CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES OKTOBER 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

PHIL FRIENDLY “West Coast Sessions” - RICH HOPKINS & LUMINARIOS “Live At The Rockpalast Crossroads Festival” - TOM MORELLO, THE NIGHTWATCHMAN “World Wide Rebel Songs” - DEADMAN “Take Up Your Mat & Walk” - JOEY + RORY “A Farmhouse Christmas” - KATE CAMPBELL “Two Nights In Texas” - DRIVE-BY TRUCKERS “Ugly Buildings, Whores & Politicians - Greatest Hits, 1998-2009” - PARSONS THIBAUD “Transcontinental Voices” - MARTEN DE PAEPE “Boskoop - AHAB “kmvt - COWBOY JUNKIES “Sing In My Meadow – The Nomad Series Volume 3” - RED SKY JULY “Red Sky July” - LITTLE FEAT “40 Feat: The Hot Tomato Anthology” - BIG PETE “Choice Cuts” - GLEN CAMPBELL “Ghost On The Canvas” - EMILY YANEK “Watching The Highway” - NOAM PIKELNY “Beat The Devil And Carry A Rail” - SIMON ELVNÄS “Words Unspoken” - SARAH MACDOUGALL “The Greatest Ones Alive” - MICHAEL FRACASSO “Saint Monday” - SCOTT H. BIRAM “Bad Ingredients” - JANNI LITTLEPAGE “Strange Angels” - THE WALKABOUTS “Travels In The Dustland - CALVIN RUSSELL “The Last Call, In The Heat Of A Night…” - JEREMY STEDING “I Keep On Livin’, But I Don’t Learn” - RITA HOSKING “Burn” - KASEY CHAMBERS “Paradise”

 

 

PHIL FRIENDLY “West Coast Sessions” (Tru-Gems Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Rock & roll is good for the soul!” wil een oude genrewijsheid en zo is het maar net ook. Er is immers niets, wat je vlugger een mentale opkikker weet te verkopen dan een goede handvol pittige R&R-songs. En dus ben je bij Phil Friendly ook aan het juiste adres voor “one hell of a good time”. De beste man verstaat immers als geen ander de kunst om je songgewijs een goede halve eeuw terug in de tijd te transporteren. Alles wat hij aanraakt klinkt heerlijk authentiek. Alsof het gemaakt werd in de feitelijke hoogdagen van de genres rock & roll en rockabilly. En dus geniet Friendly onder collega’s ook een uitstekende roep. Geen wonder derhalve, dat hij erin slaagde om voor het inspelen van “West Coast Sessions”, zijn nieuwe worp, gerespecteerde knapen als een Albert Lee, een Glen Glenn, een Al Casey en een Jody Reynolds te strikken. En zulks kwam de kwaliteit van het naderhand afgeleverde uiteraard enkel ten goede. Vijftien songs brengt Friendly in totaal op die nieuwe van ‘m. Slechts vier daarvan schreef hij niet zelf. Meer bepaald Glen TroutmansI’m Glad My Baby’s Gone”, het door diezelfde Troutman en Bobby George gepende “Blue Jeans & A Boy’s Shirt”, het met Glen Glenn live ingeblikte “Jack & Jill Boogie” van Norman en Mac Luna en het hier met Al Casey en de auteur ervan, Jody Reynolds, gedeelde “Blue Russian Nights”. Voor het overige niets dan Friendly-originelen en die klinken, zoals hier reeds eerder gesteld, alsof ze ergens medio de jaren vijftig het daglicht zagen. Veelal zalige rockers, maar ook een stel fraaie ballades ontbreken niet op het appel. Onze luistertips: het ondertussen al voor de Amerikaanse TV-reeksFemmes Fatales” gebruikte drietal “She Wanna Do It”, “Monkey Bop” en “Sugar Daddy” en vooral ook het op zomers zwierige wijze voorbij stuiterende “Travelin’ Shoes”. Te gebruiken met de pot Brylcreem ergens heel dicht binnen handbereik!

Phil Friendly

Sonic Rendezvous

 

RICH HOPKINS & LUMINARIOS “Live At The Rockpalast Crossroads Festival” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wederom één van die typische “What more could one possibly want?”-pakketten van het Duitse Blue Rose Records. Met ditmaal twee cd’s en een dvd van “roots rock survivorRich Hopkins en zijn Luminarios. Het betreft daarbij op 22 oktober van vorig jaar in de Harmonie in Bonn door de WDR tijdens het eigen Crossroads Festival gemaakte opnames. Daartussen uiteraard nogal wat songs van ‘s mans toen actuele “El Otro Lado”-album. Daarvan brengen hij en de zijnen “Love Is A Mule”, “Guajira”, “World On Fire”, “Good Intention” en natuurlijk ook de machtige, aan die plaat haar titel verlenende suite. Verder uiteraard ook Hopkins-klassiekers als “Dirt Town”, “Soul Leecher” en “Paraguay”. Samen goed voor een wervelende king size-dosis desert rock Tucson style, hoegenaamd compromisloos gitaargeweld en natuurlijk ook weer de nodige uitstapjes richting Byrdsiaanse pop-psychedelica. Op de dvd vind je de ingekorte TV-versie van het bewuste optreden in perfecte beeld- en geluidskwaliteit, op de cd’s gaat men voor de integrale show.

Rich Hopkins & Luminarios

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

TOM MORELLO, THE NIGHTWATCHMAN “World Wide Rebel Songs” (New West / Sonic rendezvous)

(4****)

Met zijn vaak uitermate heftige gitaarerupties lag Tom Morello jarenlang mee aan de basis van het succes en derhalve ook de samen ruim dertig miljoen eenheden bestrijkende plaatverkoop van de groepen Rage Against The Machine en Audioslave. Laat er dus ook vooral geen twijfel over bestaan: de man is al een tijdje helemaal binnen. Hij heeft het eigenlijk absoluut niet meer nodig om nog platen te maken. En precies dat gegeven maakte van zijn in 2007 genomen beslissing om onder het pseudoniem The Nightwatchman als een soort van moderne Woody Guthrie protestliedjes te gaan zingen zo’n verrassing. Remember het volledig akoestisch gehouden “One Man Revolution”? Of het onder de productionele auspiciën van Brendan O’Brien al iets meer aangeklede “The Fabled City” van een jaar later? Die twee schijven vormden als het ware de aanloop richting ’s mans magistrale nieuwe, het zopas verschenen “World Wide Rebel Songs”. “I wanted to capture a vibe midway between Johnny Cash and Che Guevara, murder ballads and Molotov anthems,” aldus Morello zelf over de dertien nieuwe songs daarop. Liedjes, waarin hij ook weer volop naar de eigen elektrische durft te grijpen en waarvoor hij zich ondersteund weet door het pas onlangs fluks uit de startblokken geschoten Freedom Fighter Orchestra. Die groep helpt hem aan een geluid, waarmee zowel kleinere clubs als stadions weer binnen handbereik lijken te liggen. Morello’s protestsongs blijken immers erg toegankelijk. Soms recht-toe-recht-aan rockend herinnerend aan de hoogdagen van zijn eerdere groepen, zoals in het uitermate dreigend uit de hoek komende “It Begins Tonight”, elders op aanstekelijke wijze het kielzog van acts als Bruce Springsteen, Billy Bragg en The Clash opzoekend, zoals in het bezield swingende “Speak And Make Lightning”. Soms gewoon popgeoriënteerd, zoals in het lijzig-nerveuze “The Dogs Of Tijuana”, elders ongemeen soulvol roots(rock)wateren bevarend, zoals in het met Ben Harper gepende en ook gedeelde “Save The Hammer For The Man”, een “union song” van het zuiverste soort. En zo zouden we nog wel even kunnen doorgaan… Enfin, het kan hier vrijwel voortdurend alle kanten uit en exact dat maakt van “World Wide Rebel Songs” wat ons betreft de knappe plaat, die het zondermeer is. Echt wel iets bijzonders!

