ARCHIEF CD-RECENSIES OKTOBER 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Tom Gillam “Shake My Hand”The Blue Seeds “The Blue Seeds” - Two Cow Garage “The Wall Against Our Back”Various Artists “Moody Bluegrass – A Nashville Tribute To The Moody Blues”Shelley Campbell “Blue Ridge Reveille” - Jonathan Byrd & Dromedary “The Sea & The Sky”Dolorean “Violence In The Snowy Fields” - Melanie Horsnell “I Just Want Some Love”Adam Marsland “You Don’t Know Me”Lauren Dillon “The Cost Of Living” - Irene Kelley “Thunderbird”Ray LaMontagne “Trouble”Ingham County Regulars “Ingham County Regulars” - Various Artists “Texas Unplugged Vol. 1”The Flood “The Flood” en Kevin Welch / The Flood “Plenty Of Time – Live” (DVD) - Jesse Dayton “Country Soul Brother”JP Den Tex “La Jeune Fille Au Chewing Gum”Chris Berardo & The DesBerardos “Pure Faith” - Mike Andersen Band “Tomorrow”The Mick Fleetwood Band “Something Big”Dan Israel “Time I Get Home” - Pauline Reese “The Good, The Bad And The Ugly”James Low “Live At Mississippi Studios”Christine McVie “In The Meantime” - Willy DeVille “Crow Jane Valley”Nathan “Jimson Weed” - Laurie & John “Arabella”BJ Baartmans “Where Lovers Go”The Mavericks “Live In Austin Texas”Lynn Miles “Chalk This One Up To The Moon” - Rob McNurlin “Buffalo Skinners”Knut Bell And The Blue Collars “Honkahillyrockabilly” - Madeleine Peyroux “Careless Love”Various Artists “Music That Matters”Various Artists “Hard-Headed Woman: A Celebration Of Wanda Jackson” - Rodney Parker “Blow The Soot Out”Allen Ramsey “Allen Ramsey”David Rodriguez “The Lonesome Drover” - Townes Van Zandt “Live At The Jester Lounge, Houston, Texas 1966”The Blasters “4-11-44”Terri Hendrix “The Art Of Removing Wallpaper”Jamie Hoover “Jamie Hoo-ever” - Tony Joe White “The Heroines”Bill Deasy “Good Day No Rain” - The Lonesome Sisters (With Riley Baugus) “The Lonesome Sisters” en “Going Home Shoes”Tim Grimm “Names” - Ben Harper & The Blind Boys Of Alabama “There Will Be A Light”Various Artists “Close Harmony – A History Of Southern Gospel Music, Volume One, 1920-1955”Various Artists “A Western Jubilee – Songs And Stories Of The American West”John Wesley Harding “It Happened One Night & It Never Happened At All” - Kasey Anderson “Dead Roses”Bill Passalacqua “Long Way Home”Jack Rose “Two Originals Of…” - David Munyon “2 Billion Banjo: Blues Songs For Eric Burdon”Dave Van Ronk “… And The Tin Pan Bended, And The Story Ended…”The Laura Blackley Band “Liquid Courage” - Eric Andersen “The Street Was Always There”Bill Staines “Journey Home”Early Grace “EP” - Ricky Skaggs & Kentucky Thunder “Brand New Strings”Randy Rogers Band “Rollercoaster”Eleven Hundred Springs “Bandwagon”Michael De Jong “Imaginary Conversation”Jimmy Sturr “Rock ‘n Polka”Clay Bartlett “Fixin’ To Break Down”Dolly Parton “Live And Well” (DVD)Melonie Cannon “Melonie Cannon”

 

TOM GILLAM

“Shake My Hand”

(Hayden’s Ferry)

(3) J J J

 

Als een soort van overjaarse rocker wiens kapper door zijn toedoen al een poosje op water en brood moet bestaan staart Tom Gillan je een beetje verweesd aan vanop het hoesje van zijn nieuwe CD “Shake My Hand”, een album waarop hij zonder daarbij echt overrompelend uit de hoek te komen toch laat horen een aardig melodieus rootsrockdeuntje in de vingers te hebben. Zijn door Joe Carroll, de gitarist van zijn band Tractor Pull, geproduceerde derde album bevat dertien stuks daarvan, stuk voor stuk uit de eigen koker ontsproten. Pretentieloze liedjes zijn het, variërend van pittige rockertjes over wat meer countryesk aanvoelend spul tot sfeervolle ballads. De ideale showcase voor Gillams wat gruizige stem en zijn gevarieerde (slide)gitaarspel. Mooiste nummers zijn de wulpse rootsy countryrocker “Your Parting Gift”, die door een lekker vunzige slidegitaarinterceptie van Gillam zelf eindigt in de buurt van dingen zoals we die van Georgia Satellites-baas Dan Baird ooit ook wel eens te horen kregen, de bezielde ballades “Please Come Home” en “I Could Be The One” verder ook, het een heel klein beetje aan John Fogerty verwante titelnummer en het met een bijzonder sterke melodie gezegende “One Park Lane”. Dat soort van liedjes leverden hem alvast een stekje in de AMA Chart op, wat betekent dat men hem in het Amerikaanse radiolandschap alvast wel lust.

www.tomgillam.com

Miles Of Music

 

 

THE BLUE SEEDS

“The Blue Seeds”

(Sale Cabot Music)

(3.5) J J J J

 

We hebben hier wel eens vaker een lans gebroken voor het principe “in der Beschränkung zeigt sich der Meister”. Het doet dan ook plezier om vast te stellen, dat de vijf van het debuterende Canadese collectief The Blue Seeds resoluut opteren voor kwaliteit boven kwantiteit op hun titelloze visitekaartje. Dat amper vijf stukjes tellende EP’tje wordt daardoor een bijzonder veelbelovende verrassing. Het beklemmend sfeervolle openingsnummer “Barcelona” verzoent dankzij twangy gitaarwerk, een vette laag - afwisselend zacht balsemende en onbehaaglijk krassende - strijkers en de ijl-zwoele stem van ijsprinses Amélie Laflamme de filmmuziek van Ennio Morricone, de triphop van Portishead en meer rootsgeoriënteerd materiaal à la Jesse Sykes en Hope Sandoval. “A Quick Killing In Art” neigt vervolgens ongegeneerd richting de Cowboy Junkies – de vroege dan – en laat ons zwelgen in een wollig warme (gelegenheids)accordeoninvulling door de gitarist-songwriter van de groep François Dufault. En via de 43 seconden durende instrumental “Il Deserto”, waarin David Lynch en Angelo Badalamenti gezamenlijk kort maar krachtig de soundtrack bij de spaghetti-western lijken heruit te vinden, belanden we vervolgens in het stevigste nummer van de vijf, “Amphetamines And Coffee”. Daarin voorziet een solide baslijn in een stevige knipoog naar Mancini’s “Peter Gunn Theme”, liggen de gitaren vervaarlijk dreigend voor hun hokken en haalt Laflamme opnieuw magisch bezwerend uit. Afgesloten wordt er daarna met “Black Birds”, dat door het functionele gebruik van een zingende zaag en herfstig melancholieke gitaren opnieuw meer dan zomaar een beetje aan de Junkies en Mazzy Star herinnert.

Voor alle duidelijkheid willen we hier wél nog even stellen, dat ondanks alle verwijzingen naar anderen hierboven The Blue Seeds een grote belofte lijken in te houden. Met wel degelijk een wat apart eigen country noir-geluid ook. En als ze op hun eerste volwaardige langspeler dit niveau effectief kunnen blijven aanhouden, dan zullen wij alvast zeker niet nalaten om ook dat schijfje onverwijld in huis te halen.

www.theblueseeds.com

CD Baby

 

 

TWO COW GARAGE

“The Wall Against Our Back”

(Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Eén grote lillende lap door en door rood rock & roll-vlees, da’s wat het is, die tweede van het uit Columbus, Ohio afkomstige bandje rond zanger-gitarist Micah Schnabel. Dat driemanschap bewijst op de opvolger van z’n ook al allesbehalve misselijke debuut “Please Turn The Gas Back On”, “The Wall Against Our Back”, dat de beste rockbaby’s nog altijd worden geboren uit een klassiek ménage à trois. Messcherpe gitaren, hamerende drums en een pompende bas, het mag dan al een beproefd recept zijn, maar weinigen lezen het grote rockkookboek nog met dezelfde expertise als de nochtans nog piepjonge Schnabel en zijn maatjes dat hier doen. Het ene moment meen je de Bottle Rockets te horen, het andere Slobberbone, de Drive-By Truckers lonken ook wel eens om het hoekje, puur op de geëtaleerde rauwe energie afgaande zelfs de Clash, maar vooral toch ook Paul Westerberg en zijn Replacements in hun betere dagen. Met deze laatste deelt Schnabel een rauw-hees-tedere stem, die zowel in krachtige uithalen als “Good For Nothin’” of “Hillbilly”, als in wat ingetogener momenten als “Brand New July” en het afsluitende titelnummer van de plaat steeds weer het onderste uit de kan weet te halen. Pure passie! Je kan de mensen van de Nederlandse verdeler Sonic Rendezvous dan ook absoluut geen ongelijk geven, dat ze deze groep aan hun roster hebben toegevoegd, want net als de eerder aangehaalde voorbeelden zal ook Two Cow Garage met zijn energieke gitaargeoriënteerde roots rock spoedig een flinke schare fans aan zich weten te binden. Dat staat als een paal boven water!

www.twocowgarage.com

www.sonic.nl

 

 

MOODY BLUEGRASS

(VARIOUS ARTISTS)

“A Nashville Tribute To The Moody Blues”

(Rounder)

(3.5) J J J J

 

In de States is het fenomeen der bluegrass-eerbetonen aan groten van allerlei slag de jongste jaren tot een echte rage uitgegroeid. En wat veel van de daarbij ontstane platen voor ons interessant maakte, is het feit dat ze over het algemeen werden ingespeeld door de beste muzikanten die het genre rijk is. Daardoor werd alvast vermeden dat ze uitgroeiden tot louter lift- en supermarkt-achtergrondmuziek. Neem nu zo’n project als het zopas verschenen “Moody Bluegrass”. Bij het overlopen van het lijstje met de eraan deelnemende artiesten stoot je ondermeer op namen als Alison Brown, Sam Bush, Lionel Cartwright, Larry Cordle, John Cowan, Stuart Duncan, Aubrey Haynie, Alison Krauss, Tim O’Brien, John Randall en Russell Smith. En dan weet je eigenlijk al bij voorbaat dat je goed zit. Dat eerbetoon aan de in de jaren zestig tot supersterren uitgegroeide knapen van The Moody Blues is inderdaad bijzonder aangenaam wegluisterende bluegrass. Liedjes als “Ride My See Saw”, “The Other Side Of Life”, “I’m Just A Singer In A Rock & Roll Band” of de wereldhit “Nights In White Satin” gedijen werkelijk uitstekend in deze rootsy omgeving, waarin instrumenten als de mandoline, de banjo, de akoestische gitaar, de staande bas en uiteraard ook de fiddle de dienst uitmaken. Hun herkenbaarheid zal er bovendien toe bijdragen, dat ook niet-ingewijden in het bluegrassgenre hier een stevig aanknopingspunt vinden. En misschien zorgt dat er op zijn beurt dan wel weer voor, dat hier te lande weer wat nieuwe zieltjes voor het ook zo al een flinke “boom” doormakende genre zullen worden gewonnen - net zoals bijvoorbeeld ook Alison Krauss + Union Station, Steve Earle & The Del McCoury Band, de films “O Brother, Where Art Thou?” en “Cold Mountain” en Fred Eaglesmith dat eerder al vermochten te doen. Sympathiek initiatief alleszins!

Rounder Europe

 

 

SHELLEY CAMPBELL

Blue Ridge Reveille”

(Nettwerk)

(4) J J J J

 

Verleidelijk kijkt de in het rurale deel van Ontario geboren en getogen, maar ondertussen in Vancouver verblijvende zingende liedjesschrijfster Shelley Campbell je vanop het hoesje van haar nieuwe CD aan terwijl ze een pluim rook jouw richting uitblaast. En haast even seductief als die pose is ook de muziek op die tweede volwaardige langspeler van de jonge Canadese na haar al in ’99 verschenen debuut “Misfit Café” en de uit 2001 stammende en vijf tracks tellende EP “Is It You?”. Op basis van de titel “Blue Ridge Reveille” verwacht je hier bluegrass of mountain music, maar al snel blijkt dat je daardoor gewoon op het verkeerde been bent gezet. Nummers als “Unsatisfied”, “No Fear”, “Porchswing” – Met een lekkere dobrobijdrage! – en het titelnummer neigen weliswaar nog behoedzaam in die richting, maar toch… Je denkt ondertussen ook luidop aan Lucinda Williams, Gillian Welch, de Be Good Tanyas en zelfs de Cowboy Junkies. “Blue Ridge Reveille” is trouwens überhaupt een erg gevarieerd geheel. “Is It You?” is zo bijvoorbeeld een passionele alt. country-trage, “Drivin’ You” wordt quasi gecroond, “New Year’s Eve At The Legion”, een duetje met Bocephus King, is een rootsy country story song en “A Waltz” doet zijn titel alt. country-gewijs alle eer aan. “Dreamin’” is vervolgens een (sic) dromerige, rond een sfeervol nagalmend gitaartje opgetrokken ballade, “Beautiful Child” krijgt door een accuraat gebruikt accordeon iets zuiders mee, “Simple Prayer is twangy country en “Nightsong” gewoon prachtige Americana. Heel mooi is tenslotte ook nog “Typical Truckstop”, waarin zachtjes rinkelende Byrds-gitaren, een luid jammerende lap steel en een old-timey banjo het ideale huwelijk helpen voltrekken tussen country en Americana. Canada heeft er – om een lang verhaal kort te maken - opnieuw een in de gaten te houden talent bij.

Shelley Campbell

www.nettwerk.com

 

 

JONATHAN BYRD & DROMEDARY

“The Sea & The Sky”

(Waterbug Records)

(4.5) J J J J J

 

 “The Sea & The Sky” is de van wel bijzonder fraai artwork voorziene derde CD van Jonathan Byrd. Het als een boekje verpakte nieuwe album van de vanuit North Carolina opererende singer-songwriter laat hem horen in het gezelschap van wereldmuziekduo Dromedary. En dat levert bij vlagen werkelijk kippenvel verwekkend mooie muziek op. De in amper twee dagen live in de studio ingespeelde plaat – Onvoorstelbaar gewoon als je het werkelijk vlekkeloze geluid in acht neemt! – valt weliswaar nog duidelijk onder de noemer Amerikaanse folk- en rootsmuziek, maar de door zijn gelegenheidsbegeleiders naar binnen gesmokkelde elementen uit respectievelijk de Portugese, Spaanse, Britse, Zuid-Amerikaanse, Caraïbische en Afrikaanse muziektradities verlenen het geheel toch ook duidelijk een zekere meerwaarde. Bij monde van geliefden, zeelui, slaven en andere uitgesproken karakters maakt Byrd ons deelachtig aan een brede waaier aan prachtig verklankte gevoelens als pijn, passie, hartstochtelijk verlangen en brandende hoop. De man is naast een innemende zanger bovendien een begenadigde gitarist en vond op de koop toe in Rob McMaken de ideale harmonieerpartner. Liedjes als “True Companion”, “The Young Slaver”, “I’ve Been Stolen”, “I’m So Lost” en het breekbare “The New World” krijgen daardoor iets onaards moois over zich. En “The Sea & The Sky” wordt hier dan ook zonder dralen nu al toegevoegd aan het lijstje zeker niet te vergeten platen voor als we straks moeten gaan nadenken over onze favoriete albums van het nu bijna voorbije jaar. Zeer warm aanbevolen bij dezen!

www.jonathanbyrd.com

www.dromedarymusic.com

www.waterbug.com

CD Baby

 

 

DOLOREAN

“Violence In The Snowy Fields”

(Yep Roc Records / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Net op tijd om als ideale soundtrack bij het jaarlijks weerkerende ritueel van vallende bladeren en mistroostig-druilerige herfstdagen te kunnen fungeren belandde zopas “Violence In The Snowy Fields”, de derde van Dolorean in de schappen. Al James, Jay Clarke en hun spitsbroeders presenteren zich daarop opnieuw als de muzikale treurwilgen die we al leerden appreciëren via hun Yep Roc-debuut “Not Exotic”. Het hoeft dan ook niet te verwonderen, dat het album ook opnieuw samen met Jeff Saltzman werd geproduceerd.

Openingsnummer “The Search” en “To Destruction” zijn nog behoorlijk levendig-countryesk opgevatte liedjes en titelnummer “Violence In The Snowy Fields” rockt door de elektrische gitaarbijdrage van Emil Amos zelfs even voorzichtig, maar elders is het weer gewoon volop wegdromen geblazen. Het sfeervol melancholische “Put You To Sleep” profiteert zo bijvoorbeeld flink van een voor de gelegenheid ingezette pedal steel, autoharp en viool, “Dying In Time” en “Holding On” kabbelen majestueus traag voorbij en klinken zo’n beetje als de Tindersticks gone alt. country en bij mijmerstukjes als “My Grey Life (Second Chances)” en het afsluitende “In The Fall” gleden onze gedachten onwillekeurig af tot bij wijlen Nick Drake.

