CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES OKTOBER 2010

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

MASSY FERGUSON “Hard Water” - DANIEL NORGREN “Horrifying Death Eating Blood Spider” - HELLSONGS “Minor Misdemeanors” - BORIS MCCUTCHEON & THE SALTLICKS “Wheel Of Life” - OLD 97’s “The Grand Theatre Volume One” - COLIN GILMORE “Goodnight Lane” - THE SNAKES “Sometime Soon…” - COWBOY JUNKIES “Renmin Park” - K.D. LANG & THE RECLINES “A Truly Western Experience” - RED MEAT “Live At The World’s Smallest Honky Tonk” - HUEY LEWIS & THE NEWS “Soulsville” - IMAGINED “The John Lennon Song Project” - Tim O’Brien “Chicken & Egg” - BEN WEAVER “Mirepoix And Smoke” - KIM BEGGS “Blue Bones” - DONNA BEASLEY “Under The Rushes” - CORINNE WEST & KELLY JOE PHELPS “Magnetic Skyline” - TRISHA GAGNON “A Story About You And Me” - DAVID VEST “Rock A While” - ANNIE KEATING “Water Tower View” - TREASA LEVASSEUR “Low Fidelity” - KIMMIE RHODES “Miracles On Christmas Day” - RACHEL HARRINGTON “Celilo Falls” - WOOLDRIDGE BROTHERS “Days Went Around” - JAMES OVERBEE “The Old Way” - AMERICAN AQUARIUM “Small Town Hymns”

 

MASSY FERGUSON “Hard Water” (Spark & Shine / Sonic Rendezvous)

(4****)

Al zo’n vier jaar lang timmeren Ethan Anderson (zang, bas, akoestische gitaar, fluit), Adam Monda (elektrische en akoestische gitaren, backing vocals), Tony Mann (toetsen, zang) en Dave Goedde (drums, percussie, zang) vanuit Seattle hard aan de muzikale weg. Een eerste resultaat van die noeste arbeid mochten we in 2008 begroeten. Dat was hun doorgaans erg lovend onthaalde debuutplaat “Cold Equations”. We leerden het viertal daarop kennen als een act te situeren in de buurt van illustere voorgangers als Son Volt, de Drive-by Truckers, de Jayhawks en Tom Petty en z’n Heartbreakers. Americana meets pop meets rock, zoiets dus. Een gezonde dosis twang verzekerd alleszins! En dat is op opvolger “Hard Water” niet anders. Al helemaal omdat gast Jason Kardong z’n pedal steel hier regelmatig mag laten meehuilen. Zoals bijvoorbeeld in het enigszins melancholisch opgevatte “Wenatchee Eyes”. Verder vooral veel lekker rockend spul hier. Sterk vonden wij daarvan met name het onder om voortdurend om je aandacht strijdende gitaren en toetsen bedolven “Sparks And Shrapnel” en het met een fijn harmonicaatje opgewaardeerde “Pretty Plain Jane”. We hebben ze al veel slechter gehoord!

Massy Ferguson

Sonic Rendezvous

 

DANIEL NORGREN “Horrifying Death Eating Blood Spider” (Cool Buzz / Sonic Rendezvous)

(4****)

Met z’n tweede cd “Outskirt” maakte de Zweed Daniel Norgren hier vorig jaar zoveel indruk, dat we hem daarvoor prompt met een plaatsje in de top tien van onze eindejaarslijst bedankten. En wij waren lang niet de enigen, die door dat schijfje compleet van de sokken werden geblazen. De man werd bijna versmacht onder de lovende kritieken en zag dat ondermeer resulteren in optredens in poptempel Paradiso en op festivals als Crossing Border en Moulin Blues. Goed bezig met andere woorden en dat vroeg dus om bevestiging. En die krijgen nu onder de vorm van “Horrifying Death Eating Blood Spider”. Die derde van Norgren blijkt in zijn geheel aardig wat experimenteler dan zijn voorganger. “Back to basics” luidde ’s mans uitgangspunt ditmaal en dat betekent ondermeer, dat hij hier zo goed als alles zelf doet. Slechts heel sporadisch mag er eens een ander een instrument komen hanteren. “Horrifying Death Eating Blood Spider” biedt dan ook een zeer persoonlijke kijk op muziek. Vooroorlogse blues, gospel, jazz, garage rock, country en andere, ze worden door Norgren bijzonder gulzig verorberd en nadien op hoogst excentrieke wijze weer uitgespuwd. De braakballetjes die zodoende ontstaan herinneren zowel qua intensiteit als qua originaliteit een weinig aan Tom Waits. Al dient daar wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat Norgren al bij al véél en véél verder durft te gaan dan deze laatste. Ook “Horrifying Death Eating Blood Spider” is daardoor weer uitermate intrigerend rauw entertainment van de bovenste plank.

Daniel Norgren op MySpace

Cool Buzz

Sonic Rendezvous

 

HELLSONGS “Minor Misdemeanors” (Lovely / Tapete / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

‘t Is dat we flink wat van de hier gebrachte nummers ooit al wel eens in hun originele uitvoeringen hadden gehoord, anders zouden we zonder de nodige aanwijzingen wellicht nooit achter hun ware aard zijn gekomen. Niets, maar dan ook hoegenaamd niets doet immers vermoeden, dat negen van de tien songs op “Minor Misdemeanors” een heavy metal-verleden hebben. Maar dat is dus wel degelijk wél zo. Het Zweedse collectiefje Hellsongs heeft er zich immers zo’n beetje in gespecialiseerd om “zware metalen” te vertalen naar een eigentijdse neo-folkcontext. ’t Is van opzet een beetje vergelijkbaar met wat die van Nouvelle Vague klaarspelen met new wave en bossa nova. En hun “lounge metal” werkte op ons alvast even verslavend. En dat is niet in geringe mate de verdienste van nieuwe frontvrouwe Siri Bergnehr. Bergnehr, eerder ergens op de achtergrond ook al te horen op “Pieces Of Heaven, A Glimpse Of Hell”, de debuut-EP van Hellsongs, werd door Johan Bringhed (piano, keyboards) en Kalle Karlsson (gitaren) aangetrokken om Harriet Ohlsson te komen vervangen. Die had er, geplaagd door stress na het verschijnen van “Songs In The Key Of 666”, de voorganger van “Minor Misdemeanors”, immers de brui aan gegeven. Zich voornamelijk bedienend van een achtergrond, waarin (akoestische) gitaren en toetsen regeren, eigenen Bergnehr en co zich met brio materiaal van illustere acts als Alice Cooper, Judas Priest, W.A.S.P., Slayer, Skid Row, AC/DC en Pantera toe. Opvallendste resultaten, die dat opleverde, waren wat ons betreft een frivole, met blazers opgesmukte versie van Coopers klassieker “School’s Out” en een al even catchy vertolking van AC/DC’s “Sin City”. Ook héél mooi: het al fluitend ingeleide “Rubicon Crossings”, een eerste eigen liedje van Karlsson, dat erin slaagde om op een Hellsong-plaat te belanden. En als dusdanig misschien al wel een voorzichtige aanwijzing voor wat de toekomst brengen zal…

Hellsongs

Tapete Records

Sonic Rendezvous

 

BORIS MCCUTCHEON & THE SALTLICKS “Wheel Of Life” (Frogville / Lucky Dice Music)

(4****)

