CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES OKTOBER 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

SOUTHERN CULTURE ON THE SKIDS “The Electric Pinecones” - HARPETH RISING “Shifted” - WATER AND SAND “Water And Sand” - CHRISTIAN KJELLVANDER “A Village: Natural Light” - US RAILS “Ivy” - COLIN JAMES “Blue Highways” - LYNNE HANSON & THE GOOD INTENTIONS “7 Deadly Spins” - OTIS GIBBS “Mount Renraw” - STACKHOUSE “Tailgatin’” - GEORGIA RUTH “Fossil Scale” - KING OF THE WORLD “Cincinatti” - SESSION AMERICANA WITH JEFFERSON HAMER “Great Shakes” - RANDY NEWMAN “The Randy Newman Songbook Vol. 3” - MARTHA FIELDS “Southern White Lies” - THE GENTLE GOOD “Ruins/Adfeilion” - JAMES LEG “Blood On The Keys” - TREVOR ALGUIRE “Perish In The Light” - NICK WATERHOUSE “Never Twice” - THE O’S “Honeycomb” - ROBERT BOBBY “Robert Bobby Goes Electric” - THE INFAMOUS ROOTS RIELEMANS FAMILY ORCHESTRA “Time Of The Day”

 

SOUTHERN CULTURE ON THE SKIDS “The Electric Pinecones” (Kudzu Records / V2)

(4****)         

Southern Culture On The Skids – SCOTS voor de vrienden! – behoren hier al ruim dertig jaar lang tot het vaste muzikale meubilair en da’s een situatie waarin ook met hun zopas verschenen nieuwe langspeler zeker en vast geen verandering zal gaan komen. Meer nog, met “The Electric Pinecones” bevestigen de drie uit Chapel Hill, NC hun status van meesters in de Americana from the wrong side of the tracks, zoals frontman Rick Miller het zelf allemaal graag omschrijven mag, alleen nog maar meer.

Voor dat nieuwe album zochten Rick Miller, Mary Huff en Dave Hartman inspiratie in hun eigen verleden. Bij The Pinecones met name. Dat was een groepje dat ze ooit in het leven riepen om er die liedjes in kwijt te kunnen die niet echt binnen het SCOTS-geluid pasten. “A folk-a-hill-a-billy garage band,” aldus weer Miller zelf. Met een geluid geënt op dat van tal van door hen zelf geadoreerde “’60s West Coast folk rock and psych bands”.

Openingsnummer “Freak Flag” maakt meteen duidelijk waar we het over hebben. Met prettig gestoorde gitaartjes en een licht psychedelisch randje als voornaamste trekpleisters. En ook het meteen daaropvolgende “Dirt Road” blijft nog even in de late sixties hangen. “A backwoods Southern gothic ghost story” in onvervalste Yardbirds-stijl is dat.

Vervolgens is het tijd voor een rondje overheerlijke country rock à la SCOTS. Met achtereenvolgens het rete-catchy “Baby I Like You” en het al even sympathieke “I Ain’t Gonna Hang Around” om in no time een superbrede grijns op ons gelaat te toveren. Iets wat een eindje verderop met de countrytrage “Given To Me” overigens nog eens gebeuren zal. Eerst moeten we echter nog voorbij een aantal andere muzikale klippen. Ondermeer het ons opnieuw een weinig aan de Yardbirds en de Zombies ook wel herinnerende beatdeuntje “Grey Skies”, de daar quasi perfect bij aansluitende folk-garagerocker “Waiting On You”, het met een flinke snuif R&B opgewaardeerde en door een sensuele Huff naar duizelingwekkende hoogten getilde “Midnight Caller” en een NOLA-remake van hun eigen “Swamp Fox – The Original”. Of het op z’n Link Wrays ingezette “Downward Mobility” en de humoristische countryfunkopstoot “Rice And Beans” ook. Afgesloten wordt er met de sfeervolle ballad “Slowly Losing My Mind”. Kwestie van de stap terug naar de dagdagelijkse realiteit een beetje te vergemakkelijken waarschijnlijk…

Southern Culture On The Skids

 

HARPETH RISING “Shifted” (Grimm Rising)

(4****)

U bent liefhebber van het betere stemmen- en snarenwerk? Dan zit u bij het uit Jordana Greenberg (zang, viool, koebel, djembe en triangel), Rebecca Reed-Lunn (zang, banjo, tamboerijn, koebel en shaker) en Maria Di Meglio (zang, cello, bass drum en cajon) bestaande trio Harpeth Rising goed. Dat drietal, dat u net als ons waarschijnlijk ooit nog leerde kennen op een plaat van songsmid Tim Grimm, is met het onlangs verschenen “Shifted” inmiddels al aan zijn vijfde worp toe. En wat voor één! Eén lang gerokken feest voor liefhebbers van elkaar op uitzonderlijke wijze aanvullende stemmen en dito rootsy snarensnoepgoed.

De dames doen het daarop ditmaal met negen eigen liedjes van kopstuk Jordana Greenberg, eentje van de hand van haar vader David Greenberg (“The Raid”), eentje door schone Greenberg gepend met haar ouweheer (“Seven Thunders”) en een cover van een nummer van Leonard Cohen. En dat laatste liedje is om nogal voor de hand liggende redenen meteen het meest in het oog springende van het geheel. Die aardig naakte versie van Cohens “Dance Me To The End Of  Love” zou zomaar eens kunnen gaan zorgen voor flink wat radioaandacht. En dat zelfs hier te lande.

