CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES OKTOBER 2017

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

LIEVEN TAVERNIER “Live In Gent” - NORDGARDEN “Changes” - SLEEPY DRIVER “Sugar Skull” - ROB JUNGKLAS “Blackbirds” - PETUNIA AND THE VIPERS “Lonesome, Heavy And Lonesome” - PI JACOBS “A Little Blue” - REBEKAH LONG “Run Away” - MARK LOTTERMAN “Holland” - THE ROSELINE “Blood” - STORMY MONDAYS “Suitcase Full Of Dreams” - JAY PINTO “Jay Pinto” - SAM MARINE “Big Dark City” - MARK MARTYRE “Rivers” - LEIF DE LEEUW BAND “Until Better Times” - PETER GALLWAY “Feels LIke Religion”

  

LIEVEN TAVERNIER “Live In Gent” (Coast To Coast)

(5*****)

Niet graag op een podium staan, voor je carrière is het meestal nefast. Voor Lieven Tavernier niet anders dan voor vele anderen voor hem. Jarenlang bleef hij daardoor één van de best bewaarde singer-songwritergeheimen van Vlaanderen. Als er al mensen waren, die hem kenden, dan toch vooral door de vertolkingen van zijn songs door Jan de Wilde. Door diens overigens volkomen terecht in het collectieve geheugen gekerfd staande versies van dingen als “De Fanfare Van Honger En Dorst” en “De Eerste Sneeuw” meer bepaald.

Gelukkig begonnen de laatste paar jaren wel steeds meer muziekliefhebbers Tavernier te ontdekken. Onder meer door het zijn teksten bundelende boek “Eerste Sneeuw” en met name ook de cd “Geen Kwaje Vrienden”, waarop collega’s als Stef Kamil Carlens, Gabriel Rios, Neeka, Raymond Van Het Groenewoud, Roland, Kris De Bruyne, Bony King, Bruno Deneckere en vele anderen zijn liedjes eerden, ging het plots een stuk sneller voor de beste man.

De volgende stap is nu een compilatie met het beste van twee van zijn concerten in de Gentse Minardschouwburg van eerder dit jaar. Op 5 en 6 maart meer bepaald stonden Tavernier en “De Zondaars” er samen op de planken. De Zondaars oftewel Arne Van Dongen (contrabas), Bruno Deneckere (akoestische en elektrische gitaren), Klaas Delvaux (cello en basgitaar), Nils De Caster (viool, mandoline en lap steel), Philippe Turiot (accordeon), Yves Meersschaert (piano) en Sarah D’Hondt (zang). Heel schoon volk met andere woorden. En dus klinkt deze live-registratie ook werkelijk puntgaaf. Met een Tavernier die eigenlijk zelfs behoorlijk relaxed aandoet. Zou het echt?

Hoe dan ook, wat we geserveerd krijgen is een dwarsdoorsnede uit zijn zeven eerder verschenen albums aangevuld met een drietal goed gekozen covers. Zo wordt er bijvoorbeeld geopend met een mooie Nederlandstalige versie van het ooit door Steve Goodman gepende, maar natuurlijk vooral door John Prine bekend gemaakte “Souvenirs”. En verderop blijken “De Gouden Schaar” en “Sterren In Het Slijk” al even knappe adaptaties van respectievelijk Dolly Partons “Coat Of Many Colors” en “Diamonds In The Rough” van The Carter Family.

Daarnaast zijn er natuurlijk ook de twee hoger al vermelde klassiekers in speciale uitvoeringen en al even mooie versies van “Slimmer Dan Jaap Kruithof”, “Een Oude Dylan Song”, “Julia Roels”, “Lily”,”De Klokken Van Sint-Baafs”, “Mokabon 8 A.M.”, “Patti Smith”, “Sprookjesbos”, “Niet Bij Een Ander” (Door Sara D’Hondt!), “Mooiste Ogen” en “Niet Voorbij”. Goed voor net geen zeventig minuten in het gezelschap van de wellicht beste in het Nederlands actieve songsmid die ons land ooit heeft gekend. Vlaanderens antwoord op knapen als John Prine, Kris Kristofferson, Guy Clark en wijlen Townes Van Zandt.

