ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER

 

 

 

archief

 

maart     april     mei     juni     juli     augustus

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de jongste albums van:

 

Randy NewmanCatie Curtis - Jason RingenbergLeadbelly - Emmylou HarrisWarren ZevonTC Taylor - Cara DillonTangerine Trousers - Robert Earl KeenYonder Mountain String Band & Benny Galloway - Dolly Parton TributeSam Bush & David Grisman - Eric Taylor4 Way Street - Collin HerringMagee Payne - Kate CampbellElvis Costello - Brian Burns - Ed Jurdi - Greg Brown - Bobby Flores - Bocephus King - The Handsome Family - Dead End Angels - Roger CreagerJoe HenryLos StraitjacketsJohn Cate & The Van Gogh Brothers - Kerosene Brothers - Matthew Ryan - Chris Knight - Laurie McClain - June Carter Cash - Matthew Ryan - Cruzeros - John Gorka - Rebekah Florence - Brian Jay Cline - Steve Wedemeyer - Don Rigsby - Damien Rice - Nadine - Josh Ritter - Blue Rodeo - Cash Brothers - Kris Delmhorst - FrogHoller - Po’ Girl - John Coinman - Jason McNiff - Trophy Husbands - Peter Dawson Band - Marshall Crenshaw - Scott Gibson - My Morning Jacket - Ben Atkins

 

RANDY NEWMAN

“The Randy Newman Songbook Vol. 1”

(Nonesuch / Warner Music)

(4) J J J J

 

 

Met zijn nieuwe cd slaat Randy Newman welbeschouwd twee vliegen in één klap. “The Randy Newman Songbook Vol. 1” blijkt immers zijn eerste solo studio album ooit te zijn. Niet zomaar een carrièreoverzicht voor onder de kerstboom dus. (Al zal deze cd ook daar haar weg wel naartoe vinden in sommige huishoudens…) Dit is veeleer een collectie naakte versies van Newmans beste nummers. Een man aan zijn piano, meer bleek daartoe niet nodig. Al hield producer Mitchell Froom wel voortdurend een oogje in het zeil. En hij zag dat het goed was!

Net als de jongste van Elvis Costello is ook dit één van die platen die in de late uurtjes voor veel genot moet kunnen gaan zorgen. Dan zullen de nieuwe versies van nummers als “Louisiana 1927”, “Rednecks”, “Avalon”, “You Can Leave Your Hat On”, “Marie”, “Sail Away” en “Ragtime” wellicht het best tot hun recht komen.

Alleszins een prettig weerzien met deze rasschrijver-vertolker! En het in de titel aangekondigde volgende volume kan er wat ons betreft dan ook niet snel genoeg komen. Wij kennen nog wel wat nummers, die we daarop graag zouden aantreffen…

www.randynewman.com

www.nonesuch.com

 

 

CATIE CURTIS

“Acoustic Valentine”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

«An American troubadour» noemt ze zichzelf op haar website en wie zijn wij dan om dat te gaan tegenspreken. Catie Curtis, het onderwerp van die vaststelling, begon al op zeer jonge leeftijd met optreden in haar thuishaven Saco, Maine. Slechts gewapend met haar akoestische gitaar werkte ze een schier eindeloze reeks optredens in zogeheten coffeehouses af. Na haar studies zou ze als logische uitloper daarvan naar San Francisco verkassen om daar haar muzikale droom na te jagen. Dat resulteerde aanvankelijk in een kortstondige flirt met een major label. Wat ze zocht zou Curtis echter pas veel later vinden bij een stel haar toegenegen muzikanten uit de omgeving van Boston. Haar samenwerkingen met Jimmy Ryan (van wie we hier onlangs nog de puike cd “Lost Diamond Angel” bespraken) en ex-Morphine-drummer Billy Conway leverden ondertussen al flink wat beklijvende momenten op. Met haar rootsy folkrock- en alt. country-nummers wist Curtis dan ook op relatief korte tijd een stevige fanschare aan zich te binden. En precies die fans waren het die haar na optredens steeds weer bleven vragen om een album met wat spaarzamer begeleide versies van haar nummers. Een verzoek dat Curtis na verloop van tijd gewoonweg niet meer kon blijven negeren en dat uitmondde in de samen met gitaarvirtuoos John Jennings opgenomen collectie “Acoustic Valentine”. Haar mooiste liedjes met als thema de liefde in al haar aspecten bloeien in die context pas echt helemaal open. Akoestische pareltjes als “Magnolia Street”, “Elizabeth”, “What’s The Matter”, “Dandelion” of “Kiss That Counted” zullen bij de fans van pakweg Shawn Colvin, Mary Chapin Carpenter, Edie Brickell of Tracy Chapman dan ook gegarandeerd in goede aarde vallen. Maar die zullen er dan wel eerst wat moeite moeten voor doen, want het album is uitsluitend via de website van Curtis verkrijgbaar. Warm aanbevolen!

http://catiecurtis.com/

 

 

JASON RINGENBERG

“A Day At The Farm With Farmer Jason”

(Yep Roc Records / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

“Parental advisory: this cd contains songs that will have you singing along with your kids!” Het staat er klaar en duidelijk. Zeg dus niet, dat je niet gewaarschuwd was! Jason Ringenberg, de man die in de jaren tachtig met zijn combo Jason & The Scorchers mee aan de basis lag van het succes van het zogenaamde alternatieve country-gebeuren, duikt hier immers op in de gedaante van Farmer Jason, een kindvriendelijke boer die zijn jonge medemens maar wat graag inwijdt in de geheimen van het leven op een boerderij. Dat gebeurt aan de hand van bij momenten erg lekker klinkende countryliedjes met een behoorlijk hoog bluegrass- of rockgehalte. De kip, het paard, de koe, het varken, de kat, het schaap, de hond, het graan, de tractor… er ontsnapt haast niets aan de aandacht van de monter zingende boer. Telkens weer ingeleid door een verhelderend verhaaltje wijdt Farmer Jason overal een deuntje aan. Tussen de aanstekelijke wake-up call “Get up up up!” tot het mooie, met Tahra Dergee ingezongen slaapliedje “Sundown On The Farm” beleven we wat ons in de titel werd beloofd, met name een dag op de boerderij.

Waarom Ringenberg met dit album uitpakt? We zouden het niet weten. Feit is echter wel, dat het hier een weinig aan zijn doel(groep) voorbijschiet. De liedjes klinken best wel leuk, daar niet van. Maar hoeveel kinderen ken jij die Engels verstaan? Vandaar… In rurale families in de States zal dit echter vast wel op de nodige bijval kunnen rekenen. We gunnen het de sympathieke man alvast wel, dat hij er in zijn thuisland evenveel exemplaren van aan het kind zal kunnen brengen als kindervrienden Samson & Gert of K3 van hun werk hier.

www.jasonringenberg.com

www.sonic.nl

 

 

LEADBELLY

“The Tradition Masters”

(Rykodisc)

(3) J J J

 

 

Enige tijd geleden verscheen in de “Tradition Masters Series” van Rykodisc een volume gewijd aan Leadbelly. Ideaal voor al wie via platen als het suf gehypete “Trouble No More” van John Mellencamp zin zou hebben gekregen om te gaan grasduinen tussen oude folk en blues classics. Met “New Orleans”, “John Hardy”, “When I Was A Cowboy”, “Roberta”, “Whoa, Back, Buck!”, “Black Betty” en vooral ook “Goodnight Irene” zijn zelfs voor niet-ingewijden alvast enkele aanknopingspunten voorhanden. Het geheel omvat liefst 23 songs en kan dienen als een goede kennismaking met het werk van Huddie Ledbetter alias Leadbelly, een zwarte artiest die zich niet makkelijk in één welbepaald hokje liet onderbrengen. Vooral zijn huidskleur heeft een grote rol gespeeld in de polemiek over waar hij nu eigenlijk voor stond. Afhankelijk van de invalshoek werd hij nu eens eerder als folk, dan weer als blues bestempeld. Waar je echter in geen geval omheen kon, was dat de man onmiskenbaar zijn stempel heeft achtergelaten op hele generaties artiesten die na hem zouden volgen. En al evenmin laat zich loochenen dat hij een meester was op de 12 string gitaar. Daarvoor vind je hier bewijsmateriaal genoeg.

Eén enkel minpuntje wat ons betreft: “Rock Island Line” ontbreekt op deze verder erg interessante collectie.