Maar eigenlijk valt er hier nog zoveel meer te beleven! De speelgrage Harpeth Rising-drieling horen heen en weer laveren tussen folk, newgrass, rock en klassiek in “I Am Eve (I Am The Reason)” bijvoorbeeld, ze vervolgens zonderling soulvol laten surplacen in “Fortune”, jazzy in het rond laten hoppen in “Good Ideas” en net niet a capella laten excelleren in het verstilde “Proof”. We noemen zomaar wat op.

Verdomd schoon plaatje!

Harpeth Rising

 

WATER AND SAND “Water And Sand” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)                     

“Water And Sand” is de titel van het debuut onder diezelfde vlag van de hier al een serieuze status genietende Amerikaanse songsmid Todd Thibaud en z’n al bij al toch flink wat minder bekende vrouwelijke collega Kim Taylor. Dat ze in eigen land al uitgebreid toerde met onder anderen Ron Sexsmith, die van Over The Rhine en zelfs de grote Kris Kristofferson verandert daaraan natuurlijk niet veel. Neen, als we haar al zouden moeten kennen, dan allicht toch vooral van liedjes van haar hand die het schopten tot in afleveringen van Smallville, One Tree Hill en andere tv-reeksen.

Op hun eersteling samen tekenen Thibaud en Taylor voor een songelftal waarin thematisch gezien met name de nuances van intieme vriendschappen een constante blijken, evenals de factor tijd. Fijne folky rootspopkleinoden zijn het, waarin vrijwel meteen opvalt, hoe mooi de stemmen van de twee samen kleuren. Ze lijken als het ware wel tot elkaar voorbestemd. Iets wat door producer Sean Staples over de gehele lengte van het album terecht nooit uit het oog verloren wordt.

Wollig warm aandoende songschoonheden als het door diezelfde Staples van zalig toetsenwerk voorziene “My Amends”, het intimistische “Beauty And Cost”, de in niet geringe mate door de pedal steel van Eric Royer gegidste trage “Hard Side Of Love” en het afsluitende titelnummer mogen zó op onze soundtrack van de nu stilaan toch echt wel begonnen herfst. Noem het maar ideaal spul voor ’s avonds bij de open haard.

Water And Sand

 

CHRISTIAN KJELLVANDER “A Village: Natural Light” (Tapete Records / Sonic RendezVous)

(5*****)

Toen Christian Kjellvanders nieuwe worp hier enkele dagen geleden in de bus viel was het nog volop mooi weer. En dus bleef de plaat maar enkele dagen gewoon op de plank liggen. Logisch, zo leek ons, want de muziek van de Zweedse grootmeester leent zich nu eenmaal veel beter tot gebruik in flink wat somberdere omstandigheden. Ze heeft überhaupt iets bepaald herfstigs over zich.

Kjellvanders rauw-breekbare voordracht en z’n zichzelf naar goede gewoonte weer volop in melancholie wentelende songs zijn daaraan natuurlijk niet vreemd. Van een haast onaardse schoonheid zijn ze weer, die pennenvruchten van ‘m. Ongemeen intens, vrijwel zonder uitzondering gekenmerkt ook door een ongelooflijke diepgang. In de schemerzone tussen indie rock en Americana van het beste wat er bestaat. Of moet toch de term Scandicana hiervoor weer van stal? U maakt het zelf maar uit. Zolang u zich maar de moeite getroost om “A Village: Natural Light” even een luisterbeurt te gunnen. U zal het zich bepaald niet beklagen.

Van het bedwelmende “Shallow Sea” over het hypernerveuze, en passant haast epische proporties aannemende “Midsummer (Red Dance)” en het louter gevoelsmatig ergens in de buurt van acts als Calexico, Lambchop en Tindersticks strandende “Riders In The Rain” tot de in duet met z’n vrouw Karla-Therese gebrachte afsluitende beauty “Gallow”, zo ongeveer alles op “A Village: Natural Light” mag bij op het lijstje met de beste songs van Kjellvander. En dat wil in zijn geval iets zeggen, geloof ons…

(File under: Eindejaarslijstjesmateriaal!)

Christian Kjellvander

 

US RAILS “Ivy” (Blue Rose Records / Sonic RendezVous)

(4****)

Door het vertrek van Joseph Parsons eind vorig jaar inmiddels uitgedund tot een kwartet blijven die van US Rails echt een ongelooflijke werkethiek tentoonspreiden. Hot on the heels van soloplaten van Ben Arnold, Scott Bricklin en Tom Gillam is er nu immers alweer een nieuwe worp van het door dat drietal samen met collega Matt Muir bevolkte supergroepje. “Ivy” heet die en het zal u allicht niet verwonderen, het is opnieuw een dijk van een plaat geworden. Met andermaal loads of rock, soul en folk en louter gevoelsmatig ook nu weer niet zelden terugharkend naar de succesvolle Californische scene van medio de jaren zeventig. En dat uiteraard ook nu weer regelmatig met de focus op de geweldige samenzang van de vier.

