CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES OKTOBER 2012

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

DAVE HARDIN “Miles Of Nowhere” - THE BE GOOD TANYAS “A Collection” - PATRICK CROWSON “A Mile Past The Dead End” - JORDAN MINOR “The Cottonwood Tree” - DALA “Best Day” - DOUBLE NAUGHT SPY CAR “Western Violence” - HONKY TONKITIS “Alcohol & Heartbreak” - TREMOLOCO “Salsipuedes” - VANESSA LIVELY “Uncovering Stones” - SUZANNE VEGA “Close-Up Vol. 4: Songs Of Family” - GARRON FRITH “Away From The Bright Lights” - JAN BOOISTER “Townes Vertaald” - MESCHIYA LAKE AND THE LITTLE BIG HORNS “Lucky Devil” - BRIAN WEBB “Brian Webb & The Sum Of Our Histories” - MARJORIE CARDWELL “In Another World” - ROBERT HILL “What Are We Waiting For” - BOB CHEEVERS “Smoke & Mirrors” - MIKAEL PERSSON “Man With Hound EP” - BUFORD POPE “Matching Numbers” - AJ DOWNING “Good Day” - BLACK PRAIRIE “A Tear In The Eye Is A Wound In The Heart” - LOWLANDS & FRIENDS “Better World Coming, Lowlands & Friends Play Woody” - ANTJE DUVEKOT “New Siberia” - STAN MARTIN “Distilled Influences” - BEX MARSHALL “The House Of Mercy”

 

 

DAVE HARDIN “Miles Of Nowhere” (Ride Records)

(4****)

Onbekend maakt onbemind, aldus een oud Nederlands spreekwoord en dus breken wij hier maar weer eens met veel overgave een lans voor een voorlopig nog nobele onbekende. Het betreft daarbij ditmaal de vanuit Kentucky actieve singer-songwriter Dave Hardin. Die knaap verdient immers echt wel elk beetje aandacht dat hij maar krijgen kan. Zo goed! Je moet hem bijna gehoord hebben om het te kunnen geloven! Alleen zijn stem al! Heerlijk ruw, lekker hees, het betere schuurpapier kortom. En dan z’n songs! Die zijn al net zo beklijvend! Nu eens Americana, dan weer eerder country, de rockvariant daarvan of folk US style. Het ene moment bedaard rockend, het andere eerder ingetogen. Van krachtig tot heel erg gevoelig. Denk bij wijze van voorbeeld maar richting een John Hiatt, een John Mellencamp, een Ryan Bingham, een John Prine of een James McMurtry. In die buurt dien je deze Hardin immers te situeren. Zowel wat betreft zijn stijl als wat betreft de kwaliteit van het hier gebrachte. Dringend even beluisteren is de boodschap! En houd die portefeuille van je alvast maar bij de hand…

Dave Hardin, Ride Records

 

THE BE GOOD TANYAS “A Collection” (Nettwerk)

(4****)

Met “Blue Horse”, “Chinatown” en “Hello Love” verschenen tussen 2001 en 2006 drie prima en derhalve ook heel erg lovend onthaalde langspelers van het Canadese trio The Be Good Tanyas. Met z’n old-timey hybride van folk, country en blues gooide dat collectiefje lang niet alleen hoge ogen in kringen van liefhebbers van enigszins vergelijkbare acts als een Gillian Welch en een Iris Dement. De oorspronkelijk uit Samantha Parton en de inmiddels ook solo doorgebroken Jolie Holland bestaande en later met Frazey Ford en Trish Klein uitgebreide groep groeide medio het vorige decennium al snel uit tot één van dé absolute lievelingen van de alternatieve countryscène. Met hun vaak ontwapenend harmonieerwerk en nog volop op de traditionele leest geschoeid snarengepluk boorden de dames nadrukkelijk een toen nog gapend gat in de markt aan. En velen zouden zich in de daaropvolgende jaren dan ook geroepen voelen om in hun voetsporen te treden. Een best wel invloedrijke groep dus, die Be Good Tanyas. En eigenlijk rechtvaardigt alleen dat gegeven al deze verzamelaar. Ook al gingen er zoals gezegd dus maar drie volwaardige langspelers aan vooraf. Daarvan hier een twaalftal nummers, aangevuld met vier voorheen niet verkrijgbare dingen. Te weten nieuwe uitvoeringen van het al bekende tweetal “Scattered Leaves” en “Song For R” en met “Little Black Bear” en “Gospel Song” zelfs ook twee volledig nieuwe songs. Op die manier toch ook de moeite voor oude fans van de dames dus.

The Be Good Tanyas, Nettwerk Records

 

PATRICK CROWSON “A Mile Past The Dead End” (Hop Hollow Music)

(3,5****)

Moet je dit nu alt. country noemen, alternatieve folk of toch maar gewoon Lo-Fi? Ik zou het bij God niet weten… Maar wat ik ondertussen wel weet, is dat deze Crowson een verdomd goede songwriter is. Eentje die duidelijk opvalt in het nog alle dagen flink uitdijende peloton gevuld met “zingende auteurs”. Nochtans brengt hij zijn liedjes veelal zo goed als spiernaakt. De eigen stem en een akoestische gitaar volstaan dan. En als er toch al eens wat hulp van buitenaf mag komen, dan is die steeds weer van Josh “J.” Allen. Die tekende niet enkel voor de productie van “A Mile Past The Dead End”, maar leverde ook wat gezongen bijstand en occasioneel bijdragen op onder meer gitaar, harmonica, ukelele en orgel. Meermaals dwaalden mijn gedachten bij het beluisteren van de elf hier door Crowson gebrachte liedjes af richting de vroege Dylan en de late Van Zandt. En af en toe ook wel eens tot bij Will Oldham of Grant-Lee Phillips. Maar die namen mogen dan wel enkel dienen als referentiepunten, want deze Crowson is wel degelijk een “original”. Zijn vaak tergend langzame en niet zelden ook erg lange liedjes lijken me vooral dienst te doen als vehikels voor zijn buitengewoon knappe teksten. Die komen door ’s mans aanpak alleszins in het absolute middelpunt van de belangstelling te staan. En ook het feit dat hij ze met z’n zwaar melancholische stem meer declameert dan zingt, draagt daar nog toe bij. Die modus operandi maakt, dat je als luisteraar zo goed als voortdurend aan z’n lippen blijft hangen. Het houdt je als het ware bij de les! En dat is nodig ook, want Crowsons teksten vergen een serieuze luisterinspanning van een mens. Een bepaald veeleisend klein juweeltje, zeg maar…