(Wat de geluidskwaliteit betreft mogen we trouwens stellen, dat die gezien de leeftijd van deze opnamen meer dan behoorlijk is.)

http://www.cycad.com/cgi-bin/Leadbelly/

www.rykodisc.com

 

 

EMMYLOU HARRIS

“Stumble Into Grace”

(Nonesuch / Warner)

(5) J J J J J

 

 

Emmylou Harris heeft in het verleden al wel eens meer blijk gegeven van een bijzonder gelukkig handje bij het kiezen van het mansvolk waarmee ze zich voor het maken van haar muziek omringt. En haar samenwerking met geluidstovenaar Daniel Lanois vormt daarop geen uitzondering. Dankzij het haar door hem ingefluisterde idee om het over een totaal andere boeg te gooien staat Harris dezer dagen volkomen terecht opnieuw volop in de belangstelling. Niet langer als de countrydiva die ze ooit was, wél als één van de boegbeelden van de volop florerende Americana- / alt. country- / rootsbeweging. Sedert haar eerste samenwerking met de Canadees in 1995 voor “Wrecking Ball” verschenen ook nog het live-album “Spyboy” (in 1998) en het met een Grammy bekroonde “Red Dirt Girl” (in 2000), maar als je ’t ons vraagt bereikt Harris met haar nieuwste, “Stumble Into Grace”, pas echt het toppunt van haar kunnen. Lanois’ rechterhand Malcolm Burns tekent ditmaal voor de productie en spreidt liefdevol het ondertussen genoegzaam van zijn baas bekende geluidsdeken over elf songs, waarin Harris –met uitzondering van de traditional “Plaisir d’Amour”- tekstueel gezien steeds een hand had. Ze toont zich daarin geregeld zeer alert voor wat er zich de jongste tijd rondom haar heeft afgespeeld. Zowel op maatschappelijk, als op persoonlijk vlak. “Time In Babylon”, dat ze samen met Jill Cuniff van Luscious Jackson schreef, en het aandoenlijke “Lost Unto This World” zijn perfecte illustraties van haar kritische houding ten overstaan van de actualiteit. Het absolute highlight van de plaat, haar eerbetoon aan het adres van wijlen June Carter Cash, toont haar andere kant. “Strong Hand” is een ijzingwekkend mooie ballade waarin Harris op emotionele wijze afscheid neemt van één van haar grote voorbeelden, zowel als muzikant, als als mens. Een kippenvelmoment!

“Stumble Into Grace” telt er zo trouwens net als zijn voorganger behoorlijk wat! Stilistisch gezien sluit de plaat ook erg nauw aan bij wat Harris op dat album, “Red Dirt Girl”, klaarmaakte. De basis vormt nog steeds een countryfolkgeluid, waaraan al naargelang de noodzaak daaraan elementen vanuit diverse hoeken worden toegevoegd. Daarbij mag Harris rekenen op flink wat prominente hulp. Linda Ronstadt, Julie Miller, Gillian Welch, Kate & Anna McGarrigle en Jane Siberry behoren zo bijvoorbeeld tot het groepje achtergrondvocalisten dat Harris’ stem nog wat meer tot haar recht doen komen. Terwijl Buddy Miller, Bernie Leadon, Daniel Lanois, Ethan Johns, Kevin Salem en tal van anderen voor een nagenoeg perfecte muzikale ondersteuning zorgen.

“Stumble Into Grace” is dan ook een plaat die als ideale soundtrack bij de vallende bladeren nog menig een rondje zal afleggen in onze cd-wisselaar de komende weken. Eén van dé platen van het jaar, zeker weten!

http://www.emmylou.net

www.nonesuch.com

 

 

WARREN ZEVON

“The Wind”

(Artemis / Rykodisc / Zomba)

(4) J J J J

 

 

Het blijft een eigenaardig verschijnsel. Artiesten die vernemen, dat hun einde onafwendbaar nakende is, beantwoorden vervolgens vaak aan een omzeggens niet te stuiten drift om met een muzikaal testament een streep onder hun leven te trekken. Wat dat betreft vormt Warren Zevon alvast geen uitzondering. Toen de man vernam dat hij aan een ongeneeslijke vorm van longkanker leed, vatte hij vrijwel onmiddellijk het idee op om samen met tal van muzikale compadres die al eerder zijn platen bevolkt hadden voor het laatst de studio in te duiken. Het lijstje betrokkenen is ronduit indrukwekkend te noemen. Bruce Springsteen, Tom Petty, Don Henley, Ry Cooder, Jackson Browne, Emmylou Harris, Joe Walsh, Dwight Yoakam, John Waite, Billy Bob Thornton, David Lindley, T. Bone Burnett, Timothy B. Schmit, Tommy Shaw, Jim Keltner – ze behoorden allemaal tot de genodigden. Het hoeft dan ook niet echt te verbazen, dat “The Wind” is uitgegroeid tot één van de allerbeste platen op het actief van Zevon. En dat wil in zijn geval al iets zeggen… Zevons oeuvre is immers bezaaid met sterke staaltjes van moderne songschrijverij en zijn ironische kijk op het leven bezorgde hem een voor het genre behoorlijk uit de kluiten gewassen fanschare.

Op “The Wind” staan nogal wat van zijn teksten bijna als vanzelfsprekend in het teken van de liefde, zijn nakende dood en het leven. Muzikaal gezien is er echter niets dat zijn einde doet vermoeden. Zevon komt op zijn laatste album nog bijzonder vitaal uit de hoek. Beurtelings stevig rockend en flink wat gas terugnemend toont hij zich nog één keer van zijn beste kant. En dat resulteert in het geval van de met wat hulp van Ry Cooder, Billy Bob Thornton en Dwight Yoakam ingeblikte opener “Dirty Life And Times” al direct in een heel fraai rootsy liedje. Aansluitend gaat Zevon samen met Springsteen stevig rockend tekeer in “Disorder In The House”. En als er al één cover op deze plaat kon belanden, dan moest het wel Dylans “Knocking On Heaven’s Door” zijn. Dat nummer leek Zevon in de gegeven omstandigheden immers op het lijf geschreven.

“Numb As A Statue” biedt vervolgens dan weer een Zevon zoals we ‘m al jaren kennen: gewoon lekker rockend, terwijl in zijn rug David Lindley zich de ziel uit het lijf speelt op de lapsteel. Heel knap! En als je vervolgens de zakdoek droog kan houden bij het liefdevolle “She’s Too Good For Me”, dan heb je een olifantenhuid… Kwetsbaarder als in dat verstilde, aan zijn wederhelft gerichte moment hebben we Zevon nooit eerder gehoord! En ook in het iets verderop volgende, deels in het Spaans gebrachte “El Amor De Mi Vida” geeft de singer-songwriter zich helemaal bloot. Uit de mond van een door het leven getekende als Zevon kruipen dergelijke songs echt onder de huid. Een speciale vermelding tenslotte ook nog voor het afsluitende “Keep Me In Your Heart”, waarin de man ons op gezapige toon vraagt hem niet te snel te vergeten. Wat dat betreft mag hij alvast in vrede rusten. Hier zal voor Warren Zevon namelijk altijd een speciaal plaatsje gereserveerd blijven als één van de allergrootste singer-songwriters waarmee we ooit mochten kennismaken.

www.warrenzevon.com

www.rykodisc.com

 

 

TC TAYLOR

“Dancehall Revival”

(Palo Duro Records)

(3) J J J

 

 

Nu niet meteen het soort country dat je vandaag de dag nog vanuit Texas verwacht, deze eersteling van T.C. Taylor. Wij waren alvast eerder geneigd om de man een plaatsje te gunnen in het arsenaal mainstream country artiesten dat in de jaren negentig de hitlijsten onveilig maakte, dan tussen zijn dezer dagen aan de weg timmerende streekgenoten. Wil dat zeggen, dat je hier maar snel en met een grote boog omheen moet? Zo erg is het nu ook weer niet. Het album heeft wel degelijk zijn bekoorlijke momenten. Het uptempo “Go Tell Papa” is er zo eentje. En ook de swingende, van zuiderse flair doordrongen eerste single “Mexican Radio” viel hier in goede aarde. Niet toevallig allicht allebei nummers met een vrij hoog Dwight Yoakam-gehalte, waarin Taylor uitgebreid kan laten horen wel degelijk een uitstekende zanger te zijn. Elders blijkt ook George Strait een dankbare bron van inspiratie. Zoals in de valse trage “Spilled Perfume” bijvoorbeeld. En daar is dan ook helemaal niks mis mee.