Lieven Tavernier

 

NORDGARDEN “Changes” (GDN Records / PIAS)

(4****)

Heerlijke nieuwe plaat van de Noorse singer-songwriter Terje Nordgarden. Gewoon live in de studio opgenomen met de hulp van muzikanten betrokken bij onder meer Jaga Jazzist, Sivert Høyem, Big Bang en Madcon. Het resultaat is een ongemeen warm en soulvol klinkend organisch geheel vol met Americana en roots pop van het allerfijnste soort.

Tien nummers lang slingert Nordgarden behendig heen en weer tussen genres als pop, rock, country, soul, blues en gospel. Twee daarvan schreef hij samen met countryartieste Claudia Scott. Twee andere samen met de Zweedse Johanna Demker.

Als mooisten van het lot onthielden wij na tal van luisterbeurten het als een zacht zomers briesje voorbij gewaaid komende pianopopdeuntje “Wide Open Spaces”, het mede door sfeervol toetsenwerk en gesmaakte blazers van de soul bulkende “Side Of The Road”, de ronduit heerlijk te noemen Americana van het titelnummer, het bluesy “I Ain’t Gonna Let Her (Let Me On No More)”, het ons om de één of andere reden best wel wat aan Little Steven in zijn beste dagen herinnerende “You Must Be The Change” en de knappe ballad “The Storm”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niet één minder nummer op. Dikke plaat!

Nordgarden

 

SLEEPY DRIVER “Sugar Skull” (Black Bell Driver)

(4****)

“Sugar Skull” is al de vijfde langspeler van Peter Hicks (zang, gitaren, keys en bas), Mike Hatheway (bas), Barry Hughes (drums en backing vocals), Dave Palmer (pedal steel en dobro), Ethan Young-Lai (gitaren, synth en cowbell) en John Heinstein (piano, orgel en synth) oftewel Sleepy Driver. En het Canadese zestal toont zich daarop in echt wel uitmuntende vorm.

Gelijk vanaf openingsnummer “Unpromise” is de mood right. Zomers pa-pa-pa’end loodsen Hicks en co ons daarin doorheen een streepje extreem catchy rootsy pop. En die blazers, wel, die helpen daarbij zeker ook een meer dan kloek handje! Een beetje zomeren doet het vervolgens ook nog in de poppy alt-countrydeun “Finer Things”. Ook daarin valt vrijwel gelijk weer op, dat songsmid Hicks echt wel een neusje heeft voor fijne melodieën.

Country, pop en rock lijken überhaupt de voornaamste bestanddelen van zo ongeveer alles op “Sugar Skull”. Da’s ook in het melodieuze derde nummer “The Last Heart” weer zo. Een funky ritme en al bij al wat steviger gitaarwerk zorgen ervoor dat titelnummer “Sugar Skull” in het zog daarvan uitgroeit tot een eerste buitenbeentje. In vergelijking met al het tot dan toe gehoorde is het eerder heavy te noemen. En al zeker, als wat erop volgt iets lieflijks is als het helemaal in pedal-steelklanken gehulde “Before We Go Home”.

“Burn You Alive” is daarna een voorzichtig weer wat nerveuzer werkend rootsrockertje à la de Replacements in betere tijden, “Believe/Belong” een beklemmende moody, volop van de lang ingehouden spanning erin levende trage, “Radio Dial” gooit dan eensklaps alle schroom van zich af en stoomt volle gas, bijna punky stevig door, “Lucia” sluit daar nagenoeg perfect bij aan en afsluiter “Rubies, Diamonds and Pearls” valt bij nader inzicht weer onder nagenoeg dezelfde noemer als “Before We Go Home” eerder al. U merkt het al: aan variatie hoegenaamd geen gebrek hier!

Tot slot ook nog even vermelden, dat het knappe artwork ook van de hand van Peter Hicks is. Echt wel een veelkunnertje dus, die kerel.

Sleepy Driver

 

ROB JUNGKLAS “Blackbirds” (Madjack Records)

(4,5*****)

Ondertussen goed en wel anderhalf decennium geleden maakte ik kennis met de muziek van Rob Jungklas. Naar aanleiding van z’n album “Arkadelphia” was dat. En eigenlijk al redelijk diep in ’s mans carrière. Debuteren deed hij immers al eind ’86 met “Closer To The Flame”. Geïntrigeerd als ik was door de schrijfselen van Jungklas wist ik dus meteen wat doen. Een serieus inhaalmanoeuvre drong zich op. En sindsdien ben ik eigenlijk altijd wel geboeid gebleven door de man uit Memphis.

