CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES OKTOBER 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

BOB BRADSHAW “Whatever You Wanted” - HT ROBERTS “Old Light” - DANA IMMANUEL “Dotted Lines” - LUCIE THORNE “Everything Sings Tonight” - THE MULLIGAN BROTHERS “Via Portland” - JEB BARRY “Milltown” - OP ZOEK NAAR JOHAN “Weg Uit De Stad” - MARTHA BEAN “When Shadows Return To The Sea” - THE PSYCHO SISTERS “Up On The Chair, Beatrice” - AMANDA PEARCY “An Offering” - DONNA ULISSE “Hard Cry Moon” - RITA HOSKING “Frankie And The No-Go Road” - ERIC BIBB & JJ MILTEAU “Lead Belly’s Gold” - JEROEN KANT “Nooit Genoeg” - TITUS WOLFE “Ho-Ho-Kus N.J.” - HANK SHIZZOE “This Place Belongs To The Birds” - LEEROY STAGGER “Dream It All Away” - WEBB WILDER “Mississippi Moderne” - PATRICK SWEANY “Daytime Turned To Nighttime” - ALISON BROWN “The Song Of The Banjo”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

BOB BRADSHAW “Whatever You Wanted” (Fluke Records)

(3,5****)

Hier is hij nog niet echt wat je noemt a household name, al zou dat eigenlijk best al wél zo mogen zijn. De in Ierland geboren en getogen maar pas later in de States tot volle artistieke wasdom gekomen Bob Bradshaw is immers een songsmid van het betere soort. Americana, folk & roots rock in de trant van eigen idolen als een John Hiatt, een Guy Clark en een Townes Van Zandt zijn z’n idioom. Nu al zes albums lang.

En “Whatever You Wanted”, zijn nieuwe worp, is naar onze bescheiden mening z’n beste tot op heden. Fijne luister-Americana à la de ballads “The Start Of Nothin’”, “The Long Ride Home” en “Dream” of het hypnotische “Crazy Heart” wordt erop afgewisseld met wat ritmischer spul genre de nerveuze folkrocker “Whatever You Wanted” of het op doortastende wijze eenzelfde kant van het countryspectrum verkennende “Losing You”. En met het met Annalise Emmerick gedeelde duetje “Go Get Along” en het zomers lome “Before” is er terloops zelfs wat plaats voor respectievelijk country van het wat traditionelere soort en country soul ook.

Liefhebbers van het materiaal van elk van de hoger genoemde songwriters maar bijvoorbeeld ook van dat van een Ryan Adams in z’n beste dagen, een JW Roy of een Darden Smith moeten dit beslist eens een kansje gunnen. De kans is vrij groot, dat uit zo’n eenmalige ontmoeting op termijn wel eens iets heel moois zou kunnen gaan groeien.

Bob Bradshaw

 

HT ROBERTS “Old Light” (Deep Blue Something / Donor Productions / Bertus)

(5*****)

Less is more. Minder is meer. Ik heb het eigenlijk altijd al geweten, maar nu ben ik er nog wat zekerder van dan ooit. En dat met de nodige dank aan HT Roberts. ’s Lands beste Americana-songsmid doet het op z’n nieuwe worp immers met minimale middelen. Uit noodzaak, vroeg u? Allicht wel. In zijn hang naar de essentie van het liedje is Herman “HT” Temmerman door de jaren heen immers steeds vaker soberheid beginnen koesteren. En dat dus nu met als voorlopige climax “Old Light”. Het al even voorlopige chef-d’oeuvre van een artiest wiens materiaal eigenlijk al jarenlang schreeuwt om veel ruimere erkenning. Het heeft allemaal best wel iets van een nu-of-nooit-moment. Nóg mooier dan dit mag je ze naar onze bescheiden mening van Roberts überhaupt niet meer verwachten. Hiermee zet hij immers definitief z’n voet naast die van groten der aarde als een Townes Van Zandt en een Guy Clark. That good? That good indeed!

Elf nummers staan er in totaal op “Old Light”, het ene al mooier dan het andere. Gehuld in een soort van herfstige tijdloosheid. Met Temmerman voornamelijk op de akoestische en de banjo. En met ouwe makker Bruno Deneckere als secondant op een tweede gitaar en als tweede stem. Verder occasioneel enkel nog een bescheiden prise viool (Nils De Caster), mandoline, Weissenborn en harmonica. “Meer vroeg het niet en dus meer werd het niet,” aldus het begeleidende schrijven. En gelukkig maar ook! Want, zoals al gesteld, mooier kan je ze amper maken!

Als Temmerman hier meer fluisterend dan zingend nummers als “Coffee”, “Emma’s Land”, “Cloudwatching”, “The Indifference Of Saints” en andere ten beste geeft, dan lijkt het wel, of hij gewoon naast je op een stoel zit. En dat intimistische zit de beste man echt wel als gegoten. Iets wat hij ook zelf lijkt aan te voelen overigens, want echt vaak gaat het tempo op “Old Light” niet omhoog. Enkel het banjogestuurde, eerder old-timey uitgevallen tweetal “She Is No Stranger To Beauty” en “This Side Of The River” vormt wat dat betreft eigenlijk de spreekwoordelijke uitzondering op de regel.

Onze, zoals steeds ook nu weer onverbintelijke luistertips: de werkelijk wonderschone ballade “I Dreamed Of A Highway Last Night”, het daar nauwelijks voor onderdoende luisterliedje “The Indifference Of Saints” en het bij wijze van eerbetoon aan het adres van folklegende Derroll Adams diens instrument al dromend aan het woord latende “The Dreams Of Derroll’s Banjo”.

HT Roberts

 

DANA IMMANUEL “Dotted Lines” (Dana Immanuel)

(3,5****)

Als “a banjo-toting, whiskey drinking, poker-playing singer-songwriter” actief vanuit het Noorden van Londen werd ze ons aangereikt, deze Dana Immanuel, en dat vuurde op z’n minst al onze nieuwsgierigheid aan. Om het nog niet te hebben over zekere verwachtingen hier. Op het eerste gezicht vreemde dingen trekken nu eenmaal aan…

En zeker wat dat laatste betreft scoort “Dotted Lines” van Dana Immanuel hoog. Gelijk van bij het op hoogst eigenzinnige wijze zowat elk obstakel tussen alternatieve country en pop opblazende titelnummer weet je als luisteraar al, dat je van iets speciaals getuige zal gaan zijn. Dat wat ons betreft zelfs heuse hitkwaliteiten vertonende openingsnummer blijkt de eerste van in totaal acht voltreffers.