Wat ons gelijk al bij onze eerste beluistering van “Wheel Of Life”, de nieuwe van Boris McCutcheon & The Saltlicks opviel, was dat die plaat in haar geheel beduidend meer country klonk dan haar voorgangers. En dat bleek al snel een terechte vaststelling. McCutcheon noemde het recent immers zelf “a country album” en een vervolgstuk op “Bad Road, Good People”. Wat meteen ook verklaart, waarom het titelnummer van die plaat uiteindelijk op “Wheel Of Life” belandde. Die nieuwe van McCutcheon bulkt van de liedjes, waarin hij ons vanuit zijn eigen ervaringswereld een blik gunt achter de schermen van het leven van alledag in New Mexico. Het wellicht markantste voorbeeld daarvan is het olijke “Boxspring Plow”, waarin hij bezingt, hoe een tussen dorre struiken achtergelaten boxspring een tweede leven gaat leiden als hulpmiddel bij het schoonhouden van het stukje weg voor zijn deur. Samen met “No Place To Fall”, een wel erg gloedvolle Townes Van Zandt-cover, wat ons betreft meteen ook één van de allermooiste momenten van “Wheel Of Life”. In dat laatste laat McCutcheon nog eens volop bewonderen, wat voor een geweldige zanger hij eigenlijk wel is. Best wel jammer, dat hij zijn voornemen om een plaat vol met Van Zandt-interpretaties wellicht zal laten varlen, omdat Steve Earle hem recent nog voor is geweest. Niet dat zijn eigen composities niet zouden deugen of zo, maar als je hoort wat hij hier met “No Place To Fall” doet, dan ga je gewoon volop hongeren naar meer van dattum. Kippenvel gegarandeerd! Andere covers, die de acht McCutcheon-originelen hier aanvullen, zijn vertolkingen van Mark Ray Lewis’ “Mark Twain” en het live in de bossen van Lage Vuursche in Nederland ingeblikte “Lee Harvey” van Homer Henderson. Dat laatste liedje, dat aan de vermeende moordenaar van Kennedy een wat menselijker kantje tracht te verlenen, leerde McCutcheon van zijn overleden muzikale mentor David Bindler. En aan hem droeg hij dit album postuum ook op.

Boris McCutcheon

Lucky Dice Music

 

OLD 97’s “The Grand Theatre Volume One” (New West / Sonic Rendezvous)

(4****)

Laat je vooral niet misleiden door de titel van dit schijfje! Dit is immers geen live-plaat! Wél een bijna-live-plaat. Een weekje pre-productioneel opnemen in de befaamde Sons Of Hermann Hall in Dallas zal daaraan allicht niet vreemd zijn. Rhett Miller en de zijnen probeerden daar hun nieuwe materiaal uit om na te gaan of het zich goed naar een live-context liet vertalen. Pas toen vastlag, welke liedjes uiteindelijk hun nieuwe plaat zouden gaan halen trokken ze richting de Treefort Studios in Austin om daar het geheel af te werken. Het resultaat is een cd geworden, waarop Miller en co hun live sound daadwerkelijk aardig dicht benaderen. Afgetrapt wordt er met het tijdens één van Millers optredens in het voorprogramma van Steve Earle in een kleedkamer van het Grand Theatre in Leeds gepende titelnummer. En dat blijkt een erg knappe gitaarrocker tout court te zijn, waarin wij zeer nadrukkelijk de geest van The Clash meenden te mogen ontwaren. En ook het daaropvolgende “Every Night Is Friday Night (Without You)” valt wat ons betreft nog onder diezelfde noemer. Weer diezelfde punky attitude en een net-niet-ska-motiefje, genre Strummer en zijn discipelen ten tijde van hun klassieker “London Calling”. Rete-aanstekelijk gewoon! Pas vanaf het derde nummer, “The Magician”, wordt er ook geregeld uitgepakt met een flinke dosis twang en mag je ons inziens weer gaan spreken van roots rock. En met een flink countrygehalte bovendien! Iets wat zeker ook geldt voor “You Were Born To Be In Battle”, één van de twee door bassist Murry Hammond aangedragen liedjes. “My stab at 60s Johnny Cash,” noemde die dat onlangs zelf nog en in die omschrijving kunnen wij ons eigenlijk best wel vinden. Een ander erg opvallend nummer is “Champaign, Illinois”. Daarbij blijkt het bij nader inzicht immers om een herschreven versie van Bob Dylans “Desolation Row” te gaan. En die was daarmee naar verluidt zelf danig in zijn nopjes, dat hij er niet alleen zijn fiat voor gaf, maar ook instemde met een 50/50-verdeling van de ermee vergaarde inkomsten. En dat zegt best wel iets over het niveau van dat liedje! Een andere echte klapper vonden wij tenslotte ook nog “A State Of Texas”. Dat tegen een echte rotvaart voortdenderende countryrockertje, heeft wat ons betreft echt alles in huis om het in no time te laten uitgroeien tot een vaste waarde op het live-programma van de band.

Old 97’s

New West Records

Sonic Rendezvous

 

COLIN GILMORE “Goodnight Lane” (Colin Gilmore / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Goodnight Lane”, na het in 2004 verschenen “The Day The World Stopped And Spun The Other Way” de tweede volwaardige langspeler van Colin Gilmore, heeft wel iets van een statement. De zoon van Flatlander Jimmie Dale lijkt er ditmaal echt alles aan te hebben gedaan om voor de hand liggende vergelijkingen met zijn ouweheer a priori zoveel mogelijk uit te sluiten. Zijn stem is daarbij natuurlijk wat ze is. Daar kon hij dus niet omheen. Dat nasale, dat zit er in de familie Gilmore nu eenmaal in. Voor het overige is hij op het grotendeels door Lloyd Maines en Eric McKinney geproduceerde “Goodnight Lane” echter vooral zichzelf. En dat betekent ondermeer, dat hij het stilistisch gezien een stuk ruimer houdt dan dat doorgaans bij zijn bekendere vader het geval is. Openingsnummer “Circles In The Yard” is zo aanstekelijke, op heerlijk rinkelende gitaren geënte roots rock, titelnummer “Goodnight Lane” al even aantrekkelijke Americana met een hoog twang-gehalte, het samen met Scott Matthews gepende “Abigail” lonkt tegen een melancholische accordeonbijdrage van Jared Hall voorzichtig richting Keltische folk, “Black Vines” is gewoon een streep bijzonder sympathieke country rock, “Laughing Hard Or Crying” drijft mede dankzij een markant orgeltje een aardig eindje richting de muzikale nalatenschappen van wijlen Doug Sahm en Buddy Holly af en “Llano” groeit ondermeer door de Gilmore op geweldige wijze ondersteunende backing vocals van Sally Allen tot een heel mooie, ergens tussen folk en Americana aanmerende sleper uit. En dan is er nog het afsluitende “Raindrops In July”, misschien wel het allermooiste liedje van het geheel. Dat bijzonder soulvolle nummer vatte de jonge Gilmore aan op de dag dat zowel zijn dierbare oom Alan als countrylegende Johnny Cash kwamen te sterven en werkte hij uiteindelijk af met de gerenommeerde Jon Tiven. Heel straffe kost!