Patrick Crowson, CD Baby

 

JORDAN MINOR “The Cottonwood Tree” (Wheel Gun Records)

(4,5*****)

“The Cottonwood Tree” van Jordan Minor behoort zonder ook maar de minste twijfel tot het kransje van de allerbeste singer-songwriterplaten, die wij dit jaar al voor de kiezen kregen. Noem de Texaan binnen zijn genre wat ons betreft gerust dé ontdekking van 2012. Je zou ‘m een beetje kunnen vergelijken met Chris Knight, Hayes Carll en Steve Earle. Met een echte zaligheid van een schuurpapieren stem brengt hij op “The Cottonwood Tree” twaalf, voornamelijk eigen songs met een sterk verhalend karakter. Originele stories bovendien. Niet het soort van liefdesverhaaltjes, waarin dezer dagen zoveel van zijn schrijvende “staatgenoten” verstrikt blijven raken. Luister in dat verband bijvoorbeeld maar eens naar dingen als het omineuze “Still Shinin’”, het lekker venijnig (country)rockende “Honeycomb”, titelnummer “The Cottonwood Tree” of het aan Billy The Kid gewijde “The Ballad Of William Bonney”. Dat zijn stuk voor stuk echt huiveringwekkend goede songs! Zowel de verhalen, als de muzikale verpakking ervan deugen. File under: Americana, Alternative country, Texas, Best of 2012.

Jordan Minor, CD Baby

 

DALA “Best Day” (Compass Records)

(3,5****)

Het volstaat om de twee laatste letters van de voornamen van Amanda Walthers en Sheila Carabine achter elkaar te zetten om er achter te komen, hoe het uit het Canadese Ontario afkomstige duo bestaande uit die twee dames aan zijn naam kwam. Maar dat wist u misschien al wel. De twee zijn met “Best Day” immers al lang niet meer aan hun proefstuk toe. Hun zesde album is het reeds. En opnieuw een bewijs voor hun geweldig ontwikkelde oor voor hooks. Hun voortdurend tussen pop enerzijds en folk, country en Americana anderzijds heen en weer stuiterende liedjes vallen steeds weer op door hun uitermate catchy karakter. Ze nestelen zich vrijwel zonder uitzondering meteen knusjes tussen je oren. Té commercieel, zei u? Voor sommigen misschien wel, maar niet voor ons. Wij vallen telkens weer opnieuw als een blok voor de op ronduit heerlijke samenzang geënte songs van de twee dames. Bijzonder fraai, hoe de loepzuivere sopraanstem van Walthers en de fluwelen alt van Carabine samen kleuren. A match made in heaven! En precies dat maakt van misschien daadwerkelijk wel een weinig met commercieel succes flirtende deuntjes als de schuifelballade “Good As Gold”, de speelse rootspopdeun “Best Day”, het ingetogen en eerder klassiek opgevatte folk-kleinood “Father” of het compleet onverwacht niet op de twee Beatles uit z’n titel, maar op de gekste tegenstellingen tussen twee wederhelften in een ogenschijnlijk nochtans werkende relatie focussende “Lennon & McCartney” zo’n aantrekkelijke liedjes. Is absoluut niks mis mee!

Dala, Compass Records

 

DOUBLE NAUGHT SPY CAR “Western Violence” (Foot Pole Record Company)

(3,5****)

Het vanuit Los Angeles actieve Double Naught Spy Car is verantwoordelijk voor de met de nodige afstand meest bevreemdende plaat die wij de voorbije maanden onder handen kregen. Nu zijn we hier met betrekking tot ons luistervoer wel het één en ander gewoon, maar hun “Western Violence” schiet gewoon naar zoveel kanten tegelijk, dat zelfs wij het even moeilijk kregen om te blijven volgen. Dat volledig instrumentaal gehouden geheel stoeit immers met zoveel stijlen (tegelijk), dat het eigenlijk elke vorm van categorisering resoluut ontwijkt. Exotica, jazz, metal, twang, surf, funk, you name it, Double Naught Spy Car will play it! En dat levert zo menig een streep beklijvende muziek op. Zo waren wij bijvoorbeeld behoorlijk onder de indruk van het surf aan rock en iets vaagweg countryesks koppelende titelnummer, van het op hoogst aparte wijze ingehouden swingende “Feral Kitty”, van het experimenteel funkende,ogenschijnlijk naar een plaatsje op de soundtrack van de één of andere detectivereeks hengelende “The Italian”, van het met een vette knipoog richting Zuid-Amerika verleidelijk met de kont schuddende “The Eyegore Of One” en het afsluitende, duidelijk niet voor gevoelige oren bestemde “Journey To The Center Of Guitar Center”. Muzikanten van dienst: Marcus Watkins (gitaar, accordeon), Marc Doten (bas, keyboard), Joe Berardi (drums, percussie, marimba) en Paul Lacques (lap steel, gitaar, dobro). En met die laatste is meteen ook de link naar deze pagina’s gelegd. Lacques kennen we immers van zijn activiteiten binnen huisfavorieten I See Hawks In L.A. en van gastbijdragen op zo menig een alternatieve countryplaat. De anderen verdienden hun sporen werkend voor onder meer Rufus Wainwright, Robert Fripp, Stan Ridgway, Donovan, Taj Mahal, Dave Alvin, Shelby Lynne en Nina Hagen.