Op het verrassingseffect van de ijzersterke voorganger hoeven de heren hier natuurlijk niet meer te rekenen. Maar dat geeft niet, want ook daar zonder valt er opnieuw aardig wat te genieten. Meer zelfs nog, “Violence In The Snowy Fields” is in zijn geheel een bijzonder aangename luistertrip voor de al eerder aangekaarte de tijd van het jaar. Nu dus…

www.dolorean.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

MELANIE HORSNELL

“I Just Want Some Love”

(Me & My Records / Rounder Europe)

(3.5) J J J J

 

CD-singles zal je ons hier niet snel onder de loep zien nemen, maar voor één keer willen we van die huisregel wel graag even afwijken. Het betreft “I Just Want Some Love”, het Beatle-eske folkpopdeuntje dat het heerlijke album “The Adventures Of…” van de Australische Melanie Horsnell wat meer media-aandacht moet bezorgen. En om de kans om in dat opzet te slagen nog wat te vergroten heeft men er namens platenlabel Rounder Europe ook een zestal concertopnamen aan toegevoegd. An sich niks bijzonders, ware het niet dat het aan het BRTO-programma “Crossroads” van de onvolprezen Jos van den Boom ontleende akoestische versies van Horsnells liedjes betreft. Van den Boom heeft zich de voorbije jaren met zijn radiosessies een stevige reputatie verworven en de voorliggende Horsnell-opnamen illustreren waarom dat zo is. De werkelijk onberispelijke kwaliteit van de sessie maakt van deze single een echt hebbedingetje. “Birds”, “Beautiful Excuse”, “Sometimes”, “Roundabout”, “I Just Want Some Love” en “Can I Kiss You Again” klinken in deze naakte versies in onze oren eigenlijk gewoon nog mooier dan in hun oorspronkelijke CD-uitvoeringen. Prachtige breekbare pop-folkliedjes van één van de voornaamste nieuwe talenten die zich de jongste jaren in dat genre hebben aangediend. Een echte aanrader!

www.melaniehorsnell.com

Rounder Europe

 

 

ADAM MARSLAND

“You Don’t Know Me”

(Karma Frog Recording Company)

(3) J J J

 

 “You Don’t Know Me” is het op het eerste gehoor wat bevreemdend overkomende solodebuut van Adam Marsland. In het verleden verdiende die man zijn sporen ondermeer al bij de Wondermints – de groep achter Brian Wilson – en bij Cockeyed Ghost. En met twee van zijn maats in die laatste groep, Kurt Medlin en Severo, en de ook hier te lande als zangeres van zulke sixties-klassiekers als “Angel Of The Morning” en “Can’t Let Go” al enige bekendheid genietende Evie Sands ging hij aan de slag voor zijn eersteling. Dat je daarop verwijzingen naar zijn passie voor de Beach Boys zou aantreffen was welhaast onvermijdelijk. Het overige materiaal is echter des te verrassender. Een staaltje kamerbreed harmonieerwerk in de beste Wilson-traditie als “The Big Bear” wordt zo afgewisseld met respectievelijk rijk geschakeerde seventies pop (“You Don’t Know Me”, “Other Than Me”, “What The Hell” en “I Can’t Do This Anymore” – denk Ben Folds, vroege Elton John), ingetogen singer-songwriter stuff (“A Moment Of Clarity”), recht-toe-recht-aan-power-pop/rock (“Have A Nice Day” en “What The World Needs Now Is A Good Deus Ex Machina”, een kandidaat voor songtitel van het jaar), een breekbare falsetto-ballade (“Stranger On The Street”), stevig, door rinkelende gitaren gedragen, wat meer rootsgericht materiaal (“My Kickass Life”) en een radiovriendelijk rockertje (“Love X 10 (How Dare You)” - de geknipte single als je ’t ons vraagt).

Al bij al niet de gemakkelijkste plaat, dat zeker niet, maar wel een bijzonder intrigerende. Zo eentje van het type dat bij elke beluistering weer wat meer van zijn geheimen prijsgeeft. Een echt groeiertje. En van de liedjesschrijver Marsland hebben we hiermee zeker nog niet het laatste gehoord, laat dat ook maar meteen duidelijk zijn.

www.adammarsland.com

www.karmafrog.com

Miles Of Music

 

 

LAUREN DILLON

“The Cost Of Living”

(Sugarshack Records)

(3) J J J

 

 “The Cost Of Living” is het debuut van de uit Austin, TX afkomstige singer-songwriter Lauren Dillon. Die blonde schone zag haar dromen over die eersteling bijna in rook opgaan toen ze vorig jaar aan een ongeval een verpletterde hand overhield. Dillon is – zoals de hoesfoto waarop ze met haar National steelgitaar staat afgebeeld al doet vermoeden – immers ook een begenadigde gitariste. Vocaal gezien laat ze zich situeren in hetzelfde straatje als pakweg een Bonnie Raitt enerzijds en een Shawn Colvin anderzijds. Een straffe stem dus. Terwijl er op muzikaal vlak gezwind heen en weer gefietst wordt tussen diverse bluesvarianten, rock en folk. En dat levert alles samen een aangenaam wegluisterend visitekaartje op. Met als uitschieters wat ons betreft de broeierige storysong “Climbing Walls”, het desolate folkliedje “End Of The Road” en het rootsy “Home Away From Home”. Met name de wat rustigere liedjes. Misschien moest Dillon zich daar bij een volgende gelegenheid dus wel wat meer op gaan concentreren. Dan zit er een echt juweeltje aan te komen…

www.laurendillon.com

CD Baby

 

 

IRENE KELLEY

“Thunderbird”

(Me & My Records / Rounder Europe)

(4) J J J J

 

Toen ik een paar jaar geleden onderweg toevalligerwijze het nummer “A Little Bluer Than That” hoorde, haastte ik me snel naar huis in de hoop op het internet wat meer aan de weet te komen over de zangeres ervan, ene zekere Irene Kelley. Puur op basis van dat ene liedje bestelde ik uiteindelijk een weinig later haar CD “Simple Path” en daar heb ik sedertdien nog geen moment spijt van gehad. Kelley bleek immers een fantastische liedjesschrijfster te zijn, die, gezegend met een honingzoete stem, het beste uit country, bluegrass en Americana wist te vatten in even charmante als pakkende songs. En mijn lotgevallen in dezen zijn een beetje vergelijkbaar met die van country-icoon Alan Jackson. Toen die op WSM Kelley’s performance van datzelfde liedje in de Grand Ol’ Opry hoorde, nam hij prompt contact op met haar publisher voor een kopie ervan. Gevolg: het nummer belandde op zijn onder eremetaal en lofbetuigingen bedolven album “Drive” en Irene Kelley werd zelfs door hem uitgenodigd om harmoniegewijs haar steentje aan die nieuwe uitvoering bij te dragen. Voor de zangeres-liedjesschrijfster die in het verleden al songs had geleverd aan mensen als Trisha Yearwood, Loretta Lynn, Rhonda Vincent, Claire Lynch, Ricky Skaggs en anderen meteen goed voor een nieuwe start. Het resultaat daarvan ligt nu in de vorm van “Thunderbird” in de schappen. En verdeler Rounder Europe is alvast zo sterk overtuigd van de kwaliteiten van dit product, dat het album werd uitgeroepen tot “Americana Special” van de maand. Volkomen terecht ook, als je ’t ons vraagt.

Kelley weet immers als geen ander haar eigen leven te gebruiken als inspiratiebron voor haar liedjes. Een zware griep (de Bill Anderson-co-write “Cold All The Time”), een bezoek aan het door watersnood bedreigde New Orleans (“Somebody Let The Water In”), een ritje op de I-65 South (“Highway”), haar dochters (“My Sun And Moon”), haar scheiding (het met Billy Yates gepende “I Pray”), achter elke gebeurtenis lijkt zich voor haar wel het één of andere liedje te verschuilen. En bij het inblikken ervan mocht ze bovendien ook nog eens rekenen op flink wat steun van bekende en gerespecteerde vrienden. Rodney Crowell zingt zo bijvoorbeeld samen met Kelley het in al zijn eenvoud schitterende “If I Had Any Strength At All”, Claire Lynch, Scott Neubert en Jon Randall zorgen voor fraaie harmonieën in de resterende tien liedjes en Stuart Duncan levert bijdragen op respectievelijk fiddle en mandoline. Net als “Simple Path” wordt “Thunderbird” daardoor een album dat zowel in country-, bluegrass- als Americana-kringen flink wat nieuwe vrienden moet kunnen maken. Het is er in elk geval eentje dat moeiteloos ver boven het niveau van de dezer dagen in Nashville aan de lopende band vervaardigde eenheidsworst uitstijgt.

www.irenekelley.com

Rounder Europe

 

 

RAY LAMONTAGNE

“Trouble”

(RCA / PIAS)

(4) J J J J

 

Het levensverhaal so far van de op zijn eenendertigste debuterende Ray LaMontagne is er één dat bij momenten een weinig aan het onwaarschijnlijke grenst. Vlak na zijn geboorte al hield zijn vader het bekeken aan de zijde van zijn moeder. En die trok vervolgens uit bittere noodzaak met haar zes eenheden tellende kroost van hot naar her, zodoende een onderkomen vindend in zo ongewone omgevingen als de tuinen van vrienden, schuren, tenten, auto’s en dies meer. Geen al te geweldige jeugd gehad dus die LaMontagne, zeker als je dan ook nog eens rekening gaat houden met het feit dat een kanjer van een neus zijn gezicht een weinig ontsierde en hij om die reden als de “new kid” op telkens weer andere scholen werd weggepest. Toch zou hij door de moed der wanhoop gedreven afstuderen, om vervolgens zonder specifiek levensdoel voor ogen van “huis” weg te trekken. Hij werd een nog grotere zonderling dan hij altijd al geweest was en zou als arbeider in een schoenenfabriek beetje bij beetje beginnen weg te kwijnen. Langzaam maar zeker op weg naar een gewisse zelfmoord, zo leek het… Tot hij op een goede morgen gewekt werd met Stephen Stills’ “Tree Top Flyer” en zich eensklaps realiseerde, dat hij wat die man deed ook wou gaan doen. Door zich aansluitend vol overgave op de muziek van rock en soul acts als Crosby, Stills, Nash & Young, Bob Dylan, Joni Mitchell, Neil Young, Ray Charles en Otis Redding te gaan toeleggen leerde hij zichzelf zingen en liedjes schrijven. En dat bleek hij zo goed te doen, dat men hem op basis van zijn in de zomer van 1999 opgenomen demo meteen een schrijfdeal aanbood bij Chrysalis. Men paarde hem vervolgens met de gerenommeerde producer Ethan Johns (Jayhawks, Ryan Adams) en liet hem snel zijn debuut opnemen. Een geïnteresseerd platenlabel zou men later wel zoeken. Zo goed vond men hem… En het moet gezegd, LaMontagne’s onlangs bij RCA verschenen eersteling “Trouble” is ook van een werkelijk uitzonderlijke kwaliteit. Heerlijk singer-songwritermateriaal dat beurtelings een Southern soul-, pop-, roots- of folk-eindlaagje meekrijgt. Stralend middelpunt van de belangstelling is de vaagweg aan Ted Hawkins en Grayson Hugh herinnerende passionele rasp van LaMontagne zelf, die verder enkel de harmonica en de akoestische gitaarpartijen voor eigen rekening nam. Ethan Johns zorgde naderhand voor zowat al de rest. Wat percussie hier, gitaartje daar, wat piano, drums, bas en harmonium. Enkel de (veelvuldig aanwezige) strijkers besteedde hij uit. En verder mochten Jennifer Stills en Sara Watkins (van Nickel Creek) respectievelijk vocaal en/of op de fiddle een handje komen toesteken. Die collaboratie leidde tot één van de mooiste singer-songwriterplaten van het jaar. Qua intensiteit iets van het kaliber van pakweg een Jeff Buckley, een Damien Rice of een Ron Sexsmith. Het heeft er dan ook alle aanschijn van, dat LaMontagne, zijn vrouw en zijn twee kinderen hun onlangs verlaten houten hutje eerlang definitief zullen mogen beginnen vergeten.

www.raylamontagne.com

www.rcarecords.com

 

 

INGHAM COUNTY REGULARS

Ingham County Regulars”

(S17-REC-ORDS)

(3.5) J J J J

 

Wie net als ons spontaan gaat kokhalzen van de overgrote meerderheid van het melige popgedoe dat vanuit Nashville dezer dagen wordt gepromoot als zijnde country, die kan met een gerust gemoed op zoek gaan naar het debuut van de Ingham County Regulars. Dat uit Lansing, Michigan afkomstige viertal bestaande uit de broers Marty (gitaar, zang) en Jason Portier (bas, zang), Chris Diener (leadgitaar) en Jesse Soriano (drums) laat op zijn bijzonder vitale eersteling de grenzen tussen traditionele country en rock bij momenten heel erg vervagen. De geesten van Hank Sr. en Waylon waren tussen flamboyant uit de hoek komende gitaren rond op zoek naar bevrediging voor hun onderhand moe getergde oren. Twang wordt op dit door de in en om Detroit en in kennerskringen heel erg gerespecteerde Jim Diamond geproduceerde geheel nog hoog in het vaandel gevoerd. De gitaren mogen lekker vet aan de bak, de bas pompt ouderwets lekker, de drums knallen en de zang is lekker rauw. Liefhebbers van de Two Dollar Pistols, de Backsliders en andere échte alt. country acts zijn bij dezen gewaarschuwd: met de zelf-geproclameerde “rockin’ alt. country-tonk” van de Ingham County Regulars in de buurt lijkt voor hen een wild feestje gegarandeerd…

www.inghamcountyregulars.com

CD Baby

 

 

VARIOUS ARTISTS

Texas Unplugged Vol. 1”

(Palo Duro Records)

(3) J J J

 

Een nieuw idee kan je het bezwaarlijk nog noemen, een goed idee daarentegen zeker wel. Het kleine Texaanse label Palo Duro Records dat de voorbije maanden ondermeer al uitpakte met interessante releases van Ed Burleson, Eleven Hundred Springs, TC Taylor en Brian Burns komt nu op de proppen met de compilatie “Texas Unplugged Vol. 1”. Daarop komen naast die vier artiesten uit de eigen stal ook ex-The Great Divide-zanger Mike McClure, youngster Becca Dalrymple, singer-songwriters Houston Marchman, Deryl Dodd, Terri Hendrix en Larry Joe Taylor en country acts Tommy Alverson en de Sisters Morales voorbij. Voorwaarde om een bijdrage tot de verzameling te mogen leveren was “de stekker d’ruit”. Geen elektrische toestanden gold als devies, voor het overige kon en mocht zowat alles. En dat komt de muziek hier echt wel volop ten goede. Waar heel wat recente uit Texas afkomstige releases kreunden onder een overproductie – met als het ultieme voorbeeld wel de nieuwe Pat Green “Lucky Ones” – ademen tal van de liedjes op “Texas Unplugged Vol. 1” een ontwapende frisheid uit. Vooral de dartele country van Ed Burlesons “The Way You’re Treatin’ Me”, het bluesy “No Man’s Land” van de van een krachtige stem voorziene Becca Dalrymple, het elegant voorbij schuifelende “Dark Black Irish Eyes” van de excellente songsmid Houston Marchman, het nerveuze “Clicker” van Terri Hendrix, het met volop naar Mexico geurend gitaarwerk omlijste “Even The Rain” van Sisters Morales en good old Tommy Alversons “Texas Woman” nestelden zich hier vrijwel meteen knus tussen de oren. En dat is voor ons alvast ruim voldoende om het volgende volume in deze reeks nu al met interesse tegemoet te zien. Ondertussen laven we evenwel graag nog een poosje onze dorst aan nummer één.

www.texasunplugged.com

www.palodurorecords.com

 

 

THE FLOOD

“The Flood”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

KEVIN WELCH / THE FLOOD

“Plenty Of Time – Live” (DVD)

(Shock Records)

(4) J J J J

 

Van de - als we hun bio zomaar blind mogen geloven tenminste - beste roots band van Australië belandden hier onlangs gelijktijdig liefst twee producten op de schrijftafel. Naar aanleiding van de zopas verschenen en met Kevin Welch gedeelde live-DVD “Plenty Of Time” besloten de vijf heren van The Flood immers ook hun al van vorig jaar daterende en naar zichzelf vernoemde CD wat meer onder de aandacht te brengen. En daar zijn we zanger / liedjesschrijver Kevin Bennett en de zijnen bij nader inzicht aardig dankbaar voor. Ging onze aandacht oorspronkelijk nog vooral uit naar de Kevin Welch-inbreng op de DVD, dan weten we ondertussen wel beter. The Flood klinkt bij momenten zo’n beetje als Crowded House of Tim Finn op de Americana-toer. Iets waarvoor de soulvolle stem van zanger Bennett enerzijds en de orgel- en pianobijdragen van Tim Wedde anderzijds in grote mate verantwoordelijk lijken. Vooral in liedjes van het kaliber van het openende tweetal “Felt Like Mine” en “Nobody On My Side”, beide met een behoorlijk hoog popgehalte, zullen fans van hoger genoemde artiesten vinden wat hun eigen idolen de jongste jaren nog maar met mondjesmaat aanreiken. Maar het is hier zeker niet al pop wat de klok slaat. Blues, roots, country, pop en aanverwanten gaan hier vrijwel voortdurend naadloos in elkaar over. Met als andere hoogtepunten naar onze bescheiden mening het countryeske “You Might Be There”, het ingetogen rootspareltje “Wayside” en het kippenvel-eerbetoon aan hun bekendere landgenoot Paul Kelly.

Sterke CD!

 

Wat de in oktober van vorig jaar in The Basement in Sydney opgenomen DVD betreft dan. Daarop nemen Kevin Welch en The Flood beurtelings drie nummers voor hun rekening. Van Welch onthielden we vooral een mooie ingetogen uitvoering van zijn “Beneath My Wheels”, de fraaie Van Morrison-cover “Queen Of The Slipstream”, de bezielde bar room Americana van “Life Down Here On Earth”, het bluesy “Jersey Devil” en het voor het eerst geregistreerde, half vertelde, half gezongen Hiatt-covertje “Train To Birmingham”. Van The Flood anderzijds het met een scheutje zydeco-accordeon overgoten “You Might Be There” en opnieuw dat duivels mooie “Paul Kelly’s Blues”. Afsluiten deden Welch en The Flood die avond overigens samen met het volop naar The Band verwijzende “Happy Ever After” en de groovy Joe Ely-cover “Me & Billy The Kid”. Hoewel, helemaal juist is dat niet. De encore was immers weer voor Welch in z’n eentje met een huiveringwekkend mooie akoestische versie van “Plenty Of Time”.

Verder biedt dit schijfje ondermeer ook nog clips van Welch z’n “Killing Myself” en van “Paul Kelly’s Blues” van The Flood, enkele interviewfragmenten en de over een streepje erg fraaie gitaarmuziek heen vertelde biografieën van elk van beide acts.