Colin Gilmore

Sonic Rendezvous

 

THE SNAKES “Sometime Soon…” (Red Eye Music / Bertus)

(3,5****)

Hype-hype-hype, hoera! De Britse vakpers heeft er met The Snakes weer een stel uitgesproken lievelingen bij. De “nieuwe helden van het Britse countryrockgebeuren” werden ze al liefkozend genoemd door onze vakbroeders van Americana UK. En ook BBC Radio 2-iconen Bob Harris en Mark Lamarr spaarden de superlatieven absoluut niet. Termen als “fenomenaal” en “fantastisch” weerklonken in verband met het uit Simon Moor, Richard Davies, John O’Sullivan, Pete Smart en Dan Telbury – Zie ook The Redland Palomino Company! – bestaande vijftal reeds uit hun monden. De wat ons betreft mooiste omschrijving liet echter het maandblad Uncut optekenen. Daarin had men het over “Muswell Hill’s own Whiskeytown”. En dat mag dan misschien al een beetje overdreven zijn, het klinkt wel goed en zegt ook wel wat over The Snakes van voor “Sometime Soon…”. Op die nieuwe cd worden al wat meer muzikale horizonten verkend. Naast warmbloedige, hoegenaamd uitstekend gebrachte country rock treffen we op de opvolger van “Songs From The Satellites” uit 2006 en de twee jaar later verschenen mini “Extended Player” ook enkele aan het werk van Captain Beefheart en Jon Spencer herinnerende verwrongen bluesjes en wat richting de desert sounds van acts als Calexico lonkende deunen aan. Tot de eerste categorie behoren zo bijvoorbeeld “Refrigerator Blues” en “Jesus In A Box”, tot de tweede dingen als “What Have I Done” en “Cumberland Breeze”. Het lekkerst blijven in onze ogen echter de nog wat meer bij het eigen verleden aansluitende songs. De deluxe-rocker “Tin Foil Town” bijvoorbeeld of ook het op heerlijk harmonieerwerk drijvende tweetal “Come My Way” en “Amaretto”. Dat zijn liedjes van een dergelijk straf kaliber, dat je zó geneigd raakt om de doorgaans erg chauvinistische Engelse persjongens gewoon blind in hun oordeel over deze knapen te volgen.

The Snakes

Red Eye Music

Bertus

 

COWBOY JUNKIES “Renmin Park” (Latent Recordings / Proper / Rough Trade)

(3,5****)

Het eerste volume in hun ambitieus opgevatte “Nomad Series” vernoemden de Cowboy Junkies naar een park in China, waar Michael Timmins nogal wat tijd sleet tijdens het proces voorafgaand aan zijn adoptie van twee plaatselijke kinderen. Als een droge spons absorbeerde hij er ruim drie maanden lang gulzig lokale invloeden. En die worden er op “Renmin Park” in één enkele krachtige “squeeze” allemaal weer uitgeknepen. Timmins en zijn kompanen bedienen zich daarbij uitgebreid van door de beste man ter plaatse gemaakte veldopnamen. Stukjes conversatie, straatgeluiden, performances en wel meer vinden zo hun weg naar deze hoogst merkwaardige clash tussen twee culturen. Zonder daarvoor compleet afstand te moeten doen van hun o zo vertrouwde “signature sound” geven de Cowboy Junkies hier zo voor het eerst een eigen invulling aan het begrip wereldmuziek. Timmins loodste daartoe ook een aantal plaatselijke muzikanten, waarmee hij tijdens zijn verblijf ginder bevriend geraakte, de studio in. En van Zuoxiao Zuzhou (ZXZZ) en Xu Wei worden respectievelijk de songs “I Cannot Sit Sadly By Your Side” en “My Fall” gecoverd. Eerstgenoemde leverde daarnaast ook nog een bijdrage aan “A Walk In The Park”. Verwacht hier dan ook zeker niet enkel vintage Junkies! De door sirene Margo Timmins gedragen warmbloedige Americana ondergaat hier een liefdevolle kruisbestuiving met enigszins aanverwante Oosterse en andere genres. Met wat hijzelf het fictionele liefdesverhaal van twee mensen, wier aparte werelden hen voor altijd van elkaar gescheiden zullen houden, noemt, wilde Timmins nog naar eigen zeggen zijn dank uitdrukken aan het adres van een obscuur stadje en zijn inwoners, die hun levens zomaar voor een stel volslagen vreemdelingen wilden openstellen. En in al zijn diversiteit klinkt “Renmin Park” dan ook vooral heel erg warm. Bezwerend, welhaast filmisch, zoals in het titelnummer, avances richting zowel trip-hop als blues makend zoals in “(You’ve Got To Get) A Good Heart”, rootsy rockend zoals in het wel erg toepasselijke “Stranger Here”, flink naar late night jazz overhellend zoals in het eerder al aangesproken “I Cannot Sit Sadly By Your Side”, net niet volledig de Oosterse kaart trekkend zoals in het bij momenten stevig aan z’n kettingen snokkende “A Walk In The Park” of toch nog maar eens even gewoon op z’n Junkies zoals in “Little Dark Heart”, het kan hier voortdurend zowat alle kanten uit en dat maakt van “Renmin Park” op z’n minst  één van de meest intrigerende albums van Timmins en co so far.

Cowboy Junkies

Proper Music

 

K.D. LANG & THE RECLINES “A Truly Western Experience – 25th Anniversary Edition” (Bumstead Productions / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Precies vijfentwintig jaar is het ondertussen ook alweer geleden, dat de ondertussen tot een heus genre-icoon uitgegroeide Canadese K.D. Lang debuteerde met “A Truly Western Experience”. Dat die verjaardag gevierd wordt met een in tal van formaten verkrijgbare box set luisterend naar de titel “Recollection”, was je wellicht niet ontgaan. Maar wist je ook, dat Langs al een poosje niet zo gemakkelijk meer verkrijgbare visitekaartje onlangs als “25th Anniversary Edition” compleet geremasterd opnieuw het daglicht zag? Is dus wel degelijk zo, hè. Naast de negen tracks van haar eersteling krijgen we daarop ook “Friday Dance Promenade” en “Damned Old Dog” van haar in 1983 verschenen debuutsingle, de demo “Burrs Under Your Saddle” en de live tracks “Hungry For Love”, “Johnny Get Angry” en “Mercy”. En alsof dat allemaal al niet volstond, biedt een tweede schijfje ook nog de video’s bij “Hanky Panky”, “Bopalena” en “Pollyann”. Mijlenver verwijderd allemaal van wat Lang tegenwoordig brengt, maar wel erg leuk! Het herinnert er je nog eens aan, waarom ze als jonge spring-in-’t-veld het (alternatiever ingestelde deel van het) countrywereldje indertijd stormenderhand wist in te nemen. Ook een kwart eeuw later klinkt haar eigenzinnige mix van traditionele country, swing, blues en rock & roll nog altijd even onweerstaanbaar. En die geweldige, ongemeen expressieve stem, haar handelsmerk eigenlijk, die was er ook toen al. Een blij weerzien met andere woorden, dit schijfje.