Double Naught Spy Car

 

HONKY TONKITIS “Alcohol & Heartbreak” (Honky Tonkitis)

(4****)

Precies op tijd om met heel wat minder interessante, andere jaarlijks weerkerende “itissen” te kunnen coïncideren kwam hier onlangs een nieuwe cd van Honky Tonkitis aanwaaien. Het vijftal uit Milwaukee serveert daarop compromisloos country gebaseerd op modellen hen ooit aangereikt door genregroten als een Johnny Cash, een Faron Young en een Hank Williams. En zoals het de titel van het album al laat vermoeden draait zo goed als alles hier om drank en hartzeer. Zanger-songsmid John Steffes en de zijnen moeten in staat worden geacht om in hun eentje de bierverkoop in hun thuisregio flink de hoogte in te jagen. Met “Pabst In The Can And Schlitz In The Bottle”, “I Wanna Marry A Bartender”, “I’m Ready To Drink”, “I Only Drink To Fall Down”, “I’m Gonna Drink Milwaukee Dry”, “Down And Drunk”, “Most Of My Friends Are Behind Bars” en “Kiss My Heineken” bijvoorbeeld, waarin naast geestrijk vocht ook de woordspelingen à volonté vloeien. En dat maakt van “Alcohol & Heartbreak” een vaak even geestige, als muzikaal aantrekkelijke plaat. Ook wanneer het over andere onderwerpen gaat trouwens. Oordeel zelf maar. In “What Would George Jones Do?” staat bad ass “The Possum” op z’n Willie Nelsons model voor een oplossing als de wederhelft van de protagonist er met een ander vandoor is, in het wervelende, op flarden “I Walk The Line” gebaseerde “Johnny Cash Would Kick Your Ass” schopt wijlen “The Man in Black” al even wild om zich heen naar alles wat ook maar enigszins naar new country ruikt en in het swingende “Alimony Is A Four Letter Word” laat de vlag ook al maar weinig te raden over met betrekking tot de gefrustreerde inhoud ervan. Kortom: zeventien songs, waarmee je elke rechtgeaarde liefhebber van nog op een traditionele leest geschoeide country probleemloos warm zou moeten krijgen. En als bonus zit er bovendien ook een voldoende scherp randje aan om ook meer alternatief ingestelde fuifnummers redelijk snel op de hand van Honky Tonkitis te krijgen. Zij zullen hierop met plezier de jacht op eventueel in de buurt zijnde line dancers voor geopend verklaren… Bijzonder lekker schijfje zonder meer!

Honky Tonkitis, CD Baby

 

TREMOLOCO “Salsipuedes” (Casa Julia Records)

(4****)

Zo’n vier jaar geleden ondertussen prezen we dit ondertussen zeven man sterke gezelschap uit L.A. naar aanleiding van z’n debuutplaat “Dulcinea” hier al eens de hemel in en dat doen we nu naar aanleiding van de opvolger daarvan maar al te graag opnieuw. Tony Zamora en de zijnen bewijzen zich op “Salsipuedes” immers andermaal als “the next best thing to” het vroege, nog volop op de eigen Zuiderse roots focussende Los Lobos. Onder het motto “Eclecticism rules!” streeft men hier zestien nummers lang de grootst mogelijke variatie na. Tex-Mex (de werkelijk bloedmooie trage “Viejo”, het wervelende “Misión San Fernando”, een duetje met Karina Nistal, en “Union Station (Olivera Street)”), Americana (“Salinas To San Antonio” en “Harder”), country (het buitengewoon relaxed aan je voorbij schuifelende “Western Sky” en “Crossing The Rio Grande”), Western swing (het volledig instrumentale “Ridin’ With Cliffie”), folk (“Carolina Yes”), roots rock (“Claudine”), blues (het met Dave Alvin prominent aanwezig op de elektrische gebrachte “The Riverside”, het wel bijzonder laid back neergelegde “Broken Wheel” en het stomende “La Mexicana”), en cumbia (“Temo”, “La Lechuza” en “La Gata”), ze komen hier allemaal wel even aan bod. En precies die diversiteit is het, die naar ons gevoel van “Salsipuedes” de sterke plaat maakt, die het toch wel weer is. Je krijgt hier als luisteraar echt geen seconde lang de kans om je te gaan vervelen. En zo mogen wij het graag hebben! Gastbijdragen zijn er naast die van de al genoemde Dave Alvin verder onder meer ook nog van Rick Shea en Max en Josh Baca. Voor de productie van “Salsipuedes” tekende David Raven.

Tremoloco, CD Baby

 

VANESSA LIVELY “Uncovering Stones” (Continental Song City / CRS)

(3,5****)

Prima Americana singer-songwriterplaat van de ons voorheen volslagen onbekende Texaanse Vanessa Lively. Gelijk van bij het openingsnummer van “Uncovering Stones” had ze onze volle aandacht. In dat nummer, het zomerse, echt wel buitengewoon aanstekelijke “Digging Up Dirt”, doet Lively iets heel erg moois met een onopvallend richting Mexico lonkend muzikaal motiefje. Vervolgens gaat het via het zich eerder ingetogen presenterende “Through The Veil” richting “Estoy Volando”, een met wat vocale ruggensteun van gerespecteerde collega’s Raina Rose en Danny Schmidt gebrachte lap Americana in het Spaans. Vervolgens zijn er het behoorlijk sombere “Men In White Hats”, het op wat wij een typische “gypsy feel” zouden willen noemen leunende “Honeybee” en het atmosferische “The Lost Boys”. Stuk voor stuk ijzersterke liedjes! En dat geldt op de keper beschouwd eigenlijk ook wel voor alles wat dan nog volgen moet: van het voorzichtig (roots)rockende “Follow Your Heart” over de ballade “Learning To Breathe” tot het nadrukkelijk verhalende “Princess Song”, van het zwierige “Baile Conmigo”, een volgend uitstapje richting Spaanse taal, over de spiernaakte popdeun “Playing Games” tot het afsluitende “Skeletons”. Heel knap allemaal!

Vanessa Lively, Continental Record Services

 

SUZANNE VEGA “Close-Up Vol. 4: Songs Of Family” (Cooking Vinyl / V2)

(4****)

Vierde en laatste deel in de door Suzanne Vega nu goed twee jaar geleden ingezette reeks akoestische vertolkingen van al eerder uitgebracht eigen materiaal. Onder de thematische hoofding “Songs Of Family” brengt ze ditmaal nieuwe versies van “Rosemary”, “Honeymoon Suite”, “World Before Columbus”, “As You Are Now”, “Soap And Water”, “Widow’s Walk”, “Blood Sings”, “Bad Wisdom”, “Ludlow Street”, “Tired Of Sleeping”, “Pilgrimage”, “Brother Mine”, “The Silver Lady” en “Daddy Is White”. Niet meteen haar bekendste nummers dus, maar dat kan de pret wat ons betreft absoluut niet drukken. Dit ultieme volume in de “Close-Up”-reeks is misschien zelfs wel het allerbeste van de vier. Alleszins het meest folkgetinte. Prachtige intimistische muziekjes voor veeleisende oren! En die doen er eigenlijk best aan om zich via de webstek van Vega zelve onverwijld ook de zopas verschenen dubbelaar “Solitude Standing, Live At The Barbican 2012” aan te schaffen.