 

www.theflood.com.au

www.shock.com.au

Hitsound Records

 

 

JESSE DAYTON

“Country Soul Brother”

(Stag Records / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

 “Da’s bom!” is een momenteel onder de lokale jeugd erg populaire uitdrukking om aan te geven, dat iets haar voorkeur geniet. Wel over Jesse Daytons nieuwe CD kunnen we kort zijn, die is… bom! De man die de voorbije jaren in countrykringen – ondermeer ook van grootheden als een Johnny Cash, een Ray Price, een Waylon Jennings en een Kris Kristofferson - het nodige respect afdwong met zijn eerste drie albums “Raisin’ Cain”, “Tall Texas Tales” en “Hey Nashvegas” flikt het hem weer. Wijlen Doug Sahm liet zich ooit ontvallen “You just can’t live in Texas, if you don’t have a lot of soul!” en dat lijkt de rijzige Dayton zich naar aanleiding van zijn nieuwe worp ook te hebben gerealiseerd. In het gezelschap van een heuse pléiade aan schoon volk als Redd Volkaert (elektrische gitaar), Gary Primich (harmonica), Bradley Jaye Williams (accordeon), Riley Osbourn (piano, B-3, Fender Rhodes), Erik Hokkanen (fiddle), Eddie Spaghetti (Supersuckers / backing vocals), Carolyn Wonderland (backing vocals) en DB Harris (backing vocals) toont hij zich van zijn soulvolste kant in materiaal verwant aan dat van groten uit het genre als een Conway Twitty en een George Jones. Nummers als “Daily Ritual”, “One Of Them Days”, “It Won’t Always Be Like This” – met zalige blazers als kers op de taart - en “Just To Get You Off My Mind” zijn daarvan mooie voorbeelden. Daarin laat Dayton horen over één van de mooiste countrystemmen van het ogenblik te beschikken. Bruin van de rook, verweerd door de whiskey en getekend door het leven, zoiets. Maar “Country Soul Brother” eet wel van meer walletjes mee. “Moravia” is zo bijvoorbeeld superaanstekelijke meezing-Tex-Mex, “All Because Of You” lijkt met z’n infectueuze orgeltje wel weggelopen uit de catalogus van de eerder al even aangehaalde Doug Sahm, “Talkin’ Bobby Dale’s Hard Luck Blues” is doorleefde R&B, “Ain’t Grace Amazing” en “Daily Ritual” blijken soulvol rootsy singer-songwritermateriaal à la “Tall Texas Tales”, titelnummer “Country Soul Brother” en “Just What I Needed”, een hoogst originele cover van de gelijknamige zeventiger-jaren-hit van de Cars, zijn turbo-country en “Jesus Pick Me Up” rootsmuziek op z’n swingendst.

Het optelsommetje na zoveel intense luisterpleziermomenten levert absoluut geen verrassende resultaten op: “Country Soul Brother” is gewoon één van dé countryplaten van het jaar. Niks meer, maar zeker ook niks minder!

www.jessedayton.com

www.sonic.nl

 

 

JP DEN TEX

“La Jeune Fille Au Chewing Gum”

(CoraZong Records)

(3.5) J J J J

 

Van een aangename verrassing gesproken! JP (Jan-Piet) den Tex bewijst op “La Jeune Fille Au Chewing Gum” dat hij in de ruim dertig jaar die hij in het vak staat in alle stilte is uitgegroeid tot één van de interessantere liedjesschrijvers die Nederland bevolken. Op dat door de van Powderblue bekende Jac Bico geproduceerde album realiseert de (opvallend goed bij stem zijnde) muzikale gypsy een zeer mooie kruisbestuiving tussen zo diverse genres als pop, Americana en het Franse chanson. Den Tex, die opgroeide in de buurt van een Noord-Brabants veerpont, raakte daar als youngster in de ban van het door passerende toeristen geëtaleerde nonchalante Franse leven enerzijds en de rijke, alles-kan-alles-mag way of life van de Amerikanen anderzijds. En in zijn muziek zoekt het voormalige Tortilla-lid nu beurtelings in het Engels en in het Frans naar een synthese van twee voor die culturen karakteristieke stijlen. Hoogtepunten zijn daarbij wat ons betreft het door Marjolein van der Klauw (Powderblue) van backing vocals voorziene tweetal “Get Yourself Some Light” en “Life Without Television”, het van melancholie overlopende “Rendez-Vous A Deauville” en het zonderling mooie titelnummer. Hoe onwaarschijnlijk het op papier misschien ook allemaal mag klinken, het hier door Americana en het Franse levenslied gebaarde kindje is wel degelijk levensvatbaar. En ’t is verdorie nog een schoontje ook…

www.jp-den-tex.com

www.corazong.com

 

 

CHRIS BERARDO & THE DESBERARDOS

“Pure Faith”

(Lamon Records)

(3) J J J

 

De eersten die een brug probeerden te slaan tussen genres als pop, rock, country en Americana zijn ze zeker niet geweest en de laatsten zullen ze wellicht ook wel niet zijn. Maar op zoek naar de juiste formule om een wat ruimer publiek warm te maken voor het laatstgenoemde genre zijn er nog niet velen in dezelfde mate geslaagd in hun opzet als Chris Berardo en zijn maats. De door zijn looks – lange manen, wijd openstaand geruit mouwloos hemd en dies meer - in eerste instantie eerder aan mainstream rock acts refererende singer-songwriter uit Silvermine, CT bewandelt ogenschijnlijk moeiteloos de gouden middenweg tussen de hoger opgesomde genres. Daarbij helpt het dat hij gezegend is met een een weinig aan de jonge Mellencamp herinnerende zachthese stem en dat hij verdomd goed weet hoe hij een catchy hook aan papier moet toevertrouwen. Voorzichtig rockende country stuff als titelnummer “Pure Faith” of het radiovriendelijke “The Big Show”, de frivole Americana van “Dance In The Moonlight” of de knappe rootsy country van “Pass The Bottle” illustreren dat laatste gegeven perfect. En ook het door zijn lekker weghappende harmonica-intro en zijn rinkelende gitaren opvallende countryrockertje “You’ll Know It’s Me” zal wellicht makkelijk zijn weg naar de playlist van radiojongens met smaak vinden. Enkel wanneer de balans een weinig al te zeer naar stadionrock gaat overhellen zoals in het precies daardoor wat geforceerd aandoende “My Turn” of in de eerder melige ballade “Still Waters” passen wij liever. Maar ook voor dat genre van countryrock zal wellicht wel ergens een publiek bestaan zeker?

www.desberardo.com

www.lamonrecords.com

 

 

MIKE ANDERSEN BAND

“Tomorrow”

(Black & Tan Records / Music & Words)

(4) J J J J

 

Voor ons betekende “Tomorrow” een eerste kennismaking met de Mike Andersen Band, maar onze onwetendheid in verband met zijn vorige plaat “My Love For The Blues” is een euvel dat snel uit de wereld zal worden geholpen. Zeker weten! Wat de zes uit de buurt van het Deense Aarhus afkomstige heren op hun zogeheten “moeilijk tweede” laten horen getuigt immers van grote, grote klasse. Met een perfecte mix van soul, blues en R&B blazen ze je regelrecht omver. En over blazen gesproken… Met Morten Elbek (sax) en Rasmus Boegelund (trompet) heeft frontman Andersen een bijzonder bezield uit de hoek komende kopersectie in de buurt. Voeg daar aan toe de passionele zang en het – bij momenten aan B.B. King herinnerende – gitaarspel van de man zelf, broeierige piano- en Hammondbijdragen van Claus Sand en beheerst drumwerk van Mads “Tiny” Andersen - een knaap die in het verleden zijn kunstjes ondermeer ook al vertoonde achter Otis Grand, Joe Louis Walker, Ike Turner, Kim Wilson en Steve Cropper - en wat je overhoudt is een droom van een moderne bluesplaat. Vooral in wat tragere, werkelijk van soul en passie druipende nummers als het titelnummer en “Stuck With Me” en in stomende door de blazers aangejaagde stukken als “Encore – One More” laten Andersen en co horen dat ze het in zich hebben om het heel erg ver te gaan schoppen. Letterlijk warm aanbevolen dan ook, dit schijfje!

www.mikeandersen.com

www.black-and-tan.com

 

 

THE MICK FLEETWOOD BAND

“Something Big”

(TallMan / Sanctuary / BMG)

(3.5) J J J J

 

Anders dan zijn voormalige Fleetwood Mac-collega Christine McVie op haar hier onlangs ook besproken soloplaat “In The Meantime” waagt Mick Fleetwood zich op het met de naar hem vernoemde band opgenomen “Something Big” wél een aardig eindje weg uit de buurt van het geluid van de groep waarin hij groot werd. Op dat krakend als een ouderwetse lap vinyl geopende album demonstreren Fleetwood en zijn “rechterhanden” Todd Smallwood (co-producer / zanger / gitarist / liedjesschrijver) en Lauren Adams (zang) van heel wat markten thuis te zijn. Stevige gitaarblues (“Bitter End”), authentieke rootspop (het titelnummer, “Making Other Plans” en “No Borders”), een folkuitstapje (het Amerikaans gestijlde streepje Ierse folk “Where The Wind Blows”), pop (het door z’n karakteristieke orgeltje heel even een “A Whiter Shade Of Pale”-gevoel oproepend slowtje “Watching Over You” en het met een bohémien-trekje gezegende “Heaven Sent”), het kan voortdurend echt alle kanten uit. En een gedroomde singlekandidaat presenteert zich met “These Walls” terloops ook nog even. Daarin gaat Fleetwood immers over een leuk streepje harmonica en fraaie jengelgitaartjes heen op z’n Mellencamps of z’n Petty’s aan het rootsrocken. Al bij al staat “Something Big” dan ook voor een even onverwachte als aangename verrassing.

www.themickfleetwoodband.com

www.sanctuaryrecordsgroup.co.uk

 

 

DAN ISRAEL

“Time I Get Home”

(Eclectone Records)

(3.5) J J J J

 

Vorig jaar nog lieten we ons hier in vrij lovende bewoordingen uit over “Love Ain’t A Cliché”, de vijfde van de al sinds 1996 vanuit Minneapolis aardig aan de muzikale weg timmerende singer-songwriter Dan Israel en zijn Cultivators. En ondertussen viel hier met het gewoon thuis in zijn eigen kelder opgenomen “Time I Get Home” alweer zijn volgende worp in de bus. Wat daarop eens te meer opvalt, is het ongelooflijke gevoel voor melodieuze hooks dat Israel etaleert. Het lijkt wel alsof zijn songs met kleine weerhaakjes zijn uitgerust, die zich al vanaf de eerste beluistering genadeloos in je onderbewustzijn vastpriemen. Je raakt er alleszins zo snel niet meer van af. En dan is er natuurlijk ook nog die wat aparte stem. Zo’n beetje het midden houdend tussen de nasale twang van Bob Dylan, de onbehouwen passionaliteit van Elvis Costello en het sympathiek-klaaglijke van Tom Petty houdt Israel je spelenderwijze dertien songs lang bij de les. Zacht jengelende gitaren en sfeervolle Hammond-bijdragen van Peter Sands van de Honeydogs doen de rest. Melancholische rootsrocktragen als “Come To Me”, “All The Plains” of “Enough For Anyone” en wat opgewektere uit dezelfde kontreien stammende deunen als “Down The Line”, “Better Road” en “Somebody Better” zijn gewoon catchy as Hell. En dan hadden we het nog niet eens over “You Know”. Dat is het soort van ingetogen rootspopliedje dat met een naam als bijvoorbeeld die van een Tom Petty eronder gewoon niet meer van de radio zou zijn weg te branden geweest. Om maar te zeggen…

Het wordt wat ons betreft dan ook stilaan hoog tijd dat men de capaciteiten van deze uitzonderlijk begaafde zingende songsmid eens op wat grotere schaal naar waarde gaat beginnen te schatten. Da’s immers wel het minste wat hij verdient!

www.thecultivators.com

CD Baby

 

 

PAULINE REESE

“The Good, The Bad And The Ugly”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Met de titel van haar jongste CD roept Pauline Reese onwillekeurig herinneringen op aan één van de mooiste westerns aller tijden. En zowel met de intro tot die plaat als met het titelnummer ervan trekt ze die lijn ook op muzikaal vlak verder. Wat volgt is echter andere koek. Niet meteen het soort plaat dat je verwacht van een werkelijk oogverblindende jonge Texaanse schoonheid, die je met haar looks alleen al spelenderwijze zou kunnen doen smelten. Reese blijkt immers uit het goede hout gesneden en zoekt op haar “moeilijke tweede” een brug te slaan tussen een actueel geluid en een afdoende dosis traditionele elementen om er voor alle countryliefhebbers een lekkernij van te maken. En daarin slaagt ze wonderwel. Met als niet onbelangrijke bijkomstigheid het gegeven dat ruim de helft van het vertolkte materiaal bovendien uit de eigen koker blijkt te stammen. Naast covers van klassiek hard country-materiaal als Dolly Partons “Honky Tonk Songs” of Johnny Mercers prachtballade “Dream” prijkt minstens evenwaardig eigen materiaal als het op de klassieke honky-tonk-leest geschoeide “One Less Honky Tonk”, het naar cerveza, tequila en tortillas geurende stukje grensexotisme “Yellow Wine”, de melancholische– een weinig aan Bobby Goldsboro’s “Honey” verwante sleper - “Rainy Day Night”, de zwierige dancehall-favoriet-in wording “Old Story” en het met een voorzichtige polka touch gezegende “Remember November”. En alsof dat alles nog niet zou volstaan, loopt ook good ol’ Willie Nelson nog even voorbij om ons middels het duetje “Pick Up The Pieces” nog wat meer vertrouwen inzake het potentieel van Reese in te boezemen. Zodat je eigenlijk alleen maar kan concluderen, dat de toekomst Reese werkelijk heel breed toelacht. Een paar hete zomers zullen van deze veelbelovende youngster ongetwijfeld een hele grote gaan maken…

www.paulinereese.com

Texas Music Round-Up

 

 

JAMES LOW

“Live At Mississippi Studios”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Met het al in 2000 verschenen “Mexiquita” en het twee jaar later uitgebrachte en over het algemeen wat stevigere “Black Heart” had de uit het houthakkersstadje John Day in Oregon afkomstige James Low ons al twee zeer goede redenen gegeven om hem stevig aan onze borst te drukken. Vooral het qua intensiteit een weinig aan Townes Van Zandt refererende “Mexiquita” was echt een wolk van een singer-songwriterplaat. Een plaat die overigens ook zeer goed bestand bleek tegen de tand des tijds en hier nog zeer regelmatig wordt boven gehaald. Maar voorlopig zal ze nu toch even moeten wijken voor ’s mans derde. Die nam hij live op in de Mississippi Studios in Portland. En live wil in dit geval ondermeer ook zeggen, dat hij naast zijn eigen gitaar enkel de lap steel en de dobro van Paul Brainard in zijn buurt duldde tijdens de opnamen ervan. Al van zijn vorige platen bekende liedjes als “Soledad”, “Built To Last”, “Miner’s Lullaby”,” en “How Much Do You Love Me” en de John Prine-cover “Pretty Good worden op die manier ontdaan van alle franje en blijven zo goed als spiernaakt achter. En dat heeft tegelijkertijd ontwapenende, maar ook beperkende gevolgen. Enerzijds is het wel prettig om vast te stellen dat Lows songs ook in deze minimalistische setting overleven, anderzijds springen zijn vocale beperkingen nu toch net iets meer in het oog als op de beide voorgangers. Wat evenwel niet meteen hoeft te betekenen, dat deze plaat voor liefhebbers van het betere singer-songwriterwerk geen stevige aanrader zou zijn. Wat ons betreft neem je zelfs best in één vlotte beweging ook de beide voorgangers gelijk maar even mee. Je zal het je allerminst beklagen.

www.jameslow.net

CD Baby

 

 

CHRISTINE MCVIE

“In The Meantime”

(Sanctuary / BMG)

(3) J J J

 

Vrijwel steeds wanneer er sprake was van de vrouwen binnen Fleetwood Mac, ging de aandacht geheel en al uit naar bevallige blondine Stevie Nicks. Nochtans verdankte die groep haar succes juist voor een groot stuk aan de wisselwerking tussen de erg uiteenlopende stemmen van de eerder onderkoeld voordragende Christine McVie en de veel passioneler overkomende Nicks. En het lijkt erop, dat McVie dat op haar zopas verschenen soloplaat “In The Meantime” nog eens even extra in de verf wil zetten ook. Voor de laatste reünie van de popmastodont bedankte ze feestelijk. Wat aan haar voormalige collega’s prompt de reactie ontlokte, dat ze het wel gehad had met de muziekbusiness en haar luie stoel zou gaan opzoeken. Maar niets blijkt dus minder waar. Met “In The Meantime” schuift McVie ons immers een album voor, dat een vergelijking met het latere werk van haar Mac-kompanen moeiteloos doorstaat. Doordachte pop dus, waarin ze zichzelf eindelijk bevrijd weet van het juk van Nicks en een heel ontspannen indruk nalaat. Een terugkeer naar Fleetwood Mac lijkt trouwens compleet uit den boze te zijn. In het vrij ondubbelzinnig voor haar voormalige collega’s bedoelde “Bad Journey” blaast ze alle bruggen met haar verleden resoluut op. Andere erg fraaie momenten vonden wij het zweverige “Calumny” en vooral ook de uitgesproken singlekandidaten “Friend” en “You Are”.

www.christinemcvie.com

www.sanctuaryrecordsgroup.co.uk

 

 

WILLY DEVILLE

“Crow Jane Valley”

(Eagle Records)

(4) J J J J

 

Wat betreft de creatieve output van Willy DeVille zijn we zo onderhand een beetje de tel kwijtgeraakt. De man maakt al sinds jaar en dag goede tot uitstekende platen en heeft zich nog niet al te vaak op een echte misstap laten betrappen. En zoals dat dan wel vaker gaat, wordt aan nieuw werk van ‘m niet altijd meer de aandacht besteed die het eigenlijk verdient. Kwaliteit went nu eenmaal snel…

En ook op “Crow Jane Alley”, zijn jongste worp, blijkt DeVille weer in goeden doen. Zonder daarbij echt spectaculair uit de hoek te moeten komen voegt hij wederom tien uitstekende eenheden aan zijn repertoire toe. Van het exotisch getinte openingsnummer “Chieva” over de met rinkelende Byrds-gitaartjes ingelijste pop van “Right There, Right Then” of bar-rond-sluitingstijd stuff à la “Crow Jane Alley (For Jack)” of “(Don’t Have A) Change Of Heart” tot een lekker vette uit de deltaklei getrokken lap blues als “Muddy Waters Rose Out Of The Mississippi Mud”, typische DeVille-ballades als “Downside Of Town” of “My Forever Came Today” of prima covers van de Jay & The Americans-hit “Come A Little Bit Closer” – border style – of Bryan Ferry’s “Slave To Love” – heerlijk passioneel - , het gaat er weer allemaal in als zoete koek. “Crow Jane Alley” mag je dan ook zondermeer tot DeVille’s leukste platen van de jongste jaren rekenen. En dat is zoveel gezegd als dit is een “no risk disc”.

