Kid, An Interview With Patty Griffin” ook nog de mooie videoclip bij het nummer “Ohio” en “hi-res audio playback” van het gehele album.

Een absolute must, noemen ze zoiets waar wij wonen…

Patty Griffin, New West Records

 

MATT THE ELECTRICIAN “It’s A Beacon It’s A Bell” (Matt The Electrician / Lucky Dice Music)

(4****)

Als je Matt “The Electrician” Sever al eens op podia in onze kontreien aantreft, dan is dat doorgaans in z’n dooie eentje, als solo act. En dus weerspiegelden zijn recentere worpen eigenlijk niet echt meer, wat tijdens die optredens aanwezigen te horen kregen. Wat de vanuit Austin actieve songsmid dan weer in een moeilijk parket bracht, als men hem na afloop van zo’n gig vroeg, welke van z’n platen nu het dichtst aansloot bij wat hij net gedaan had. Een vraag, waarop hij met “It’s A Beacon It’s A Bell” eindelijk een eenvoudig antwoord klaar heeft. Daarop vertoont hij zich bij wijze van spreken spiernaakt. “Stripped down to the bone.” De elf liedjes erop zijn er vrijwel zonder uitzondering van het type “alleen ik en mijn gitaar”. Enkel de namen van Amanda Walther en Sheila Carabine, oftewel de dames van Dala, en Dana Falconberry prijken op de gastenlijst. Zij zorgen in respectievelijk “Suitcase” en “Arkansas” voor wat vocale ondersteuning. Maar verder is het hier één en al Sever wat de klok slaat. Die tracht met z’n nieuwste naar eigen zeggen in de voetsporen van de grote Townes Van Zandt te treden. In vaak heel erg persoonlijke liedjes over onder meer zijn familieleven en z’n daardoor lang niet altijd even gemakkelijke bestaan “on the road” focust Sever zoals z’n grote voorbeeld meer dan ooit op de poëtische aard van zijn woorden. En precies dat gegeven maakt van dingen als het titelnummer, het herfstige “Muddy Waters” en andere echte blijvertjes. Dat voel je gelijk al na één enkele beluistering! Minder is daarin voor één keer effectief meer. En véél meer ook! Als de halen van het penseel van een grootmeester roepen Severs woorden op wonderlijke wijze sferen op. En je gaat daardoor als luisteraar als het ware ook zien en voelen wat je hoort. En dat maakt het je op zijn beurt natuurlijk een stuk gemakkelijker om ook wat van jezelf in ’s mans schrijfselen terug te vinden. Móet je als liefhebber van het pure en eerlijke wel van houden. En onvoorwaardelijk, that is…

Matt The Electrician, Lucky Dice Music

 

BOB WOODRUFF “The Year We Tried To Kill The Pain” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Noem dit gerust maar een blij wederhoren! Hadden we hier eigenlijk niet echt meer op gerekend. Want het was ondertussen toch ook alweer een klein half leven geleden, dat de Amerikaanse countryrocker Bob Woodruff ons verblijdde met een stel prima albums. We hebben het dan met name over zijn uitstekende, in 1994 verschenen debuutplaat “Dreams & Saturday Nights” en het naar onze bescheiden mening zo mogelijk zelfs nog wat betere “Desire Road” uit ’97. “But that was then and this is now…” En dat hier en nu heeft met “The Year We Tried To Kill The Pain” een heuse verrassing van formaat in petto: Woodruff in het Zweedse Örebro aan de slag met een uitgelezen selectie aan lokale muzikanten, hier en daar aangevuld met bijdragen van landgenoten van ‘m als een Benmont Tench, een Heidi James en een Rich McCulley. Met die laatste schreef hij overigens ook het zonnig-melancholische “Stand In The Way”, één van de wat ons betreft vele echte blijvertjes op “The Year We Tried To Kill The Pain”. Behoren daartoe verder zeker ook: Woodruffs onwaarschijnlijk mooie trage Americana-cover van “Stop In The Name Of Love” van Diana Ross & The Supremes, het ons (mede door z’n rinkelende gitaarklanken) best wel wat aan de Byrds herinnerende “I’m The Train”, Heartland-rockertjes “I Didn’t Know” en “The Year We Tried To Kill The Pain”, de duistere roots rock van “Feel The Way I Feel”, het soulvolle, ‘s mans flink uit de kluiten gewassen voorliefde voor de onvolprezen Arthur Alexander weer maar eens onderlijnende “There’s Something There” en het “swampy” stompertje “Bayou Girl”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niks minders op, hoor! Zo ongeveer alles op “The Year We Tried To Kill The Pain” maakt andermaal duidelijk, waarom men Woodruff indertijd graag met groten der aarde als een Steve Earle, een Bruce Springsteen, een John Fogerty, een Roger McGuinn, een Mickey Newbury en een John Prine mocht vergelijken. Leuk lijstje, niet…?

