ARCHIEF CD-RECENSIES OKTOBER 2003

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Fletcher Harrington “The Ghost In The Choir”Various Artists “Original Blues”, “Broken Hearted Blues” en “Blues Had A Baby And Its Name Was Rock N Roll!” - Patricia Vonne “Patricia Vonne” - Houston Marchman & The Contraband “Desperate Man”Damn Lovelys “Trouble Creek”Various Artists “Live At The W.C. Handy Blues Awards Vol. 1” - Janet Bean & The Concertina Wire “Dragging Wonder Lake”Tennessee Boltsmokers “Songs From The Floor” - Evangeline “Big Choice”Transmissionary Six “Spooked”Elizabeth McQueen And The Firebrands “The Fresh Up Club”Heybale! “ContinentaLive”Leona Williams “Honorary Texan”Various Artists “Songs Of Janis Joplin – All Blues’d Up!” - The Delafields “The Delafields” - The Decoys “Shot From The Saddle” - Sodastream “A Minor Revival” - Ron Sexsmith “Rarities” - Marshmallow “Marshmallow”Dan Zanes & Festival Five Folk “Sea Music” - McKay Brothers “McKay Brothers” - John Carter Cash “Bitter Harvest” - Warren Zanes “Memory Girls” - Jim Lauderdale With Donna The Buffalo “Wait ‘Til Spring” - Danny Santos “Headaches & Heartaches” - The Fire Theft “The Fire Theft”Albert Lee “Heartbreak Hill”The Waifs “Up All Night”Michelle Shocked “Short Sharp Shocked (2CD re-issue)” - Gé Reinders “Vlege”Various Artists “Dressed In Black – A Tribute To Johnny Cash” - Joe Fournier “Whiskey Stars” - Edie Carey “When I Was Made” - Rodney Hayden “Living The Good Life”Thom Shepherd “Country Squire” - Chip Taylor & Carrie Rodriguez “The Trouble With Humans”Trailer Bride “Hope Is A Thing With Feathers”Tony Furtado “Live Gypsy” - Greg Brown “If I Had Known”Martin Simpson “Righteousness & Humidity” - Mark McKay “Live From The Memory Hotel” - Willy Willy & The Voodooband “Willy Willy & The Voodooband” - Sue Foley “Where The Action Is” - Eric Westbury “Burnt Tongues & Blue Truths”Elliott Murphy “Strings Of The Storm”Cave Catt Sammy “Whiskey And The Devil” - Steve Earle “Just An American Boy”Mike Metz Band “El Dorado” - Drive-By Truckers “Decoration Day” Fink “Haiku Ambulanz”Various Artists “Songs Of Bob Dylan – All Blues’d Up!” - Dwight Yoakam “In Others’ Words”Thad Cockrell “Warmth & Beauty”Sara Cox “Arrive”

 

FLETCHER HARRINGTON

“The Ghost In The Choir”

(Lopie Records)

(3) J J J

 

Soms wordt het je als recensent wel erg gemakkelijk gemaakt. “File under: Americana, AAA, Pop-Rock,” vermeldt de presskit bij “The Ghost In The Choir” van Fletcher Harrington (Cowboy Buddha) en daarnaast ook nog dat de man het best te vergelijken valt met Wilco, Whiskeytown en Neil Young. Valt daar nog veel aan toe te voegen? Eigenlijk niet. Al is het natuurlijk wel zo, dat de gemaakte vergelijkingen zich bijna als vanzelfsprekend een beetje tegen Harrington keren. Het zijn immers niet de minste namen die daar worden opgesomd! Je kan de man eigenlijk best gewoon nemen voor wat hij is. Fletcher Harrington pent best wel aardige alt. country-liedjes die hij vervolgens ook zelf op een weinig spectaculaire manier vertolkt. Gewoon degelijk. Niks meer, maar ook niks minder… Met als gevolg dat “The Ghost In The Choir” het soort cd wordt, dat wel eens onopgemerkt tussen de plooien van het alt. country-genre zou kunnen verdwijnen. En dat zou dan wel weer jammer zijn, want daarvoor bevat het album toch teveel goede momenten. We denken bijvoorbeeld aan knappe songs als “And It Strikes Me Like”, “Jennie” of het ingetogen titelnummer. Misschien kan je dus toch maar best gewoon zelf eens gaan luisteren naar “The Ghost In The Choir”…

www.lopie.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Original Blues”

“Broken Hearted Blues”

“Blues Had A Baby & Its Name Was Rock N Roll!”

(Tradition / Rykodisc / Zomba)

(-) Geen quotering!

 

Met “Original Blues”, “Broken Hearted Blues” en “Blues Had A Baby & Its Name Was Rock N Roll” presenteert Rykodisc onder de noemer Tradition een stel vriendelijk geprijsde thematische bluesverzamelaars, waarop er voor iedereen wel iets te vinden is.

De eerste van de reeks, “Original Blues”, balt een stel essentiële rurale Amerikaanse bluesdeunen van Big Joe Williams (“Blues For Gamblers” en “Razor Sharp Blues”), Leadbelly (“Big Fat Woman”, “De Blues” en “Borrow Love & Go”), Sonny Terry (“Rock Me Mama”), Big Bill Broonzy (“Baby Please Don’t Go” en “Ridin’ On Down”), Lightnin’ Hopkins (“Backwater Blues”) en Blind Lemon Jefferson (“Black Snake Moan”) samen tot een aangenaam wegluisterend, zij het wat kort uitvallend geheel.

Nummer twee, “Broken Hearted Blues”, maakt zijn titel helemaal waar, met ook ditmaal (slechts) tien klassieke bluesdeunen over het hebben van… de blues natuurlijk! Lightnin’ Hopkins (“Trouble In Mind”), Barbara Dune (“Girl Of Constant Sorry”), Leadbelly (“Where Did You Sleep Last Night” en “Borrow Love & Go”), Mississippi Fred McDowell (“You Ain’t Gonna Worry My Life No More”), Odetta (“Another Man Done Gone”), Big Bill Broonzy (“Baby Please Don’t Go”), Blind Lemon Jefferson (“Deceitful Brownskin Blues” en “Black Snake Moan”) en Big Joe Williams (“Blues For Gamblers”) zijn ditmaal de legendes van dienst.

En dan is er nog het derde en wat ons betreft meteen ook interessantste deeltje van de drie, “Blues Had A Baby And Its Name Was Rock N Roll!” Het gaat hier om een collectie Amerikaanse blues classics die door rock & roll-artiesten de bekendheid werden ingezongen. Big Bill Broonzy (met alweer “Baby Please Don’t Go” en het onsterfelijke “See See Rider”), Leadbelly (met opnieuw “Where Did You Sleep Last Night”, “New Orleans (The Rising Sun Blues)” en “John Hardy”), Lightnin’ Hopkins (ook al met “See See Rider”), Mississippi Fred McDowell (met het heerlijke “Good Morning Little Schoolgirl”, “You Got To Move” en “Keep Your Lamps Trimmed & Burning”), Odetta (met “Gallows Pole” en “Midnight Special”), Sonny Terry & Brownie McGhee (met “Trouble In Mind”) en good old Woody Guthrie (met “Going Down The Road Feeling Bad”) zijn het die ons ditmaal waar voor ons geld proberen te bezorgen.

Al bij al drie best wel leuke, zij het wat kort uitgevallen compilaties. Wat dat laatste betreft had hier duidelijk meer ingezeten. Ergerlijk is voor verzamelaars bovendien dat de verschillende deeltjes elkaar meer dan eens overlappen. Daar staat dan weer wel tegenover, dat je je deze collecties voor een prikje kan aanschaffen.

www.rykodisc.com

 

 

PATRICIA VONNE

“Patricia Vonne”

(Bandolera Records)

(3.5) J J J J

 

Patricia Vonne is een pittige tante, dat zie je zo! Verleidelijk kijkt deze in San Antonio geboren Chicana je vanop het hoesje van haar debuut-cd aan. Felgroene ogen, kersenrood pruilmondje, je zou voor minder bezwijken… Maarrrrr! Terug naar de orde van de dag! De muziek, die zal het ‘m moeten gaan doen! En die mag er eigenlijk ook best wezen! Vonne keerde nog niet zo heel lang geleden naar haar thuishaven Texas (meer bepaald naar Austin) terug na een langdurig verblijf in New York City. En da’s een belangrijk gegeven, want het verklaart allicht de op het eerste gezicht niet zo voor de hand liggende combinatie van vrij commerciële (roots)rock en Tejano- en countrygeluiden.

Catchy rootsrockdeunen met duidelijke popaccenten als “Won’t Fade Away”, “Shine A Light On Me” en “Devotion” hebben echt alles om het zowel in Texas als in Nashville te maken. Met haar krachtige, maar tegelijk ook flexibele stem kleurt Vonne deze songs zonderling attractief in. O zo commercieel, maar op een vreemde manier toch ook voor alt. country-oren o zo attractief…

En wat te denken van haar Tejano-kant! Telkens ze een nummer in het Spaans aanheft, zijn wij bij voorbaat verloren. Er is de sfeervolle (rock)ballad “Soledad”, er is de Latino twang van “Bandolera” (een soort eerbetoon aan vrouwelijke bandieten) en er is het schitterende loflied voor haar grootmoeder “Severina”. Meer moet dat voor ons niet zijn… Hoewel, bij nader inzicht, een volledige Spaanstalige Vonne-plaat, dat zou pas iets zijn! Maar met dat soort van gedachten doen we dan weer een stel andere songs tekort. Het twangy “Morning After” bijvoorbeeld of de lekkere aan Tito Larriva (van Tito & Tarantula en The Cruzados) opgedragen countryrocker “El Cruzado”. Of “Mudpies And Gasoline”, aanstekelijke honky tonk rock en eigenlijk gewoon het beste nummer van de plaat. Samen met de gedreven afsluiter “Dead Eyes Shine” dan, waaraan Jon Dee Graham (steel) zijn medewerking verleende.

Tot slot nog vlug even dit: onder het motto “het oog wil ook wat” werd er voor de snoepers onder jullie nog een extra snoepje aan het geheel toegevoegd in de vorm van een bonus track. Het betreft een video-uitvoering van “Won’t Fade Away”.

www.patriciavonne.com

http://cdbaby.com/cd/pvonne

 

 

HOUSTON MARCHMAN & THE CONTRABAND

“Desperate Man”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4.5) J J J J J

 

Houston Marchman is een hier onbegrijpelijkerwijze nog relatief onbekende singer-songwriter die zich het best laat karakteriseren door gewoon enkele namen te laten vallen. We denken dan bijvoorbeeld aan knapen als een Robert Earl Keen, een Ray Wylie Hubbard of een Guy Clark. Met dat fraaie stel deelt Marchman de eigenschap een buitengewoon begenadigde storyteller te zijn. Net zoals zijn grote voorbeeld Keen (aan wie hij dit album opdroeg trouwens) put Marchman de inspiratie voor zijn songs uit het leven van alledag. Want doodgewone dingen leveren vaak de mooiste verhalen op, zo blijkt.

Opener “$2 Pistol” is zo bijvoorbeeld een knappe country story song over een bedrogen echtgenoot die het recht in eigen hand neemt. En in het hartverwarmend mooie “Midnight” staan een leven on the road en alle mogelijke consequenties daarvan centraal. Terwijl in het aansluitende “Suzanne” de verteller juist op het punt staat om een streep te trekken onder zo’n gypsy-bestaan. Ten prooi gevallen aan de onweerstaanbare lokroep van de liefde, zeg maar… Titelnummer “Desperate Man” is een robuust countryrockertje met lekker slidegitaarwerk van Jeff Plankenhorst, dat de wanhopige zoektocht naar de ware als uitgangspunt heeft. En het rustig voortkabbelende “Sweet Love” is gewoon een heel fraai love gone wrong verhaal, opgehangen aan het mooie beeld “The sweet old lonesome dove still flies for love.”

Verdere hoogtepunten zijn “Broken Glass” (over een aan lager wal geraakt meisje), het bluesy countryrockertje “Cosmolene”, het Tejano-tweetal “Hey Senorita” (over een vluchtige romance in Taos, New Mexico) en “San Miguel” (een beauty van een border song en wellicht het mooiste nummer van de plaat) en slotnummer “Hold Fast”. Als je in dat laatste nummer een gelovige moeder afscheid hoort nemen van haar zoon die op het punt staat de wijde wereld in te trekken, dan weet je dat Marchman uit het goede hout is gesneden. Je voelt je zelfs een beetje een voyeur als je er getuige van bent hoe ze haar jongen een laatste keer bij zich roept en hem bezweert een rechtschapen leven te leiden. Een gevoel dat als je ’t ons vraagt enkel de allergrootsten op te wekken vermogen.

Het recente succes van Ben Atkins, Chris Knight en Steve Earle in de Lage Landen in acht genomen verdient ook deze Houston Marchman hier dringend een kans. De fans van het genoemde drietal zouden er in elk geval een nieuw idool aan overhouden!

www.houstonmarchman.com

 

 

DAMN LOVELYS

“Trouble Creek”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

De Damn Lovelys zijn een viertal afkomstig uit Hoboken, NJ geschaard rond zangeres-liedjesschrijfster Meredith Ochs. Een naam die bij sommigen allicht een belletje zal doen rinkelen, want naast muzikante is die Ochs zelf ook deeltijds rockcritica en dj. Wij maakten een tijdje geleden voor het eerst kennis met dit manusje-van-alles en haar kompanen op “Chooglin’: A Tribute To The Songs Of John Fogerty” waarvoor ze met “Hey Tonight” één van de beste bijdragen afleverden.

En nu is er dus hun in eigen beheer uitgebracht debuut “Trouble Creek”. Daarop tekenen de vier voor tien knappe twang-pop songs. Noem het maar met een countrysausje overgoten pop of rock. Of probeer je Wilco voor te stellen met aan het roer een vrouw als pakweg Natalie Merchant, dat komt in de buurt. Een ander bruikbaar aanknopingspunt zijn onze Chitlin Fooks. Muzikaal gezien vertonen die immers nogal wat raakpunten met deze Damn Lovelys.

Liefhebbers van deze laatste groep zullen wellicht net als ons heel veel plezier beleven aan knappe songs als het beheerst rockende tweetal “Full Whiskey Bottle” en “Sparks Fly”, het broeierige “Miss Misery” en het een weinig tegen bluegrass aanleunende “You’re Too Pretty”.

Het besluit? De groepsnaam vraagt er gewoon om… Damn lovely!

www.damnlovelys.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28049&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Live At The W.C. Handy Blues Awards Vol. 1”

(Tone-Cool / Artemis / Ryko / Zomba)

(3.5) J J J J

 

Elk jaar vindt in het befaamde Orpheum in Memphis, TN de uitreiking van de zogeheten W.C. Handy Blues Awards plaats. Je zou het de bluesuitvoering van de Grammy Awards kunnen noemen. Veel schoon bluesvolk telkens weer op een kluitje bijeen en daaruit resulteren bijna als vanzelfsprekend de nodige momenten die het verdienen om voor het nageslacht vereeuwigd te worden. En een aantal van deze once-in-a-lifetime performances vonden alvast hun weg naar de verzamelaar die het onderwerp van deze bespreking vormt.

Joe Louis Walker levert bij wijze van binnenkomer een beklijvende uitvoering van zijn eigen “Bluesifying” af. Vervolgens is het de beurt aan Luther Allison om in het gezelschap van de Memphis Horns een werkelijk van de soul druipende versie van “Cherry Red Wine” te vertolken. Meteen al één van onze persoonlijke favorieten op deze collectie. Qua intensiteit erg verwant aan het werk van wijlen Stevie Ray Vaughan. Voor de liefhebbers van een lekker potje harmonica geven Rod Piazza & The Mighty Flyers hem er dan flink van langs in “Low Down Dog”. En soul is dan weer het sleutelwoord als vervolgens Rufus Thomas en Bonnie Raitt samen aantreden voor een vertolking van het klassieke “Walking The Dog”. Via Deborah Coleman en Bernard Allison (De zoon van…) en een fraai “Bad Love” belanden we aansluitend bij het voor ons absolute hoogtepunt van dit album. En dat is het nummer “Michigan Water” van Paul Rishell en Annie Raines. Heel mooi om te horen hoe een akoestische gitaar en een mondharmonica best wel hun mannetje kunnen staan tussen al dat gitaargeweld. Verderop komen we ook nog Susan Tedeschi tegen met het soulvolle “Just Won’t Burn”, ouwe getrouwe Taj Mahal en de Phantom Blues Band met het speelse “Senor Blues”, Bobby Rush met zijn lekker geile “Hoochie Man” en de onvermijdelijke Bonnie Raitt met het van Don Covay geleende “Three Time Loser”.