Het catchy “Mile High” is meteen in het kielzog daarvan een tweede. Opnieuw hebben we daarin vandoen met Americana met een zekere Europese twist. En vervolgens zijn er, in die volgorde, ook nog het banjogestuurde popdondertje “Rock Bottom”, de wat meer bluesy ingekleurde country van “Devil’s Money”, het aanstekelijke stampertje “Wild Things”, de mooie ballad “Life In Colour”, het überhaupt nogal old-timey aandoende “Going To The Bottle” en gezapige afsluiter “Be Like Arnie”.

Als u het ons vraagt dan ook verre van kwaad, deze tweede van Immanuel.

Dana Immanuel

 

LUCIE THORNE “Everything Sings Tonight” (Little Secret Records / CRS)

(5*****)

“Everything Sings Tonight” is het nieuwe album van de ons sinds haar een jaar of twee geleden samen met Pieta Brown onder de vlag Love Over Gold uitgebrachte “Fall To Rise” bekende Australische zingende liedjesschrijfster Lucienne “Lucie” Thorne. Het betreft daarbij een samen met haar maatje, drummer Hamish Stuart, vorig jaar in de loop van een Europese tournee verspreid over nauwelijks twee dagen in Berlijn ingeblikt geheel. Tien songs werkelijk bulkend van de sfeer, ons gevoelsmatig bij momenten een beetje herinnerend aan het werk van Robbie Robertson solo, Daniel Lanois, Joni Mitchell op latere leeftijd en Bo Ramsey.

En die laatste, dat blijkt zelfs geen toeval. In het breekbare “The Rushing Dark”, het ongemeen broeierige “Room To Burn” en afsluiter “Green & Blue” is het immers grotendeels zijn werkelijk magistrale gitaarspel, dat de klankkleur bepaalt. En Ramsey blijkt lang niet de enige bekende gast. Dat ook Pieta Brown weer van de partij is, zal je allicht niet verbazen. En ook haar vader, de Amerikaanse folklegende Greg Brown, en die van Thorne zelf, de Tasmaanse dichter Tim Thorne, geven acte de présence. Met gesmaakte spoken word-bijdragen in pièce de résistance “Everything Sings” meer bepaald.

Verder ook nog medeverantwoordelijk voor het op “Everything Sings Tonight” gebrachte: de al genoemde Hamish Stuart (drums en percussie), Chris Abrahams (orgel, autoharp en synthesizer), Dave Symes (bas) en Chris Parkinson (gitaar). Voor de productie tekenden Thorne zelf en Hamish Stuart.

Het resultaat van die achtenveertig schijnbaar heel erg intense uren daar in het hartje van Duitsland is een atmosferische beauty van een rootsplaat, die zondermeer tot de allermooiste van het jaar dient te worden gerekend. Een gracieus aan je voorbij glijdend songtiental, dat je als luisteraar tot diep in je wezen weet te raken. Tekstueel sterk, maar vooral muzikaal beklijvend.

Lucie Thorne, Continental Record Services

 

THE MULLIGAN BROTHERS “Via Portland” (The Mulligan Brothers)

(4,5*****)

Wat een kleine geniepigaard, deze tweede van het vanuit Mobile, Alabama actieve viermanschap The Mulligan Brothers! Lijkt het er aanvankelijk nog sterk op, dat je met deze oneigenlijke broers ergens in de zachtere rootsy pop- of rockhoek terecht zal gaan komen, dan blijkt al vlug dat die eerste indruk helemaal niet juist is. “Via Portland” is immers gewoon een dijk van een Americana-plaat tout court. Een album, dat je met elke nieuwe beluistering ervan nog wat meer om z’n vinger weet te winden. Een echt groeiertje!

Het door Steve Berlin van Los Lobos geproduceerde geheel valt in eerste instantie op door z’n vrijwel ogenblikkelijk comfortabel aandoende geluid. Met glansrollen vooral voor de onwaarschijnlijk warme stem van frontman Ben Newell en de al even warmbloedig uit de hoek komende viool van Gram Rea. Vooral die twee elementen zijn het die wat ons betreft aan de elf songs op “Via Portland” dat zekere je ne sais quoi verlenen, dat er zo’n toppertje van maakt. Zonder daarmee overigens afbreuk te willen doen aan de voornamelijk door Newell zelf gepende liedjes! Zowel op tekstueel vlak als wat betreft de melodieën laten die immers amper wat te wensen over.

Dingen als het a capella ingeleide en een weinig richting roots pop overhellende “Wait For Me”, de zwierige, al snel tot een potje toe-tapping uitnodigende countryrocker “I Don’t Want To Know”, de echt wel onwaarschijnlijk sfeervolle folky story song “Calamine” of de her en der met wat mandolineklanken besprenkelde Americana-oorwurm “So Are You” en andere laten je als luisteraar keer op keer opnieuw met een voldaan gevoel achter.

The Mulligan Brothers

 

JEB BARRY “Milltown” (DollyRocker Recordings)

(4****)

Eén van de aangenamere muzikale verrassingen van de voorbije weken was wat mij betreft “Milltown”, na enkele EP’s eerder het solodebuut van de Amerikaan Jeb Barry. Hard-dirt Americana voor liefhebbers van het materiaal van knapen als een Jason Isbell, een Steve Earle en een John Moreland, aldus de vanuit Berkshire Hills, Nashville al zo’n jaar of vijf aan de weg timmerende kleinstadstroubadour zelve. Liedjes met andere woorden, die ook de schaduwzijde van het leven bepaald niet schuwen. Liedjes, opgehangen aan de beklijvende verhalen van een begenadigd observator.