Suzanne Vega

 

GARRON FRITH “Away From The Bright Lights” (Skiffler Recordings)

(4****)

Nieuw supertalent gespot! In Manchester meer bepaald. En neen, het is voor één keer geen voetballer… Wel een singer-songwriter. En wat voor één! We stootten in verband met deze Garron Frith onder meer al op vergelijkingen met knapen als een Van Morrison, een Stephen Stills, een John Martyn en een Ry Cooder. That good? Yes, indeed! Wij zouden aan dat lijstje zelfs nog een tweetal kleppers van namen willen toevoegen. Met name die van Ray LaMontagne en die van Ryan Adams. Met de eerste heeft hij een wat omfloerst aandoende soulvolle stem gemeen, aan de tweede deed hij ons onwillekeurig denken in dingen als de fraaie ballade “This One” en de schuifel-Americanadeunen “Rock ‘n’ Roll Band” en “The Remedy”. Geen wonder, dat deze Frith al door een handvol grootheden werd uitgenodigd om zijn voorprogramma te komen verzorgen. We noemen in dat verband onder meer Peter Green, Robert Cray, Madeleine Peyroux en Jack Bruce. Zij vormden voor de beste man als het ware een soort van springplank naar een volgend succes-level. Een eerste van wellicht nog vele volgende. Want deze knaap wordt ooit een hele grote! Schrijf het maar op! De door Frith op zijn tweede cd “Away From The Bright Lights” aangeboden mengvorm van Americana, folk, blues en gospel klinkt om het hier maar eens met een Duits woordje samen te vatten “großartig”. Geweldig dus. Niet één afknapper bevindt er zich tussen de tien door hem hier aangeboden stukken. Negen daarvan schreef hij zelf. Voor het tiende, het schimmig-soulvolle folkrockertje “Not The Man” riep hij wat schrijfhulp in van Simon J Alpin. Die ooit nog bij de Willard Grant Conspiracy actieve multi-instrumentalist tekende overigens ook voor de productie van dit album. Hij zag hoe een hele trits aan voornamelijk Britse topmuzikanten als bassist Simon Edwards (Fairground Attraction), drummer Nick Simms (Cornershop), trompettist Dennis Cronin (Lambchop) en toetsenman Seymour Milton onvoorwaardelijk hun beste beentje voor Frith kwamen voorzetten. En ook zelf droeg hij nog een flinke instrumentale steen bij op mandoline, elektrische gitaar en lap steel. Frith deed dan weer het nodige op de akoestische, mondharmonica, bas, banjo en slide. Het resultaat is een heerlijk “af” klinkend geluid. De perfectie aardig dicht benaderend, zonder daardoor bloedeloos over te gaan komen. Wel integendeel! Wat Frith doet klinkt juist ongelooflijk bezield. Heel erg soulvol. En alle tien de liedjes op zijn tweede zijn eigenlijk gewoon radiorijp. Een duidelijke hint aan het adres van de dames en heren programmatoren hier te lande. Wie haalt deze knaap snel eens naar België? Nu kan dat nog relatief goedkoop, straks allicht niet meer…

Garron Frith, CD Baby

 

JAN BOOISTER “Townes Vertaald” (Jan Booister / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Townes Van Zandt vertaald naar het Nederlands… Ik moet eerlijk bekennen, dat ik er aanvankelijk niet meteen open voor stond. Enerzijds vond ik - En vind ik nog steeds! – dat er in het verleden met het werk van Van Zandt al meer dan genoeg geklooid werd. En anderzijds schrok ook de gedachte dat dit nu ook nog eens in het Nederlands gebeurd kon zijn me ergens wel flink af. Maar goed, dat was aanvankelijk… Op een gegeven moment ging ik terugdenken aan wat Cornelis Vreeswijk ooit met het werk van Jim Croce gedaan had. Daar hield ik wel van. Nog altijd eigenlijk… Het kon dus… En ik ben dan toch maar eens gaan luisteren naar wat fan Jan Booister met het werk van zijn idool uitgericht had. Zouden net als die van Croce indertijd ook de liedjes van Van Zandt in het Nederlands leefbaar blijken? Het antwoord op die vraag bleek tot mijn verbazing een volmondig ja. Booister heeft immers niet de fout begaan om al té letterlijk te willen vertalen. Hij heeft de liedjes van Townes geïnterpreteerd. Hij heeft als het ware de geest ervan in zijn eigen moedertaal weten te vatten. En dat vind ik echt wel heel knap. En ook het feit, dat hij van enkele voor de hand liggende liedjes is afgebleven kan ik alleen maar toejuichen. Iets als “Pancho & Lefty” bijvoorbeeld. Dat is misschien wel Van Zandts bekendste liedje, maar er een geloofwaardige Nederlandse draai aan geven lijkt me quasi onmogelijk. En dat zal ook Booister wel begrepen hebben. Een pluim überhaupt voor zijn materiaalkeuze. Met “Flying Shoes” (“Zwerfschoenen”), “Snowing On Raton” (“Het Regent In Maassluis”), “The Highway Kind” (“Waarom Ben Jij Hier Niet”), “Tower Song” (“Torenlied”), “I’ll Be Here In The Morning” (“Sluit Je Ogen”), “Looking For You” (“Zoekend Naar Jou”), “To Live Is To Fly” (“Je Leeft Als Je Zweeft”), “Lover’s Lullaby” (“Lief Liedje”), “No Deal” (“Ech Nie”), “Kathleen” (“Mijn Liefste Lief”), “None But The Rain” (“Niets Dan Een Bui”), “Sad Cinderella” (“Arme Assepoester”), “Ain’t Leaving Your Love” (“Ik Laat Je Niet In De Steek”), “Rake” (“Losbol”), “Second Lover’s Song” (“Niet De Eerste”) en “A Song For” (“Afscheidslied”) komen immers zowel bekend als minder bekend hier aan bod. Het maakt van “Townes Vertaald” een plaat die we zouden durven aan te bevelen aan de fans van knapen als een Jan De Wilde, een Lieven Tavernier, een Bram Vermeulen of de eerder al even genoemde Vreeswijk. Niet enkel Booisters fraaie interpretatiewerk maar ook zijn stemgeluid en zijn manier van voordragen wettigen vergelijkingen in die richting. Echt wat voor Radio 1 dus…