Bob Woodruff, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

LEYLA MCCALLA “Vari-Colored Songs” (DixieFrog Records / Bertus)

(4****)

Ook al zegt haar naam je zo op het eerste gezicht misschien niet direct heel veel, toch is de kans vrij groot, dat je Leyla McCalla al kent. De voorbije twee jaren maakte ze “on the road” immers mee het mooie weer binnen het onvolprezen old-time rootscollectief Carolina Chocolate Drops, waarmee ze verder onder andere ook het fantastische, door Buddy Miller geproduceerde album “Leaving Eden” inblikte. Een leuk opstapje richting haar eigen solodebuut, zo blijkt nu. Met haar eersteling, het ongelooflijk sfeervolle en werkelijk puntgave “Vari-Colored Songs” eert ze wijlen dichter-sociaal activist Langston Hughes. Die lag met zijn werk gedurende de zogeheten Harlem Renaissance in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw mee aan de basis van een nieuwe culturele eigenheid voor zwart Amerika. Wellicht één van de redenen, waarom McCalla door haar ouders al op erg jonge leeftijd met de boeken van Hughes vertrouwd werd gemaakt. Het begin van een liefde voor het leven.

“Vari-Colored Songs” bevat enerzijds muziek geschreven bij Hughes’ gedichten, anderzijds vertolkingen van Haïtiaanse folk songs en eigen originelen. Materiaal, waarin McCalla bij nader inzicht gewoon haar eigen roots exploreert. Haar zoektocht naar haar eigen achtergrond dreef de in New York als dochter van twee Haïtiaanse emigranten geboren kleurlinge in 2010 naar New Orleans. Met name Louisiana, historisch verbonden met de heimat van haar ouders, en z’n grotendeels op het Frans geënte cultuur werkten als een echte magneet op de youngster. En dat zou zo z’n gevolgen krijgen ook. McCalla, een klassiek geschoolde celliste, geraakte al vrij snel na haar aankomst in “N’Awlinz” zwaar in de ban van het lokale geluid van nog vóór het populaire zydecogenre. Creoolse muziek uit lang vervlogen tijden, waarin met name de fiddle een centrale rol speelde.

En schone McCalla toonde zich al snel een goede leerlinge. Gewoon op straat en in tal van lokale clubs werd met veel zin en zwier het zaad voor “Vari-Colored Songs” geplant. Een ongemeen puur album, waarvoor fans van de hier al eerder genoemde Carolina Chocolate Drops wellicht met bosjes zullen vallen vanwege de er in rijke mate op aanwezige elementen uit old-time jazz, blues en country. Maar McCalla heeft in zekere zin wel wat meer te bieden dan de groep waaraan ze haar (weliswaar nog) geringe naambekendheid te danken heeft. Met name het feit, dat ze ook met het muzikale erfgoed van “haar” Haïti en Louisiana aan de slag durft te gaan. Die aanpak resulteert in een als volledig eigen te bestempelen geluid. En dat ondanks het feit, dat het hier oppervlakkig gezien eigenlijk gewoon om grasduinen in het muzikale verleden lijkt te gaan. Je moet het maar doen!

Kort samengevat: “Vari-Colored Songs” kleurt muzikaal sepia. Het is een ouderwets opgevat akoestisch pareltje met de blik op de toekomst gericht. En de jonge McCalla zelf is wat ons betreft wat ze in de States wel eens “a force of nature” durven te noemen. Haar fluwelen stem zal ooit nog eens een vrijgeleide tot de (muzikanten)hemel gaan blijken en haar kunstjes op respectievelijk de cello, de tenorbanjo en de akoestische gitaar hoeven daar al amper voor onder te doen. Bijstand krijgt ze op “Vari-Colored Songs” bovendien onder meer van “Drops”-collega’s Rhiannon Giddens en Hubby Jenkins, pedal steeler Tom Pryor en Luke Winslow-King.

