CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES NOVEMBER 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

JEFF BOORTZ “Half The Time” - LITTLE HOOK “Little Hook” - C. DANIEL BOLING “These Houses” - DALE WATSON “Under The Influence” - CS NIELSEN “Jericho Road” - PETE SINJIN “The Heart And The Compass” - JESSE DAYTON “The Revealer” - HICKORY SIGNALS “Noise Of The Waters” - LITTLE STEVE & THE BIG BEAT “Another Man” - JACK TEMPCHIN “One More Song” - ANDREA TERRANO “Innamorata” - BAND OF FRIENDS “Repeat After Me” - DOUGLAS GREER “Baja Louisiana” - M. LOCKWOOD PORTER “How To Dream Again” - JEREMY & THE HARLEQUINS “Into The Night” - JD FOX & THE VELVET STREET BAND “My Friend: A Tribute To Donnie Fritts” - ANY VEGETABLE “Veg Out!” - PARSONSFIELD “Blooming Through The Black” - IMPERIAL CROWNS “The Calling” - THISELL “II” - AARON LEE TASJAN “Silver Tears”

 

JEFF BOORTZ “Half The Time” (Jeff Boortz Music)

(3,5****)

Jeff Boortz is een ons tot voor kort volslagen onbekende singer-songwriter uit Houston, TX. Met “Half The Time” blijkt hij nochtans al aan z’n derde cd toe. En afgaande op de kwaliteit van dat tien songeenheden tellende geheel hebben we met de beide voorgangers ervan wel degelijk wat gemist.

Voor de opnames van “Half The Time” toog Boortz naar Nashville. Naar The Rendering Plant meer bepaald. Daar werkte hij samen met een heus elitegroepje aan muzikanten. Gitarist John Jackson kent u bijvoorbeeld van zijn werk voor onder anderen Lucinda Williams en Bob Dylan, Ken Coomer uiteraard als drummer van Wilco, Fats Kaplin als een fenomeen op fiddle en pedal steel en drummer-percussionist Marco Giovino onder meer van Robert Plants Band Of Joy. Bepaald niet de eersten de besten dus! En dat vertaalt zich uiteraard ook naar de manier waarop Boortz hier z’n materiaal aan de man gebracht krijgt.

Vrijwel voortdurend handig heen en weer laverend tussen Americana en roots rock laat hij hoegenaamd geen gelegenheid onbenut om nieuwe vrienden te maken. Gelijk van bij het als een dronkeman over het slappe koord tussen die beide genres waggelende titelnummer heeft hij je als liefhebber bij de les. En daar houdt hij je bijna achtendertig minuten lang ook. Zoals met het wulpse, door Kaplin fiddlegewijs van de nodige zuiderse flair bediende “Wanna Spend Money On A Girl”, de knappe melodieuze countryrocker “Travis County Line”, het swampy “Stay Love” of de soulvol-broeierige trage “Take Back What You Said”. Dat laatste en het er meteen op volgende, lekker vinnig rockende “Driving With The Headlights Off Again” en in het kielzog daarvan ook story song “Baton Rouge” zijn wat ons betreft de sterkste momenten van een geheel vol daarmee. Ook het afsluitende trio bestaande uit “Hey Passion” (licht bluegrassgetinte meezing-Americana), “Silver Lining” (enigszins Dylan-esk aandoende, alternatieve mijmercountry) en “Since You’re Gone” (bedaarde roots rock) valt immers bepaald niet uit de toon.

Al bij al gewoon een erg sterke plaat van een artiest die het absoluut verdient om gehoord te worden. Ook hier!

Jeff Boortz, CD Baby

 

LITTLE HOOK “Little Hook” (Naked / Donor Productions / Bertus)

(4****)

Zanger-gitarist Renaud Lesire behoeft hier allicht geen introductie meer. Hij speelde de voorbije jaren immers met heel wat schoon bluesvolk samen. Van Candye Kane en James Harman over Rusty Zinn, Junior Watson en Keith Dunn tot Kyle Jester, Gene Taylor en Johnny Sansone. Nu is er echter de nieuwe groep van Lesire, kortweg Little Hook. En dat blijkt een teamverband met de je onder meer van de Electric Kings en de Elmore D. Band bekende harmonicavirtuoos Big Dave Reniers, de zijn sporen onder andere al in Last Call verdiend hebbende drummer-percussionist Steve Wouters en bassist-gitarist Bart Mulders.

Zij doen het op de titelloze debuutplaat van Little Hook met tien eigen nummers. Negen van de hand van kopstuk Lesire, eentje door diezelfde Lesire gedeeld met Big Dave. En het gaat daarbij door de band genomen over behoorlijk groovy spul, waarin vrijwel voortdurend ontzettend veel blijkt te kunnen. Dit rockt, dit swingt, dit funkt, dit groovet! Kortom: dit pakt!

Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar dingen als de wel van een heel toepasselijke titel voorziene Hill country blues beauty “Hillburner”, het stomende “Tell Me Baby”, de ongegeneerd wat naar Canned Heat-territorium overhellende Lesire-Reniers-co-write “Hooked”, de sfeervolle instrumental “Weedpicker” of het op bezwerende wijze voorwaar zelfs even met het Franse chansongenre flirtende “Mourir Debout” en andere, wedden dat je geen twee draaibeurten nodig zal hebben om compleet verkocht te zijn? Het tegendeel daarvan zou ons alvast flink verbazen…

Little Hook

 

C. DANIEL BOLING “These Houses” (Berkalin Records)

(3,5****)

C. Daniel Boling is wat je noemt een ware laatbloeier. Pas op zijn vijftigste ging de beste man met zijn liedjes de hort op en dat al vrij snel met het nodige succes ook. Zo was hij bijvoorbeeld twee jaar geleden nog de laureaat van de gerenommeerde Kerrville New Folk songsmidcompetitie. En ook zijn inmiddels zeven albums genieten in kennerskringen het nodige aanzien.