Een collectie die ongetwijfeld haar weg zal vinden naar heel wat bluesgezinde kerstbomen dit jaar. En terecht ook, want dit is gewoon entertainment van de bovenste plank. Sterke songs, verrassende combinaties op het podium, gedreven uitvoeringen. Veel meer kan een mens zich eigenlijk niet wensen…

www.tonecool.com

 

 

JANET BEAN AND THE CONCERTINA WIRE

“Dragging Wonder Lake

(Thrill Jockey Records / Bang!)

(3) J J J

 

Janet Beveridge Bean staat ervoor bekend graag haar eigen muzikale universum in te kleuren. Wat dat betreft heeft ze dan ook al lang niets meer te bewijzen. Al jarenlang drumt en zingt ze bij Eleventh Dream Day. En daarnaast vormt ze samen met Catherine Irwin ook al zes cd’s lang de spil van de populaire alt. country-band Freakwater.

Haar nieuwe groep Concertina Wire bestaat uit een stel uitstekende muzikanten uit de omgeving van Chicago: Fred Lonberg-Holm (cello), Jim Baker (piano), John Abbey (bas), John Speigel (gitaar en steel) en Dan Leali (drums). En met dat gezelschap zoekt Bean op “Dragging Wonder Lake” haar muzikale grenzen weer een beetje te verleggen. Niet dat ze haar (alt.) country-afkomst daartoe meteen volledig verloochent, dat nu ook weer niet. Daarvoor is de steelgitaar hier nog wat teveel in gebruik. Wél is het zo, dat deze plaat veeleer raakvlakken vertoont met vroege jaren ’70 singer-songwriterplaten dan met alt. country. De sfeer eigen aan de creaties van pakweg een Joni Mitchell of een Neil Young in die dagen kenmerkt ook “Dragging Wonder Lake”. Niet geheel onverwacht komt hier dan ook een eigenzinnige (zeg maar jazzy) cover van Neil Youngs “Soldier” voorbij – naast het van Randy Newman geleende “The God Song (That’s Why I Love Mankind)” de enige niet-Bean-song op de plaat.

Al bij al is dit bepaald geen gemakkelijk album. Als je evenwel het nodige geduld ermee kan opbrengen, dan zal je daarvoor net als ons beloond worden met een stel fraaie songs met gegarandeerd lange houdbaarheid. We denken dan bijvoorbeeld aan het bevreemdende “One Shot” met z’n typische gypsy-feel en aan het een weinig aan de hier al eens eerder vernoemde Neil Young verwante “Paper Thin”.

http://thrilljockey.com/bandpage.html?artistnum=54&PopeIISess=2bf64abd829ba0538d27e3f6c303f845

http://www.freakwater.net/

 

 

TENNESSEE BOLTSMOKERS

“Songs From The Floor”

(Madjack Records)

(4) J J J J

 

 “Songs From The Floor” is het zondermeer indrukwekkende debuut van de Tennessee Boltsmokers, een nieuwe groep rond zanger-liedjesschrijver Mark McKinney van de Pawtuckets. Elk van de overige groepsleden kan dan ook net als McKinney zelf al een stevig muzikaal c.v. voorleggen. Eric Lewis (zang, gitaar, dobro, fiddle) verdiende zo zijn sporen al bij schoon volk als Cheri Knight, Robin & Linda Williams en Hank III. Terwijl Andy Ratliff (zang, mandoline, banjo) en Todd Cook (bas) zich al bewezen bij respectievelijk Claudia Russell en de Roland White Band.

Samen musiceren deze vier klasbakken op het kruispunt van stijlen als hedendaagse bluegrass, folk en Americana. We durven deze eersteling dan ook met een gerust gemoed spek naar de bek te noemen van eenieder die wel eens plaatje van artiesten als Alison Krauss, Nickel Creek of Slaid Cleaves oplegt. Grootste troeven van de Tennessee Boltsmokers zijn naast hun schitterende songs hun prachtige harmonieën en hun geraffineerd samenspel. Luister bij gelegenheid zelf bijvoorbeeld maar eens naar pareltjes als “Midtown”, “Never Be Mine” of “Heart Of Stone” en je zal ogenblikkelijk begrijpen wat we bedoelen… Dit is rootsmuziek met een héél groot hart!

www.tnboltsmokers.com

www.madjackrecords.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28477&variation=&aitem=2&mitem=8

 

 

EVANGELINE

“Big Choice”

(Squatch On The Rocks)

(4.5) J J J J J

 

 “Big Choice”, het tweede album van het uit Seattle afkomstige vijftal Evangeline, heeft echt alles wat je in onze ogen van een geslaagde alt. countryplaat mag verwachten. De groep geschaard rond zingende liedjesschrijver Chris Cline en energieke brulboei Jennifer Potter bewees met z’n debuut “Felt Like Home” al een serieuze aanwinst voor het genre te zijn. Maar met hun nieuwe worp lijkt de toekomst hen pas echt stralend tegemoet te lachen. Evangeline speelt rock met country-accenten of juist omgekeerd, dat mag je zelf uitmaken tijdens je eerste kennismaking met de cd. Namen als de Flying Burrito Brothers, Lone Justice (vooral dan vanwege de stemverwantschap tussen Potter en Maria McKee), de Stones ten tijde van “Let It Bleed”, Bob Dylan, de Byrds, we horen ze echt allemaal voorbijkomen bij het beluisteren van “Big Choice”.

Nummers als het door Potter gezongen en door Cline van een knap streepje mondharmonica voorziene “Tupelo”, het door Kevin Suggs met een stevig pedal steel-fundament onderbouwde trage countryrockertje “Border State”, de met nieuwe drummer Terri Moeller (Walkabouts) ingespeelde ballad “2000 And Raining” of het afsluitende (en ditmaal door Cline vertolkte) “Say Goodnight” zijn gewoon alt. country op zijn allerbest. Niks meer, niks minder vooral ook! Dit is het soort plaat waardoor wij van het genre zijn gaan houden. Hartverwarmend goed!

www.evangelinewa.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28258&variation=&aitem=2&mitem=2

 

 

TRANSMISSIONARY SIX

“Spooked”

(Normal Records)

(3.5) J J J J

 

Transmissionary Six zijn in essentie Terri Moeller (Walkabouts) en Paul Austin (Willard Grant Conspiracy). Op “Spooked”, hun tweede reguliere cd, laten ze zich evenwel bijstaan door Kevin Suggs (op tal van gitaren), Ben Thompson (percussie), Anne Marie Ruljancich (viool en backing vocals) en Jon Hyde (Wurlitzer). En die plaat maakt als geheel een erg solide indruk. Ze heeft bovendien haar titel ook niet gestolen! Nogal wat van de songs moeten het immers hebben van hun apart, vaak wat desolaat aandoend of spooky sfeertje.Namen als Low, Hope Sandoval (al dan niet met Mazzy Star), de Cowboy Junkies of Willard Grant Conspiracy komen spontaan aanwaaien als referentiepunten.

Op hun best vinden wij Transmissionary Six op “Spooked” in verstilde pareltjes als “Karaoke Star Suffocate” of “The Tree Who Loved The Axe”. Maar ook als het er allemaal al eens wat vlotter aan toe gaat, zoals in het luchtige “Jacques Cousteau”, waarin een twangy gitaartje en een injectie moderne elektronica elkaar en Terri Moellers heerlijke stem perfect aanvullen, blijven ze ons bekoren. Liefhebbers van de hierboven genoemde groepen zullen zich hier dan ook beslist geen buil aan vallen.

www.transmissionarysix.com

www.normal-records.com

 

 

ELIZABETH McQUEEN AND THE FIREBRANDS

“The Fresh Up Club”

(Gravitron! Records)

(4.5) J J J J J

 

Goede platen bereiken er ons bijna wekelijks wel een aantal vanuit Austin. Dat maakt het voor de plaatselijke artiesten des te moeilijker om er ook echt te gaan bovenuit steken. Dat is enkel aan de allerbesten gegeven, zo lijkt het. En tot dat selecte gezelschap mag wat ons betreft voortaan ook Elizabeth McQueen worden gerekend. Heerlijke stem, knappe songs, sterke persoonlijkheid en dan ook nog dat ondefinieerbare, dat net ietsje meer dan de concurrentie… Schrijf haar naam gerust bij op het lijstje grote Texaanse chanteuses van nu, als daar zijn bijvoorbeeld een Libbi Bosworth, een Susanna Van Tassel, een Penny Jo Pullus, een Kimmie Rhodes of een Rosie Flores. Dames met pit én ongemeen véél talent.

Zoals zovelen wellicht maakten ook wij kennis met McQueen op “Happy Birthday, Buck!”, het Texaanse eerbetoon aan grootmeester Buck Owens, waarop ze samen met Roy Heinrich “Mental Cruelty” voor haar rekening nam. Die plaat werd mede geproduceerd door de van Asleep At The Wheel bekende David Sanger. En diezelfde Sanger is het ook die de productie van de eerste volwaardige langspeler van McQueen en haar kornuiten (Andrew Nafziger, Lindsay Greene, Chris Miller, Brian Smith) voor zijn rekening neemt. Daarbij ook zelf regelmatig de handen uit de mouwen stekend, net als een stel collega’s van Asleep At The Wheel en The Conrads trouwens.

Het is echter vooral de stem van Elizabeth McQueen zelf die vrijwel voortdurend de show steelt. Getormenteerd soms, zoals in de met bijzonder veel gevoel gezongen sleper “Love Minus One”. Gedreven elders, denken we bijvoorbeeld maar aan de spetterende alt. country-vertolking van Chuck Berry’s “Thirty Days”, aan het knappe r&b-getinte “What Am I Worth?” of aan de met lekker vette gitaren aangejaagde cover van Rodney Crowells “Drive Alright”. Of aan “Freight Train” ook wel, dat op z’n Wayne Hancocks swingend voorbijpuft. Heel erg straffe stoten vonden wij vervolgens ook nog “I Know I Cross His Mind” (met een Tex-Mex-orgeltje dat wijlen Doug Sahm nog gekend moet hebben), “I Don’t Know Why” (waarin McQueen op z’n alt. country’s Patsy Cline naar de kroon probeert te steken) en de klassieke country van afsluiter van “I Think I’ll Stay In Tonight”.

Duidelijk van veel markten thuis deze meid en dat opent flink wat perspectieven voor de toekomst. Wij zouden er dan ook flink wat geld om durven te verwedden, dat deze McQueen één van dé namen van de toekomst wordt.

www.elizabethmcqueen.com

http://texasmusicroundup.com/

 

 

HEYBALE!

“ContinentaLive”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Vraag: “Wat krijg je als je schoon volk als Telecaster-fenomeen Redd Volkaert (Merle Haggard, Dale Watson), pianist extra-ordinaire Earle Poole Ball (Johnny Cash, Buck Owens, Merle Haggard, etcetera, etcetera, etcetera…), fiddle-wonder Erik Hokkanen, bassist Kevin Smith (Brian Setzer), drummer Tom Lewis (Johnny Bush, Junior Brown) en dé Lone Star State-belofte voor de toekomst, zanger-gitarist Gary Claxton, in één en dezelfde groep stouwt?” Antwoord: “Een regelrechte Texaanse supergroep natuurlijk…” En dat blijkt maar al te duidelijk ook uit het verspreid over twee avonden in juni van vorig jaar in de Continental Club in Austin opgenomen “ContinentaLive”. Daarop nemen alle betrokkenen elk op hun beurt plaats achter de microfoon om er heerlijke oer-Texaanse versies van nummers als “Sittin’ And Thinkin’” (Ray Price), “Apt. #9” (Johnny Paycheck), “I’ll Sail My Ship Alone” (Moon Mullican), “C’est La Vie” (Chuck Berry), “Motel Time Again” (Bobby Bare), “King Of The Road” (Roger Miller) en tal van andere classics uit het genre op te voeren. Voor country die-hards vormt deze plaat dan ook zowat het ideale alternatief voor een avondje stappen. Op voorwaarde natuurlijk dat er zich bij het beluisteren ervan een lekker koel pintje binnen handbereik bevindt. Dat spreekt voor zich…

www.heybale.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28524

http://www.texasmusicroundup.com/Merchant2/merchant.mv?

 

 

LEONA WILLIAMS

“Honorary Texan”

(Heart Of Texas Records)

(4) J J J J

 

Leona Williams staat vooral in het collectieve countrygeheugen gegrift als Merle Haggards duetpartner voor de tophit “The Bull And The Beaver” en natuurlijk ook als missus Hag. Dat was ze tenminste van 1978 tot 1984. En in die periode schreef ze ook enkele van de grootste hits van haar toenmalige echtgenoot, zoals bijvoorbeeld “You Take Me For Granted” en “Someday When Things Are Good”. Want naast een begenadigde zangeres is Williams vooral ook een uitstekende liedjesschrijfster. Ten bewijze daarvan is er nu het in Justin Trevino’s studio in San Marcos opgenomen “Honorary Texan”. Door en door Texaanse country. Met alles erop en eraan gewoon: heerlijk jankende steelgitaren, vurige fiddles, gevoelvolle zang, zalige melodielijnen – kortom alles wat het countrygenre ooit zo geliefd maakte. Tussen de veertien aangeboden songs treffen we remakes aan van enkele Williams-klassiekertjes als “Yes Ma’m, He Found Me In A Honky Tonk”, “Goodbyes Come Hard For Me” en “You’d Be Home By Now”. Maar het zijn toch vooral de zes tot op heden nooit eerder door eender wie opgenomen songs die de aandacht trekken. Het swingende “Dance Til The Cows Come Home”, prachtige slepers als “Don’t Leave The Leaving Up To Me” en “I’ve Called To Say I Love You (One More Time)”, het ludieke haar ooit nog door een uitspraak van Ernest Tubb ingegeven “Don’t Sing Me No Songs About Texas”, de nu al bijna klassieke tearjerker “Things I Almost Had With You” en het vlotte, wat bluesy aandoende “I Walked From Dallas” – stuk voor stuk kanjers van verse countrydeunen.

En “Honorary Texan” is als geheel dan ook net als het recente plaatwerk van het hier ook aanwezige tweetal Justin Trevino (productie) en Bobby Flores absoluut niet te missen voor countrypuristen. Zeg, dat wij het gezegd hebben…

http://www.hillbillyhits.com/leona/leona.html

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Songs Of Janis Joplin All Blues’d Up”

(Smith & Co / Sound & Vision / Zomba)

(4) J J J J

 

Enkele weken geleden bespraken we hier al de cd “Songs Of Bob Dylan All Blues’d Up!”, ditmaal is het de beurt aan het in die reeks aan Janis Joplin gewijde exemplaar. En da’s, om maar meteen met de deur in huis te vallen, wat ons betreft opnieuw een voltreffer. Tussen de knappe opener, Tracy Nelsons wulpse versie van “What Good Can Drinkin’ Do”, en de verbluffend mooie afsluiter die Taj Mahals spaarzaam aangeklede kijk op “Mercedes Benz” is, bevinden zich nog elf andere goede redenen om je dit album als bluesliefhebber onverwijld aan te schaffen. Tad Robinsons supersonische aanpak op “Mover Over” bijvoorbeeld. Of de zwoele Etta James-uitvoering van “Ball And Chain”. Of het klassieke “Piece Of My Heart”, hier overladen met soul door Otis Clay. Of het lekker vette “Try (Just A Little Bit Harder)”, waarin Cathy Richardson en Sugar Blue (op de mondharmonica) hem serieus van jetje geven. Of, of, of… Je kan eigenlijk voor elk van de aanwezige tracks wel een reden verzinnen om hem hier ook op te sommen.

Voor dit soort platen halen we dan ook met plezier de ouderwetse kwaliteitsaanduiding “Alle 13 Goed!” nog eens boven!

 

 

THE DELAFIELDS

“The Delafields”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

The Delafields zijn een vijfkoppig gezelschap uit Chicago ontstaan uit het as van de aldaar ooit populaire pop rock band Milhous. Zelf geven ze aan vooral beïnvloed te zijn door traditionele bluegrass en de groove eigen aan vroege soulplaten en prille Amerikaanse muziek. Maar op hun titelloze debuutplaat voeren alt. country en roots rock toch de boventoon. De band heeft een serieuze troefkaart in handen met de heel erg aan Michael Stipe van R.E.M. herinnerende stem van zanger Paul Quaintance. En anderzijds ook wel aan het door Eddie Torrez bewerkte instrumentarium, bestaande uit een aan boogie woogie verslingerde piano, een in Tex-Mex gedrenkt accordeon en een heuse washboard. Precies deze ingrediënten zijn het die de muziek van de Delafields doen afwijken van wat we alle dagen te horen krijgen. Naast een nummer als “Well Of Sorrow” noteerden wij bijvoorbeeld “the Kinks of alt. country”. Dat nummer ademt immers precies hetzelfde sfeertje uit dat ook tal van Ray Davies’ nummers karakteriseerde.