K.D. Lang

Sonic Rendezvous

 

RED MEAT “Live At The World’s Smallest Honky Tonk” (Ranchero Records)

(4****)

“California’s finest” vereeuwigd tijdens een overrompeling van “the world’s smallest”! Lees: Red Meat op bezoek in de Cinema Bar in Los Angeles. De kleinste honky-tonk ter wereld mogen plaatselijke liefhebbers van traditionele country die drankgelegenheid graag noemen. Amper zestig mensen kunnen erin. Maar precies dat vinden die van Red Meat een zegen. “Nergens sta je immers dichter bij je publiek als daar,” aldus zanger Smelley Kelley. Iets wat zorgt voor een ongelooflijke betrokkenheid bij het podiumgebeuren van zowel publiek als groep zelf. En het hoeft dan ook amper betoog, dat deze live-registratie bijzonder lekker luistervoer oplevert. Eigen nummers worden afgewisseld met sprankelende covers van klassiekers als “Above And Beyond” (Buck Owens), “Motorcycle Cowboy” (Merle Haggard), “Big River” (Johnny Cash), California Blues” (Jimmie Rodgers), “Ring Of Fire” (Johnny Cash) en andere. En alle betrokkenen genieten ervan, dat hoor je! Dit is dan ook “real country” op z’n best! Van de vitaliteit bruisende hardcore honky-tonk als antidotum tegen alle kitsch ons dezer dagen massaal voorgeschoteld vanuit Nashville!

Red Meat

CD Baby

 

HUEY LEWIS & THE NEWS “Soulsville” (W.O.W. / Proper Records / Rough Trade)

(4****)

Al als jonge knaap raakte Huey Lewis helemaal verslingerd aan soul. Een voorliefde, die hij, zoals later blijken zou, met z’n maats van The News, deelde. Met name heel wat op het legendarische STAX verschenen platen groeiden uit tot echte all-time favorites van Lewis. En compleet te verwonderen hoeft het dan ook niet, dat de beste man al een aantal jaren met het idee speelde om ook zelf een album ermee te vullen. Alleen ontbrak het hem een weinig aan moed. Hij was zich immers maar al te bewust van het feit, dat heel wat van het materiaal dat hij voor ogen had geschreven was met echt grote stemmen voor ogen. En dus zou het uiteindelijk tot 2009 duren alvorens zijn manager Bob Brown hem zover kreeg er ook echt werk van te maken. Samen met de leden van zijn groep nam hij ruimschoots de tijd om de gigantische STAX-catalogus door te nemen en elk kozen ze een handvol van hun lievelingsnummers om mee aan de slag te gaan. Met de productionele hulp van Jim Gaines, met wie ze indertijd ook al hun klassieker “Sports” inblikten, doken ze de vermaarde Ardent Studios in Memphis in. Daar kozen ze voor dezelfde werkwijze als hun grote voorbeelden. En dat betekende concreet met z’n tienen tegelijk de opnameruimte in en alles gewoon lekker live vereeuwigen. Lewis en de zijnen kregen daarbij voor de gelegenheid de nodige ruggensteun van de ondermeer van zijn werk achter Paul Thorn bekende gitarist Bill Hinds. Het resultaat is een door hemzelf als “a true labor of love” bestempeld geheel, dat met enorm veel respect voor het geleende materiaal de sfeer van lang vervlogen dagen evoceert. Nergens steekt Lewis daarbij zijn helden vocaal echt naar de kroon, al was het ook maar voor heel even. Maar de man kent duidelijk zijn beperkingen en liet zijn begeleiders daar handig op inspelen. Door zijn maats de nodige ruimte te laten om hun ding te doen ontstond een bijzonder warmbloedig geheel, dat uit elke porie klassieke R&B en soul ademt. Stukken eerlijker dan we dat recent bijvoorbeeld nog door Seal of Rod Stewart op ons bord gekwakt kregen. Het doet echt enorm plezier om te luisteren naar de hier vertolkte uitvoeringen van dingen als “Respect Yourself”, “Cry To Me”, “Got To Get You Off My Mind”, “Just One More Day” en vele andere. Interessant is daarbij ook om vast te stellen, dat Lewis en co niet altijd voor de meest voor de hand liggende liedjes kozen. In onze ogen alleen maar een bewijs te meer voor de stelling, dat deze schijf daadwerkelijk om de juiste redenen het daglicht zag en effectief wel haar plaatsje in Soulsville verdient. (De blazers alleen al zouden daar trouwens ongetwijfeld onder het werk bedolven worden. Zo goed zijn ze inderdaad…)

Huey Lewis & The News

Proper Music

 

IMAGINED “The John Lennon Song Project” (John Lennon Song Project)

(4****)

Op 8 december aanstaande zal het precies dertig jaar geleden zijn, dat we volkomen onverwacht afscheid moesten nemen van John Lennon. Een verjaardag, die bepaald niet onopgemerkt voorbij zal gaan. We worden dezer dagen immers als het ware doodgeknuppeld met aan de overleden ex-Beatle gerelateerde releases. Eén daarvan is “Imagined – The John Lennon Song Project”. Dat door Rex Fowler en Tom Dean gestuurde geheel wist ons alvast aangenaam te verrassen. Het moet zowat de eerste met Beatles-covers gevulde plaat zijn, die onze weigerachtige houding ten overstaan van dergelijke initiatieven als sneeuw voor de zon volledig deed wegsmelten. Maar Fowler en Dean en hun voortdurend wisselende gasten sprongen dan ook uitermate zorgzaam met het erfgoed van Lennon om. Ze kozen voor een volledig akoestische benadering, nu eens vallend onder de noemer luisterpop, dan weer eerder folk of sporadisch zelfs Americana. Daarbij zeker niet uitsluitend puttend uit het bekendere materiaal van Lennon en zijn partner Macca. En dat vonden wij an sich al een pluspunt. Al hadden wij op een Lennon-eerbetoon eerlijk gezegd wel wat meer Lennon-songs verwacht. Enkel het met “I’ll Get You” tot een bijzonder fraaie medley verwerkte “Imagine” draagt hier immers niet ook McCartney’s signatuur. Vreemd toch, niet? Maar goed, voor het overige slagen Fowler en Dean en hun begeleiders wonderwel in hun opzet. Nergens ga je hier immers snakken naar de originelen, wel integendeel zelfs. Dingen als “Girl”, “A Day In The Life/Across The Universe”, het al genoemde “I’ll Get You/Imagine”, “Rain” en andere worden hier zodanig gepersonaliseerd gebracht, dat je alleen maar bewonderend kan luisteren naar een dergelijk “labour of love”. En ook Fowlers “Johnny’s An Angel”, je misschien al wel bekend in de uitvoering van ’s mans Aztec Two-Step, ademt helemaal datzelfde gevoel uit. Echt goed gedaan, heren! Chapeau!

