CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES NOVEMBER 2014

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

HILLSTOMP “Portland, Oregon” - LIEVEN TAVERNIER “Wintergras” - SHANNON LYON “The Lights Behind” - THE CONTENDERS “Meet The Contenders” - THE SOUVENIRS “I Ain’t Happy Yet” - KARYN ELLIS “More Than A Hero” - ERIC BIBB “Blues People” - HANDSOME JACK “Do What Comes Naturally” - MATTHEW RYAN “Boxers” - ALEX HIGHTON “Nobody Knows Anything” - YOUNG & RUSTY “Back Road Love” - LEWIS & LEIGH “Night Drives EP” - MIRACULOUS MULE “Blues Uzi” - THE BLOODHOUNDS “Let Loose!” - JP HARRIS AND THE TOUGH CHOICES “Home Is Where The Hurt Is” - M. LOCKWOOD PORTER “27” - RACHAEL SAGE “Blue Roses” - LUKE TUCHSCHERER “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” - NELL ROBINSON “The Rose Of No-Man’s Land” - SLOWMAN “Happy Boy”

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

 

HILLSTOMP “Portland, Oregon” (Fluff & Gravy Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Portland, Oregon”, het naar hun thuishaven vernoemde vijfde album van Henry Kammerer (zang, gitaren en banjo) en John Johnson (percussie, orgel en zang) oftewel Hillstomp bevat tien lappen blues & roots van het betere soort.

Hypernerveus, zoals het de feestelijkheden al rockend voor geopend verklarende “Santa Fe Line”, net niet helemaal in trance een eindje wegbluesend, zoals het heerlijk hortend en stotend gebrachte “Life I Want”, of “eigentijds old-timey”, zoals het met name banjogewijs op niets minder dan de sterren mikkende “Undertow”. Een enkele keer ook aardig laid-back, zoals in een louter groovegewijs wel wat aan JJ Cale herinnerende lezing van de traditional “The Cuckoo”. Een Cale die, afgespeeld op het verkeerde toerental, ook wel zou kunnen doorgaan als rolmodel voor het er al bij al aardig monotoon in hakkende, “Side A” afsluitende “15 White Horses”.

“Side B” wordt vervolgens op boeiende wijze op gang getrapt met “Henry Oh My Henry”, een streep hyperaanstekelijke, banjogestuurde Delta trance blues, waarvoor zo menig een minder begenadigde collega allicht maar wat graag een pact met de duivel zou hebben gesloten. De ongemeen sombere trage “Crowhurst”, het wederom zo goed als compleet door Kammerers banjo gedragen stampertje “Don’t Come Down”, het bij nader inzicht net wat radiovriendelijker dan de rest hier gepresenteerde “Reason To Leave” en de furieus slidend onversaagd op het luisteraarshart mikkende afsluiter “Meet Me At The Bottom” doen de rest.

Wat ons betreft zonder al te veel na te denken aan te bevelen aan liefhebbers van het werk van onder meer Mofro, de Black Keys, de Flat Duo Jets, RL Burnside en uiteraard ook de White Stripes.

Hillstomp, Sonic Rendezvous

 

LIEVEN TAVERNIER “Wintergras” (Coast To Coast)

(5*****)

Als u mij straks, aan het eind van het jaar, zal confronteren met de vraag van welke Belgische plaat ik in 2014 het meest heb genoten, dan is de kans vrij groot dat het antwoord daarop “Wintergras” van Lieven Tavernier zal luiden. De Gentse songsmid staat al jarenlang garant voor kwaliteit en overtreft naar onze bescheiden mening met z’n nieuwe worp zichzelf nog maar eens. Op de opvolger van het ook al bloedmooie, met de United Brassband afgeleverde “De Fanfare Van Honger En Dorst” van zowat een jaar geleden tovert hij echt parel na parel uit z’n hoge hoed.

Titelnummer “Wintergras” claimt zo bijvoorbeeld ongegeneerd een plaatsje naast Tavernier-klassiekers als “Eerste Sneeuw”, “De Verdwenen Karavaan” en “De Fanfare Van Honger En Dorst”. In een productie van Yves Meersschaert en volop profiterend van buitengewoon fraai akoestisch snarenwerk van Bruno Deneckere en Gijs Hollebosch weet hij daarin quasi terloops een “pijn die niet meer weggaat” in woorden te vatten. In al z’n herfstigheid echt huiveringwekkend mooi.

Deneckere (akoestische gitaar) en Hollebosch (Weissenborn, mandoline, akoestische gitaar en akoestische slidegitaar) waren overigens lang niet de enige prominente studio-betrokkenen. Ook de hier hoger al even genoemde Yves Meersschaert (piano en Hammond), Klaas Delvaux (cello), Mario Vermandel (contrabas) en Peter De Bosschere (drums) deden een meer dan gewaardeerde duit in het zakje. En dan hadden we het nog niet over de je allicht ook wel van hun werk aan de zijde van Stef Kamil Carlens bekende zusjes Eva en Kapinga Ghysels en Belpop-guru Jean-Marie Aerts. De sporadische elektrische gitaarbijdragen van die levende legende vormen hier als het ware de “icing on the cake”.

Laat je net als ons verleiden door veritabele songschoonheden als “La Belle Dame Sans Merci”, “Zij Vlecht De Lente In Haar Haar”, “In De Dagen Van Mijn Duisternis” en andere en ervaar aan den lijve, waarom ingewijden Taverniers naam zo graag in één adem met die van monumenten als een Leonard Cohen, een John Prine en een Bob Dylan mogen uitspreken. Ook op zijn liedjes blijkt een houdbaarheidsdatum sinds jaar en dag volstrekt overbodig. Hoe hij in het beklemmende “La Belle Dame Sans Merci” achteloos op de klippen van een genadeloze geliefde strandt, zal binnen honderd jaar nog net zo tot de verbeelding spreken als nu. En ook het ondanks alle kommer en kwel ergens ver in de verte nog het verlossende licht ontwarende luisterjuweeltje “In De Dagen Van Mijn Duisternis” heeft ontegensprekelijk datzelfde tijdloze over zich. Ach, eigenlijk gewoon alles hier. Van het door de laatste woorden van Emily Dickinson geïnspireerde “De Schoonheid Van De Mist” tot het op wonderlijke wijze met het gegeven eenzaamheid omspringende “Geen Kwaje Vriend”, van het al even zonderbare pleidooi voor verdraagzaamheid “Tijden Van Angst” tot integer afscheidsliedje “In Toscane”. Met een speciale vermelding tot slot wat ons betreft nog voor “Zij Vlecht De Lente In Haar Haar”. Veel mooier dan het daarin gebeurt kan je een (gevoel van) liefde maar amper verwoorden, zo lijkt ons.