(Ook verkrijgbaar op vinyl!)

Tom Morello, The Nightwatchman

Sonic Rendezvous

 

DEADMAN “Take Up Your Mat & Walk” (Rootsy / Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Bij wijze van “amuse” kregen we hier enkele maanden geleden al het bijzonder fraaie “Live At The Saxon Pub” voorgeschoteld, maar pas nu is het tijd voor de eigenlijke hoofdschotel en dat is “Take Up Your Mat And Walk”, de nieuwe studioplaat van het vanuit Austin, Texas actieve sextet Deadman. Heel wat van het materiaal daarop kennen we al in wat ruwere, vaak met de nodige gospelelementen gegarneerde versies van precies die live-cd van eerder dit jaar, maar dat kan de pret absoluut niet drukken! Liedjes als “If I Lay Down In The River”, “Don’t Do This To Me”, “Oh Delilah” en “Ain’t No Music” klinken hier immers behoorlijk anders, maar zeker zo goed. Heerlijk relaxed allemaal! Ergens tussen folk- en country rock en met naar goede gewoonte een behoorlijk zwaar richting The Band overhellende vibe. Met vrijwel voortdurend een hoofdrol voor zanger-songmid Steven Patrick Collins ook weer, die meer dan eens voorzichtig herinnert aan de Van Morrison van de vroege jaren zeventig. Ook in enkele van de nieuwe nummers trouwens. Met name in het soulvolle “We All Need Love”, waarin ook toetsenist Matthew Mollica volop weet te schitteren op zijn Hammond-orgel. Dat liedje, het alternatieve countrytweetal “Till The Morning Comes” en “I’m Not Who You Think I Am”, het erg Dylan-esk andoendeThis Old World’s Not Gonna Change” en het echt wel rete-aanstekelijkeGilead” vormen wat ons betreft dé absolute hoogtepunten van “Take Up Your Mat & Walk”, waarmee Collins en de zijnen zich nadrukkelijk aandienen als één van dé roots acts van de toekomst. Moet je naar onze bescheiden mening dan ook vooral niet laten liggen, deze zwaar nostalgische prachtschijf! (“Take Up Your Mat & Walk” is overigens ook verkrijgbaar op vinyl.)

Deadman

Sonic Rendezvous

 

JOEY + RORY “A Farmhouse Christmas” (Vanguard Records / EMI)

(3***)

Ik heb het hier de voorbije jaren al wel eens vaker verkondigd: ik hou niet zo van Kerstmis en dat opgeklopte sfeertje errond. En al helemaal niet van de daarmee ook nog eens steevast gepaard gaande platenreleases. De meligheid van het gros daarvan vind ik regelrecht stuitend. En datzelfde gevoel bekruipt me ook weer naar aanleiding van “A Farmhouse Christmas” van het Amerikaanse rootsduo Joey + Rory. In een productie van Gary Paczosa en een enkele keer ook Carl Jackson stort dat tweetal zich daarop op een viertal eigen eindejaarscomposities en covers van materiaal van onder anderen Stephanie Davis, Merle Haggard, Garth Brooks en Shawn Camp. En uiteraard mogen ook enkele echte seizoensklassiekers niet ontbreken. Daarvoor lieten ze hun oog vallen op het tweetal “Blue Christmas” en “Away In A Manger”. Al die liedjes worden op weliswaar bijzonder vakbekwame wijze gebracht, maar smaken helaas ook weer bijna allemaal even overdreven zoet. Enkel de met de grote Merle Haggard zelve gedeelde versie van “If We Make It Through December”, het beleefd swingende duo “I Know What Santa’s Getting For Christmas” en “Come Sit On Santa Claus’ Lap” en de net wat nadrukkelijker dan vele andere deunen hier onder de noemer Americana vallende ballade “The Diamond O” zullen bij ons wellicht wat langer blijven hangen dan het leeuwendeel van de rond Kerstmis geserveerde muzikale kost. Misschien zijn de drie sterren hierboven dus wel wat al te mild…

Joey + Rory

 

KATE CAMPBELL “Two Nights In Texas” (Large River Music)

(4,5*****)

Dertien platen diep in haar carrière is het er eindelijk van gekomen: zingende liedjesschrijfster Kate Campbell leverde met “Two Nights In Texas” zopas voor het eerst een live-cd af. En wat voor één! Dat op 8 en 9 april van vorig jaar in de Blue Rock Artist Ranch & Studio in het Texaanse Wimberley ingeblikte en onder de productionele hoede van Billy Crockett en Walt Aldridge verder afgewerkte geheel is een echt plaatje van een plaat geworden! In het gezelschap van Sally Van Meter (dobro, backing vocals), Scott Ainslie (gitaar, banjo, tamboerijn, backing vocals) en Don Porterfield (bas, background vocals) put Campbell voornamelijk uit haar eigen ondertussen stilaan indrukwekkende repertoire. Zanggewijs meer dan eens muzikale groten der aarde als een Emmylou Harris, een Nicolette Larson of een Iris DeMent evocerend brengt ze bijzonder mooie versies van dingen als “Miles Of Blues”, “Galaxie 500”, “Free World”, “New South”, “Crazy In Alabama”, “Genesis Blues”, “A Cotton Field Away”, “Jesus And Tomatoes”, “Tupelo’s Too Far” en andere fanfavorieten. Liedjes met een welhaast literair karakter, hier gewoon nog een stuk beter tot hun recht komend dan eerder al op haar studioplaten. En derhalve is de uitdrukking “Warm aanbevolen!” met betrekking tot het in zijn geheel heerlijk relaxed aandoende “Two Nights In Texas” wat ons betreft ook weer meer dan gerechtvaardigd.

Kate Campbell

 

DRIVE-BY TRUCKERS “Ugly Buildings, Whores & Politicians – Greatest Hits, 1998-2009” (New West / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met betrekking tot releases van deze aard zullen er altijd wel mensen zijn, die klagen over het ontbreken van één of meerdere in hun ogen essentiële nummers. En je kan natuurlijk ook altijd wel een potje gaan mekkeren over het feit, dat een groep, die eigenlijk nog nooit echt een hit had, uitpakt met een “Greatest Hits” in plaats van met een “Best Of”. Maar, beste vrienden, dat doen we hier dus lekker niet! Dit is immers gewoon een sublieme verzamelaar van één van de interessantste Americana acts überhaupt. En een buitengewoon representatieve bovendien ook. Zestien nummers, geplukt van hun acht tussen 1998 en 2009 verschenen studioplaten, waaronder echte klappers als “The Living Bubba”, “Ronnie And Neil”, “Let There Be Rock”, “Marry Me”, “Carl PerkinsCadillac”, “Gravity’s Gone”, “Uncle Frank” en “World Of Hurt”, vormen als het ware de best mogelijke introductie tot één van de allerbeste rock & roll acts van het voorbije decennium. Ideaal als instappertje voor vooralsnog oningewijden. Zij zullen zich hun eerste kennismaking met deze van de vitaliteit bruisende kruisbestuiving tussen Neil Young, Lynyrd Skynyrd, de Stones aan het begin van de seventies en Southern soul wellicht nog heel lang heugen! Wedden, dat ze na consumptie hiervan ook onverwijld zullen overgaan tot het ontdekken van nog meer songmateriaal over het “vuile Zuiden” van de States middels een inhaalbeweging met betrekking tot het oudere werk van de Truckers? Wij zouden hen van hier uit alvast de goede raad willen meegeven om daarbij vooral toch maar te beginnen met het magistrale trio “Southern Rock Opera”, “The Dirty South” en “A Blessing And A Curse”. De rest volgt dan vanzelf wel