Willy DeVille

Lucky Dice

 

 

NATHAN

“Jimson Weed”

(Nettwerk)

(4.5) J J J J J

 

In 2001 vestigde het rond de extreem getalenteerde zingende songwriters Keri McTighe en Shelly Marshall opgetrokken vijftal Nathan al de aandacht op zich met z’n ijzersterke debuutplaat “Stranger”. Toen bleven de lofbetuigingen evenwel nog beperkt tot thuisland Canada, waar de critici elkaar letterlijk voor de voeten liepen bij het bejubelen van de band. Maar met opvolger “Jimson Weed” lijkt er geen houden meer aan en zal ook de rest van de wereld eraan moeten voor de charmes van de vijf. Old-timey stuff wordt hier gebracht op een vooral door het engelachtige harmonieerwerk van McTighe en Marshall een weinig aan hun landgenoten van de Be Good Tanyas herinnerende manier. Maar anders dan de Tanyas laten die van Nathan zich instrumentaal gezien amper beperkingen opleggen, waardoor “Jimson Weed” een veel eigentijdser karakter krijgt. Een banjo, een dobro, een pedal steel, maar evengoed een accordeon, een tuba, een piano of een trompet hier. Soms helt het allemaal wat meer over naar country met een twist (“Emelina” en het licht jazzy “One Spend”), op andere momenten klinkt het behoorlijk poppy (“I Left My Station”), maar meestal blijft ouderwetse folk toch het voornaamste aanknopingspunt (“Sunset Chaser”). Moeilijk onder woorden te brengen allemaal, maar muzikaal gewoon ijzersterk en wat ons betreft één van dé platen van het jaar.

www.nathanmusic.ca

www.nettwerk.com

Miles Of Music

 

 

LAURIE & JOHN

“Arabella”

(Broadmoor Records)

(3.5) J J J J

 

 

 

Hem kennen we vooral van zijn bijdragen aan baanbrekende acts als Uncle Tupelo ,Wilco en The Autumn Defense, haar als de muzikale wederhelft van Cary Hudson in Blue Mountain. Als ooit het grote geschiedenisboek van het alt. country-genre zal worden geschreven zullen John en Laurie Stirratt dus alleszins niet onopgemerkt blijven. En misschien zal er dan zelfs ook wel een voetnoot gereserveerd worden voor “Arabella”, hun eerste plaat samen sinds de late 80’s. De in november van 1967 op amper vijf minuten van elkaar geboren en later net buiten New Orleans ook samen opgegroeide tweeling verkent op die naar een straat in datzelfde New Orleans vernoemde collectieve inspanning waarop folk, country en rock een lonende romance aangaan gevoelens als eenzaamheid, verlangen en spijt. Dat resulteert in een aangenaam melancholisch geluid, waarin naast de mooie samenzang van de twee vooral ook de lap steel van John zelf en de pedal steel van John Pirruccello zeer nadrukkelijk aanwezig zijn. Opgemerkte gastbijdragen zijn er voorts ook van Will Kimbrough (baritongitaar), Jeff Tweedy (akoestische gitaar), Leroy Bach en Brad Jones(bas), Glenn Kotche (drums) en Pat Sansone (ondermeer op gitaar, bas, tamboerijn, piano en orgel).

Herfstige liedjes als “Canadian Moon”, het al van Blue Mountain bekende “When You’re Not Mine” of het het verlies van een ouder bezingende “Ten Years Ago Today” maken van – het overigens in een fraaie, de sfeer van de plaat perfect illustrerende digifile gestoken - “Arabella” een album dat zich telkens weer warm tegen je aandrukt en onopvallend om je aandacht bedelt. Een album ook, dat zowel in folk-, Americana- als alt. country-middens ongetwijfeld in de smaak zal vallen. Benieuwd dan ook of we er ooit nog een vervolg op zullen mogen begroeten.

www.thestirratts.com

Miles Of Music

 

 

BJ BAARTMANS

“Where Lovers Go”

(Inbetweens Records)

(3.5) J J J J

 

BJ Baartmans heeft zich de voorbije jaren op vrij onopvallende wijze opgewerkt tot één van de meest gerespecteerde artiesten die de actuele Nederlandse roots scene bevolken. Als sideman moet hij zowat de drukst bezette muzikant van zijn land zijn. Onlangs toerde hij zo bijvoorbeeld nog met coming man Brian Webb. En ook als producer verdiende hij reeds uitgebreid zijn sporen. Enkel zijn merites als singer-songwriter worden vooralsnog niet echt naar waarde geschat. En da’s doodjammer, want de man maakt echt wel met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk goede tot uitstekende platen. Het samen met producer-technicus Léon Bartels in het stilaan een stevige reputatie genietende Leon’s Farm in Boekend bij Venlo opgenomen “Where Lovers Go” is ondertussen al zijn zesde. En op dat album draait thematisch gezien zowat alles rond de liefde in al haar facetten. Muzikaal leunt het – ook volgens de man zelf overigens – vrij dicht aan bij het zeventiger jaren werk van acts als Little Feat, Steely Dan en J.J. Cale. Met wat soul en rhythm & blues-invloeden uit dezelfde periode als kers op de taart. Meer dan op zijn vorige platen laat Baartmans dus doorschemeren dat hij een zwak heeft voor genres als soul en jazz. Een gegeven dat vooral tot uiting komt in het de perfectie benaderende geluid van de plaat. Daarvoor deed BJ een royaal beroep op de kunstjes van toetsenwonder annex multi-instrumentalist Mike Roelofs. En verder zag hij respectievelijk Iain Matthews (“What Goes Around”), Marjolein van der Klauw van Powderblue (het soulvolle duet “I Wanna Know”), de eerder al even aangesproken Brian Webb (“Already There”) en zijn Songwriters United-maatje Eric Devries (“Billie J.”) vocaal een handje toesteken. Al die elementen maken dat van “Where Lovers Go” inderdaad het soort sfeertje afstraalt waarvoor elke nieuwe toevoeging aan het oeuvre van de heren Becker en Fagen indertijd altijd geprezen werd. Verwacht hier dan ook vooral geen ongelooflijk spectaculaire dingen. “Where Lovers Go” laat zich eerder categoriseren als bijzonder aangenaam gezelschap, waar je bij elk bezoek graag weer wat meer wil van ervaren. De ideale basis voor een relatie van langdurige aard zeg maar…

www.bjbaartmans.com

www.inbetweens.com

 

 

THE MAVERICKS

“Live In Austin Texas”

(Sanctuary / BMG)

(4) J J J J

 

Geef toe dat je je in een onbewaakt moment ook al wel eens hebt laten betrappen op het meeneuriën van aanstekelijke dingetjes als “Dance The Night Away”, “All You Ever Do Is Bring Me Down” en “Here Comes The Rain”. Is ook absoluut niets om je over te schamen ook. The Mavericks zijn immers één van de weinige groepen die zowel in countrymiddens, bij de hits verslindende grijze massa als in meer alternatieve kringen op een zekere aanhang mogen rekenen. De voorbije jaren maakten moderne Orbison Raul Malo en de zijnen dan ook moeiteloos een ware metamorfose door van country act pur sang over geoliede zomerhitmachine tot meer classy pop act. En al die tijd zijn ze vooral ook een ongelooflijke feestband gebleven. Ten bewijze daarvan is er nu “Live In Austin Texas”, opgenomen op 2 juni van dit jaar in de gerenommeerde Stubbs Bar-B-Q aldaar. De eerder opgesomde krakers worden daarop afgewisseld met andere infectueuze dingen als het Zuiders zwierige tweetal “Think Of Me (When You’re Lonely)” en “I Want To Know”, het muzikaal gezien ongegeneerd naar “Such A Night” van The King verwijzende rockertje “Things You Said To Me”, zwoel gecroond materiaal als “San Jose”, “Volver Volver” en “Siboney”, soulvolle gospeleske stuff als “Save A Prayer” en natuurlijk ook naar hun countrysuccesperiode teruggrijpende beauties als het zich wulps in rinkelende gitaren rondwentelende “What A Crying Shame” of de twangy honky tonk van “There Goes My Heart”. Alle ingrediënten voor een uitgelaten feestje waren daarmee aanwezig. Kopergeschetter à volonté, zwierige gitaren, Latino-percussie en natuurlijk die dezer dagen haar gelijke niet kennende stem van Malo. Er zijn niet veel dingen, die je deze man vocaal niet kan toevertrouwen! En deze tweede live-plaat van The Mavericks na de al in 1998 verschenen mini “It’s Now! It’s Live!” ontgoochelt dan ook in het geheel niet. Wel integendeel! Ideaal voor al je feesten en partijen…

(Ook op DVD verkrijgbaar!)

www.mavericksmusic.com

www.sanctuaryrecordsgroup.co.uk

 

 

LYNN MILES

“Chalk This One Up To The Moon”

(Snowy River)

(4) J J J J

 

2004 loopt zoetjes op zijn einde en dan is het toch wel even schrikken als je bij een beluistering van Lynn Miles’ album “Unravel” terloops vaststelt dat dat album ondertussen ook alweer drie jaar oud is. Ongelooflijk! De tijd schiet ons, mits we hem niet grijpen, soms aan weerszijden tegelijk voorbij. Gelukkig verscheen vorig jaar bij CRS – ondertussen Rounder Europe – wel nog een smaakvolle live-registratie op DVD, waarop Lynn met haar tijdloze songs deze voortschrijdende factor tijdelijk voor ons trachtte te bevriezen.

Onlangs leerde een vluchtige blik op eBay me, dat de van Lynn verschenen CD “Chalk This One Up To The Moon” nooit dezelfde aandacht heeft mogen genieten binnen onze vaderlandse pers als haar latere albums. Voor liefhebbers van haar pakkende repertoire dient dit tweede album echter beslist niet buiten hun muziekcollectie te vallen, want het is een echt vergeten juweeltje. Dit folk-album dat uitsluitend in Canada is verschenen, haalt zeker het niveau van haar overige werk. Een gerespecteerde vriend van me heeft dit album zelfs eens omschreven als haar beste ooit, punt! Persoonlijk tracht ik discussies over “wat er nu precies het best is” zoveel mogelijk te vermijden. Ik kan echter wel stellen, dat de muziek zeer smaakvol is en ideaal voor een herfstige, dan wel winterse avond, waarbij je ongegeneerd op de bank ligt, al dan niet vergezeld van een lekker volle rode wijn. Denk dat je bij dit album meer dient te spreken in vergelijkbare termen, waarbij je een gerecht, een gemoedstoestand of bijvoorbeeld een landschap tracht te beschrijven. Beschouw het als een boeket aan smaken en of kleuren, waarbij je gedachten gegarandeerd af zullen dwalen. Ondanks het feit dat deze CD al in 1991 is verschenen, is het materiaal erop zeker niet gedateerd te noemen, zelfs niet als we de klankkleur in beschouwing nemen, gerespecteerde muzikanten zoals Terry Tufts en Ian Tamblyn verleenden er dan ook een bijdrage aan.

Haar eersteling, kortweg “Lynn Miles”, werd overigens eveneens uitgebracht door Snowy River Records, maar dan uitsluitend op cassette. Naar eigen zeggen is die plaat evenwel “zum Kotzen”. (Vooralsnog respecteer ik Miles in deze opinie, al is het volgens mij wel zo, dat valse bescheidenheid over hun eerste product zich bij artiesten wel eens vaker openbaart.) Maar ik kan er dus nog geen oordeel over geven, want ik heb dit product nog nimmer beluisterd, wellicht een actiepuntje voor 2014 of zo?

 

Beide titels zijn verkrijgbaar langs http://www.newworldcds.com/

(Een site die zich overigens kenmerkt als het Mekka van het Canadese muziekaanbod, van beginnend tot gearriveerd.)

 

 

ROB MCNURLIN

Buffalo Skinners”

(Buffalo Skinner Recordings)

(3.5) J J J J

 

Samen met zijn maatjes Bo McCarty (staande bas) en Dave Prince (zang en elektrische leadgitaar) deed Rob McNurlin (zang, gitaar, harmonica) er amper twee uur over om zijn veertien tracks tellende en ruim een uur in beslag nemende nieuwe CD “Buffalo Skinners” in te blikken. Voorwaar een prestatie. Zeker omdat je nergens, maar dan ook echt nergens het gevoel krijgt dat het om rap-rap-werk gaat. Wel integendeel! Het album, dat als ondertitel “A Collection Of Traditional Songs” meekreeg, verzamelt een stel overbekende overgeleverde liedjes (“In The Pines”, “Frankie And Albert”, “Buffalo Skinners”, “Roving Gambler”, “Pretty Peggy-O”, “East Virginia Blues”, “Corinna, Corrina”, “The Golden Vanity”, “Troubled”, “Swing Low”, “Jack O’Diamonds”, “Pretty Polly” en “Goin’ Down The Road / I Know You Rider”) die in McNurlins (voornamelijk) akoestische aanpak echt opleven. “These songs are timeless, I’ve known them for years but never tire of performing them,” stelt de man in het CD-boekje en dat hoor je! Met als voornaamste wapen zijn ruig-hese stem en verder een minimum aan begeleiding drukt hij er zijn stempel op en maakt op die manier “Buffalo Skinners” tot een aanrader voor elke liefhebber van countryesk singer-songwritermateriaal.

www.robmcnurlin.com

CD Baby

 

 

KNUT BELL AND THE BLUE COLLARS

“Honkahillarockabilly”

(Marlingspike Music)

(3.5) J J J J

 

 “Honkahillarockabilly” van de 31-jarige Knut Bell en zijn Blue Collars is een CD die de door haar titel opgewekte verwachtingen volledig inlost. Je rekent vooraf op een flinke dosis real country en rockabilly en dat is ook precies wat je krijgt. Met zijn aan mensen als een Robert Gordon, een Dale Watson en bij momenten zelfs Cash himself herinnerende diepe stem staat Bell iets meer dan een half uur lang garant voor dezer dagen eerder zeldzaam wordend no nonsense country-amusement. Je waant je zo terug in de hoogdagen van de Cashen, de Jenningsen, de Hortons en andere Williamsen. Tien van de dertien liedjes op zijn ondertussen vierde CD droeg Bell zelf aan. De andere drie zijn een bijzonder lekkere, duidelijk door wijlen Johnny Cash geïnspireerde boom-chicka-boom-versie van Kenny Rogers’ wereldhit “Ruby, Don’t Take Your Love To Town”, een gedreven lezing van Dick Curless’ “Chick Inspector” en het aan The Man In Black zelf ontleende “So Doggone Lonesome”. Eigen tracks als het op knap bas- en gitaarwerk van de tandem Andrew See-Adam Bratman voorbij stuiterende “Donita”, het lekker strakke “Felina” of een occasionele trage als “Leave Me Alone” hoeven echter geenszins voor al dat traditionele geweld onder te doen. Zodat we fans van de eerder al aangehaalde Dale Watson dan ook graag even willen attenderen op Bell en de zijnen. Zou wel eens een prettige kennismaking kunnen worden…

www.knutbell.com

CD Baby

 

 

MADELEINE PEYROUX

“Careless Love”

(Rounder / Universal)

(4) J J J J

 

Bij menig een muziekliefhebber liet ze met haar acht jaar geleden verschenen debuut “Dreamland” een diepe kras op de ziel achter, deze Madeleine Peyroux. Met haar zwoele altstem riep ze volop Billie Holiday in herinnering en door haar eclectische songkeuze wist ze een beperking tot het jazzgenre spelenderwijze te ontstijgen. En wat dat betreft sluit opvolger “Careless Love” alvast naadloos bij die eersteling aan. Ook ditmaal weer passeren een stel akoestische bluesliedjes, wat countryballades en een schat aan torch songs de revue. In een productie van de vooral van zijn werk met Joni Mitchell en Shawn Colvin bekende Larry Klein zeilt Peyroux als gedragen door een avondlijke zomerse bries tussen liedjes van ondermeer Leonard Cohen (“Dance Me To The End Of Love”), Bob Dylan (“You’re Gonna Make Me Lonesome When You Go”), Elliott Smith (“Between The Bars”), W.C. Handy (het door Bessie Smith gepopulariseerde “Careless Love”) en Hank Williams (“Weary Blues”) door. Schijnbaar terloops onderlijnt ze ook nog even het feit dat ze als dochter van een Amerikaanse lerares Frans in Parijs opgroeide door net als op haar visitekaartje indertijd een Franse standard aan haar repertoire bij toe te voegen. Ditmaal viel haar keuze daarbij op “J’ai Deux Amours”, één van de liedjes waarmee Josephine Baker tijdens de Tweede Wereldoorlog de geallieerde troepen vermaakte. Verder schreef ze samen met de dankzij zijn bijdragen tot het succes van Norah Jones enige naambekendheid genietende Jesse Harris en haar producer Klein het radiogenieke “Don’t Make Me Wait Too Long”. En laat dat nu net de woorden zijn die wij haar na deze droomplaat met het oog op een volgende worp graag willen toefluisteren…

www.madeleinepeyroux.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Music That Matters”