Ondanks muzikale bijstand van kanjers als Cindy Cashdollar (op dobro en steel), David Lee Garza (op accordeon) en Jason Roberts (op fiddle) werd “Dancehall Revival” als geheel echter niet echt een onverdeeld succes. De stem is er duidelijk al wel. De songkeuze laat echter een weinig te wensen over. Het lijkt er sterk op, dat Taylor er zelf nog niet helemaal uit is welk publiek hij nu precies wil gaan inpakken. En da’s jammer, want daardoor belandt hij met al zijn talent een beetje tussen twee stoelen. Volgende keer beter dus allicht!

www.tctaylor.com

www.palodurorecords.com

 

 

CARA DILLON

“Sweet Liberty

(Rough Trade)

(3,5) J J J J

 

 

In folkkringen al lang geen onbekende meer, maar daarbuiten voorlopig nog alles te bewijzen, da’s kort samengevat de huidige situatie van Cara Dillon. En daar zou met “Sweet Liberty” wel eens verandering in kunnen komen voor de voormalige Equation-chanteuse. Daarbij vakkundig begeleid door haar muzikale partner Sam Lakeman zingt Dillon op haar tweede soloplaat “Sweet Liberty” namelijk een werkelijk betoverend mooie body aan songs bij elkaar. Met haar kristalheldere stem woelt ze voortdurend wellustig rond in een bed vol strijkers, piano en uillean pipes. Naast vijf traditionals en vijf originele nummers maakt ze zich daarbij ook het al van Anne Briggs bekende “Standing On The Shore” eigen, evenals Tommy Sands “There Were Roses”. Vooral het samen met Lakeman geschreven Dillon-nummer “Everywhere” is een echt pareltje. Snel op single uitbrengen die dromerige ballade! Wij willen deze fraai ogende deerne tijdens het najaar immers best de hitparade zien bestormen…

“Sweet Liberty” is een album dat we eigenlijk aan flink wat mensen zouden durven aan te bevelen. Zowel aan de fans van Enya of Tori Amos, als aan die van Jewel, die van de Hothouse Flowers of die van Shawn Colvin of Nanci Griffith bijvoorbeeld. Dit is namelijk moderne folk op zijn mooist! Gaan we tijdens de komende herfstdagen nog veel plezier aan beleven!

www.caradillon.com

www.roughtraderecords.com

 

 

TANGERINE TROUSERS

“Dressed For Success”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Tangerine Trousers is een uit Ferndale, MI. afkomstig sextet geschaard rond het liedjes schrijvende echtpaar CJ en John Milroy, dat zichzelf graag omschrijft als “FolkRockoustic”. En waar dat dan voor staat? Een bijzonder aanstekelijke mix van bluegrass, old-time, folk, pop, rock en Americana. Bij momenten een weinig in het vaarwater van de vroege 10.000 Maniacs-albums. Zoals het onmiddellijk meezingbare “Sycamore Bay” bijvoorbeeld, waarin ook Thad Cockrell een plaatsje achter de microfoon opeist, een stukje zomer dat ook hier een plaatsje op de playlist van elk zichzelf respecterend rootsradioprogramma verdient. Elders schoten ons spontaan de namen van Ezio, Acoustic Syndicate en de Subdudes te binnen. Ergens in dat gouden driehoekje situeert zich ondermeer een soulvol nummer als “One For 3”. “Aggie’s Gone” mixt dan weer folk, pop en rock op een manier zoals de jonge Rickie Lee Jones dat ook wel eens pleegde te doen. Terwijl het rustige “Boy Gone Blue” gewoon een heel fraai Americananummer is, waarin het accordeon van Mark Iannace en de fiddle van ex-Whiskeytown-violiste Caitlin Cary voor de juiste accentjes zorgen. Die Cary horen we trouwens ook nog eens terug in het slotnummer van de plaat, “Cathedral Bells”, een deuntje dat opvalt door z’n prachtige harmony vocals en prima akoestisch snarenwerk.

De productie van het album berustte overigens ook bij de band zelf, daarin bijgestaan door Chris Stamey (dB’s). Voor dit soort van platen werd de term Americana in het leven geroepen.

www.tangerinetrousers.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28298

 

 

ROBERT EARL KEEN

“The Party Never Ends”

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J

(Releasedatum: 14 oktober)

 

 

Als bijzonder welgekomen aanvulling bij zijn binnenkort te verschijnen nieuwe cd “Farm Fresh Onions” trakteert het vroegere platenlabel van Robert Earl Keen, Sugar Hill, ons op een collectie vroege Keen classics. De ideale introductie tot de zogeheten indie-dagen van de man. Middels dertien nummers (inclusief een hidden bonus track) wordt je hier duidelijk gemaakt waarom Robert Earl Keen zo invloedrijk is gebleken voor de huidige Texaanse muziekscène. Op materiaal van zijn albums “The Live Album” (uit ’88), “West Textures” (uit ’89) en “Gringo Honeymoon” (uit ’94), uit de dagen dat er nog een Jr. aan zijn naam vastgeplakt hing dus, wordt duidelijk dat Keen niet enkel een prima song in de pen heeft, maar dat hij tijdens zijn optredens voor een hondstrouw publiek ook steeds weer als de gedroomde performer uit de hoek komt. Een show van Keen blijkt een heel erg interactief gebeuren. De man weet zijn volgelingen, net als zijn collega Todd Snider dat recentelijk ook nog deed op zijn jongste live cd, met boeiende stories van song naar song te begeleiden. En het dankbare publiek laat zich op zijn beurt al evenmin onbetuigd. Woord voor woord worden de songs van Keen meegezongen.

De collectie kreeg als ondertitel “Songs You Know From The Times You Can’t Remember” mee. En die titel zou voor velen ook effectief wel eens van toepassing kunnen blijken. Neem nu zo’n liedje als het lekker wegrockende “The Road Goes On Forever” – wij zouden er flink wat geld om durven te verwedden, dat nogal wat mensen dat nummer aan Joe Ely zouden toeschrijven als we ’t hen zouden vragen. En da’s maar één van de vele songs van dat kaliber op “The Party Never Ends”. Als live-momenten zijn er “The Front Porch Song”, “Copenhagen” en “The Bluegrass Widow”. En van de uitstekende cd “West Textures” treffen we het backyard swingertje “The Five Pound Bass” op deze collectie aan, naast de country van “It’s The Little Things”, de knappe story song “Mariano” en het al eerder genoemde, klassieke “The Road Goes On Forever”. Van “Gringo Honeymoon” krijgen we “I’m Comin’ Home”, “Dreadful Selfish Crime”, “Think It Over One Time”, “Barbeque”, het titelnummer en de Texaanse eindejaarshymne “Merry Christmas From The Family” aangeboden.

Niks nieuws onder de zon voor hen die van Keen al alles in huis hadden dus. Maar voor diegenen onder jullie die niet vertrouwd zijn met de vroegste albums van de man is dit een godsgeschenk. Het zou ons alleszins ook niet verbazen, mocht deze collectie er voor velen de aanleiding toe vormen om ook eens in het verleden van Robert Earl Keen te gaan grasduinen. Lekker schijfje zondermeer!

www.robertearlkeen.com

http://www.sugarhillrecords.com/catalog/pagemaker.cgi?1080

 

 

YONDER MOUNTAIN STRING BAND

& BENNY GALLOWAY

“Old Hands”

(Frog Pad Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Een plaat die de cd-wisselaar de jongste weken nauwelijks nog verlaten heeft zonder dat we ook effectief aan het bespreken ervan toekwamen is “Old Hands” van het bluegrass-collectief de Yonder Mountain String Band, voor de gelegenheid aangevuld met singer-songwriter Benny Galloway. Van de hand van die in Colorado woonachtige artiest worden hier immers dertien nummers vertolkt.