Drive-By Truckers

New West Records

Sonic Rendezvous

 

PARSONS THIBAUD “Transcontinental Voices” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Wat een geweldige plaat wederom, deze tweede samen van Joseph Parsons en Todd Thibaud! Het resultaat van hun ondertussen toch ook al weer goed vier jaar achter ons liggende eerste samenwerking was al zeer goed, maar dit is toch nog allemaal nog net dat ietsje beter. Vijf veelal nieuwe songs droegen ze ditmaal elk aan. Thibaud nam daarvan de oneven genummerde tracks voor zijn rekening, Parsons tekende voor de even helft. En in schril kontrast met het op hun titelloos debuut samen gebrachte opteerden de twee singer-songwriters daarbij ditmaal niet opnieuw voor een volledig akoestische aanpak, maar gingen ze resoluut voor een “keurig aangekleed” geheel. En eentje, dat van de eerste tot de laatste noot weet te behagen ook. In het gezelschap van ritmetandem Matt Muir (drums, percussie) en Pete Donnelly (bas, Hammond B3), je wellicht allebei al wel bekend van respectievelijk hun bijdragen aan U.S. Rails en Graham Parkers Figgs, illustreren Parsons en Thibaud andermaal ruim zesendertig minuten lang, dat hun stemmen elkaar op werkelijk wonderbaarlijke wijze aanvullen. Hoegenaamd alles klinkt hier daardoor even warm, even wollig bijna. Noem dit wat ons betreft dan ook maar gerust folk rock van de bovenste plank. Veelal eerder melancholisch van aard en zeker niet vies van een knipoog richting de vroege jaren zeventig of zelfs nog vroegere tijden. Crosby, Stills, Nash & Young, The Byrds, Simon & Garfunkel… Dat soort van dingen kunnen elk op hun manier wel enigszins dienst doen als vergelijkingsmateriaal, zo lijkt ons, al klinkt wat Parsons en Thibaud hier doen al bij al zeker niet te gedateerd. Wel bloedmooi daarentegen! Knappe stemmen, dito gitaarwerk, ouderwets sterke liedjes, een puntgave productie – wat zou een mens zich in godsnaam nog meer moeten wensen? Voor ons één van dé platen van 2011!

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

MARTEN DE PAEPE “Boskoop” (V2)

(4****)

Laat je door de naam van deze songsmid en de titel van zijn tweede vooral niet verleiden om te gaan denken, dat je hier wel eens te maken zouden kunnen hebben met een plaat in het Nederlands. Dat is immers niet het geval. “Boskoop”, het nieuwe album van Marten de Paepe, bevat uitsluitend in het Engels gebracht materiaal. En dat – Om een lang verhaal meteen een flink stuk korter te maken! – is van ronduit uitstekende makelij. De Paepe bewijst zichzelf met de twaalf op “Boskoop” gebrachte liedjes als een singer-songwritertalent, waar je eigenlijk absoluut niet meer omheen mag. Invloeden als een Neil Young, een Nick Drake en een Ryan Adams ook wel een beetje worden op bijzonder vakbekwame manier verwerkt in songs beurtelings vallend onder de noemers folk, (roots)pop en Americana. Het ene moment blijken die eerder spaarzaam ingevuld, het andere worden ze gedragen door een band, bestaande uit hier voornamelijk oude bekenden. Mischa Porte (drums), Jesse Borger (elektrische bas) en Johan Borger (elektrische en akoestische gitaren, lap steel en Wurlitzer) herinneren we ons immers maar al te graag van het puntgave “Sometimes” van laatstgenoemde van eind vorig jaar. Chantal van der Leest vult aan met zang en harmoniumbijdragen. De Paepe zelf “beperkt zich” tot de zang en het sporadisch betokkelen van de eigen akoestische. Het resultaat van al dat muzikale talent op een hoopje is een plaat, die we hier eigenlijk graag in één en dezelfde adem met BorgersSometimes” zouden willen blijven noemen. Net als op dat album klinkt alles hier echt puntgaaf. En of het er nu intimistisch, dan wel eerder opgewekt of wat steviger aan toe gaat, het lijkt de Paepe allemaal niet zo heel erg veel uit te maken. Hier is duidelijk een gerijpte artiest aan het werk. Eentje zich terdege bewust van zijn eigen kunnen. En een erg optimistisch ingestelde bovendien ook. Luister wat dat betreft bijvoorbeeld maar eens naar titelnummer “Boskoop”, waarin de Paepe op aangrijpende wijze de door hem de voorbije jaren afgelegde weg bezingt. “Although the road is long, I’ll be driving on,” houdt hij ons daarin met de nodige overtuiging voor. En gelijk heeft hij, want met een talent als het zijne zou het doodzonde zijn om dat niet te doen… Bijzonder warm aanbevolen, deze absoluut niet zo zure appel als de titel ervan vooraf doet vermoeden!

Marten de Paepe

 

AHAB “kmvt” (Navigator Records)

(4****)

Wij zouden er bijna “onze Jef” om durven te verwedden, dat dit gezelschap straks hét Britse Americana-succesverhaal van 2012 zal gaan blijken. Alles lijkt alvast nu al in die richting te duiden. Ondanks het feit, dat er tot op heden nog niet één volwaardige langspeler van ahab verscheen, lijkt het in eigen land voor het Londense viermanschap al niet meer stuk te kunnen. Door radiolegende Bob Harris en legendarische producer John Leckie worden ze al een poosje echt op handen gedragen en hun optredens kunnen steevast rekenen op flink wat publieke belangstelling. Wat hen dan zo speciaal maakt, vraag je? Wel, luister maar eens naar “kmvt”, de amper vijf tracks tellende “appetizer” voor hun in 2012 te verschijnen debuutlangspeler, en je zal al snel op dezelfde golflengte van die vele enthousiaste Britten – En ons! – komen te zitten. De heren Adamson, Burn, Llewellyn en Price grossieren daarop immers in heerlijk ouderwets aandoende lappen aanstekelijke alternatieve country, waarin met name hun vierstemmig harmonieerwerk vrijwel voortdurend met verstomming weet te slaan. Prachtige, hier en daar een weinig aan de Byrds in hun hoogdagen herinnerende melodieën worden vooral door die vocale kunststukjes naar eenzame hoogten gestuwd. Eén keer beluisteren en je bent geheid verkocht!