Zijn muziek laat zich dezer dagen omschrijven als eerder donker van aard. Bij momenten met een wat melancholisch randje ook. Zelden echt opgewekt alleszins. En dat is dan een serieus understatement. Muzikaal gezien dienen we Jungklas te situeren ergens tussen pop, rock en folk. Eerder progressieve folk, that is. Met af en toe invloedsgewijs ook wel een voorzichtige uitschuiver op de bluesy deltaklei van zijn heimat.

Zo rootsy en rauw-ruig als ten tijde van “Arkadelphia” is het allemaal al lang niet meer, zo beklijvend als het op die plaat gebodene alleszins wel. Ontzettend knap, maar op een andere manier dan. De bezetenheid van weleer heeft plaatsgeruimd voor een veel bezadigdere aanpak. Meer belang hechtend aan het element sfeerschepping. A la een Daniel Lanois, zoiets. Toegankelijker en poëtischer dan voorheen. Met een bij momenten echt wel heel erg opvallende rol voor pianist Rick Steff.

Onze luistertips: titelnummer “Blackbirds”, het bezwerende “Diggers”, het intimistische “Vitriol” en vooral ook de ingetogen folk beauty “Low Hanging Fruit”, het wat ons betreft absolute hoogtepunt van een van begin tot einde hoogst interessante plaat van een man die eigenlijk al jaren veel en veel te weinig aandacht krijgt.

Rob Jungklas

 

PETUNIA AND THE VIPERS “Lonesome, Heavy And Lonesome” (Petunia And The Vipers)

(4****)

Wie het bij het beluisteren van zijn dagelijkse dosis muziekjes graag allemaal wat avontuurlijker heeft nodigen we bij dezen uit oms eens even een oor te luister te gaan leggen bij het Canadese zestal Petunia And The Vipers. Zou wel eens een alleraardigste match kunnen opleveren! Wat die heren op “Lonesome, Heavy And Lonesome” vrijwel constant aan catchy spul uit de hoge hoed toveren spreekt hoegenaamd tot de verbeelding. Met traditionele en alternatieve country, old-time jazz en blues voortdurend gevangen in een bezwerende ménage à quatre.

Nu ja, gevangen… Aan beenvrijheid ontbreekt het de zes duidelijk niet. Het gros van de op “Lonesome, Heavy And Lonesome” geserveerde deunen swingt immers als de spreekwoordelijke tiet. Al is er met dingen als het moody “Heavy And Lonesome”, tranentrekker “Blindly Wander” en het ongegeneerd richting New Orleans knipogende “Blues In My Heart” ook wel wat ruimte gelaten voor wat rustpuntjes. Maar die zijn al bij al toch nadrukkelijk in de minderheid.

Dansen kan, mag, moet vrijwel overal elders. Van het met een gesofisticeerde touch of Latin opgewaardeerde “We Did Not See The Light Of Day” over het werkelijk rete-swingende “Ugliest Bitterest Coldest Dreary Place I’ve Ever Seen” tot het door Petunia en passant van wat heuse yodels voorziene underground countrydeuntje “Lonesome”, van het onstuimig rockend om zich heen stampende “Urban Landscape” over de minimalistische jug band meets ska van “I Don’t Have To Go To High School” tot het op hoogst aparte wijze met het gegeven rock& roll aan de slag gaande “Jeanie Jeanie”, het zijn evenveel open invitaties tot een ongecontroleerd danspasje als creatieve opstoten van absoluut om geen muzikale grenzen malende roots music originals.

Zwaar aanbevolen wat ons betreft aan liefhebbers van het werk van acts als Pokey LaFarge, CW Stoneking, Meschiya Lake & The Little Big Horns, Rob Heron And The Tea Pad Orchestra en aanverwanten.