The John Lennon Song Project

 

Tim O’Brien “Chicken & Egg” (Howdy Skies Records)

(4****)

“Chicken & Egg”, zijn nieuwe cd, droeg Tim O’Brien aan z’n onlangs overleden vader Frank A. O’Brien, Jr. op. En een veel mooier afscheidsgeschenk had die zich bij nader inzicht amper kunnen wensen. Gebracht, zoals we dat van O’Brien na bijna twintig albums ondertussen wel zo’n beetje gewend zijn geraakt, met een uitgerekend door haar eenvoud z’n métier accentuerende precisie, verkent de multi-instrumentalist ook op z’n jongste worp weer veertien nummers lang de schemerzone tussen folk, bluegrass en Americana. O’Brien behoort zoals alom geweten tot de allerbesten binnen z’n vakgebied daar waar het de behandeling van zo ongeveer alles wat snaren heeft betreft. En dat laat hij hier eens te meer horen op akoestische gitaar, banjo, mandoline en bouzouki. Met een als ronduit aanstekelijk te bestempelen spelvreugde buigen hij en een keure aan gasten, bestaande uit Mike Bub, Stuart Duncan, Abigail Washburn, John Gardner, Dennis Crouch, Bryan Sutton, Chris Stapleton, Charlie Cushman, Joel O’Brien, Lucas Reynolds, Darrell Scott, Sarah Jarosz en Ray Bonneville, zich over een sprankelende mix van eigen “on the road” getest materiaal en covers. Tot de laatste categorie behoren Wayne Scotts “Sinner”, “The Sun Jumped Up” van Woody Guthrie en de traditionals “My Girl’s Waiting For Me” en “Suzanna”, tot de eerste ondermeer het heerlijk swingende, samen met Jimmy Stewart gepende “Gonna Try To Make Her Stay”, het grappige, met de hier op handen gedragen Jonathan Byrd uitgewerkte en samen met Abigail Washburn gebrachte “You Ate The Apple” en het uptempo stampertje “All I Want”. Dé primus inter pares hier is wat ons betreft echter het lekker rockend gebrachte “Workin’”, misschien wel net omdat O’Brien zich daarin ook eens even van een andere kant laat horen. Vakmanschap is meesterschap, wil het gezegde, en dat wordt door O’Brien met dit schijfje eens te meer vet onderlijnd.

Tim O’Brien

 

BEN WEAVER “Mirepoix And Smoke” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

Eerlijk is eerlijk: Ben Weavers vorige plaat, “The Ax In The Oak”, is hier vrij snel een stille dood gestorven. En het was haar eerder complexe geluid dat haar daarbij naar alle waarschijnlijkheid de das omgedaan heeft. Iets wat ook Weaver zelf beseft lijkt te hebben, want voor zijn nieuwe worp koos hij opnieuw voor een beduidend eenvoudigere aanpak. De songs erop worden je quasi naakt aangereikt. Weavers stem en teksten daardoor terug volop in het middelpunt van de belangstelling plaatsend, met vaak amper meer dan een akoestische gitaar, wat banjo of piano, wat backing vocals (van Erica Froman, ex-Anathallo, meer bepaald) en occasioneel een streepje slagwerk als begeleiding. En zo horen we de beste man eigenlijk het liefst. Hij nodigt je op die manier immers als het ware uit, om je wat dieper in zijn poëtische wereld te wagen, zodat je zijn materiaal totaal anders gaat ervaren. Materiaal, dat ditmaal volledig ongedwongen tot stand kwam overigens. De liedjes op “Mirepoix And Smoke” dienden zich immers spontaan aan, toen de nu 31-jarige Amerikaan als kok aan de slag was in een “farm-to-table restaurant” in Minneapolis. En dat verklaart wellicht meteen ook de titel van zijn nieuwe worp. Sommige van de songs erop kwamen misschien wel tot stand toen de geur van mirepoix – een combinatie van uien, wortelen en bleekselderij – en rook net zijn neusvleugels vulden. Überhaupt is de op “Mirepoix And Smoke” gepresenteerde wereld er één die een stuk meer “down to earth” is dan voorheen. Weaver, net gescheiden en voor het eerst in zeven jaar weer “echt werkend”, romantiseert hier een stuk minder dan dat eerder het geval was. Zelf net terug met beide voeten op de begane grond beland, lijkt hij er ons attent op te willen maken, dat het echte leven zoveel meer te bieden heeft dan hij vroeger nog zelf had willen geloven. En dat leidt hier alvast tot een terugkeer in stijl.

Ben Weaver

Bloodshot Records

Bertus

 

KIM BEGGS “Blue Bones” (Black Hen Music / Continental)

(4****)

In haar thuisland was dit juweeltje ondertussen al zo’n half jaar lang verkrijgbaar, maar wij, Europeanen, hebben er met zijn allen wat langer op moeten wachten, op deze derde van de Canadese Kim Beggs.  En da’s eigenlijk best wel jammer te noemen, want op de opvolger van haar geweldige “maiden release” “Streetcar Heart” en “Wanderer’s Paean”, haar al even sublieme tweede, doet Beggs weer vrijwel voortdurend prachtige dingen. Ditmaal liet ze zich bij de opnames assisteren door de dezer dagen alomtegenwoordige Steve Dawson. Die tekende niet enkel voor de werkelijk vlekkeloze productie van het album, maar slaagde er ook in om Beggs van een geweldig entourage te voorzien. Zelf leverde hij bijdragen op ondermeer de National steel, elektrische slide en Weissenborn, er ondertussen streng op toeziend, dat Beggs zelf, Keith Lowe, John Raham en Chris Gestrin op hun respectieve instrumenten gitaar, bas, drums en keyboards keurig binnen de lijntjes van het door hem beoogde geluid kleurden. Gastbijdragen waren er voorts nog van onder anderen Gurf Morlix, Laurie Lewis, Natalie Edelson en Jeanne Tolmie, om er de bekendsten maar even van tussen te lichten. Samen hielpen zij Beggs aan een heerlijk relaxt, nergens geforceerd aandoend Americana-geluid, dat met elke nieuwe beluistering weer wat aan charme weet bij te winnen. Beggs zelf presenteert zich tegen die quasi perfecte muzikale achtergrond als een extreem getalenteerde zingende songsmid. In haar allesbehalve conventioneel opgevatte teksten brengt ze op indrukwekkende wijze het rustieke Canadese Noorden tot leven, daarbij zo nu en dan een humoristische noot absoluut niet schuwend. Negen eigen originelen telt “Blue Bones”, naast covers van songs van Bob Dylan (“I’ll Be Your Baby Tonight”), Patty Griffin (“Trapeze”), Cowboy Jack Clement (“Just Someone I Used To Know”) en de traditional “I’m Thinking Tonight Of My Blue Eyes”, die ze zich  volstrekt eigen weet te maken. Als een soort van kruising tussen Kasey Chambers en Iris DeMent klinkt ze daarbij. Een beetje apart misschien, maar wel heel erg tot de verbeelding sprekend. Met als leukste momenten voor ons het als een eigentijdse uitvoering van Porter & Dollie in duet met Gurf Morlix gebrachte “Just Someone I Used To Know”, het z’n titel alle eer aandoende “Can’t Drive Slow Yodel”, het vertederende, op soulvol toetsenwerk van Chris Gestrin drijvende “Honey And Crumbs” en het door Dawson steelgewijs flink opgewaardeerde “Mama’s Dress”.