Leyla McCalla, DixieFrog Records

 

ANNIKA FEHLING “Rust & Gold” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Als we het hier hebben over eerder kort uitgevallen dingen zoals “Rust & Gold” van de Zweedse Annika Fehling, dan mogen we daarvoor doorgaans graag de term “tussendoortje” in de mond nemen. Bij haar platenlabel, het dezer dagen echt wel enorm actieve Rootsy, zien ze dat echter anders. Daar hebben ze het met betrekking tot de zeven liedjes op Fehlings “nieuwe” worp over “een welgekomen herinnering aan de schatten die we ondertussen misschien wel vergeten waren”, maar evenzeer over “de belofte van een stralende toekomst”. Vertaald naar de inhoud van “Rust & Gold” betekent dat concreet enkele nieuwe songs, onder meer van sessies in Nashville met Will Kimbrough, aangevuld met een stel al wat oudere. Tot die laatste categorie behoren “I Know Better”, een knappe Americana-ballade opgenomen in duet met haar Duitse buddy Markus Rill, en “With Me” en “Lonely Love”, beide ook al van haar vorige plaat “Fireflies”. Nieuw zijn een werkelijk bloedmooie, samen met multi-instrumentalist Peder af Ugglas ingeblikte versie van de traditional “Kristallen den fina”, het zomerse, best wel radiogenieke countrypopdeuntje “Better Learn How To Fly”, de folky trage “Making It Back” en het afsluitende “Blue”, een z’n titel louter sfeergewijs hoegenaamd werkelijk alle eer aandoend kleinood.

Annika Fehling, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

JESS KLEIN “Behind A Veil” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Van een groeiplaatje gesproken! Nog met elke nieuwe beluistering van “Behind A Veil” van Jess Klein ga ik er weer wat meer van houden. Een heerlijk gevarieerd geheel is het, dat de Amerikaanse zelf het liefst van al gewoon onder de hoofding rock aangeboden zou zien. Maar voor ons mag je daar toch nog altijd het woordje roots vóór denken, hoor. Roots op z’n Texaans meer bepaald. Want van daaruit – Vanuit Austin, to be precise! – bestormt schone Klein dezer dagen de wereld. Met dingen als het heerlijk scherp rockende, werkelijk onder de elektrische gitaarklanken bedolven “Behind A Veil”, de sublieme, ons best wel wat aan Lucinda Williams herinnerende, soulvolle sleper “Wilson Street Serenade”, de sympathiek twangende countryrocker “Lovers And Friends”, de ook al erg mooie folkpoptrage “Beautiful Child”, het radiogeniek aankloppende stampertje “Tell Me This Is Love”, de verhalende Americana van “Riverview”, de broeierige ballad “Simple Love” en het “popdondertje” “Unwritten Song” en andere staat Klein op “Behind A Veil” garant voor ruim drieënveertig minuten luisterplezier van het allerfijnste soort. Werkelijk alles op haar nieuwe plaat klinkt even verzorgd, even af. En er mag wat ons betreft derhalve ook een dikke pluim op de hoed van Professor Feathers. Die tekende immers voor de buitengewoon fijne productie van het album.

Jess Klein, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DAN BAKER “Pistol In My Pocket” (75 Or < Less Records)

(5*****)

Met z’n eerste twee platen, het in 2008 verschenen “Outskirts Of Town” en het van twee jaar later stammende “Sad Song Junkie”, blies de jonge Amerikaanse songsmid Dan Baker ons al letterlijk compleet van onze sokken. Wij dachten bij het horen van z’n liedjes spontaan aan die van grootheden als een Bob Dylan, een John Prine en een Tom Waits. De man presenteerde zich als een kanjer van een storyteller met bovendien ook een prachtig deuntje in de vingers. En dan was er natuurlijk ook nog die wat aparte, hoogst passionele stem van ‘m. Die paste echt wel uitstekend bij de “Sad Song Junkie” uit de titel van z’n tweede. En – Eerlijk is eerlijk! – ook bij heel wat van het materiaal van z’n nieuwe worp. Dat album, het zopas verschenen “Pistol In My Pocket”, laat een ondertussen weer wat rijper geworden Baker aan het woord. Stilaan een echte meester in z’n vak. Genadeloos pakt hij je als liefhebber van het genre in met liedjes over thema’s als verloren en herwonnen liefde, verraad, wraak en andere. Liedjes, die tegelijk heerlijk rauw en toch ontzettend af klinken. Heel erg doorleefd allemaal ook. In één woord: beklijvend. Met als absolute uitschieters wat ons betreft de zich schaamteloos in weemoed wentelende pianoballade “Coming Home”, het voorwaar zelfs even voorzichtig Springsteenesk aandoende “One Of Them” en het afsluitende “Not Gonna Say It”, een gebroken hart verpakt in een door en door verdrietig wijsje. Top-Americana! Echt vanuit de grond van ons hart aanbevolen!