“Old Hands” is een plaat die zowel de liefhebbers van bluegrass, singer-songwriter materiaal als Americana moet kunnen bekoren. In een productie van Sally Van Meter en met geregeld een helpend handje van klasbakken als Darol Anger, Jerry Douglas, Casey Driessen, Tim O’Brien, Dirk Powell en Van Meter zelve leveren de vier heren van de Yonder Mountain String Band één van de mooiste albums af die ons dit jaar vanuit bluegrasskringen al bereikten. Swingende grassdeunen als “Pride Of Alabama”, “Hill Country Girl” en “(Don’t Leave Me) Alone And Blue” worden afgewisseld met knappe ballads als “The Wind Thru The Willows”, “And Going Away” en “Sleepy Cowboy”. Daarnaast is er occasioneel ook plaats voor een swing(end) intermezzo als “Deep Pockets” - met hoofdrollen voor de fiddle van Tim O’Brien en de dobro van Jerry Douglas – en een streepje cajun in “Big Lights”. Vooral dat laatste nummer is een echt juweeltje. Benny Galloway drapeert zijn verhaal hier in regelrechte John Prine- of Guy Clark-stijl over een lekkere accordeonriedel van Dirk Powell heen. Alleen voor dit nummer al zou een mens met plezier de prijs van het gehele album betalen… Gelukkig blijkt dat echter niet nodig. We horen Galloway zelf hier nog regelmatig genoeg aan het werk om zwaar onder de indruk te komen van zijn manier van zingen. Sla er zelf nummers als het religieus geïnspireerde “Behold, The Rock Of Ages”, de Western ballad “Sleepy Cowboy” of de rustpuntjes “And Goin’ Away” en “Everytime” maar even op na en je zal onmiddellijk begrijpen wat we bedoelen. Dit is een plaat die in de States terecht de nodige aandacht krijgt. Zou eigenlijk ook hier moeten kunnen!

www.yondermountain.com

www.frogpadrecords.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Just Because I’m A Woman – Songs Of Dolly Parton”

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J

(Releasedatum: 14 oktober)

 

 

 

Tribute cd’s, er gaat tegenwoordig bijna geen dag meer voorbij of men vindt wel iemand om plaatgewijs te eren. Die overdaad brengt met zich mee, dat we dergelijke platen alsmaar argwanender gaan benaderen. Al té vaak gaat het immers om louter meer dan een middel om slabakkende artiesten weer in het zadel te helpen of om aankomend talent enkele minuten in de spotlights te gunnen, in beide gevallen enkel en alleen met de bedoeling hun carrières wat aan te zwengelen. De jongste maanden werd echter volop bewezen, dat het ook anders kan. Vlak voor zijn dood werd Johnny Cash met drie dotten van eerbetonen reeds bedankt voor bewezen diensten en ook het aan Waylon Jennings opgedragen album “Lonesome, On’ry & Mean” was van uitstekend niveau. En aan dat lijstje mag nu wat ons betreft ook “Just Because I’m A Woman” worden toegevoegd. Ditmaal is het Dolly Parton die door een veelheid aan collega’s in de bloemetjes wordt gezet. En zoals we al lieten doorschemeren met goed gevolg ook!

Alison Krauss schittert als naar goede gewoonte in een bluesy benadering van één van Partons grootste hits, “9 To 5”. “I Will Always Love You” zou aansluitend daarop wel eens het uithangbord voor dit album kunnen blijken. Niet meteen onze favoriete track hier, maar in de power ballad-uitvoering van Melissa Etheridge wel geschikt materiaal voor hitlijsten waar ook ter wereld. Norah Jones legt vervolgens een betoverend mooie twangy jazzy uitvoering neer van “The Grass Is Blue”. Ergens in het vaarwater van Allison Moorer, zeg maar. Moorer is verderop trouwens ook zelf van de partij met een erg soulvolle, wat dromerige versie van “Light Of A Clear Blue Morning”. En ook zusje Shelby Lynne gaat hier behoorlijk bezield tekeer. Als ze zich een weg doorheen “The Seeker” baant, lichten in onze geest in grote neonletters spontaan de namen Dusty Springfield en Bobbie Gentry op. Bijzonder leuk is het verder ook om Emmylou Harris nog eens in volle country-glorie aan het werk te horen in het ouwe getrouwe “To Daddy”, dat haar echt op het lijf geschreven lijkt. En Kasey Chambers klinkt in “Little Sparrow” zelf als een jonge, zeer dynamische uitvoering van Parton – net dat ietsje meer alt. echter. Knap klinkt zelfs Sinéad O’Connor in voor haar toch behoorlijk onontgonnen gebied. Met de steun van Jerry Douglas op de resophonic guitar en met Rhonda en Darrin Vincent als vocale rugdekking tovert ze “Dagger Through The Heart” om tot een lekker twangy niemendalletje. Net zoals ook Shania Twain en Alison Krauss & Union Station van “Coat Of Many Colors” een zeer genietbare Americana-versie achterlaten. Zou Twain vaker moeten doen! Klinkt echt stukken beter dan wat ze op haar eigen jongste cd klaarmaakte. De resterende tracks variëren van goed tot enigszins overbodig. Joan Osborne levert met de hulp van John Leventhal op gitaar verrassenderwijze een mooie Americana-uitvoering van “Do I Ever Cross Your Mind” af, terwijl Mindy Smith ons met haar bewerking van “Jolene” niet echt kan bekoren. De combinatie van bluegrass met rock vloekt naar onze bescheiden mening een weinig. Net zoals de jazzfunk van Me’Shell N’Degéocello dat in deze context doet. Haar kijk op “Two Doors Down” is an sich niet slecht, maar sluit in het geheel niet aan bij de door de andere nummers opgeroepen sfeer. En dan is er nog de zogeheten bonus track. Daarin laat Parton zelf nog eens horen hoe het moet. Met tonnen emotie in haar stem tekent ze voor een werkelijk prachtige, lekker gevoelige uitsmijter als ze zich aan een nieuwe versie van het klassieke “Just Because I’m A Woman” waagt.

Een pluim voor zowat alle betrokkenen dus, met vooraan Parton zelf en executive producer Steve Buckingham. Knappe songs verdienen straffe stemmen moet de man gedacht hebben en daar kunnen we met z’n allen als luisteraars alleen maar wel bij varen. Al zouden wij heel graag eens een wat meer bluegrass-georiënteerde tribute cd aan Parton opgedragen zien. Die verdient ze gezien haar jongste drie platen zeker. En het zou ons heel erg verbazen, als er dan geen pure magie in de lucht zou komen te hangen…

http://www.sugarhillrecords.com/catalog/pagemaker.cgi?3980

 

 

SAM BUSH & DAVID GRISMAN

“Hold On, We’re Strummin’”

(Acoustic Disc)

(3,5) J J J J

 

 

 

“Hold On, We’re Strummin’”… Met een glimlach om de lippen zien we mandolinegrootmeesters Sam Bush en David Grisman zinspelen op de naamverwantschap met hun soulvolle voorgangers Sam & Dave in de titel van hun nieuwe cd. Het betreft hier een al een eeuwigheid geleden geplande samenwerking tussen de twee virtuozen, die al bijna veertig jaar lang als goede vrienden door het leven stappen.

De feiten. Het album telt zestien tracks, waaronder liefst vijftien instrumentals. In twaalf van de zestien gevallen gaat het daarbij om originelen. En wij zijn ervan overtuigd dat liefhebbers van een lekkere pot akoestisch snarenwerk op zijn tijd hier een heel vette kluif aan zullen hebben. Voor niet getrainde oren zal het daarentegen van het goede wellicht allemaal wat veel blijken. Bush en Grisman tekenen hier samen immers voor ruim zeventig minuten snarenacrobatiek. En hoeveel spelplezier en virtuositeit ze daarbij ook tentoonspreiden, na verloop van tijd ging onze aandacht toch een beetje verslappen. In kleine doses vonden we dit echter zeer genietbaar. Wij mochten bijvoorbeeld graag luisteren naar het sfeervolle slide mandolinespel van Bush in “Swamp Thing”, naar de zeer levendige ode aan het adres van de legendarische John Hartford (“Hartford’s Real”), naar de leuke cover van de Sam & Dave-hit “Hold On I’m Coming”, naar het een weinig aan de Latino classic “Besame Mucho” reminiscente “Intimo” en naar de enige niet-instrumental hier, het humoreske “’Cept Old Bill” van Jethro Burns.