Topmomenten werkelijk zat op “Ivy”. Wij onthielden zo bijvoorbeeld vooral de groovy soulvolle rock van openingsnummer “Everywhere I Go”, Gillans deluxe rootsrockertje “He’s Still In Love With You”, het door Arnold op de van hem bekende rauw-hees-tedere manier onder tonnen soul begraven tweetal “Not Enough” en “I’ve Got Dreams”, “Colorado”, een fraaie trage in onvervalste Eagles style, en het lekker funky aandoende “Way Of Love”. En dan vergaten we bijna nog de vintage Arnold-oorwurm “Gonna Come Sunshine” en het ons op de één of andere manier wat aan The Band herinnerende “I’m A Lucky Man”, waarin Bricklin zich opvallend gelukkig prijst met wat hij heeft.

Wat ons betreft een echte aanrader zonder meer! Doe er vooral je voordeel mee!

US Rails

 

COLIN JAMES “Blue Highways” (True North Records)

(4****)

In een met Dave Meszaros gedeelde productie knalt Colin James op z’n ondertussen toch ook alweer achttiende cd “Blue Highways” doorheen een collectie liedjes bekendgemaakt door een stel eigen idolen. Noem het maar een soort van eerbetoon van de Canadese songsmid aan het adres van eigen helden als een Blind Willie McTell, een Howlin’ Wolf, een Jimmy Reed, een Freddie King, een Peter Green, een Robert Johnson, een William Bell of het duo Junior Wells en Buddy Guy, om er maar enkele van te noemen.

Het resultaat is een heerlijk gevarieerde bluesplaat met werkelijk puntgave vertolkingen van bekende en minder bekende deunen als “Boogie Funk”, “Watch Out”, “Big Road Blues”, “Gypsy Woman”, “Hoodoo Man Blues”, “Don’t Miss Your Water”, “Ain’t Long For Day”, “Last Fair Deal” en andere. James in topvorm met andere woorden. En dat zowel als zanger als als gitarist.

Hopelijk heeft de beste man nog wat helden op overschot! Tegen een tweede volume zouden wij hier immers allerminst neen zeggen…

Colin James

 

LYNNE HANSON & THE GOOD INTENTIONS “7 Deadly Spins” (Lynne Hanson)

(4****)         

De Canadese Lynne Hanson mag het in verband met haar songs zelf graag hebben over porch music with a little red dirt. En voor de zeven eenheden op haar zonet verschenen nieuwe worp is die omschrijving treffender dan ooit tevoren. Samen met haar begeleiders van The Good Intentions gaat ze zo’n vijfentwintig minuten lang heerlijk gritty loos. Dodelijk doeltreffend!

Openingsnummer “Gravedigger” toont de weg. Over een aanstekelijke rammelrootsbeat worden lijken gevonden en geborgen. Lugubere toestanden à volonté. “Dig dig dig, killer ain’t been found.” “Waters Edge” is vervolgens meer van datum. Tegen een lekker gruizig countryrockende achtergrond krijgt ditmaal een naast de pot piesende lover zijn verdiende loon. In het omineuze “My Mama Said” galmen vervolgens de woorden van een genadeloze moeder na in het hoofd van een ter dood veroordeelde. “No hope for redemption, her words are ringing in my head. The world will be a better place, that’s what my mama said.”

Al niet veel beter is in het zog daarvan de verteller van “Cecil Hotel” er aan toe. Aan lager wal geraakt slijt de ik-persoon in dat bezwerende liedje zijn dagen tussen de junkies, whores and vagabonds. “I sleep with one eye open and a shotgun by my head,” klinkt het daarin aardig vertwijfeld. Een echt toppertje is vervolgens het op een bevreemdende manier catchy werkende “Black Widow”. In haar buurt “husbands drop like flies, it never ends well”. Nog goed, dat ze er zo goed uitziet onder haar long black veil.

Resten ons dan nog: het met collega Lynn Miles gepende rootsy stompertje over een voortvluchtige “Run Johnny Run” en het afsluitende, van een bluesy rockend randje voorziene “First One’s Free”, waarin we al snel op onze knieën met een geweerloop tegen ons hoofd komen te zitten.

Gevaarlijk goed spul!

Lynne Hanson

 

OTIS GIBBS “Mount Renraw” (Wanamaker Recording Company / Lucky Dice Music)

(4,5*****)                                                                               

Voor zijn vijftigste verjaardag trakteerde songsmid Otis Gibbs zichzelf op een wel heel speciaal presentje. Precies op die dag blikte hij immers zijn nieuwe album “Mount Renraw” in. Een perfecte manier om vijftig jaar aan creativiteit te vieren, aldus de beste man daarover zelf. En wie zijn wij dan nog om daar iets tegen in te brengen. Wij profiteren gewoon lekker mee van ’s mans op de keper beschouwd erg geslaagde geschenk aan zichzelf.

De titel voor zijn nieuwe schijf ontleende Gibbs aan zijn eigen thuishaven, een heuveltop in East Nashville, waar creatievelingen allerhande samentroepen. En aangezien hij het materiaal voor “Mount Renraw” gewoon thuis opnam, leek hem het koosnaampje daarvoor ook de meest geschikte vlag voor z’n verse lading materiaal. Iets wat we opnieuw enkel kunnen beamen.