Kim Beggs

Black Hen Music

Continental Record Services

 

DONNA BEASLEY “Under The Rushes” (Bless Her Heart Music)

(4****)

Volkomen terecht maakte Donna Beasley de voorbije weken haar opwachting in zowat alle toonaangevende rootsmuzieklijsten. Wat die vanuit of all places Nashville actieve zingende liedjesschrijfster op haar tweede album “Under The Rushes” presteert, is immers ronduit indrukwekkend te noemen. Deden haar stem en haar manier van zingen ons aanvankelijk nog beurtelings aan Lucinda Williams en aan Aimee Mann denken, dan verdient ze op de keper beschouwd op basis van het op de opvolger van “Good Samaritan” uit 2007 gebrachte toch vooral aandacht voor haar eigen merites. En in de eerste plaats dan voor haar ongelooflijke talent als songwriter. Beasley gebruikt op “Under The Rushes” het countrygenre weliswaar nog vrijwel voortdurend als uitgangspunt, maar durft ook gesmaakte uitstapjes in tal van andere richtingen aan. Openingsnummer “You Wouldn’t Know Love” flirt zo op sensuele wijze met rockabilly, het met Elizabeth Cook en Tim Carroll gebrachte “Just What I’m Looking For” noemt ze zelf “Hillbilly-politan”, “Really That Good” is fraaie roots pop, titelnummer “Under The Rushes” de trage rockvariant daarvan, “Can I Get A Ride” een sfeervolle Americana-ballade, “Heart Like A Wound” een mid-tempo countryrockertje, “Nothing’s Ever Good Enough” een uitstapje richting roots & roll-wateren, het met Chuck Mead (BR549) gedeelde “Makin’ Love” traditioneel countryspul en  afsluiter “Roaring Fork / Mountain On My Back” een zich na een uptempo bluegrass-intro tot sombere Appalachenballade ontwikkelende schoonheid van een song. Beasley presenteert zich hier met andere woorden als een echte “veelkunner” en één van dé (schrijf)talenten voor de toekomst. Een echte aanrader!

Donna Beasley

CD Baby

 

CORINNE WEST & KELLY JOE PHELPS “Magnetic Skyline” (Tin Angel / Sonic Rendezvous)

(4****)

Sommige verhalen lijken als het ware voorbestemd om vroeg of laat geschreven te worden. Zo ook dat van Corinne West en Kelly Joe Phelps als duo. Als rondtrekkende muzikanten kruisten hun paden zich de jongste jaren zo vaak, dat daaruit ten gepaste tijde wel de één of andere samenwerking moest resulteren. En eigenlijk heeft het nog redelijk lang geduurd, voor dat er effectief van gekomen is. Maar goed, het lange wachten erop blijkt wel meer dan de moeite waard te zijn geweest. De twee, allebei keien op de akoestische gitaar, doen op “Magnetic Skyline” alles in hun eentje. Concreet betekent dat, dat ze de acht liedjes erop gewoon samen inblikten, daarbij uitsluitend gewapend met hun eigen stemmen en gitaren. En geloof ons vrij, meer moest dat ook absoluut niet zijn! West en Phelps vullen elkaar stemgewijs immers wonderwel aan en ook hun gitaren lopen elkaar nooit voor de voeten. Het resultaat zijn acht delicate luisterliedjes ergens op de grens tussen pop, folk en Americana, met een naar alle waarschijnlijkheid zeer lange houdbaarheid. Muziek voor alle tijden, zeg maar. Muziek ook, die er zich uitstekend toe leent om in redelijk intiem gehouden kring live te komen brengen. En dus is het wat ons betreft ook nu al uitkijken geblazen naar een doortocht van dit extreem getalenteerde tweetal doorheen ons land.

Corinne West

Kelly Joe Phelps

Sonic Rendezvous

 

TRISHA GAGNON “A Story About You And Me” (Jam ’n Music)

(4****)

Voor onze eerste kennismaking met de bevallige Trisha Gagnon moeten we al een aardig eindje terug in de tijd. Naar 2004 meer bepaald. Toen leerden we haar naar aanleiding van de uitstekende cd “The Round West” kennen als de bassiste van John Reischmans Jaybirds. Nu, goed en wel zes jaar later, levert de Canadese met “A Story About You And Me” haar eigen debuutplaat af. En wat voor één! Met elf eigen liedjes en een cover van Bryan White’s “When Am I Gonna Get Over You” dingt ze ongegeneerd naar een plaatsje in de harten van fans van dames als Alison Krauss, Patty Loveless, Rhonda Vincent, Alecia Nugent, Claire lynch en anderen. Haar eersteling is een voornamelijk bluegrass- en folkgeoriënteerd geheel, waarop werkelijk alles klopt. Zo blijkt Gagnon hier naast een voortreffelijke bassiste vooral ook een geweldige zangeres te zijn, schrijft ze erg fraaie, vaak uit haar eigen leven gegrepen liedjes en wist ze zich ook te omringen met een schare aan sublieme muzikale bondgenoten. Met Vince Gill deelt ze zo bijvoorbeeld het melancholische, de aan een muzikantenbestaan verbonden momenten vol heimwee bezingende beauty “On My Way To You”, met Peter Rowan en haar zus Cathy-Anne McClintock het aan de bij het overlijden van een “loved one” opwellende gevoelens opgehangen “Farewell”, met haar “baas” John Reischman en de hier onlangs ook zelf nog besproken Kathy Kallick het een op vierjarige leeftijd ondernomen uitje op eigen houtje richting haar grootouders beschrijvende “My Grandparent’s House” en met Laurie Lewis en Keith Little de hier spontaan een lentegevoel oproepende spring-in-‘t-veld “Hummingbird”. Andere betrokkenen waren ondermeer ook nog Jim Nunnally, Nick Hornbuckle en Greg Spatz, de drie overige Jaybirds, Chris Jones, Tony Furtado, Rob Ickes en Roger Gillespie. Samen hielpen zij Gagnon aan een geluid, dat zo menig een collega haar alleen maar zal kunnen benijden. Zang, liedjes, arrangementen, productie,… Hier valt hoegenaamd nergens wat op af te dingen! In de categorie bluegrass zondermeer één van de mooiste platen van het jaar.

Trisha Gagnon

CD Baby

 

DAVID VEST “Rock A While” (Criminal Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

David Vest trapt zijn nieuwe cd “Rock A While” in regelrechte Jerry Lee Lewis-stijl af. Het titelnummer blijkt immers een pianogestuurde streep onvervalste rock & roll genre “Great Balls Of Fire” en andere. Maar de “Boogie Woogie Wonderboy” toont zich op z’n eerste nieuwe cd in vijf jaar wel van meer kanten. “Blind Mule” blijkt zo bijvoorbeeld een stuk introspectiever, quasi parlando gebrachte bluesy stuff, “Monklite in Vermouth” een jazzy instrumentale nachtbraker en “Magic City Shuffle” een z’n naam alle eer aandoende, lekker ritmisch met de kont schuddende pianoschuifelaar. Vest gokt dus duidelijk op meerdere paarden hier. Maar zijn sterkste kant blijven wat ons betreft toch de er van achter zijn piano uitgeperste boogie woogie-(tussen)spurtjes genre het al genoemde titelnummer, “What’s On Your Mind”, “Bad Little Boogie” en andere. Die halen het zonder daartoe een noemenswaardige eindjump te moeten plaatsen van de wat ingetogener momenten. Al zitten ook daartussen wel enkele beklijvende stukken, zoals bijvoorbeeld het sexy “Running Partner”, waarin Vests stem, piano en gitaar voortdurend een flinke kluif aan elkaar hebben. Niet alles is hier overigens van de hand van Vest zelf. Voor “Whiskey And Women” ging hij zo in de leen bij de grote John Lee Hooker, voor “Natural Born Lover / Every Night About This Time” bij Fats Domino, voor “It Don’t Make Sense (You Can’t Make Peace)” bij Willie Dixon en voor “I Got A Baby / Rocky Road Blues” bij Gene Vincent. En voor de volledigheid vermelden we hier ook nog maar even, dat enkele tracks live werden ingeblikt, ondermeer op het gerenommeerde Waterfront Blues Festival.