Jan Booister

 

MESCHIYA LAKE AND THE LITTLE BIG HORNS “Lucky Devil” (Continental Record Services)

(5*****)

Het geweldige succes van acts als C.W. Stoneking en Pokey LaFarge en z’n South City Three de voorbije maanden liet er maar weinig twijfel over bestaan: ook in Europa valt er wel degelijk een publiek aan te boren met vintage (jazz & blues) spul. En dus lijkt de kans ons hier wel ontzettend groot, dat ook Meschiya Lake & The Little Big Horns onlangs met hun “Lucky Devil” aan zoiets als een heuse zegetocht begonnen zijn. Met haar performante stem en flamboyante verschijning is die Lake momenteel immers zowat hét uithangbord van de in de States volop aan gang zijnde lindy hop swing revival. Aan het hoofd van de Little Big Horns, een uitermate gezellig muzikantenkransje waarin naast een trompet, een trombone en een sousafoon ook traditionele snaarinstrumenten als een akoestische gitaar, een staande bas en een banjo hun plaats hebben, serveert ze ons een krols stomende melange van New Orleans depression-era jazz, blues & swing. Heerlijk levenslustig waggelt ze doorheen zowel eigen materiaal als covers van onder anderen Bessie Smith, Jelly Roll Morton, Duke Ellington en traditionals als “Joseph! Joseph!”. Onmogelijk gewoon om hierdoor niet ogenblikkelijk midscheeps te worden geraakt! Luisteren naar La Lake betekent zoveel als je stante pede laten meevoeren naar New Orleans’ French Quarter in de woelige jaren twintig van de vorige eeuw. Hoogst verslavend werkend spul!

Meschiya Lake & The Little Big Horns, Continental Record Services

 

BRIAN WEBB “Brian Webb & The Sum Of Our Histories” (Brian Webb / Lucky Dice Music)

(4****)

Goed een jaar of zes geleden was singer-songwriter Brian Webb een graag geziene gast in onze kontreien. Met enige regelmaat diende hij zich met name in Nederland aan op lokale podia. En dat tot een wankele gezondheidstoestand hem plots ging beletten om nog op te treden. Eensklaps werd het heel stil rond Webb. Tot vorig jaar, that is. Toen was hij er ineens weer met een nieuw album. “Strange Way To Grieve” heette dat en het zorgde er onder meer voor, dat Webb mocht aantreden op het prestigieuze Blue Highways. Een andere Webb, dan deze die we voor zijn ziekte gekend hadden, zo bleek. En zo blijkt ook nu, naar aanleiding van ’s mans nieuwe plaat “Brian Webb & The Sum Of Our Histories”, weer opnieuw. Webb is weliswaar nog steeds in de weer met muziekstijlen als Americana, country, folk, blues en pop, maar toont nu toch regelmatig een veel rauwere kant van zichzelf. Een kant, die je als luisteraar vrijwel ogenblikkelijk doet denken aan Neil Young. Zowel wat betreft zijn zangpartijen, als wat betreft zijn gitaarbenadering komt Webb anno nu aardig dicht in de buurt van het werk van de Canadese rocker. En dat heeft wellicht veel zo niet alles te maken met het feit, dat hij tijdens zijn herstelperiode zelf versterkers is beginnen bouwen. Geïnspireerd door een jaren 50 Fender Deluxe. Niet toevallig allicht ook Youngs geprefereerde toestel. Een eerste spoor richting Young ontwaren we hier in het door drum-mokerslagen en een vervormde gitaar voortgestuwde openingsnummer “Down Home”. En ook doorheen de meteen daaropvolgende rocker “Come On – The Gathering” waart de geest van “ome Neil” al bij al vrij nadrukkelijk rond. Het introverte “Minnesota” is vervolgens dan weer eerder vintage Webb. Maar in “Wide Eyed” gaat het vinnig rockend snel alweer de kant van de eerste twee nummers uit. Ongeveer in het midden van het album stoten we dan op onze lievelingsnummers “this time around”. Het bluesy, met Rose Polenzani gebrachte “Love Come Quick” is er daar zeker één van. En ook het ongemeen soulvolle “Run Love” zouden wij een echte voltreffer willen noemen. Mede ook door de gezongen inbreng van Amy Correia en wat snarenwerk van Sean Staples. Een verder absoluut hoogtepunt is het door Bryan Minto van pittig mondharmonicawerk voorziene “New Orleans”. Ook dat is naar onze bescheiden mening Americana op z’n best. Wat rest zijn dan nog het ingetogen, met Jocy Adams van The Low Anthem en opnieuw Polenzani gebrachte “Jerome” en een gedreven cover van Tom Waits’ “Lucinda”.

Brian Webb, Lucky Dice Music

 

MARJORIE CARDWELL “In Another World” (MadCar Records)

(3***)

Marjorie en DC Cardwell zijn twee in Noord-Ierland opgegroeide, maar tegenwoordig vanuit het Australische Melbourne actieve singer-songwriters. En beiden hebben ze dezer dagen nieuwe cd’s op de markt. Van hem circuleert momenteel “Some Hope”, van haar “In Another World”. En dat laatste blijkt een verre van kwade plaat. Het album bevat elf nummers, waarvan Marjorie Cardwell er zelf liefst tien schreef. Het elfde droeg DC aan. En die blijkt verder ook nadrukkelijk aanwezig op tal van instrumenten. Gaande van akoestische en elektrische gitaren en bas tot piano, orgel, synthesizer, ukelele, melodica, drums en tal van percussie-instrumenten. Marjorie Cardwell zelve neemt naast lead en backing vocals ook een akoestische gitaar, ukelele, glockenspiel en wat percussie voor haar rekening. Maar de focus, die ligt natuurlijk vooral op haar vertolkingen van haar eigen songmateriaal. Materiaal, dat zich grotendeels ergens tussen pop en folk(rock) situeert, met af en toe een bescheiden zijstapje richting andere genres. Gebracht met een werkelijk kristalheldere stem en vaak stoelend op niets minder dan zinnenprikkelend gitaarwerk. Eerder subtiel van opbouw, lekker catchy en soms best wel een weinig schatplichtig aan groepen als de Beatles en de Byrds. Van karakter überhaupt wat neigend naar de late sixties en de vroege seventies. En uiteraard ook met “a touch of Australia” in de aderen. Lees: net dat beetje anders dan anders. Enkele luistertips: het door z’n gitaarwerk heel erg Byrdsiaans aandoende “Killing Me Loudly”, de in Frans met een lekker vet accent gebrachte ballade “Dans Un Autre Monde” en vooral ook het van de muzikale bubbels parelende “When We Both Fell Down”.