Petunia And The Vipers

 

PI JACOBS “A Little Blue” (Travianna Records)

(3,5****)

Een optreden ergens laat in 2015 in een klein plaatsje in de Blue Ridge Mountains, in Floyd, VA meer bepaald, zou voor zingende liedjesschrijfster Pi Jacobs onverwacht grote gevolgen met zich meebrengen. Daar, in The Dogtown Roadhouse, werd ze na afloop van die bewuste gig immers gecontacteerd door platenbaas Mark Hodges en producer Aaron Ramsey. Zij vonden Jacobs dermate goed, dat ze haar prompt aanboden om met haar in zee te gaan voor haar volgende plaat. Jacobs hield aan hun ontmoeting(en) een dergelijk warm gevoel over dat ze daarmee ook instemde.

En dus begaf ze zich enkele maanden later naar de Mountain Fever Studios van Hodges in Willis, VA.  Daar trof ze niet enkel Aaron Ramsey terug, maar ook een stel andere uitermate getalenteerde muzikanten uit de bluegrassbranche. Naast Ramsey zelf, die niet alleen de productie van “A Little Blue” voor zijn rekening nam, maar ook bijdragen leverde op bas, mandoline en gitaar, stonden ook Jeff Partin (dobro en lap steel), Kel Pritchard (harmony vocals), Celia Chavez (eveneens harmony vocals) en de ondertussen ook zelf aardig aan de weg naar roem timmerende Sam Morrow (gastzang in “Purple State”) Jacobs (zang, akoestische gitaar en percussie) bij tijdens het inblikken van twaalf liedjes van eigen hand.

In verband met haar nieuwe worp heeft Jacobs het in de liner notes ervan over haar “bluesy Americana thing”. En die omschrijving vat het erop gebrachte daadwerkelijk zeer goed samen. Veelal betreft het immers bluesy liedjes met een Americanarandje. Volledig akoestisch gebracht en door het gebezigde instrumentarium zo nu en dan een zekere bluegrass feel etalerend. Hoe dan ook beter dan alles wat Jacobs tot nu toe al deed, vinden wij persoonlijk. Haar stem klinkt hier immers warmer dan ooit en haar liedjes lijken echt wel gemaakt voor zo’n akoestische aanpak.

Laat je net als ons verleiden door de lijzige Southern groove van “The Moment”, het warmbloedige Americanahart van “She Don’t Love You That Way”, de soulvolle smeekbede “All Love” of het al genoemde “Purple State”, een prachtige sleper met bij wijze van serieus surplus de werkelijk wonderschone vocale interactie tussen Jacobs en Sam Morrow en de al even geslaagde dobrobijdrage van Jeff Partin. Wedden, dat je Jacobs daarna ook zelf stevig aan de boezem zal willen drukken?

Pi Jacobs

 

REBEKAH LONG “Run Away” (LUK Records)

(4****)

Soms is muziek niet meer of niet minder dan een veredelde vorm van escapisme. Ze reikt je als artiest de mogelijkheid aan om je – al was het maar voor even – te kunnen onttrekken aan je dagdagelijkse zorgen. Soms lijkt dat een luxe, soms is het ook gewoon bittere noodzaak. En dat laatste lijkt ons ook het geval voor de bekoorlijke Rebekah Long. Die verloor het voorbije jaar onverwachterwijze immers haar geliefde echtgenoot Ben Speer en bleef daardoor een weinig verweesd achter. Gelukkig kon ze in die moeilijke dagen terugvallen op de zo’n beetje als haar muzikale mentor fungerende Donna Ulisse. Onder haar hoede verwerkte ze haar gevoelens in een reeks nieuwe liedjes. Een negental in totaal, voor de gelegenheid aangevuld met een drietal covers.

Heel wat autobiografisch getkleurd materiaal uiteraard. Dat is gezien de omstandigheden eigenlijk niet meer dan logisch. Long verwerkt hier op subtiele wijze haar verdriet. Luister bijvoorbeeld maar eens naar eerder ingetogen gehouden nummers als “A Place Beyond The Clouds” en “Woodland Street” en je zal meteen begrijpen, wat we hiermee bedoelen. Om heel stil van te worden, die twee liedjes! En hetzelfde kan eigenlijk ook wel gezegd worden over “Everytime I Fall Asleep” en “Welcome Me Back Home”. Ook in dat tweetal regeren ergens tussen country en bluegrass voornamelijk gevoelens van melancholie.

Heel wat opgewekter gaat het er aan toe in het wervelende “Georgia Bound”. Daarin laat Long haar verlangen naar de streek waar ze opgroeide de vrije loop. En ook “Fishin’ On The Cumberland” is zo’n lentefris opdondertje. De Long die we daarin leerden kennen was ons meteen heel erg lief.