David Vest

Sonic Rendezvous

 

ANNIE KEATING “Water Tower View” (Annie Keating)

(4,5*****)

“Water Tower View” bevestigt al het goede dat we al naar aanleiding van voorganger “Belmont” over Annie Keating schreven, hadden we hier willen opperen, maar dat zegt veel en tegelijk ook niets. Daarom dus maar gelijk met de deur in huis vallen: deze vierde van Keating is wat ons betreft één van de allerbeste Americana releases van het jaar. Elf erg mooie, tot in de puntjes verzorgde songs bevat het album, waarmee de Amerikaanse weer alle al in het verleden gemaakte vergelijkingen met onder anderen Lucinda Williams, John Prine, Bonnie Raitt en Gillian Welch weet te wettigen. De meerderheid daarvan is van het eerder introspectieve soort, maar rocken durft Keating zeker ook. Dat onderstreept ze ondermeer met de met elektrisch gitaarwerk van Bo Ramsey opgewaardeerde roots & roll van “On The Loose”, één van de absolute prijsbeesten hier. Ook héél erg mooi vonden wij: het soulvolle, nadrukkelijk aan Lucinda Williams herinnerende en ondermeer op een subtiele orgelbijdrage van Chris Brown leunende “Long Shot”, de atmosferische sleper “The Borderline”, de met wat meer twang gekruide en daardoor wat speelser aanvoelende Americana van “First Of November” en zeker ook het pakkende titelnummer. Een veel mooiere verklanking van het begrip verlangen zal je ons inziens dit jaar niet meer te horen krijgen. Wat zeggen onze Amerikaanse spitsbroeders ook alweer in zo’n geval? Highly recommended!

Annie Keating

CD Baby

 

TREASA LEVASSEUR “Low Fidelity” (Treasa Levasseur / Sonic Rendezvous)

(4****)

Over lekkere platen gesproken… Dit is er dus weer zo één, he… Heerlijke schijf gewoon, deze tweede van Treasa Levasseur! Op de opvolger van haar twee jaar geleden verschenen visitekaartje “Not A Straight Line” trakteert de jonge Canadese ons op tien zonder uitzondering ijzersterke songs, waarin ze met veel gevoel voor detail en ten gepaste tijde ook een flinke dosis humor resoluut de kaarten soul, R&B en blues trekt. In een productie van David Baxter windt ze je met haar sensuele zang ruim eenenveertig minuten lang spelenderwijs om haar vinger. En ook wat het muzikale aspect betreft klopt al die tijd zo ongeveer alles. Pluimen gaan daarbij wat ons betreft vooral naar gitaristen David Baxter, Sean Corron, Brian MacMillan en Donne Roberts, Toetsenmannen Derek Downham, Julian Fauth en Bill King, blazers Arthur Kerekes en Vandana Sharma en harmonicavirtuoos Paul Reddick. Zij helpen Levasseur aan een ongelooflijk warm geluid, dat op indrukwekkende wijze een evenwicht vindt tussen popsensibiliteit en old-school soul. Eén keer luisteren naar dingen als het groovy, met heerlijk authentieke gitaaraccentjes opgewaardeerde “Help Me Over”, het op gezonde wijze met blues flirtende “Good Ones Never Share”, de zwoele sleper “Talk To Me Babe”, het op grappige wijze in eigen boezem kijkende en door lekkere blazers gestutte “Big Fat Mouth” of het op gepaste wijze haar zwak voor klassieke soul bezingende “Stuck In Soulsville” en ook jij gaat gegarandeerd overstag! Hier is dit schijfje alvast al dagenlang met geen stokken meer uit de buurt van de cd-speler weg te krijgen…

Treasa Levasseur

Sonic Rendezvous

 

KIMMIE RHODES “Miracles On Christmas Day” (Sunbird Records)

(3***)

Voor alle duidelijkheid: ik heb het persoonlijk niet zo op Kerstmis begrepen. Wat velen één van de mooiste dagen van het jaar vinden zie ik met het ouder worden steeds meer als een godsgeschenk voor handelaars. De oorspronkelijke gedachte achter de misschien ook voor jou wel voornaamste feestdag van het jaar is door de eeuwen heen steeds meer gaan verwateren. In die mate zelfs, dat commercie en opgeklopte meligheid hier en nu gewoon regeren. Het obligate uitgebreide tafelen, de liefst in groten getale ontvangen geschenken,… Men doet je geloven, dat je er niet meer zonder kan en mag. En tot overmaat van ramp is er dan ook nog de aan het seizoen aangepaste muziek… Hier valt het daarmee eigenlijk allemaal best nog wel mee, maar in de States lijkt het wel, dat je er als artiest niet echt bij hoort, als je niet minstens eenmaal in je carrière een kerstplaat afgeleverd hebt. En dat heeft zo zijn gevolgen… Jaarlijks belanden er tal van platen op onze schrijftafel, die al na één enkele (verplichte) beluistering voorgoed onder het stof verdwijnen. Zelfs van artiesten, waar we normaliter amper een slecht woord over kwijt willen. En dat lot zal ook Kimmie Rhodes wel weer beschoren gaan blijken. Die levert met “Miracles On Christmas Day” weliswaar een het gebruikelijke aanbod flink overtreffend geheel af, maar toch… Het merendeel van de negen eigen nieuwe liedjes hier en haar covers van “Carol Of The Bells”, “What Child Is This” en Patty Griffins “Mary” ontlokten aan ons nu niet direct vreugdekreten. Enkel het door Joel Guzman accordeongewijs van een Tex-Mex-noot voorziene “Wake Up Sleepy Town” en het op wel bijzonder ingetogen wijze gebrachte “Angel Unawares” vormen wat dat betreft uitzonderingen. Dat zijn twee echte briljantjes. Voor de rest hier geldt wat ons betreft: goed binnen het genre, maar ook niet meer dan dat.

Kimmie Rhodes

 

RACHEL HARRINGTON “Celilo Falls” (Skinny Dennis Records)

(5*****)

Mocht je, om wat voor reden dan ook, nog slechts één plaat kunnen of willen kopen dit jaar, laat het dan alstublieft deze zijn! Veel mooier dan dit worden ze immers niet meer gemaakt! Rachel Harrington kiest op haar vierde langspeler resoluut voor een wat persoonlijkere benadering van haar liedjes. Waar ze zich in het verleden voornamelijk beperkte tot door het verleden, door haar bezochte plaatsen en andere karakters geïnspireerde liedjes, durft ze nu voor het eerst ook in eigen boezem te kijken - daarmee na lang aarzelen eindelijk ingaand op de goede raad van haar ondertussen zelf redelijk succesvolle collega Lori McKenna, die haar al in 2003 het advies gaf om zichzelf wat meer bloot te geven in haar liedjes, omdat mensen dat nu eenmaal graag mogen horen. Het resultaat is een plaat, die wat ons betreft zó naast het beste van grote dames als Gillian Welch, Patty Griffin en Lucinda Williams mag. Louter muzikaal gezien nog steeds uit hetzelfde vaatje tappend, te weten volledig akoestisch gehouden, niet zelden enigszins old-timey aandoende Americana en folk scoort Harrington hier dertien homeruns. Ook lang na het beluisteren ervan blijven haar songs nog wat nazinderen. Meer dan ooit weten ze je als luisteraar te beroeren. Je hebt het gevoel, dat je wordt deelachtig gemaakt aan enkele van de diepste zielsroerselen van de mens Harrington. Het lijkt als het ware of je betrokken wordt bij het verwerken van een stukje van haar verleden. En zoiets leidt bijna als vanzelfsprekend tot een veel grotere betrokkenheid bij het gebodene. Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als het op bijzonder strijdvaardige wijze een liefdesbreuk bezegelende “Here In My Bed” of het regelrecht in verlangen zwelgende “Let Me Sleep In Your Arms Tonight” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. Dit is materiaal, zoals je dat enkel en alleen van de allergrootsten verwacht.