Met als zijn voornaamste bondgenoten z’n ongemeen warme tenorstem en z’n eigen eveneens zeer herkenbare stijl van gitaarspelen toont hij ook op z’n door Jono Manson geproduceerde nieuwe weer ruim driekwartier lang waarom. In navolging van tal van groten der aarde als bijvoorbeeld een Steve Goodman, een James Taylor en een Pete Seeger vertelt Boling verhalen over de meest uiteenlopende karakters en feiten. Niet zelden ook over zichzelf en z’n eigen naasten. Daarnaast gaat hij op “These Houses” in enkele liedjes ook nadrukkelijk in op de hem door een aantal oorlogsveteranen vertelde verhalen. Dat is met name zo in het fraaie duo “I Brought The War With Me” en “Crumble”. Met vooral dat eerste wat ons betreft als een waar hoogstandje, opgetrokken als het is rond de veelzeggende woorden “I never faced battle completely alone, till I brought the war with me when I came back home.”

Nog zo’n veritabele schoonheid van een liedje is “Mama’s Radio”. Daarin herinnert Boling zich één van zijn eigen verjaardagen als kind. Zijn moeder, die wist dat ze hem uit louter armoede die bewuste dag geen geschenk zou kunnen geven, had dan maar een gedicht voor ‘m geschreven, waarmee ze ook deelnamen aan een door een lokaal radiostation uitgeschreven poëziewedstrijd. En u raadt het al: ze wonnen de wedstrijd en hielden er naast een leuke prijs ook een erg mooie herinnering aan over. Een warme herinnering, die Boling nu naast vele andere songgewijs met ons deelt. Ons deed het qua stijl van vertellen vaak een beetje denken aan het recentere materiaal van de Duitse troubadour Reinhard Mey. Net als deze laatste slaagt ook Boling er terugkijkend op z’n eigen bestaan met sprekend gemak in om bij zijn luisteraars de juiste snaar te raken. Veel van wat hij vertelt klinkt nu eenmaal erg herkenbaar.

C. Daniel Boling

 

DALE WATSON “Under The Influence” (Dale Watson / BFD / RED)

(4****)

Al bij al vrij snel na de live-cd “Live At The Big T Roadhouse: Chicken S#!+ Bingo Sunday” is er met “Under The Influence” alweer een nieuwe plaat van Dale Watson. Als naar goede gewoonte in het gezelschap van zijn voor de gelegenheid met Earl Poole Ball en T Jarod Bonta (beide op piano) aangevulde Lone Stars eert de Texaan daarmee naar eigen zeggen een aantal van zijn persoonlijke helden. Een aantal maar, want van overduidelijke invloeden op ’s mans stijl als Elvis en Ray Price staat er bijvoorbeeld al niets op “Under The Influence”.

Wie covert hij hier dan wel allemaal? Wel, dat is om te beginnen Conway Twitty, van wie hij de trage “Lonely Blue Boy” ten gehore brengt. Vervolgens leeft hij zich met brio in “You’re Humbuggin’ Me” van Lefty Frizzell in, leent hij “Lucille” nu eens niet bij Little Richard maar wel bij z’n idool Waylon Jennings, doet hij de ook al betreurde Buck Owens enkele minuten lang herleven met een overtuigende versie van diens “Made In Japan” en waant zich even Bob Wills in het heerlijk swingende “Here In Frisco”.

Next stop is Merle Haggard. Van The Hag brengt Watson met veel gevoel de ballad “Here In Frisco”. En dan zijn er ook nog ’s mans lezingen van “Pretty Red Wine” van Mel Tillis, “Pure Love” van Ronnie Milsap, “I Don’t Want To Go Home” van Doug Sahm, “Most Wanted Woman In Town” van Roy Head, “If You Want To Be My Woman” van opnieuw Merle Haggard en “Long Black Veil” van Johnny Cash. Nu ja, “van…”, eerder “opgenomen door…” natuurlijk.

Feit is, dat Watson met “Under The Influence” wederom garant staat voor ruim vijfendertig minuten kwaliteitscountry traditional style. En nu steeds meer van zijn helden er het bijltje bij gaan neerleggen, dringt hij zich hiermee naar ons gevoel dan ook weer wat nadrukkelijker op als één van hun erfgenamen. Als één van de weinigen die het in zich hebben om de vlam van het countrygenre brandende te houden. Real country, that is of course.

Dale Watson

 

CS NIELSEN “Jericho Road” (Songcrafter Music)

(5*****)

Als u dit jaar maar één plaat meer kopen zou, doet u zichzelf dan een groot plezier en laat het vooral deze zijn. U haalt er naar onze bescheiden mening één van de allerbeste albums van het lopende jaar mee binnen. Een Americana beauty in de waarste zin van het woord. Een geheel bulkend van de songs die weliswaar veel van je vergen als luisteraar, maar je ook enorm veel teruggeven. Materiaal met een tot op zekere hoogte literair karakter. Liedjes waarin er tussen de regels door bijna evenveel gebeurt als in de teksten zelf. Een weinig archaïsch van karakter misschien, maar precies dat draagt ons inziens bij tot de enorme zeggingskracht ervan. Alsof je je enkele ogenblikken lang op het kruispunt tussen Cash, Cave en Springsteen ten tijde van Nebraska lijkt te bevinden. Al zijn zeker ook Dylan, Lead Belly en the late great Hank Williams invloeden geweest.