Elders, zoals in het bedaarde “St. Fort” bijvoorbeeld (met knap accordeonwerk van Torrez), dachten we dan weer eerder aan het hier hoger al eens vernoemde R.E.M. Maar over het algemeen zijn de Delafields toch vooral een band met een eigen gezicht. “I Will Always” is zo een knappe door een energieke bar room piano en een stel losgeslagen gitaren aangevuurde uptempo rocker, “Sitting On Top Of The World” is nog zo’n lekker pakkend vinnig voortjakkerend ding en “Long Gone Marie” (met opnieuw prachtig penspianowerk van Torrez) is misschien wel de aanbevolen singlekeuze hier - een pittige meezinger, catchy as hell gewoon… Het mooiste nummer bewaren de vijf heren echter tot op het einde als toetje. Dat is immers de verborgen bonus track “Celina”, een zwierig alt. country- / roots rock-nummer, aangezwengeld door een buitengewoon energieke mondharmonicapartij.

De productie van dit groeiplaatje was in handen van de vooral in punkkringen populaire Matt Allison en de band zelf. Vandaar allicht het typische roadhouse-karakter van dit geheel. Je snakt al na een paar tonen naar een lekker pintje…

www.thedelafields.com

http://www.cdbaby.com/cd/delafields

 

 

THE DECOYS

“Shot From The Saddle”

(Muscle Shoals Records)

(4) J J J J

 

The Decoys zijn een vier man sterk rhythm & blues-gezelschap –eigenlijk vijf, maar men werkt met diverse drummers- bestaande uit een stel doorgewinterde muzikanten. Bassist David Hood bijvoorbeeld maakte nog deel uit van de originele Muscle Shoals ritmesectie. En leadzanger Scott Boyer verdiende zijn sporen dan weer in de band Cowboy. Gitarist Kelvin Holly van zijn kant werkte ondermeer samen met artiesten als Little Richard, de Amazing Rhythm Aces en Bobby Blue Bland, om er maar enkele op te sommen. En NC Thurmans toetsenwerk tenslotte sierde onder andere de platen van Percy Sledge, Gregg Allman en Hank Williams Jr. Bepaald geen kleine jongens dus! En het hoeft dan ook in het geheel niet te verwonderen, dat hun cd “Shot From The Saddle” een bijzonder smakelijke hap rhythm & blues blijkt. Eén dampende brok energie, waarop wat ons betreft vooral het door Scott Boyer gepende “24-7-365”, het van witte soul man Eddie Hinton geleende “Down In Texas” en het titelnummer “Shot From The Saddle” in het oog springen. Ouderwets goed gewoon! Muziek zoals die helaas veel te weinig gemaakt wordt.

www.muscleshoalsrecords.com

 

 

SODASTREAM

“A Minor Revival”

(Lo-Max / Circus Records)

(3.5) J J J J

 

Met “A Minor Revival” van Sodastream bereikte ons zopas de zoveelste prima release van down under de jongste maanden. Sodastream zijn Karl Smith (zang, akoestische gitaar) en Pete Cohen (double bass), een tweetal afkomstig uit Perth dat in het najaar van ’98 verkaste naar Melbourne. Van daaruit werden voor het verschijnen van “A Minor Revival” eerder ook al een stel EP’s en albums op de wereld losgelaten. Met als resultaat ondermeer goede punten bij rockgoeroe John Peel, die het tweetal in 2002 uitnodigde voor één van zijn gerenommeerde sessies.

En nu is er dus de nieuwste van het duo, een plaat die zo ongeveer dezelfde ongerepte schoonheid uitstraalt als een maagdelijk wit sneeuwlandschap overgoten met de zonderling felle stralen van zo’n typisch winterzonnetje. Ergens tussen het rustige vroegwerk van de Go-Betweens, Lloyd Cole, Nick Drake of recenter nog de Waifs of Damien Rice situeert zich het wereldje van Sodastream. Een universum waarin de zang van Smith, beheerste akoestische gitaren en een subtiel streepje strijkwerk voortdurend de dienst uitmaken. Vaak heel erg melancholisch van aard, minstens even vaak ook heel erg mooi… En zeker niet alleen voor alt. country-oren bestemd!

http://www.sodastream.net.au/

www.circusrecords.net

 

 

RON SEXSMITH

“Rarities”

(Ronboy Records / Linus Entertainment)

(3.5) J J J J

 

De Canadese songsmid Ron Sexsmith stond tot op heden niet echt bekend voor zijn helse werkritme, wel integendeel. Hij blijkt momenteel echter in een zonderling productieve bui te verkeren. Terwijl zijn laatste cd “Cobblestone Runway” hier nog een beetje nazindert, heeft hij naar verluidt alweer een nieuw album klaar en plant hij ook al het volgende. Daarnaast vond hij ook nog de tijd om een album samen te stellen gevuld met een collectie demo’s, b-kantjes en onuitgegeven liedjes. Verwacht je daarbij echter vooral niet aan een inderhaast bijeen gegraaide verzameling overschotjes. “Rarities” klinkt veeleer als een volwaardig album dat in niets hoeft onder te doen voor het reguliere werk van Sexsmith. De meest in het oog springende songs zijn een stel covers: over Harry Nilssons “Good Old Desk” wordt een gezonde portie Beatles uitgesmeerd en de punk classic “I Don’t Like Mondays” van de Boomtown Rats krijgt hier iets bezwerends mee. Verder zijn er een aantal out-takes van de albums “Ron Sexsmith”, “Other Songs”, “Whereabouts”, “Blue Boy” en “Cobblestone Runway” en ook nog een paar demo’s van nummers die Sexsmith voor anderen schreef. En als toetje tenslotte ook nog de originele duetuitvoering van het commerciële prijsnummer van “Cobblestone Runway” met Chris Martin van Coldplay, “Gold In Them Hills”.

Niet enkel een welkome aanvulling voor de collectie van ’s mans fans dus!

www.ronsexsmith.com

www.linusentertainment.com

 

 

MARSHMALLOW

“Marshmallow”

(Lo-Max / Circus Records)

(3.5) J J J J

 

Marshmallow is een nieuwe naam afkomstig uit het verre Nieuw-Zeeland. Nu niet meteen wat je noemt het hipste plekje ter wereld. Maar afgaande op de kwaliteit van dit titelloze debuut een oord dat onze aandacht misschien best wel eens wat vaker verdienen zou.

Marshmallow blijkt bij nader inzicht het pseudoniem van Alan Gregg, een man die we nog kennen van zijn dagen bij de Mutton Birds. En die Gregg bewijst zich op z’n eersteling voor eigen rekening eens te meer als een uitstekende songschrijver. Zijn liedjes zijn veelal heerlijke (vaak akoestische) gitaarpopdeuntjes die sterk reminiscent zijn aan de hoogdagen van Grant McLennan (en / of de Go-Betweens) of ook wel aan het recentere, wat rustigere werk van de Teenage Fanclub. Op zijn debuut krijgt de beste man ondermeer wat hulp van zijn Canadese singer-songwriter-collega Ron Sexsmith en van zijn hier al ietwat bekendere landgenote Bic Runga. Het resultaat is een aangenaam wegluisterende plaat vol van wel bijzonder radiovriendelijke riedeltjes. Het perfecte spul eigenlijk om die heerlijke zomer van 2003 nu maar eens definitief mee te begraven.

http://www.marshmallowmusic.com/

www.circusrecords.net

 

 

DAN ZANES & THE FESTIVAL FIVE FOLK

“Sea Music”

(Festival Five Records)

(4) J J J J

 

Enkele dagen geleden bespraken we hier nog de zopas ook officieel in België en Nederland verschenen comebackplaat van Warren Zanes, “Memory Girls”. En nu is het alweer de beurt aan zijn broer Dan, vele lange jaren de geestelijke leider van de Del Fuegos en dezer dagen aan het hoofd van de Festival Five Folk. Dat gezelschap levert met “Sea Music” een knap vertolkte collectie zee(mans)liederen af, die wij puur gevoelsmatig ergens tussen het rustigere werk van de Pogues, traditionele bluegrass en een album als Dave Alvins “Public Domain” zouden onderbrengen. Noem het maar een folkinterpretatie van zogeheten sea music, dat doen Zanes en zijn maatjes ook. Heel erg lo-fi ingeblikt allemaal, maar dat neemt niet weg dat de sfeer tijdens de opnamen zeer opgeruimd moet geweest zijn, dat hoor je er zo van af. Klassieke songs als “Shenandoah”, “Sloop John B”, “Leaving Of Liverpool” of “Windy Old Weather” klinken hier dan ook ronduit voortreffelijk. En Zanes blijkt bij dat alles beter bij stem dan ooit. Absoluut voor herhaling vatbaar dus!

www.festivalfive.com

http://www.cdbaby.com/cd/danzanes5

 

 

McKAY BROTHERS

“McKay Brothers”

(Texas Archipelago Records)

(4) J J J J

 

De naam was hier hooguit goed voor een stel flink gefronste wenkbrauwen, een mens kan tenslotte ook niet alles kennen, he … Maar er waren wel een aantal factoren die onze aandacht trokken op de cover van de eersteling van de McKay Brothers. Vooreerst de naam van de producer natuurlijk. Gurf Morlix had in het verleden immers al meermaals bewezen over een zeer goede smaak te beschikken bij het kiezen van zijn poulains. Men denke bijvoorbeeld maar aan Lucinda Williams, Mary Gauthier of meer recent nog Eric Westbury. Dus wat dat betreft genoten de McKay broertjes hier al meteen het voordeel van de twijfel. En dan kwam daar nog bij, dat het tweetal afkomstig was uit Texas en er flink wat Spaanstalige titels hun debuut bevolkten. En laat ons nu net een stevige boon hebben voor de Tejano-kant van de Lone Star State…

En ons instinct had het helemaal bij het rechte eind! Prima Texaanse singer-songwriter stuff als “When I Reached The Colorado” of “Hey Old Man” wordt hier afgewisseld met zalige Tex-Mex als “Mi San Antonio” (op zijn Texas Tornados dankzij de geweldige trekzak van Joel Guzman), de spetterende Guy Clark-cover “The South Coast Of Texas” of het hartverscheurend mooie “Las Olas” (van Steve Jordan).

Daarnaast zijn er ook nog gewoon lekkere Texaanse country (“Put Your Money Where Your Mouth Is”), knappe Americana (“Dirty Old Town” - niet het van Ewan McColl en de Pogues bekende nummer, nee) en het ogenschijnlijk op een onbewaakt moment uit de werkplaats van Slaid Cleaves ontvluchte “Great Big Oldsmobile” (met mooi pedal steel-werk van Gurf Morlix).

Guy Clark is naar verluidt al een grote fan van Noel en Hollin McKay. En na dit voortreffelijke debuut is er niet veel méér nodig om te begrijpen waarom! Dit is immers Texaanse Americana op zijn allerleukst!

www.mckaybrothers.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28395&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

JOHN CARTER CASH

“Bitter Harvest”

(Culture Records)

(3.5) J J J J

 

Zoals zoveel zonen en dochters van bekende muzikale ouders voor hem worstelt ook John Carter Cash, zoon van de kortelings overleden echtelieden Johnny en June Carter Cash, op “Bitter Harvest” met het spook van zijn alom gerespecteerde voorgangers. Enerzijds lijkt het een godsgeschenk om op een dergelijke, nagenoeg perfecte muzikale voedingsbodem te mogen opgroeien, anderzijds blijkt het veeleer de spreekwoordelijke molensteen om de hals van de jonge Cash. Heel wat fans van zijn vader of countryliefhebbers in het algemeen zullen deze plaat immers met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gaan afwegen tegen de recente platen van Cash Sr. En dan wordt het gezien de kwaliteit van diens laatste vier albums natuurlijk moeilijk om het kopje boven water te houden. Want, laat dat meteen duidelijk zijn, John Carter Cash is geen nieuwe Johnny Cash!

De jonge Cash was tot op heden veeleer achter de schermen van het familiebedrijf actief. In 1998 produceerde hij met “Press On” van zijn moeder June Carter Cash zijn eerste cd. Die plaat bleek toen meteen goed voor een Grammy. En ook het nummer dat hij in 2001 met zijn vader inblikte voor “Timeless: A Tribute To Hank Williams” viel diezelfde eer te beurt. Momenteel werkt John Carter Cash als producer aan de nieuwe cd van countryzanger Gunter Gabriel en stelt hij voor Dualtone een Carter Family-tribute cd samen. Voor dat laatste project mag hij rekenen op bijdragen van ondermeer George Jones, Marty Stuart, Ricky Skaggs, The Whites, Sheryl Crow, Rosanne Cash en zijn vader.

“Bitter Harvest” wordt trouwens ook afgesloten met een Carter Family-nummer. “The Way-Worn Traveler” is een schitterend duet van John met zijn vader, ingeblikt vlak voor diens dood. Met Marty Stuart en Randy Scruggs op de akoestische gitaar en Steve Cox aan het orgel tekenen vader en zoon Cash hier voor hét prijsnummer van de plaat. Als dit een voorsmaakje is van dat in het voorjaar van volgend jaar te verschijnen eerbetoon, dan staan ons nog grote dingen te wachten. De eerlijkheid gebiedt ons wel daar onmiddellijk aan toe te voegen, dat dit nummer allesbehalve karakteristiek is voor dit album. John Carter Cash heeft dat trouwens ook zelf willen beklemtonen door het liedje pas als bonustrack aan het uiteinde van het geheel te plakken. Het lijkt er sterk op, dat hij ons heeft willen meedelen: “Beoordeel me a.u.b. op mijn eigen merites!” En dat doen we dan ook.

“Bitter Harvest” is een zeer gevarieerd album geworden. Het ene moment klinkt Cash’ traditionele country-opvoeding stevig in zijn nummers door, het andere leunt zijn muziek zwaar aan bij genres als folk, rock & roll of zelfs alternatieve rock. Nummers al opener “Mongolian King” (een razendsnelle alt. country rocker met vurig gitaarwerk), “Crumblin’ Rock Of Dixie” (een uit hetzelfde vaatje getapte rockende countrydeun met knap mandolinewerk van Ronny McCoury) en een tweede Carter Family-cover, “Sinking In The Lonesome Sea” (met ditmaal “Uncle” Josh Graves met een opvallende dobrobijdrage), zullen de No Depression-generatie en dus ook jullie zeker kunnen bekoren. En iets als “Fire On The Isle Of St. August / Jamaica”, Americana à la Daniel Lanois, zou zo ook op Studio Brussel kunnen. Net als “Bitter Harvest” trouwens, da’s knappe pianopop en tegelijk één van de mooiste nummers van de plaat.

In songs als het trio “Remain Calm”, “Loch Ness Monster” en “Blame It On Me” komt het rockersinstinct van de jonge Cash dan weer naar boven. Daarin is van zijn country-achtergrond nauwelijks nog iets te merken.

Enfin, je had het zelf allicht al uit onze woorden opgemaakt, “Bitter Harvest” is een plaat die best aangenaam weghapt, als je tenminste niet van de veronderstelling uitgaat een lap pure Cash-country in huis te halen, want dan kom je bedrogen uit. Al zullen fans van de oude Cash “The Way-Worn Traveler” anderzijds absoluut niet willen missen natuurlijk…

www.culturerecords.be

 

 

WARREN ZANES “Memory Girls” (Dualtone / Bertus)

(5) J J J J J

 

Samen met zijn broer Dan vormde Warren Zanes tijdens de jaren tachtig de spil van de Del Fuegos, die met “Boston, Mass.” –Wij krijgen het nog altijd heel erg warm bij het horen van het daarvan afkomstige nummer “I Still Want You”!- wat ons betreft één van de knapste rootspoplaten ooit op vinyl deden belanden. Na drie platen hield de jonge Zanes het echter voor bekeken en trok zich terug uit de muziekwereld. Zijn toekomst zocht en vond hij in academische middens. Zijn c.v. volstaat ondertussen volop om zijn geestelijk meer gemiddeld bedeelde medemens groen van jaloezie te doen uitslaan…

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan… En zoals zoveel anderen voor hem zou ook Zanes niet ontsnappen aan de wetmatigheid die zegt dat er voor wie eenmaal gebeten werd door de muziekmicrobe geen genezing meer mogelijk is.