Bluegrass afficionados weten genoeg!

http://www.acousticdisc.com/acd_html/acd54.html

 

 

ERIC TAYLOR

“The Kerrville Tapes”

(Silverwolf)

(4,5) J J J J J

 

 

Met Eric Taylor trekt weldra een singer-songwriter door onze kontreien die beslist tot de allergrootsten moet worden gerekend. Net als een Townes Van Zandt, een Guy Clark of een Steve Earle heeft hij immers nogal wat fans die binnen muziekkringen zelf als hele groten bekend staan. Nanci Griffith en Lyle Lovett mogen bijvoorbeeld tot het groepje devote volgelingen van Taylor worden gerekend dat zich reeds songs van de man eigen maakte. Allemaal zijn ze ’t er in elk geval over eens, dat Taylor best wel wat meer aandacht verdient. En daar zijn wij het roerend mee eens. Vandaar dus…

Met “The Kerrville Tapes” is de man ondanks zijn lange carrière pas aan zijn vijfde release toe. Eerder moesten we het stellen met zijn debuutplaat “Shameless Love” uit 1981, de ruim veertien jaar later in 1995 verschenen opvolger “Eric Taylor”, het uit ’98 stammende “Resurrect” en zijn laatste studioplaat, het bijzonder lovend onthaalde “Scuffletown” uit 2001. Met die vier voorgangers pende, speelde en zong Taylor zich telkens weer in de gunst van zijn collega’s. Hij ontlokte aan Nanci Griffith zelfs ooit de uitspraak, dat men hem moest zien als de William Faulkner der songwriters van zijn generatie. En uit de mond van iemand van het kaliber van Griffith klinkt zoiets natuurlijk pas echt als muziek in de oren. Taylor genoot dan ook een stevige reputatie bij het kennerspubliek van het prestigieuze Kerrville Folk Festival. In 1977 won hij er als groentje de “New Folk” wedstrijd. Later, in ’96, werd hij er voor zijn cd “Eric Taylor” opnieuw geëerd als maker van het album van het jaar. Echt verwonderlijk kan je ’t dan ook niet noemen, dat hij voor zijn eerste live-album terugvalt op verspreid over drie jaar Kerrville gemaakte opnames.

Met uitzondering van “Where I Lead Me” van de hand van grootmeester Townes Van Zandt werd daarbij gekozen voor eigen songs. En die laten een heel erg relaxt pickende Taylor aan het woord die zich voor een publiek van gelijkgestemde geesten duidelijk in zijn sas voelt. Hoogtepunten van het album zijn wat ons betreft de verzuchtingen van een bajesklant in “Prison Movie” (met zelfs even een tekstuele cameo voor wijlen Johnny Cash), het zelfs naar Taylors normen behoorlijk weemoedig aandoende “Louis Armstrong’s Broken Heart”, het beklemmend mooie “Texas, Texas” met zijn heerlijk verwoorde beelden van de Lone Star State in al zijn natuurlijke pracht en het met Denice Franke gebrachte, liefdevolle sluitstuk “Strong Enough For Two”.

Op ons had het album al bij de eerste beluistering het effect dat we aansluitend ook Townes Van Zandts “Live At The Old Quarter” weer even in de cd-wisselaar lieten glijden. En dat wil al iets zeggen… Zo goed? Zo goed, ja! Een ware delicatesse is dit voor muzikale fijnproevers.

www.silverwolfmusic.com

 

 

4 WAY STREET

Pretzel Park

(Sliced Bread Records / Sanctuary)

(4) J J J J

 

 

Vermomd als The Thorns lieten Matthew Sweet, Shawn Mullins en Pete Droge eerder dit jaar hun genegenheid voor de singer-songwriters uit de jaren zeventig al eens volop blijken. En nu is er met 4 Way Street opnieuw een soort van singer-songwriter supergroep om daar nog een serieuze schep bovenop te doen. Het gezelschap bestaat uit vier in kennerskringen erg hoog ingeschatte artiesten uit Philadelphia. De bekendste van de bende is wellicht Ben Arnold, die in 1995 de schitterende debuut-cd “Almost Speechless” op de wereld losliet. Bassist Scott Bricklin scoorde eerder dan weer met een eigen band luisterend naar de naam Bricklin. Joseph Parsons is sinds jaar en dag één van de paradepaardjes van het Duitse Blue Rose Records. En Jim Boggia is naast een veelgevraagde sessiemuzikant ondermeer ook verantwoordelijk voor de mooie cd “Fidelity Is The Enemy”.

In het geval van 4 Way Street blijkt het geheel evenwel eens te meer groter dan de som der afzonderlijke delen. “Pretzel Park”, het debuut van de band, staat namelijk tot barstens toe vol met aanstekelijke deunen, waarin pop, rock, folk en soul elkaar voortdurend de hand reiken. Dat resulteert in een trits fraaie catchy liedjes met afwisselend een hoog Buffalo Springfield-, Crosby, Stills, Nash & Young- of (meer recent) Crowded House-gehalte. Opener “Change Gonna Come” zou zo bijvoorbeeld tot een terechte radiohit kunnen uitgroeien: zomers rinkelende gitaren, fraaie samenzang, wat wil een mens nog meer? Die samenzang, zo’n beetje het handelsmerk van de groep, is het trouwens die dit geheel tot ver boven de middelmaat doet uitstijgen. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar “Shoot The Moon”, waarin de heren beurtelings een plaatsje achter de microfoon opeisen, of naar het een weinig aan de Rembrandts herinnerende tweetal “Counting On You” en “Annie Also Ran”, of naar het sfeervolle popliedje “Everywhere You Go”, of naar… We zouden inderdaad kunnen blijven opsommen. Laat het er ons dan ook maar op houden, dat dit gewoon een heel erg lekkere popplaat is. Warm aanbevolen derhalve ook!

www.4wayst.com

 

 

COLLIN HERRING

“Avoiding The Circus”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4,5) J J J J J

 

 

Vijfentwintig jaar oud is hij en afkomstig uit Fort Worth, deze bijzonder veelbelovende jonge singer-songwriter die met “Avoiding The Circus” niet enkel één van de sterkste debuten van het jaar aflevert, maar één van de knapste platen tout court. En al hoort hij zelf de termen alt. country en no depression niet graag vallen in verband met zijn muziek, toch zijn dat de beste referentiepunten. In een productie van Matt Pence (die niet zo heel erg lang geleden ook al verantwoordelijk was voor “Sebastopol” van Jay Farrar) en gemixt door Stuart Sikes (White Stripes) bloeit het album gedragen door Collins hese stem en zijn fantastische songs open tot zo’n echt groeibriljantje. Tot de invloeden van Herring behoren duidelijk Neil Young, Son Volt, Whiskeytown en Ryan Adams, Gram Parsons en de Jayhawks. Geen wonder dan ook, dat de man eerder raakpunten met een Ryan Adams, een Richard Buckner of een groep als Son Volt vertoont, dan met wat momenteel bon ton is in Texas. Deel uitmakend van de zogeheten Acoustic Maffia, een groep van gelijkgestemde en ook regelmatig samen spelende jonge geesten van in en rond Fort Woth, predikt Herring vertrouwen in de kracht van het liedje. En in dat opzicht blijken zijn roots dan toch weer relevant, want die houding kenmerkt menig een terzake doend Texaans muzikant.

Al bij al is “Avoiding The Circus” tekstueel gezien een behoorlijk triest aandoend album. Een liefdesleven op een laag pitje, drank, religie… het zijn slechts enkele van de (regelmatig) aan bod komende thema’s. Gelukkig blijkt er in de verte altijd wel ergens een verlossend lichtje te schijnen. Hoop doet nu eenmaal leven… Daardoor wordt Herrings eersteling ook allesbehalve een topzwaar album.

Tot de hoogtepunten op ’s mans debuut rekenen wij prachtige liedjes over malchance in de liefde als “Angels” en het rootsrockertje “Train On Her Brain”, maar zeker ook “Slow Moving Street” – dat ook de liefhebbers van Rod Picott, Slaid Cleaves en Brian Webb moet kunnen bekoren – en “Hard Things To Fake” (over een dagje ouder worden). Eerlijkheidshalve willen we daar echter wel snel aan toevoegen, dat het slechts voorbeelden betreft, want “Avoiding The Circus” is, zoals we hier hoger al aangaven, eigenlijk gewoon een ijzersterk geheel.

We worden echt verwend dit jaar…

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=27962&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

MAGEE PAYNE

“Habits Of The Heart”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Op zijn cd-debuut “Habits Of The Heart” tekent de uit Fort Worth afkomstige Magee Payne voor dertien pittige liedjes (een verborgen bonus track meegerekend), waarmee hij zondermeer aanspraak mag maken op een plaatsje tussen in Texas behoorlijk succesvolle acts als Reckless Kelly, Cross Canadian Ragweed, Stoney LaRue, Wade Bowen & West 84, Dub Miller en Bleu Edmondson. De plaat werd opgenomen in de prestigieuze Cedar Creek Studios in Austin en nogal wat schoon volk werd bereid gevonden om Payne een handje te komen toesteken. Brady Black uit de entourage van Dub Miller beroert de fiddle-snaren, Adam Odor, de voormalige bassist van diezelfde Miller, is eveneens van de partij, de hier onlangs nog fel bejubelde Steve Wedemeyer en co-producer Matt Skinner nemen de gitaarpartijen voor hun rekening en Les Lawless bewerkt de drums. Vocaal wordt Payne ondermeer bijgestaan door Willy Braun van Reckless Kelly, Cody Canada van Cross Canadian Ragweed, Dub Miller, Matt Skinner, Steven Harris van Harris & Ryden en Amy Rankin. Een indrukwekkend lijstje!