De wanhoop sprekend uit de woorden van een soldaat in openingsnummer “Twentieth Century”, het gitzwarte Bijbelse karakter van titelnummer “Jericho Road”, de Hank meets Johnny murder song op ingehouden walstempo “The Misfit”, de grimmige old-time verleidingspoging “Frosty Morn”, de broeierige omineuze country storytelling van “Help Me In My Unbelief”, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Bepaald vrolijk word je van CS Nielsens liedjes niet, maar ze zijn echt zonder uitzondering verbluffend knap.

Met als absolute hoogtepunten wat ons betreft het viertal “You Can’t Escape”, “Snake Handler”, “Ethan Edwards (And Me)” en “Lullaby”. Het eerste een voor kippenvel garant staande terugblik op de ogenschijnlijk lang niet altijd even gemakkelijke relatie met z’n eigen vader, het tweede het relaas van een schijnbaar eindeloos aanslepende queeste naar vergiffenis, naar die ene, alles goedmakende blik in the eyes of mercy, het derde een aan het beeld van een afbrandende boerderij opgehangen streepje verhalende Americana over een bestaan compleet zonder hoop. En dan hadden we het nog niet over dat slaapliedje. Zelfs dat krijgt hier een aardig donker randje mee. Wat gebeurde er immers met de mama van het in het holst van de nacht door haar ouweheer toegezongen kind op de achterbank van de wagen?

CS Nielsen

 

PETE SINJIN “The Heart And The Compass” (Hootenanny Arts)

(3,5****)

Van de Amerikaan Pete Sinjin kende ik voorheen eigenlijk alleen het album “Better Angels Radio”. Met z’n zopas verschenen nieuwe “The Heart And The Compass” blijkt de beste man tot mijn grote verbazing echter al aan zijn vierde worp toe. En dus dringt een bescheiden inhaalbeweging zich op. “The Heart And The Compass” is immers opnieuw een erg mooie plaat geworden. Een soort van onbewuste ode aan de liefde. Geen kleffe bedoening, maar een bij momenten juist adembenemende verkenning van de brede waaier aan emoties hand in hand gaand met dat onderwerp. Met het eigen hart naar eigen zeggen als onontbeerlijk kompas.

Elf liedjes staan er in totaal op “The Heart And The Compass”. En met dat geheel nestelt Sinjin zich wat mij betreft comfortabel ergens in de slipstream van grote voorbeelden als een Rodney Crowell, een Ryan Bingham, een John Prine en een Townes Van Zandt. Met name het sterk evocatieve karakter van zijn liedjes blijkt daarbij een serieus pluspunt. En ook ’s mans melodieën scoorden op onze persoonlijke appreciatiemeter meteen erg hoog.

Liedjes als de met collega Michaella Anne gebrachte ballad “Stolen Afternoon, 1951”, het vrijwel meteen door de gezonde dosis witte soul erin opvallende “Can’t Be So”, het met Kira Smith gepende en aangenaam een eindje weg (country)rockende “Dirty Windshield”, het heerlijk swingende “Goodbye Knoxville”, de knappe trage “Desperate Kind Of Love” en andere nodigen al snel uit tot een bezoekje aan de repeat-toets van je cd-speler. Noem “The Heart And The Compass” daarom gerust maar een erg aangename verrassing.

Pete Sinjin

 

JESSE DAYTON “The Revealer” (Blue Elan Records)

(5*****)

Als we het allemaal een beetje goed bijgehouden hebben, dan is Jesse Dayton met “The Revealer” al aan zijn negende langspeler toe. Het begon allemaal in 1995 met het onvolprezen “Raisin’ Cain” en via het al even geweldige “Tall Texas Tales” (2000), “Hey Nashvegas” (2001), “Country Soul Brother” (2004), “South Austin Sessions” (2006), de met Brennen Leigh gedeelde duettenplaat “Holdin’ Our Own And Other Country Duets” (2007), “One For The Dance Halls” (2011) en ’s mans eerbetoon aan één van z’n eigen helden “Jesse Sings Kinky” (2012) belandden we uiteindelijk in het hier en nu. En dat op de keper beschouwd met één van Daytons beste platen überhaupt. Het door John Evans geproduceerde en met buitengewoon fraai artwork van Charlie Terrell opgewaardeerde “The Revealer” is wat je noemt een roots trip hors catégorie. Twaalf songs lang is het weer volop genieten geblazen!

En gelijk vanaf de aftrap al ook! Openingsnummer “Daddy Was A Badass” blijkt immers een overheerlijk groovy streepje outlaw country opgehangen aan een ijzersterke verhalende tekst, waarin de vader van de verteller na een aardig bewogen leven aan z’n einde komt door met z’n 1963 Pan Head Harley Davidson van een klif te rijden. Vervolgens vernemen we van Dayton in het wervelende, door Riley Osbourne pianogewijs flink aangejaagde “Holy Ghost Rock N Roller” waarom hij z’n ziel verloor aan des duivels muziek. Het flink wat bezadigder neergelegde en het eigen muzikantenbestaan bezingende “The Way We Are” strandt aansluitend daarop ergens dicht in het kielzog van wijlen countryicoon Waylon Jennings.

“Eatin’ Crow And Drinkin’ Sand” blijkt op zijn beurt een greasy lapje country rock, “Possum Ran Over My Grave” een knappe tip of the hat aan het adres van de grote George Jones, Mike Stinsons “Take Out The Trash” een ferme rootsrockende terugblik op een voorbije, maar duidelijk nog niet vergeten liefdesrelatie, “Mrs. Victoria (Beautiful Thing)” een countrybluesje gewijd aan het gewaardeerde zwarte hulpje ten huize van de ik-persoon en het werkelijk rete-aanstekelijke “3 Pecker Goat” laat rock & roll weer enkele minuten lang volop regeren.

Hebben we dan nog niet gehad: “Match Made In Heaven”, een klassiek countryduet met Brennen Leigh, het zalig swingende en volop van een woordspeling goed voor een glimlach levende “I’m At Home Gettin’ Hammered (While She’s Out Gettin’ Nailed)”, de mooie ballad “Never Started Livin’” en afsluiter “Big State Motel”, een moody blik achter de schermen van het toevluchtsoord van de King of Nothin’ en zo menig een lower companion.