(CoraZong Records)

(3.5) J J J J

 

Voor een prikje – zo’n eurootje of vier – kan je je dezer dagen met “Music That Matters” een mooie dwarsdoorsnede van de recente catalogus van de onafhankelijke Nederlandse rootsgeoriënteerde platenstal CoraZong Records aanschaffen. Met veel zorg heeft de samensteller van dienst van de laatste platen van de voornaamste door het label vertegenwoordigde artiesten de mooiste nummers geplukt om je op die manier te overtuigen van de onmiskenbare kwaliteit daarvan. En dat leverde een aangenaam gevarieerd geheel op. Zo is er bijvoorbeeld de roots rock van John Coinman en Kevin Bowe & The Okemah Prophets, singer-songwritermateriaal van de onlangs nog in Nederland verkerende Jeff Talmadge, gouwe ouwe JP Den Tex – van wie op 29 oktober met “La Jeune Fille Au Chewing Gum” een nieuw album verschijnt - , Louis!, David Olney en Michael De Jong, country met Burrito Deluxe, een vleugje exotisme met Patricia Vonne (de knappe single “Traeme Paz”), Teye & Belén en Maria Jimenez, de blues van Julian Sas en Jean Paul Rena & Terrawheel, de perfecte pop van Wendy MaHarry en wat heropgeviste vergane gloriën als Andy Pratt, Peter C. Johnson, Rick Danko en Garth Hudson. Kortom voor elk zo’n beetje wat wils. En tussen de je al bekende spullen zal je dan ook vast en zeker nog wel wat aantreffen dat je op een prettige manier verrassen zal.

www.corazong.com

Lucky Dice

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Hard-Headed Woman: A Celebration Of Wanda Jackson”

(Bloodshot / Bertus)

(3.5) J J J J

 

2004 zal de muziekgeschiedenisboeken ingaan als het jaar waarin Wanda Jackson een opgemerkte comeback maakte. Zo bespraken we hier eerder dit jaar al haar met sterrenbijdragen bezaaide terugkeer “Heart Trouble” en nu is er het door platenlabel Bloodshot Records gedirigeerde eerbetoon “Hard-Headed Woman: A Celebration Of Wanda Jackson”. En dat is een aangenaam gevarieerde bloemlezing uit het oeuvre van de Queen Of Rockabilly door anderen. Carolyn Mark & The Room-Mates, Nora O’Connor, Asylum Street Spankers, Anna Fermin & Trigger Gospel, Kelly Hogan, Neko Case, Robbie Fulks, Jesse Sykes & The Sweet Hereafter, The Cornell Hurd Band, Rosie Flores, Candye Kane, Trailer Bride, Jane Baxter Miller, Wayne Hancock, Kristi Rose, Laura Cantrell, Kim Lenz, The Bottle Rockets (met Sheri Hurst), de Nederlandse Ranch Girls & Ragtime Wranglers, Gina Lee & The Brisket Boys en Jesse Dayton zetten stuk voor stuk hun beste beentje voor om één van hun grote voorbeelden op passende wijze te eren. Met wat ons betreft als opvallendste uitschieters een rootsy lezing van “The Box It Came In” van Anna Fermin, een spetterende uitvoering van “Brown-Eyed Handsome Man” door een onherkenbare Neko Case, Robbie Fulks op z’n country-best in “Tears At The Grand Ol’ Opry”, een stomend “Both Sides Of The Line” door Jesse Dayton, een ingetogen “Weary Blues From Waiting” door Jesse Sykes en kompanen, een ultra-swingend “Let’s Have A Party” door Wayne “The Train” Hancock, Laura Cantrells dynamische benadering van “Wasted”, “Cool Water” door Kim Lenz – Wanneer nog eens een plaat van haar zelf? – en het erg authentiek aandoende “If You Don’t Somebody Else Will” van The Ranch Girls & The Ragtime Wranglers. Sympathiek plaatje!

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.nl

 

 

RODNEY PARKER

“Blow The Soot Out”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

De Texaanse Americana scene heeft er opnieuw een supertalent bij. De man heet Rodney Parker en heeft met zijn band 50 Peso Reward zopas de ongelooflijk straffe debuut-CD “Blow The Soot Out” afgeleverd. Die eersteling bevat elf zelf gepende liedjes, die voor Parkers toekomst het allerbeste laten verhopen. Je hoort er echo’s in van de jonge Steve Earle, Robert Earl Keen, Ben Atkins, Chris Knight, Slaid Cleaves, Butch Hancock, maar ook wel van Ryan Adams in zijn Whiskeytown-periode of van Jay Farrar bij Uncle Tupelo en later Son Volt. Weg van wat momenteel in Texas bon ton is haalt Parker met zijn gruizige stem het beste uit zijn (eigen) liedjes. Hij weet zich daarbij ook geruggensteund door een stel uitstekende muzikanten. Danny Skinner plaatst opvallende kanttekeningen op banjo, harmonica en accordeon, Brooks Kendall en Jerry Saracini zorgen voor de juiste ritmiek op respectievelijk bas en drums, Milo Deering laat zijn steelgitaar regelmatig een flink potje janken, Erik Herbst en Tommy Young zijn de zeer nadrukkelijk aanwezige toetsenisten, Vince Barnhart verzorgt de occasioneel noodzakelijke harmonieën en in Each Gallindo heeft Parker ook een kanjer van een leadgitarist in huis. Melodieuze liedjes als het met een zwierig streepje mondharmonica ingeleide en een weinig aan de vlottere nummers van Slaid Cleaves herinnerende “Just The Sounds”, het door een verleidelijk orgeltje gedragen, licht melancholische rootspoppareltje “Someplace Else”, pittige, gitaarbeladen rootsrockertjes als “200 Acres”, “Mesquite Trees” en “Drive Away”, de met een steel-sausje, wat accordeon en wat akoestische gitaar overgoten prachtballade “When I Wake Up” of de gejaagde old-timey country-spielerei “Bring Me My Gun” blijken gewoon meedogenloos. Je moet er onmiddellijk voor op de knieën, willen of niet… En ze maken op die manier van “Blow The Soot Out” een onweerstaanbare Texaanse instant classic. Van ganser harte aanbevolen!

www.rodneyparker.com

CD Baby

 

 

ALLEN RAMSEY

“Allen Ramsey”

(Wooden Pickle Records)

(3.5) J J J J

 

Hij ziet eruit als een studentje, je weet wel met zo’n ouderwets dik brilletje en zo, had een collega ons gezegd, maar je moet ‘m beslist even checken, want zijn debuut is echt wel steengoed. En dat was niet gelogen. Allen Ramsey’s door Nashville big shot Byron Hill geproduceerde eersteling staat immers barstensvol met catchy Americana-, rootspop- en countryliedjes die hem introduceren als een uitstekende singer-songwriter. Negen van die songs schreef hij in zijn eentje, voor nummers tien en elf, “Happy” en “Talk To Me”, kreeg hij wat hulp van respectievelijk Bill Falconer en Byron Hill. Ramsey’s visitekaartje is een lekker gevarieerde singer-songwriterplaat die bijzonder aangenaam wegluistert. Met zijn licht gruizige stem zal de man beslist nog veel nieuwe vrienden gaan maken. En het feit dat subtiele fiddle-, mandoline-, pedal en lap steel-, dobro-, harmonica- en Wurlitzerbijdragen het album vrijwel voortdurend in rootsy vaarwateren houden, zal daar beslist ook toe bijdragen. Het opgewekte “Holdin’ On” zal zo bijvoorbeeld de liefhebbers van lui als Robert Earl Keen, Charlie Robison en Jack Ingram vast wel weten aan te spreken, het met een bluesy ondertoontje gezegende “Stop, Listen, Love” profiteert van klasse dobrowerk van Smith Curry, “No Other Way (Farm Song)” – over een boer die marihuana gaat smokkelen om z’n farm van de ondergang te kunnen redden – is een knappe country story song en “Tear In My Eye” – met leuk harmonicawerk - en “Drunk Again” behoren tot het soort van meezingers dat het in een bar bij een stevige pint meestal wel goed doet. En dus kunnen wij haast niet anders, dan je de tip van die collega van ons ook even doorspelen. Geef Allen Ramsey even een kans, je zal het je beslist niet beklagen!

www.allenramsey.com

CD Baby

 

 

DAVID RODRIGUEZ

“The Lonesome Drover”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

David Rodriguez, de Texaanse singer-songwriter, die momenteel voornamelijk naambekendheid geniet als de vader van de aan Chip Taylors zijde excellerende Carrie, woont alweer geruime tijd in Nederland. En aangezien bepaalde talenten via de genen gebruikelijk van ouders op kinderen overgaan, kunnen we op Davids recentste product dan ook duidelijk proeven vanwaar Carrie haar talenten heeft. Dat Rodriguez een gepassioneerde artiest is had de oplettende consument al eerder ingezien, want dit “homemade” en low budget-project is al voorafgegaan door een 5-tal prima cd’s.

Ondanks zijn onmiskenbare muzikale talent zit Rodriguez echter alweer geruime tijd zonder een label, een gevolg van tal van factoren. David is zo bijvoorbeeld een gevoelsmens (lees: een weinig diplomatiek karakter) en zeer begaan met zijn muziek. Zakelijk kan zoiets helaas tot het verkeerde effect leiden, en als je dan je teleurstelling gaat combineren met “vriend” Alcohol, dan koers je steeds verder van huis.

Nu is er echter “The Lonesome Drover”. Vele muzikanten en vrienden - o.a. Jantje Peters, Jeff Healey, Kaz Lux, Michael de Jong en JW Roy - hebben een bijdrage geleverd aan dit project. Op de inlay wordt er extra aandacht geschonken aan Davids vriendin, want zoals in iedere goede relatie, is de vrouw achter de man van onschatbare waarde. Ik denk dan ook dat zij verantwoordelijk genoemd kan worden voor de broodnodige discipline, de vernieuwde drive.

Bovengenoemde thema’s komen dan ook ruimschoots terug in de 11 nummers die deze CD bevat en waarvan “Cuba Libre”, “Titus” en de titelsong mijn persoonlijke favorieten zijn. Maar ook de instrumentale song “Oud West Sunset” en “Midnight Flight”(een co-write met Jeff Talmadge) zijn zeer fris en plezierig. Veel variatie op dit eerlijke en openhartige product. Jammer dat sommige artiesten nog altijd de gecompliceerde weg nemen. De stelling dat je “diep moet gaan” alvorens kwaliteit te kunnen bieden is immers achterhaald.

Mijn gevoel zegt me dat Rodriguez’ zelfvertrouwen aanmerkelijk hersteld is. En ik ben ervan overtuigd dat Davids bron nog veel meer juweeltjes bevat, zeker wanneer een stuk erkenning zijn kant zal oprollen en men hem de support geeft die hij (al lang) verdient, en dan niet in de laatste plaats vanuit de muziekbusiness.

Verwacht hier geen vernieuwend werk met progressieve arrangementen of zo, maar gewoon iemand die opnieuw zijn veerkracht etaleert en hierdoor een prima product neerzet.

Hij treedt slechts spaarzaam op, maar mocht deze jeugdvriend van Townes Van Zandt in de buurt zijn, schroom dan niet hem te bezoeken, want ook “live” is deze man zeer zeker de moeite waard. (Liske)

 

Uitsluitend verkrijgbaar via:

http://www.davidrodriguez.nl/

 

 

TOWNES VAN ZANDT

“Live At The Jester Lounge, Houston, Texas 1966”

(Normal / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Eigenlijk is het best wel een beetje wraakroepend om van een artiest, die zowat zijn hele leven lang tegen de bierkaai heeft gevochten voor een beetje (commerciële) erkenning, na zijn dood nog om de haverklap nieuwe albums te zien opduiken. En toch willen we dat hier voor één keer door de vingers zien. “Live At The Jester Lounge – Houston, Texas, 1966”, dat wordt voorgesteld als het naar alle waarschijnlijkheid oudste geregistreerde materiaal van Townes Van Zandt, biedt immers een bijzondere kijk op de eerste stappen van een toen amper 22-jarige, nog een beetje zoekende grote in wording. In The Jester, een kleine nachtclub in Houstons Montrose-gedeelte – de artiestenbuurt van die stad – verdiende Van Zandt voor het eerst echt wat aan zijn muziek. Hij speelde er handig in op wat hij dacht dat het publiek van hem verwachtte en vertolkte er daarom regelmatig humoristisch gekleurde stukken over sex, drank en de popcultuur (“Talkin’ Birth Control Pill Blues”, “Talkin’ Thunderbird Blues”, “Talkin’ Karate Blues”), wat bluesy spul (Richard Jones’ “Trouble In Mind”, Lightning Hopkins’ “Hello Central” en eigen liedjes als “Badly Mistreated Blues”, “Louisiana Girl Blues”, “Mustang Blues” en “Black Crow Blues”) en een stuk of wat countryklassiekers (Jimmie Rodgers’ “T For Texas”, “Cannon Ball Blues” van The Carter Family en Hank Williams’ “I’m So Lonesome I Could Cry”). En uiteraard zou een avondje Townes ook niet compleet zijn zonder enkele van zijn karakteristieke (droge) absurde grapjes. De enige bedenking die een eventuele aankoop van dit schijfje in de weg zou kunnen staan betreft de niet al te fantastische geluidskwaliteit ervan. Maar die is met het oog op de historische waarde van deze opnamen wat ons betreft van eerder ondergeschikt belang.

www.townesvanzandt.com

www.normal-records.com

www.bertus.nl

 

 

THE BLASTERS

“4-11-44”

(Evangeline / Bertus)

(4) J J J J

 

Toen wij in 1981 radiogewijs kennismaakten met The Blasters via het superswingende “Marie, Marie” was dat zo’n typisch geval van liefde op het eerste gezicht. Een liefde die door de jaren heen ook stand zou blijven houden in goede en kwade dagen - precies zoals het hoort dus. En uiteraard stonden wij toen de heren Alvin elkaar twee jaar geleden onverwachterwijze terug in de armen vielen dan ook keurig op de eerste rij om hun tweede jeugd toe te juichen. Waarom vraag je je af? Gewoon even de in die periode ingeblikte live-CD’s “Trouble Bound” en “Over There” beluisteren en verdere tekst en uitleg worden compleet overbodig. The Blasters belichamen na al die tijd gewoon nog steeds de perfecte symbiose van blues, R&B, country, rockabilly en swing.

Je kan je na het lezen van het voorgaande wellicht voorstellen, dat we met kloppend hart de nieuwe van de groep, “4-11-44”, tegemoet hebben gezien. Zelfs in de wetenschap verkerend dat van de oorspronkelijke groepsbezetting enkel Phil Alvin (zang, gitaar, harmonica) en John Bazz (Fender bass) waren overgebleven. En dat blinde vertrouwen bleek achteraf gezien gerechtvaardigd ook. De door Phils broer Dave en de andere bandleden vacant gelaten stekjes werden immers bekwaam ingevuld door nieuwkomers Keith Wyatt (gitaar) en Jerry Angel (drums). En “4-11-44” misstaat in zijn totaliteit in het geheel niet naast de andere Blasters-platen. Meteen van bij de lekker strak ingespeelde opener “Daddy Rollin’ Stone” is duidelijk dat Phil vocaal in goeden doen is en dat de band ook in de nieuwe bezetting lekker hecht musiceert. Met die markante twangy snik in zijn stem doet Phil Alvin je zelfs regelmatig even geloven, dat je zo’n vijfentwintig jaar terug in de tijd bent beland. In het R&B-getinte titelnummer bijvoorbeeld of in het in al zijn enthousiasme net niet uit de bocht gaande “Rebound”, dat wat ons betreft zo op één van die fameuze eerste platen van de oorspronkelijke Blasters kan. Enkele andere meteen in je oren happende tracks zijn het pompende bluesnummer “Love Is My Business”, de ogenschijnlijk uit één of andere oude Amerikaanse misdaadserie weggelopen instrumental “Fire Of Love”, een verre verwante van het vermaarde “Peter Gunn Theme”, de onweerstaanbare rockabilly-toe-tapper “Your Kind Of Love” en het naar alle waarschijnlijkheid in één of andere gure achterbuurt in het holst van de nacht verwekte achterneefje daarvan, “Precious Memories”.

De conclusie laat zich in dit geval erg makkelijk raden… Bijzonder aanstekelijke stuff inderdaad!

www.evangeline.co.uk

www.bertus.nl

 

 

TERRI HENDRIX

“The Art Of Removing Wallpaper”

(Wilory Records)

(4) J J J J

 

Als relatief onbekende naam sierde ze ooit – in 2000 meer bepaald – nog de affiche van het prestigieuze Blue Highways-festival in Utrecht. In de jaren die sedertdien voorbijgingen is Terri Hendrix echter bepaald niet ter plaatse blijven trappelen, zo blijkt. Op haar ondertussen ook alweer zevende album “The Art Of Removing Wallpaper” presenteert ze zich als een gerijpte artieste, die perfect de gouden middenweg tussen een veelheid aan genres als folk, pop, country, blues, americana en andere weet te vinden. En in haar teksten gaat ze zowel in de clinch met haar persoonlijke demonen als met vraagstukken die dezer dagen wel meer mensen bezighouden. Het licht gospeleske “Jugment Day” – met harmonieën van Ruthie Foster en haar maatje Cyd Cassone – is zo bijvoorbeeld een behoorlijk scherpe veroordeling van de opvatting dat men God en geloof als rechtvaardiging voor al zijn daden mag inroepen. “Everybody wants to use God / When they’ve nobody but themselves to blame / Everybody wants to use God when they do their / Dirty deeds in his name,” klinkt het strijdvaardig. (Amerikaanse politici fronsen nu wellicht even de wenkbrauwen…) En dat is slechts één van de vele hoogstandjes hier. Erg leuk zijn verder bijvoorbeeld ook nog de unisex-versie van de LL Cool J / Luka Bloom-hit “I Need Love”, het een beetje aan de popgrass van de Dixie Chicks verwante “Monopoly”, de rootsy folk pop van opener “Breakdown” en het ingetogen “Quiet Me”. Voor dat laatste liedje ging Hendrix opnieuw in de leen bij Jeff Barbra en Sarah Pirkle, van wie ze eerder voor haar album “The Ring” ook al het mooie “Prayer For My Friends” opnam en die hier eerder dit jaar al op flink wat bijval mochten rekenen voor hun CD “Barb Hollow Sessions”. It’s a small world…

Samenvattend kunnen we stellen, dat het samen met Lloyd Maines geproduceerde en met klasbakken als ondermeer Glenn Fukunaga (bas) en Paul Pearcy (drums, percussie) ingespeelde “The Art Of Removing Wallpaper” zondermeer Terri Hendrix’ beste plaat tot op heden is en dat het dus misschien wel weer tijd wordt om haar nog eens naar de Lage Landen te halen. Wij zullen dan alvast graag van de partij zijn.

www.terrihendrix.com

CD Baby

 

 

JAMIE HOOVER

“Jamie Hoo-ever”

(Loaded Goat Records)

(3.5) J J J J

 

Jamie Hoover is een bezig baasje! Eerder dit jaar mochten we het hier al hebben over “Paparazzi”, zijn samenwerkingsverband met Bill Lloyd en Smithereens-drummer Dennis Diken, ondertussen werkt hij alweer volop aan een nieuwe CD met zijn groep The Spongetones en toch vond de man tussendoor ook nog even de tijd voor dit cover-album. Daarop treffen we zijn al eerder op diverse tributes verschenen versies van liedjes van zo diverse artiesten als The Traveling Wilburys, Klaatu, de Bobby Fuller Four, Todd Rundgren, Let’s Active, Bob Lind, George Harrison en de Beatles aan. Maar ook een cover van de traditional “Barbara Allen” en nog niet eerder verschenen uitvoeringen van “Sukiyaki” van Kyu Sakamoto, “Theme From A Summer Place” van Percy Faith, “Cathy’s Clown” van The Everly Brothers en “You Were On My Mind” van We Five.