Ahab

Navigator Records

 

COWBOY JUNKIES “Sing In My Meadow – The Nomad Series Volume 3” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Avontuurlijker dan hier hoorde je de Cowboy Junkies op plaat nog nooit. Op “Sing In My Meadow”, het derde deel in hun vorig jaar met “Renmin Park” en “Demons” ingezette “Nomad Series”, mag het anders zo zorgvuldig geketend gehouden beest in hen immers voor één keer los. Op die plaat proberen ze naar eigen zeggen de Miles Davis van ten tijde van “Bitches Brew”, Neil Youngs Crazy Horse op kruissnelheid, The Birthday Party live en de beruchte psychoses van Captain Beafheart te kanaliseren. Hier wordt er met andere woorden lekker op los geëxperimenteerd. Weg is daardoor plots het veel van hun eerder materiaal kenmerkende waakvlammetje, hier is sprake van niets minder dan een uitslaande brand. Heftige psychedelische en door primitieve bluesvormen geïnspireerde klankexperimenten regeren op “Sing In My Meadow” volop. De acht in amper vier dagen opgenomen songs erop klinken afwisselend boos, gestoord en uitermate heftig. Met continu flink overstuurde gitaren en Margo Timmins nu eens niet als lieflijke sirene maar als bij momenten behoorlijk vervaarlijk uit de hoek komende eigentijdse rocknimf. Lekker “dirty” allemaal! Anders dan anders, dat zeker, maar zeker zo goed! “Overdriven and thick with electricity,” aldus Michael Timmins zelf, en zo is het maar net.

Cowboy Junkies

Proper Records

 

RED SKY JULY “Red Sky July” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Hun muzikale voorgeschiedenis indachtig bevat hun debuut samen als Red Sky July nu niet meteen het soort van muziek, dat je van Shelly Poole, Ally McErlaine en Charity Hair verwachten zou. Met op hun respectieve levenslopen bijdragen aan bands als Alisha’s Attic, Texas en The Alice Band overvielen ze ons letterlijk met het op hun eersteling onder de vlag Red Sky July gebrachte. Daarop wentelen ze zich immers met hoorbaar veel genoegen in een amper anders als betoverend te bestempelen vorm van pastorale alternatieve folk met op z’n tijd uitlopers richting Americana en pop. Iets wat hen in de Britse vakpers alvast al zo uiteenlopende vergelijkingen als met Simon & Garfunkel en The Judds opleverde. Twee acts, waarmee ze weliswaar wel de nodige raakpunten vertonen, maar die ons inziens toch nauwelijks meer doen dan een kader schetsen, waarbinnen Poole, McErlaine en Hair hun eigen ding doen. En dat is van een bij momenten adembenemende schoonheid. Met name de samenzang der beide dames is van een welhaast onaardse innemendheid. Gaat echt tot diep onder de huid. In een productie van Rory Carlile omzomen de twee vocaal vrijwel constant excellerend persoonlijke verhalen met een meer universeel randje. Door daarbij ook nog eens gebruik te maken van tot de fantasie sprekende beelden verlenen ze bovendien aan het geheel een ietwat mysterieus aandoend karakter. Hun songs krijgen daardoor iets van op zo behoedzaam mogelijke wijze te ontdekken stekjes mee. En zulks spreekt natuurlijk aan. Zeker in een muzikaal zo aantrekkelijk landschap als het hier collectief gecreëerde. Je wordt er als het ware in naar binnen gezogen. Denk aan late sixties folk genre Simon & Garfunkel, gekruid met wat country en Americana en commercieel leefbaar gehouden met de nodige, tot in de puntjes uitgewerkte popelementen. Op die manier kom je bij wijze van voorbereiding al aardig in de buurt van wat je van Red Sky July verwachten mag.

Red Sky July

Proper Records

 

LITTLE FEAT “40 Feat: The Hot Tomato Anthology” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Ondertussen goed en wel negen jaar geleden besloten die van Little Feat over te gaan tot het uit de grond stampen van een eigen platenlabel. Aanvankelijk was het voornamelijk hun bedoeling om via Hot Tomato Records hun fangemeenschap te bedienen met een soort van “officiële bootlegs”. Met platen als “Raw Tomatoes, Volume 1”, “Ripe Tomatoes, Volume 1”, “Live At The Ram’s Head”, “Down Upon The Suwanee River”, “Highwire Acts In St. Louis” en “Barnstormin’ Live, Volumes 1 & 2” slaagden Bill Payne, Paul Barrere en kompanen er in de daaropvolgende jaren in om meer dan dertig jaar aan relevant Feat-live-materiaal op te diepen. Niet altijd in even geweldige geluidskwaliteit weliswaar, maar dat kon de pret absoluut niet bederven. En zo moeten ze er ook bij het Britse Proper Records over gedacht hebben, want daar besloot men onlangs om een ruim drie cd’s in beslag nemende compilatie met materiaal van die bewuste platen en het van studioalbum “KickinIt At The Barn” stammende “Bill’s River Blues” te vullen. Op die manier de veertigste verjaardag van de groep – Of toch die van het album “Little Feat”, want de groep werd eigenlijk al in 1969 opgericht! – op passende wijze onder de aandacht brengend. “40 songs from 40 years,” aldus gitarist Barrere daarover zelf in zijn liner notes. Met natuurlijk tal van groepsklassiekers. Als opvallendste noteerden wij de door wijlen Lowell George in 1971 in zijn eentje ingeblikte demo van “Trouble”, een in 1973 op een podium ergens in Boston met Bonnie Raitt gedeelde uitvoering van “Sailin’ Shoes”, een ronduit wervelende lezing van “Rock And Roll Doctor” uit ’88, een al even bevlogen duik in Woody Guthrie’sThis Land Is Your Land” in Redway, CA in ’98, een in ’95 in domstad Keulen op heerlijk soulvolle wijze gebracht “Borderline Blues” en natuurlijk ook de wat ons betreft volstrekt onmisbare drieling “Dixie Chicken”, “Willin’” en “Cajun Girl”. Het zijn slechts enkele voorbeelden om maar weer eens mee te onderlijnen, hoe volstrekt uniek Little Feat eigenlijk altijd al geweest is. En al zeker live dan! Zou naar onze bescheiden mening dan ook in geen enkele zichzelf respecterende cd-collectie mogen ontbreken, deze hoegenaamd van de vitaliteit bruisende verzamelaar!

Little Feat

Proper Records

 

BIG PETE “Choice Cuts” (Delta Groove Music)

(4****)