Luister bij gelegenheid bij wijze van voorsmaakje maar eens naar spiernaakte schoonheden van songs als “If You Where Whiskey” of “Drag The River” en je zal meteen begrijpen, waarom we hier als een blok vielen voor Barry’s materiaal. Hoe hij daarin op hoogst originele wijze heikele thema’s als een relatiegebonden drankprobleem en zelfmoord aansnijdt, spreekt hoegenaamd tot de verbeelding. En als je daar dan ook nog ‘s mans ons best wel wat aan die van Stephen Simmons herinnerende gruizige voordracht aan toevoegt, dan krijg je al helemaal een winnaar. Eentje die je met sprekend gemak vijftien songs lang bij de les weet te houden.

Barry (zang, gitaar, mandoline en resonator) nam “Milltown” op in het gezelschap van The Pawn Shop Saints, z’n begeleidingsgroep bestaande uit Mike O’Neill (zang, gitaar en dobro), Heather Austin (zang), Ernie Baruf (ukebas en percussie) en Pat Powers (banjo en harmonica).

Jeb Barry

 

OP ZOEK NAAR JOHAN “Weg Uit De Stad” (Op Zoek Naar Johan)

(4****)

Toen ik enkele dagen geleden bij het rondstruinen op de webstek van online shop CD Baby bij wijze van groot toeval op “Weg Uit De Stad” van de Nederlandse groep Op Zoek Naar Johan stootte, werd ik daardoor vrijwel onmiddellijk zwaar gecharmeerd. De twaalf liedjes op dat debuut van de band rond de Gemertse singer-songwriter Martin Kuijten kunnen zich wat mij betreft echt wel moeiteloos meten met het materiaal van zo menig een gerenommeerde Amerikaanse vakbroeder.

Kuijten, in het verleden nog actief in het Engels met Autumnsun, kiest op het met Mark de Groot (mandoline, akoestische en elektrische gitaren, backing vocals), Ad van Overdijk (drums, backing vocals) en Marc Lemmens (bas) ingeblikte “Weg Uit De Stad” resoluut voor een andere aanpak. Het verwoorden van je gevoelens lukt nu eenmaal gewoon beter in je eigen moerstaal, aldus de zanger zelf met betrekking tot z’n keuze. Een vaststelling, die je na het beluisteren van het materiaal op “Weg Uit De Stad” eigenlijk alleen maar volmondig kan beamen. Het “Algemeen Beschaafd Brabants” zit Kuijten echt wel als gegoten.

Eerste single “Als De Muziek Begint”, opgehangen aan het herkenbare verhaal van een aan de ziekte van Alzheimer lijdende vrouw, wurmt zich middels een catchy folkriedeltje in no time richting een blijvende stek in je onderbewustzijn. Echt wel een prachtdeuntje! En dat geldt al evenzeer voor de opvolger daarvan, het in een eigenzinnig alternatief countrykeurslijf gewrongen “Eenzaam & Alleen”, waarin relatiegerelateerde pijn, twijfel en verlangen door Kuijten en co haast tastbaar worden verklankt.

En weet u wat het goede nieuws is? Wel, dat we met die twee singles niet eens de beste nummers hebben gehad. Daarvoor moet u wat mij betreft bij het als een hoogst aanstekelijk countrybluesje verpakte titelnummer zijn. Of bij het onder meer door een fijne accordeonbijdrage van producer Gabriël Peeters tot een waar feest uitgroeiende toostlied “Laten We Drinken”. Of bij de werkelijk fenomenaal mooie liefdesverklaring “Bij Jou Kom Ik Thuis”. En dan vergat ik nog bijna het al even magistrale “De Schaduw Van De Kerk”. Een nummer dat als geen ander de rode draad doorheen “Weg Uit De Stad”, “afscheid nemen van mensen, plekken en ervaringen, om zo terug te komen bij jezelf”, weet te vereeuwigen. Zowel inhoudelijk als qua structuur vind ik het een waar hoogstandje. Een wat bevreemdende muzikale mood swing ergens halverwege doet het hem voor mij helemaal.

Mogen wat mij betreft dan ook zó in het rijtje met onder meer ook al JW Roy, BJ Baartmans, Björn van der Doelen, Mathijs Leeuwis en Jeroen Kant, deze Kuijten en z’n kompanen! Hun debuut is alvast een waar genot voor het oor.

Op Zoek Naar Johan, CD Baby

 

MARTHA BEAN “When Shadows Return To The Sea” (Yellow Bean Records / CRS)

(4****)

“When Shadows Return To The Sea”, het debuutalbum van de jonge Engelse Martha Bean, is het soort van langspeler dat het absoluut verdient om een heel breed publiek te bereiken. En dat zal allicht ook wel gaan gebeuren ook. Kan haast niet anders! De vanuit het hartje van Groot-Brittannië, uit Leicester meer bepaald, opererende Bean heeft immers echt alles in huis om het op termijn ver te gaan schoppen.

Er zijn haar sublieme, werkelijk tot in de puntjes toe uitgewerkte liedjes, er zijn haar oorstrelend mooie piano- en gitaarspel, er zijn haar looks, maar bovenal is er toch die stem. Wow! Wat een stel pipes, zeg! Het ene moment van een ontwapenende freelheid, het andere juist ongemeen krachtig. Nu eens vertederend, dan weer verpletterend. En als dusdanig beurtelings een weinig herinnerend aan dames als een Mindy Smith, een Norah Jones en een Kate Bush. Andere fabelachtig mooie stemmen kortom.

En ook wat betreft het op “When Shadows Return To The Sea” gebodene kom je met die vergelijkingen wel ergens. Bean verkent op haar eerste volwaardige langspeler immers nadrukkelijk de schemerzone tussen pop, folk en roots. Tussen niet onder stoelen of banken gestoken inspiratiebronnen als Radiohead, Sufjan Stevens, Nick Drake en Fionn Regan, zeg maar. Al zal ze zelf aan dat rijtje zeker ook nog Debussy willen toevoegen. Al was het alleen al maar om ook haar klassieke achtergrond aan ons te openbaren.