Niet alle liedjes op Longs tweede zijn overigens van biografische aard. Dat is bijvoorbeeld al niet het geval voor één van dé absolute toppertjes van het geheel, het omineuze, eerder rootsy neergelegde “My Greatest Shame”. Daarin leidt de onvoorwaardelijke liefde van een moeder voor haar zoon tot een dramatisch einde. Nog zo’n streepje pure fictie is het bijzonder dartele titelnummer “Run Away”. Daarin vertelt Long het verhaal van een meid die haar geliefde de benen ziet nemen als ze hem vertelt dat ze echt van hem houdt.

En dan zijn er natuurlijk ook nog de eerder al even vermelde covers. Daarbij blijkt het te gaan om erg knappe herinterpretaties van Elton Johns “Honky Cat” en Loudon Wainwrights “The Swimming Song”. Goede smaak dus ook, die Long! En dat blijkt ook nog eens uit haar vertolking van het door Jerry Salley en Becky Buller gepende “Lay Your Isaac Down”. Dat nog in duet met haar betreurde wederhelft Ben ingezongen kleinood zou je als haar ultieme eerbetoon aan de liefde van haar leven kunnen zien. Heel mooi, hoe daarin haar voorliefde voor bluegrass en die van Ben voor gospel elkaar vinden.

Vermelden we ten slotte ook nog even, dat Long bij het inblikken van “Run Away” kon terugvallen op een bijzonder getalenteerd stel begeleiders. Naast Ulisse en haar echtgenoot Rick Stanley gaven verder onder meer ook Mike Bub, Scott Vestal, Cody Kilby, Patrick McAvinue, Shadd Cobb, Jarrod Walker, Mark Fain en Gene McDonald acte de présence.

Rebekah Long

 

MARK LOTTERMAN “Holland” (Stichting Holland / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Holland”, het nieuwe album van Rotterdammer Mark Lotterman, is zoveel meer dan louter een collectie liedjes. Eigenlijk vormen de negen liedjes op ’s mans recentste worp alleen maar het uitgangspunt voor een veel ruimer project. Als artiest wist Lotterman zich in het verleden steeds opnieuw geïnspireerd door de dingen rondom hem. Voor “Holland” draait hij de situatie nu om. Hij stelde zich de vraag, hoe anderen door zijn muziek geraakt werden. Wetenschappers, kunstenaars en tal van anderen werden daarom door hem gecontacteerd met het verzoek om een bijdrage te leveren aan “Album Holland”. Al die bijdragen – zo’n 130 in totaal – verzamelde hij in het boek “Holland”, waarbij ook de cd zit. Het gaat daarbij om persoonlijke verhalen, schilderijen, strips, foto’s, videoanimaties, liedjes, lezingen, gedichten, playlists en meer. Bekendere betrokkenen zijn onder meer muziekkenner Vic van der Reijt, psycholoog Clay Routledge, voedingswetenschapper Jaap Seidell, zanger Johnny Dowd, dichter Philip Hoorne en fotograaf Roel Rozenburg.

Voor het eigenlijke album weerhield Lotterman zoals gezegd negen liedjes. Geluk, angst, liefde, homoseksualiteit, zich ontheemd voelen en opgroeien in een groter perspectief vormen daarvan de thema’s. Lotterman bezingt ze tegen een hoogst eigenzinnig muzikaal decorum te situeren ergens tussen pop, rock en folk. Nu ja, bezingt… Eigenlijk is het meer declameren dan zingen wat hij doet. In die mate, dat het je als luisteraar een weinig herinnert aan de modus operandi van wijlen Leonard Cohen. Even sfeervol als diens laatste werkstukken is wat Lotterman doet alleszins. En even diepzinnig ook.

Een deel van de bijdragen aan het project “Album Holland” is nog tot 3 december aanstaande ook te bewonderen in galerii NL=US in Rotterdam.

Te beluisteren is “Holland” via: https://open.spotify.com/album/6jprzxmjQf3YOBgvmEyAAw.