Voor schoonheden van platen als deze werd ooit de term meesterwerk bedacht. Maak ze dan ook vooral tot de uwe…

Lieven Tavernier

 

SHANNON LYON “The Lights Behind” (Busted Flat Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Shannon Lyon is in onze contreien natuurlijk al lang geen onbekende meer. De Canadese songsmid, die zelfs een poosje in het zuiden van Nederland woonde, verblijdde ons de voorbije jaren al zo vaak met uitstekende platen, dat we nieuw materiaal van ‘m eigenlijk al lang niet meer helemaal onbevooroordeeld benaderen. Het zou eigenlijk niet mogen, maar toch… Lyon ontgoochelt nu eenmaal nooit.

En al helemaal niet met z’n nieuwste worp. Dat onder de productionele hoede van Rob Szabo grotendeels in z’n eigen thuisstudio in de wildernis van British Columbia ingeblikte geheel zouden we hier zelfs als één van z’n allerbeste platen überhaupt durven te bestempelen. Ruim zeventien nummers lang herinnert Lyon er ons op “The Lights Behind” weer aan, waarom we hem eigenlijk altijd al stevig aan de borst hebben gedrukt. Daartoe aangespoord door Szabo putte hij voor dat album uit zowat z’n gehele oeuvre. Gloednieuwe nummers worden erop aangevuld met al wat oudere van ondertussen veelal nog maar moeilijk of helemaal niet meer verkrijgbare eerdere platen. Goed voor een echte droom van een collectie van een man die daar in z’n thuisland, ver weg van alle drukte, eindelijk echt rust lijkt te hebben gevonden.

Warmbloedige uptempo Americana wordt op “The Lights Behind” afgewisseld met rootsy popluisterliedjes, die je als luisteraar niet zelden herinneren aan minder gecompliceerde tijden. Samen met Lyon zelf drukken we als het ware op de reset-knop van het leven. En ’s mans eigen herinneringen, zowel de mooie als de minder mooie, vormen daarbij doorgaans de voedingsbodem voor het tekstmateriaal.

Echt wel een ijzersterk geheel met wat ons betreft niet meteen uitschieters die het verdienen om hier apart vermeld te worden. Maar als u lang genoeg zou blijven aandringen, dan zou uiteindelijk misschien toch de titel “Cornerstone” vallen. Als Lyon daarin zingt “Give me a bible and my guitar, sing you a song that will take you far, into my life, I’ve been there before”, dan klinkt dat wat ons betreft immers niet enkel zeer geloofwaardig, maar vooral ook ontwapenend mooi.

Shannon Lyon, Lucky Dice Music

 

THE CONTENDERS “Meet The Contenders” (The Contenders)

(4****)

Aan hun proefstuk zijn Jay Nash en Josh Day met “Meet The Contenders” allerminst toe. Beiden kunnen ze integendeel reeds terugblikken op een flink gevulde carrière als artiest. En vooral Nash leek de voorbije jaren ook goed op weg richting een doorbraak op wat grotere schaal. Iets wat hij met geslaagde liedjesverzamelingen als “Diamonds And Blood”, “Of The Woods” of recent nog “Letters From The Lost” wat ons betreft overigens al lang verdiende ook.

“Meet The Contenders” is echter wel hun eerste plaatgeworden wapenfeit samen. Met die EP bezegelen ze nu ook officieel hun gemeenschappelijke liefde voor eenzelfde muziek. Een liefde, die er hen al in 2012 toe aanzette om voor het eerst te gaan samenwerken. En daar mogen we met z’n allen blij om zijn ook! De stemmen van Nash en Day vullen elkaar immers op wonderbaarlijke wijze aan. En de door de twee samen afgeleverde liedjes blijken echte juweeltjes. Amper vijf zijn het er, maar die volstaan wel ruimschoots om hier en nu al volop het verlangen naar meer aan te wakkeren.

Afgetrapt wordt er met het ingetogen “The Contender”. Dat streepje kwaliteits-Americana tapt tegelijk uit de vaatjes country, folk en pop en ontleent wellicht mede daaraan z’n hoegenaamd onweerstaanbare charme.Vervolgens verraadt het ook al eerder bedaard aan de man gebrachte “Maybe, Katy” naar onze bescheiden mening voorzichtig een zekere voorliefde voor The Band. Ook al komt dat liedje op de keper beschouwd uiteindelijk wel vervaarlijk dicht in de buurt van wat dezer dagen in Nashville bedrieglijkerwijze voor country doorgaat. Dan volgt met het verhalende “Lincoln 1958” hét absolute hoogtepunt van dit debuut. Heel even waan je je als luisteraar bij die verstilde parel in het land waar koning Bruce al een poosje met vaste hand regeert. Resten dan nog: het op bijzonder soulvolle wijze poppy uit de hoek komende “Back In Time” en “Long Way Down”, een rootsy rockertje, dat in een wat rechtvaardigere wereld dagelijks ongetwijfeld meermaals uit radio’s “all over the map” zou komen knallen.

Kan bij wijze van visitekaartje absoluut tellen!

The Contenders, Jay Nash

 

THE SOUVENIRS “I Ain’t Happy Yet” (The Souvenirs Music)

(5*****)

Het uit Salt Lake City, Utah afkomstige drietal The Souvenirs is een nog zo goed als onbeschreven blad. En een eerste zoektocht naar wat meer informatie nadat ik op Bandcamp compleet van de sokken werd geblazen door hun werkelijk magistrale debuutplaat “I Ain’t Happy Yet” leverde dan ook amper iets op. The Souvenirs zijn Kiki Sieger, Marie Bradshaw en Corinne Gentry. Dat was het zo ongeveer. Voorts bleef het canvas volledig blank.

En daarom laten we de muziek op hun visitekaartje ook maar gewoon voor zichzelf spreken. Die blijkt immers volstrekt uniek. Met klassieke country weliswaar nog duidelijk als uitgangspunt, maar verder vooral met een geheel eigen smoelwerk. Geworteld in old-time roots music, maar er verder vooral op gericht om dat oude gegeven op geheel en al eigen wijze te vertalen naar het hier en nu. En in dat opzicht heel even wat raakvlakken vertonend met tot op zekere hoogte vergelijkbare acts als Gillian Welch en de Be Good Tanyas. Raakvlakken, meer niet. De dames Sieger, Bradshaw en Gentry imponeren immers net door hun volstrekt unieke aanpak.