Tien liedjes staan er op “When Shadows Return To The Sea” en die laten wat ons betreft allerminst ruimte voor twijfel. Vooral ingetogen beauties als “Song Of The Sea”, “To Make The World Happy”, “The Conversation” en “I Still Remember” zijn van een dergelijke geraffineerdheid, dat ze je als luisteraar al vanaf hun eerste passage compleet sprakeloos achterlaten. En met dingen als openingsnummer “When The Fear Comes” en “Who Changed The Clocks?” staan er naar ons gevoel zelfs enkele deuntjes op de plaat, die je in een rechtvaardige wereld zomaar enige hitpotentie zou durven toe te dichten.

Echt waar dé ideale soundtrack voor onder die eerste vallende blaadjes! Probeer het maar eens uit, je zal wel zien…

Martha Bean, Continental Record Services

 

THE PSYCHO SISTERS “Up On The Chair, Beatrice” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hoe lang zat dit album er al aan te komen! Een kleine eeuwigheid, toch? Lang voor hun gemeenschappelijke dagen binnen de Continental Drifters al trokken Susan Cowsill en ex-Bangle Vicki Peterson als de Psycho Sisters samen de hort op. Onder meer in het voorprogramma van acts als Giant Sand en Steve Wynn deden ze toen al uitgebreid van zich spreken. En met name door hun hemelse samenzang dan. Want als Cowsill en Peterson samen achter een microfoon plaatsnemen, dan gebeurt er iets speciaals. Dan hangt er echt wel een beetje magie in de lucht. Dan word je bijna onopvallend meegetroond naar lang vervlogen tijden. Naar tijden, toen een liedje nog gewoon een liedje mocht zijn. En precies die tijden herleven dan ook op “Up On The Chair, Beatrice”, het debuut van de gestoorde oneigenlijke zussen.

Van het bij Judi Pulver en Waddy Wachtel geleende en wel erg nadrukkelijk naar de late sixties lonkende streepje Beatle-eske pop “Heather Says” tot het ingehouden nerveuze “Timberline”, van de fraaie harmonieuze jengelpop van “Never Never Boys” tot het wat rockender uitgevallen “Numb”, van de catchy Americana van het door de twee dames zelf gepende “Gone Fishin’” tot de stuiterende roots pop van “This Painting”, van het mede door de gitaren erin wat aan de Byrds herinnerende “Fun To Lie” tot het nooit eerder op plaat verschenen Peter Holsapple-kleinood “What Do You Want From Me”, van het aardig onder stoom gebrachte “Wish You” tot de afsluitende Nilsson-cover “Cuddly Toy”, een slecht woord verdienen ze op de keper beschouwd geen van alle, de liedjes op “Up On The Chair, Beatrice”. Wel integendeel!

En met een volgende hoeven de dames Cowsill en Peterson wat ons betreft dan ook zeker niet opnieuw vijfentwintig jaar te wachten. Dat zou alleen maar zonde zijn van de tijd…

Blue Rose Records

 

AMANDA PEARCY “An Offering” (Continental Song City / CRS)

(5*****)

“An Offering” is na haar debuutplaat “Waitin’ On Sunday” uit 2009 en het grandioze “Royal Street” van goed en wel twee jaar geleden al de derde langspeler van de vanuit muziekstad par excellence Austin actieve zingende liedjesschrijfster Amanda Pearcy. En ze maakt daarmee wat ons betreft op behoorlijk spectaculaire wijze een loepzuivere muzikale hattrick vol. “An Offering” is immers ontegensprekelijk één van dé allermooiste albums van het gestaag richting z’n einde evoluerende muziekjaar 2015. En al zeker in de categorie Americana.

Gelijk van bij het je in al z’n broeierigheid in geen tijd naar het diepe Zuiden van de States transponerende openingsnummer “Ribbons and Bows” heeft Pearcy je als luisteraar weer stevig bij je nekvel. De namen van Tony Joe White en Bobbie Gentry kwamen ons bij een eerste beluistering daarvan spontaan voor de geest. En met name die tweede blijkt even later geen toeval. De enige cover op “An Offering” is er immers één van het door Gentry gepende en in 1967 de eeuwigheid ingezongen “Ode to Billie Joe”. Pearcy trekt dat nummer hier geassisteerd door onder anderen Ray Bonneville op mondharmonica zo goed als volledig naar zich toe.

Twee hoogtepunten ver zijn we daarmee op een plaat tot de nok toe gevuld daarmee. Ook de soulvolle bluestrage “Every Now and Then”, de aangrijpende country story song “Pawn Shop Gun”, het iets moois met een aanstekelijk rootsy R&B-motiefje hebbende “Pallet on the Floor”, het als werkelijk bloedmooie Americana ballad aangereikte titelnummer, het zich door zoveel meer dan alleen maar een meervouds-s van het bekende Leonard Cohen-liedje onderscheidende “Birds on a Wire”, de stuiterende twang pop van “Comfort for the Soul of a Man” en bij nader inzicht eigenlijk zelfs gewoon alles wat daarna nog volgen moet, het mag wat ons betreft allemaal zó onder de noemer groots.

Met dank onder meer ook aan producer Tim Lorsch en aan gastmuzikanten als de al genoemde Ray Bonneville en collega Jimmy LaFave, die een mondje mee kwam zingen in “Pawn Shop Gun” en “A Little Bit More”. En met vooral ook een speciale vermelding voor gitaristen George Bradfute, Mike Daly en Matt Giles, die met hun snarenkunstjes zo menig een nummer naar een nog beduidend hoger niveau weten te tillen.

Kortom: in het stukje door vrouwelijke singer-songwriters bezette grensgebied tussen Americana, folk en blues regeert na dit fabuleuze “An Offering” tot nader order een nieuwe queen. Amanda Pearcy is haar naam en ze lijkt zo op het eerste gezicht niet van plan om dat postje snel weer af te staan…

Amanda Pearcy, Continental Record Services

 

DONNA ULISSE “Hard Cry Moon” (Hadley Music Group)

(4****)

Donna Ulisse heeft zich de voorbije jaren ontegensprekelijk een eigen stekje tussen alom gewaardeerde bluegrassnachtegaaltjes als een Alison Krauss, een Rhonda Vincent, een Claire Lynch en aanverwanten weten te verdienen. Kwaliteit was daarbij steeds haar voornaamste troef. De kwaliteit van haar gezongen prestaties, maar vooral ook die van haar zelfgepende liedjes. Liedjes, waarvan er een aantal onder meer ook reeds door genregrootheden als een Del McCoury, een Doyle Lawson, de al genoemde Vincent en anderen werden ingeblikt. Geen wonder dan ook, dat Ulisse er, na het met covers gevulde tussendoortje “Showin’ My Roots” van een jaar of twee geleden, op haar nieuwe worp graag weer op terugvalt.