Marjorie Cardwell, CD Baby

 

ROBERT HILL “What Are We Waiting For” (Robert Hill)

(3,5****)

De jonge Zweed Robert Hill lijkt zo op het eerste gehoor een kleine vijftig jaar te laat geboren te zijn. Op z’n twintigste klinkt hij immers al als iemand die tussen de Dylans, de Van Ronks, de Paxtons en anderen indertijd best wel z’n mannetje zou hebben kunnen staan. Greenwich Village-spul, zoiets. Folk en (talking) blues, gebracht op eerder intimistische wijze, daarbij veelal slechts gewapend met de eigen nog wat groen achter de oren aandoende stem, een akoestische gitaar en een mondharmonica. Enkel producer Brian Kramer mag zo nu en dan de deze regel bevestigende uitzondering vertolken. Hem horen we in “What Are We Waitin’ For” en “She Won’t Stop Lovin’ Me” terug op respectievelijk National slide- en akoestische gitaren. Allicht niet geheel en al toevallig twee van de wat sterkere nummers op “What Are We Waiting For”. Bijzonder welgekomen als afwisseling alleszins voor de vele, voor het overige zo goed als spiernaakte overpeinzingen van de jonge Hill. Die vonden wij hier overigens op z’n sterkst, wanneer hij zich in de voetsporen van wijlen Woody Guthrie durfde te begeven, zoals in het wat speelser opgevatte “Talking Blues Blues”. Een grote belofte zondermeer.

Robert Hill, CD Baby

 

BOB CHEEVERS “Smoke & Mirrors” (Back Records)

(4,5*****)

“Bob Cheevers is one cool scarecrow gypsy poet who writes and sings the romantic, beautiful truth. When he releases a record, I listen.” Het hadden onze woorden kunnen zijn, maar dat zijn het niet. Het was daarentegen wel maestro Ray Wylie Hubbard, die zich zo lovend over zijn collega uitliet. Om maar te zeggen, dat Bob Cheevers ondanks het uitblijven van markante commerciële successen door velen – En vaak niet van de minsten! – echt op handen wordt gedragen. ‘s Mans leitmotiv “I don’t know if these stories are true… but they happened to me” slaat duidelijk aan. Als storyteller hoeft hij zich al lang niet meer te bewijzen. En als hij dat toch keer op keer opnieuw lijkt na te streven, dan is het enkel en alleen omdat hij dat zelf wil. Het kenmerkt de echte groten… En alleen een echte grote zou ook een plaat als “Smoke & Mirrors” kunnen maken. Een dubbelaar, uiteenvallend in twee zich nadrukkelijk van elkaar onderscheidende helften. “Smoke” staat in dit geval voor een full band-benadering “with more of an electric, smokin’ feel to it”, terwijl op “Mirrors” juist alles akoestisch gebeurt en we op meer reflectieve teksten worden getrakteerd. De twee helften van een gespleten songsmid-persoonlijkheid, zou je kunnen zeggen. Of gewoon voor elk wat wils. Feit is, dat “Smoke & Mirrors” weer bulkt van de heerlijke liedjes. Liedjes, waarin Cheevers ons naar goede gewoonte al neuzelend confronteert met een veelheid aan evidente of juist minder voor de hand liggende personages. Van een man die Jezus heet tot zijn eigen zoon, van zeelui tot dronkaards, van de slachtoffers van een brand tot miljonairs, enz. Top-luistervoer, dat ook muzikaal gezien nogal wat Americana-terrein bestrijkt. Warm aanbevolen dan ook, deze 23 eenheden tellende collectie songschoonheden.

Bob Cheevers

 

MIKAEL PERSSON “Man With Hound EP” (Paraply Records)

(3,5****)

Interessante teaser voor de begin volgend jaar te verschijnen nieuwe van de Zweed Mikael “Micke” Persson, deze vier liedjes bevattende EP. “Man With Hound” blijkt op de keper beschouwd immers gewoon een voorbode voor dat “Marks & Bleeds”. Een belofte als het ware. En één die wat ons betreft nu al reikhalzend doet uitkijken naar meer ook. De vier liedjes hier zijn immers stuk voor stuk van prima makelij. Het opgewekte, aan het geheel zijn titel gevende “Man With Hound By His Cottage” opent de feestelijkheden. Persson doet daarin op unieke wijze iets moois met traditionele C&W en Ierse folk. En het resultaat, dat moet gezegd, werkt bepaald aanstekelijk. Vervolgens gaat het via de introverte rockballade “What A Wonderful World” en het wel wat van iets van de Crash Test Dummies hebbende rootspopdeuntje “Some 50 Roads” richting “Sweetest Smile”, het misschien wel allersterkste nummer van de vier hier. Hierbij niet spontaan aan Leonard Cohen gaan denken lijkt ons a priori bijna uitgesloten. Benieuwd, hoe vaak Persson dit geweldige niveau kan halen op die eraan komende tweede van ‘m…

Mikael Persson, Paraply Records

 

BUFORD POPE “Matching Numbers” (Unchained Records)

(3,5****)

Noem dit wat ons betreft gerust een hoogst aangename verrassing. Wij kenden Buford Pope immers nog niet. En dat ondanks het feit, dat de als Mikael Liljeborg geboren Zweed met “Matching Numbers” ondertussen al aan zijn vierde cd toe is. En die is dus goed tot zeer goed. Liljeborg blijkt over een fantastische, een beetje aan die van Rod Stewart verwante hese stem te beschikken, hij schreef alle dertien songs op “Matching Numbers” zelf en bespeelde tijdens de opnames ervan bovendien ook nog de akoestische, de banjo en de mondharmonica. En die twee laatste instrumenten blijken samen met het accordeon en de toetsen van Amir Aly en de elektrische, de dobro en de lap steel van Pelle Jernryd in grote mate bepalend voor het uitzonderlijk warme karakter van de nieuwe van de Zweed. Een verder pluspunt is bovendien zeker ook het uitzonderlijk gevarieerde aanbod erop. Van groovy (roots)rockend (openingsnummer “Brothers Of Mine”) tot eerder poppy (het eerder melancholische “Somebody Like You”, “Faces Don’t Smile” en het warmbloedige “Bad Enough”), van soulvol (het onder meer op fijn orgelwerk van Jernryd leunende “Yours And Mine” en de trage “Weary”) tot neigend naar authentieke Americana (“What She Wants”, “A Garden Rose”, “Another Man’s War”, “The Gambler” en andere), Liljeborg is duidelijk niet voor één enkel gat te vangen. En dat is maar goed zo ook! Het tilt zijn “Matching Numbers” naar onze bescheiden mening alvast tot ver boven de middelmaat uit.