Album Holland

 

THE ROSELINE “Blood” (King Forward Records / Heartselling)

(3,5****)

Vijfde album inmiddels al voor het de voorbije tien jaren flink aan de weg timmerende gezelschap rond de Amerikaanse singer-songwriter Colin Halliburton. Een twaalf songs lange trip door de beste man zelf omschreven als “somewhat literate, midwestern, alt-country, bummer music with a hint of hop”. Wat er concreet op neerkomt, dat we ook nu weer erg duidelijk invloeden als de Jayhawks, Whiskeytown, Bright Eyes en natuurlijk ook Gram Parsons menen te mogen herkennen in het door het vijftal gebrachte.

In zijn teksten heeft Halliburton het daarbij ditmaal over de niet te vermijden highs en lows in een langdurige relatie, over ouder worden en over existentiële vragen onlosmakelijk gekoppeld aan zo menig een artiestenbestaan.

“Blood” klinkt al bij al een weinig retro. Het is een plaat waarbij je gedachten regelmatig afdwalen richting de begindagen van hoger al genoemde acts als met name de Jayhawks en Whiskeytown. Naar de hoogdagen van het alternatieve countrygebeuren wat ons betreft. Naar dagen toen het nog met een vergrootglas zoeken was naar interessante nieuwe artiesten of bandjes. Toen zouden Halliburton en de zijnen ongetwijfeld zeer hoge ogen gegooid hebben. Of dat nu ook nog kan, blijft vooralsnog een onbeantwoorde vraag. Van ons zou het alvast wel mogen. Op basis van melodieuze schoonheden van deunen als “Hurry Up And Wait”, “Moving In A Dress”, “A Destination” en vele andere hier verdienen ze het immers.

The Roseline

 

STORMY MONDAYS “Suitcase Full Of Dreams” (Stormy Mondays)

(3,5****)

Dat hadden we dus nog niet gehad, zie: compact vinyl! Eén kant 45-toeren vinyl met enkel het titelnummer, de andere cd met alle vier de tracks. Hét ideale formaat voor twijfelaars. Hier geïntroduceerd door Stormy Mondays, een indie folkrockbandje uit Spanje.

Vier nummers dus op “Suitcase Full Of Dreams”. Te beginnen met het titelnummer. Een van achter de piano ingezette, deels in het Spaans gebrachte valse trage die ons nog niet meteen helemaal over de streep wist te krijgen. Al is het zeker ook geen slecht nummer. Nummer twee is vervolgens de ergens halverwege onverwachterwijze richting folky oorden afdwalende singer-songwriterdeun “Everybody Came To Your Party (But You Were Gone)”. Daarin mag de innerlijke Dylan in kopstuk Otero even van de leiband.

Het sterkste nummer van allemaal vonden wij persoonlijk het derde. Het bij het legendarische Big Star geleende “Thirteen” is hier echt ontzettend catchy. Heeft de nodige soul ook. Alsof je de Byrds met een blazerssectie opgewaardeerd hebt, zoiets. Echt ideaal radiovoer, als je het ons vraagt! En dan is er natuurlijk ook nog de afsluiter. Dat is het bedaarde “Don’t Count Me Out”. Daarvoor wordt andermaal flink gas teruggenomen. Met vooral opvallende rollen voor opnieuw zanger Jorge Otero en toetsenist Pablo Bertrand. En opnieuw met flink wat soulgevoel.

Een hoogst aangename kennismaking eigenlijk, deze EP. Zet alvast aan om spoedig werk te gaan maken van meer. En dat kan in dit geval eerder gemakkelijk én goedkoop. Op de webstek van de band gewoon even je e-mailadres inruilen tegen een elf songs tellende gratis sampler, that’s it!

Stormy Mondays

 

JAY PINTO “Jay Pinto” (Nervesauce Music)

(3,5****)

Op zijn naar zichzelf vernoemde derde langspeler neemt de Amerikaanse songsmid Jay Pinto de tijd om even om te kijken. Het grote merendeel van de liedjes op die plaat zijn immers herinterpretaties van reeds eerder verschenen nummers van ‘m. Noem het maar een soortement van best of. Maar dan wel eentje waarvoor de nummers opnieuw werden ingeblikt. En dat in van alle overbodige franje ontdane akoestische versies. Met nogal wat nummers vanuit zijn Bananafish-periode. Met dat naast hemzelf ook nog Tom Kennedy in zijn rangen tellende akoestische folkpopduo nam hij indertijd een viertal cd’s op en stond hij onder meer samen met Heart, Shawn Colvin en Ani DiFranco op de planken.