En dus is er nu “Memory Girls”, het opmerkelijke debuut van Zanes, een plaat die werkelijk tot de nok toe gevuld is met nagenoeg perfecte rootsy popdeunen. Je hoort er echo’s in van de Kinks, Tom Petty, de Beatles, World Party en nog een stuk of wat anderen, maar het eindresultaat draagt toch onmiskenbaar de stempel van Zanes zelf. De man noemt de plaat een eigen persoonlijk opslagmedium voor alle ex-vriendinnen die zijn hoofd nog bevolkten, toen hij besloot zich te verloven. Een interessant conceptidee met nog véél interessantere gevolgen!

Doe jezelf een plezier en gun nummers als “Everybody Loves You”, “First On The Moon”, “Where We Began”, “If You Could Stay” en “Hey Girl” een beluistering. Dan kan je zelf vaststellen, waarom klasbakken als Emmylou Harris, Patty Griffin, Jerry Dale McFadden en Billy Conway (Morphine) zich voor de kar van Zanes lieten spannen.

Dit is pop-perfectie! Niks meer, niks minder…

www.warrenzanes.com

www.dualtone.com

www.bertus.com

 

 

JIM LAUDERDALE WITH DONNA THE BUFFALO

“Wait ‘Til Spring”

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

Jim Lauderdale is bepaald geen one trick pony. Als er al één ding is dat zijn indrukwekkende reeks albums voor het Dualtone-label de jongste jaren heeft duidelijk gemaakt, dan is het dat wel. Van werkelijk hemelse country over onversneden bluegrass tot uitstekende Americana, hij deed ’t allemaal al. En op z’n nieuwste, “Wait ‘Til Spring”, is het nu weer al rootsrock wat de klok slaat. Die plaat werd dan ook opgenomen samen met het zeskoppige gezelschap rond de getalenteerde Tara Nevins, zeg maar Donna The Buffalo. Een op het eerste gezicht wat vreemde combinatie misschien, maar die aanvankelijke twijfels smelten al snel als sneeuw voor de zon als Lauderdale en zijn nieuwgevonden kompanen het album aftrappen met het superaanstekelijke titelnummer (en tevens de single) “Wait ‘Til Spring”. Heel knap, hoe alle instrumenten als een uitgelaten zwerm vliegen rond een verse koevla rond een onheilszwangere baslijn cirkelen in deze lekker strakke rootspopdeun met een gezonde hang naar de late sixties. En daarmee is meteen de toon gezet voor de rest van dit uitstekende album. Luister bijvoorbeeld ook maar eens naar “Slow Motion Trouble”, een soulvolle rootspop-sleper die qua sfeer aardig aansluit bij Joe Cockers ondertussen razend populaire versie van Randy Newmans “You Can Leave You Hat On” en tal van klassieke Stax-deunen.

In “Ginger Peach” komt Lauderdale vervolgens weerom in het vertrouwde vaarwater van Nick Lowe’s jongste platen terecht. Als er ooit nog eens bewijsmateriaal dient te worden aangedragen om aan te tonen welk een uitstekende vocalist de man eigenlijk wel is, dan kan deze witte soulparel wellicht nog nuttige diensten gaan bewijzen. “That’s Not The Way It Works” is dan aan een twangy gitaartje opgehangen rootspop, terwijl “Sapphire” elementen van Dr. Johns nachtbrakerijen met reggae en alt. country verzoent en “The World Is Getting Mean” gewoon knappe Americana is. Eén van de allerleukste momenten vinden wij aansluitend het stevig naar zydeco geurende “Holding Back”. En het heeft er alle aanschijn van, dat Lauderdale hier echt van zoveel mogelijk muzikale walletjes tegelijk heeft willen eten, want ook het daaropvolgende “Wowowo”, dat lijkt te twijfelen tussen een ritme dat wijlen Doug Sahm verzonnen had kunnen hebben en iets van Clifton Chenier, staat voor een bijkomende snuif peper in dit sowieso al uiterst smakelijke muzikale potje.

Afrondend stellen dat Lauderdale blijft verbazen krijgt gezien de diversiteit van het aangebodene dan ook iets van een serieus understatement. De man is gewoon één van de interessantste verschijningen die in de momenteel nochtans behoorlijk druk bevolkte straten van Roots Town rondlopen. En wij zijn eerlijk gezegd nu al een beetje benieuwd naar wat hij op zijn volgende plaat weer zal gaan uitspoken…

www.jimlauderdale.com

www.donnathebuffalo.com

www.dualtone.com

www.bertus.com

 

 

DANNY SANTOS

“Headaches & Heartaches”

(Brambus Records)

(4.5) J J J J J

 

 “Headaches & Heartaches” is na “Sinners And Saints” het tweede album van de uit Austin, TX afkomstige singer-songwriter Danny Santos voor het een uitstekende reputatie genietende Zwitserse platenlabel Brambus Records. En met dat nieuwe album claimt de man een plaatsje tussen de allergrootsten. En dan bedoelen we effectief mensen als wijlen Townes Van Zandt, een Guy Clark of een Robert Earl Keen. Santos beschikt namelijk over een wat aparte, zeer expressieve stem, hij speelt een voortreffelijk potje gitaar en schrijft teksten waarvoor je graag even de tijd neemt. Op “Headaches & Heartaches” verdeelt hij zo zijn aandacht over songs in de gereputeerde Texaanse songsmid-traditie en Tex-Mex-avontuurtjes, daarbij vakkundig geruggensteund door de Bluegrass Vatos.

Naast tien eigen songs waagt de man zich op zijn tweede ook aan covers van respectievelijk de Warren Zevon classic “Carmelita” en het uit de catalogus van de al eerder vernoemde Townes Van Zandt geplukte “Snowin’ On Raton”. Het eerste van die twee nummers groeit mede dankzij de bijzonder fraaie accordeonaccentjes van Chip Dolan uit tot een instant Tex-Mex klassiekertje. Onweerstaanbaar gewoon! Het tweede wordt met zoveel inlevingsvermogen gebracht, dat je als het ware voelen kan, hoe diep het respect is dat Santos voor de nalatenschap van de overleden Van Zandt heeft.

Wat deze plaat evenwel zo bijzonder maakt, is dat Santos’ eigen nummers in geen geval moeten onderdoen voor dit geleende tweetal. Integendeel! Als hij in het openingsnummer “Baby Do Right By Me” zijn akoestische gitaar tegen de mandoline van Wes Green laat aanhikken, dan weet je meteen dat je met een natuurtalent te maken hebt. Knap hoe Santos ons hier de klaagzang laat meebeleven van een man die zijn geliefde van tussen zijn vingers voelt glippen. “Sam Bass’ Blues” is dan weer een story song à la Clark of Van Zandt over een soort van Texaanse Robin Hood die net een kogel met zijn naam erop verwelkomd heeft en gezeten onder een oude eik al stervende zijn levensverhaal vertelt. Bij “Giddyup” dachten wij vervolgens vrijwel onmiddellijk aan Robert Earl Keen. Deze vrolijke deun over een onstuitbare liefde voor snelheid zou op diens palmares immers in het geheel niet misstaan hebben. En dan is er het tweetal “Loved” en “Aggravation”. Het ene een bijzonder aanstekelijk liedje met een erg hoog meezing-gehalte over het besef in het leven alles gehad te hebben behalve de ware liefde, het andere een prima stukje picken dat zijn titel helemaal waarmaakt, waar de ergernis bij momenten inderdaad van afdruipt.

Het allermooiste nummer van de plaat is vervolgens het duet met Karen Mal, “Here We Are, There We Go”. Er is het subtiele mandolinewerk van Wes Green. Er is de prachtige trekzaksteun van Dolan. Er is die samenzang die herinnert aan de magische momenten tussen pakweg een John Prine en een Iris DeMent of een Gram Parsons en een Emmylou Harris. En natuurlijk is er ook die verbluffend mooie tekst:

“Here we are, there we go

We’ve both come so far

With so little to show

The more that we drift apart

The more that we know

Here we are and there we go.”

Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn!

Maar ook het resterende viertal ontgoochelt in het geheel niet. Van “Desperado”, een leuke Tejano flavor storysong, over “Straight And Narrow”, een overspelverhaal met dramatische afloop in de trant van Guy Clark, tot het onmiskenbaar door Bob Dylan beïnvloede “U.S. Of Generica Blues” of de ook al licht bluesy afsluiter “Meant To Be That Way”, hier staat alles gewoon als een huis!

In onze collectie werd dan ook al snel plaats geruimd tussen de schijfjes van Clark en die van Keen. En we hopen van ganser harte, dat er daar nog veel van deze Danny Santos mogen tussen belanden!

www.dannysantosmusic.com

www.brambus.com

 

 

THE FIRE THEFT

“The Fire Theft”

(Rykodisc / Zomba)

(3) J J J

 

The Fire Theft is de naam van het nieuwe project van zanger-gitarist Jeremy Enigk en drummer William Goldsmith, een tweetal dat in het verleden zijn sporen al ruimschoots verdiende bij Sunny Day Real Estate. Een groep waarvan trouwens ook het derde bandlid, Nate Mendel, ooit deel uitmaakte, al staat die dezer dagen wel op de loonlijst van de Foo Fighters.

Op zijn debuut maakt dit gezelschap het je bepaald niet gemakkelijk. De heren zetten een geluid neer dat regelmatig vervaarlijk dicht aanleunt bij dat van pakweg een Pink Floyd. Jong gitaargeweld dus, maar dan wél bedolven onder wurgende lagen ijle synthesizergeluiden en/of strijkers. Al bij al vrij bombastische songstructuren die hun leefbaarheid vooral verdanken aan de passionele zang van Enigk en diens al even markante snarenwerk. Wat ons betreft zijn het vooral wat minder topzware nummers als “Summertime”, “Houses” of “Waste Time” die aan deze eersteling zijn charme verlenen. Een plaat vol van dergelijke radiogenieke rockdeunen zou The Fire Theft gegarandeerd in no time naar hetzelfde populariteitsniveau als dat van groepen als Radiohead of Coldplay kunnen tillen. Misschien is dat dus wel de aangewezen weg voor de toekomst!

www.thefiretheft.com

www.rykodisc.com

http://zombarecords.com/

 

 

ALBERT LEE

“Heartbreak Hill”

(Sugar Hill)

(3.5) J J J J

 

De Brit Albert Lee geniet vooral bekendheid als de vingervlugge rechterhand van Emmylou Harris in de Hot Band. Maar eigenlijk doe je de man tekort door hem enkel daarop vast te pinnen, want hij is van veel meer markten thuis en bewijst dat ook uitgebreid op z’n eerste soloplaat sedert enkele in de jaren tachtig van ‘m verschenen albums. “Heartbreak Hill” is opgevat als een soort van muzikaal eerbetoon aan z’n maatje Harris. Alle op de plaat gebrachte nummers werden immers van het repertoire van de binnenkort ook weer eens in ons land aantredende countrydiva geplukt en met het nodige respect van een nieuw kostuumpje voorzien. Daarbij kreeg Lee nogal wat prominente hulp. In opener “Heartbreak Hill” bijvoorbeeld al van Patty Loveless, die met haar harmonieën dat nummer van een fraai gouden biesje voorziet. En in het aansluitende (en al even lekker wegrockende) “Heaven Only Knows” van die andere Harris-gitarist, Buddy Miller dus. Vervolgens zijn er de klassieke Townes Van Zandt-song “If I Needed You”, waarvoor Maura O’Connell even in de studio langsliep, en “Born To Run” met gastrollen voor respectievelijk Rodney Crowell en J.D. Souther. En in de werkelijk heerlijke instrumental “Luxury Liner” geven Lee zelf, Vince Gill en Brad Paisley er de snaren flink van langs. Voor afsluiter “Bluebird Wine” tenslotte mocht Lee rekenen op wat bijstand van de legendarische Earl Scruggs.

Terloops serveert hij op deze aardige country(rock)plaat verder ook nog covers van “In My dreams”, “Two More Bottles Of Wine”, “’Til I Gain Control Again” (van Rodney Crowell en verreweg het mooiste nummer van de plaat) en “One Of These Days”.

Ouderwets goed, vinden wij dan… Zoals we ’t trouwens ook heel erg sympathiek vonden, dat Harris zelf al na amper twee nummers van het album gehoord te hebben bijna verlegen vroeg om de liner notes ervoor voor haar rekening te mogen nemen. Een mooier compliment is haast ondenkbaar, lijkt ons.

http://www.sugarhillrecords.com/catalog/pagemaker.cgi?3977

 

 

THE WAIFS

“Up All Night”

(Jarrah / Hot Bertus)

(4) J J J J

 

Binnenkort doen de Australische Waifs de Lage Landen aan voor een stel optredens in het voorprogramma van de voor hun goede zaak gewonnen Bob Dylan. Maar wie slim is wacht niet tot dan om kennis te maken met dit trio van down under, bestaande uit multi-instrumentalist Joshua Cunningham (gitaar, mandoline, ukulele, dobro, zang) en de zusjes Vikki (harmonica, akoestische gitaar, zang) en Donna Simpson (akoestische gitaar, zang). Wat dat stel op zijn vierde cd “Up All Night” presteert rechtvaardigt immers al het goede dat zowel in thuisland Australië als in de States de jongste maanden erover verkondigd werd. Met een werkelijk indrukwekkende mengvorm van folk, roots, blues en alt. country staan de drie garant voor ruim drie kwartier puur luisterplezier. Her en der werden ze reeds het Australische antwoord op de Be Good Tanyas genoemd, maar dat is een vergelijking die maar ten dele opgaat. Qua sfeer mogen de Waifs dan al uit hetzelfde vaatje tappen als die Canadese meiden, de uitgesproken band die deze dames met traditionele muziek hebben, hebben zij hoegenaamd niet. Hun op perfecte harmonieën en subtiel gitaar-, dobro- en mandolinewerk gebaseerd geluid staat immers met twee voeten stevig in het heden.

Wij lieten ons (net als Dylan) aangenaam verrassen door ondermeer de bluesy opener van deze plaat, het zwaar naar Lucinda Williams neigende “Fisherman’s Daughter”, door het al even prachtige popliedje “Nothing New”, door het met heimwee naar huis beladen “London Still”, door het door Joshua Cunningham met zo’n lekker lijzig OZ-accent gezongen rootsy hoogstandje “Since I’ve Been Around” en door het met een fraai stukje harmonica op gang geblazen “Fourth Floor”. Maar da’s maar een opsomming, meer niet… Laat er je vooral niet door misleiden! Ga deze plaat gewoon zelf eens even beluisteren, je zal al snel merken, dat “Up All Night” eigenlijk niet één echt zwak moment kent.

www.thewaifs.com

www.bertus.com

 

 

MICHELLE SHOCKED

“Short Sharp Shocked” (Deluxe 2-CD Box)

(Mighty Sound / Bertus)

(4) J J J J

 

Voor de fans van Michelle Shocked lijkt het wel alle dagen Kerstmis tegenwoordig! Vorig jaar lanceerde de Texaanse met haar dubbele comeback-album “Deep Natural” haar eigen Mighty Sound-label en daarop verscheen eerder dit jaar ook al de heruitgave in dubbele uitvoering van de “Texas Campfire Tapes”. En nu is er deel twee in haar re-issue campagne, een alweer twee cd’s bestrijkende versie van haar al sinds 1998 niet meer in de handel verkrijgbare meesterwerk “Short Sharp Shocked”.

Een eerste schijfje bevat de integrale, opnieuw gemasterde uitvoering van het album dat met het bluesy tweetal “When I Grow Up” en “L & N” en het meesterlijke “Anchorage” enkele van de meest geliefde Shocked-songs bevat. De tweede cd, de zogeheten bonusplaat, bevat maar liefst 21 nummers. Gaande van live tracks tot aan radiosessies en compilaties ontleende nummers of zelfs nooit eerder uitgebrachte studio-opnames. Enkele van de meest opvallende zijn de knappe demo van “When I Grow Up”, mooie radio-uitvoeringen van “Anchorage” en “Leaving Louisiana”, de lekkere country van “One Piece At A Time” en het live ingeblikte “Ballad Of Penny Evans” van Steve Goodman. Het valt trouwens voortdurend op, dat Shocked op een podium eigenlijk al bij al het best tot haar recht komt. Haar rootsy singer-songwritermateriaal dat, al naargelang de behoefte daaraan, put uit zo uiteenlopende stijlen als pop, folk, blues, bluegrass, cajun en swing gedijt duidelijk het best op een podium. En als dusdanig wordt het bonusmateriaal natuurlijk een wel heel erg dankbare aanvulling van de al bestaande Shocked-catalogus.