Buford Pope

 

AJ DOWNING “Good Day” (AJ Downing)

(3,5****)

“Music isn’t something I chose, it chose me,” aldus singer-songwriter AJ Downing ooit over zijn roeping. En dat hoor je er verdomd aan ook. Geen prefab-country of Americana-toestanden hier, maar “the real thing”. Gebracht met zorgvuldig vergaard eelt op de stem. Gruizig, maar toegankelijk. Authentiek, maar tegelijk ook buitengewoon catchy. Ons herinnerde hij op zijn derde cd zowel aan Steve Earle, aan Ray Wylie Hubbard als aan James McMurtry. En dan bedoelen we zowel stemgewijs, als wat betreft zijn teksten en muzikale aanpak. Als klankbord voor ruraal Amerika scoort Downing hier voortdurend erg hoog. Zijn teksten spreken vrijwel zonder uitzondering tot de verbeelding, zijn muzikale benadering ook. En een vlugge blik op de gastenlijst leerde, dat wij lang niet de enigen zijn, die er zo over oordelen. Of wat te denken van de aanwezigheid hier van onder anderen Mark Jungers, Shelley King, Ian McLagan en Kim Deschamps? Zij en anderen hielpen Downing aan een geluid, waarin elementen uit country, Americana, bluegrass, folk en in iets mindere mate ook roots rock en cajun beurtelings om onze gunsten dingen. Onze “plat préféré”: het met een echt wel veelzeggende titel gezegende “Willie (Had We Never Been High)”, het op infectueuze wijze op het slappe koord tussen bluegrass en cajun balancerende “Aimless Sea”, het onder de vlag “old-time anno nu” te vangen “Valentine” en titelnummer “Good Day”. Très sympa!

AJ Downing, CD Baby

 

BLACK PRAIRIE “A Tear In The Eye Is A Wound In The Heart” (Sugar Hill Records)

(5*****)

Dit moet één van de allerbeste Americana-albums van het jaar so far zijn. Nog beter dan hun debuut “Feast Of The Hunter’s Moon” van nu goed twee jaar geleden! En ook dat was al zo’n geweldige schijf! Onwaarschijnlijk knap, hoe Jenny Conlee-Drizos, Chris Funk en Nate Query van The Decemberists, hun maatjes Jon Neufeld en Annalisa Tornfelt en wat muzikale gasten hier verleden en heden en muzikale tradities van behoorlijk uiteenlopende aard tot iets volstrekt unieks en tijdloos weten te versmelten. Regeerden op de eersteling van Black Prairie nog volop de instrumentaaltjes die op eclectische wijze bluegrass, country en folk verenigden met elementen ontleend aan onder meer jazz en traditioneel Oost-Europees songgoed, dan steelt op opvolger “A Tear In The Eye Is A Wound In The Heart” bij tijd en wijle vooral Annalisa Tornfeldt de show. Met haar wat ijl aandoende, heel erg genuanceerde gezongen bijdragen tilt ze Black Prairie zo ongeveer in haar eentje naar nog hogere hoogten. En daar is het al mijmerend bijzonder goed toeven! Maar we willen hier de overige leden van de groep vooral ook niet tekortdoen. Daarvoor is het op hun jongste gebodene veel te origineel en goed uitgevoerd. Van de rete-aanstekelijke, met wat ragtime besprenkelde instrumentale “Dirty River Stomp” tot de ook al volop op de benen mikkende hommage “For The Love Of John Hartford”, van het aan het gelijknamige Band-lid opgedragen “Richard Manuel” tot het nu al klassieke “Rock Of Ages”, van het op aantrekkelijke wijze ingehouden rockende “How Do You Ruin Me” tot de voorbeeldige Americana van de werkelijk overheerlijke afsluiter “Lay Me Down In Tennessee” en andere, hier wordt voortdurend zó avontuurlijk en met zoveel verbeelding gemusiceerd dat het vrijwel ogenblikkelijk hoogst verslavend gaat werken. Echt wel een formidabel goede plaat!

Black Prairie, Sugar Hill Records

 

LOWLANDS & FRIENDS “Better World Coming, Lowlands & Friends Play Woody” (Gypsy Child Records)

(3,5****)

Dat het dit jaar precies honderd jaar geleden is dat wijlen Woody Guthrie geboren werd, daar konden we met z’n allen de voorbije maanden amper naast kijken. En luisteren vooral ook. Het regende als het ware eerbetonen aan het adres van de legendarische songsmid uit Okemah, Oklahoma. En ook het hier besproken “Better World Coming” is er zo weer eentje. Ditmaal vanuit eerder onverwachte hoek. Het betreft immers een door het Italiaanse rockcollectiefje Lowlands met een handvol vrienden ingespeelde dwarsdoorsnede van het werk van Guthrie. De wel eens met acts als Wilco, Whiskeytown en Green On Red vergeleken groep rond Edward Abbiati waagt zich daarbij aan dingen als “This Land Is Your Land”, “This Train Is Bound For Glory”, “Heaven My Home”, “I Ain’t Got No Home”, “Better World Coming”, “Plane Wreck At Los Gatos (Deportee)” en andere. En men doet dat goed! Met ons doorgaans onbekende gasten als Alex Cambise, Fabri “Bologna” Cassani (Gamba De Legn), Nicola Crivelli (News For Lulu, Green Like July), Maurizio “Gnola” Glielmo (Gnola Blues Band, Davide Van de Sfroos), Ivano Grasselli (Macadam), Franco Limido, Lisa “Liz” Petty, Jimmy Ragazzon (Mandolin Brothers), Claudio Raschini, Marco Rovino (Folks Wagon, Mandolin Brothers), Furio Sollazzi (Lucio Dalla, Back to the Beatles), Sergio “Tamboo” Tamburelli, Paolo Terlingo (Rude Mood), Betti Verri (Macadam) en Daniele Zanenga (Z-Funk, Maxentia Big Band) eigent men zich Guthrie’s materiaal toe zonder het geweld aan te doen. An sich eigenlijk al een prestatie! De wat ons betreft mooiste momenten: het op z’n Tom Waits tegen een dronken piano en dito trombonegetoeter aan schurkende “More Pretty Girls”, het onder meer dankzij een leuke accordeonbijdrage van Francesco Bonfiglio ook al buitengewoon sfeervolle “Two Good Men” en een heel erg innemende groepsvertolking van “Plane Wreck At Los Gatos (Deportee)”. Tot slot nog even dit: wie een exemplaar van het op amper duizend exemplaren geperste “Better World Coming, Lowlands & Friends Play Woody” “scoren” wil, kan dat enkel via de webstek van de groep zelf of tijdens hun optredens.