In onze kontreien behoeft Pieter “Big Pete” van der Pluijm wellicht al lang geen introductie meer. Vanaf het moment, dat hij als toen amper drieëntwintigjarige werd ingehuurd om op bijzonder succesvolle wijze de Lester Butler Tribute Band te komen versterken, ging het voor het Nederlandse mondharmonicafenomeen allemaal razend snel. Albums en optredens met The Strikes, The Backbones en M.O.C.T. (Men Of Considerable Taste) volgden en diepten zijn gestaag groeiende reputatie alleen nog maar flink verder uit. Net als ondersteunende activiteiten achter en naast onder anderen Monster Mike Welch, Hook Herrera, Matt Schofield en Ian Siegal trouwens. Geen bluesliefhebber allicht meer hier te lande, die van der Pluijm niet kent en waardeert. Anders liggen de kaarten echter in de States. Daar is zijn ster pas sinds kort rijzende. En daar wil men bij platenlabel Delta Groove Music als het even kan een stevige hand bij helpen. In eerste instantie middels de vooral op de bluesmarkt stateside mikkende cd “Choice Cuts”, waarop Big Pete zonder complexen zijn ding mag doen in het gezelschap van een ware “who’s who” aan gerespecteerde bluescollega’s. Kim Wilson, Kid Ramos, Rusty Zinn, Kirk Fletcher, Shawn Pittman, Rob Rio, Paul Oscher, Johnny Dyer, Al Blake, Alex Schultz, John Marx, Mojo Mark, Willie J. Campbell en Jimi Bott, ze passeren hier zo allemaal wel ergens de revue. En dat bijna als vanzelfsprekend met geweldige resultaten ook. Zoals een stomende lezing van “Driftin’” van Big Pete’s grote voorbeeld wijlen Lester Butler, een sensueel kronkelende versie van Albert KingsCan’t You See What You’re Doing To Me”, een sympathiek voorbij hikkende kijk op James A. Lane’s “Act Like You Love Me” met Kim Wilson gasterend op harmonica, een eindeloos lange nachten in zwaar berookte bars evocerend “Just To Be With You”, een wervelend, harmonicazwanger “Don’t Start Me Crying Now”, een door Kirk Fletcher gitaargewijs serieus aangejaagd “Hey Lawdy Mama”, de door gast Johnny Dyer gezongen soulvolle sleper “Left Me With A Broken Heart” of de even sprankelende als toepasselijke instrumentale “Chromatic Crumbs” van William Clarke en dan vergeten we er nog wel een paar. Heel erg straffe toebak met andere woorden! En hier en nu wellicht voor het laatst onder de noemer “Holland’s best kept blues secret”!

Big Pete

Delta Groove Music

 

GLEN CAMPBELL “Ghost On The Canvas” (Surfdog / Membran / Suburban)

(4****)

Met de nodige spijt in het hart vernamen we hier enkele weken geleden, dat Glen Campbell noodgedwongen een punt achter zijn carrière zou gaan zetten. Nog één plaat en één tour en dan zou de stekker er onherroepelijk uit gaan. Zijn alsmaar verslechterende gezondheidstoestand lag aan de basis van die zware beslissing van Campbell zelf. Met name zijn geheugen liet de beste man recent immers steeds meer in de steek. En zulks is natuurlijk niet bepaald ideaal voor een artiest “on the road”. Vandaar dus hier en nu het als zijn zwanenzang op te vatten “Ghost On The Canvas”. Een erg mooie plaat, vinden wij, waarmee de hier vooral van hits als “Rhinestone Cowboy”, “By The Time I Get To Phoenix”, “Sunflower”, “Southern Nights” en andere bekende Campbell zo’n beetje zijn eigen muzikale biografie aflevert. En dankzij zijn maat Julian Raymond, met wie hij het merendeel der liedjes schreef en die samen met Howard Willing ook tekende voor de productie van “Ghost On The Canvas”, stond hij er daarbij absoluut niet alleen voor. Raymond kreeg zo Paul Westerberg, Teddy Thompson, Jakob Dylan en Robert Pollard (Guided By Voices) zo ver om Campbell voor de gelegenheid nummers op het lijf te schrijven. En bij wijze van eerbetoon aan de gitarist Campbell – Hij speelde ooit ondermeer een blauwe maandag lang bij de legendarische Beach Boys! – loodste hij ook een heel bataljon aan snarenmeesters studiowaarts. Ondermeer Brian Setzer, Jason Falkner, Wendy Melvoin (Wendy & Lisa), Dick Dale, Rick Nielsen (Cheap Trick) en Billy Corgan (Smashing Pumpkins) bleken graag van de partij. Evenals zingende collega’s als Chris Isaak, Roger Joseph Manning Jr. (Jellyfish, Imperial Drag, The Moog Cookbook, TV Eyes), Shannon Campbell, Eric Skodis, Katie Cole en Eric Dover. Met z’n allen maakten zij van “Ghost On The Canvas” een lekker gevarieerd geheel, waarop met name de wat rustigere liedjes in uitermate positieve zin opvallen. Het reflectieve openingsnummer “A Better Place” bijvoorbeeld, dat ons hier van opzet voorzichtig herinnerde aan wijlen Johnny Cash in zijn nadagen.  En ook het door Replacements-baas Paul Westerberg aangedragen en eveneens erg geslaagd te noemen titelnummer, dat op buitengewoon fraaie wijze country en pop combineert. Maar het gaat er hier bij momenten ook best wel stevig aan toe. “It’s Your Amazing Grace” en “Strong” bijvoorbeeld lonken zo ingehouden rockend richting een wat alternatiever ingesteld publiek. Zestien tracks telt “Ghost On The Canvas” in z’n geheel. Zes daarvan zijn instrumentale intermezzo’s.

Glen Campbell

 

EMILY YANEK “Watching The Highway” (Emily Yanek)

(3,5****)

Jong Amerikaans singer-songwritertalent met potentie. En met behoorlijk veel potentie zelfs. Vreemd genoeg nogal nadrukkelijk teruggrijpend naar wat met name in de jaren zeventig, toen ze zelf nog geboren moest worden, “bon ton” was. We denken dan aan illustere voorbeelden als een Jackson Browne, een Elton John, een Billy Joel of een Andrew Gold. Spul van het eerder poppy getinte soort dus. Materiaal, dat ook overduidelijk tot stand kwam van achter een piano. Gebracht met een uitzonderlijk krachtige, haar jonge leeftijd – Yanek is pas 19! – zo goed als volledig ontkennende stem. Liedjes met knappe melodieën, die zich al vrij snel knus tussen de oren gaan nestelen. Ideaal luistervoer met andere woorden voor enigszins nostalgisch ingestelde muziekfanaten, die ook wel eens wat nieuws lusten. Wedden, dat deze Yanek vrij snel de aandacht van de één of andere platengigant zal weten te trekken? Het zou alleszins het begin van iets heel moois kunnen gaan betekenen!

Emily Yanek

 

NOAM PIKELNY “Beat The Devil And Carry A Rail” (Compass Records)

(4****)