Op het door gitaarvirtuoos Bryan Sutton geproduceerde “Hard Cry Moon” prijken in totaal twaalf nieuwe nummers. Slechts eentje daarvan, met name het ooit nog door Johnny Horton de eeuwigheid ingezongen “Whispering Pines”, blijkt ook een cover. De overige elf droeg Ulisse zelf aan. In haar eentje, dan wel vergezeld door co-writers als haar echtgenoot Rick Stanley, Marc Rossi en Jerry Salley.

En ook bij het opnemen van die nieuwe songoogst van haar kon Ulisse op nogal wat bijstand rekenen. Naast producer Sutton (akoestische gitaar) tekenden verder onder meer ook nog Casey Campbell uit diens begeleidingsgroep (mandoline), bassist Dennis Crouch, fiddler Stuart Duncan, banjovirtuoos Scott Vestal, Fayssoux McLean (harmony vocals) en Brent Truitt van de Steeldrivers present.

Zowel wat vlotter materiaal als eerder ingetogen spul komen op “Hard Cry Moon” uitgebreid aan bod. Het resultaat is een lekker gevarieerd bluegrassgeheel, waarop de hoogtepunten elkaar aan een flink tempo opvolgen. We noemen in dat verband onder meer graag het je ogenblikkelijk tot het met de voet z’n ritme meestampen uitnodigende “Ain’t That A Pity”, het aan haar grootvader aan vaderskant, een op tuinieren verzot zijnde, Italiaanse inwijkeling opgedragen “Papa’s Garden”, het ronduit prachtige liefdesliedje “As Long As We’re Together” en de samen met Fayssoux gebrachte afsluiter “I’ll Sleep In Peace At Night”. Vooral dat laatste, een werkelijk bloedmooie ballad, is een echt moordliedje.

Zoals zo ongeveer alles van Ulisse tot op heden van hieruit dan ook bijzonder warm aanbevolen, dit geheel!

Donna Ulisse

 

RITA HOSKING “Frankie And The No-Go Road” (Rita Hosking / Lucky Dice Music)

(4****)

Dat we hier een serieuze boon hebben voor Rita Hosking, zal de aandachtigere lezers van deze pagina’s de voorbije jaren wellicht niet ontgaan zijn. Met platen als “Silver Stream”, “Come Sunrise”, “Burn”, “Little Boat” en andere baande de Amerikaanse zich zonder omwegen een weg richting ons hart. En daar mag ze wat ons betreft ook na haar recent verschenen zesde worp “Frankie And The No-Go Road” best nog wel wat blijven rondhangen. Ook dat is immers weer een echt plaatje van een plaat geworden.

Een soort van conceptalbum is het, geënt op een reeks, de reis van een held illustrerende eigen tekeningen, waarvoor ze inspiratie vond in de lessen van een professor Oosterse religie. Die maakte haar tijdens één van z’n colleges aan de hand van een tekening van één van haar eigen dromen duidelijk, dat we eigenlijk gewoon allemaal onze eigen heldenreis leven. En dat zorgde bij Hosking dus niet enkel voor flink wat stof tot nadenken, maar ook voor een heuse creatieve boost met als uiteindelijke resultaat “Frankie And The No-Go Road”.

De twaalf songs daarop staan eigenlijk gewoon voor vintage Hosking. Voor een setje doorleefde West Coast Americana en mountain soul met andere woorden, gedragen weer door die als vanouds heerlijk klaaglijke stem en onderbouwd in eerste instantie op enkele akoestische gitaren en vooral ook de banjo (clawhammer). Voor de productie tekende zoals in het verleden al wel eens vaker ook nu weer multi-instrumentalist Rich Brotherton (ook aanwezig op gitaar, banjo, mandoline, citer, National-gitaar, keyboards en harmony vocals). Verder ook nog van de partij hier: Glenn Fukunaga (staande bas), Dony Wynn (drums en percussie), Sean Feder (dobro en djembe), Kora Feder (harmony vocals) en Andy Lentz (viool). Zelf leverde Hosking bijdragen op onder meer gitaren, banjo en harmonica.

Het resultaat van hun noeste studioarbeid samen is een fraaie nieuwe Americana-plaat met een al bij al behoorlijk oud aandoend hart. Een knappe set verhalen, waarmee met name in kringen van liefhebbers van dames als een Gillian Welch, een Iris DeMent, een Diana Jones en aanverwanten hoge ogen zouden moeten kunnen worden gegooid. Hier is dat alleszins al het geval!

Rita Hosking, Lucky Dice Music

 

ERIC BIBB & JJ MILTEAU “Lead Belly’s Gold” (DixieFrog / Bertus)

(4****)

Voor z’n nieuwe cd “Lead Belly’s Gold” ging bluesmaestro Eric Bibb een eenmalig samenwerkingsverband aan met de Franse mondharmonicavirtuoos JJ Milteau. Op die gemeenschappelijke worp brengen de heren op gepaste wijze hulde aan de wellicht grootste zwarte folkartiest ooit. In totaal zestien liedjes worden er ons op voorgeschoteld. Elf daarvan live ingespeeld in The Sunset, een gerenommeerde jazzclub in Parijs, de overige vijf nieuw opgenomen in Studio de la Seine, eveneens in de lichtstad. Dertien songs van het repertoire van de oude grootmeester zelve, een drietal van de hand van Bibb, al dan niet met inbreng van Milteau. Goed voor in totaal net geen vijfenvijftig minuten subliem rootsmuziekvermaak.