Met name hun samenzang is quasi voortdurend van een bijna onaards te noemen schoonheid. Met de mond echt wagenwijd opengesperd van verbazing bleven wij na ons allereerste luisterrondje achter. En ook nu nog komt er bij elke nieuwe luisterbeurt kippenvel kijken. Veel dichter kan je muzikale perfectie naar onze bescheiden mening maar amper benaderen. En het feit dat dit ook nog eens voornamelijk met eigen materiaal gebeurt, pleit alleen nog maar meer in het voordeel van deze drie jonge schonen. Enkel “Brain Cloudy Blues” van de tandem Bob Wills-Tommy Duncan, “Are You Having Second Thoughts” van Paul Craft en Jim Lauderdale en de door Merl Kilgore en June Carter gepende Johnny Cash classic “Ring Of Fire” vormen uitzonderingen op die regel.

De in totaal vijftien nummers op “I Ain’t Happy Yet” werden begin dit jaar onder de productionele hoede van Ryan Tanner en Jay William Henderson “live off the floor” (!!!) ingeblikt in The Sound Emporium in Nashville. Betrokken bij het project waren daarbij naast het trio zelf en Tanner (piano, accordeon, banjo en percussie) verder ook nog Brian Thurber (drums en percussie), Dan Buehner (diverse akoestische gitaren en piano), Dylan Schorer (akoestische en elektrische gitaren, pedal en lap steel en banjo), Mark Smith (diverse mandolines en elektrische gitaar), Tyler Lambourne (staande bas) en Ryan Shupe (fiddle). En zij verdienen hoegenaamd zonder uitzondering een dikke pluim. Zij hebben er immers met z’n allen mee voor gezorgd dat dit volkomen organisch tot stand gekomen geheel zo onwaarschijnlijk af klinkt.

Net geen vierenvijftig minuten lang word je als luisteraar door “I Ain’t Happy Yet” met zachte hand uit de sleur van alledag weggeleid. Herinneringen aan weleer, aan een op de keper beschouwd toch heel wat gezapiger z’n gangetje gaand leven tieren welig. Sehnsucht dient zich onwillekeurig aan. En diep vanbinnen mag je dan wel weten, dat er al lang geen weg terug meer is, deze hemelse muziek zet er je telkens weer toe aan om dat even met klem te gaan ontkennen.

Nu al een certitude voor mijn top 10 van het jaar!

The Souvenirs, Bandcamp

 

KARYN ELLIS “More Than A Hero” (Mathilde’s Home Productions)

(3,5****)

Aan de vooravond van enkele optredens in ons land mochten we onlangs van de vanuit Canada actieve liedjesschrijfster Karyn Ellis haar jongste album “More Than A Hero” ontvangen. Na de EP “Bird” uit 2003, “Hearts Fall” uit 2005 en “Even Though The Sky Was Falling” uit 2009 al haar vierde. En net als die voorgangers ook weer meer dan de moeite waard.

In een met de hier onder meer van z’n samenwerking met Ron Sexsmith bekende Don Kerr gedeelde productie presenteert Ellis op “More Than A Hero” een elftal nieuwe liedjes, die zich beurtelings laten vangen onder de hoeden (roots) pop, indie folk en in wat mindere mate ook Americana. Doorgaans van het behoorlijk aanstekelijke of op z’n minst toch gemakkelijk toegankelijke type en derhalve ook uitermate geschikt voor veelvuldig radiogebruik. Dingen als het buitengewoon catchy, vrijwel meteen tot luidkeels meezingen uitnodigende rootspop-opdondertje “You’ll Do Anything”, het gevoelsmatig wat richting swampy wateren afdrijvende “River”, de knappe ballades “Rust” en “Cosmic Cowboy”, het spelenderwijze met Suzanne Vega in haar beste dagen mee kunnende folkpopjuweeltje “Pretty Little Soldier”, het intimistische luisterliedje “How The Tiger Lost Her Roar” en andere wil je echter vooral ook zelf in huis hebben. Voor in geval als ze op die radio weer eens niet blijken mee te willen…

Karyn Ellis, CD Baby

 

ERIC BIBB “Blues People” (Dixiefrog / Bertus)

(3,5****)

Eric Bibbs nieuwe plaat mogen we met z’n allen zien als een soort van dubbel eerbetoon. Enerzijds hoopt de beste man er het legendarische gedachtegoed van wijlen Martin Luther King weer wat meer mee onder de aandacht te brengen, anderzijds richt hij zijn pijlen op allen die aan de basis lagen van het door hem vertolkte genre, de originele “bluesmensen” dus. Bij wijze van herinnering aan “who and where the music comes from” vertelt Bibb hier voornamelijk verhalen over zogeheten “African Americans”.

En daarbij mocht hij rekenen op nogal wat hulp van buitenaf. Voor het buitengewoon groovy openingsnummer “Silver Spoon” schoof zo bijvoorbeeld labelmaatje Popa Chubby mee aan. En voor Bibbs cover van Guy Davis’ “Chocolate Man” kwam ook deze laatste zelf graag even langs. Het resultaat is een heerlijk staaltje old-time blues en één van de allerbeste nummers op “Blues People” überhaupt. Opvallende gasten zijn verder zeker ook The Blind Boys Of Alabama. Zij maken hun opwachting in liefst twee nummers. Samen met J.J. Milteau in het erg bezielde gospelnummer “I Heard The Angels Singin’” en met de grote Taj Mahal en huisfavorietje Ruthie Foster in de sfeervolle trage “Needed Time”.

Het soulvolle duo “Chain Reaction” en “Remember The Ones” mag op zijn beurt dan weer rekenen op gastbijdragen van respectievelijk producer Glen Scott en Linda Tillery. En dan is er nog het zowel muzikaal als thematisch gezien een brug met Zuid-Afrika slaande “Home”. Daarin is het collega Andre De Lange die met Bibb de strijd van de Amerikaanse zwarten weet te linken aan deze van hun lotgenoten in dat in het verleden zo vaak in een negatief daglicht staande land. En tenslotte mogen we uiteraard ook Leyla McCalla’s bijdrage aan het ingetogen “Where Do We Go” hier niet vergeten te vermelden.

Enfin, u heeft natuurlijk al lang begrepen, dat het hier om een behoorlijk ambitieus project gaat. En anderzijds toch ook weer gewoon “vintage Bibb” eigenlijk, aangezien die hier naar goede gewoonte opteert voor een behoorlijk eclectische aanpak met “front & centre” tussen al dat gastgewoel gewoon die fantastische goudbruine blues- en soulstem van ‘m zelf.