Nu ga je ons hier niet horen beweren, dat het allemaal even fantastisch is wat Hoover hier met andermans werk uithaalt, maar als het goed is, dan is het ook wel écht héél goed. Zijn power pop-benadering van “Handle With Care” van de Traveling Wilburys doet dat liedje bijvoorbeeld alle eer aan. En hoe hij samen met Rina Hersey uit de Japanse evergreen “Sukiyaki” een rinkelend stukje gitaarpop weet te persen dwingt ook het nodige respect af. Net als zijn sprankelende Beatle-eske versie van de Everly Brothers-hit “Cathy’s Clown” en een heerlijke meerstemmige a capella-uitvoering van “You Were On My Mind” van We Five. Ook heel mooi: de afsluitende rootsy versie van Lennon & McCartney’s “Goodnight”, met weer van die hemelse harmonieën. Veel dichter bij pop-perfectie kan je eigenlijk nauwelijks komen… Het is dan ook moeilijk om dit schijfje niet sympathiek te vinden.

www.jamiehoover.net

 

 

TONY JOE WHITE

“The Heroines”

(Sanctuary / BMG)

(4) J J J J

 

Ook helden hebben hun helden, zo blijkt maar weer eens… Of heldinnen toch in dit geval. Voor zijn nieuwe CD “The Heroines” deed swamp-poplegende Tony Joe White immers een beroep op enkele door hem zelf zeer gewaardeerde vrouwelijke collega’s. Country-soulrevelatie Shelby Lynne voelt zich zo bijvoorbeeld als een vis in het water in het broeierige “Can’t Go Back Home”, waarin ze zich vocaal minstens de evenknie van de grootmeester zelve toont. Americana-diva Lucinda Williams van haar kant luistert het met soulvolle blazers uitgedoste “Closing In On The Fire” met haar aanwezigheid op en good old Emmylou Harris krijgt White in “Wild Wolf Calling Me” zelfs zo ver om voorzichtig ook even zijn countrykant te etaleren. Dochterlief Michelle illustreert in het Zuiders lome “Playa Del Carmen Nights” dat de appel inderdaad niet ver van de boom valt en Waylon Jennings’ weduwe Jessi Colter mag in het volop aan White’s artistieke hoogdagen herinnerende “Fire Flies In The Storm” mee de honneurs waarnemen. Voor het overige business as usual hier. Met zijn ogenschijnlijk vanuit de diepste krochten van zijn lijf opborrelende soulvolle grom serveert White materiaal dat voortdurend behendig tussen de klippen blues, soul, (swamp) pop en rock heen en weer laveert. Met als verdere hoogtepunten wat ons betreft de zenuwachtig stuiterende “Chaos Boogie”, het sfeervolle gitaarinstrumentale tweeluik “Gabriella” en “Gabriella’s Affair” en het lui achterover leunende, de muziek van White eigenlijk best wel mooi samenvattende “Back Porch Therapy”. Dat soort van nummers doet nu al met ongeduld uitkijken naar “Heroes”, de ook al aangekondigde mannelijke helft van dit door lepe oude vos White met verstand van zaken geconcipieerde tweeluik.

www.tonyjoewhite.com

www.sanctuaryrecordsgroup.co.uk

 

 

BILL DEASY

“Good Day No Rain”

(Bound To Be Records)

(4) J J J J

 

Dankzij de niet aflatende inspanningen van Jan Janssen van het Real Roots Café krijgt Bill Deasy onverwachterwijze kansen in de Lage Landen. Wij kijken dan ook graag even in de achteruitkijkspiegel voor een stukje dat hier in april van vorig jaar al verscheen over Deasy’s “Good Day No Rain”.

 

In de liner notes bij zijn cd “Good Day No Rain” bedankt Bill Deasy Bruce Springsteen, Jackson Browne en Van Morrison voor wat hij noemt “a lifetime’s worth of inspiration”. En de man heeft klaarblijkelijk heel goed geluisterd, want zijn eigen songs zijn niet enkel heel erg melodieus, ook tekstueel zit alles hier bijzonder goed in elkaar.

Opener “I Want To Know” is zo een erg fraai liefdesliedje, dat wellustig rondwoelt in een bed van rinkelende gitaartjes. En ook “Blue Sky Grey” en “In My Head” nestelen zich vrijwel meteen permanent in je hoofd. De commerciële potentie druipt hier gewoonweg van af!

En wat te denken van verdere klasbakken als het zinderende “I’ll Rescue You”, het zomerse tweetal “Somewhere In Me” en “Who We Are”, het rustpuntje “I’ll Be Here” en het heerlijke sluitstuk van deze plaat “The Gift Of Seeing Through”?

Deze man heeft gewoon alles om het heel ver te schoppen. Op het juiste moment op de juiste plaats zijn, daar zal alles nu wel van af gaan hangen zeker?

 

P.S.: van Deasy verscheen zopas ook de DVD “Live At Club Cafe”.

www.billdeasy.com

CD Baby

 

 

THE LONESOME SISTERS

“The Lonesome Sisters”

(4) J J J J

The Lonesome Sisters With Riley Baugus

“Going Home Shoes”

(Tin Halo Music)

(4) J J J J

 

Over revelaties gesproken! Van The Lonesome Sisters, een duo bestaande uit Sarah Hawker (lead vocals) en Debra Clifford (harmony vocals, akoestische gitaar en mandoline), belandden hier zopas liefst twee recente CD’s op de schrijftafel, hun eerder dit jaar verschenen titelloze debuut en het zopas gereleaste “Going Home Shoes”, een samenwerkingsverband met het hier vooral van zijn bijdrage aan de “Cold Mountain”-soundtrack bekende snarenwonder Riley Baugus. En die platen blijken allebei een zwaar verslavende werking te hebben!

Hawker won dit jaar met haar liedje “Forgiveness” het hoogste eremetaal in de categorie country tijdens de jaarlijks gehouden Merlefest songwriting contest, een competitie die al voor menig een groot talent een aardig zetje in de rug betekende. Dat nummer vinden we dan ook terecht terug op de tweede CD van de Sisters. En dat blijkt slechts één van de vele hoogtepunten van deze dubbele worp. Wat meteen opvalt bij het beluisteren van elk van beide schijfjes, is de ronduit verbluffende samenzang van de dames. De manier waarop Clifford Hawker vocaal aanvult doet met weemoed terugdenken aan de hoogdagen van grote acts als The Stanley Brothers, The Delmore Brothers, The Louvin Brothers en The Carter Family. Ondersteund door een tot het absoluut noodzakelijke herleid instrumentarium bestaande uit akoestische gitaar, mandoline, clawhammer banjo en fiddle spannen Hawker en Clifford op hun eersteling op engelachtige wijze hun web, waarin naast enkele eigen songs en een stel traditionals ook liedjes als “Could You Love Me One More Time” van Carter Stanley, “Old Flames” van Hugh Moffatt en “Let Your Light Shine On Me” van Blind Willie Johnson worden gevangen. Werkelijk huiveringwekkend mooie mountain music is het resultaat.

Opvolger “Going Home Shoes” is door de akoestische basbijdragen van June Drucker en de snarengastrolletjes van Riley Baugus (gitaar, clawhammer banjo, fiddle) net iets voller – en daardoor ook nog net iets warmer – van geluid. En bovendien opteren Hawker en Clifford hier ook resoluut voor wat meer eigen songinbreng. Naast het bekroonde “Forgiveness” en het door merg en been gaande titelnummer bleven ons daarvan vooral “God’s Golden Keys” en “They All Pale” bij. Ook heel mooi is verder een met veel respect gebrachte cover van Ola Belle Reeds “Go Home Little Girl”. Op zoek naar een referentiepunt moesten wij steeds weer denken aan de fantastische jongste van Grey De Lisle, “The Graceful Ghost”. Als je daarvoor viel, dan verdienen The Lonesome Sisters je aandacht beslist ook.

www.lonesomesisters.com

CD Baby 1

CD Baby 2

 

 

TIM GRIMM

“Names”

(Wind River Records)

(4) J J J J

 

 “What’s in a name,” vroeg je? Wel heel wat, zo blijkt. Tim Grimm, de man die ons vorig jaar nog wist te verrukken met het fantastische “Coyote’s Dream”, vond er alvast de inspiratie in voor zijn nieuwe CD. Hij verbaasde zich erover, hoeveel liedjes er wel niet bestonden met persoonsnamen in hun titels en begon een lijst daarvan aan te leggen. Uiteindelijk koos hij er daar twaalf van uit en die belandden op het toepasselijk getitelde “Names”. Van Robert Earl Keen (“Mariano”) en Mickey Newbury (het goddelijke “San Francisco Mabel Joy”) tot John Mellencamp (“Jackie Brown”) en Woody Guthrie (“Pretty Boy Floyd”), van Gillian Welch (“Annabelle”) en John Prine (“Sam Stone”) tot The Carter Family en Bruce Springsteen (een bluesy uitgevoerd “Johnny 99”), van Tom Waits (“Georgia Lee”) en The Kingston Trio (“Reverend Mr. Black”) tot de traditionals “Barbara Allen” en “Lady Maisry”, stuk voor stuk trekt Grimm de liedjes volledig naar zich toe. En ondanks het feit dat ze uit behoorlijk diverse muzikale windstreken kwamen aanwaaien, gaan ze zo toch één harmonisch geheel vormen. Met zijn aangenaam gruizige stem en met de steun van collega’s en streekgenoten als Carrie Newcomer, Prine-gitarist Jason Wilber, The Banister Family en Grey Larsen haalt Grimm het beste uit een stel recente en minder recente eigen favorieten. En al moest hij naar eigen zeggen dan ook een aantal zijn voorkeur genietende songschrijvers passeren, toch hoor je dat het hier om een echt labour of love gaat. En Grimm bevestigt er wat ons betreft overduidelijk mee dat hij niet enkel een uitstekende songsmid is, maar ook een begenadigde vertolker (van andermans werk). Wij rekenen “Names” dan ook zondermeer tot de betere releases van het jaar in de categorie Americana / folk.

www.timgrimm.com

CD Baby

 

 

BEN HARPER & THE BLIND BOYS OF ALABAMA

“There Will Be A Light”

(Virgin / EMI)

(4) J J J J

 

De door Ben Harper en de drie blinde zeventigers met hun gouden strotten uit Alabama bewandelde paden hebben zich de voorbije jaren zo vaak gekruist, dat wat voor een buitenstaander een op het eerste gezicht wat onwaarschijnlijk ogende combinatie mag lijken voor de echte connoisseurs eigenlijk gewoon een kwestie van tijd was. En toch kwam “There Will Be A Light” al bij al nog eerder toevallig tot stand. Aan het eind van zijn afmattende jongste tournee doorheen Europa, meer bepaald tijdens het slotconcert ervan in het Parijse Bercy, nodigde Harper de drie heren uit om als finale encore samen “I Shall Not Walk Alone” te brengen. De magie die daarbij in de lucht hing, bracht hen, eenmaal weer in de States terug, al vrij snel weer samen om een song of twee in te blikken voor het nieuwe album van The Blind Boys. Maar twee songs werden er al snel vijf en men voelde zich danig goed in elkaars gezelschap dat nieuwe studiotijd voor een tweede opnamesessie geboekt werd, die op haar beurt nog eens zes liedjes zou opleveren. In amper acht dagen tijd werd op die manier – Schrijfwerk inbegrepen! – “There Will Be A Light” geboren, een album dat naadloos aansluit bij de bijdragen die Harper eerder al aan het plaatwerk van The Blind Boys leverde. Ze lijken zich voor even als gemeenschappelijk doel het populariseren van één der oudste rootsmuziekvormen te hebben gesteld. Gospel, want daarover hebben we het uiteraard, wordt dankzij hun aanpak immers ook toegankelijk gemaakt voor jongere generaties muziekliefhebbers. De rijke Southern Gospel-traditie wordt gekoppeld aan invloeden uit respectievelijk R&B, soul, funk, pop, rock en folk. En het moet gezegd, Harper heeft nooit beter – Lees: soulvoller. – geklonken dan in het gezelschap van de heren Fountain, Scott en Carter. Zelf spreekt de man in dat verband van “a marriage made in Heaven” en daar valt eigenlijk nauwelijks iets tegen in te brengen. De hier bijzonder bezield tentoongespreide vocale acrobatieën behoren samen met het enkele weken geleden verschenen en ook al gospelgetinte “Universal United House Of Prayer”-album van Buddy Miller tot dé absolute hoogtepunten van het rootsmuziekjaar 2004 so far. Praise the Lord!

www.benharper.net

www.blindboys.com

www.virginrecords.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Close Harmony”

(A History Of Southern Gospel Music, Vol. 1)

(Dualtone / Bertus)

(3) J J J

 

Wie zich na het genieten van de hier hoger besproken jongste van Ben Harper & The Blind Boys Of Alabama geroepen zou voelen om zich wat verder in de Zuidelijke gospeltraditie te verdiepen, wordt als het ware op zijn wenken bediend door het Amerikaanse Dualtone-label, dat met “Close Harmony – A History Of Southern Gospel Music, Volume 1” een beknopte geschiedenis van dat genre ter beschikking stelt. Deze door de Southern Gospel Music Association samengestelde compilatie focust op tussen 1920 en 1955 verschenen muziek en fungeert op die manier als muzikale illustratie bij het gelijknamige boek van James R. Goff. Bekendere namen als The Golden Gate Quartet, The Chuck Wagon Gang, Wally Fowler & The Oak Ridge Quartet en The Blackwood Brothers worden erop afgewisseld met hier over het algemeen minder gerenommeerde acts als The LeFevres, The Rangers Quartet, The Homeland Harmony Quartet, The Stamps Quartet, The Rebels Quartet Featuring Big Jim Waits, The Statesmen Quartet, The Stamps-Baxter Quartet en The Speer Family. Als eerste aanzet voor nader onderzoek met betrekking tot deze middels vaak hemelse harmonieën de Heer lovende muziek zeker geen kwade zet. Al moeten we daar eerlijkheidshalve wel meteen aan toevoegen, dat het voor leken wellicht toch nog allemaal net wat al té zware kost zal blijken.