Het geheel wordt bovendien ook weer voorbeeldig verpakt aangeboden in een stevig (Chinees) kartonnen doosje. En het goede nieuws is, dat Shocked het fijne voornemen heeft geopperd om elk van haar albums dezelfde behandeling te willen meegeven. Naast nieuw materiaal dat medio 2004 zal verschijnen zullen we dus volgend jaar ook weer op twee nieuwe heruitgaven mogen rekenen.

www.michelleshocked.com

www.bertus.com

 

 

GE REINDERS

“Vlege”

(Fennek)

(4) J J J J

 

Alt. country? Zeer zeker niet! Maar wel een klasse singer-songwriter! En het feit dat de uit Roermond afkomstige Gé Reinders zijn liedjes al jarenlang in het Limburgs brengt schept een zekere band met deze jongen… Reinders is daarenboven één van de weinige in hun moedertaal opererende liedjesschrijvers die in het leven van alledag een voortdurende bron van inspiratie zien. De doodgewoonste dingen volstaan voor de man om met heerlijke stukjes poëzie op de proppen te komen. Dingen waar u en ik al te vaak niet eens bij stilstaan leveren door de ogen van Reinders steeds weer bekoorlijke schetsjes op die, als je erover gaat nadenken, heel vaak ook betrekking lijken te hebben op het eigen leven. Zijn teksten slaan met andere woorden voortdurend spijkers met koppen…

Neem nu zo’n nummer als “Versier häör dan!”, met z’n rockarrangement één van de vlotste deunen op ‘s mans nieuwe cd “Vlege”, waarin hij je ervan probeert te overtuigen, dat je uitsloven in een relatie soms een noodzakelijkheid wordt. “Een mannelijke klaagzang over klagende mannen,” noemt hij het zelf, zodoende de vanzelfsprekendheid aanvallend waarmee sommige mannen hun vrouwen jarenlang spreekwoordelijk uitpersen alvorens uiteindelijk de rekening daarvoor gepresenteerd te krijgen. Elk beetje man zal moeten toegeven, dat hij op z’n minst af en toe dezelfde fout begaat…

Of ook het met heerlijke strijkers gelardeerde “As de blajer vallen”. Melancholie troef ditmaal. Prachtig hoe de instrumenten dit liedje ook daadwerkelijk zo’n typisch herfsttintje meegeven. De eerste kille en klamme najaarsdagen en het daarmee gepaard gaande gevoel van vermoeidheid en onmacht worden tastbaar als Reinders stelt:

“Want in’t naojaor veuls se

Al geit veurbie

Ins hölt alles op.”

Heel eenvoudig verwoordt hij op die manier de loodzware invloed (vooral op al wat oudere mensen) van het seizoen dat voor de meest uiteenlopende reacties zorgt.

Elders laat hij vergezeld van schetterend koperwerk en wulpse koortjes dan weer perfect de lente haar intrede doen. In “’t Veurjoar” is dat, deel drie van zijn eigen vier jaargetijden. Een ander steeds weer terugkerend thema is op “Vlege” de relatie met de eigen wederhelft. In het door een sexy, zomers orgeltje gedragen “Doe en ich” bijvoorbeeld - tegelijk het ultieme liefdesliedje en een scherpe aanklacht tegen alle rotzooi in de wereld van vandaag.

“Doe en Ich

’t Velt of sjteit bie dich en mich

Boete geit ’t wie ’t geit

Maar os taofel, os bed

Det is wo ’t om dreit.”

“Hoe ouder je wordt, des te meer beperk je je tot de wezenlijke zaken,” stelt de zanger zelf in het booklet en zo is het maar net. Verderop komen we dezelfde boodschap trouwens nog eens tegen in het oorstrelend mooie “Haaj mich vas”. Stem, piano, een sfeervol hammond-orgel… een echt kippenvel-liedje!

Heel fraai zijn verder ook nog het overspel-nummer “Dinsdigmorge” (over een stel dat elke week weer naar die drie uurtjes samen op dinsdagmorgen toeleeft), het Noord-Zuid-duet met Piter Wilkes “Nederland(j)”, het van een eenvoudig maar o zo doeltreffend melodietje voorziene “Häöre vleger vluug weer” (over een vrouw die er weer helemaal bovenop is nadat haar wederhelft haar voor een ander verliet) en het aangrijpende miniatuurtje over de broosheid van het leven dat “Braekbar” is.

Gezien de titel die Reinders aan zijn jongste cd meegaf, kon je er op zitten wachten: “Vlege”, ’t is inderdaad weer een hoogvlieger geworden. De man levert eens te meer het bewijs dat prachtige luisterliedjes alleen nog maar mooier worden in de eigen streektaal. Best jammer eigenlijk, dat zijn voorbeeld zo weinig navolging krijgt…

www.g-reinders.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Dressed In Black – A Tribute To Johnny Cash”

(Dualtone / Bertus)

(5) J J J J J

 

Niet echt actueel meer dit album, zou je terecht kunnen opmerken. Het verscheen immers inderdaad nu goed een jaar geleden. Waarom er hier dan toch nog aandacht aan besteden? Naar aanleiding van het overlijden van Cash enkele weken geleden? Het zou een geldige reden geweest kunnen zijn, maar dat was niet de directe aanleiding tot dit stukje. Die dien je elders te zoeken. En wel in het feit dat de catalogus van het Dualtone-label sedert enkele weken ook in België en Nederland verdeeld wordt door Bertus. Naar aanleiding daarvan worden flink wat platen die hier tot voor kort maar moeilijk verkrijgbaar waren opnieuw onder de aandacht gebracht. Zoals ook dit heerlijke eerbetoon aan The Man In Black. Het beste van de hele reeks die de afgelopen maanden verscheen. Aan de slag zijn heel wat artiesten die tot de eerder alternatieve kant van het huidige countrygebeuren dienen te worden gerekend. Van Hank III (die tekent voor een ronduit schitterende vertolking van “Wreck Of The Old ‘97”) over Robbie Fulks (“Cry, Cry, Cry”) en Rodney Crowell (“Ballad Of A Teenage Queen”) tot Mavericks-kopstuk Raul Malo (“I Guess Things Happen That Way”) en BR549-leider en co-producer van dit project Chuck Mead (“There You Go”). Van Rev. Horton Heat (“Get Rhythm”) over muzikaal echtpaar Bruce Robison en Kelly Willis (“Pack Up Your Sorrows”) tot Rosie Flores (“Big River”), Dale Watson (“I Walk The Line”) of Chris Knight (“Flesh & Blood”). Etcetera, etcetera, etcetera… Achttien nummers lang wordt hier met zoveel respect voor de man die het gezicht van het countrygenre voor altijd veranderde gemusiceerd, dat je niet anders kan dan gecharmeerd worden door het gebodene. Schitterende verzameling! En derhalve ook van harte aanbevolen aan al diegenen die ze nog niet in hun collectie zouden hebben zitten! Beter laat dan nooit, moet je maar denken…

www.dualtone.com

www.bertus.com

 

 

JOE FOURNIER

“Whiskey Stars”

(Dusty Records)

(5) J J J J J

 

In 2002 debuteerde Joe Fournier met het lichtjes fantastische “Raw Sugar Shed”. Het resultaat liet niet lang op zich wachten. Zowel in zijn thuisland Canada als in de States werd dat album in kennerskringen letterlijk bedolven onder de lovende kritieken. En ook Europese rootsmuziekliefhebbers bleven niet bepaald achter bij het laten schallen van de loftrompet. Fourniers songs bleken dan ook echte oorwurmen. Eén keer draaien en je was verkocht… En ook op zijn tweede, “Whiskey Stars”, is dat weer zo. Het beste van Creedence, Dave Edmunds, Elvis Costello (ten tijde van “King Of America” that is) en Springsteen weer in één smakelijke muzikale sushi gerold en vervolgens vakkundig in veertien hapklare mootjes verdeeld.

Opener “Wild Side Of Life” lijkt wel verre familie van Dave Edmunds’ “I Hear You Knocking”. Lekkere beat, heerlijk twangy gitaartje en daar die gekwelde stem van Fournier overheen. Smaakt gelijk weer naar meer. En dat dient zich ook meteen aan in de al even aanstekelijke countryrocker waaraan het album zijn titel ontleende, “Whiskey Stars” dus. Op zijn beurt wordt dat nummer op de hielen gezeten door alweer een volgende knaller, met name “Almost Got It Made”, waarin R&B, blues en country weerom een bijzonder geslaagd huwelijk aangaan. En dan zijn er nog de prachtige country tearjerker “She’s Gone Bad”, het springerige “Picture In My Mind”, de swampy brok twang die “Darlene” is, het zwaar aan Costello’s country-escapades verwante “My New Life” en de met een bijzonder knappe tekst gezegende lap LDVD “Two Sandwiches Short”, om er zomaar willekeurig nog wat moois van tussen te graaien.

Hij heeft het ‘m dus duidelijk weer geflikt, die Fournier! “Whiskey Stars” is opnieuw zo’n plaat die zich met geen stokken meer van tussen je twee oren laat verdrijven. 5-sterren rootsrock gewoon!

www.joefournier.com

www.dustyrecords.se

 

 

EDIE CAREY

“When I Was Made”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Dat Edie Carey nog niet de status van superster bereikt heeft, is voor ons één groot raadsel. Ze is gezegend met zo’n aangename, warme stem die je altijd weer dichterbij lijkt te willen wenken. Alsof ze wil zeggen: “Kom nu maar, je zal het je heus niet beklagen…” En dat is ook daadwerkelijk zo! Hier hebben haar cd’s alvast een plaatsje verworven naast die van Shawn Colvin. Net als Colvin opereert Edie Carey in het overgangsgebied tussen folk, pop en singer-songwriter stuff. En net als Colvin schrijft ze liedjes die zich met kleine weerhaakjes onder je huid vastzetten. Vaak vanuit zeer verrassende standpunten geschreven. Het nummer “If I Start To Cry” bijvoorbeeld -waaraan haar derde studio-album z’n titel ook ontleende- confronteert ons met de gevoelens van een dochter die tegenover haar vader zit, nadat die haar moeder een poosje geleden in de steek gelaten heeft.

“Yeah I’m just like my mother –

Yeah I’m just like my mother –

And if you don’t love her –

What does that mean about me?”

Een prangende vraag vervat in een oorstrelend mooi stukje singer-songwriter pop. Een ander sterk staaltje van Carey’s schrijfkunsten is “Already Gone”. De zacht huilende pedal steel van Dan Tyack, genuanceerde drumtikjes van Sean Bendickson en een passende flard elektrisch gitaarwerk hier en daar van Jonathan Kingham vormen daarin het ideale decorum voor Edie’s kijk op Americana. Je zou zweren, dat je hier Shawn Colvin aan het werk hoort… Net als in “Compromise” trouwens. Een streepje cello, een akoestische gitaar en die stem, meer is er echt niet nodig om van dat nummer één van de hoogtepunten op “When I Was Made” te maken. Maar het kan allemaal nog beter, zo blijkt! Uit de mond van een kind vernemen we in het verraderlijk opgewekt aandoende “Under A Sky” dat er je onder een stralende blauwe hemel toch niets kan overkomen. Totdat het lot zich ondanks de juiste omstandigheden tegen z’n moeder keert. Beklemmend mooi, mede dankzij de bijzonder subtiele ritmesectie. Een verre verwante van Springsteens “I’m On Fire”. Andere niet te versmaden stukjes zijn het een zekere hang naar bluegrass vertonende openingsnummer “With Our Hands”, het aan Edie Brickell herinnerende pop-folkdeuntje “Open Wide”, het bij de thematiek van Frankenstein aansluitende “Chemistry” en het bescheiden rockende “I Need You”.

We hebben het hier al wel eens eerder verkondigd en we doen dat maar al te graag opnieuw: Edie Carey is een must voor fans van vrouwelijke singer-songwriters als de hier al eerder genoemde Shawn Colvin, Edie Brickell, Mary Chapin Carpenter of Lynn Miles. Met de nodige middelen forceert ze binnen de kortste keren de al lang verdiende doorbraak – zeker weten!

www.ediecarey.com

http://cdbaby.com/cd/ediecarey4

 

 

RODNEY HAYDEN

“Living The Good Life”

(Audium / Koch)

(4) J J J J

 

Op basis van zijn twee jaar geleden verschenen debuut “The Real Thing” en het zopas uitgebrachte “Living The Good Life” noemen zijn nieuwe werkgevers hem de toekomst van het honky-tonk-genre. En Robert Earl Keen doet daar zelfs nog een schepje bovenop door te stellen: “Rodney Hayden is a Double Eagle, Grand Slam, Black Jack talent. He makes me want to give up my night job.” Geef toe, dat het aardig klinkt uit de mond van iemand van het kaliber van Keen.

Voor zijn tweede album kon Hayden dan ook een beroep doen op de crême de la crême van het Texaanse muziekcircuit. Zo tekende Rich Brotherton bijvoorbeeld niet alleen voor de productie van deze cd, maar bespeelde hij ook de akoestische gitaar. Terwijl de elektrische en de pedal steel door respectievelijk Redd Volkaert en Marty Muse werden gehanteerd. En dan hadden we het nog niet over Earl Poole Ball achter de piano en het alomtegenwoordige fiddle-vernuft van Bobby Flores.

Onder acht van de elf nummers treffen we ook de naam van Rodney Hayden zelf aan. Met als meest opvallende gegeven een samen met Robert Earl Keen en Bill Whitbeck gepend liedje, luisterend naar de titel “Get On Your Mule And Ride”. Daarnaast stoten we ondermeer op een zeer mooie (shuffle-)uitvoering van Slaid Cleaves’ “Broke Down” en op een speelse benadering van het door Clay Blaker samen met Tracy Byrd geschreven “Living Everyday Like It’s Saturday Night”.

Al bij al is “Living The Good Life” een typisch Texaans country-album anno nu geworden. Dat wil zeggen zonder ook maar de minste schroom om een fiddle of een steel in te zetten als een liedje daar om vraagt en met een gezonde hang naar de grote voorbeelden van weleer. De Willies, Waylons, Robert Earls en hoe ze ook allemaal mogen heten. Lekkere honky-tonk (“Trying To Get A Little Love” of “Can’t Wait To Get Back Home” bijvoorbeeld) en dito ballads (à la “The First Day”) dus, die je weer volop verzoenen met de huidige countryscène.

Eigenlijk schort er maar één iets aan deze leuke plaat. En dat is het voortdurende besef, dat zijn eersteling eigenlijk nog beter was. Een plaat die hier werkelijk grijs werd gedraaid – voor zover zulks natuurlijk nog kan met een cd…

www.rodneyhayden.com

www.audiumrecords.com

www.kochentertainment.com

 

 

THOM SHEPHERD

“Country Squire”

(Twang Thang Music)

(3.5) J J J J

 

Het gebeurt niet zo heel erg vaak meer, maar het gebeurt nog… Dat er ons een plaat vanuit Nashville bereikt, waarmee we ons kunnen verzoenen, bedoelen we. Nog niet zo heel erg lang geleden was er bijvoorbeeld nog de David Ball-single “Riding With Private Malone”, een erg fraaie story song over de lotgevallen van de wagen van een overleden soldaat na diens dood. Een nummer van de hand van de ons tot dan toe volledig onbekende singer-songwriter Thom Shepherd. En die waagt zich op zijn jongste cd “Country Squire” ook zelf aan die song. In zijn flink wat naaktere uitvoering klinkt hij zelfs nog een stuk beter. Hooggespannen verwachtingen derhalve dan ook voor de rest van het album. Daarop toont Shepherd zich vrijwel voortdurend een prima songsmid. Iemand zou George Strait eens dringend een exemplaar van deze plaat in zijn handen moeten duwen. Nummers als “Thinking ‘Bout You”, “It’s All In Your Hands” en “Melancholy Love Songs” lijken de Texaan immers wel op het lijf geschreven. En met het Iers aandoende “O’Reilley Luck” heeft Shepherd inmiddels alweer een nieuwe kandidaat-hit klaar. (De winnaar van de jongste Nashville Star-competitie, Buddy Jewell, nam het nummer immers op voor zijn major label debuut.)