Voor wie het ondertussen nog niet door moest hebben: “The Revealer” is een ronduit geweldige schijf! Eén van dé toppers van 2016 eigenlijk.

Jesse Dayton

 

HICKORY SIGNALS “Noise Of The Waters” (Hickory Signals)

(4****)

“Noise Of The Waters” is na hun titelloze debuutplaat van twee jaar geleden al de tweede EP van het jonge Britse folkduo Laura Ward en Adam Ronchetti oftewel Hickory Signals. Zes nummers staan er ditmaal op. Drie eigen dingen, drie vreemde eenden.

Tot de eerste categorie behoren de lentefrisse spring-in-‘t-veld “Here I Am”, het moody “Bows And Arrows” en het verhalende “Take The Window”. Eén ding hebben die drie kleinoden alvast gemeen: het blijken zonder uitzondering perfecte vehikels voor de fraaie stem van Ward. De ongelooflijke zeggingskracht die daarvan uitgaat nodigt nu al uit tot boude voorspellingen voor de toekomst.

De overige drie liedjes ontleende het duo zoals hoger reeds gesteld aan het verleden. Het mysterieuze “Unquiet Grave” en afsluiter “Irish Ways” zijn adaptaties van traditionals, voor prijsnummer “Noise Of The Waters” baseerde men zich op het door de zee geïnspireerde gedicht van James Joyce met dezelfde titel. Een ronduit heerlijk staaltje van atmosferische folk, dat laatste liedje.

Wat ons betreft duidelijk een folk act om in het oog te houden, deze Hickory Signals! Gaan we ongetwijfeld nog heel veel van horen!

Hickory Signals

 

LITTLE STEVE & THE BIG BEAT “Another Man” (CRS)

(4****)

Eén van dé albums van het moment vind ik persoonlijk “Another Man”, het ongemeen knappe albumdebuut van het jonge Nederlandse rootsvijfmanschap Little Steve & The Big Beat, je misschien al wel bekend van Blues Peer of van hun tour doorheen de Benelux samen met Mike Morgan zo’n jaar of wat geleden.

Steven “Little Steve” van der Nat (zang en gitaar), Martijn “Tinez” van Toor (tenorsax), Evert Hoedt (baritonsax), Bird Stevens (basgitaar en tamboerijn) en Jody van Ooijen (drums en percussie) grossieren op hun eerste volwaardige langspeler een dik half uur lang in wat wij zouden willen noemen rete-aanstekelijke soulvolle R&B. Echt ongelooflijk goed allemaal!

Openingsnummer “Just Fooling Around” gaat meteen los in de winkelhaak. Dat hortend en stotend om je aandacht bedelende gitaartje! Die bezwerende saxen! Die bloedgeile zang! Wat wil een mens in godsnaam nog meer? Het antwoord op die vraag duurt nog zo’n tien nummers lang. Van het soulvolle, noem het gerust Stax-rijpe “Teasin’ Without Pleasin’” tot het sensueel met de heupen wiegende “Dangerous Kind” met z’n lekker swingende pianobijdrage van Bas Janssen, van het sympathiek een aardig eindje weghonkende “Things” over de heerlijke soul ballad “Another Man” tot de wervelende, ondertussen volkomen terecht zijn weg richting Radio 1 gevonden hebbende single “Brand New Man”, van het al even catchy rockertje “Change My Ways” of de swingende R&B van “Just One More Time” tot het afsluitende “Live & Learn”, dit is spek naar de bek van elke liefhebber van het materiaal van acts als Nick Waterhouse, James Hunter, JD McPherson, St. Paul & The Broken Bones, Nathaniel Rateliff& The Night Sweats, Sharon Jones & The Dap-Kings, Leon Bridges en bij uitbreiding natuurlijk ook platenlabels als Daptone Records, Stax, Atlantic, Chess en andere.

Eén enkele keer beluisteren en je bent geheid verkocht! Vooral doen!

Little Steve & The Big Beat, CRS

 

JACK TEMPCHIN “One More Song” (Blue Elan Records)

(3,5****)

Als de Amerikaanse songsmid Jack Tempchin hier te lande al enige naambekendheid geniet, dan heeft hij die vooral te danken aan zijn samenwerkingen met de Eagles. Met als absoluut moment de gloire uiteraard hun vertolking van zijn “Peaceful Easy Feeling”. Al zal Tempchin zelf allicht ook lezingen van zijn materiaal door ander schoon volk als een Emmylou Harris, een George Jones, een Glen Campbell, een Patty Loveless, een Trisha Yearwood en vele, vele anderen als belangrijke wapenfeiten op zijn palmares aanhalen. En dat mag hij natuurlijk ook.

Zelf ging hij zich de voorbije jaren ook steeds nadrukkelijker als artiest presenteren. Onder meer met het album “Learning To Dance” en de EP “Room To Run” probeerde hij de nodige zieltjes te winnen. En dat doet hij nu met de twaalf songeenheden tellende collectie “One More Song” nog eens dunnetjes over. In een productie van Joel Piper doet hij daarop enkele keren zijn eigen songcatalogus van weleer aan, maar het gros van de liedjes erop blijkt toch nieuw.

Openingsnummer “Slow Dancing” is meteen al een eerste terugblik. Dat ooit nog door Johnny Rivers ingeblikte nummer krijgt hier een hele fraaie intimistische soloversie mee. Wat ons betreft gelijk hét hoogtepunt van “One More Song”. Verder zijn er ook nieuwe versies van het speelse, door Tempchin in een ver verleden al eens met de Funky Kings gebrachte “Singing In The Street”, van het breekbare, door Hoyt Axton ooit nog regelmatig live opgevoerde “Circle Ties That Bind” en van “One More Song”, een fraaie ballad die u zich misschien nog wel herinnert in de uitvoering van wijlen Kate Wolf op haar album “An Evening In Austin”.