Lowlands

 

ANTJE DUVEKOT “New Siberia” (Continental Song City)

(4,5*****)

Stemgewijs en in haar manier van zingen herinnert ze ons altijd weer een weinig aan Suzanne Vega, deze Antje Duvekot. En dat komt eigenlijk best wel goed uit, want wij zijn al sinds jaar en dag fan van die Vega. En als we “New Siberia”, Duvekots nieuwste, hier als beter dan alles wat die laatste de voorbije jaren aan echt nieuw werk afleverde durven te bestempelen, dan mag je dat dus echt wel als een serieus compliment zien. Dat “New Siberia” is hoe dan ook Duvekots sterkste plaat tot op heden. Ze klinkt hier alleszins een flink stuk rijper dan op de ook al heel erg knappe voorgangers ervan, “Big Dream Boulevard” uit 2006 en “The Near Demise Of The Highwire Dancer” van zo’n drie jaar geleden. Ze bezegelt er naar eigen zeggen haar reis “from a darker, younger self to a better, older place” mee. Beter met name in die zin, dat je met het verstrijken der jaren en gepokt en gemazeld door het leven zelve alles veel beter leert te plaatsen. En dus krijgen op “New Siberia” zowel het persoonlijke als de huidige “condition humaine” over het algemeen van Duvekot een alleraardigste beurt mee. Een heel mooi voorbeeld van het eerste is het tot haar eigen moeder gerichte “Phoenix”. Daarin stelt ze zich echt wel ontzettend kwetsbaar op. En dat met een werkelijk bloedmooi resultaat tot gevolg. Een veritabele beauty van een moderne folk(pop)deun! En daarmee blijkt “New Siberia” op de keper beschouwd echt tot de nok toe gevuld. We noemen bijvoorbeeld ook nog het breekbare titelnummer, “The Life Of A Princess”, “Noah’s Titanic”, “Sleepy Sea Of Indigo And Blue” en het wat speelser gebrachte en misschien wel net daardoor behoorlijk radiogenieke “The Perfect Date”. Deze deunen en andere hier profiteerden volop van vakbekwaam productiewerk van Richard Shindell.

Antje Duvekot, Continental Record Services

 

STAN MARTIN “Distilled Influences” (Twangtone Records)

(3,5****)

Bij Stan Martin staat hoegenaamd alles in het teken van twang. Als kind sleet al hij echt uren met het beluisteren van de platen uit de collectie van zijn moeder. En dat betekende onder meer een blootstelling aan een overdosis Haggard en Cash. Iets wat uiteraard ook in zijn eigen werk tot op heden al zo zijn sporen heeft nagelaten. En misschien maar goed ook! Martin is immers een goeie! Een hele goeie zelfs! Hij zal met name in kringen van liefhebbers van het werk van knapen als Dwight Yoakam, Grant Langston en de al genoemde “Hag” op termijn ongetwijfeld met bosjes tegelijk fans gaan maken. Heerlijke countryrockers als “Should Have Been Gone”, het op rinkelende gitaarklanken geënte “Right Now”, het buitengewoon catchy, ergens tussen Buck Owens en de Mavericks strandende “You Let Me Down” en het door de eigen Telecaster aangejaagde “He’s Not There With You” worden op “Distilled Influences” ondermeer afgewisseld met sixties-georiënteerd hardcore countryspul met een hoog Johnny Paycheck-gehalte (de sleper “Mr. Lonely Me”), Texas swing (“Goodbye Houston”), veredelde country blues (“You Got Me Singing The Blues”) en Texas style singer-songwritermateriaal (“I Do”). En daar lusten wij hier wel pap van!

Stan Martin, CD Baby

 

BEX MARSHALL “The House Of Mercy” (House Of Mercy / Continental Record Services)

(3,5****)

De Britse Bex Marshall wordt over het Kanaal al een poosje met veel poeha aangekondigd als “the next big thing” in zaken blues en roots. Vergelijkingen met ondermeer Bonnie Raitt, Joan Armatrading, Memphis Minnie en Janis Joplin waren de voorbije maanden niet van de lucht. Iets wat hier alvast leidde tot enerzijds heel erg hooggespannen verwachtingen met betrekking tot “The House Of Mercy” en anderzijds toch ook wel wat scepticisme vooraf. Maar dat laatste bleek bij nader inzicht compleet overbodig. Marshall is immers daadwerkelijk héél erg goed. Ze heeft een geweldig stel “pipes”, schrijft dito liedjes en blijkt ook nog eens een kei op tal van snaarinstrumenten. De blues vormt in haar songs vrijwel voortdurend het uitgangspunt, maar Marshall deinst hier ook hoegenaamd niet terug voor een verregaande kruisbestuiving met andere genres. Zo zal je onderweg als aandachtige luisteraar onder meer geconfronteerd worden met (elementen uit) roots rock, Americana, bluegrass en gospel. En met name de vergelijking met Joplin zal je ook steeds logischer gaan lijken. Dat deed ze hier althans toch. Hulp kreeg “powerhouse” Marshall voor “The House Of Mercy” ondermeer van dobromaestro BJ Cole, Hayseed Dixie-leden Don Wayne Reno (banjo, akoestische gitaar), Dale Reno (mandoline) en Jake Byers (akoestische Bas), harmonicafenomeen Steve Lockwood, violiste Eileen Healy en haar Amerikaanse collega Brigitte DeMeyer (harmony vocals). Voor de productie ervan tekende ze – Net als voor alle liedjes! – zelf.

Bex Marshall, Continental Record Services

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home