Door zijn Amerikaanse broodheren van Compass Records wordt Noam Pikelny ongegeneerd naar voren geschoven als “the next big thing to happen to the 5-string banjo”. En ons zou het alvast helemaal niet verwonderen, mocht die, nochtans behoorlijk boude, profetie binnen afzienbare tijd ook effectief bewaarheid worden. De je misschien al wel van zijn bijdragen aan de Punch Brothers bekende Pikelny is met “Beat The Devil And Carry A Rail” na “In The Maze” nu aan zijn tweede soloworp toe. En daarop trekt hij in een productie van Gabe Witcher nogal wat registers open. Bijgestaan en aangevuurd door een veritabele bluegrass all-star cast met daarin onder anderen Tim O’Brien (mandoline), Stuart Duncan (fiddle), Chris Eldridge (gitaar), Mark Schatz (bas), Jerry Douglas (dobro), Steve Martin (banjo), Chris Thile (mandoline), Bryan Sutton (gitaar), Aoife O’Donovan (zang), David Grier (gitaar), Mike Compton (mandoline) en Alex Hargreaves (fiddle) neemt hij met sprekend gemak zo ongeveer elke zich tussen ver verwante genres als bluegrass en contemporaine en traditionele folk aandienende hindernis. Merendeels bevat “Beat The Devil And Carry A Rail” instrumentale stijloefeningen ontsproten aan Pikelny’s eigen muzikale verbeelding. Al kreeg hij daarbij soms wel de nodige hulp van respectievelijk Gabe Witcher, Steve Martin en Chris Thile. Her en der wordt er ook al eens een traditional bij de hoorns gevat. Zo krijgen bijvoorbeeld “Cluck Old Hen” en Henry Thomas’ “Bob McKinney” een op maat van de eenentwintigste eeuw uitgewerkt arrangement mee. En ook coveren mag Pikelny zo nu en dan wel eens doen. Met als meest in het oog springende resultaat ontegensprekelijk zijn mede door de engelachtige zang van Aoife O’Donovan van Crooked Still naar eenzame hoogten gestuwde lezing van het door Tom Waits en Kathleen Brennan geschreven “Fish And Bird”. Ruim vijf minuten lang waan je jezelf tijdens dat nummer in de Americana-hemel. Echt bloed- en bloedmooi is het. En dat geldt hier eigenlijk wel voor meer deuntjes. Zo waren wij bijvoorbeeld ook nog heel erg in onze nopjes met het quasi mijmerend en met de dobro van Jerry Douglas in een opgemerkte rol gebrachte “Boathouse On The Lullwater”, het lentefris sprankelend voorbij denderende “Jim Thompson’s Horse” en de wervelende, door Stuart Duncans fiddle aangejaagde adaptatie van Art Stampers “Pineywoods”. Dat soort van deuntjes maakt van “Beat The Devil And Carry A Rail” een echte must voor liefhebbers van bluegrass anno nu.

Noam Pikelny

Compass Records

 

SIMON ELVNÄS “Words Unspoken” (Simon Elvnäs Music)

(3,5****)

Op z’n vijfendertigste lijkt de vanuit de buurt van Stockholm actieve Zweedse singer-songwriter Simon Elvnäs wat ons betreft helemaal klaar voor een doorbraak op wat grotere schaal. De elf songs op het in eigen beheer uitgebrachte “Words Unspoken” lijken ons met name wel iets voor liefhebbers van het materiaal van collega’s als een Josh Ritter, een Josh Rouse, een Joe Purdy en een Ray LaMontagne. In een productie van de eerder onder andere ook al met Eric Bibb en Ron Sexsmith succesvol gebleken Glen Scott verkent Elvnäs daarin met brio de schemerzone tussen folk, pop en rock. In tien van de elf gevallen blijkt het daarbij om eigen materiaal te gaan. Enkel voor “Water Is Wide” ging hij even muzikaal vreemd. Daarvoor klopte hij immers bij de grote Pete Seeger aan. Met een tot erg diep onder de huid gaand resultaat overigens. Zo mooi is zijn versie van dat liedje! Maar mooi is eigenlijk gewoon alles hier. Met speciale vermeldingen vooral ook nog voor Elvnässamenwerkingen met Irma Schultz Keller en Frida Öhrn. Met de eerste van die twee dames brengt hij de wel bijzonder radiogenieke popoorwurm “Faultless” en het verstilde “I’m Not”, met de tweede de werkelijk adembenemend mooie ballad “I Will Change It All”.

Simon Elvnäs op MySpace

 

SARAH MACDOUGALL “The Greatest Ones Alive” (Rabbit Heart Music)

(5*****)

“Some people put their lives into a dream, I put my life inside a song,” aldus Sarah MacDougall in “Sometimes You Lose, Sometimes You Win”, het openingsnummer van haar zopas verschenen derde cd “The Greatest Ones Alive”. Bijzonder veelzeggende woorden, zo blijkt vervolgens ruim zevenendertig minuten lang. Met de tien liedjes op haar nieuwe worp verdient de Canadese zich wat ons betreft immers een prominent plaatsje tussen getalenteerde landgenoten als een Lynn Miles, een Catherine MacLellan, een Suzie Ungerleider (Oh Susanna), een Sarah Harmer en anderen. Met een fluwelen stem en een bijzonder verfijnde pen als haar voornaamste bondgenoten streelt ze daarin vrijwel voortdurend de zinnen. Met wat productionele hulp van multi-instrumentalist Matt Rogers en verder ook studio-hand-en-spandiensten van onder anderen Awna Teixeira (van Po’ Girl), Gordie Tentrees en Kim Beggs boetseerde ze geduldig tien veritabele folk- en rootsheerlijkheden samen. Werkelijk tot in de puntjes verzorgd allemaal. Van een ronduit bedwelmende schoonheid! Tekstueel eerlijk, muzikaal heerlijk! Eigenlijk gewoon één van de mooiste singer-songwriterplaten van het jaar 2011. Onze luistertips om ook jou daarvan te overtuigen: het hierboven al even aangekaarte “Sometimes You Lose, Sometimes You Win”, het uitermate tedere “Permafrost” en het ook al bloedmooie “Cold Night”, dat hier binnenkort mede door een knappe Weissenborn-bijdrage van Tim Tweedale nog geregeld als een stukje quasi perfecte soundtrack voor precies zo’n nachten dienst zal gaan doen. Wat ons betreft een niets minder dan essentiële aanschaf.

Sarah MacDougall

CD Baby

 

MICHAEL FRACASSO “Saint Monday” (Little Fuji / Lucky Dice Music)

(3,5****)

Songwriter’s songwriter Michael Fracasso koos bij het uitwerken van het materiaal voor zijn zevende voor een geheel andere aanpak dan normaal. Hij nodigde immers zijn vriend Jim Lewis uit om hem bij te staan bij het schrijven, inspelen en produceren van de liedjes erop. An sich niets speciaals, ware het niet, dat die Lewis eigenlijk een schrijver is en met “Saint Monday” pas aan zijn proefstuk toe op elk van die drie fronten. Een zeker risico dus toch wel. Maar we kunnen je hier gelijk al geruststellen, het draaide allemaal heel goed uit. “Saint Monday” mag dan misschien niet Fracasso’s beste plaat tot op heden zijn, het is wel een heel goede. En een erg gevarieerde ook. Via het beheerst rockende “While The Night Is Young” belanden we zo achtereenvolgens bij het heerlijk strakke popdeuntje “Eloise”, de met een schalkse knipoog richting Bakersfield gebrachte countryrocker “Little Lover”, de bluesy murder ballad “Elizabeth Lee” en het atmosferische titelnummer, een lap bijzonder meeslepende lijzige roots pop. Verder beslist ook nog de moeite van het vermelden waard: Fracasso’s met ondermeer aan dub reggae ontleende elementen opgewaardeerde cover van “Working Class Hero” van John Lennon, het zomerse, met Patty Griffin gebrachte (roots)popdondertje “Ada, OK”, de over net geen twee perfecte popminuten uitgesmeerde “story of love and loss” “Broken Souvenirs” en zeker ook het afsluitende “Another Million”, een ingetogen beauty van een liedje, naar eigen zeggen opgenomen in het holst van de nacht en zo klinkt het ook effectief. Een verdwaalde piano en de stemmen van Fracasso zelf en zijn buddy Lewis doen daarin op wel erg fraaie wijze het licht achter ons uit.