Andere mooie momenten: het majestueuze, samen met Bobby Whitlock kort na diens huwelijk geschreven “Old River”, het voorzichtig jazzy aandoende “Around Midnight” en het op de keper beschouwd best wel een weinig Dylanesk aandoende “So Long My Friend”. Bij het horen van dat soort van liedjes begrijp je ogenblikkelijk waarom Tempchin het zelf in verband met “One More Song” heeft over het eren van zijn coffeehouse roots. Alles draait daarin daadwerkelijk weer even gewoon om de zanger en zijn liedje. En om het op die manier connecteren met z’n publiek natuurlijk.

Jack Tempchin

 

ANDREA TERRANO “Innamorata” (Atlantic Jaxx Recordings)

(3,5****)

Not your typical Ctrl. Alt. Country stuff, dit, maar wel a real treat en daarom hebben we het er hier toch maar even over. “Innamorata” is de nieuwe plaat van de Italiaanse gitaarvirtuoos Andrea Terrano. En wat die daarop brengt is van een werkelijk zinnenstrelende schoonheid. Begeleid door collega-gitarist Rafa Marchante, zijn vader en een stel bevriende muzikanten op onder meer strijkers, percussie en fluit en in een productie van Felix Buxton (Basement Jaxx) waadt Terrano op “Innamorata” zomers elegant doorheen elf nieuwe eigen composities.

Het resultaat is het soort van plaat waarbij je als luisteraar in no time aan het wegdromen gaat, het rusteloze dagdagelijkse bestaan ver achter je latend en je ergens op een parelwit, nog volslagen maagdelijk strand wanend. Invloeden uit zowel Latin, folk, klassieke Italiaanse soundtracks als wereldmuziek laten zich daarbij duidelijk aanwijzen. En precies dat gegeven draagt bij tot de ongelooflijke muzikale rijkdom van het nagenoeg volledig instrumentale “Innamorata”. Het ene moment is wat Terrano daarop doet eerder romantisch van aard, het andere nodigt het uit tot een dansje. Evocatief, sensueel en gloedvol allemaal, maar vooral ook ontzettend mooi. En om die reden dat plaatsje hier dus…

Atlantic Jaxx Recordings

 

BAND OF FRIENDS “Repeat After Me” (Band Of Friends / Bertus)

(3,5****)

“Repeat After Me” is bij nader inzicht de eerste volwaardige langspeler van het uit de je allicht nog van hun werk voor wijlen Rory Gallagher bekende tweetal Gerry McAvoy en Ted McKenna en de Nederlandse zanger-gitarist Marcel Scherpenzeel bestaande trio Band Of Friends. Hun zowat een jaar of twee geleden verschenen debuut “Too Much Is Not Enough” bevatte immers maar zeven nummers. Op de nieuwe worp van de drie prijkt een heus songelftal.

En met uitzondering van het nog door Frankie Miller gepende “A Sense Of Freedom” gaat het daarbij uitsluitend om eigen originals. Blues rock van het al bij al eerder kloeke soort. Opgenomen in onvervalste old school style. Alle liedjes ontstonden immers gewoon in de studio. “We both rehearsed and wrote the songs at the same time,” aldus daarover Gerry McAvoy.

De mooiste van het lot vonden wij het melodieuze slow-rockertje “Repeat After Me”, de al genoemde Frankie Miller cover, de lekkere trage “Homeland” en het sympathiek rondstuiterende “Soul To Soul”.

Band Of Friends

 

DOUGLAS GREER “Baja Louisiana” (Zilker Park Records)

(4,5*****)

Ergens diep in de zomer van 2006 was het, dat we ons hier op een onbewaakt moment over “Just A Man” bogen, de toen net verschenen eersteling van de vanuit muziekstad par excellence Austin, TX debuterende Douglas Greer. Als “een schoolvoorbeeld van hoe Americana volgens ons hoort te klinken” omschreven we dat geheel in een vlaag van enthousiasme en we hadden er ook prompt vier sterren voor over. Aanraden deden we de plaat aan allen die onder anderen Ryan Adams, Steve Earle, James McMurtry, Joe Ely en Robert Earl Keen een warm hart toedroegen.

Ruim tien jaar later zijn we ondertussen. Zo lang heeft hij ons na dat razend knappe debuut inderdaad op onze honger laten zitten, de bebrilde songsmid uit Texas. Tot daar het slechte nieuws. Het goede is, dat zo ongeveer elke letter die we hier zowat een decennium geleden aan papier toevertrouwden nog steeds van toepassing blijkt. Ruim elf nummers lang bewijst Greer ook op “Baja Louisiana” immers weer uit het allerbeste singer-songwriter-hout gesneden te zijn. In een productie van de je onder meer van zijn werk met Eliza Gilkyson bekende Mark Hallman en met studiobijstand van diezelfde Hallman, David Grissom, Bradley Kopp en Michael Ramos trakteert hij op net iets meer dan veertig minuten Lone Star State Americana van de werkelijk bovenste plank.

Luister bijvoorbeeld maar eens naar de vlijmscherpe, een teloorgegane liefde definitief bezegelende outlaw style country rocker “Take My Name Off Your Facebook Page”, naar het voor een vriendinnetje voor één nacht gepende “Miss Right Now” of de werkelijk bloedmooie, je als luisteraar gelijk vanaf de eerste beluistering al bij de keel grijpende ballad “Christmas In The Travis County Jail” en je zal het allicht direct met ons eens zijn, dat dit een plaat is die niet één rechtgeaarde liefhebber van Americana zich zou moeten laten ontgaan. Eén van de allerbeste van 2016 eigenlijk. Doe er dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen.