Onze zoals steeds onverbintelijke luistertips: het eerder al even genoemde “Chocolate Man”, het je als aandachtige luisteraar compleet verweesd achterlatende “Rosewood”, het ook al heel erg pakkende “Home” en het funky, een weinig aan de immer geweldige Staple Singers herinnerende “Dream Catchers”, waarvoor ook Harrison Kennedy en alweer Ruthie Foster even kwamen opdraven.

Eric Bibb, Dixiefrog

 

HANDSOME JACK “Do What Comes Naturally” (Alive Naturalsound records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Do What Comes Naturally” is de ondertussen toch ook alweer derde volwaardige langspeler van het vanuit Lockport, New York actieve Handsome Jack. En voor hun stijl en geluid duiken Jamison Passuite, Joe Verdonselli, Phil Allport, Chad Salmeri en een handjevol gasten daarop andermaal een flink eind terug in de tijd. Naar de late jaren zestig, vroege jaren zeventig meer bepaald, toen dit soort van gestoei met blues, boogie en rock een tijdje lang behoorlijk hot was. Nieuw is wat de vier hier doen dus zeker niet, aanstekelijker echter des te meer. Lekker groovy alleszins. En bij voorkeur in mid-tempo neergelegd.

Termen als blues of boogie rock blijken op de keper beschouwd als passend hokje misschien net wat te klein. Namen als Canned Heat, Humble Pie, Cream en de J. Geils Band bieden dan hulp. Al klinken die dan weer net wat te gedateerd om er ook Handsome Jacks al bij al toch wel wat modernere aanpak mee te vatten.

Enfin, voor liefhebbers van een dosis relaxte boogie of blues rock – Laat het ons hier daar toch maar op houden! – is dit hoe dan ook “the right thing”. En al zeker dingen als het heerlijk hypnotisch voorbij groovende “Dry Spell”, het in al z’n soulvolle eenvoud voorwaar zelfs even wat richting Van Morrison en Them overhellende “Leave It All Behind”, het lekker wegrockende “Between The Lines” en het afsluitende “Wasted Time”.

Handsome Jack, Alive Naturalsound records, Sonic Rendezvous

 

MATTHEW RYAN “Boxers” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Matt Ryan… Tiens, maakt die ook platen dan? Aan de kanten van Brugge zal je die vraag als Americana-liefhebber wel eens vaker te horen krijgen. Maar de volledige naam van deze Matt Ryan, beste vriendjes, schrijven we met twee t’s. Die van de Australische goalie van Club Brugge – Ook een zeer sympathieke mens trouwens… - telt er maar één. En terwijl die laatste er vooral op uit is om anderen het scoren te beletten, is het er onze held net om begonnen dat zoveel mogelijk te doen. Scoren op muzikaal vlak dan. En liefst zo snel mogelijk ook… Want – Eerlijk is eerlijk! – echt rijk zal hij tot op heden van zijn creaties nog niet zijn geworden. En da’s doodjammer, want deze Ryan is echt wel een kanjer van een songsmid. Überhaupt een artiest “pur sang”.

‘s Mans missie “this time around”: het maken van een lekker luide, heerlijk rammelende rockplaat. En daartoe zakte hij vorige winter af naar de Applehead Studios in Woodstock, New York. Samen met producer-multi-instrumentalist Kevin Salem, gitarist Brian Fallon van The Gaslight Anthem, zijn vaste bassist Brian Bequette en de je misschien wel van platen van de Black Crowes en Rich Robinson bekende drummer-percussionist Joe Magistro blikte hij er “live off the floor” elf nieuwe songs in, die naar eigen zeggen vaak klinken als “Crazy Horse meets early Replacements with nods to more recent bands like the National”. En in die omschrijving zit wel wat in. Zeker de vergelijking met Paul Westerberg en de Replacements vind ik erg toepasselijk. Al zou ik eerder zeggen die van ten tijde van “Pleased To Meet Me”, “Don’t Tell A Soul” en “All Shook Down”. Met name de afwisseling van lekker knallende rockers en “rauw-hees-tedere” ingetogen momenten en Ryans schuurpapieren zang duwden me in die denkrichting. Beide blijken trouwens ook echt wel essentieel voor ’s mans veelal de grens tussen hoop en frustratie verkennende songteksten. Andere aanknopingspunten nog: Ryan Adams, Jesse Malin en “The Boss”. Bepaald geen slechte buurt om in rond te hangen, als u het mij vraagt!

Enkele van de vele topmomenten hier: het op passionele wijze z’n titel volledig waarmakende “An Anthem For The Broken”, het door Tracy Bonham op een later tijdstip van een streepje viool voorziene rustpuntje “Then She Threw Me Like A Hand Grenade”, de zich tegen een bepaald dreigend aanvoelende achtergrond van drumgedonder aftekenende deluxe-rocker “God’s Not Here Tonight”, titelnummer “Boxers” en het nadrukkelijk richting Westerberg en de “Mats” overhellende ingehouden rockertje “Suffer No More”.

Van hieruit warm aanbevolen!

Matthew Ryan, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

ALEX HIGHTON “Nobody Knows Anything” (Gare Du Nord)

(5*****)

In november 2012 lieten we ons hier al eens heel erg lovend over de Britse songsmid Alex Highton uit. Liefst vijf sterren hadden we toen veil voor ’s mans debuutalbum “Woodditton Wives Club”. “Een klassieke singer-songwriterplaat,” noemden we dat. Een uitspraak, waar we ook nu, ondertussen toch ruim twee jaar later, nog altijd met volle overtuiging achter staan.

En ook al het overige goede wat we over die plaat al noteerden willen we hier naar aanleiding van Hightons nieuwe worp graag nog eens even herhalen, vanwege nog steeds uitgebreid van toepassing. Namen als Nilsson, Ray Davies en Nick Drake mogen wat ons betreft nog steeds als ijkpunten voor zijn muziek uit de kast. Al moeten we ditmaal zeker ook Paddy McAloon (Prefab Sprout), Sufjan Stevens, de Beach Boys en Steely Dan even vermelden. Viel “Woodditton Wives Club” al op door z’n weelderige klankkleur, dan doet “Nobody Knows Anything” dat immers nog veel meer. Gedurfder is wat Highton ditmaal doet alleszins. Hij legde zichzelf bij het opnemen van z’n nieuwe schijf allerminst beperkingen op. En dat bracht op ook!