Muzikaal gezien doet de man ons nogal eens denken aan één van de zonet opgesomde acts. Reckless Kelly met name. En da’s bedoeld als een serieus compliment! Payne schrijft immers heel knappe countryrocksongs. En als je weet, dat de enige cover hier, Ryan Adams’ “16 Days”, niet eens tot de beste songs behoort, dan zegt dat toch wel iets over het niveau van “Habits Of The Heart” als geheel. Doet dan ook nu al volop uitkijken naar meer!

http://mageepayne.com/

http://www.texasmusicexpress.com/product.asp?3=602

 

 

KATE CAMPBELL

“Twang On A Wire”

(Evangeline)

(4,5) J J J J J

 

 

“Rose Garden”, “Mississippi Woman, Louisiana Man”, “Would You Lay With Me In A Field Of Stone”, “Down From Dover”, “Funny Face”, “Til I Can Make It On My Own”, “Honey On His Hands”, “Boulder To Birmingham”, “Harper Valley PTA”, “Satin Sheets”, “Help Me Make It Through The Night”, “Touch Your Woman”, ware het niet dat op de valreep door Kate Campbell aan dat lijstje ook de eigen compositie “Twang On A Wire” werd toegevoegd, je zou verdorie de indruk krijgen dat je te maken hebt met één van die goedkope countryverzamelaars waarvoor het label K-Tel bekend staat, met als thema dan country ladies of the sixties and seventies of zoiets… Datzelfde “Twang On A Wire” is meteen ook het nummer waaraan dit album zijn titel ontleende. Oorspronkelijk zou het enkel via de website van Campbell en op concerten aan de man gebracht worden. Gelukkig heeft men nauwelijks een half jaar later dat idee alweer laten varen en is het nu via Evangeline voor iedereen een stuk gemakkelijker verkrijgbaar gemaakt.

“Twang On A Wire” is een hommage aan het adres van een select groepje artiesten dat in de periode vervat tussen 1968 en 1975 een plaats voor de vrouw binnen het tot dan toe toch voornamelijk door mannen gedomineerde countrywereldje hielp afdwingen. Van latere grootheden van het genre als een Emmylou Harris, een Dolly Parton of een Tanya Tucker tot eendagsvliegen als bijvoorbeeld een Sammi Smith, een Jeannie C. Riley of Jeanne Pruett - deze vrouwen waren het immers die Campbell later ook zelf in de muziek zouden doen belanden. (En daar zijn we hen zeer dankbaar voor!)

Ook voor “Twang On A Wire” weer omringde Kate Campbell zich met een schare absolute topmuzikanten. Jeff Finlin (drums, percussie en backing vocals), Kevin Gordon (gitaren en backing vocals), Dave Jacques (bas), Will Kimbrough (ondermeer dobro, mandoline en accordeon) en Jay Zdad (gitaren, lap steel en harmonica) hielpen haar de originelen net dat beetje ruwer te vertolken dat de songs nodig leken te hebben om ook in Americana- en alt. country-kringen te kunnen bekoren. Bij het beluisteren ervan moesten wij alvast regelmatig terugdenken aan de hoogdagen van Emmylou Harris. Campbells vertolkingen van nummers als “Honey On His Hands”, “Help Me Make It Through The Night” of “Boulder To Birmingham” kunnen wat ons betreft dan ook met opgeheven hoofd postvatten naast het betere werk van dat country-icoon. En dat zijn dan niet eens de beste nummers hier! Daarvoor richten wij onze blikken eerder op de vurige, in duet met Kevin Gordon gebrachte cover (met aangepaste titel) van de Conway Twitty & Loretta Lynn-hit “Mississippi Woman, Louisiana Man” en de ronduit huiveringwekkend mooie versie van “Would You Lay With Me In A Field Of Stone” (geschreven en vertolkt door David Allan Coe, maar toch vooral bekend in de uitvoering van Tanya Tucker), waarin Campbell samen met huisfavoriet Jeff Finlin werkelijk de sterren van de hemel zingt. En dan is er ook nog het al eerder aangesproken zelf gepende titelnummer, dat gemakkelijk één van Campbells mooiste songs ooit is. “All I wanted to do was twang on a wire,” bezingt ze op overtuigende wijze haar ultieme kinderdroom in dat liedje en daarin lijkt ze ondertussen toch wel aardig te zijn geslaagd.

www.katecampbell.com

www.evangeline.co.uk

 

 

ELVIS COSTELLO

“North”

(Deutsche Grammophon / Universal)

(4) J J J J

 

 

Elvis Costello staat ervoor bekend zijn volgelingen geregeld weer op het verkeerde been te (willen) zetten. Toen hij tijdens de hoogdagen van de eerste punkgolf met zijn debuut uitpakte, had hoegenaamd geen enkele kristallen bol kunnen voorspellen, wat de man nog allemaal voor ons in petto zou hebben: van pubrock tot singer-songwriter stuff, van country tot soul, van Americana tot jazz, van klassiek tot soundtracks bij films, etcetera. Eclecticisme is door de jaren heen steeds weer het sleutelwoord gebleken. En evolueren uiteraard…

Wat mag je nu van de man verwachten op zijn nieuwste worp “North”? Opnieuw geen gemakkelijk hapje, zo blijkt. Het gaat om een plaat die in eerste instantie een wel erg bezadigde indruk achterlaat. De rust straalt er als het ware van af. En precies daardoor krijg je aanvankelijk al snel het gevoel dat er hier eigenlijk niet echt iets te rapen valt, dat er - al is het ook maar een klein beetje - boven uitsteekt. Bij nader inzicht een verschrikkelijk voorbarige conclusie! Costello blijkt namelijk bijzonder goed bij stem en etaleert dat bijvoorbeeld in het zondermeer prachtige liedje “Someone Took The Words Away”, een nummer verwant aan zijn eigen ondertussen klassieke versie van “Shipbuilding”. Anderzijds zijn er flink wat momenten waarop hij de perfectie van de rustige songs op zijn meesterwerk “Imperial Bedroom” aardig benadert. Zij het dat zijn samenwerkingen met Bacharach, Von Otter en het Kronos Quartet duidelijk hun sporen hebben achtergelaten. Op “North” vinden elementen uit pop, jazz, chanson, klassiek en nog een hele trits andere stijlen vaak onderdak in één en hetzelfde liedje. Daardoor groeit het album uit tot een geheel waarin muzikale goudzoekers volop aan hun trekken zullen komen. Een plaat om vaak en veel en heel erg aandachtig te beluisteren dus, bij voorkeur als de nacht haar mantel van rust al weer lang over de wereld heeft uitgespreid en je in alle sereniteit van Costello’s soepele stemcapriolen en zijn als vanouds sublieme pennenvruchten kan genieten.

Snelle beslissers worden voor hun geestdrift beloond met een gelimiteerd bonusschijfje met daarop video’s van de nummers “Still”, “Fallen” en “North”. En voor eenieder die het album koopt is er ook on line nog een kleine verrassing voorzien. Met een speciaal daartoe voorziene code kan je er immers nog eens een extra bonus track downloaden.

www.elviscostello.com

www.deutschegrammophon.com

www.universalclassics.com

 

 

BRIAN BURNS

“The Eagle & The Snake: Songs Of The Texians”

(Palo Duro Records)

(4,5) J J J J J

 

 

De uit Waco afkomstige Brian Burns werd door onze collega’s van Rockzilla zowel in 2001 als in 2002 uitgeroepen tot Texaans artiest van het jaar. En dan weet je zo ongeveer wel, dat er iets speciaals aan de hand moet zijn. In Texas heeft men de jongste jaren immers in het geheel niet te klagen gehad over de aangroei van het plaatselijke bestand aan getalenteerde singer-songwriters. Er was wel degelijk keuze zat…

Eén enkele beluistering van Burns’ vierde cd “The Eagle & The Snake: Songs Of The Texians” volstaat evenwel om te begrijpen, waarom men zo moeilijk om de man heen kon. Het album is enerzijds een soort ode aan de stilaan uitstervende Western muziek, anderzijds staat het voor een stukje Texaanse geschiedschrijving. En daarbij bedient Burns zich zowel van bestaand songmateriaal als van zijn eigen liedjes. Met zijn een weinig aan een Tom Russell of een Dave Alvin herinnerende zware stem schittert hij in songs als het je vast al van Tom Russell zelf bekende “Gallo Del Cielo”, de Hoyt Axton classic “Evangelina”, het van Marty Robbins geleende “Man Walks Among Us” en het samen met Russell ingezongen “El Llano Estacado”. Andere opvallende gasten zijn Gary P. Nunn en Larry Joe Taylor die Burns in respectievelijk “Well Of The Blues” en “Third Coast” vocaal een handje komen toesteken. Op de lijst met gebezigde muzikanten treffen we verder ook nog raspaardjes als Davin James en Tommy Alverson aan.