(O, en by the way: ook “Just A Man” blijft na al die jaren nog steeds een heus aanradertje!)

Douglas Greer

 

M. LOCKWOOD PORTER “How To Dream Again” (Hidden Trail Records)

(4****)

Na zijn vorige, het ondertussen goed en wel twee jaar geleden verschenen “27” ging het plots allemaal heel snel voor de vanuit Berkeley, California actieve songsmid M. Lockwood Porter. Met die plaat oogstte hij ineens zoveel lof, dat velen hem prompt als één van dé Amerikaanse talenten voor de nabije toekomst gingen zien. En zulks brengt natuurlijk zekere verplichtingen met zich mee. Noblesse oblige, weet u wel. Zijn nieuwe zou zeer goed moeten zijn. Iets waarvan ook onze man zelf zich maar al te bewust was, zo blijkt nu. Die verse van ‘m, het zopas verschenen “How To Dream Again” is immers opnieuw “een plaatje van een plaat” geworden.

De songs erop zijn echt zonder uitzondering weer ware beauties. Openingsnummer “American Dreams Denied” lijkt zo verdorie wel Springsteen met in z’n rug voor de gelegenheid die van Sugar of de Replacements. De meteen daarop aansluitende ballads “Burn Away” en “Bright Star” gaan thematisch gezien in op de onzekerheid eigen aan elke liefde, net als de bedaarde, enigszins Dylanesk aandoende rootsrocker “Strong Enough” in het zog daarvan ook. En in “Joe Hill’s Dream” borrelt Lockwood Porters interesse in sociale rechtvaardigheid zowaar even op. Een buitengewoon straf openingssalvo, als u het ons vraagt.

En ook wat volgt is even briljant. Van de opnieuw volop aan Springsteen in z’n hoogdagen herinnerende trage “Reach The Top” over de zelfs alleen al titelgewijs aan duidelijkheid niets te wensen overlatende rocker “The Future Ain’t What It Used To Be” tot het afsluitende “Dream Again” en alles daartussenin, hoegenaamd niets dan zuivere songhoogstandjes hier. Met teksten die alleen nog maar dieper lijken te willen gaan dan die op de beide voorgangers van “How To Dream Again”. Zelfs je relatief goed in je vel voelen resulteert bij iemand als Lockwood Porter immers in nieuwe vragen, nieuwe dromen. En die blijken bij momenten het louter persoonlijke een aardig eindje te durven overstijgen.

Bijzonder knappe rootsplaat zonder meer! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

M. Lockwood Porter

 

JEREMY & THE HARLEQUINS “Into The Night” (Yep Roc / V2)

(3,5****)

Met de release van hun tweede album “Into The Night” lijken jonge New Yorkers Jeremy Fury en z’n Harlequins nu echt wel helemaal klaar voor een bestorming van de hitlijsten in hun vaderland. Met hun eigenzinnige vertaling van met name rock & roll en rockabilly naar het hier en nu doen ze wat ons betreft alvast volkomen terecht van zich spreken. Dat was al zo naar aanleiding van hun vorig jaar verschenen debuut “American Dreamer” en geloof ons vrij, dat zal ook nu weer niet anders gaan zijn. Onder meer Bruce Springsteens rechterhand Steve “Little Steven” Van Zandt outte zich recentelijk ook reeds nadrukkelijk als fan.

Tien tracks en zo’n tweeëndertig minuten lang nemen Fury en de zijnen ons op hun tweede mee op een leerzame trip richting achtereenvolgens het verleden en de toekomst van hun favoriete muziek. Aanvankelijk nog redelijk poppy ingesteld met het al wel lekker knallende, maar tegelijk ook heel erg radiovriendelijk geconcipieerde titelnummer. Vanaf track twee gaan de remmen echter helemaal los. “No One Cares” teert zo bijvoorbeeld volop op een soort van gemuteerde Diddley beat, “Rhythm Don’t Lie” lanceert Gene Vincent aanstekelijk swingend in een raket vers l’avenir, voor het aangenaam klaaglijke “For Angels” lijkt men inspiratie te hebben gevonden bij de vele rockende girl bands die de sixties ooit rijk waren en “Let Her Run”, een klassiek opgevatte Amerikaanse road song for the modern age, jengelt er enkele minuten lang heerlijk op los.

“Big Beat” is vervolgens opnieuw een streepje rete-aanstekelijke rock & roll-nostalgie geschoeid op Amerikaanse leest, “Drinkin’ By Myself” blijkt zenuwachtige nachtwinkelbilly anno nu, “Critical Condition” deed ons heel even denken aan Mink DeVille, “There’s A Girl” op zijn beurt aan de wat romantischere momenten van de Everlys en ook afsluiter “Oh Yeah (I Did It Again)” klonk ons op de één of andere manier meteen heel vertrouwd in de oren, al konden we er niet direct de vinger op leggen van wie of van waar.

Op basis van dit ongemeen sterke songtiental durven we hier nu al te stellen, dat Jeremy en z’n Harlequins bij een volgende doortocht allicht niet meer al te veel introductie zullen behoeven. Real cool stuff!

Jeremy & The Harlequins

 

JD FOX & THE VELVET STREET BAND “My Friend: A Tribute To Donnie Fritts” (Beehive Records)

(4****)

Ik zou het hier naar aanleiding van het verschijnen van “My Friend” opnieuw kunnen gaan hebben over het behoorlijk rijk gevulde muzikale verleden van Jan De Vos, maar dat doe ik ditmaal gemakshalve niet. Alleen een verwijzing naar het eind 2011 door de beste man uitgebrachte “The Roadmaster” kan er nog net van af. En dat uiteindelijk ook enkel maar omdat het effectief de voorloper is van De Vos’ nieuwe worp.