Pinto’s immer catchy popliedjes krijgen daardoor en passant een meer folky karakter mee. En dat nieuwe jasje zit hen wat ons betreft echt wel als gegoten. Veel meer nog dan voorheen nodigen ze nu immers uit tot echt luisteren. En het lijkt alsof ook Pinto zelf dat beseft heeft. Op het hoesje ervan nodigt hij ons immers met z’n allen uit om even een kijkje te komen nemen op zijn webstek, alwaar we kunnen intekenen op zijn email list voor een digitaal boekje met de lyrics van z’n nieuwe plaat.

Die plaat bevat naast al de al genoemde oudere dingen overigens ook een tweetal gloednieuwe nummers in dezelfde stijl. Intimistische popfolkdeuntjes, waarin bij voorkeur universele thema’s worden aangesneden. We hebben het dan bijvoorbeeld over topics als de liefde, vriendschap en hoop. Erg mooi!

Jay Pinto (Bandcamp)

 

SAM MARINE “Big Dark City” (Sam Marine)

(3,5****)

Echt veel is er soms niet nodig om je van iemands kwaliteiten te overtuigen. Een mooi voorbeeld bij die vaststelling zou “Big Dark City” van Sam Marine kunnen zijn. Amper vijf liedjes bevat dat schijfje, maar toch wisten wij ons na het beluisteren ervan rotsvast verzekerd van de talenten van z’n maker. In een productie van Brian Whelan slaat Marine op z’n derde immers iets meer dan een kwartier lang spijkers met koppen.

Met als voornaamste bondgenoot z’n rasperige rauwe stem gooit hij meteen heel erg hoge ogen met de ook als titelnummer fungerende opener. “Big Dark City” is het soort van Heartland rock waarmee je fans van acts als wijlen Tom Petty en Paul Westerberg in no time gevloerd weet. Echt een beresterk nummer! En dat laatste geldt eigenlijk ook wel voor het meteen daaropvolgende “Dawn Come And Go”, een strak rockende boogie, waarin Marine zichzelf pas echt goed van de ketting laat. In “Freeze ‘Em Out” gaat hij vervolgens net zo snedig even de persoonlijke toer op, “I’ll Soon Be Gone” blijkt daarna een van een nieuwe drumbeat voorziene herneming van iets van z’n eerste plaat “Lacktown” en afgerond wordt er met het ons op de één of andere manier wel wat aan Ryan Adams herinnerende “Mike Lee”. Dat laatste liedje is een soort van eerbetoon aan het adres van een aan een overdosis overleden vriend van Marine. Niet die overdosis maar wel hun vriendschap is daarin enkele minuten lang het centrale gegeven. Het feit, dat Lee bovenal een goeie gast was.

Wat ons betreft een hoogst aangename kennismaking met een rootsrocker waarvan we ongetwijfeld nog veel meer gaan horen, dit “Big Dark City”. Marine zou het ons inziens alvast meer dan verdienen!

Sam Marine

 

MARK MARTYRE “Rivers” (Mark Martyre)

(4****)

Dit moet zowat één van de best bewaarde singer-songwritergeheimen van Canada zijn. Wij kenden de beste man tot voor vandaag alleszins nog niet. En dat terwijl “Rivers” toch al zijn vijfde langspeler blijkt te zijn. Eerder verscheen van Mark Martyre immers ook reeds het viertal “Down, Record” (2012), “London” (2013), “Red Letters” (2014) en “Bluebird” (2016).

Met zijn nieuwe worp wist Martyre ons vrijwel onmiddellijk te charmeren. Op dat door hemzelf geproduceerde geheel prijken in totaal tien eigen liedjes, netjes verdeeld over een a- en een b-kant. En die showcasen een heerlijk ruwe, wat aan die van knapen als een Tom Waits, een Jon Dee Graham of een Ben Weaver herinnerende stem en een fijn handje voor liedjes die je als recensent zonder al te veel twijfelen zomaar durft aan te bevelen aan fans van diezelfde Waits, The Boss, een John Prine en een Bob Dylan ook. Tijdloos poëtisch spul, waarvan je eigenlijk na één enkele beluistering al weet, dat je er ook binnen enkele jaren nog met het nodige plezier naar zal blijven teruggrijpen. Ontstaan op de dunne scheidingslijn tussen genres als Americana, folk en pop.