Het betreft hier de heruitgave van een album dat al een tijdje in kennerskringen circuleerde, maar dat nog lang niet de bekendheid heeft verworven die het eigenlijk verdient. En da’s jammer, want in het schemergebied tussen country en singer-songwriter stuff is dit echt wel één van de beste platen die we de jongste jaren gehoord hebben! Werkelijk door en door Texas bovendien.

www.brianburnsmusic.com

www.palodurorecords.com

www.compendiamusic.com

 

 

ED JURDI

Longshores Drive

(Red Fez Records)

(4) J J J J

 

 

Of het de zacht priemende stralen van het zich volop manifesterende najaarszonnetje op onze huid, dan wel de honingzoete blanke soulstem en de knappe songs van Ed Jurdi zijn die ons in een bijzonder goed humeur aan het schrijven hebben gekregen, we zouden het echt niet weten. Wellicht is het een combinatie van de twee die het ‘m gedaan heeft. Onderwerp van onze noeste arbeid is “Longshores Drive”, de opvolger van Jurdi’s door heel wat critici jubelend onthaalde titelloze debuut uit 1999. En die zogeheten moeilijke tweede heeft Jurdi werkelijk tot de nok toe volgestouwd met soulvolle Americana of, zoals de man het zelf pleegt te noemen, cosmic American soul. Namen als Dan Penn, Eddie Hinton of de hier eerder dit jaar ook al besproken Richard Ferreira (Remember “Somewhereville”?) lijken ons de meest voor de hand liggende referentiepunten. Knappe van soul doordrongen ballads als “Philadelphia” of “Catch Me If You Can” wisselt Jurdi af met een heerlijke New Orleans shuffle als “Walking And Talking” of het volop naar Memphis geurende “Bumblee”. En in “Don’t Call On Me” - waarvoor Jurdi assistentie kreeg van huisfavoriet Mark Erelli - meenden we zelfs even echo’s van good old Frankie Miller te ontwaren.

De pas 27-jarige Jurdi heeft echt een fenomenaal mooie witte soulstem – te situeren ergens tussen Van Morrison en wijlen Otis Redding – waarmee hij gegarandeerd ook jou zal inpakken bij de eerste de beste gelegenheid die hem daartoe geboden zal worden. Daarnaast is de man een uitermate begenadigde songwriter, die z’n moderne soulsongs steeds weer lekker apart weet te kruiden met elementen uit naar de geest althans enigszins verwante genres als folk, gospel, blues, country tot zelfs bluegrass toe. En als dat dermate vakkundig gebeurt als hier, dan wordt het voor een recensent heel erg moeilijk om de maker van zo’n plaat niet te overladen met complimentjes. Warm aanbevolen!

www.edjurdi.com

http://redfezrecords.com/

 

 

GREG BROWN

“Over And Under”

(Trailer Records / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

Vlak na zijn onder lovende kritieken bedolven album “Covenant” schreef modern folkicoon Greg Brown een verzameling songs, die hij kort nadien zonder al teveel poeha errond zou inblikken met een stel vrienden. Het album verscheen een weinig later op het lokale (in Iowa gevestigde) Trailer Records van de jonge platenbaas met de oude ziel David Zollo. Dat was in 2000. Nu, goed drie jaar later, is het geheel dankzij het onvolprezen roots-huis van vertrouwen Sonic Rendezvous eindelijk ook officieel in België en Nederland verkrijgbaar. En wij kunnen het hier niet genoeg beklemtonen: “Doe er in godsnaam je voordeel mee!” “Over And Under” is immers Greg Brown op zijn aller-, allerbest. Die heerlijke donkerbruine stem van ‘m in veertien uitstekende Americana folk songs, die klinken alsof ze gewoon ergens in de huiskamer van één van de betrokkenen werden opgenomen. Qua sfeer doet het allemaal een beetje denken aan het grootse “Public Domain” van Dave Alvin. Al betreft het hier in tegenstelling tot het album van het Blasters-kopstuk wel degelijk dertien eigen songs en slechts één door Brown bewerkte traditional.

De hoogtepunten zijn wat ons betreft te talrijk om op te sommen, maar als we er een toch een paar zouden moeten noemen, dan behoren daartoe zeker het verstilde, een weinig aan het laatste werk van Johnny Cash herinnerende “Dear Wrinkled Face”, de vlotte Americanadeun “Your Town Now” en de in een old-time sfeertje ingebedde prachtsong “Fairfield”.

Hier is één van de allergrootste folkartiesten van het ogenblik gewoon op het toppunt van z’n kunnen bezig. Naakte schoonheid, noem je zoiets. En derhalve is er ook maar één conclusie mogelijk: essentiële aanschaf!

http://www.gregbrown.org/

www.sonic.nl

 

 

BOBBY FLORES

“Just For The Record”

(Yellow Rose Records)

(4) J J J J

 

 

Het muzikale c.v. van Bobby Flores liegt er bepaald niet om. We troffen zijn naam in het verleden ondermeer al aan op platen van Ray Price & Willie Nelson, Doug Sahm, Freddie Fender, Johnny Bush, Clay Blaker, Justin Trevino, Ed Burleson en Rodney Hayden, om er maar een paar te noemen. En met “Just For The Record” bewijst hij nu ook volop op eigen benen te kunnen staan. Het album opent met het geluid van krakend vinyl en staat boordevol met materiaal van de allerbeste country songwriters ooit: van Ray Price tot Hank Cochran, van Bob Wills tot Willie Nelson of Don Gibson, je zegt het maar! De toon is daarmee klaar en duidelijk gezet. Real country, inderdaad! Liefhebbers van moderne honky tonkers als het eerder al even vernoemde tweetal Justin Trevino en Ed Burleson of ook wel een Jim Lauderdale weten zodoende al genoeg.

Flores beschikt over één van de mooiste countrystemmen van het moment en laat ons daarvan uitgebreid genieten in nummers als “One More Time”, “Soft Rain” en “Your Old Love Letters” van Ray Price of Willie Nelsons “I’m Still Not Over You”. En die twee lijken ons dan ook de beste referentiepunten om Flores muzikaal te situeren. Al voegen we aan dat lijstje graag ook de naam van Justin Trevino toe, die hier samen met Flores trouwens tekent voor fraaie uitvoeringen van “I’ll Find A Way (To Free Myself)” en “I Don’t Know Why (I Keep On Loving You)”. Andere opgemerkte gasten zijn Billy Mata in een knappe jazzy versie van Don Gibsons “Oh Lonesome Me” en James Hooker wiens fraaie harmonieën opener “One More Time” en “Be A Good Girl” sieren.

Vergeet Nashville nu maar – dit is échte country…

www.bobbyflores.com

www.CD-Tex.com

 

 

BOCEPHUS KING

“All Children Believe In Heaven”

(Tonic / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Drie jaar lang liet hij wachten op zijn vierde cd “All Children Believe In Heaven”, maar het zou ons ten zeerste verbazen mocht de buzz rond zijn persoontje met deze plaat bekoelen. Bocephus King is namelijk een behoorlijk eigenzinnige knaap, die ook met zijn nieuwste weer spek naar de bek van avontuurlijk ingestelde muziekliefhebbers aflevert. En dan val je nu eenmaal vrij snel op… Onder de elektronische plinkjes en bliepjes van het ruim tien minuten (!) durende openingsnummer van z’n jongste, “St. Hallelujah”, zal je zo na het nodige ploegwerk een oosters geïnspireerd rootsliedje aantreffen. Even lijkt het erop alsof Malcolm McLaren zijn tenten tijdelijk in Americanaland heeft opgeslagen. En in het daaropvolgende weirde, maar op een speciale manier tegelijk toch ook aantrekkelijke “Wreck Of The Century” botsen de Beach Boys frontaal met moderne elektronica in een soort van glamrock setting. Of iets van die strekking toch… Bij Bocephus King kan je immers nooit zeker van iets zijn. Zijn muziek zit zo barstensvol van de compleet uiteenlopende elementen dat het héél erg moeilijk wordt om alles in enkele luisterbeurten te bevatten. Dit soort van oeuvre vergt heel wat van de luisteraar. En elkeen zal er allicht ook wel andere dingen in horen.