Michael Fracasso

Lucky Dice Music

 

SCOTT H. BIRAM “Bad Ingredients” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

Lo-fi country blues voor een nieuwe verloren generatie” is de vlag die ze bij zijn Nederlandse verdeler voor de inhoud van de achtste van Scott H. Biram verzonnen en zo is het maar net. “One man band” Biram serveert daarop als vanouds vooral met “Bad Ingredients” geknede songgwaren, meer gekraaid dan gezongen gebracht en gelardeerd met ongecontroleerd ’59 Gibson-gepingel, wat krassende mouth harp en hyperkinetisch stomp board-gestommel. In vergelijking hiermee is de ondertussen zoveel succesvollere Seasick Steve een door en door brave schooljongen. Met de dertien songs op “Bad Ingredients” bezondigt Biram zich aan een potje ongegeneerd wildplassen tegen de poorten van de hel. Hier is het al zuipen, schelden, hoereren en schuinsmarcheren wat de klok slaat. Een fanatiek gestrekte middenvinger in het oog van elke moraalridder als het ware. En vooral wat betreft zijn onstuimige muzikale invulling weer o zo lekker!

Scott H. Biram

Bloodshot Records

 

JANNI LITTLEPAGE “Strange Angels” (Groove House Records)

(3***)

Voor mij betekende kennismaken met haar album “Strange Angels” meteen ook kennismaken met de Amerikaanse Janni Littlepage zelf. En dat eerste contact beviel me eigenlijk best wel. Toegegeven, haar muziek valt een stuk commerciëler uit dan wat ik hier doorgaans in de armen sluit. Maar toch! Littlepage heeft een ronduit geweldige stem, een beetje in het verlengde van die van bijvoorbeeld een Shawn Colvin, een Judy Collins of een Joni Mitchell, en daarmee doet ze op “Strange Angels” bijna voortdurend mooie dingen ook. Nu eens hellen haar aan de hand van producer Robinson Elkenberry en muzikanten als wijlen Kenny Edwards tot stand gekomen liedjes wat meer over richting folk, dan weer vallen ze eerder onder de noemers country of - In de grote meerderheid der gevallen! - (roots)pop. Op veelal eerder ingetogen wijze weet Littlepage je als luisteraar met haar engelachtige stem onopvallend te verleiden. Enkel de enige cover hier, een adaptatie van de traditional “Amazing Grace”, had ze wat mij betreft gerust achterwege mogen laten, vanwege wat al melig.

Janni Littlepage

 

THE WALKABOUTS “Travels In The Dustland” (Glitterhouse / Munich / V2)

(4****)

Een nieuwe plaat van The Walkabouts? Ik moet eerlijk bekennen, dat ik er niet echt meer op gerekend had. Met name Chris Eckman leek zich de voorbije jaren immers veel te goed te amuseren in tal van nieuwe projecten om er zelfs nog maar aan te denken. Maar met “Travels In The Dustland” kwam ze er ruim zes jaar na “Acetylene” uiteindelijk dus toch nog. En het goede nieuws is, dat het gelijk ook nog één van hun allerbeste albums ooit geworden is. Een plaat, die je in geen tijd zo ver heeft, dat je ook oude heerlijkheden als “Scavenger”, “New West Motel” en “Satisfied Mind” weer even gaat opdiepen. Al bij al een flink stuk rustiger dan zijn hevige voorganger. Heel erg “moody” ook. En behoorlijk episch van aard bovendien. Verdeeld in vier thematische entiteiten, luisterend naar de (onder)titels “Home & Beyond”, “Crossing Broken Ground”, “A Lifting” en “Dusk, Stones, Silence”. Eckman en Torgerson, bassist Michael Wells, toetsenist Glenn Slater, drummer Terri Moeller en nieuwkomer Paul Austin, je als gitarist al wel bekend van zijn bijdragen aan ondermeer de Willard Grant Conspiracy en Transmissionary Six, verkennen in de songs hier alle uithoeken van het imaginaire Dustland. Een symbolisch oord, dat wel erg veel trekjes van bestaande plaatsen vertoont en vooral tot doel lijkt te hebben het in deze moeilijke tijden nog net wat hardere bestaan dan voorheen van zijn inwoners te etaleren. Een conceptalbum willen Eckman en co het echter niet genoemd hebben. Wat betreft de muzikale invulling van de songs hoor je hier zowel oud als nieuw terug. Wat je krijgt klinkt ontegensprekelijk als The Walkabouts van in hun hoogdagen. De enigszins beklemmend werkende songs, de gebruikelijke wisselzang van Torgerson en Eckman, de karakteristieke gitaren, de totaalvibe, hoegenaamd alles lijkt aanvankelijk te verwijzen naar de vroege dagen van het instituut uit Seattle. Maar al na enkele draaibeurten ga je (veel) meer horen. Eckmans geluidsexperimenten van de voorbije jaren hebben immers wel degelijk ook hun weg naar de elf liedjes op “Travels In The Dustland” gevonden. Alleen is het zo, dat ze hier nergens echt de bovenhand krijgen. Het blijven vooral verfraaiende details. En dat is maar goed zo ook, want beter dan hier klonken The Walkabouts naar onze bescheiden mening eigenlijk al in tijden niet meer! (En dan bedoelen we daarmee uiteraard ook de periode van voor hun “verlof van onbepaalde duur”…)

The Walkabouts

 

CALVIN RUSSELL “The Last Call, In The Heat Of A Night…” (XIII Bis Records / Suburban)

(4****)

Dit uit respectievelijk één cd en één dvd bestaand geheel zou je kunnen omschrijven als een soort van ultiem postuum eerbetoon aan het adres van de op 3 april van dit jaar aan de gevolgen van leverkanker overleden Texaanse rootsrocker Calvin Russell. De cd biedt met een op 19 juni 2009 in l’Atabal in Biarritz ingeblikte gig één van ’s mans laatste optredens überhaupt. Daarop uiteraard tal van Russell-classics à la “Rats & Roaches”, “Soldier” en andere, naast flink wat materiaal van het toen nog te verschijnen “Dawg Eat Dawg”. Van die plaat bracht hij “Texas Blues Again”, “Halloween”, “5m²”, “Rolling Wheel”, “Are You Waiting”, het bijzonder veelzeggende “Too Old To Grow Up Now” en het titelnummer. Liedjes, waarvan er ook flink wat zijn terug te vinden op de dvd, maar daarbij betreft het dan wel “unplugged”-opnames van een negen dagen later in l’Espace Icare in het Franse Issy-les-Moulineaux afgewerkte sessie. Verder nog op dat tweede schijfje: een “Making of ‘Dawg Eat Dawg’” en wat interviewmateriaal. Zoals hier hoger al gesteld echt wel een waardige manier om afscheid te nemen van een man, die zijn leven ten dienste stelde van rootsy rock & roll. Een geweldige songwriter, een verre van kwade gitarist, maar bovenal toch ook een performer met een geweldige set aan “pipes”. Bij leven en welzijn zo’n beetje zijn handelsmerk, die heerlijk rauw aandoende, ogenschijnlijk door Gauloises en Jack Daniels gesponsorde stembanden. Ideaal spul alleszins voor het brengen van songs als de zijne, waarin rock, country en blues zich meer dan eens als de beste vrienden durfden te vertonen. Live was die Russell-mélange absoluut niet te versmaden en dat bewijst dit document eens te meer ten voeten uit. Bijzonder lekker allemaal!