Wat betreft de inhoud van “Mount Renraw” kunnen we kort zijn. Noem het maar vintage Gibbs. In totaal elf liedjes, waarvan hij er tien in z’n eentje schreef en één samen met z’n partner Amy Lashley. Veelal erg persoonlijk spul. Puttend uit de eigen leefwereld. Opgehangen aan zelf meegemaakte dingen, verhalend over oude vrienden, zijn geboortestaat Indiana en andere hem nauw aan het hart liggende zaken. The Great American Roadside Attractions bijvoorbeeld. Keurig opgelijste speciale attracties, die doorgaans aan de aandacht van toeristen ontsnappen, maar juist heel interessant blijken. In het mooie “Sputnik Monroe” bezingt Gibbs er zo eentje. Niet de stad Memphis, het vermaarde Sun Records of The King spelen daarin de hoofdrol, maar wel de worstelaar uit de titel ervan, die als voorvechter voor gelijke rechten voor zijn zwarte vrienden tijdens zijn eigen wedstrijden frontaal tegen segregatie inging. Een schone mens dus.

Voor het vereeuwigen van zijn nieuwe liedjesoogst deed Gibbs een beroep op oude getrouwen Justin Moses en Thomm Jutz. Eerstgenoemde zorgde voor wat fijne fiddle-bijdragen, laatstgenoemde deelde met onze man de productie en deed ook z’n ding op de akoestische gitaar. Meer was er niet nodig om andermaal te excelleren. De rauw-hees-tedere voordracht van Gibbs zelve, zijn even simpele als doeltreffende teksten en melodieën, ze vroegen als het ware zelf om de benadering die ze ook effectief gekregen hebben. Eenvoud verheven tot kunst. Bloedmooi!

Otis Gibbs

 

STACKHOUSE “Tailgatin’” (Stack Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wat een verdomd lekkere plaat, deze tweede van het Zuid-Hollandse Stackhouse! Het soort van schijfje, waarvan je gelijk al na de eerste beluistering weet, dat je er nog héél veel plezier aan zal gaan beleven. On-Nederlands goed eigenlijk.

En da’s als je het ons vraagt in niet geringe mate de verdienste van kopstuk Machiel Meijers. Diens doorleefde rauwe zang en zijn door onder meer Little Walter en Sonny Boy Williamson beïnvloede harmonicastijl zijn zonder meer de voornaamste trekpleisters in het gros van de nummers op “Tailgatin’”. Al willen we hier zeker ook niet denigrerend doen over de bijdragen van alle andere betrokkenen. Het heerlijk onderkoelde gitaarspel van Willem van Dullemen bijvoorbeeld is evenmin te versmaden. Net als dat van de andere gitarist van de groep, Emiel van Pelt, trouwens. En dan hadden we het nog niet over het lekker strakke ritmewerk van de tandem Fred van Unen-Bert Post. Zij vervolledigen op respectievelijk double bass en drums op coole wijze het plaatje.

Het resultaat is een heerlijk vintage aandoend album, waarop traditionele blues Chicago style volop regeert. Het ene moment swingend als de beesten, het andere juist lekker relaxed. Aan variatie alleszins geen gebrek. En dat met voornamelijk eigen materiaal dan nog. Enkel “I’m A Stranger Here” (Fulton “Blind Boy Fuller” Allen), “Cool Drink Of Water Blues” (Tommy Johnson), “Long Tall Mama” (William “Big Bill” Broonzy) en “Joliet Blues” (“Shoeshine Johnny” Shines) vormen wat dat betreft uitzonderingen.

Onze lievelingsmomenten: een stomend “Long Tall Mama”, het zijn titel mede door wat zalig smoelschuifwerk van Meijers werkelijk alle eer aandoende “Juicy Luicy” – Juicy spul indeed! – en afsluiter “Tailgatin’”, een ook al bepaald lekkere instrumental. Met nummers van dat kaliber dringen de vijf van Stackhouse zich wat ons betreft erg nadrukkelijk op voor tal van nakende blues & roots festivals. Een wild feestje lijkt in hun aanwezigheid alvast gegarandeerd!

Stackhouse

 

GEORGIA RUTH “Fossil Scale” (Navigator Records)           

(3,5****)      

Het gebeurt niet zo heel erg vaak, dat we hier te maken krijgen met vanuit Wales afkomstige muziekjes. En in dat opzicht vormt “Fossil Scale”, het nieuwe album van youngster Georgia Ruth, dan ook meteen een in het oog springende uitzondering. Die opvolger van haar in 2013 verschenen en aan de andere kant van het Kanaal letterlijk onder de lovende kritieken bedolven debuut “Week Of Pines” zou haar op de keper beschouwd ook hier aan de nodige naambekendheid moeten kunnen helpen.

De liedjes voor haar tweede schreef Georgia Ruth achter haar piano. En dat in tegenstelling tot die voor haar maiden release, die ontstonden immers nog aan de harp. Het was haar bedoeling om op die manier te komen tot een wat voller geluid. Wat meer ambient, zeg maar. En in dat opzet slaagt ze zonder meer. Handig heen en weer laverend tussen folk en pop creëert de jonge Welshe this time around een twaalftal liedjes, die zowel bij muzikale ontdekkingsreizigers als bij een veel ruimer publiek zouden moeten kunnen aanslaan. Songs, die zowel haar afkomst als haar muzikale voorkeuren in de aanloop naar “Fossil Scale” (Beck, Bowie, Radiohead) verraden. Noem het maar the best of both worlds gecombineerd. Een al bij al ongemeen radiogenieke buiging voor de ondoorgrondelijkheden van het leven zelve.

Als één van de voornaamste troefkaarten van Georgia Ruth onthouden we hier met name haar fluwelen stem. Vooral daarmee tilt ze an sich al echte schoonheden van liedjes als “The Bodies”, het in het Welsh gebrachte “Sylvia”, het zweverige “Supermoon” en andere naar nóg hogere muzikale hoogten.