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

“A Western Jubilee”

(Songs & Stories Of The American West)

(Western Jubilee / Dualtone)

(3.5) J J J J

 

Dualtone blijkt momenteel überhaupt erg actief op de compilatiemarkt. Het onlangs verschenen “A Western Jubilee – Songs And Stories Of The American West” is daarvoor een verder bewijsstuk. Deze als een showcase voor de eigen gelijknamige en op C&W afgestemde zijtak opgevatte verzamelaar wordt voorgesteld als een soort van muzikale bevestiging van de voor het ogenblik in de States volop in gang zijnde renaissance van de C&W-lifestyle. En wie kan je dan beter laten opdraven als Don Edwards, Peter Rowan, Tom Morrell, David Wilkie & Cowboy Celtic, Glenn Ohrlin, The Sons Of The San Joaquin, Katy Moffatt, Red Steagall, Waddie Mitchell, Norman Blake, Rich O’Brien en Wylie & The Wild West? Naar de sterren starend verzameld rond een groot kampvuur is het vast gezellig toeven met op de achtergrond recente en minder recente deuntjes als “Sierra Nevada”, “Sage & Cedar/Shenandoah”, “Wheels”, “By The Silvery Rio Grande”, “The Brazos”, “Whoopy Ti Yi Yo”, “From Whence Came The Cowboy”, “Hooves Of The Horses” en ander fraais. Je hoort kwatongen wel eens beweren dat dit soort van deuntjes verantwoordelijk is voor de kwalijke reputatie die country bij velen buiten de States geniet, maar daar zijn wij het hoegenaamd niet mee eens. O.K., die klaarblijkelijk noodzakelijke hoeden- en drachtenkermis had voor ons ook niet echt gemoeten, maar bij het horen van zoveel moois leeft de kleine cowboy van lang vervlogen tijden weer even in ons op en dat is al bij al goed voor een bepaald niet onprettig gevoel.

www.westernjubilee.com

www.dualtone.com

 

 

JOHN WESLEY HARDING

“It Happened One Night &

It Never Happened At All”

(Appleseed Recordings / Music & Words)

(4) J J J J

 

Met “It Happened One Night & It Never Happened At All” zullen de fans van de door zichzelf uitgeroepen bastaardzoon van Bob Dylan en Joan Baez John Wesley Harding – echte naam overigens gewoon Wesley Stace – hun geluk niet op kunnen. Het betreft hier immers een heruitgave van het al in 1989 verschenen en ondertussen nog maar moeilijk verkrijgbare akoestische live-debuut van de man en een voor het eerst op plaat verschijnend album dat als “You Can’t Take It With You” eigenlijk zijn eerste album had moeten worden, maar dat door allerlei omstandigheden niet werd. De zowel qua zang als qua aanpak volop aan Costello, Bragg en Dylan herinnerende Harding kreeg daarop ondermeer een helpende hand aangereikt door leden van The Attractions en Lindisfarne en van Geraint Watkins en exploreerde op de van hem ondertussen genoegzaam bekende manier stijlen als pop, rock, folk, C&W en blues. Daarbij ontstond er een hele trits aan erg catchy liedjes als het licht Diddley-esk opgevatte “Love’s Sacrifice”, het met een snuif Spector gekruide “Roy Orbison Knows”, het twangy country-spring-in’t-veldje “The Devil In Me”en het flink naar de Costello van diens okselfrisse eerste CD overhellende “Browning Road”, die ook nu – ruim vijftien jaar later – nog altijd staan als een huis. En dus durven we dit album zonder blikken of blozen – zeker ook gezien de uitstekende prijs-kwaliteit-verhouding ervan – van harte aanbevelen aan de liefhebber van het betere singer-songwriter-werk.

www.wesweb.net

www.appleseedrec.com

www.musicwords.nl

 

 

KASEY ANDERSON

“Dead Roses”

(Resonant Noise)

(4) J J J J

 

Na het verschijnen van zijn debuutplaat “Harold St. Blues” in 2001 gingen er eensklaps heel wat deuren open voor de ondertussen 24 jaar oude en uit Bellingham, Washington afkomstige singer-songwriter Kasey Anderson. Zo deelde hij sindsdien ondermeer de planken met Jesse Malin, Tift Merritt, Jesse Sykes, The Supersuckers en Steve Earle. Goed gezelschap en als leerschool om je verder in het vak te bekwamen natuurlijk ideaal. Maar er is meer. Anderson vond Earle’s stergitarist Eric “Roscoe” Ambel immers ook bereid om zijn tweede CD “Dead Roses” te produceren en er een forse muzikale bijdrage (akoestische en elektrische gitaren, Wurlitzer, orgel, piano, dulcitar, e-bow, tamboerijn) aan te leveren. Voorts mocht hij ook nog rekenen op wat hulp van bassist Billy Mercer, bekend van z’n werk voor ondermeer Ryan Adams, Matthew Ryan en Mindy Smith, op een fiddle-contributie van Joe Flood (Remember “Cripplin’ Crutch”, anyone?) en op een gezongen ruggensteuntje namens Casey Neill. Heel wat fraaie geloofsbrieven die de jonge Anderson kan voorleggen dus. En het hoeft dan ook niet te verwonderen, dat “Dead Roses” een heel erg sterke roots-rockplaat geworden is. Zo eentje van het type dat bijna schreeuwt om vergelijkingen met de Earle van ten tijde van “Copperhead Road”, met een Ryan Adams op dreef en hier en daar ook wel met de Stones in betere tijden.

Recht-toe-recht-aan rock & roll van het type van “5th Avenue Queen” of titelnummer “Dead Roses (And Blood Red Wine)”, verhalende singer-songwriter country met een scherp randje à la “What’s A Man To Do”, de verklankte desperate eenzaamheid van Americana-juweeltjes als “Raining In Hattiesburg” of “The Borderline”, ze vertellen eigenlijk allemaal één en hetzelfde verhaal: Anderson is een begenadigde verhalenverteller, hij heeft een bijzonder lekkere, zijn leeftijd compleet negerende gruizige stem en bovendien wist hij met Ambel de juiste man in te huren om van zijn tweede CD een aanrader van jewelste te maken. Horen is kopen!

Kasey Anderson

Miles Of Music

 

 

BILL PASSALACQUA

“Long Way Home”

(Reckless Pedestrian Records)

(3.5) J J J J

 

Bill Passalacqua is de enigszins exotisch aandoende naam van een in Austin, TX gehuisveste singer-songwriter, die met “Long Way Home” al aan zijn vierde CD toe is. Het door Bradley Kopp geproduceerde album bevat tien prima songs die de man in z’n dooie eentje of met wat hulp van bekendere collega’s aan papier toevertrouwde. Het met een flinke scheut swing aangelengde openingsnummer “You’re A Freight Train” schreef hij zo bijvoorbeeld met de onvolprezen Elizabeth McQueen, de als Cake goes Americana klinkende ballade “Beautiful” en het meteen daaropvolgende popliedje “Long Way Home” met de hier erg gewaardeerde songsmid Jeff Talmadge en het rootsy Americana-verhaaltje “Crossroads” met Slaid Cleaves. Muzikaal wordt hij ondersteund door ondermeer Lloyd Maines (dobro, steel), Darcie Deaville (fiddle, mandoline), Bradley Kopp (gitaar), David Sanger (drums) en David Webb (orgel). Voor vocale hulp tekenen opnieuw Kopp en de Ginn Sisters.

Country, pop, folk en Americana gaan hier vrijwel voortdurend hand in hand. En precies dat gegeven maakt ons inziens van “Long Way Home” een van de eerste tot de laatste noot erg genietbaar singer-songwriter album. De kans dat de verveling gaat toeslaan wordt op die manier immers zo goed als tot nul gereduceerd.

www.billpassalacqua.com

Texas Music Round-Up

 

 

JACK ROSE

“Two Originals Of…”

(Beautiful Happiness / Munich)

(3) J J J

 

 “Two Originals Of Jack Rose” herbergt twee eerder verschenen solo-uitstapjes van de snarenvirtuoos die we vooral kennen als lid van de groep Pelt. Het betreft het in 2001 in een zeer beperkte oplage verschenen “Red Horse White Mule” en het twee jaar later uitgebrachte album “Opium Musick”. Elk van die twee akoestische platen illustreert welk een uniek talent die Rose wel is op de gitaar (6-string, 12-string, lap steel, slide). En vooral enkele wat langzamere slide-uitstapjes (zoals “Dark Was The Night, Cold Was The Ground” – delta blues anno nu zeg maar) zijn van een werkelijk ademberovende schoonheid. Je zou het instrumentale blues met een sterk filmisch karakter kunnen noemen. Andere, vaak ellenlang uitgesponnen stukken moeten het dan weer vooral hebben van hun harmonische tempowisselingen en het daardoor voorzichtig gecreëerde spanningsveld en situeren zich eerder in het uitgestrekte braakland tussen folk en blues. Het geheel laat zich door zijn overwegend introvert karakter eigenlijk nog het best omschrijven als een soort van ideale soundtrack voor de er alweer snel aankomende druilerige herfst- en winterdagen.

www.munichrecords.com

 

 

DAVID MUNYON

“2 Billion Banjo: Blues Songs For Eric Burdon”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Beslist geen kwaad woord over het formidabele technische vernuft dat steeds weer voortkomt uit de Stockfisch-kelders van Günter Pauler, maar wat klinkt deze laatste “zelfrelease” van Munyon toch puur. Wanneer je een parallel tracht te maken met de beide 2 maanden geleden verschenen officiële cd’s “Seven Leaves In A Blue Bowl Of Water” en “More Songs From Planet Earth” zal je merken dat niets aan deze recente opnames is opgesmukt. Het is zoals het is en zoals de bijgevoegde stencil vermeldt: “David Munyon – Solo Acoustic”. En dat is dan ook het enige wat je hier moet verwachten.

Gezien de hoge kwaliteit van Davids muziek vervreemdt het mij nog enigszins dat hij commercieel zo weinig doet. Sterker nog, in Amerika is hij volstrekt onbekend, behoudens dan onder enkele collega-artiesten. Akkoord, vanwege zijn grilligheid geniet hij nu eenmaal de reputatie “moeilijk” te zijn en zijn vrijage met De Heer zal ook geen extra positieve impulsen geven. Maar toch…

Op “2 Billion Banjo: Blues Songs For Eric Burdon” staan uitsluitend nieuwe songs, die opgenomen werden op Munyons verjaardag op 19 augustus 2004 te Ozark, Alabama. Aangezien David financieel gezien op korte termijn van beide Stockfisch-CD’s vanwege hun productiekosten weinig vruchten zal plukken en er toch brood op de plank moet, heeft hij dit album uit zijn zenuwstelsel getrokken. Daarbij beslist niet de illusie hebbend dat dit album zijn commerciële ommekeer zal betekenen, is dit na een behoorlijk depressieve periode toch een duidelijk statement van een man die nog lang niet afgeschreven is. Opgetekend over de aangesproken zwarte periode in Munyons leven uit de mond van Schotse artiest Jackie Leven: “Vincent van Gogh moet een eerste klas party-animal geweest zijn vergeleken met Munyon”.

Twee eerdere geheel eigen producties meegerekend hebben we hier alweer te maken met het 11de album van Munyon. En een ieder die bekend is met Munyons cd’s, zal beamen dat ze allemaal voorzien zijn van dezelfde karakteristieke kenmerken: ijzersterke songs, een ijzingwekkende voordracht en dragend gitaarwerk. En toch durf ik bijna te stellen dat de songs ditmaal spannender zijn dan op zijn voorafgaand werk, ongetwijfeld dankzij de bluesachtige benadering.

Dit is ruim 65 minuten rijk gevarieerde luistermuziek.

De openingssong “World Love”, een hommage aan Sir Paul McCartney, opent met een heerlijke minutenlange gitaarintro, “The American Blues” heeft een Muddy Waters-achtige sound en “Never Give Up Blues” etaleert zijn herwonnen veerkracht. “Iraq” is dan weer een aan de actualiteit bestede song met daarin verwerkt het kernwoord van deze oorlog, gasoline, en “Blue Roses”.gewoon een schitterende romantische ode. Kortom een heerlijk album met alle Munyon-ingrediënten gevarieerd geserveerd. Voor hen die nieuwsgierig gemaakt zijn, deze CD is uitsluitend verkrijgbaar via de artiest zelf. De prijs bedraagt $ 20 per door David gesigneerde CD-R met authentiek homemade artwork. Verzendkosten niet inbegrepen. Je hoeft daartoe slechts contact met hem op te nemen.

Ondergetekende is nu voor muziekminnenden binnen de Lage Landen in gebed verzonken, want het wordt hoog tijd dat we deze unieke verschijning weer eens “in the flesh” kunnen aanschouwen.

 

Verkrijgbaar bij:

David & Dixie Munyon

533 Private Road 1507

Midland City, Alabama 36350 - USA

E-mail: JDvdMnyn@aol.com

 

 

DAVE VAN RONK

“…And The Tin Pan Bended, And The Story Ended…”

(Smithsonian Folkways Recordings / Music & Words)

(3.5) J J J J

 

 “I wanted to play jazz in the worst way – and I did,” gekscheerde Dave Van Ronk tijdens wat zijn laatste optreden ooit zou worden. Maar ondanks een diepgewortelde liefde voor dat genre zou zijn jeugddroom snel uitdoven en zouden blues en folk belangrijker voor hem worden. In die mate zelfs dat hij door de jaren heen tot een echt folkicoon zou uitgroeien. Zo eentje van het type dat zijn publiek altijd weer compromisloos aan zich wist te binden met zijn levendige verhalen, zijn prachtige liedjes en zijn virtuoos pickwerk op de gitaar. Van Ronk zou ook de mentor worden van heel wat groten in wording, zoals een Bob Dylan, een Tom Paxton, een Bill Morrissey en later ook een Suzanne Vega, om er maar enkelen te noemen.

“…And The Tin Pan Bended, And The Story Ended…” is de registratie van ‘s mans allerlaatste optreden op 22 oktober van 2001 in Adelphia, MD. Omdat hij zich niet al te best voelde, speelde Van Ronk die avond voor zo’n 125 toegewijde aanwezigen één lange set in plaats van twee korte. Andere aanwijzingen voor zijn met rasse schreden naderende dood waren er voor zijn fans absoluut niet. Hij wist het wél, maar liet het niet blijken. Wel integendeel! Van Ronk excelleerde nog één keer als – bij momenten echt wel bijzonder grappig uit de hoek komende – verteller en zong bijna terloops met die karakteristieke (zwaar geteisterde) ruige – je zou zweren zwarte – stem van ‘m liedjes van ondermeer Tom Paxton (“Did You Hear John Hurt?”), Bob Dylan (“Buckets Of Rain”), Josh White (“Sometime (Whatcha Gonna Do)”) en Joni Mitchell (“Urge For Going”). En dan waren er natuurlijk ook nog zijn werkelijk onnavolgbare vingeracrobatieën op de akoestische gitaar.

“…And The Tin Pan Bended, And The Story Ended…” is dan ook een heel bijzonder document: de laatste momenten die een hele grote met zijn bewonderaars deelde krijgen langs deze weg terecht een plaatsje in de eeuwigheid toebedeeld.

www.folkways.si.edu

www.musicwords.nl

 

 

THE LAURA BLACKLEY BAND

“Liquid Courage”

(SBS Records)

(3.5) J J J J

 

 “Liquid Courage” is het derde album van de in 1999 rond zangeres Laura Blackley geformeerde band uit Asheville, NC. Op die door Michelle Malone geproduceerde opvolger van hun al in 2000 verschenen debuut “Intentions Of Mine” en het van twee jaar later daterende “When A Woman…” tronen Blackley zelf (zang, akoestische gitaar), Marsellus Fariss (leadgitaar, mandoline, dobro), Julie Couch (drums) en Tony Harp (bas) je mee doorheen een veelheid aan roots-georiënteerde stijlen. Country, rock, blues, folk, bluegrass, gospel, ze zijn allemaal in meer of mindere mate voorhanden. Opvallendste pluspunten van “Liquid Courage” blijken daarbij de ongemeen krachtige zang van de frontvrouwe, het geluid van een strak op elkaar ingespeelde groep, maar vooral ook de liedjes van Blackley, die wat dat betreft namen als een Janis Joplin en een Bobbie Gentry in herinnering roept. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar uitstekende songs als het een aardig eindje weg twangende “Bonnie Parker’s Ballad”, naar het door Mars Fariss van een leuk mandolineaccentje voorziene titelnummer (met de fraaie zinsnede “… if courage was liquid, well I’d be the biggest fool…”) of naar de voorzichtig naar bluegrass neigende ballad “Deep River Lament” en je zal ons daarin graag bijtreden. Knappe plaat gewoon en je kan er dan ook donder op zeggen dat dit verhaal nog een staartje krijgen zal.

www.laurablackleyband.com

www.SBS-Records.com

CD Baby

 

 

ERIC ANDERSEN

“Great American Song Series Vol. 1:

The Street Was Always There”

(Appleseed Recordings / Music & Words)

(4) J J J J

 

Op zijn nieuwe CD “Great American Song Series Vol. 1: The Street Was Always There” neemt Eric Andersen ons mee terug in de tijd. Het doel dat hij zich voor deze plaat vooropstelde, was liedjes van mensen die hij nog uit zijn Greenwich Village-tijd kende te brengen op een zodanige manier dat ze ook in het nieuwe decennium muzikaal aantrekkelijk zouden blijven. Daartoe deed hij een beroep op producer Robert Aaron en een stel collega’s als John Sebastian, Patrick Sky, Happy Traum en Pete Kennedy. Maar de meest opvallende is toch wel Wyclef Jean van rapcollectief The Fugees. Die verwacht je hier immers helemaal niet. Hij helpt “White Boots Marching In A Yellow Land” van Phil Ochs een eigentijds jasje aanmeten, waarin zelfs wat voorzichtig scratchwerk helemaal niet misplaatst blijkt. Verder krijgen ook Bob Dylans “A Hard Rain’s Gonna Fall” – net geen tien minuten bestrijkend en met fraai slidegitaarwerk van Pete Kennedy - en Fred Neils “A Little Bit Of Rain”, Buffy Sainte-Marie’s “Universal Soldier” – wellicht bekender in de uitvoering van Donovan - en Peter La Farge’s “Johnny Half-Breed”, David Blue’s “These 23 Days In September” en Phil Ochs z’n “I Ain’t Marching Anymore”, Paul Siebels “Louise” en Tim Hardins “Misty Roses”, Patrick Sky’s “Many’s A Mile” en Fred Neil z’n “The Other Side Of This Life” een aangename beurt van Andersens steeds soulvollere stem mee. En uiteraard mogen ook een stel van ’s mans eigen liedjes niet op het appel ontbreken. “Waves Of Freedom” en “The Street Was Always There” completeren het plaatje. Een plaatje dat overigens nu al doet uitkijken naar het in het CD booklet aangekondigde tweede volume, want deze eersteling in een hopelijk lange reeks mag je rustig als een klein meesterwerkje bestempelen.

www.ericandersen.com

www.appleseedrec.com

www.musicwords.nl

 

 

BILL STAINES

“Journey Home”

(Red House Records / Music & Words)

(3.5) J J J J

 

Net als de hier elders besproken Eric Andersen blikt ook Bill Staines op zijn vierentwintigste CD voornamelijk in de achteruitkijkspiegel. Een soort van muzikaal thuiskomen noemt hij het zelf. Staines, die opgroeide in de Boston-Cambridge folk scene van de sixties en aldus naar eigen zeggen via traditionals uiteindelijk ook bij liedjes van tijdgenoten en vrienden belandde, bezoekt op “Journey Home” songgewijs een aantal mensen en plaatsen die hij in zijn rijk gevulde muzikale leven als een thuis heeft mogen ervaren.