Tackelde hij indertijd bij wijze van eerbetoon nog het materiaal van toetsenist-componist Spooner Oldham dan is het op “My Friend” nu de beurt aan dat van een andere legende uit Alabama. Met name dat van Donnie Fritts. Kent u ongetwijfeld ook wel van dingen als het hier te lande door die van UB40 en Pretenders-frontvrouwe Chrissie Hynde de hitlijsten in gekweelde “Breakfast In Bed” en “Choo Choo Train” van The Box Tops, om er maar enkele te noemen.

Van hem brengt Jan “JD Fox” De Vos hier naast dat tweetal verder ook bekende en minder bekende dingen als “Memphis Women And Chicken”, “If You Say So”, “Take Time To Love”, “Zero Willpower”, “Rainbow Road”, “Why Is My Day So Long” en andere. Met als opvallende bonus track het samen met onder meer tributee Fritts zelf in Muscle Shoals ingeblikte titelnummer.

Voor de productie van het bijzonder sfeervolle “My Friend” tekende de zich alsmaar beter in zijn rol van Vlaamse soul man inlevende De Vos zelf samen met Jan Chartrain. Voor het inspelen ervan deed hij verder onder meer ook nog een beroep op toetsenman Wim Verbeke, gitarist Piet Decalf, bassiste Leen Van Reyn, drummer Tony Gyselinck, percussionist Firmin De Maître en pianiste Lies Demeyer. Gezongen en gesproken bijdragen leveren verder ook nog Gunther De Grom en Bonnie Fuqua.

Net als voorganger “The Roadmaster” een echte aanrader van formaat, deze plaat! Je zou bijna gaan hopen, dat De Vos daar in de buurt van Alabama nog veel idolen heeft rondlopen…

(Een fysiek exemplaartje van “My Friend: A Tribute To Donnie Fritts” kan besteld worden via contact@jdfox.be. Voorts kan u het album ook downloaden via iTunes of gewoon beluisteren via Spotify.)

JD Fox

 

ANY VEGETABLE “Veg Out!” (CRS)

(3,5****)                

De hier te lande lichtjes legendarische Felice Damiano sloot indertijd zijn gesmaakte kookprogramma met tv-kok Herwig Van Hove steevast af met de gevleugelde woorden “Maak er een lekker potje van!”. En da’s nu precies wat die van het debuterende Nederlandse Any Vegetable doen. Ze maken er op hun eersteling een alleraardigst potje van. Tien nummers lang zetten ze je als luisteraar bijna voortdurend op het verkeerde been. Telkens als je denkt uiteindelijk toch een gepast label voor hun muzikale gumbo beet te hebben gooien ze het plots toch weer over een andere boeg. Muzikaal eclecticisme heet zoiets. Productioneel maar net in goede banen geleid door Okieson Sebastiaan van Bijlevelt.

Blues, rock, pop, funk, Americana,… You name it, they play it! Nadrukkelijk iets voor muzikale omnivoren dus. Voor mensen die niet vies zijn van een verrassende move op z’n tijd. Voor wie een gemuteerde funkopstoot à la “Sweet Magnolia White” gerust naast poppy Americana genre “The Greatest Lie Ever Told”, ouderwetse, ons mede door de zang wat aan Herman Brood zaliger herinnerende rock als “Don’t Really Think So” of een hoogst bizarre, wat onderkoeld gebrachte cover van de ABBA-klapper “The Name Of The Game” mag.

Fresh music indeed, om het met wat aan het bandlogo ontleende woorden te zeggen. Maar overtuig u daarvan via onderstaande link vooral zelf!

Any Vegetable

 

PARSONSFIELD “Blooming Through The Black” (Signature Sounds / V2)

(3,5****)      

Het vanuit Northampton, MA flink aan de weg timmerende vijftal van Parsonsfield behoort tot het almaar minder select wordende groepje van nieuwkomers dat zich geroepen voelt om door de jaren heen vrijwel steevast met rootsmuziek geassocieerde instrumenten als de banjo en de mandoline in een rockgeluid binnen te smokkelen. Wat Chris Freeman (zang en banjo), Antonio Alcorn (mandoline), Max Shakun (zang, traporgel en gitaar), Harrison Goodale (bas) en Erik Hischmann (drums) samen brengen dienen we volgens hun broodheren te catalogeren onder de hoofding alt.-folk. Met folk en bluegrass weliswaar nog nadrukkelijk als voornaamste invloeden, maar overduidelijk verrijkt met een aan jaren blootstelling aan rock & roll refererende spirit.

Dat zulks bij momenten best wel spannende muziekjes oplevert, zal allicht ook u wel niet verbazen. En al zeker niet meer als we er u ook nog eens bij vertellen, dat voor de productie van “Blooming Through The Black” opnieuw de in het verleden onder meer al om zijn knappe werk met Josh Ritter geprezen Sam Kassirer werd aangetrokken. Opnieuw, want de beste man tekende inderdaad ook al present voor de drie jaar geleden verschenen debuutplaat van de vijf. Een plaat die ze indertijd nog uitbrachten onder hun in juli 2014 afgezworen vorige groepsnaam Poor Old Shine.

Enkele onverbintelijke luistertips willen we u alvast niet onthouden. Om te beginnen bijvoorbeeld al het catchy “Ties That Bind Us” waarmee het hier in volle herfst voorwaar eensklaps weer een beetje lente werd. En verder zeker ook nog het radiovriendelijke, op de keper beschouwd maar heel erg langzaam al z’n geheimen prijsgevende “Stronger”, het ook al supersympathiek voorbij gestompt komende titelnummer of het volop van een zalige feel good groove profiterende “Across Your Mind”.