Breekbare folky popliedjes worden afgewisseld met gewaagde, compleet onvoorspelbare spielereien. In die mate zelfs, dat je aandacht voor zijn teksten er soms wat onder gaat lijden. En dat is an sich best wel jammer te noemen, aangezien Hightons geworstel met alle mogelijke dezer dagen over het leven zelve verkondigde waarheden zeer boeiend luistermateriaal oplevert.

Wat ons betreft ontegensprekelijk één van de allerbeste platen van 2014!

Alex Highton

 

YOUNG & RUSTY “Back Road Love” (Motherlotus Records)

(3,5****)

Ook vandaag plaatsen we hier weer een duo in de kijker. Het tweetal Young & Rusty meer bepaald. Rusty Nelson en Sue Young dus. Allebei voor eigen rekening al een flinke poos actief in de muziek, maar sinds 2010 ook samen. En dat resulteerde onlangs met “Back Road Love” ook in een eerste release samen. Eerder bescheiden nog, want het blijkt daarbij immers te gaan om een amper zes songs tellend en in precies eenentwintig minuten afklokkend geheel.

Een EP dus, geproduceerd door de gerenommeerde Bradley Kopp. En die vult de stemmen en akoestische gitaren van Young en Nelson verder ook aan met bijdragen op zowel tal van gitaren, bas, dobro als wat percussie-instrumenten. Enkel Richard Bowden (fiddle) en Chip Dolan (accordeon) mochten voorts ook nog mee op “de familiefoto”. Dolan van zijn kant voorzag het heerlijk nostalgische luisterliedje “Where The Ferryboat Used To Run” van een best wel wat mediterraan aandoende accordeonachtergrond, Bowden liet z’n instrument spreken in titelnummer “Back Road Love”, in de lentefrisse ode aan de eigen wederhelft “I Feel Joy” en het afsluitende “Later Than It Seems”.

Stuk voor stuk fraaie luisterliedjes, zonder uitzondering duidelijk folkgeoriënteerde Americana, gedragen voornamelijk door twee stemmen die elkaar zeer mooi aanvullen. Zes nummers die je eigenlijk onwillekeurig doen terugdenken aan, doen terugverlangen naar tijden toen alles nog zoveel simpeler was. Eenvoud als levende schoonheid. Zo zou Hazrat Inayat Khan het allicht hebben samengevat.

Young & Rusty, CD Baby

 

LEWIS & LEIGH “Night Drives EP” (Lewis & Leigh)

(3,5****)

Lewis & Leigh, dat is een duo bestaande uit twee bijzonder getalenteerde, maar tot voor kort vooral voor eigen rekening aan de weg timmerende Amerikaanse youngsters, met name Al Lewis en Alva Leigh. Hem kent u misschien al wel van albums als “In The Wake” uit 2011, “Our Lines Remain” uit 2012 en “Battles” en “Live At St. Pancras Old Church” van vorig jaar, haar mogelijk van haar titelloze debuut uit 2009, van het leuke, overigens nog steeds als download via Noisetrade verkrijgbare “In Nashville” uit 2012 en “Modern Love Songs” van eerder dit jaar. Maar nu doken ze dus ook voor het eerst samen een studio in. En het resultaat – Dat moet gezegd! – mag absoluut gehoord worden.

Meteen in openingsnummer “What Is There To Do”, één van de drie door de twee speciaal voor de gelegenheid gepende liedjes, wordt duidelijk waar hun sterktes liggen. Naast het heerlijke pedal steel-spel van BJ Cole en de daar absoluut niet voor onderdoende (twangy) gitaarbijdrage van Mike McEvoy is het immers vooral de prachtige samenzang van Lewis en Leigh die het hem daarin voor ons doet. Heerlijk gewoon, hoe ze elkaar aanvullen! Je zou op den duur haast familiebanden gaan vermoeden…

En ook de twee andere eigen deunen zijn echte schoonheden van songs. Zo mogen wij onze Americana dus graag hebben, zie! “Anchor Line” is een veritabel pareltje van een ballade. En ook het daaropvolgende “All Night Drive” valt te situeren aan de eerder ingetogen kant van het Americana-spectrum. Met afwisselend de stemmen van elk van beide betrokkenen wat meer op het voorplan of wederom zalig harmoniërend. Dat smaakt wat ons betreft echt wel volop naar meer! En meer betekent in dit geval nog één enkel liedje. Meer bepaald de je wellicht ook wel van de fantastische Wilco-dubbelaar “Being There” uit ’96 bekende Jeff Tweedy-compositie “Say You Miss Me”, hier heruitgevonden als volbloed-pianoballade. Wat melig misschien, maar wel héél mooi!

Zoals hier hoger al even gesteld: meer van dattum graag!

Lewis & Leigh

 

MIRACULOUS MULE “Blues Uzi” (Bronze Rat / V2)

(3,5****)

Na een naar zichzelf vernoemde 10’’ uit 2011 en het ronduit verpletterende “Deep Fried” van ergens rond dezelfde tijd vorig jaar is de EP “Blues Uzi” ondertussen al het derde teken van leven van het vooral door de broers Patrick en Michael J Sheehy aangejaagde Anglo-Ierse neo-bluescollectiefje Miraculous Mule. En net als z’n beide voorgangers blijkt ook dit weer een heuse muzikale splinterbom. Je zal toevallig maar in de buurt zijn als ze afgaat…

Gelijk van bij het openingssalvo, het de blues als een meute uitgelaten wolven aanvallende en compleet verscheurende titelnummer weet je wat er je hier als luisteraar boven het hoofd hangt. Na die buitengewoon furieuze aanslag op je trommelvliezen glijd je met het moody “Highway Sound” allicht graag even mee af richting best wel wat aan Jimi Hendrix in z’n hoogdagen herinnerend vaarwater om vervolgens met “I Don’t Do Nobody Nothin’” getracteerd te worden op een streep op de keper beschouwd behoorlijk hypnotisch werkende lome bluesrock. Aansluitend daarop is er dan het op nummers van respectievelijk Blind Willie Johnson en Rev. Sister Mary Nelson gebaseerde, maar door Michael J Sheehy van een nieuwe tekst voorziene duo “City Of Refuge” en “Judgement”. Het eerste een al even bezwerend uitpakkend staaltje aan eigentijdse gospelblues, het tweede een duidelijk in dezelfde hoek gevonden banjogestuurde “old-time anno nu” belerende vinger-in-de-lucht . Resten dan nog: een wat aparte soulvolle benadering van de traditional “Motherless Child” en het al van hun titelloze debuut-mini bekende tweetal “Wayfaring Stranger” en “I Know I’ve Been Changed”, dat hier zodoende aan z’n cd-debuut toekomt.