Respectievelijk “Grey Goose”, de medley “When That Train Comes Along/Swing Low, Sweet Chariot”, “On A Monday”, “The House Of The Rising Sun”, “Midnight Special”, “Bring A Little Water, Sylvie”, “Where Did You Sleep Last Night”, “Pick A Bale Of Cotton”, “Good Night, Irene”, “Rock Island Line”, “Bourgeois Blues”, “Stewball” en “Titanic” passeren en passant de revue. Met opgemerkte gastrollen voor onder anderen Big Daddy Wilson en Michael Robinson.

Het eerste van de eigen liedjes op “Lead Belly’s Gold” is de ingehouden stomper “When I Get To Dallas”. Daarvoor lieten de twee zich naar eigen zeggen inspireren door Lead Belly’s beginjaren als busker in de straten van Dallas. In het tweede, een überhaupt eerder moody aandoende aangelegenheid, laat Bibb Ledbetter vanuit het hiernamaals z’n voormalige patron John Lomax ongezouten z’n mening zeggen. En in het de feestelijkheden op werkelijk geweldige wijze afsluitende “Swimmin’ In A River Of Songs” tenslotte laat hij z’n held zelf z’n eigen levensverhaal vertellen.

Samengevat: een dijk van een eerbetoon, tot de nok toe gevuld met briljante liedjes, uitermate soulvol gebracht en door de twee al even bezield onderbouwd op diverse gitaren en harmonica’s. Zo doe je dat dus, je helden eren!

Eric Bibb, JJ Milteau, DixieFrog

 

JEROEN KANT “Nooit Genoeg” (Bastaard Platen / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Wie nog altijd denkt dat Americana en Nederlands niet op geslaagde wijze door één deur zouden kunnen, kan na het nieuwe album van Jeroen Kant z’n mening maar best heel snel herzien. In ruim meer dan tien jaar Ctrl. Alt. Country heb ik nog maar zelden mijn licht mogen laten schijnen op een plaat die me meer aansprak dan dit geheel. Wat de eigenzinnige liedjesschrijver uit Nederlands Brabant hier elf nummers lang aflevert is niets minder dan voortdurend de perfectie benaderende songgeworden literatuur.

In het gezelschap van Gabriël Peeters (drums, percussie, piano, orgel, koortjes), Mathijs Leeuwis (pedal steel, bariton- en elektrische gitaren, koortjes) en Judith Renkema (contrabas, basgitaar, koortjes) tackelt Kant (zang, akoestische en elektrische gitaren) in z’n liedjes op door en door Amerikaanse wijze het leven om hem heen. Geen hoekje eraf of hij heeft het gezien. Het verleidt hem tot een behoorlijk cynische kijk op nogal wat dingen. En dat schept – Omwille van absoluut gerechtvaardigd! – al snel een zekere band.

Van het op hypnotische wijze de almaar dwingendere hang naar meer van de mens anno nu hekelende “Nooit Genoeg” tot het melancholisch over de zwaarwegende gevolgen van één enkele beslissing mijmerende “Oude Kronkelpad”, van het in een aansprekende desert country-verpakking de sleur van heus wel meer dan één leven vattende “Een Zucht” tot de werkelijk bloedstollend mooie Americana van het kleingeldgewijs de losse eindjes van zo menig “een godverdomse dag op deze godverdomse bol” aan elkaar kopende “Halve Cent”, van het in deze tijden getekend door een almaar aanzwellende instroom van vluchtelingen meer dan ooit actuele “Wat De Boer Niet kent” tot het op metaforische wijze de toenemende oppervlakkigheid van de wereld blootleggende “Huis Voor Mijn Helden”, van het bijzonder innemend op de bepaald niet te onderschatten rol van het gegeven perceptie ingaande “Bedot & Voorgelogen” tot de bijna-traditionele country van het tot minder routineus leven oproepende “Vast Vast Vast” of “De Hemel Huilt”, een absoluut niet mis te verstaan coda voor “onze verknalde kloot”, veel beter worden ze mijns inziens echt niet gemaakt!

Ontegensprekelijk één van dé platen van 2015 so far! Chapeau, mijnheer Kant!

Jeroen Kant, Bastaard Platen

 

TITUS WOLFE “Ho-Ho-Kus N.J.” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)       

(3,5****)             

Of en hoe een plaat überhaupt tot stand komt, het hangt vaak maar van kleine dingen af. Neem nu zo’n geheel als “Ho-Ho-Kus N.J.” van de vanuit Duitsland al jarenlang aan de weg timmerende Titus Wolfe. Zonder een op een onbewaakt moment ingeblikte akoestische versie van Willy DeVilles “Heaven Stood Still” zou dat album er waarschijnlijk zelfs nooit gekomen zijn…

Een gemeenschappelijke vriend bracht Wolfe enige tijd geleden in contact met David J. Keyes, ooit nog de bassist van precies die DeVille. En van het één kwam daarna zoals wel vaker het ander. Wolfe stuurde de Amerikaan z’n versie van “Heaven Stood Still” van diens voormalige broodheer op. En die was daarvan zo onder de indruk, dat hij gelijk meer wilde horen. Meer nog, dat hij zelfs een plaat met Wolfe wou opnemen. Met als producer Tom Merlynn en met verder onder meer ook nog Kenny Margolis en Boris Kinberg, twee verdere leden van Mink DeVille, aan boord. Zo goed als een kwaliteitsgarantie, kon je wel stellen.

En dat blijkt ook het geval. Het in Merlyns studio in Ho-HoKus, New Jersey ingeblikte, voorliggende album is immers een erg sfeervolle collectie songs geworden. Met uiteraard ook de aan de basis ervan liggende, door merg en been gaande versie van “Heaven Stood Still” erop. Evenals “Angels Don’t Lie”, nog een verdere eigenzinnige DeVille-cover. Samen met het met de je wellicht van z’n werk voor hard rock acts Deep Purple en Rainbow bekende Joe Lynn Turner opgenomen “Willin’” van Little Feat de enige “vreemde eenden in de bijt” overigens. De resterende acht liedjes zijn zonder uitzondering van de hand van Wolfe zelf. Al zitten er wel enkele co-writes tussen. Met Rob Hoare en Pete Germershausen meer bepaald.