Fans van acts als Mumford & Sons en aanverwanten zouden daarmee zo ongeveer genoeg moeten weten.

Parsonsfield

 

IMPERIAL CROWNS “The Calling” (DixieFrog / Borderline Blues / Bertus)

(4****)

Helemaal terug van een poosje weggeweest en daar zijn we hier verdomd blij om ook: The Imperial Crowns, ladies and gentlemen. Eén van de allerbeste blues & roots acts ever, period! Groothandelaars in wat ze zelf ooit omschreven als “ferocious blues, psyche-delta soul & pumpin’ funk”. Rete-aanstekelijk rootsvertier, goed voor zo ongeveer hetzelfde effect op een mens als een nietsvermoedende straal urine op prikkeldraad onder stroom. Wie albumvoorgangers “Imperial Crowns”, “Hymn Book”, “Preachin’ The Blues Live!” of “Star Of The West” in huis heeft, weet waarover we spreken. Al is die voorkennis zeker niet nodig om ten volle te kunnen genieten van de nieuwe van de charismatische Jimmie Wood en de zijnen.

Gelijk van bij het wervelende openingsnummer, het heerlijk greasy uit de speakers knallende credo “I Gotta Right (To Wear These Rock & Roll Shoes)” is het immers weer prijs. Zit daar maar eens bij stil! Als je dat kan, dan lijkt een doktersbezoek ons dringend geboden. Vervolgens gaat het via de broeierige swamp funk van het titelnummer, de magistrale soulvolle slow scorcher “Grace Under Pressure”, het op z’n Stones een eindje voor zich uit pompende “Wasn’t Love At First Sight”, het van een kingsize shot ingehouden boogie bediende “Love N’ The Devil”, het radiovriendelijke “Something Of Value” en nog een vijftal anderen aan een rotvaart richting een climax met het afsluitende “Question Mark”, opnieuw zo’n geweldige rootsrockopstoot waarbij je als luisteraar bijna ogenblikkelijk onwillekeurig aan de Stones en de Black Crowes in hun hoogdagen aan het denken gaat.

Blij ze terug te hebben!

Imperial Crowns

 

THISELL “II” (Rootsy / Sonic RendezVous)

(4****)

Heerlijke plaat alweer, deze tweede van de Zweedse troubadour Peter Thisell. Veel breekbaarder dan dit worden ze amper nog gemaakt. Dat is althans de indruk die je bij het gros van de songs op de opvolger van ’s mans ook al erg lovend onthaalde debuut hebt. Uiterst subtiele Americana- en folkminiatuurtjes zijn het, met een behoorlijk hoog melancho-gehalte. Fragiele herfstige beauties, waarin de klaaglijke stem van Thisell zelve bijna voortdurend met vaste hand regeert. Met zachte slierten piano-, viool- en accordeonnoten als haar voornaamste hofdienaren.

Referenties, vroeg u? Wel, daarvoor zouden we u moeten meetronen tot in de buurt van andere gepatenteerde treurwilgen als een Jason Molina, een Will Oldham of een Neil Young in zijn wat bedaardere momenten. Wie houdt van hun werk zal zich ook wel kunnen vinden in prachtige zwaarmoedige kleinoden als een “The Sun Sets In The Weeds”, “If I Sing My Song”, “The Worlds Last Cigarette” en andere.

Wat ons betreft een veritabel potje top-Scandicana, dit tien pareltjes tellende geheel.

Thisell                

 

AARON LEE TASJAN “Silver Tears” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

Dit is er eentje, waar men momenteel in rootskringen in de States maar niet over uitgesproken lijkt te kunnen raken. Een heel grote toekomst wordt ‘m toegedicht, deze Aaron Lee Tasjan. En da’s an sich eigenlijk best wel een beetje bizar. Met een verleden bij onder meer de New York Dolls, Semi Precious Weapons, Everest, Alberta Cross, Drivin’ N’ Cryin’ en Madison Square Gardeners kan je Tasjan immers allesbehalve een nog onbeschreven blad noemen. Al verdiende hij in het gros van die bands dan ook vooral zijn sporen als gitarist. Zijn debuut als songwriter maakte hij pas in 2014 met de EP “Crooked River Burning”, vorig jaar gevolgd door een eerste volwaardige worp luisterend naar de titel “In The Blazes”. En met name met die laatste ging de bal flink aan het rollen. Onder meer het vermaarde Rolling Stone, NPR en American Songwriter spaarden de lof voor Tasjan bepaald niet.

Benieuwd, hoe die publicaties zullen gaan reageren op ’s mans nieuwe album. Met de twaalf songs daarop maakt hij wat ons betreft immers nog pakken meer indruk dan met deze op “In The Blazes”. Een grandioze opstoot van creativiteit is het. Heerlijk gevarieerd vooral ook. En beïnvloed door nogal wat schoon volk, zo blijkt. Het plezant grillige openingsnummer “Hard Life” zou zo bijvoorbeeld best van de hand van Harry Nilsson geweest kunnen zijn, het meteen daaropvolgende “Little Movies” strandt in al zijn muzikale grandeur ergens heel dicht in het zog van Jeff Lynne en diens ELO, de romantische countryrocker “Memphis Rain” plaatst Tasjan dan weer eerder ergens in de buurt van Michael Fracasso, “Dime” toont hem in onvervalste Traveling Wilburys-modus, “Refugee Blues” heeft wel wat met Neil Young en Crazy Horse en “Till The Town Goes Dark” toont onze man als een devote bewonderaar van Tom Petty. Samen met Elliott Smith misschien wel Tasjans voornaamste inspiratiebron, die laatste. Dat hoor je bijvoorbeeld ook nog terug in het klaaglijke “On Your Side”.

Voor de productie van dit ronduit geweldige album tekende Father John Misty-bassist Eli Thomson.

Aaron Lee Tasjan

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home