Anderzijds is het eigenlijk gewoon zo, dat Shepherd het ook zelf verdient om op grote schaal door te breken. De man is immers gezegend met een prettige stem ergens tussen George Strait, David Ball en Gary Allan in en zijn songs klinken een stuk frisser dan de meerderheid van het materiaal dat dezer Music Row verlaat. Een aanrader derhalve dit album voor al wie van commerciële country houdt.

www.thomshepherd.com

 

 

CHIP TAYLOR & CARRIE RODRIGUEZ

“The Trouble With Humans”

(Train Wreck Records / CRS)

(4.5) J J J J J

 

Zelden twee stemmen gehoord die elkaar zo mooi aanvullen als die van ouwe knar Chip Taylor en groen blaadje Carrie Rodriguez. Hij, de auteur van wereldhits als “Angel Of The Morning”, “Wild Thing” en “Same Ol’ Story” – zij, de dochter van de Texaanse liedjesschrijver met het grote hart voor Nederland David Rodriguez – sedert hun onder lofbetuigingen bedolven eersteling “Let’s Leave This Town” muzikaal voor elkaar voorbestemd tot in de eeuwigheid, zo lijkt ’t wel. De warmte die bijvoorbeeld ook van de duetten van John Prine en Iris DeMent afstraalde was het waaraan we gingen denken telkens we dat fameuze debuut beluisterden. En dat is bij “The Trouble With Humans” niet anders! Als er al een verschil met die vorige plaat is, dan is het dat Rodriguez een stuk zelfbewuster uit de hoek komt. De knappe Texaanse lijkt zich nu volop te realiseren dat ze naast een prima violiste vooral ook een begenadigde zangeres is. En bovendien tekent ze samen met haar mentor ook al voor drie liedjes en de productie van het geheel.

Als we een verborgen (en zeer gesmaakt) bonusnummer hier gemakshalve even mogen meerekenen, dan krijgen we opnieuw dertien zeer mooie singer-songwriterdeunen aangereikt die voortdurend flirten met de grens tussen folk en country zoals dat vrijwel alleen in Texas kan, met al bij al toch wel een zekere voorkeur dat laatste genre. Hoogtepuntjes horen wij na flink wat draaibeurten nog steeds in het fraaie openingsnummer “Don’t Speak In English”, het ingetogen aan de grootmoeder van Carrie opgedragen “Memphis, Texas” (over een stadje in de buurt van Amarillo), het een klein tikkeltje vlottere “Curves And Things”, het titelnummer “The Trouble With Humans” en de ijzingwekkend mooie ballade “Fall”. Maar zoals dat wel vaker het geval is, de som blijkt hier uiteindelijk toch weer flink wat groter dan het geheel der afzonderlijke delen. Hoe goed die delen dan ook al mogen zijn. Aanschaffen gewoon! En wel zo vlug mogelijk!

www.trainwreckrecords.com

www.continental.nl

 

 

TRAILER BRIDE

“Hope Is A Thing With Feathers”

(Bloodshot / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Melissa Swingle en haar kompanen van Trailer Bride produceren op “Hope Is A Thing With Feathers” als vanouds een broeierige pot bluesy alt. country met een erg hoog gotiekgehalte. Het uit Chapel Hill afkomstige viertal stoort zich daarbij allerminst aan geldende normen of conventies. Zo kan het bijvoorbeeld dat de weemoedig nagalmende huilende zaag van het titelnummer nauwelijks enkele tellen later genadeloos het vergeetboek wordt ingeschreven door de messcherpe gitaarpartijen van het behoorlijk grungy aandoende “Skinny White Girl”. Terwijl het daaropvolgende “Mack 1” dan weer gezegend is met een stevige laag twang waardoor het samen met het enigszins vergelijkbare “Lightning” van even verderop kan uitgroeien tot één van de toegankelijkste nummers van de plaat. En dan is er nog “Vagabond Motel”! En daar gaan wij even voor zitten… Als de ouwe Hank Williams dit nog jonge millennium gehaald zou hebben, dan zou hij hiervan gegarandeerd uit zijn dak zijn gegaan. Hiervoor werd de term alt. country ooit uitgevonden… Bezwerend, excentriek en heel erg aantrekkelijk in één en dezelfde adem!

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.com

 

 

TONY FURTADO & THE AMERICAN GYPSIES

“Live Gypsy”

(Dualtone / Bertus)

(3) J J J

 

Met zijn vorige cd “American Gypsy” wist hij ons meteen in te palmen, deze Tony Furtado. Daarop bewees de man immers zondermeer één van de allerbeste rootsmuzikanten van het ogenblik te zijn. Een aanstormend talent om te koesteren werkelijk! Zijn virtuoze vingers beminnen met hetzelfde vuur zowel de akoestische en elektrische slidegitaar als de banjo. En bovendien blijkt de man ook gezegend met een zeer degelijke stem en een vlotte pen. Wat wil je nog meer?

Inspelend op het over het algemeen erg hartelijke onthaal dat “American Gypsy” te beurt viel is er nu de live-collectie “Live Gypsy”. En het is met pijn in het hart dat we moeten toegeven, dat die plaat enigszins gebukt gaat onder een euvel, waaraan ook zoveel andere concertregistraties lijden. Oeverloos gesoleer met name fnuikt enkele nochtans in essentie uitstekende songs. Wil dat zeggen, dat je hiervoor de neus moet ophalen? Neen dus! Van liedjes als het speelse “Hartford”, het van Michael Nesmith geleende “Some Of Shelly’s Blues” of het werkelijk wonderschone “Bottle Of Hope” straalt immers zo’n hartstochtelijk speelplezier af, dat het moeilijk wordt om er niet onmiddellijk voor te bezwijken. En als kennismaking met de avontuurlijk ingestelde rootsmuzikant Furtado zou “Live Gypsy” alleszins kunnen tellen.

http://www.tonyfurtado.com

www.dualtone.com

www.bertus.com

 

 

GREG BROWN

“If I Had Known”

(Essential Recordings, 1980 – 1996)

(Red House Records / Central Distribution)

(4.5) J J J J J

 

Eén van die platen waar je de kerstboom vervroegd voor boven zou halen! Bij zijn platenfirma Red House Records achtte men na zestien cd’s de tijd rijp om met een verzamelaar van Greg Brown uit te pakken. Brown die bekend staat als een echte songwriters’ songwriter heeft de voorbije drieëntwintig jaar dan ook een oeuvre uitgebouwd dat het diepste respect afdwingt. De man heeft zo’n lekkere donkerbruine baritonstem die zijn folky liedjes steeds weer ver boven het gemiddelde doen uitstijgen. En als er al één ding is dat deze collectie aantoont, dan is het wel dat Brown eigenlijk al jaren zwaar onderschat wordt. Zoals de ondertitel al aangeeft heeft men bij zijn label immers besloten om de periode vervat tussen 1980 en 1996 toe te lichten met “If I Had Known”. ’s Mans recentere, een weinig succesvollere albums worden op die manier bewust vermeden. Het is duidelijk, dat men vooral wil aangeven, dat Brown al veel langer dan vandaag meegaat. En wij zouden bepaald niet in de schoenen hebben willen staan van de samensteller van deze collectie. Met zeventien nummers uitgesmeerd over zo’n goeie eenenzeventig minuten vormt dit album immers nauwelijks meer dan het topje van een ontzagwekkende ijsberg. Tegelijk is het echter ook een ideale eerste kennismaking met Brown en een leuke aanvulling van de collectie voor wie al wel wat van de recentere stuff van de man in huis heeft, maar nog niets van zijn vroegwerk. Nummers als het heerlijk ouderwets aandoende countryfolkdeuntje “The Train Carrying Jimmie Rodgers Home”, prachtige singer-songwriterminiatuurtjes als “Ella Mae” en Our Little Town” en een tegen pop aanleunende beauty als “Driftless” zullen gegarandeerd in goede aarde vallen!

Voor verzamelaars werd er trouwens in gelimiteerde oplage nog een leuke surprise voorzien. De in 1993 gedraaide documentaire “Hacklebarney Tunes” wordt op DVD meegeleverd met de eerste exemplaren van het album. Daarop vind je ondermeer interviews, jamsessies, concertopnamen en materiaal met betrekking tot Browns achtergrond terug.

Mag in geen enkele zichzelf respecterende singer-songwritercollectie ontbreken!

www.gregbrown.org

www.redhouserecords.com

http://www.musicwords.nl/releases.ned.htm

 

 

MARTIN SIMPSON

“Righteousness & Humidity”

(Topic / Central Distribution)

(4) J J J J

 

Waar hij op zijn vorige cd “The Bramble Briar” nog volop in de weer was met Engelse traditionele muziek kiest snarenwonder Martin Simpson op zijn nieuwste resoluut voor de blues en het diepe Zuiden van de States. Het album ontleende zijn titel aan een gesprek in een bluegrassclub in Nashville over een schietpartij met fatale afloop in een abortuskliniek in Florida. De dader, een fundamentalistisch ingestelde christen met uitgesproken pro vita-ideeëngoed, kon uiteraard niet bepaald op Simpsons begrip rekenen. Eén van de gesprekspartners droeg daarop zonder het zelf te beseffen de titel van deze cd aan door te stellen: “Yeah man – righteousness and humidity, that’s a dangerous combination.”

Steeds terugkerende thema’s zijn op Simpsons jongste schuld en boete, religie, liefde en (het) verlies (daarvan). Terwijl we muzikaal gezien een brede waaier aan bluesvarianten voorgeschoteld krijgen. Centraal staat uiteraard vrijwel voortdurend het sfeervolle snarenwerk van Simpson zelf, die hier beurtelings de elektrische en akoestische gitaar, dan wel de slide, de joekelille, de banjo en de lap steel hanteert. Fraaie bluesy uitvoeringen van traditionals als “John Hardy”, “Payday”, “The Coo Coo Bird”, “Georgia” en “Wild Bill Jones” worden afgewisseld met een stel ijzersterke eigen composities. Het aandoenlijke folk-intermezzo “Love Never Dies” bijvoorbeeld, dat gemakkelijk uitgroeit tot één van de highlights op deze plaat. Andere bijzonder fraaie staaltjes van Simpsons kunnen vonden wij “Some Dark Holler”, een beklemmend mooie soloprestatie op de akoestische gitaar, de broeierige swampy blues song “I Can’t Keep From Crying Sometimes”, met knap vocaal weerwerk van Jessica Radcliffe, en een lekker vinnige benadering van de blues traditional “Rollin’ And Tumblin’”. Het allermooiste nummer wordt evenwel aangedragen door een goede vriend van Simpson, de ons nobele onbekende Gallivan Burwell. Het gaat om de ingetogen bluesy folk song “The Devil’s Partiality”. Toen we die voor ’t eerst hoorden ging er een lichte rilling door ons heen en da’s doorgaans een heel goed teken…

www.martinsimpson.com

www.topicrecords.co.uk

http://www.musicwords.nl/releases.ned.htm

 

 

MARK McKAY

“Live From The Memory Hotel”

(Dren Records)

(3.5) J J J J

 

Voormalig Sixty Acres-gitarist Mark McKay gaat dezer dagen resoluut voor een carrière als singer-songwriter. Op z’n tweede album, “Live From The Motel Room”, dat verspreid over drie avonden werd ingeblikt tijdens optredens in Vienna, VA, toont hij zich daarbij van twee kanten. Enerzijds geeft hij blijkt van een zekere voorliefde voor rootsy akoestisch werk, als hij slechts gewapend met z’n gitaar en met her en der wat vocale en instrumentale ruggesteun van Kris Delmhorst fraaie, over het algemeen wat somber aandoende pareltjes als “Nashville”, “Long Lost Louise”, “Constantine Gardens” of “Rain” ten beste geeft. Anderzijds laat hij op de tweede albumhelft duidelijk horen ook het stevigere werk niet te schuwen als hij met zijn compadres van June Star doorheen een stel nummers van zijn solodebuut “Nothing Personal” en een gedreven cover van Bruce Springsteens “Atlantic City” stoomt. Dan ga je soms heel even denken aan R.E.M. in betere tijden.

Doordat de nummers, zoals reeds eerder gesteld, op verschillende momenten voor het nageslacht werden vastgelegd, krijgen we te maken met een aantal overlappingen. Van enkele van de twaalf nummers krijgen we zowel een naakte zonder-stekker-versie als een band-uitvoering voorgeschoteld. En dat werkt in tegenstelling tot wat je zou kunnen verwachten in het geheel niet storend. Wel integendeel! Het helpt juist om van “Live At The Memory Hotel” een lekker gevarieerde rootsy singer-songwriterplaat te maken.

Voor snelle beslissers is er overigens nog meer goed nieuws! Zij zullen als extraatje immers een drie tracks tellende bonus-cd aangeboden krijgen, luisterend naar de veelzeggende titel “Ready For The Show” en opgenomen onder de hoede van niemand minder dan Eric “Roscoe “ Ambel, de man die dezer dagen vooral furore maakt als de rechterhand van Steve Earle.

www.markmckaylive.com

www.drenrecords.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=85123

 

 

WILLY WILLY & THE VOODOOBAND

“Willy Willy & The Voodooband”

(Shaky 3 Records / Bang! Music)

(3.5) J J J J

 

Als ooit het grote geschiedenisboek van de Belgische pop- en rockmuziek zal worden geschreven, dan heeft deze man zo onderhand zijn eigen hoofdstukje daarin wel verdiend. Willy Willy (“A guy so nice they named him twice.”) verdiende zijn sporen ondermeer als gitarist bij respectievelijk The Scabs, Vaya Con Dios en Arbeid Adelt! Dat leverde de man in het verleden terecht de bijnaam “Keith Richards der Lage Landen” op. Terecht in die zin dat ook Willy Lambregt door en door rock & roll is. Als hij zijn eerste cd opent met de woorden “Hey there Mr. Hot Shot, I am Mr. Real Deal”, dan zouden die zo kunnen worden vertaald naar zijn eigen muzikantenbestaan. Willy Willy is inderdaad wat wij graag “’nen echte” plegen te noemen.

Met “Willy Willy & The Voodooband” eist de man nu voor het eerst ook zelf een plaatsje op het voorplan op. Onder het motto “It’s only rock & roll but you’ll love it” schotelt hij ons veertien nummers voor, waarin alles in het teken staat van authentieke (lekker vettige) rock & roll. Terloops wel regelmatig een snuif country, blues, soul of R&B aan zijn lekker stoofpotje toevertrouwend om het geheel op smaak te brengen. Absolute prijsnummers zijn het in duet met BJ Scott gebrachte “Why Don’t You Love Me Anymore” en de in het gezelschap van zijn ex-Vaya Con Dios-bazin Danni Klein ingeblikte R&B-stamper, “Shot Of R&B”. Voorts vooral heel wat covers van bekende nummers die hier de Willy Willy treatment krijgen: van een dampende versie van het vooral in de uitvoering van Wanda Jackson bekende “Let’s Have A Party” over de Rufus Thomas-hit “Walking The Dog” tot het samen met goudhaantje Patrick Riguelle opgepoetste “Daddy Rolling Stone” van Otis Blackwell. Opvallend gegeven is evenwel, dat de eigen nummers van Lambregt meer dan hun mannetje staan tussen al die classics. De beklijvende sleper “Voodoowomanblues” bijvoorbeeld zal live gegarandeerd potten breken. En het eerder al aangekaarte “Why Don’t You Love Me” zou als single de ideale lijsttrekker kunnen zijn voor dit partijtje. En dan is er nog “Last Call For Alcohol”, een in een pakkend bluesnummer gegoten afscheid van de drank. Heel erg straffe kost! Songs van dat kaliber maken van Willy Willy’s eersteling een sympathieke aanrader voor eenieder die Belgische rootsmuziek een warm hart toedraagt.

www.willywilly.be

www.bangdistribution.com

 

 

SUE FOLEY

“Where The Action Is…”

(Shanachie)

(3.5) J J J J

 

Can a white man sing the blues? Hoe vaak werd ze al niet gesteld, die vraag? Antwoorden zat ondertussen om ze met een gerust gevoel bevestigend te kunnen beantwoorden ook.Maar laat het ons ook eens even over de andere sekse hebben. Hoe zit het eigenlijk met de blanke vrouw? Kan ook zij de blues uitdragen?

Al wie daaraan nog zou twijfelen, nodigen we bij deze vriendelijk uit om zich naar de dichtstbijzijnde betere platenzaak te haasten en daar gewoon even de jongste cd van Sue Foley te gaan beluisteren. Je –al is het ook maar héél even- overgeven aan de aparte kunstjes van deze vinnige schone betekent gegarandeerd verkocht zijn! Met haar krolse stem en haar flamboyante gitaarpartijen als voornaamste wapens waggelt Foley voortdurend als een dronkaard op zijn weg naar huis terug over de vaak flinterdunne grens tussen genres als blues en Americana. Net als de man die “Where The Action Is…” produceerde, Colin Linden, lijkt ze vooralsnog niet echt een sluitende keuze tussen die twee te willen maken. Terloops worden bovendien trouwens ook geregeld nog pop- en soulelementen haar muziek binnengesmokkeld.