Als geheel neemt “Ho-Ho-Kus N.J.” je mee naar al een eindje achter ons liggende tijden. Naar de seventies met name. En naar de Amerikaanse zingende songsmeden die toen zoal de scepter zwaaiden. Met als z’n voornaamste bondgenoten de eigen gloedvolle voordracht en werkelijk pico bello snarenwerk waadt Wolfe op ongemeen soulvolle wijze doorheen een setje, dat nu al volop doet hunkeren naar meer. Je zou haast gaan wensen, dat DeVilles voormalige begeleiders met dit schijfje zin hebben gekregen in een toekomst met Wolfe. Wie weet, tot wat dat nog allemaal zou kunnen leiden…

Vooralsnog nemen we hier echter nog wel even genoegen met dingen als het al genoemde trio aan covers en andere songkostelijkheden als de tragen “Your Name In The Clouds”, “Too Far Gone” en “Where Roses Grow” of eerder zeldzaam meer rockend uitgevallen spul à la “Guru For A Dime”.

Titus Wolfe, Blue Rose Records

 

HANK SHIZZOE “This Place Belongs To The Birds” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als er al één artiest is, op wiens werk het label Euro Americana zonder al teveel nadenken mag worden aangebracht, dan is het wel de Zwitser Thomas Erb, beter bekend onder z’n artiestennaam Hank Shizzoe. Al sinds 1994 bestookt de beste man ons immers op regelmatige basis met fraai, nadrukkelijk op de Amerikaanse leest geschoeid plaatwerk. In zoverre, dat hij met z’n nieuwe worp “This Place Belongs To The Birds” al aan z’n veertiende toe is.

En sta mij toe, dat nieuwe album prompt tot z’n allerbeste tot op heden uit te roepen. Een werkelijk bloedmooi geheel is het naar mijn bescheiden mening. Heerlijk relaxt gebracht, tot de nok toe gevuld met piekfijn snarenwerk en gedragen als vanouds door die prachtige goudbruine stem, die er met de jaren alleen maar beter op lijkt te worden.

Naast een zevental eigen nummers “about inner journeys and The Great Outdoors” brengt Shizzoe op “This Place Belongs To The Birds” ook een drietal covers van materiaal van anderen. De meest in het oog springende daarvan is zonder twijfel ’s mans bluesy lezing van het ooit nog door de goddelijke Marilyn Monroe de eeuwigheid in gekweelde “I Wanna Be Loved By You”. Met dicht op de hielen daarvan een ook al zeer eigenzinnige lezing van “End Of The Line”, u ongetwijfeld ook bekend in de uitvoering van de onvolprezen Traveling Wilburys. Nummer drie tenslotte is een adaptatie van “Weiss Nid Was Es Isch”, een nummer van de met name in “het Zuiden des landes” redelijk populaire chansonnier Stephan Eicher, in wiens vaste begeleidingsband Erb ondertussen ook al een poosje meedraait (“Don’t Know What It Is”).

Samengevat: net geen zesendertig minuten bijzonder warm aanbevolen Americana-schoonheid tout court! Een plaat, waar we hier tijdens de er ondertussen al weer snel aankomende lange herfst- en winteravonden nog bijzonder veel plezier zullen gaan beleven, that’s for sure…

(By the way: de eerste persing van “This Place Belongs To The Birds” bevat als fijn Blue Rose Records-toemaatje een download card, waarmee u zich volslagen gratis ook nog het begin dit jaar in trio-bezetting ingeblikte live-album “Lift Off!” kan toe-eigenen. ’t Is maar dat u het weet!)

Hank Shizzoe, Blue Rose Records

 

LEEROY STAGGER “Dream It All Away” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Regelmatige bezoekers van deze pagina’s weten dat de Canadese songsmid Leeroy Stagger hier op nogal wat sympathie kan rekenen. We hebben hier daadwerkelijk al wel vaker een lans voor de beste man gebroken en dat doen we vandaag naar aanleiding van z’n ondertussen toch ook alweer tiende studioplaat graag nog eens over. Ook dat in een met Russell Broom gedeelde productie ingeblikte geheel gaat er immers weer in als zoete koek.

Nochtans is “Dream It All Away” een lang niet altijd even vrolijke plaat. Stagger schreef het materiaal ervoor in de nadagen van een serieuze depressie. En je zou dus kunnen zeggen, dat de tien liedjes erop zijn manier zijn om met het eigen recente verleden in het reine te komen. Alles lijkt te draaien om het blootleggen en begrijpen van eigen waarheden, zonder daarbij al teveel averij op te lopen. Om het met Staggers eigen woorden een pak simpeler samen te vatten: “I just want to be happy too…”

Louter muzikaal gezien levert dit alles één van Staggers allerbeste platen tot op heden op. Een geheel dat hem regelmatig tot dicht in het kielzog van nogal wat groten der aarde brengt ook. Zo is openingsnummer “Something Beautiful” bijvoorbeeld een lap lillend rood rootsrockvlees, waarmee onze man de Stones anno nu een flink eind achter zich weet te laten, deed het meteen daaropvolgende “One Perfect Wave” ons best wel een beetje denken aan John Mellencamp, is het catchy “Happy Too” één groot feest voor Byrds- en rinkelgitarenminnende popliefhebbers en dringt zich hier en daar ook wel eens een vergelijking met Bruce Springsteen op.

Maar er valt natuurlijk ook nog voldoende vintage Stagger te genieten. We denken dan onder meer aan de met de bekoorlijke Kendall Carson gedeelde valse trage “Living In America”, de fraaie ingetogen Americana van “I Feel It All”, “Angry Young Man” en “Ten Long Years”, het van een net niet fatale shot blues ‘n’ roots bediende “Poison The Well” en de prachtballade “Dream”.

Stuk voor stuk zijn het prima deunen, maar hét klapstuk van “Dream It All Away” is op de keper beschouwd toch het nadrukkelijk aan Bob Dylan in z’n hoogdagen ergens diep in de sixties herinnerende “New Music Biz Blues”. Een wat wrang verhaal over je weg vinden in de muziekbusiness van vandaag de dag. The times they are a-changin’ indeed… Ook voor muzikanten!