Voor ons een echte ontdekking! Geen wonder, dat ze hier in het Verenigd Koninkrijk al even hoog mee oplopen!

Georgia Ruth                     

 

KING OF THE WORLD “Cincinatti” (KOTW Records / Bertus)

(4*****)

Nu al enkele dagen lang vaste prik tijdens de lange ritten van en naar mijn werk is “Cincinatti”, het door de gerenommeerde Erwin Musper geproduceerde nieuwe album van de Nederlandse bluesrockers van King Of The World. Wat kopstuk Ruud Weber en de zijnen daarop brengen is echt wel uitzonderlijk goed te noemen. Liefst dertien nummers lang geven ze zo menig een internationale act spelenderwijs het nakijken. En passant het bluesrockgenre een stuk toegankelijker makend voor een wat ruimer publiek. En da’s wat mij betreft een serieuze verdienste.

Daarbij her en der geweldig geruggensteund door een vierkoppige blazerssectie werken Weber (zang en basgitaar) en zijn maats Erwin Java (gitaar), Govert van der Kolm (keyboards en backing vocals) en Fokke de Jong (drums en backing vocals) zich op ongemeen soulvolle wijze doorheen een dozijn eigen composities. En als niet te versmaden toetje krijgen we ook nog een verbluffend knappe testosteronlezing van “Life In The Fast Lane” van de Eagles.

Aan hoogtepunten absoluut geen gebrek op “Cincinatti”. Wij onthouden vooralsnog vooral het soulvol rockende “Voodoo”, de zalige funkopstoot “Murder In The First Degree”, de in duet met Cheryl Renee gebrachte sleper “Hurt So Bad” en de catchy R&B-stamper “Better Luck Next Time”.

Zet de awards alvast maar weer klaar!

King Of The World

 

SESSION AMERICANA WITH JEFFERSON HAMER “Great Shakes” (Session Americana)

(3,5****)

Zoveel goede nieuwe platen, zo weinig tijd… Dat typische najaarseuvel steekt weer ongenadig de kop op. Eenmaal de komkommertijd voorbij dan kom je als recensent plots oren en handen tekort om aan alles aandacht te kunnen blijven besteden. Het allemaal net iets korter proberen te houden blijkt dan vaak de beste oplossing. Zoals ook nu weer in verband met “Great Shakes”, het nieuwe album van Session Americana. Of neen, Session Americana With Jefferson Hamer. Dat moet op z’n minst één plaat lang zo. Dat vereist de alomtegenwoordigheid van Hamer this time around, aldus die van de band zelf daarover.

Het medio oktober ook door onze kontreien toerende Session Americana staat zoals ondertussen allicht genoegzaam bekend garant voor grote muzikale diversiteit. Ook wat de zes uit Boston op hun nieuwe worp presenteren bestrijkt weer enorm veel muzikaal terrein. American roots music is het, waarin verder zo ongeveer alles blijkt te kunnen. Folk, country, Americana, (roots) pop & rock, jazz, u zegt het maar! Fraai gezongen (Bij momenten echt heerlijk harmonieerwerk!), haast nog fraaier ingespeeld.

Onze luistertips: het in al z’n eenvoud best wel wat Youngiaans aandoende “What Are Those Things (With Big Black Wings)”, het aangenaam melancholische, bij nader inzicht ongegeneerd naar een vergelijking met de Jayhawks hengelende “One Skinner” en afsluiter “Barefoot Soldiers”, een veritabele wolk van een alt-country ballad.

Session Americana                

 

RANDY NEWMAN “The Randy Newman Songbook Vol. 3” (Nonesuch / Warner Music Group)

(3,5****)

In het najaar van 2003 verraste Randy Newman ons een eerste keer met een reeks spiernaakte remakes van eigen liedjes, ergens halverwege 2011 deed hij dat nog eens dunnetjes over en nu is er “The Randy Newman Songbook Vol. 3”. Opnieuw trouw aan het principe “just me and my piano”. En met als producers aan boord ditmaal Mitchell Froom en Lenny Waronker.

Zij zagen Newman this time around in de weer met het magistrale “Short People”, “Mama Told Me Not To Come”, “Love Story (You And Me)”, “Burn On”, filmhit “You’ve Got A Friend In Me”, “Rollin’”, classic “Guilty”, “Simon Smith And The Amazing Dancing Bear”, “Davy The Fat Boy”, “Red Bandana”, “Old Man”, “Real Emotional Girl”, “I Love To See You Smile”, “I Love L.A.”, “Bad News From Home” en “I’ll Be Home”. Deel drie van een soort van alternatieve best of zou je ‘t kunnen noemen.

Samen met de beide andere delen ideaal als introductie tot ’s mans materiaal voor allen die hem pas naar aanleiding van zijn bijdragen aan tal van soundtracks leerden kennen, maar evengoed als geheugensteuntje voor allen die hem zo stilaan uit het oog dreigden te verliezen. Newmans creatieve topjaren liggen nu eenmaal al een flink poosje achter de rug.