Geen wonder, dat Michael J Sheehy Miraculous Mule het beste noemt, wat hem ooit overkwam. “I know I’m doing something right,” aldus nog de beste man in dezelfde context en echt wel overschot van gelijk heeft hij daarmee alvast wat ons betreft…

Miraculous Mule

 

THE BLOODHOUNDS “Let Loose!” (Alive Natural Sound / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Het vanuit L.A. al sinds 1994 serieus aan de weg timmerende Alive Natural Sound Records is zich de voorbije maanden steeds nadrukkelijker gaan profileren als “a roots music force to be reckoned with”. Met acts als Hollis Brown, Lonesome Shack, Left Lane Cruiser en recent nog powerpopmonument Paul Collins scoorde men in ons boekje alvast zeer hoog. En dat gebeurt nu andermaal met “Let Loose!” van The Bloodhounds. Wat een plaat is me dat, zeg! Beter worden ze naar onze bescheiden mening gewoonweg niet meer gemaakt!

The Bloodhounds spelen een nadrukkelijk op tal van sixties-modellen geënte hyperaanstekelijke hybride van R&B, blues en rock & roll. An sich niets nieuws natuurlijk, ware het niet dat Aaron “Little Rock” Piedraita (leadzang en elektrische en akoestische gitaren), Branden Santos (elektrische, akoestische en slidegitaren, mondharmonica en zang), Johnny Santana (bas, banjo, mondharmonica en zang) en Mark Schafler (drums, washboard, percussie, mondharmonica, kazoo en zang) dat bijna doorlopend doen met een eigentijdse punkattitude en zo nu en dan ook met voorzichtige uitlopers richting Latin. Dat gegeven en de wetenschap, dat de vier afkomstig zijn uit East LA, doen een mens onwillekeurig terugdenken aan de prille dagen van Los Lobos. Net als het debuut van dat nooit meer echt uit ons hart verdwenen collectiefje vloerde ook de door de gerenommeerde Arthur Alexander geproduceerde eersteling van The Bloodhounds ons meteen volledig. Eén groot feest is het! Twaalf nummers lang, het ene al machtiger dan het andere. Forget about The Strypes en consorten! Die waren goed, maar dit is gewoon véél en véél beter…

Waag je bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens aan het de jonge Stones met gemak achter zich latende streepje stuiterende R&B dat “Indian Highway” is, aan het in diezelfde hoek actieve en na een wat bedaard aandoende intro door een scheurende mondharmonica en al even meedogenloze gitaren bij momenten compleet ontsporende “Wild Little Rider”, aan het omineus een eindje voor zich uit rockende “Saint Dee”, aan het net niet volledig akoestich gehouden (blues & roots) niemendalletje “Dusty Bibles & Silver Spoons”, aan de echt wel ongemeen catchy garagerocker “Crackin’ Up”, aan het bezwerende “They Call’m The LSC”, aan het burlesk-speelse tussendoortje “Hey Lonnie”, aan deluxe-rockertje “Security” en andere en je zal net als ons allicht met een zware verslaving opgezadeld achterblijven.

Killer stuff!

The Bloodhounds, Alive Natural Sound Records, Sonic Rendezvous

 

JP HARRIS AND THE TOUGH CHOICES “Home Is Where The Hurt Is” (Cow Island Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als je als nog volop naar naambekendheid hengelende jonge artiest je eigen webstek ilovehonkytonk.com durft te noemen, dan ben je in onze ogen sowieso uit het juiste hout gesneden. Dan moet je immers daadwerkelijk wel ontzettend veel van dat genre houden. Een combinatie met je eigen naam erin ware immers zoveel gemakkelijker geweest en al zeker veel aanlokkelijker… Maar niet besteed aan JP Harris dus! Die speelt country en dat mogen we weten ook! Meer nog: hij leeft country.

Voor de opnamen van “Home Is Where The Heart Is”, na het al zo’n twee jaar geleden verschenen “I’ll Keep Calling” z’n tweede cd, vond Harris samen met z’n Tough Choices, een bende erg onderlegde muzikale jonge locals, tijdelijk een onderkomen in Ronnie’s Place, je allicht beter bekend als de eigen studio van Ronnie Milsap in Nashville. Daar blikten ze in een productie van Harris zelve, z’n gitarist Adam Meisterhans en geluidstechnicus Justin Francis tien nieuwe liedjes in. Tien songs van de hand van Harris zelve. Tien songs, die verraden, dat Harris in z’n nog redelijk jonge leven – Hij is er pas 31! – al aardig wat muzikaal opgravingswerk achter de kiezen heeft. Bij het horen van nogal wat van die liedjes ga je als luisteraar immers onwillekeurig terugdenken aan één of ander groot voorbeeld dat Harris is voorafgegaan.

Bij het heerlijk swingend gebrachte openingsnummer “Give A Little Lovin” gingen wij hier zo bijvoorbeeld onmiddellijk denken aan de jonge George Jones en z’n al even onweerstaanbare “Love Bug”, bij het fiddle-zwangere “A Breaking Heart” dwaalden onze gedachten af richting Ray Price, bij de knappe ballade “South Oklahoma” dan weer eerder tot bij Marty Robbins. Doorheen “Old Love Letters” waart vervolgens ontegensprekelijk de outlaw-geest van Waylon Jennings rond, “Truckstop Amphetamines” leeft van een mood à la Kris Kristofferson en voor een potje onvervalste Bakersfield twang genre “One For Every Day” zou de grote Buck Owens zich zeker niet hebben geschaamd. Enfin, aan groten die hun sporen op Harris hebben achtergelaten dus duidelijk geen gebrek. Maar – En dat is belangrijk! – we hebben het dus wel degelijk alleen maar over sporen. Harris is immers allesbehalve een epigoon. Hij gebruikt wat hij zelf graag hoort en kookt uit die veelheid aan ingrediënten gewoon z’n eigen overheerlijke potje.

Met dank ook aan gasten als Chance McCoy, Nikki Lane en Steve Berlin. De zanger-gitarist van Old Crow Medicine Show blijkt überhaupt behoorlijk nadrukkelijk aanwezig met respectievelijk harmonieerwerk en bijdragen op akoestische en elektrische gitaren en fiddle. Steve Berlin van zijn kant geeft ‘m flink van jetje op z’n sax in het afsluitende en flink met R&B en rock & roll flirtende “Young Women And Old Guitars” en rijzende ster Lane verzorgt samen met de ons niet bekende dames Shelly Colvin en Ashley Wilcoxson wat koortjes.