Pittige, enigszins hitgevoelige bluesrockertjes als het van de Stones geleende “Stupid Girl”, het knallende “Love Disease” of openings- en titelnummer “Where The Action Is” worden vrijwel continu afgewisseld met meer traditioneel (en vaak ook wat slepender) werk als “Vertigo Blues”, “Down The Big Road Blues” of “Two Bluebirds”, waarin Foley niet alleen haar virtuositeit op de gitaar maar vooral ook haar vocale kwaliteiten volop kan onderstrepen. Datzelfde geldt trouwens ook voor zwaar tegen respectievelijk Americana en soul aanleunende deunen als “Let It Go” en “Every Hour”. Precies die diversiteit van het aangebodene maakt van deze achtste cd van de zangeres-gitariste een bijzonder prettig wegluisterend geheel, dat echt alles heeft wat je van een eigentijds bluesalbum verwachten mag.

www.suefoley.com

www.shanachie.com

 

 

ERIC WESTBURY

“Burnt Tongues & Blue Truths”

(Barreltown Records)

(5) J J J J J

 

Eens om de zoveel tijd komt er eens een plaat voorbij die je vanaf je eerste kennismaking ermee onmiddellijk omver blaast. Zo’n album dat je keer op keer opnieuw in de cd-speler laat glijden en waar je ook telkens weer royaal de tijd voor neemt om er ten volle van te genieten. We zouden het eerder dit jaar verschenen “Stray Dogs” van Rod Picott als voorbeeld kunnen noemen. Of “Drag Queens In Limousines” van Mary Gauthier ook. Of “Broke Down” van Slaid Cleaves. Of “Car Wheels On A Gravel Road” van Lucinda Williams. Enfin, je begrijpt wel waar we naar toe willen…

Welnu, “Burnt Tongues & Blue Truths” van de Canadese singer-songwriter Eric Westbury is er ook zo één. In 2001 verraste de man vriend en vijand al met het zeer goed onthaalde “Walking Tracks”. Met zijn unieke Americana roots rock mocht hij toen al rekenen op tal van lovende recensies. Men vergeleek de man met schoon volk als Bob Dylan, Tom Waits, John Prine, Alejandro Escovedo en Slaid Cleaves, om er maar enkelen te noemen. En wij durven er grof geld om te verwedden, dat zijn tweede cd een nog grotere golf van waardering zal teweegbrengen.

Eric Westbury is immers gezegend met een stem waar je een moord zou voor plegen. Van het type rauw-hees-teder. En zijn songs die staan als een huis. Net als de hoger genoemde platen staat “Burnt Tongues & Blue Truths” vol met even eenvoudige als pakkende verhalen. Nu eens sociaal-kritisch, dan weer vertederend. Neem nu zo’n nummer als het aan wijlen Johnny Cash en zijn wederhelft June opgedragen “Nickajack Cave”, waarvan ondanks de melancholische ondertoon een ongelooflijke warmte afstraalt. Het lijkt alsof de verteller je vanuit zijn schuilplaats voor de wereld wil laten weten, dat je ondanks alles toch altijd verder moet. Zoals in heel wat van zijn nummers zoekt Westbury ook hier naar beterschap in slechte tijden. Al even pakkend is iets verderop ook de op eenvoudige akoestische gitaarbegeleiding geënte story song “Walking Tracks”. Een gesprek met een eenzame ouderling in een bar vormt daarin de aanleiding tot het uitdrukken van de wil om vooral zo niet te worden. En dan is er het bluegrass-getinte, sociaal-geëngageerde “Wise Man Watching”, waarin de moderne media op de korrel worden genomen. De aanschaf van een schotelantenne vormt daarin immers de aanleiding tot het besef:

“Ain’t it all an awful thing?

But what do I know?

What do I know?

I ain’t no wise man watching.”

Sommige dingen zie je dezer dagen inderdaad liever niet meer. Je zou je de vraag kunnen stellen of je ook wel echt alles moet weten. Of je er gelukkiger door wordt valt immers ten zeerste te betwijfelen.

“One Million Shovels” is vervolgens één van de allersterkste momenten van de plaat. Westbury klinkt hier als de mannelijke evenknie van Mary Gauthier en pakt opnieuw met een opmerkelijke theorie uit:

“Truth is meant to be

your only friend – the

only one to stay until

the very end. But it’ll

take a thousand years

and then, one million

shovels to dig it up

again.”

Je kan je zo tientallen situaties voor de geest halen, waarin ‘s mans woorden spijkers met koppen slaan.

Speciale vermeldingen tenslotte nog voor het over het uitzichtloze bestaan van een dronkaard handelende “Usual Everything” en het verstilde “Churchill’s Black Dog”, waarin de gitaar van Westbury zelf en de lap steel van producer Gurf Morlix de ideale achtergrond vormen voor het schuurpapier op de stembanden van de Canadees.

Slotsom: fans van elk van de in deze bespreking genoemde artiesten doen er goed aan Westbury op zijn minst een luisterbeurt te gunnen. De roots rock van deze Canadese troubadour behoort immers tot het allerbeste wat er op dat vlak te rapen valt. Een revelatie zondermeer! En vandaar nu ook al een zekerheid voor ons jaarlijstje!

www.westburyroad.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28397&variation=&aitem=2&mitem=2

 

 

ELLIOTT MURPHY

“Strings Of The Storm”

(Last Call Records / Bang! Music)

(4) J J J J

 

Meedogenloos word je door het vurige gitaarspel van Olivier Durand meteen het vierentwintigste album van Elliott Murphy binnengezogen. In “Green River”, de bitsige opener van de nog gloednieuwe dubbelaar van de man, toont hij na dertig lange jaren nog geen greintje aan scherpte te hebben ingeboet. Dat nummer ademt zo ongeveer dezelfde intensiteit uit die bijvoorbeeld ook Neil Youngs album “Freedom” kenmerkte. Het blijkt echter niet helemaal representatief voor wat nog allemaal volgen zal. Al vanaf het volgende tweetal belanden we immers alweer in wat meer vertrouwde wateren. “Night Falls” en “The Best Kiss” zijn vintage Murphy, zij het dat de in deze omstreken erg gewaardeerde Cindy Bullens de oude meester ditmaal wat vocale bijstand komt verlenen. En dat komt de nummers uiteraard alleen maar ten goede.

Murphy gaf eerder zelf al aan een dubbelalbum te hebben willen maken, omdat heel wat van zijn eigen lievelingsplaten dat ook zijn. De witte van de Beatles bijvoorbeeld, of Dylans “Blonde On Blonde”, of “Exile On Main Street” van de Rolling Stones. Dat “Strings Of The Storm” ooit dezelfde legendarische status als die platen zal verwerven valt ten zeerste te betwijfelen, maar vast staat wel, dat het een plaat is geworden waarmee Murphy zijn reputatie van meesterlijk verteller / woordkunstenaar alle eer aandoet. Als hij in een verraderlijk melancholisch deuntje als “Temple Bar” (met een glansrol voor accordeonist Kenny Margolis) langs zijn neus weg laat weten “You were the nightmare that began as my big thrill.” dan klinkt dat al bijna even krachtig als de fameuze afscheidswoorden waarmee die andere grootmeester, Elvis Costello, ooit muzikaal het lot van een relatie bezegelde, “I wish you luck with a capital F.”

Een andere passende illustratie van de grote vorm waarin Murphy op “Strings Of The Storm” verkeert is “The Last Star Of The Night”. Schitterend singer-songwritermateriaal, dat tegelijk heel erg radiogeniek blijkt. En met een tekst al bijna even complex als het leven zelf.

“My fortune is written in the stars

My destiny in the six strings of a guitar

One thing is certain – I never gave up hope

I lived through death and grief so sharp

It left its scars right across my heart

Only birth relieved me of my pain,”

laat Murphy zich alweer schijnbaar achteloos ontvallen, op die manier een heel leven in slechts enkele woorden vattend zoals alleen de hele groten dat kunnen.

Tweeëntwintig songs lang wordt dat hoge niveau hier aangehouden. En als bonus gooit Murphy er vervolgens ook nog even het nummer “Ground Zero” tegenaan. Voor de kopers van de driedubbele vinyluitvoering kan er zelfs nog een extraatje meer af: een cover van Mick Jaggers “Evening Gown”. Grote plaat dus van een grote meneer! In België geniet hij terecht al jaren een zekere cultstatus. In Nederland lijkt men er vooralsnog niet echt aan te willen en da’s eigenlijk onbegrijpelijk. Dit is immers ontegensprekelijk één van de allerbeste liedjesschrijvers van het ogenblik.

www.elliottmurphy.com

www.bangdistribution.com

 

 

CAVE CATT SAMMY

“Whiskey And The Devil”

(Rubric / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

In tegenstelling tot heel wat van hun enthousiaste collega’s schuwen de vier vanuit San Antonio, TX opererende youngsters van het rockabilly-gezelschap Cave Catt Sammy op hun platen het risico absoluut niet. Op hun vierde cd “Whiskey And The Devil” hangen ze het genre aan een infuus van diverse stijlen, waardoor dat album uitgroeit tot een bijzonder gevarieerd en bovenal ook zeer interessant geheel. Naast stomende covers van ondermeer Jerry Reeds “Your Money Makes Me Purty”, Roy Orbisons (of Peanut Wilsons) “Cast Iron arm” en “Knocked Out” van Shaun Young treffen we er ook zeven originele songs van zanger-bassist Beau Sample en gitarist Stephen Scott op aan. Met als meest in het oog springende nummers zeker het door de machtige tenorsaxstoten van aanvullende kracht Ruben Lara gedragen openingsliedje “I Hate You Gin”, de lekkere West Coast jive van “Down At The Quarthouse”, het op een in alle rust geplukte baslijn van Sample voortdobberende “April’s Fools” en het sterk aan onze eigen Seatsniffers of de Paladins herinnerende rockertje “The Thing I Lack Is A Cadillac”.

Hoog tijd dus, dat deze vier snaken ook in Europa wat meer aan de bak gaan komen. Deze bruisende cocktail van originaliteit en feestdrift is immers nagenoeg onweerstaanbaar! Rockabilly zoals die in het nieuwe millennium hoort te klinken gewoon!

www.cavecattsammy.com

www.rubricrecords.com

http://www.sonic.nl/product.cfm?ID=345585&CFID=136113&CFTOKEN=90831974

 

 

STEVE EARLE

“Just An American Boy, The Audio Documentary”

(Artemis / Ryko / Zomba)

(4) J J J J

 

Bij zijn jongste doortocht door ons land was ons al opgevallen, dat Steve Earle steeds meer aandacht gaat besteden aan de boodschap die hij middels zijn muziek uitdraagt. Tijdens zijn concert in de Brusselse AB nam hij geregeld de tijd om tijdens één van zijn vele monologen uit te leggen, waarom hij er precies een bepaalde opvatting op nahield. Daarbij vielen vooral de door de man ingenomen standpunten ten opzichte van de in zijn land nog steeds uitgevoerde doodstraf en de situatie in Irak in goede aarde bij het aanwezige publiek. Het feit dat hij daardoor in zijn thuisland met een scheef oog wordt bekeken door het politieke establishment neemt hij er maar bij. Muzikaal gezien stelden we vast dat Earle steeds meer in het vaarwater van pakweg een Neil Young terechtkomt. De elektrische gitaren speelden een opvallend prominente rol. Wat an sich niet hoeft te verbazen eigenlijk, als je weet dat Eric “Roscoe” Ambel zich de jongste jaren heeft opgewerkt tot Earle’s vaste rechterhand.

“Just An American Boy, The Audio Documentary” zijn zopas verschenen live-dubbelaar is het perfecte souvenir voor die avond. (Al zal de binnenkort te volgen DVD met de door Amos Poe gedraaide documentaire over Earle die omschrijving wellicht toch nog net iets meer verdienen.) Heel herkenbaar allemaal omdat we het allemaal al eens van dichtbij meemaakten. Earle die de avond inzet met een stevige hap uit zijn recenter (politiek getint) werk als “Amerika V. 6.0 (The Best We Can Do)”, “Ashes To Ashes” en “Conspiracy Theory” om naderhand de gitaar iets meer te gaan sparen en ook zijn al wat oudere fans hun momenten te gunnen. Flink wat moois wordt kwistig over de aanwezigen heen gestrooid. “I Remember You” bijvoorbeeld, de knappe ballad die er hier dankzij de vocale inbreng van Garrison Starr alleen nog maar mooier op wordt. Of de oorstrelende bluegrass van “Hometown Blues” en “The Mountain” – met The Bluegrass Dukes, bestaande uit Tim O’Brien, Darrell Scott, Dennis Crouch en Casey Driessen. En uiteraard mochten ook klassiekers als “Harlan Man”, “Copperhead Road” en “Guitar Town” niet op de setlist ontbreken.

De tweede cd bevat met “Rex’s Blues” een subtiele tip of the hat aan het adres van één van zijn grote voorbeelden, zijn vriend Townes Van Zandt. Daarnaast covert Earle aan het eind van de avond ook nog het veelzeggende “What’s So Funny About Peace, Love & Understanding” van Nick Lowe. Tussen die twee speciale momenten vervat worden we ondermeer ook nog vergast op het controversiële “John Walker’s Blues”, het hem in de States ook al niet in dank afgenomen “Jerusalem”, “The Unrepentant” en het altijd weer even pakkende “Christmas In Washington”. Heel speciaal is ook het als een soort van vijfde wiel aan de wagen meegezeulde “Time To Waste”. Het afsluitende nummer van de cd blijkt immers het plaatdebuut van de zoon van de grootmeester, Justin. En dat ene nummer doet volop het beste verhopen voor diens toekomst. Heel even dwaalden onze gedachten bij het horen ervan af naar het vroege werk van zijn vader. En dat kan als compliment al tellen!

http://www.steveearle.com/

 

 

THE MIKE METZ BAND

“El Dorado”

(Little Chicken Records)

(4) J J J J

 

De uit Californië afkomstige Mike Metz doet binnenkort in z’n eentje de Lage Landen aan voor enkele optredens. En afgaand op wat de man op zijn cd “El Dorado” presteert, zou elke rechtgeaarde liefhebber van Americana uit zijn luie zetel moeten om de man in levenden lijve te gaan bewonderen. Voor dit soort van platen werd de term Americana immers uitgevonden! Mike Metz is naast een begenadigde liedjesschrijver een natuurtalent met een ongelooflijk krachtige soulvolle stem. Daardoor vormt het voor de man niet het geringste probleem om het ene moment te klinken alsof Memphis zijn thuishaven is, het andere alsof hij nooit buiten Nashville geweest is. En nog eens enkele minuten later zou je zweren te maken te hebben met een Texaan pur sang… Soul, blues, Tex-Mex, rootspop, Americana, you name it, he’s got it…

“Who’s been eating my peaches,” vraagt de man strijdvaardig in het van soul doordrongen openingsnummer van z’n cd. Het antwoord luidt een vijftigtal minuten later met volle overtuiging: “Wij! En met veel plezier ook…” Hoe de man met “Forty Tons” bijvoorbeeld de groove benadert die van Joe Cockers uitvoering van “You Can Leave Your Hat On” zo’n klassieker maakte is eenvoudigweg indrukwekkend. Ergens tussen pop, soul en blues in helpen de gereputeerde Gospel Hummingbirds dit nummer zelf ook tot een classic in spe uitgroeien. “East Hurtin’ Street” is op zijn beurt dan weer een knappe sleper: lekkere trage bluesy (roots)rock met aan het einde zelfs even een vleugje Doors erin verwerkt. En dan is er de aandoenlijk jankende pedal steel van David Phillips in het titelnummer. Superieure Americana country – andere woorden vinden we voor iets van dit kaliber niet! En wacht tot je “Winnebago” hoort! Voortgestuwd door het vinnige accordeonspel van Miguel Govega bewijst Metz in dat nummer ook voor een pittig bakje Tex-Mex zijn hand niet om te draaien. “Westbound To Roseville” vermelden we ook nog snel even. Lekker vet koperwerk vormt in dat nummer de basis voor opnieuw zo’n knappe blanke soulschuiver. En “Ghost Of ‘49” en “Here In Virginia” wisten ons ook meteen te bekoren. Wellicht niet in geringe mate door de vioolbijdragen van Jeremy Cohen. Vooral het eerste van die twee nummers groeit mede daardoor uit tot een rustig rootspop-pareltje met een aanstekelijke gypsy feel.