Randy Newman

 

MARTHA FIELDS “Southern White Lies” (Martha Fields Galloway)

(4,5*****)

 Verandering van spijs doet eten. Zelden een mooier muzikaal voorbeeld van gekregen dan dit nieuwe album van “Texas Martha” Fields. Geen full-tilt honky-tonk-twangtoestanden meer daarop zoals nog op voorganger “Long Way From Home”, maar goudeerlijke Americana met een nadrukkelijke front porch feel. Verhalend spul gedragen door een voortdurend heel erg doorleefd aandoende stem en door instrumenten als een dobro, een banjo, een mandoline, een akoestische gitaar, een resonator, een double bass, een fiddle en dies meer. Een heerlijke muzikale gumbo met als bepalende ingrediënten onder meer bluegrass, country blues, folk en gospel. Moet je wel van houden!

Onder het waakzame oog van de vermaarde Tommy Detamore nemen Fields en haar begeleiders Manu Bertrand, Serge Samyn, Olivier Leclerc, Denis Bielsa, Travis Fita en Monica Taylor ons op “Southern White Lies” bij de hand voor een twaalf nummers lange trip doorheen door ons bijzonder graag gefrequenteerd muzikaal territorium. Opgevat als een soortement van tip of the hat aan het adres van de haar als soundtrack achter haar eigen kinderjaren bijgebleven Appalachenmuziek vormt dat nieuwe album voor Fields klaarblijkelijk dé ideale creatieve uitlaatklep. Hoe anders de passie verklaren die hier zo ongeveer van alles afspat?

En in zeven van de twaalf gevallen blijkt het daarbij overigens te gaan om eigen originelen. Voorts is het ook nog volop genieten geblazen van knappe covers van “What Good Can Drinkin’ Do” van Janis Joplin, van “Tell Me Baby” van de onvolprezen Mickey Newbury, van “California Blues” van Jimmie Rodgers en van de traditionals “Lonesome Road Blues” en “What Are They Doing In Heaven”.

Subliem spul, echt!

Martha Fields

 

THE GENTLE GOOD “Ruins/Adfeilion” (Bubblewrap Collective)

(5*****)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: veel mooier dan dit worden ze amper nog gemaakt. In verband met dit album zouden we zonder al teveel nadenken durven te gewagen van folkperfectie! Muziek van een haast onaardse schoonheid. Een aanrader bijvoorbeeld voor al wie hield van het recente plaatwerk van The Gloaming.

The Gentle Good da’s de vanuit Cardiff actieve zingende songsmid Gareth Bonello. En die is inmiddels met “Ruins/Adfeilion” al aan z’n vierde langspeler toe. Een enigszins filosofisch onderbouwde titel, aangezien hij zich buigt over het besef dat we geen van allen ooit zullen kunnen leven in onze ideale wereld. Het zal altijd een kwestie blijven van zich behelpen tussen de door vorige generaties achtergelaten ruïnes. Met zowel aangename als minder aangename links naar het verleden.

Dat Bonello opteert voor een tweetalige titel bevestigt overigens ook andermaal zijn verbondenheid met z’n thuisland Wales en het culturele erfgoed daarvan. Meermaals bedient hij zich op z’n nieuwe langspeler van traditioneel Welsh songgoed. Zoals bijvoorbeeld meteen al in de instrumentale opener ervan, “Gwen Lliw’r Lili”. Die hang naar de eigen traditie is echter maar één aspect van Bonello’s muziek. In heel wat nummers richt de beste man de blik nadrukkelijk op het hier en nu. Op hete actuele hangijzers. Met voorop natuurlijk de al maanden het nieuws halende vluchtelingencrisis, of wat dacht u. In “Bound For Lampedusa”, één van de absolute highlights van “Ruins/Adfeilion”, confronteert Bonello ons zo met de diepste gedachten van een groepje in de Middellandse Zee ronddobberende vluchtelingen. Wat zal het lot voor hen in petto hebben? Aangrijpender kan haast niet. Nog zo’n beauty is het elegische “Rivers Of Gold”. In dat ingetogen protestliedje ventileert Bonello zijn onvrede met de almaar groter wordende kloof tussen arm en rijk.

Al bij al een echt plaatje van een plaat, dit door Llion Robertson geproduceerde album. Heerlijk relaxed, echt beklijvend tot en met. Uitermate fraai gearrangeerd ook. En met her en der een melodieus potje Welsh als aangenaam surplus. Ik ben een beetje verliefd, denk ik…

The Gentle Good

 

JAMES LEG “Blood On The Keys” (Alive Natural Sound Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

John Wesley Myers is wat je noemt een echt buitenbeentje. Wat hij als James Leg op de wereld loslaat tart werkelijk elke verbeelding. Het is eigenlijk gewoon met niets of niemand vergelijkbaar. Frenetieke uitingen van abnormaliteit lijken het wel, waarmee hij ons van achter zijn Rhodes bestookt. Bezetenheid als handelsmerk, zoiets. Met z’n roots ergens in één of andere donkere krocht van het bluesgenre, dat zeker, maar evengoed met een verankering in punk en aanverwanten. Zanggewijs even ontspoord als pakweg een Tom Waits of een Screaming Jay Hawkins. Rauw-ruw doordouwend, maar eigenaardig genoeg op de één of andere manier toch altijd nog met oog voor het liedje. En zelfs met een verborgen soft kantje, zo blijkt ergens halverwege “Blood On The Keys”, als Myers voorwaar zelfs even aan het slowen gaat. Al levert dat dan ook het soort van tegeltrekker op, dat wellicht ooit op de één of andere HBO-soundtrack à la “True Blood” belanden zall. Duidelijk niks voor pussies, deze muzikale splinterbom. But we love it!