JP Harris And The Tough Choices, Cow Island Music, Sonic Rendezvous

 

M. LOCKWOOD PORTER “27” (Black Mesa Records)

(4****)

“27” heet de opvolger van “Judah’s Gone”, het in juli van vorig jaar verschenen debuut van de jonge Amerikaanse songsmid M. Lockwood Porter. En die bevestigt daarmee hoegenaamd alle goeds wat al ten tijde van die voorganger over hem geschreven werd. Op z’n zevenentwintigste lijkt hij er helemaal klaar voor om net als Wilco, Ryan Adams, Neil Young en Bruce Springsteen, namen die in het verleden al wel eens genoemd werden als referentiepunten om zijn werk te situeren, te gaan meespelen op een wat hoger niveau. Van “27” straalt alvast eenzelfde tijdloosheid af, als van veel van de werken van precies die acts.

Porter presenteert zich op “27” als een behoorlijk poëtisch ingestelde verteller van verhalen, die niet echt lijkt te willen kiezen tussen Americana, indie folk en “straight-up” rock. Iets waarvan we in een nog niet zo heel erg ver verleden ook Ryan Adams al meermaals mochten verdenken. Met nauwelijks een kwart van zijn leven achter de rug kreeg bij Porter in de aanloop naar “27” een gevoel van desillusie stilaan de bovenhand. Was het dat maar…? Je kent dat gevoel vast ook wel! Ergens heel veel van verwachten en dan zwaar ontgoocheld moeten vaststellen, dat je hoop eigenlijk al die tijd vergeefs was… Dat gevoel en de naweeën van een stukgelopen relatie gingen voor een groot stuk de ondertoon van “27” bepalen. Enerzijds stoten we hier volop op de in een dergelijke case te verwachten melancholische buien, anderzijds echter ook op diepgewortelde gevoelens van opstandigheid.

Ruim achtendertig minuten lang laveert Porter handig tussen die twee gevoelspolen heen en weer. En dat blijkt in totaal goed voor tien topdeuntjes. Van de knappe rockballade “I Know You’re Gonna Leave Me” tot het de je van Big Star bekende protagonist van dat liedje lovende “Chris Bell”, van het alvast qua ritmiek z’n titel volledig waarmakende en “en passant” hier en daar een weinig naar Springsteen geurende “Restless” tot het zomers lome relatieliedje “Secrets”, van de atmosferische trage “Mountains” tot het bedaard rootsrockende “Different Kind Of Lonely”, van het wild rockend om zich heen schoppende “You Only Talk About Your Band” tot de alweer geweldige ballade “There To Here”, van het zo op het eerste gehoor op puur cynisme drijvende indie-popriedeltje “Love Me Like I’m Not Around” tot het akoestische afsluitertje “Couer d’Alene”, naar ook maar één enkel minder moment blijkt het hier vergeefs zoeken.

M. Lockwood Porter, Bandcamp

 

RACHAEL SAGE “Blue Roses” (MPress Records)

(4,5*****)

Ondertussen bijna twintig jaar en elf albums ver in haar carrière is de vanuit New York actieve zingende liedjesschrijfster Rachael Sage om voor ons volstrekt onverklaarbare redenen nog steeds  niet echt een “household name” aan deze kant van de Atlantische Oceaan. En dat terwijl ze eigenlijk gewoon in elk opzicht met de allerbesten mee kan. Sage is een geweldige songsmid, een uitstekende pianiste en bovenal ook een dijk van een zangeres. De aan het ongelooflijke grenzende lenigheid van haar stem doet ons telkens weer vol bewondering opkijken. Nu meer dan ooit eigenlijk!

“Blue Roses”, de nieuwe Sage, is immers een lichtjes fantastisch geheel geworden! Doorheen de dertien als vanouds op zonderlijke wijze invloeden uit zowel folk, pop, rock als klassieke muziek in zich verenigende liedjes erop loopt als rode draad het gegeven, dat elke enkeling een zekere impact op het leven, het lot van anderen hebben kan. Eigenlijk vormen ze met z’n allen gewoon één openlijke smeekbede om meer empathie. Een bepaald schoon uitgangspunt, niet?

Voor de productie van “Blue Roses” tekende Sage samen met de onder meer ook van z’n werk met Johnny Winter bekende John Shyloski zelf. Voor verdere studiobegeleiding viel ze ditmaal niet enkel terug op haar eigen tourbandje The Seguins, maar ook op schoon volk bekend uit de entourages van onder anderen Bruce Springsteen, Hall& Oates, Patti Smith, Rufus Wainwright, Garland Jeffreys, Ian Hunter en Daft Punk.

Opvallendste gaste is echter zeker folkicoon Judy Collins. In duet met haar brengt Sage een tot een ronduit fantastische pianoballade herwerkt “Helpless” van Neil Young. Een ontwapenend mooie afsluiter voor een al even ontwapenend mooi album, dat we van hier uit vooral aan fans van artiestes als Shawn Colvin, Sarah McLachlan, Rickie Lee Jones en Patty Griffin zouden willen aanbevelen. Zij zullen naar alle waarschijnlijkheid hun pret niet op kunnen bij ware songschoonheden als het werkelijk huiveringwekkend mooie titelnummer, het zich ook al met het thema transformatie inlatende “Wax”, het z’n titel zelfs muzikaal helemaal waarmakende “Misery’s Grace”, het al even gracieuze “Skywriting” en andere. Echt prachtig, hoe Sage’s woorden, haar stem en haar pianospel elkaar daarin steeds weer weten aan te vullen.

Iemand zou er dringend eens werk van moeten maken om met een doosje exemplaren van “Blue Roses” langs de kantoren van alle Radio 1-producers te lopen! Na een weekje in “heavy rotation” aldaar zouden er hier voor Sage wel eens heel veel deuren open blijken te kunnen gaan. Schoonheid is immers, om het met de woorden van de Griekse wijsgeer Aristoteles te zeggen, een betere hulp dan alle aanbevelingsbrieven...