Je plaat een titel als “El Dorado” meegeven is eigenlijk gewoon vragen om een conclusie waarin muzikale goudzoekers volop aan hun trekken komen. We gaan de lovende woorden hier dan ook zeker niet uit de weg! Sterke plaat gewoon, die nu al reikhalzend doet uitkijken naar meer.

http://www.mikemetzmusic.com/

 

 

DRIVE-BY TRUCKERS

“Decoration Day”

(New West / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Vreemd toch, hoe platen je bij een eerste beluistering absoluut koud kunnen laten om je vervolgens bij elke nieuwe draaibeurt een beetje meer in te palmen. Het overkwam ons onlangs weer eens bij onze eerste kennismaking met “Decoration Day”, de vijfde van het Southern rock-gezelschap de Drive-By Truckers. Een plaat die ergens halverwege tussen het zware geschut van hun vorige, “Southern Rock Opera”, en eerdere wat meer country-getinte albums dient te worden gesitueerd. Een verschuiving die wellicht mee in de hand werd gewerkt door het vertrek van gitarist Rob Malone en zijn vervanging door Jason Isbell. Daardoor telt de groep nu drie volwaardige songwriters in haar rangen. Beurtelings zijn het Patterson Hood, Mike Cooley en de nieuweling die tekenen voor de songs op “Decoration Day”. Nummers die vrijwel zonder uitzondering handelen over keuzes die mensen in hun leven maken en de gevolgen daarvan. En vooral amoureuze beslommeringen komen daarbij uitgebreid aan bod.

Openingsnummer “The Deeper In” is meteen één van de knapste nummers van de plaat. Het vertelt het verhaal van de enige twee mensen die voor het ogenblik in de States een gevangenisstraf uitzitten voor een consensuele broer-zus-incest-relatie. Patterson Hood heft het liedje in regelrechte Billy Joe Shaver-stijl acapella aan en overrompelt je op de hem geheel eigen manier. Het aansluitende “Sink Hole” is een dreigende rocksong die live al lang uitgroeide tot publiekslieveling. En ook voor “Hell No, I Ain’t Happy”, Southern “three guitar” rock met Neil Young-inslag, lijkt een dergelijke toekomst weggelegd. Net als voor “Marry Me” dat het geluid van de Stones, versie vroege zeventiger jaren, koppelt aan een gezonde dosis Replacements. “My Sweet Annette” is dan weer een lekkere lap Americana. En “Heathens”, een naar Truckers-normen behoorlijk rustig voortkabbelende deun met een ritmepatroon verwant aan Springsteens “I’m On Fire”, koppelt een tekst over de moeilijkheid om een relatie in stand te houden opnieuw aan zo’n getormenteerde zangprestatie van Hood. Nog zo’n hoogtepuntje is het door Mike Cooley geschreven “Sounds Better In The Song”. Een beklemmende tekstregel als “I might as well have slipped that ring on your finger from a window of a van as it drove away,” vertelt hier zowat het hele verhaal. Een prachtige story song, waarin je de eenzaamheid als een brok in Hoods keel nagenoeg echt voelen kan. Zeer fijn bluesy akoestisch snarenwerk trouwens ook hier. En een speciale vermelding tenslotte ook nog voor het titelnummer van de cd, al was het maar omdat daar de elektrische gitaren nog eens lekker wild van stal mogen.

Deze plaat heeft lang op zich laten wachten door de onverwachte beslissing van platenfirma Lost Highway om de band te dumpen. Gelukkig vond men in het New West label alsnog een volwaardige (geïnteresseerde) vervanger. De verkoopscijfers in de States logen er immers niet om. Tijdens de eerste weken na de release ervan werden van “Decoration Day” alvast meer exemplaren verkocht dan van eender welk ander Truckers-album tot op heden. En dat is in dit geval veelzeggend…

www.drivebytruckers.com

www.newwestrecords.com

www.sonic.nl

 

 

FINK

“Haiku Ambulanz”

(Trocadero Records / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

 “Haiku Ambulanz”, de vijfde van het Duitse alt. country-gezelschap Fink, ontleende zijn titel aan een kort gedicht van de Amerikaanse hippiedichter Richard Brautigan: “A piece of green pepper fell off the wooden salad bowl: so what?” De titel ervan (“Haiku Ambulance”) wakkert een vermoeden van poëzie aan en doet denken aan loeiende sirenes en dergelijke meer, maar eigenlijk gebeurt er gewoon niets. En precies daarin schuilt hem de link naar de laatste van het uit Hamburg afkomstige gezelschap rond singer-songwriter Nils Koppruch en z’n maat Andreas Voss. Het duo beschrijft op “Haiku Ambulanz” een wereld vol van geveinsde actie als aanklacht tegen het over het algemeen toch vrij risicoloze karakter van ons huidige bestaan. En als de Duitse taal geen bezwaar voor je vormt, dan valt er op het album heel wat te beleven. Koppruch en Voss en kompanen deden ons zo beurtelings denken aan pakweg Sixteen Horsepower en Calexico (vooral dan in het bezwerende “Der Hahn” met z’n schetterende mariachi-trompetten). Maar dan wel stevig ondergedompeld in een tot aan de rand met muzikale invloeden gevuld bad: van country tot jazz, van reggae tot folk, van moderne elektronica tot pop of rock – het zit er echt wel allemaal in. Als geheel werkt het een beetje zoals het Duitse voetbal: niet altijd allemaal even verfijnd, maar vaak wel heel erg doeltreffend. En met de nadruk toch wel duidelijk meer op alt. dan op country. File under: Finkmusik.

www.finkmusik.de

www.trocadero-records.com

www.sonic.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Songs Of Bob Dylan - All Blues’d Up!”

(Smith & Co / Compendia Media Group / Zomba)

(3.5) J J J J

 

Enige tijd geleden belandde hier de cd “Songs Of Bob Dylan - All Blues’d Up!” op de werktafel. Deze twaalf tracks tellende compilatie uit een reeks waarvan de makers telkens met de hand op het hart volhouden “This Ain’t No Tribute” bevat bluesuitvoeringen van een stel bekende en minder bekende songs van Ol’ Bawb. Eerder verscheen deze plaat al eens met als titel “Tangled Up In Blues: Songs Of Bob Dylan”. Taj Mahal trapt de feestelijkheden af met een lekker relaxte (bijzonder soulvolle) uitvoering van “It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry”. Vervolgens is er Mavis Staples met het van soul en gospel doordrongen “Gotta Serve Somebody”. En Isaac Hayes tovert “Lay Lady Lay” om tot een volbloed-soulballade. Probeer je de hoogdagen van het Stax-label even voor de geest te halen en je zal begrijpen wat we daarmee nu precies bedoelen. Heel fraai gedaan! Uit een compleet ander vaatje tapt R.L. Burnside in “Everything Is Broken”, da’s moderne blues zoals moderne blues hoort te klinken. Opvallende gasten zijn Buddy Guy met pittig gitaarwerk en James Cotton voor een aardig potje harmonica. Luther “Guitar Jr.” Johnson laat vervolgens zijn instrument volop aan het woord in een lekker vette versie van “Pledging My Time” en James Solberg tekent met zijn duidelijk op bluegrass geënte versie van “I’ll Be Your Baby Tonight” wat ons betreft voor het mooiste moment van het album. Volgen nog: Alvin Youngblood Hart met een zeer soulvolle, slepende uitvoering van “Million Miles”, Leon Russell met een vergelijkbare kijk op “Watching The River Flow”, de Holmes Brothers met hun slome wandeling doorheen het van een beauty van een piano intro voorziene “Wallflower”, Larry McCray met een lekker opgefokte elektische bluesversie van “All Along The Watchtower” en The Band met het volop in een rootssfeertje badende “One Too Many Mornings”.

Dit volume uit de “All Blues’d Up!”-reeks maakt alvast volop nieuwsgierig naar de overige delen ervan. Zowel voor Dylan-fans als voor bluesliefhebbers een leuke aanvulling voor de collectie, als je ’t ons vraagt!

http://www.amazon.com/exec/obidos/tg/detail/-/B00008GRO3/qid=1065009092/sr=1-5/ref=sr_1_5/103-5767569-8283055?v=glance&s=music

 http://www.zombarecords.com

 

 

DWIGHT YOAKAM

“In Others’ Words”

(Reprise / Warner)

(4) J J J J

 

Vraag: “Wat doet een artiest die zo snel mogelijk onder z’n nog lopende platencontract uit wil?” Antwoord: “Hij geeft aan z’n platenfirma z’n fiat om de één of andere snel bijeengeharkte collectie op zijn fans los te laten.” Veelal gaat het dan om het soort van “Best Of” of “Greatest Hits” verzamelingen waar de verzamelaar niet onderuit kan, omdat er als een soort verborgen verleider één of meerdere nieuwe tracks aan toegevoegd worden. Niet zo echter in het geval van Dwight Yoakam. Zijn overstap van Reprise (Warner) naar Audium wordt bezegeld met “In Others’ Words”, een collectie songs die weliswaar her en der verspreid allemaal al eens eerder verschenen, maar die als geheel een knap nieuw album opleveren.

Het lekkere openingstweetal, de bluegrassdeunen “Borrowed Love” en “Rocky Road Blues”, werden bijvoorbeeld van de albums “Earl Scruggs & Friends” en “Big Mon” geplukt. Van “The Songs Of Jimmie Rodgers – A Tribute” komt het heerlijke countrybluesje “T For Texas”. Terwijl Tex Owens’ (vooral in de uitvoering van Eddy Arnold bekende) hit “Cattle Call” een hartverscheurend mooie beurt kreeg op de soundtrack bij de film “The Horse Whisperer”. “Truckin’” (van “Deadicated”, het muzikale eerbetoon aan de Grateful Dead van enige tijd geleden) noemt Yoakam zelf “a psychobilly journey” en “New San Antonio Rose” dat hij opnam met de straffe gasten van Asleep At The Wheel voor “Ride With Bob: A Tribute To Bob Wills & The Texas Troubadours” is werkelijk puntgave Western swing.

Het mooiste nummer van het geheel is vervolgens het rustige, aan “Pearls In The Snow: The Songs Of Kinky Friedman” ontleende “Rapid City, South Dakota”. Het geheel wordt gecompleteerd met het van zijn vorig jaar verschenen box set “Reprise Please Baby – The Warner Bros. Years” afkomstige stukje Americana “Louisville”, de uitstekende van “Tulare Dust: A Songwriter’s Tribute To Merle Haggard” stammende Hag-cover “Holding Things Together” en het oorspronkelijk op “It’s Now Or Never (The Tribute To Elvis)” verkrijgbare “Mystery Train”.

www.dwightyoakam.com

 

 

THAD COCKRELL

“Warmth & Beauty”

(Yep Roc Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

De uit North Carolina afkomstige singer-songwriter Thad Cockrell zegt van zijn muziek: “There’s no “alt” in my country.” Daarmee wil hij vooral aangeven, dat hij tot het sterk uitgedunde groepje makers van echte old school country wil worden gerekend. Country zoals die hoorde te klinken in de dagen voor Nashville zijn ziel verkocht aan de Billboard pop charts. Tot zijn grote voorbeelden rekent de man dan ook sterke figuren als Merle Haggard en George Jones. Want, aldus nog Cockrell, “I’ve always loved the twang of hurt.”

Eigenaardig genoeg zijn het vooral alt.country-liefhebbers die Cockrell naar waarde weten te schatten. Zo werd “Stack Of Dreams”, zijn debuut, bijvoorbeeld verdeeld door alt. country huis van vertrouwen Miles Of Music. En vooral in alternatievere kringen geapprecieerde groten als Caitlin Cary, Tift Merritt en Chris Stamey droegen elk een steentje bij tot die plaat. Om maar te zeggen…

En nu is er dus de tweede cd van Thad Cockrell, die met “Warmth And Beauty” haar titel allesbehalve gestolen heeft. Een verborgen bonus track meegerekend schotelt Thad Cockrell ons daarop twaalf lappen country van vlees en bloed voor. In een co-productie met Chris Stamey blinkt hij beurtelings uit in lekker vinnige countryrockertjes (zoals bijvoorbeeld het openingsnummer “I’d Rather Have You”), in tragere varianten van dat genre (als pakweg “Some Tears” en “She Ain’t No You”), in lekker getormenteerd klinkende oercountry (zoals het titelnummer of “I Was So Lonesome”) en in klassieke honky tonk stuff à la Dwight Yoakam (bijvoorbeeld “What’s The Use” en de titelloze bonus track). Zijn lijfspreuk doet hij daarbij voortdurend alle eer aan: “Puttin’ the hurt back in country.” De lijdende stem van de man zelf, her en der opduikende huilende steelgitaren en tonnen hartzeer in de teksten staan daarvoor moeiteloos garant.

Ook ditmaal mocht Cockrell trouwens weer op flink wat prominente hulp rekenen bij het inblikken van zijn plaat. Bij het bestuderen van de kleine lettertjes in het cd-boekje kwamen we naast de drie ook al op zijn vorige plaat aanwezige collega’s ook de naam van Mitch Easter tegen. Schoon volk genoeg dus op deze fraaie (alt.) countryplaat. Aanbevolen!

www.thadcockrell.com

www.sonic.nl

 

 

SARA COX

“Arrive”

(CdFreedom.Com)

(4) J J J J

 

Toen we ‘t hier enkele maanden geleden over de cd “Transient” van The Coming Grass hadden, staken we ‘t al niet onder stoelen of banken, dat wij zwaar gecharmeerd waren door de vocale prestaties van de frontvrouw van die band, Sara Cox. Het zal je dan ook wel niet verbazen zeker, dat we zeer in onze nopjes zijn met de eerste full cd van deze uit Portland, Maine afkomstige zangeres-liedjesschrijfster zelf, luisterend naar de veelzeggende titel “Arrive”.

Op dat album laat Cox in eerste instantie horen over een uitstekende pen te beschikken. Haar teksten wijden je vanuit een specifiek vrouwelijk standpunt in in de kleine en grote problemen die vrouwen in hun relaties of in het leven van alledag zo nu en dan dienen te overkomen. Beurtelings klinkt ze daarbij het ene moment een weinig hulpeloos, het andere als een sterke, zelfbewuste jonge vrouw. Wisselvallig – zoals het leven zelf dus…

In de openingstrack “The Milk Song”, een rockertje uit de Evan Dando- / Juliana Hatfield-school is het vruchteloos wachten geblazen op een verwacht telefoontje van de wederhelft. Uit het nerveuze karakter van de song blijkt duidelijk met welke gevoelens de protagoniste van het liedje vecht. Elders pakt Sara Cox je moeiteloos in met de cool van pakweg een Joni Mitchell in haar stem. Knappe songs als “Hit The Wall”, titelnummer “Arrive” en “Look Up” zijn daar uitstekende voorbeelden van. “Sometimes you’ve got to go crazy or you just might lose your mind” is de wat bittere boodschap van het eerste van die drie nummers, maar het heeft door de speciale voordracht van Cox allemaal meer iets weg van een verborgen verleider. “Beat Down Grass” is dan weer bijzonder fraaie trage, wat folky aandoende, rootsrock. Evenals “Devotion” trouwens, geschreven vanuit het standpunt van de loser in een stukgelopen relatie. “Devotion will only get you so far you know you’ll have to drive yourself the rest the way home,” luidt het verbitterd. “Single Girl” is aansluitend één van de meest catchy songs hier. Over een bekoorlijke pianoriedel van Paul Chamberlain heen smeert Cox een weinig à la Aimee Mann een prachtig liedje over alweer een “Single Girl”. Wat volgt is dan wat ons betreft het zondermeer mooiste nummer van de plaat. In “Confession #87” vertelt Cox, zichzelf daarbij fraai begeleidend op de akoestische gitaar, hoe vrouwen met hun onafhankelijkheid omspringen. Die blijkt soms al eens iets meer nodig dan op andere momenten… Een heel erg knappe tekst, getuigend van flink wat inzicht in de eigen psyche!

Ook speciaal is de acapella-uitvoering van de Richard Buckner-song, “Fater”. Op momenten als deze hoor je pas echt goed, hoe krachtig de stem van Cox wel is. En tenslotte willen we hier ook “Paper Cup” niet onopgemerkt voorbij laten schieten. Door het geschikte gebruik van een piano ademt dat nummer zo’n typisch verlaten-bar-tegen-sluitingstijd-sfeertje uit. We laten je even proeven van een stukje tekst ervan:

“Leave a note by the door

to tell me that you’re moving on.

Just play the last chord

to let me know you have gone.”

Een wat bizarre manier om een streep te trekken onder een relatie, als je ’t ons vraagt. Evenals onder de recensie van een uitzonderlijk goede plaat trouwens…

http://www.thecominggrass.com/SaraCox/SC-home.html

http://www.cdbaby.com/cd/saracox2