Rachel Harrington

 

WOOLDRIDGE BROTHERS “Days Went Around” (Media Creature)

(4****)

Verdomd lang was het geleden, dat we van deze twee knapen nog eens iets mochten vernemen. Hun laatste wapenfeit, “Uncovering The Sun”, dateerde ook alweer van 1998. Maar dat is dus nu gelukkig verleden tijd. Met “Days Went Around” zijn Scott en Brian Wooldridge weer helemaal terug van weggeweest. In het gezelschap van Julie Straszewski (zang en percussie) en Dave Braun (drums) en gasten als Chris Stamey, Ric Probst en Peter Holsapple schudden ze veertien rootspop en -rockdeunen uit de mouw, die met de nodige weemoed doen terugdenken aan de hoogdagen van collectieven als de BoDeans, Crowded House, het jonge R.E.M. en andere. Heerlijk melodieuze kleinoden zijn het, niet zelden gedragen door zalige jengelgitaartjes, die zich al na één enkele beluistering voorgoed ergens diep in je onderbewustzijn vestigen. Een enkele keer wordt er ook wel eens richting de Beatles gelonkt, met name in het pianogestuurde “Connecting To Aphrodite”, maar dat blijkt toch eerder uitzondering dan regel. Rootspop en -rock regeren hier immers, zoals al eerder gesteld, nog volop. Het springerige, door een zomers orgeltje aangezwengelde “Thumbs”, het ook al super catchy uit de hoek komende “Coffee Spoons” en het ongelooflijk radiogenieke “This Rain” – Een heuse hattrick om mee te openen! – vormen drie uitstekende voorbeelden om die stelling wat kracht mee bij te zetten. Al willen we hier andere songs als het wat krachtiger uit de hoek komende “Does She Love Me Loud”, het op een vreemde manier soulvolle “Caledonia Creek”, het zalig rockende “Desiree” en andere zeker ook niet tekortdoen. Op de keper beschouwd laten zich op “Days Went Around” immers amper mindere momenten aanwijzen. Een echte “retour de force”, menen wij dan ook.

Wooldridge Brothers

CD Baby

 

JAMES OVERBEE “The Old Way” (Kindred Records)

(3,5****)

Op het hoesje van “The Old Way”, de opvolger van het vorig jaar verschenen en quasi overal redelijk lovend onthaalde “Stayin’ In Touch”, prijkt enkel nog de naam van James Overbee zelf. Zijn begeleiders van The Talking Machine werden dan ook tijdelijk op non-actief geplaatst en dat heeft ook z’n gevolgen voor het hier gebrachte repertoire. Kon je van het materiaal op ’s mans vorige nog stellen, dat zowel Woody Guthrie, Bob Dylan, Neil Young als Wilco daarvoor model leken te hebben gestaan, dan mogen voor de elf liedjes op “The Old Way” de laatste twee namen zonder lang aarzelen worden geschrapt. Op die nieuwe van ‘m doet Overbee het inderdaad op de oude manier. Wat we geserveerd krijgen zijn elf akoestische Americana- en folkoriginelen, waarvoor hij in de opnamestudio enkel nog bassist David Vaughn naast zich duldde. De weinige andere instrumenten nam Overbee gewoon zelf voor zijn rekening, meestal niet meer dan een akoestische gitaar en een mondharmonica. En ook voor de productie tekende hij zelf. Elf vrijwel onmiddellijk tot aandachtig luisteren uitnodigende liedjes zijn het resultaat. Als geheel eigenlijk wat minder in het oog springend dan voorganger “Stayin’ In Touch”, maar wel nog erg mooi.

James Overbee op MySpace

Kindred Records

 

AMERICAN AQUARIUM “Small Town Hymns” (Last Chance Records)

(5*****)

What can I say? Compleet, maar dan ook echt compleet weg ben ik van deze plaat! A crush noemen ze zoiets in de States, geloof ik. Vanaf de eerste tellen van openingsnummer “Hurricane” wist ik het eigenlijk meteen al. Met deze in het najaar van 2009 in amper een maand geschreven en ingespeelde collectie liedjes leveren BJ Barham en de zijnen een regelrechte klassieker af. En ook al zal het ook ditmaal wel weer vergelijkingen met Bruce Springsteen en Ryan Adams regenen, deze opvolger van het ook al verre van misse “Dances For The Lonely” van vorig jaar moet je gewoon gehoord hebben. Elf nummers lang wordt hier immers alternatieve country en roots rock van het allerbeste soort geserveerd. Was voorganger “Dances For The Lonely” nog een over twaalf nummers verspreide gestrekte middenvinger aan het adres van de protagoniste van een stukgelopen relatie, dan toont “Small Town Hymns” een veel bezadigder agerende Barham. Ook nu nog mag hij graag over tragisch aflopende verkeringen zingen, maar anders dan voorheen steekt hij de hand daarbij vooral in eigen boezem. Zoals in het sprankelende “Rattlesnake” bijvoorbeeld, één van de meest countrygetinte songs van het geheel. Ze mag dan al een serpent gebleken zijn, ze was vooral toch ook “a glorious mistake”, luidt het daarin veelzeggend. Een ander erg fraai moment vond ik de karakterschets “Brother, Oh Brother”, waarin tegen een zich subtiel ontwikkelende achtergrond gevuld met piano, banjo, mandoline en fiddle, het verhaal wordt verteld van een soldaat in de knoop met zichzelf naar aanleiding van de oorlog die hij aan het uitvechten is. En al even beklijvend, zo niet nog beklijvender is het hartverscheurende “Water In The Well”, waarin de ras-songwriter in Barham pas echt goed van de lijn mag. Een boer uit Georgia verliest daarin met zijn land niet enkel zijn trots, maar ook de zin in het leven. Een melancholisch hoogstandje is dat! Met keurig verdeelde hoofdrollen voor de gebrokener dan ooit klinkende stem van Barham zelf, een regelrecht van de weemoed druipende piano en aangepast droefgeestig gepingel op snaarinstrumenten als de akoestische gitaar, de banjo en de mandoline. En tenslotte wil ik zeker ook “Reidsville” nog even vermelden. Dat heerlijk naakt gehouden, in essentie aan Springsteen ten tijde van “Nebraska” herinnerende kleinood, confronteert je met de wellicht vergeefse pogingen van een achttienjarige om aan zijn in zijn ogen al te bekrompen thuishaven te ontsnappen. Voor Barham een verdere uitgelezen gelegenheid om ook even op het sociale leven in het Zuiden van zijn land te focussen. En wat mij betreft één van de vele momenten hier, die erop lijken te wijzen, dat zich met American Aquarium één van dé groepen voor de toekomst aan het profileren is. Bijzonder straf spul! Van het beste, wat ik dit jaar al te horen kreeg.

American Aquarium

Last Chance Records

CD Baby 

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home