Rachael Sage

 

LUKE TUCHSCHERER “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” (The Little Red Recording Company)

(4****)

De maand oktober had dit jaar al heel wat bijzonder aangename verrassingen voor ons in petto, maar “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense”, het solodebuut van de je misschien al wel van de Britse groep The Whybirds bekende zingende songsmid Luke Tuchscherer, willen we hier toch bij de allerbesten van dat lot onderverdelen. Tuchscherer, bij The Whybirds onder meer al verantwoordelijk voor schoonheden van songs als “Morning Light”, “Foolish Heart” en “The Crow’s Caw”, verkent met zijn eersteling voor eigen rekening een andere kant van zichzelf. Het akoestische krijgt daardoor redelijk nadrukkelijk de bovenhand op dat naar een werk van Charles Bukowski vernoemde geheel.

Onder de productionele hoede van Tom Peters nam Tuchscherer twaalf liedjes van eigen hand op, die hem pardoes tot in het kielzog van acts als de jonge Steve Earle, de Ryan Adams van in z’n begindagen en Thad Cockrell dreven. Niet zelden heel erg persoonlijk van aard. Maar ook sociale commentaren schuwt de Brit zeker niet. En zelfs aan het vertellen van echte verhalen waagt hij zich her en der ook.

Wat onze favorieten waren, wou je weten? Welnu, dat zijn in eerste instantie vooral het ergens tussen pure lust en berouw gedijende overspelliedje “(Lord Knows) I’m A Bad Man”, de buitengewoon lekker swingende countrydeun “When Day Is Done”, het bedaard twangende “Three Long Days” en zeker ook het ogenschijnlijk de ons zo stilaan te wachten staande “zwarte jaren” voorspellende “Hold On”. Maar – Eerlijk is eerlijk! – stel me morgen die vraag opnieuw en ik som je wellicht enkele van de acht resterende liedjes op. Want eigenlijk vind ik “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” gewoon één ijzersterk geheel. Americana van het allerfijnste soort! Tegelijk heel erg melodieus én inhoudelijk sterk.

En een aanrader van formaat derhalve dan ook!

Luke Tuchscherer

 

NELL ROBINSON “The Rose Of No-Man’s Land” (Compass Records)

(4****)

Americana-laatbloeiertje Nell Robinson pakt uit met haar meest prestigieuze project tot op heden. In een productie van de voor zijn werk voor anderen almaar meer onder de lovende woorden bedolven Joe Henry liet ze zich voor “The Rose Of No-Man’s Land” inspireren door ruim 250 jaar aan familiegeschiedenis. Vandaar ook de ondertitel “An American Family’s Musical Journey From The American Revolution To The Present”. Brieven, verhalen, gedichten, liedjes, Robinson liet voor het in kaart brengen van de (oorlogs)ervaringen van haar voorouders hoegenaamd geen enkele zich op haar weg aandienende bron ongebruikt. En dat leidt uiteindelijk dan ook quasi als vanzelfsprekend tot een heerlijk authentiek aanvoelend geheel.

Een geheel, waarin ze zich andermaal kan doen gelden als een bijzonder straffe zangeres. Iets wat haar in het verleden al meermaals vergelijkingen opleverde met groten der aarde als een Hazel Dickens, een Emmylou Harris, een Dolly Parton en een Patsy Cline. En dat zal ook ditmaal weer niet anders gaan zijn, geloof ons vrij! Met haar kristalheldere stem streelt Robinson immers voortdurend de zinnen. Bluegrass, country, Americana dan wel folk, het gaat haar allemaal even goed af. Ze laat met haar engelengezang de grenzen tussen die stijlen bij nader inzicht zo goed als volledig vervagen.

En ze stond er ditmaal overigens ook niet helemaal alleen voor. Dat de gerenommeerde Joe Henry bereid werd gevonden om het project in goede banen te leiden vermeldden we hoger al, dat ook Ramblin’ Jack Elliott, Kris Kristofferson, John Doe, Jim Nunally, schrijfster Maxine Hong Kingston en actrice Kathy Baker een aanzienlijke duit in het zakje kwamen doen nog niet. En dan hadden we het nog niet over kanjers van muzikanten als een Zach Harmon, een Greg Leisz, een Craig Eastman, een David Piltch, een Levon Henry en een Keith Little. Zij zorgen voor het muzikale decorum, Robinson doet de rest!

Tal van traditionals en songs van onder anderen Bill Monroe, Luther Presley, Rodney Crowell, Johnny Cash, Mel Tillis en Guy Clark passeren zo de revue. Naast diverse gesproken passages. Enkele brieven, een gedicht en een verhaal vormen als het ware het cement tussen de stenen der liedjes.

De muzikale schattenjagers onder jullie weten daarmee allicht genoeg…

Nell Robinson, Compass Records

 

SLOWMAN “Happy Boy” (Slowman)

(4****)

Dat de Zweed Svante “Slowman” Törngren een fantastische singer-songwriter is, dat wisten we natuurlijk al wel langer, maar met z’n derde album overtreft hij toch echt wel onze stoutste verwachtingen! Wat een mooie plaat is dat geworden, zeg! Vol met bijzonder aangenaam wegluisterende pop- en rockliedjes met her en der ook nadrukkelijk enige rootsinslag. Mochten dit de States zijn, dan zouden we wellicht spreken over AOR, zich voornamelijk op een publiek van volwassenen richtende rockmuziekjes. Een vlag die deze liedjeslading ons inziens grotendeels wel dekt.

Törngren toont zich in heel wat van de hier gebrachte deuntjes een meester in het verklanken van gevoelens. Grote zowel als kleine. En niet zelden herinnert hij daarbij aan de één of andere gerenommeerde vakcollega. Van Elliott Murphy tot Bruce Springsteen, van Steve Forbert tot Ray Davies, van Warren Zevon tot Bruce Hornsby of Willy DeVille, allemaal passeerden ze bij het beluisteren van “Happy Boy” in onze gedachten wel even de revue. En dat zou ik nu niet meteen slecht nieuws durven te noemen.

Van de heerlijke, buitengewoon catchy uit de hoek komende Heartland rock van “Time” tot de al even mooie pianoballade “Nothing To Pretend”, van het enkele tellen lang op een bluesy golf surfende “Into Gold” tot het hoegenaamd perfecte popdeuntje “Little Berlin”, van de ook al voor veelvuldig gebruik op Radio 1 geschikte en ons volop aan het recentere werk van opper-Kink Ray Davies herinnerende trage “Every Heart Is Crying” tot het voorwaar heel even voorzichtig jazzy aandoende titelnummer en alles wat dan nog volgen moet, dit is echt zonder uitzondering klasse-spul!

In een rechtvaardige wereld zou Svante Törngren na dit album met een gerust gemoed kunnen gaan rentenieren…

Slowman

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home