Van Bruce Murdoch brengt hij zo het een bestaan als zwerver bezingende “Rompin’ Rovin’ Days”, van Goebel Reeves het al in ’62 geschreven en naar country & western neigende “Hobo’s Lullaby”, van Samuel Stennet het ruim twee eeuwen oude “Bound For The Promised Land” en van Paul MacNeil het van mooi altsaxwerk van Billy Novick voorziene “Love Was Easy”. Verder stoten we ondermeer ook op het aan Carl Sandburg’s “American Songbag” – Zie ook de recente Dan Zanes! – ontleende “Tell Ol’ Bill (This Mornin’, This Evenin’, So Soon)”, op een folky C&W-versie van Buffy Sainte-Marie’s homecoming song “The Piney Wood Hills”, waarin een akoestische gitaarbijdrage van Guy VanDuser en een subtiele accordeonversiering van Larry Luddecke het verschil maken, en op Mary McCaslin’s zacht twangend folk & western-deuntje “Prairie In The Sky”. Enkele traditionals verder ook, waarvan vooral het door John Curtis fraai op dobro en mandoline ingekleurde “Stewball” (over een racepaard) en een sfeervolle adaptatie van “Pretty Saro” ons zijn bijgebleven. En uiteraard werden ook een stel eigen liedjes aan deze bijzonder warm aanvoelende collectie songs toegevoegd. Het titelnummer bijvoorbeeld, dat opvalt door zijn Keltisch tintje, evenals “A Rancher Turns 80 / The Years” en “The Philosopher’s Song”.

Bill Staines

www.redhouserecords.com

www.musicwords.nl

 

 

EARLY GRACE

“EP”

(Big Bad Train Records)

(3) J J J

 

Korte CD, korte bespreking, zo gaat dat hier… Vier nummers telt “EP”, het debuut van het drie jaar geleden door singer-songwriters Christopher Bonet (gitaar) en Anna Elias-Bonet (zang) opgerichte Early Grace. Met Sean Bonet (bas) en Pete “Moon” Truncale (drums) brengen die twee een stel eigen liedjes waarvoor de term Americana roots rock op zijn plaats lijkt. Als invloeden noemen ze zelf Neil Young, Lucinda Williams, Steve Earle en The Band. Sterkste troeven van de groep zijn de lenige stem van de knappe leading lady en wat meer rootsy ingekleurde verhalende liedjes als “15 Years” en “If I Could”. Potentieel genoeg dus. Nu alleen nog wat royaler bevestigen!

www.earlygrace.com

CD Baby

 

 

RICKY SKAGGS & KENTUCKY THUNDER

“Brand New Strings”

(Skaggs Family Records)

(4) J J J J

 

De voorbije jaren ging Ricky Skaggs steeds nadrukkelijker zijn heil zoeken in gospeleske bluegrass-wateren. Daarbij viel hij regelmatig terug op stokoud materiaal. En in dat opzicht markeert “Brand New Strings” een serieuze stijlbreuk met zijn recente verleden. Ditmaal gaat Skaggs immers voornamelijk in de leen bij een aantal van de betere (country) singer-songwriters van het ogenblik. Guy Clark en Shawn Camp leverden zo bijvoorbeeld een sprankelende ode aan het adres van folklegende Sis Draper af, Harley Allen pende het gevoelige (en heel erg naar country overhellende) “Spread A Little Love Around” en ex-bandlid Keith Sewell stond in voor de energieke titeltrack. Verder stoten we ondermeer op een reprise van “My Father’s Son”, een nummer waarmee Skaggs in ’91 al eens de country charts haalde, op een eigentijdse en zeer levendige benadering van Doug Kershaws “Sally Jo”, bekend in ondermeer de net geen vijftig jaar geleden opgenomen versie van Bill Monroe, op een drietal nieuwe instrumentals ook (“I Corinthians”, “Appalachian Joy” en “Monroe Dancin’”), op enkele composities van Shawn Lane van Blue Highway en op Shawn Camps innemende “Lonesome And Dry As A Bone”. Samenvattend zou je kunnen stellen, dat de nieuwe Skaggs eigenlijk ook gewoon weer een beetje de oude is. En dat is best wel goed nieuws. “Brand New Strings” is daar het mooiste bewijs voor. Bluegrass op z’n warmst!

www.skaggsfamilyrecords.com

 

 

RANDY ROGERS BAND

“Rollercoaster”

(Smith Entertainment)

(4) J J J J

 

Vorig jaar lieten we ons hier al in behoorlijk lovende bewoordingen uit over de Randy Rogers Band naar aanleiding van hun tweede CD “Like It Used To Be”. En op “Rollercoaster”, de door Radney Foster geproduceerde opvolger van die plaat, laten de lekker gruizig gevooisde Texaanse singer-songwriter en de zijnen horen dat ze in de sindsdien verstreken periode bepaald niet bij de pakken zijn blijven zitten. “Rollercoaster” betekent een logische volgende stap in hun rijpingsproces en klinkt als geheel gewoon heel erg af. Vooral de countryrockertjes van het type waarop ook die van Reckless Kelly en Cross Canadian Ragweed wel een patent lijken te hebben zoals “Lay It All On You”, “Somebody Take Me Home” en “This Time Around” gaan er weer in als zoete koek. En dat hoeft eigenlijk ook helemaal niet te verwonderen als je weet dat Rogers daarvoor schrijfhulp kreeg van respectievelijk Wade Bowen, Radney Foster en Cody Canada (van Cross Canadian Ragweed). Er wordt dus resoluut gemikt op het Texaanse college circuit, zoveel is zeker. Dat neemt echter niet weg, dat “Rollercoaster” gewoon een heel lekker schijfje is. En wie wel van schuurpapieren stemmen houdt, moet dit dan ook beslist eens even proberen.

www.randyrogersband.com

Lone Star Music

 

 

ELEVEN HUNDRED SPRINGS

“Bandwagon”

(Palo Duro Records)

(3) J J J

 

Door de legendarische Ronnie Dawson voor de kar van hun nieuwe single, een knappe, lekker lijzige versie van Mickey Newbury’s “Why You Been Gone So Long”, te spannen hoopten die van Eleven Hundred Springs wellicht wat makkelijker het pad naar radio airplay te kunnen effenen. En als dat inderdaad al hun opzet was, dan zijn ze daar met brio in geslaagd, want in het kielzog van dat aanstekelijke deuntje doet ook hun debuut voor Palo Duro Records – in werkelijkheid al hun vierde na het eerder verschenen drietal “A Straighter Line”, “Welcome To Eleven Hundred Springs” en “Broken Dreams” – “Bandwagon” het uitstekend. De plaat staat inmiddels al wekenlang genoteerd in zowel de FAR als de AMA chart en dat betekent dat men er in Radioland wel pap van lust. “Country music, Texas spirit” is de leuze van hun label en eigenlijk laat zich die ook gemakkelijk hertalen naar de muziek van Eleven Hundred Springs zelf. Dat vijftal staat immers voor pretentieloos countryvermaak Texas style. Titels als “Hank Williams Wouldn’t Make It Now In Nashville Tennessee” of “The Only Thing She Left Me Was The Blues” zijn wat dat betreft indicatief. En ook hun lijflied “Long Haired Tattooed Hippie Freaks” vertelt hetzelfde verhaal. Eleven Hundred Springs zijn afgaande op hun uiterlijk geen typisch Texaans bandje, maar vanaf het ogenblik dat er muzikaal aan de slag gegaan wordt, wijzen wel alle neuzen in dezelfde (country)richting. Die van de outlaws met name.

www.1100springs.com

www.palodurorecords.com

 

 

MICHAEL DE JONG

“Imaginary Conversation”

(Corazong Records)

(3) J J J

 

Op de opvolger van zijn eerder dit jaar verschenen live-CD “23, Rue Boyer”, “Imaginary Conversation”, geeft de van Nederlands-Franse afkomst zijnde half-Amerikaanse singer-songwriter Michael de Jong zichzelf andermaal ongegeneerd helemaal bloot. Het album is opgevat als een soort van denkbeeldig gesprek met de Texaanse met wie hij een intense spirituele relatie had. Had inderdaad, want zoals dat dezer dagen steeds meer lijkt te moeten gebeuren, liep het ook tussen de Jong en zijn vriendin op den duur mis. En dus liet de man op de van hem gekende manier zijn gevoelens maar weer eens de vrije loop in het materiaal voor zijn nieuwe CD. Een aantal van de op die wijze ontstane liedjes nam hij in eerste instantie met een band op. Het resultaat van die samenwerking beschouwde hij zelf evenwel als absoluut niet bevredigend. De Jong was op zoek naar een eerlijke, heel erg directe verklanking van zijn emoties en die zou hij uiteindelijk pas vinden door gewoon zelf de akoestische gitaar om te gorden en alles in zijn dooie eentje in te blikken. Voor zijn publiek heeft dat het gevolg, dat het genieten van deze CD een soort van voyeuristisch trekje meekrijgt. Je kan in elk geval nauwelijks om de oprechtheid van het aangebodene heen. Noem het een vorm van therapeutisch schrijven (en zingen). Alle manieren zijn daarbij goed om je over je ellende heen te zetten.

www.corazong.com

 

 

JIMMY STURR

“Rock ’n Polka”

(Rounder Select / Rounder Europe)

(3) J J J

 

Polka heeft de kwalijke reputatie wat oubollige muziek te zijn. En laten we wel wezen, eigenlijk is dat ook wel zo. Maar tegelijk is deze lang geleden via Europese inwijkelingen in de States geïntroduceerde muziek ook ongelooflijk warm en uitgelaten. En nog feestelijker wordt het allemaal, wanneer de ongekroonde koning van dat genre en meervoudige Grammy-winnaar Jimmy Sturr besluit om voor zijn nieuwe plaat een aantal rock & roll hits onderuit te halen. “Splish Splash”, “Personality”, “Rebel Rouser”, “Since I Met You Baby”, “Fun Fun Fun”, “Dream Lover”, “Charlie Brown”, “Singing The Blues”, “The Wanderer”, “Don’t Be cruel”, “The Great Pretender”, “Hello Mary Lou” en “Bye Bye Love” zijn de gegadigden. Rock & roll eerder ruim geïnterpreteerd dus, maar dat kan de pret niet drukken. Zeker wanneer een blik interessante gasten wordt opengetrokken. Duane Eddy tekent zo bijvoorbeeld met “Rebel Rouser” voor wat zowat de eerste twangpolka moet zijn, Alison Krauss lijkt zich wat onwennig te voelen in Bobby Darins “Dream Lover”, idem dito voor countryster Lee Greenwood in Lloyd Price z’n “Personality”, Blue Highway goes surf polka in “Fun Fun Fun”, Larry Chance & The Earls hernemen Elvis in “Don’t Be Cruel” en Willie Nelson zet “Since I Met You Baby”, “Singing The Blues” en de Everly Brothers-hit “Bye Bye Love” naar zijn polkahand. Grote kunst is het allemaal zeker niet, maar na enkele biertjes staat dit schijfje wel garant voor de nodige fun. En dat moet op zijn tijd ook gewoon kunnen, niet toch?

www.jimmysturr.com

www.rounder.com

Rounder Europe

 

 

CLAY BARTLETT

“Fixin’ To Break Down”

(Lu Belle Records)

(4) J J J J

 

 “Fixin’ To Break Down” is Clay Bartletts debuut voor eigen rekening. En de man, die we in het verleden ook al aantroffen op “Must ‘ve Been Live” van The Supersuckers, op Gerald Colliers “Low Tar Taste” en op “Leaving Lake City” van eigen band The Cheap Ones, presenteert zich daarop als een zeer interessante jonge singer-songwriter. Gewapend met een aangename, licht gruizige stem ploegt hij zich een weg doorheen een akker vol van eigen songmateriaal, waarin country, folk, old-time, blues en zelfs rock elkaar erg mooi complementeren. Met de hulp van mensen als Allen Terhune (Terhune, Gerald Collier, The Supersuckers / lap steel, resonator, accordeon), Chris Cline (Evangeline, The Cheap Ones / “spooky” elektrische gitaar), Kevin Warner (Evangeline, Jesse Sykes & The Sweet Hereafter / drums), Russ Riedner (The Cheap Ones / banjo), Rachel Niman en Jake London (zang) schildert hij weemoedige, vaak ook enigszins duister aandoende Americana-tafereeltjes. Daarbij dringen vergelijkingen met een Dylan (zoals in het met een streepje harmonica opgeluisterde “Shoulder Of Fools”) of een Van Zandt (zoals in “You Will Not Be Missed”) zich regelmatig onwillekeurig op. Maar dan louter bedoeld als referentie, want Bartlett is een original en met “Fixin’ To Break Down” levert hij gewoon een ijzersterke eersteling af, die werkelijk het allerbeste laat verhopen voor de toekomst. Het enige minpuntje van dit visitekaartje is wat ons betreft het feit dat we slechts acht liedjes voorgeschoteld krijgen. Die smaken immers volop naar véél meer…

www.claybartlett.com

Miles Of Music

CD Baby

 

 

DOLLY PARTON

“Live And Well” (DVD)

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J

 

Met Dolly Parton gaat het goed, dank u. Meer zelfs nog: uitstekend. De rondborstige zangeres-zakenvrouw wist de voorbije jaren met drie erg knappe bluegrassplaten haar zo al verre van misselijke reputatie nog flink wat op te vijzelen. En ook zakelijk gezien gaat het haar voor de wind, want haar hoogsteigen amusementspark Dollywood blijkt het prima te doen. En het was ook precies daar – in het Celebrity Theater meer bepaald – dat ze in december van 2002 verspreid over twee avonden en telkens voor een vol huis de opnamen liet maken voor haar nieuwe worp “Live And Well”. Daarop wijdt ze zich in het gezelschap van The Blueniques zowel aan een fraaie rootsy gekleurde dwarsdoorsnede uit haar hitrepertoire (“Applejack”, “Coat Of Many Colors”, “9 To 5”, “Jolene”, “I Will Always Love You” en een sublieme a capella medley met “Islands In The Stream”, “Here You Come Again”, “Why ‘d You Come In Here Lookin’ Like That” en “Two Doors Down”) als aan een hele trits liedjes van “The Grass Is Blue”, “Little Sparrow” en “Halos And Horns” en een stel klassiekers (zoals “Rocky Top”). En tussendoor toont ze zich ook een bijzonder innemende podiumpersoonlijkheid. Ze praat haar liedjes op de van haar bekende manier vlot aan elkaar en krijgt de aanwezigen geregeld op haar hand met haar uit het leven gegrepen verhaaltjes en spontane grappen en grollen. Voeg daar nog aan toe, dat ze zich met Gary Davis en zijn Blueniques uitstekend geruggesteund weet en dat het optreden voorbeeldig – dat is met veel oog voor nuances – in beeld wordt gebracht en je houdt met deze DVD een zeer mooi avondvullend programma achter de hand. En al zal je het misschien nog wat vroeg vinden om daar al aan te denken, dit soort van hebbedingetjes vindt iedereen wel graag onder de kerstboom… Het geheel is overigens ook gewoon als dubbel-CD verkrijgbaar en nog wel aan een zeer voordelige 2-voor-1-prijs. Tel uit je voordeel!

www.dollyparton.com

www.sugarhillrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

MELONIE CANNON

“Melonie Cannon”

(Skaggs Family Records)

(4) J J J J

 

Spreekwoordelijk gezien valt de appel niet ver van de boom. En het nog relatief korte muzikale levensverhaal van Melonie Cannon is daarvan een goed voorbeeld. Als dochter van de gereputeerde muzikant-songwriter-producer Buddy Cannon werd ze van kindsbeen af door de muziekmicrobe gebeten. En vanaf haar veertiende zong ze dan ook al mee op platen van gevestigde Nashville-namen als Dean Dillon, Sammy Kershaw, George Jones, Kenny Chesney en John Michael Montgomery. Iets waar ze een stevige reputatie aan overhield. Na haar studies zou haar leven evenwel een drastische wending nemen. Op zoek naar meer structuur in haar leven belandde ze in het leger. En daar zou ze blijven tot ze tijdens een ochtendlijke loopoefening ongelukkig viel en haar heup brak. Exit en terug naar af. Na haar terugkeer in Nashville ging er vervolgens een geheel nieuwe wereld voor haar open. Ze begon er de legendarische bluegrassclub The Station Inn te frequenteren en raakte compleet verslingerd aan dat genre. En via één van de vele nieuwe vrienden die ze er maakte, Ronnie Bowman, de ex-zanger van de populaire Lonesome River Band, kreeg ze al snel de kans om ook zelf met een stel kanjers van muzikanten aan de slag te gaan. Randy Kohrs, Dan Tyminski, Jerry Douglas, Stuart Duncan, Barry Bales, Mark Casstevens, Bowman zelf, Rob McCoury,… Geef toe, een duizelingwekkend lijstje namen om als betrokkenen in het booklet van een debuut aan te treffen. Vervolgens zou ook Ricky Skaggs de bloedmooie Cannon onder zijn hoede nemen en er via zijn Skaggs Family Music voor zorgen dat haar muzikale visitekaartje ook effectief verspreid raakte.

En die eersteling is een buitengewoon mooie plaat geworden, waarop het beste van twee werelden samenvalt. Onversneden bluegrass is het zeker niet. En puur commerciële akoestische country al evenmin. Maar als er nog zoiets als gerechtigheid bestaat, dan moet Cannon het in elk van deze beide genres vlot tot publiekslieveling kunnen schoppen. Net als een Alison Krauss of eerder dit jaar bijvoorbeeld ook nog Alecia Nugent weet deze debutante immers perfect de gouden middenweg te bewandelen tussen deze twee al bij al toch behoorlijk uiteenlopende muzikale strekkingen. Met haar prachtige altstem beschikt ze daartoe overigens ook over het geknipte hulpmiddel. En liedjes aangeleverd door haar vader, Matraca Berg en Jim Photoglo, Bill Anderson en Jon Randall, Harley Allen en Leslie Satcher, John Scott Sherrill en Ronnie Bowman doen de rest. Uptempo (“Nothing To Lose”, “Westbound Trains”, “Separate Ways”), dan wel eerder ingetogen (“Tennessee Roads”, “I Feel You Everywhere”, “What Took You So Long”, “Sweeter Than Sugarcane”, “Whiskey Lullabye”), het maakt Cannon klaarblijkelijk allemaal niet zo heel veel uit. Ze zingt hier gewoon voortdurend de sterren van de hemel. En het zou dan ook al heel vreemd moeten lopen, willen we er niet nog heel veel van gaan horen, van deze Melonie Cannon. A star is born!

www.meloniecannon.com

Miles Of Music