Calvin Russell

XIII Bis Records

 

JEREMY STEDING “I Keep On Livin’, But I Don’t Learn” (Jeremy Steding)

(3,5****)

Vanuit Austin, TX bereikte ons onlangs “I Keep On Livin’, But I Don’t Learn”, de derde cd van “up and coming” singer-songwriter Jeremy Steding. En dat is net als zijn voorganger “Whiskey Songs And Prison Songs” een prima album geworden. In een productie van de dezer dagen zowat alomtegenwoordige Walt Wilkins grossiert Steding daarop in wat hij zelf omschrijft als “vintage country music, fried in Americana batter”. Wat je daaronder dient te verstaan, vroeg je? Wel, da’s heel simpel, “real” country songs, waarin de harten van zowel genregrootheden als een Cash of een Jennings, als die van songsmeden als een Guy Clark, een Robert Earl Keen of een Shaver kloppen. Intelligente liedjes, geworteld in de rijke Texaanse traditie terzake, zonder daardoor evenwel oubollig aan te doen. Gebracht met een meteen vertrouw klinkende stem en in het gezelschap van ondermeer Walt Wilkins (gitaren en zang) en diens wederhelft Tina (backing vocals), dobro- en pedal steel-virtuoos Kim Deschamps, toetsenist Ron Flynt, Jim Adair (drums, backing vocals), Mike Ethan Mesick (guest vocals in titelnummer “I Keep On Livin’, But I Don’t Learn”) en Shannon Lee Nelson (guest vocals in de Cash-coverDon’t Take Your Guns To Town”, het enige niet-Steding nummer hier). Hoegenaamd volstrekt tijdloze muziek, die je probleemloos kwijt lijkt te kunnen aan zowel liefhebbers van eerder traditioneel opgevat spul, als deze van Americana en “(alternative) country made in Texas” anno nu. En de toekomst lijkt deze Steding dan ook bijzonder breed toe te lachen. Onze, zoals steeds onverbintelijke, luistertips: de erg knappe verhalende trage “Paint The Town Red, When They’re Blue”, de sprankelende countryrocker “Annie Ray” en vooral ook het ons hier een weinig aan Waylon Jennings herinnerende titelnummer.

Jeremy Steding

CD Baby

 

RITA HOSKING “Burn” (Rita Hosking / Lucky Dice Music)

(4****)

Ik ben verliefd! En nog geen klein beetje ook! Niet dat mijn wederhelft zich nu zorgen moet gaan maken, hoor. Neen, dat nu ook weer niet! Zij blijft “nach wie vor” de enige, “the one and only” voor me. Het is gewoon zo, dat ik het momenteel zwaar zitten heb voor de stem van Rita Hosking. Veel meer nog dan ter gelegenheid van haar hier ook al uitgebreid bejubelde vorige volwaardige langspeler “Come Sunrise” wist ze me de voorbije dagen stevig in haar ban te houden met de elf songs op “Burn”, haar onlangs verschenen vijfde. Kippenvel bezorgde ze me telkens opnieuw met die ongemeen emotionele stem van ‘r. Een stem, die wat mij betreft zo in één en hetzelfde rijtje kan als die van bijvoorbeeld ook Caroline Herring, Gillian Welch, Patty Griffin, Shawn Colvin en Iris DeMent. Stuk voor stuk uitgesproken huisfavorieten, die dames! En dan hadden we het nog niet over het tekstmateriaal of de liedjes van Hosking. Ook die zijn van een zeldzaam hoge kwaliteit! Daarin durft Hosking zonder ook maar de minste schroom zowel de wereld om haar heen als haar thuisbasis als inspiratiebronnen te gebruiken. Een goed voorbeeld van dat laatste is het sprankelende folkdeuntje “Dishes”. Of hoe het net wat te lang aanschouwen van een berg afwas tot een bijzonder fraai liedje leiden kan. Een stuk interessanter nog zullen velen onder jullie echter vast haar de vinger op nogal wat mindere kantjes van het Amerika anno nu leggende liedjes vinden. Zo kaart ze ondermeer het harde leven van de arbeidersklasse aldaar aan, heeft ze oog voor het angstige bestaan van mijnwerkersfamilies en buigt ze zich ook nog eens over de schokkende olieramp in de golf van Mexico. Vooral het op ingetogen, maar ongemeen sterke wijze dat laatste onderwerp voor een verhaal gebruikende “Ballad For The Gulf Of Mexico” is een ware beauty. Zonder ook maar de geringste twijfel één van de allermooiste liedjes, die 2011 tot op heden te bieden had. Een heuse genreklassieker in wording eigenlijk! Met dank aan producer Rich Brotherton en andere muzikanten als Glenn Fukunaga, Tom Van Schaik, Sean Feder, Andy Lentz en Marty Muse zeker ook. Met name de snareninbreng van Brotherton lijkt voor de muziek van Hosking echt wel van levensbelang. En al zeker als hij z’n National weer eens omgordt. Dan valt haar stem immers steeds weer in een meer dan waardige muzikale voedingsbodem. De resultaten zijn dan vrijwel zonder uitzondering echt bloedmooi te noemen.

Rita Hosking

Lucky Dice Music

 

KASEY CHAMBERS “Paradise” (Essence Music)

(4****)

Al bij al vrij snel na “Little Bird” houdt Kasey Chambers alweer een nieuwe verrassing voor ons in petto. Het betreft daarbij de heerlijk gevarieerde covercollectie “Paradise”. Voorlopig weliswaar enkel via door de band genomen wat duurder uitvallende importkanalen verkrijgbaar, maar toch. Dat vijftien songs tellende en haar boek “A Little Bird Told Me” begeleidende geheel bevat adaptaties van liedjesmateriaal van een aantal van Chambers’ eigen favoriete singer-songwriters. Sommige van de deunen erop nam ze speciaal voor de gelegenheid op, andere blijken al wat ouder. Een aantal ervan blikte ze met een stel bevriende collega’s in. Zo stoten we hier terloops ook op de namen van Jimmy Barnes, The Lost Dogs, Paul Kelly, Shane Nicholson en Ashleigh Dallas. Met hen waagde Chambers zich aan respectievelijk “If I Needed You” van Townes Van Zandt, “Nothing But A Child” van Steve Earle, “I’m So Lonesome I Could Cry” van Hank Williams, “Orphan Girl” van Gillian Welch en “Wish It Would Rain” van Nanci Griffith. Verder horen we eigenlijk niets dan van goed tot ronduit uitstekend variërende versies van “Happy Woman Blues” van Lucinda Williams, “Return Of The Grievous Angel” van Gram Parsons, “Luka” van Suzanne Vega (Bekijk vooral even het clipje op Chambers’ webstek!), “Leave The Lights On” van John Prine, “Guilty” van Matthew Ryan, “True Colours” van Cyndi Lauper, “Water In The Fuel” van Fred Eaglesmith, “Everything’s Turning To White” van Paul Kelly, “Too Long In The Wasteland” van James McMurtry en “Top Of The World” van Patty Griffin. Songs, die niet enkel een artieste met een uitzonderlijk goede smaak verraden, maar ook eentje met het vereiste fingerspitzengefühl om zich de liedjes van anderen schijnbaar moeiteloos eigen te maken. Met name haar versies van Vega’s “Luka” en Williams’ “I’m So Lonesome I Could Cry” met Paul Kelly hangen bij wijze van spreken als rijpe vruchten te wachten om door bijdehandse radiojongens voor onmiddellijk en veelvuldig gebruik te worden geplukt.

Kasey Chambers

Village Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home