“It’s about dragging around the shadows of the past, living in a fog of memory, regret, and restlessness, while still trying to move forward… towards something,” aldus de beste man zelf over het inhoudelijke aspect ervan. Voor ons ruimschoots genoeg om er binnenkort zo menig een knusse herfstavond mee door te brengen. Luistertips als “Come Lie Beside Me, Dear”, “Carry On”, “The Next Song” en “Anywhere But Here” zullen ook jou daarvan allicht snel weten te overtuigen.

Dikke, dikke aanrader, deze plaat!

Mark Martyre

 

LEIF DE LEEUW BAND “Until Better Times” (CRS)

(3,5****)

Na het bijzonder lovend ontvangen “Leelah” van zowat een jaar geleden wachtte de jonge Nederlandse gitaarbeul Leif de Leeuw de moeilijke taak om met z’n tweede volwaardige langspeler nu ook te bevestigen. Een job waarvan hij zich wat ons betreft met “Until Better Times” met veel brio kwijt. In de nasleep van de release ervan zal het gaan stormen voor de youngster en de zijnen, daar kun je van op aan. Dat nieuwe album van de Leeuw en de zijnen bulkt immers van de nummers die echt schreeuwen om live-uitvoeringen. Heel wat organisatoren wrijven zich ongetwijfeld nu al in de handen.

De jaren zeventig zijn nooit veraf op “Until Better Times”. En dat zonder dat de band daardoor ook maar enigszins passé gaat klinken. Wel integendeel zelfs! Invloeden als de Allman Brothers Band en Led Zeppelin worden keurig geparkeerd in de buurt van recentere acts als de Henrik Freischlader Band en met name ook Blackberry Smoke. De voornaamste attractiepolen daarbij, vroeg u? Dat zijn naast de bezielde vocals van Britt Jansen zonder meer de heerlijk vette riffs van de Leeuw zelf en de twin leads met opnieuw Jansen. Bonuspunten worden verder nog gescoord door bassist Boris Oud en met name ook drummer-percussionist Tim Koning.

In de schemerzone tussen rock, blues, funk en soul van het beste wat je in de Lage Landen krijgen kan. Doe er dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Leif de Leeuw Band

 

PETER GALLWAY “Feels LIke Religion” (Gallway Bay Music)

(4****)

Wat heeft deze man ondertussen al een indrukwekkend repertoire op zijn naam staan! Meer dan twintig albums moeten het zijn. In z’n eentje, maar ook als één helft van het duo Hat Check Girl met Annie Gallup, waarmee er naar verluidt ook alweer een release in de pipeline zit. Bezig baasje dus, die Peter Gallway!

Voor zijn nieuwste worp voor eigen rekening liet hij zich naar eigen zeggen inspireren door wijlen Laura Nyro. Haar unieke stem en kijk op de wereld waren van grote invloed op de toen nog jonge Gallway, die zich niet enkel tot het kransje intieme vrienden van Nyro mocht rekenen, maar ook het genoegen mocht smaken om nog met haar samen te werken.

“Feels Like Religion” is dus Gallways muzikale tip of the hat aan het adres van die al in april ’97 overleden zingende liedjesschrijfster. Alsof hij met de elf liedjes erop heeft willen aantonen, hoe groot haar invloed op hem wel geweest is. Het resultaat is een ongemeen sfeervol geheel, dat ingetogen schoonheden van rootsy popliedjes afwisselt met mild uitgelaten varianten daarop. Daarbij terloops niet enkel herinnerend aan Laura Nyro, maar zeker ook aan andere enigszins vergelijkbare acts als daar zijn een Joni Mitchell, een Rickie Lee Jones en een Donald Fagen. Popperfectie is derhalve ook nooit echt ver uit de buurt. En “Feels Like Religion” is wat ons betreft gewoon de zoveelste regelrechte aanrader op het actief van Gallway.

Enkele luistertips misschien nog snel. Het ijle, ons sfeermatig best wel wat aan de aanpak van The Blue Nile herinnerende titelnummer is er zeker één, het zomers luchtige “Shorty Moves On” al evenzeer en ook het intimistische “Just Lucky” zouden we hier ondertussen absoluut niet meer willen missen.

Peter Gallway

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home