Dan Baker, CD Baby

 

ED ASKEW “For The World” (Tin Angel / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Schilder/singer-songwriter Ed Askew moesten we eigenlijk al kennen, werd ons gezegd. Van het in 1967 verschenen cultalbum “Ask The Unicorn” met name. Maar dat was dus niet zo. Wij maakten voor het eerst kennis met de man en zijn muziek naar aanleiding van het onlangs verschenen “For The World”. En dat, beste vrienden, is een erg, erg mooie singer-songwriterplaat. De ondertussen 73 jaar “jonge” Askew nam ze op onder de productionele hoede van de je wellicht ook wel van The Black Swans bekende Jerry David DeCicca. Die omringde Askew voor de gelegenheid met z’n Swans-groepsmaatjes Tyler Evans (banjo, elektrische gitaar, tiple) en Canaan Faulkner (double bass) en verder ook Jay Pluck (piano, ukelele) en Mary Lattimore (harp). Zelf zorgde hij samen met Eve Searls en de onvolprezen Sharon van Etten voor wat backing vocals en ook Tom Waits-gitarist Marc Ribot liet zich graag voor de kar van Askew spannen. Met z’n allen waren zij als het ware bevoorrechte getuigen bij de totstandkoming van een veritabele schoonheid van een plaat. Gevuld met een tiental met de zachte hand en dito stem aan het jachtige canvas van alledag toevertrouwde streepjes (muzikaal-literaire) rust. Compleet onthaaste pareltjes, doorgaans flink weemoedig van aard. Herfstig somber, zeg maar. Buitengewoon fragiel, elegant neergelegd tegen een delicate achtergrond van o.a. piano-, harp-, mondharmonica- en xylofoonklanken. Van een ontwapenende (h)eerlijkheid. Toch die liedjescollectie uit ’67 maar eens even checken dus…

Tin Angel Records, Sonic Rendezvous

 

OF MONTREAL “Lousy With Sylvianbriar” (Polyvinyl / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Ook “Lousy With Sylvianbriar”, de nieuwe van Of Montreal, verschilt naar goede Kevin Barnes-gewoonte weer op heel wat vlakken van zijn voorgangers. Na een korte creatieve break in San Francisco zocht en vond de beste man in z’n thuishaven Athens, GA, de voor een volgende plaat benodigde medestanders in Rebecca Cash (zang), Clayton Rychlik (drums en zang), Jojo Glidewell (keyboards), Bob Parins (pedal steel en bas) en Bennett Lewis (gitaren en mandoline). En mét hen blikte hij die nieuwe schijf vervolgens in amper drie weken in. “Live off the floor.” Gewoon met z’n allen tegelijk in de studio, op die manier elke vorm van corrigerend computergestoei handig omzeilend. “Getting out of it only what was put into it!” Met Barnes weliswaar nog altijd als enige songleverancier, maar toch al met heel veel “speelruimte” voor z’n collega’s. Zij componeerden hun bijdragen als het ware “on the fly”. En dat schoentje paste de ditmaal wel heel erg naar het rockgebeuren van de late sixties neigende songs van Barnes wonderwel. Onder het motto “back to basics” flirten hij en de zijnen op “Lousy With Sylvianbriar” bij momenten behoorlijk ongegeneerd met het muzikale erfgoed van acts als de Stones, Bob Dylan, Neil Young en aanverwanten. Zonder daarbij van hun eigen smoelwerk afstand te doen echter. Of Montreal blijft hier zoals steeds zeer nadrukkelijk Of Montreal. Met de eccentriek snerende Barnes “front and centre”, duidelijk klaar voor een doorbraak op véél grotere schaal. En met de stevig aan z’n kettingen snokkende, nadrukkelijk aan Mick Jagger en co ten tijde van het magistrale “Exile On Main Street” herinnerende eerste single “Fugitive Air” houdt hij daartoe wat ons betreft alvast een serieuze troef achter de hand. Andere echte toppertjes hier: het klaaglijke, met Rebecca Cash gedeelde en onze gedachten een flink eindje richting Gram Parsons en Emmylou Harris stuwende “Raindrop In My Skull”, de groovy Dylaneske woordenvloed “Belle Glade Missionaries” en het enigszins Youngiaanse rockbeest “She Ain’t Speaking Now”.

Of Montreal, Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home