Leeroy Stagger, Blue Rose Records

 

WEBB WILDER “Mississippi Moderne” (Landslide Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Misschien moest u het maar eens overwegen om, als u straks naar de platenboer loopt om uw eigen exemplaartje van de nieuwe van de broertjes Alvin te scoren, in één en dezelfde beweging ook “Mississippi Moderne” van Webb Wilder binnen te doen. Wat die daarop in het gezelschap van z’n onafscheidelijke Beatnecks brengt leunt bij momenten immers wel erg dicht aan bij de warmbloedige American music waarmee de Blasters ooit spelenderwijze ons aller harten wisten te veroveren.

In totaal veertien tracks prijken er op dat uitermate catchy ingevuld eerbetoon aan de eigen thuishaven. Vijf daarvan zijn originelen, de rest goed gekozen covers. Van Jimmy Reeds botergeile blues strut “I’m Gonna Get My Baby” bijvoorbeeld, van de soulvolle Charlie Rich classic “Who Will The Next Fool Be?” ook, van “I Gotta Move” van The Kinks, van de wervelende snarenexercitie “It Takes Time” van blueslegende Otis Rush en nog een handjevol anderen.

Tussen de Wilder-originelen zitten wat ons betreft echter de echte snoepjes. Daaronder enkele opvallende co-writes met bekende vakbroeders. Onder meer de samen met John Hadley gepende en echt wel ongemeen sterk aan de hoger al genoemde Blasters in hun hoogdagen herinnerende deluxe-rootsrocker “Rough And Tumble Guy”, het bedaard swingende, met diezelfde Hadley en de hier onlangs ook zelf nog bejubelde Patrick Sweany aangedragen “If It Ain’t Broke (Don’t Fix It)” en het samen met de legendarische Dan Penn van een kloeke dosis Southern soul-gevoel voorziene “Only A Fool”.

Om het met Wilder zelf te zeggen: “On Mississippi Moderne” we’ve kept some of our trademark craziness, but there’s also a lot of roots solidity and some balladry to boot.” Een bijzonder lekker gevarieerd geheel dus weer van ‘s mans “roots band for rock fans and rock band for roots fans”.

Webb Wilder, Landslide Records

 

PATRICK SWEANY “Daytime Turned To Nighttime” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met “Daytime Turned To Nighttime”, z’n ondertussen zevende cd, bedient de vanuit Nashville actieve Patrick Sweany ons zomaar out of the blue van één van dé kandidaten voor de titel van Americana album van het jaar. Een ronduit heerlijke plaat is dat! Werkelijk tot de nok toe gevuld met schoonheden van eigen songs.

Van de lekker achterover leunende Americana van openingsnummer “First Of The Week” tot het al schokschouderend iets moois met R&B en blues belevende “Tiger Pride”, van het lijzige, ons echt wel volop aan The Band herinnerende “Here To Stay (Rock & Roll)” tot de sublieme country soul ballad “Sweethearts Together”, van het ongemeen catchy, ogenschijnlijk intraveneus met een shot Bo Diddley verder geholpen “Back Home” tot de fijne trage “Afraid Of You”, van de op de keper beschouwd best wel wat naar het werk van de grote Solomon Burke neigende soulsleper “Too Many Hours” tot de fraaie ingehouden rootsrocker “Nothing Happened At All”, van het alweer heel erg soulvol gebrachte “Mansfield Street” tot de moody Americana van afsluiter “Long Way Down”, Sweany werkt hier wat ons betreft een compleet foutloos parcours af!

Noem “Daytime Turned To Nighttime” dan ook maar gerust een niets minder dan verplichte aanschaf!

Patrick Sweany, Nine Mile Records

 

ALISON BROWN “The Song Of The Banjo” (Compass Records Group)       

(4****)

Op “The Song Of The Banjo”, haar als we het allemaal goed hebben bijgehouden eerste nieuwe plaat sinds 2009, bewijst Alison Brown nog maar eens, waarom ze door velen beschouwd wordt als één van de allerbesten op de vijfsnarige banjo. Wat laat ze daarop haar instrument weer alleraardigst zingen! Who needs voices with a player like that? Al zijn die er her en der nog wel, die stemmen.

Onder meer die van Indigo Girls Amy Ray en Emily Saliers, die een met veel gevoel gebrachte cover van Michael Murphey’s “Carolina In The Pines” mee kleur komen geven. En die van de hier vooral als zanger van pophitgroep Men At Work bekende Colin Hay ook, die hetzelfde doet met een mooie vertolking van de Bacharach & David classic “I’ll Never Fall In Love Again”. Evenals tenslotte die van bluesmens Keb’ Mo’, die in bonus track “What’s Going On?”, de soul van wijlen Marvin Gaye mee helpt te koppelen aan wat onmiskenbaar rootsgevoel.

U heeft ondertussen natuurlijk allang begrepen, dat Alison Brown zich op “The Song Of The Banjo” niet bepaald in één enkel hokje laat drukken. Alles lijkt er hier juist om te draaien haar publiek op een andere manier naar de banjo te doen luisteren, dat instrument niet langer als een country and bluegrass only iets te zien. Elementen uit onder meer pop, folk, soul, jazz, Latin, klassieke muziek en uiteraard ook Americana vonden zo hun weg naar het uiteindelijke eindresultaat van Browns studioverblijf. Een plaat, die op mij zo ongeveer dezelfde uitwerking heeft als (jazz)gitarist Earl Klughs materiaal. Ik vind het in eerste instantie heerlijke achtergrondmuziek, maar tegelijk ook zoveel meer dan dat. Het ongemeen genuanceerde spel van Brown zelve en gasten als Stuart Duncan, Todd Phillips, John Doyle, Steve Gadd, Rob Ickes, Jim Oblon, John Jarvis, Kenny Malone en vele, vele anderen houdt immers nog bij elke nieuwe beluistering nieuwe verrassingen in petto. En da’s mooi zo!

Enkele, zoals steeds onverbintelijke luistertips: het hoger al genoemde gezongen trio, titelnummer “The Song Of The Banjo”, een werkelijk wonderschone rootsy lezing van Cyndi Laupers wereldhit “Time After Time” en een al even bloedmooie versie van “Feels So Good” van jazzpopinstituut Chuck Mangione.

Alison Brown, Compass Records Group

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home