A.a.j.h.v.: Black Diamond Heavies, Iggy & The Stooges, de latere Tom Waits, Screaming Jay Hawkins.

James Leg

 

TREVOR ALGUIRE “Perish In The Light” (Trevor Alguire)

(4****)

Trevor Alguire is al sinds jaar en dag één van onze absolute lievelingsartiesten. En met “Perish In The Light”, zijn ondertussen toch ook al zesde cd, zal er in die status zeker geen verandering gaan komen. Geflankeerd door een stelletje absolute toppers levert de Canadese songsmid met die nieuwe van ‘m immers ontegensprekelijk z’n allersterkste plaat tot op heden af. We noemen in dat verband onder meer graag collega’s Catherine MacLellan en Meaghan Blanchard, de onder meer van haar fiddle-kunstjes voor Great Lake Swimmers en Belle Star bekende Miranda Mulholland en pedal steel-fenomeen Bob Egan. Samen met nog een goede handvol andere muzikanten begeleiden zij Alguire op een wat ons betreft uitermate aangename trip doorheen tien nieuwe eigen liedjes.

Liedjes, waarin Alguire je tekstgewijs uitnodigt om ook zelf aan het mijmeren te gaan over je eigen leven. Over lang vervlogen liefdes, over overleden dierbaren, over dat licht dat aan het eind van elke tunnel weer bleek te schijnen. En dat doet hij in een context van voornamelijk eerder intimistisch gehouden folk en Americana. Al bewijzen nummers als het net wat snedigere “Flash Flood” en “You Don’t Write Anymore” dat zulks voor Alguire zeker geen obsessie geweest is.

Vooral iets voor de liefhebbers van acts als de jonge Steve Earle, Jackson Browne, Robert Earl Keen, Stephen Simmons en aanverwanten, zo lijkt ons.

Onze luistertip: het mede door de immer sublieme duetzang van Catherine MacLellan van een bevreemdende schoonheid getuigende retro-folkkleinood “My Sweet Rosetta”. Da’s wat ons betreft één van de allermooiste liedjes van 2016 so far.

Trevor Alguire

 

NICK WATERHOUSE “Never Twice” (Innovative Leisure)

(5*****)

Als u al iets van Nick Waterhouse in huis heeft, dan zit u allicht niet te wachten op onze mening over ’s mans nieuwste worp. Neen, dan heeft u ‘m wellicht al een poosje ergens in voorbestelling staan. Dan kijkt u met hangende pootjes uit naar de dag dat het zover is, dat u hem eindelijk ook zelf in handen kan houden. En natuurlijk heeft u dan overschot van gelijk! Nick Waterhouse is immers een echt fenomeen. Van alle dezer dagen met klassieke soul en R&B aan de slag zijnde youngsters allicht dé meest begenadigde. Alleszins één van de creatiefsten van de klas, zoveel is wel zeker.

En dat onderlijnt hij met veel verve ook weer op “Never Twice”, zijn derde volwaardige langspeler. Daarvoor ging hij opnieuw aankloppen bij de ook van zijn werk met onder anderen Black Lips, Allah-Las en Ty Segall bekende producer Michael McHugh. Een samenwerking die quasi garant stond voor een boven elke verdenking staand authentiek aandoend geluid. En dat al zeker als je weet, dat McHugh voor de opnamen van de opvolger van “Time’s All Gone” en “Holly” ook nog eens klasbakken als jazz-fluitist Bob Kenmotsu, saxmaestro Ralph Carney, toetsenist Will Blades en anderen naar de studio wist te lokken.

Tien nummers lang weet Waterhouse hier weer te boeien. Tien nummers lang beweegt hij zich uitermate catchy op het scherp van de snee. Wat hij brengt is een werkelijk van het potentieel barstende cocktail van elementen uit fifties R&B, old school club jazz, sixties soul en boogaloo en in iets mindere mate rock. Met de flair van een door de wol geverfde zwarte veteraan swingt hij doorheen ongegeneerd op de benen mikkend spul als een “Old Place”, een “Katchi” en een “Tracy”. Maar ook wat ingetogener momenten als het jazzy “Stanyan Street” en de pianoballade “Lucky Once” mogen er zeker zijn.

Geile Mucke noemen ze zoiets in Duitsland. Geef toe: klinkt zoveel beter dan fantastische muziek. Maar dat is het dus wel! Fantastische muziek! Van het allerbeste wat 2016 al te bieden had.

Nick Waterhouse

 

THE O’S “Honeycomb” (Punch Five Records)

(3,5****)

De dagen dat we John Pedigo en Taylor Young nog uitgebreid moesten voorstellen, die liggen ondertussen ook alweer een aardig eindje achter ons. Met “Honeycomb” zijn beide heren inmiddels al aan hun vierde worp samen toe. Als The O’s besprenkelen ze sinds de zomer van 2008 vanuit Dallas, Texas de wereld met altijd weer ongemeen okselfris aandoende rootsmuziekjes. Not your average Lone Star State stuff, zoveel is zeker. Iets wat we hier trouwens ook absoluut niet verwachten van knapen met een gemeenschappelijke achtergrond in nadrukkelijk wat alternatiever ingestelde acts als Slick 57, Rose County Fair, Polyphonic Spree en andere.

Op de opvolger van het zo’n drie jaar geleden verschenen “Thunderdog” doen Pedigo en Young het uitsluitend met eigen liedjes. Twaalf stuks in totaal. Catchy deuntjes die op ongemeen inventieve wijze pop, rock en Americana met elkaar weten te verzoenen. Best wel een beetje primitief aandoend bij momenten, maar misschien wel juist daardoor zo aanstekelijk werkend. Met wat meer dan voorheen aandacht voor hun samenzang en vooral ook weer met loads of banjo, akoestische gitaar en harmonica. Sympathiek rammelend en heerlijk down to earth allemaal.

Met als meest in het oog springende momenten wat ons betreft de knappe, hees-ruige trage “Burning Red”, het samen met hun maatje Justin Currie van Del Amitri gebrachte en echt wel radiorijpe “Woken Up” en zeker ook het zich ook al ogenblikkelijk knus tussen de oren nestelende rootspopdondertje “Fourteen Days”. Word je zowat op slag goed gezind van, van dat laatste liedje!

Voor de productie van “Honeycomb” tekende Chris “Frenchie” Smith.

The O’s

 

ROBERT BOBBY “Robert Bobby Goes Electric” (I Like Mike)

(3,5****)

De EP “Robert Bobby Goes Electric” doet op de keper beschouwd eigenlijk gewoon exact wat z’n titel belooft. Vier nummers lang gaat Bobby (zang en akoestische gitaar) in het bijzijn van Chad Kinsey (akoestische en elektrische gitaren), Mike Bitts (bas), Paul Murr (drums en percussie), Tom Principato (elektrische gitaren), Ken McCoy (sax) en Matt Thomas (keyboards) daarop immers elektrisch. En da’s een aanpak die duidelijk rendeert.

Met de nummers “True Believer”, “Ted Williams”, “Mason Dixon Line” en “Just Another Heart To Break” verdient Bobby zich wat ons betreft probleemloos een stekje naast enigszins vergelijkbare collega’s als een Dan Israel, een Tom Petty, een Marshall Crenshaw, een Nick Lowe en een Graham Parker. Vaardig met woorden als hij is palmt hij je als luisteraar in no time in met z’n voorzichtig rootsy rockende liedjes met hoog country- en folkgehalte. En ook een slow als het afsluitende “Just Another Heart To Break” ging er hier in als zoete koek.

Bij een volgende gelegenheid daarom graag meer! Véél meer!

Robert Bobby         

 

THE INFAMOUS ROOTS RIELEMANS FAMILY ORCHESTRA “Time Of The Day” (Lie Records / Donor Productions / Bertus)

(4****)

Ons kent ons in het Vlaamse rootswereldje en dat resulteert zo nu en dan bijna als vanzelfsprekend in interessante samenwerkingen. Meestal gewoon op elkaars platen, maar in dit specifieke geval in een compleet nieuwe groep. The Infamous Roots Rielemans Family Orchestra! Met aan boord het u ongetwijfeld ook van Billy& Bloomfish bekende duo Kathleen Vandenhoudt en Pascale Michiels, songsmid Bruno Deneckere, snarenvirtuoos Nils De Caster en de voor een vleugje exotisme verantwoordelijk Luis Márquez. En die zorgen meteen voor een debuut van formaat. Een rootsplaat zó gevarieerd en rijk dat we er de eerste paar keren met de mond werkelijk wagenwijd open hebben zitten naar luisteren. Ronduit indrukwekkend gewoon!

Openingsnummer “Who’s That Man?” is zo bijvoorbeeld een omineuze swampy sleper van het genre zoals je die eerder van een Buddy en een Julie Miller verwachten zou, het meteen daaropvolgende “Life’s Too Short” hinkt hypernerveus een eindje weg over nog onverharde Americana-paden, “Deep In My Soul” is heerlijk lijzig vertier zoals dat tot voor kort eigenlijk alleen op zomerse vooravonden op back porches in het diepe Zuiden van de States leek te kunnen worden voortgebracht en het speelse “Sentimental Blue” op zijn beurt fijne roots pop die ons om de één of andere reden spontaan deed terugdenken aan de begindagen van de lichtjes geweldige Brendan Croker.

“Doing It Right” zorgt vervolgens jazzgewijs voor een moment van complete onthaasting, voor het opzwepende “Caravana” verzonnen wij zo ongeveer ter plaatse de term exoticana en het in het zog daarvan onder meer door een sympathiek mondharmonicaatje geweldig charmerende “Lowlands Clay” werd duidelijk geboetseerd naar Amerikaanse border music-voorbeelden.

De tweede helft van “Time Of The Day” wordt ingezet met “The Fire That Burns”, een pracht van een verhalende ballad met een met name zanggewijs aardig hoog Dani Klein-gehalte. En dat mag u beschouwen als een flink compliment! Via het swingende, deels a capella gebrachte “Talking Too Much” gaat het vervolgens ook nog langs de bedaarde countrydeun “The Rest Of My Life”, het daar met veel soulvolle flair quasi perfect bij aansluitende “I’d Do It Again”, old-timey titelnummer “Time Of Day” en de met name door z’n onvoorstelbare ideeënrijkdom muzikaal gezien ronduit bevreemdend werkende afsluiter “The Landlord And His Maiden”.

Als u dit jaar nog één Belgische plaat koopt, doe uzelf dan een plezier en laat het deze zijn. U zal het zich hoegenaamd niet beklagen! Hoegenaamd niet…

The Infamous Roots Rielemans Family Orchestra

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home