Zijn songs bevolkt King zoals steeds met een samenraapsel van “miserabelen”: van in de liefde falenden tot misdadigers, van uitgebluste geesten tot dames van lichte zeden, van slikkers en spuiters (en hun leveranciers) tot zuipers, enzovoort. In “They Love Each Other” bijvoorbeeld, waarvan de vlag de lading in het geheel niet dekt, heeft de man het over een zeemzoet wijsje heen - tegen een misleidende titel in - over een fataal afgelopen relatie. En “Hollywood” hangt ondanks een opgewekte (zeg maar radiogenieke) ondertoon geen al te fraai beeld van die filmstad op. En dan is er nog het veelzeggend getitelde “It Hollows You Out” - qua sfeer een weinig verwant aan Grace Jones’ “Nightclubbing” en aan het werk van Gavin Friday. Terwijl “Jesus The Bookie” dan weer duidelijk in Tom Waits-territorium rondsnuffelt, rammelende moderne grootstadsblues dus.

Je had het na het voorgaande zelf wellicht al lang in de gaten: dit is een bijzonder veel omvattend pakketje. Zo’n typische alles-of-niets-plaat ook. Ofwel ga je d’r zonder de minste reserve volledig plat voor, ofwel laat het je volstrekt koud en irriteert het. Zal dus een kwestie van zelf even checken worden…

www.bocephusking.com

www.sonic.nl

 

 

THE HANDSOME FAMILY

“Singing Bones”

(Carrot Top Records / Bertus)

(4) J J J J

 

 

In de zomer van 2001 verruilden Brett en Rennie Sparks hun toenmalige kille thuishaven Chicago voor het meer zuidelijke Albuquerque. De vraag was dan ook gerechtvaardigd of The Handsome Family ooit nog wel hetzelfde zou kunnen zijn. Of die ijselijk mooie muziek van het tweetal een zodanig buitensporige blootstelling aan de zon wel zou overleven. Zagen we de muziek van een Teddy Morgan bijvoorbeeld onlangs in vergelijkbare omstandigheden niet stevig evolueren?

Om je snel van antwoord te dienen op die vraag: The Handsome Family klinkt bij momenten wel degelijk anders op de nieuwste, “Singing Bones”. Er zijn natuurlijk nog altijd die twee prachtige stemmen – de donkere croon van Brett en het warme tegengewicht daarvoor van Rennie. En er zijn ook nog steeds de bij momenten wat weird aandoende teksten van de liedjes. Het is vooral muzikaal gezien, dat er hier en daar flinke veranderingen vallen vast te stellen. Het als duetje opgevatte “Far From Any Road” bijvoorbeeld heeft dankzij de koperwerkinbreng van David McChesney en de mandolinebijdrage van Dave Guttierez een behoorlijk hoog Calexico-gehalte. En bij songs als “Gail With The Golden Hair” of het uptempo “The Song Of A Hundred Toads” dwaalden onze gedachten steeds weer af naar één van de allermooiste countryplaten aller tijden, “Gun Fighter Ballads & Trail Songs” van Marty Robbins. Met zijn gotische stem tilt Brett Sparks die twee nummers wat ons betreft naar een wel héél erg hoog niveau.

Verder treffen we hier toch vooral ook weer veel wat eigenzinnig aandoende Americana en alt. country aan. Zoals de opener “The Forgotten Lake” bijvoorbeeld, waarin het er alle aanschijn van heeft dat Nick Cave en P.J. Harvey verdwaald geraakt zijn in Alt. Country Land. Of ook het zich wat spooky aandienende “24-Hour Store”, waarin de zingende zaag van Brett Sparks haar opwachting maakt. “The Bottomless Hole” is dan weer lekkere Americana country met een knipoog in de richting van de jonge Cash. En in het bijna-titelnummer “Dry Bones” wijzen zowel de religieuze thematiek als de muzikale inkleuring van het liedje in de richting van de Louvin Brothers. “Fallen Peaches” komt al weer wat dichter bij het oudere werk van The Handsome Family – een ballade met een onheilspellende intro, gedragen door de grafzerkstem van Brett Sparks.

Een beetje anders dan z’n voorgangers dus toch wel, deze “Singing Bones”. Maar, in alle eerlijkheid, wij vinden het een heel lekker album. En we zouden Brett en Rennie eigenlijk best wel eens een heel album à la de hoger al vernoemde Marty Robbins classic willen zien inblikken. Op hun manier dan… Dat zou immers wel eens een fenomenaal goede plaat kunnen opleveren!

www.handsomefamily.com

www.carrottoprecords.com

www.bertus.nl

 

 

DEAD END ANGELS

“November”

(Down Time Records)

(4) J J J J

 

 

De naam Scott Melott zal bij sommigen onder jullie allicht nog wel een belletje doen rinkelen. Tot 2001 maakte de man immers deel uit van de fel gesmaakte Groobees. Toen die groep ontbonden werd verkaste Melott vrij snel naar New Braunfels, TX en richtte er een weinig later de Dead End Angels op. En met Alejandro Escovedo als producer zou de samenwerking van dat viertal al snel uitmonden in de debuutcd “November”, een tot de nok toe met uitstekende Americana rock gevuld album. Melott manifesteert zich daarop als een werkelijk uitmuntende verteller die zijn verhalen in lekker catchy songs verpakt. Zoals het mooie “Rhonda’s Prayer” bijvoorbeeld, waarin hij ons de overstromingen die nog niet zo heel erg lang geleden grote delen van Texas teisterden laat meebeleven door de ogen van een bange betrokkene. Of de song geworden lap verdriet die “If You Want It That Much” is – Americana op zijn allermooist. Of ook het samen met Libbi Bosworth en drummer Craig Bagby geschreven “Girl In Oklahoma”, dat muzikaal gezien ergens in de buurt van Bruce Springsteens “I’m On Fire” strandt. En da’s bedoeld als compliment! Bosworth draagt trouwens ook vocaal haar steentje bij aan dat nummer, net als aan de openingstrack “Almost Familiar”. En uit het juiste hout gesneden zijn verder ook nog de rockertjes “All I Want To Do”, waarin producer Escovedo op zijn beurt een mondje meezingt, “Red Letter Bible” en “Wrecked And Beautiful”.

Samenvattend kunnen we stellen, dat “November” een erg knappe, hoogst genietbare Americana rock-plaat is, die zowel tekstueel als muzikaal volop weet te bekoren. Van het betere werk uit Texas, zeg maar.

www.deadendangels.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28260&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

ROGER CREAGER

“Long Way To Mexico

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Het zal jullie de jongste maanden wellicht niet ontgaan zijn, dat wij het Texaanse muziekgebeuren een warm hart toedragen. Of het nu gaat om klassiekers als Willie Nelson, Waylon Jennings, Billy Joe Shaver, Townes Van Zandt of Guy Clark, dan wel om jonge honden als Pat Green, Cory Morrow, Bruce en Charlie Robison of Jack Ingram, wij vinden ze echt allemaal wel hun charme hebben. En dat zeggen we op het risico af daarvoor door sommige mensen met een scheef oog te worden bekeken. Maar zeg nu zelf, zelfs al vind je misschien niet alles wat vanuit de Lone Star State komt overwaaien even goed, het minste wat je van het muzikale Texas anno nu kan zeggen, is dat het bruist van de vitaliteit. En precies dat gegeven zou er wel eens kunnen voor zorgen, dat in het kielzog van de Dixie Chicks, Pat Green en Charlie Robison binnen afzienbare tijd nog meer Texanen in de States aan een grote doorbraak zullen toekomen.

Neem nu zo’n Roger Creager bijvoorbeeld. Deze 32-jarige country singer-songwriter is met “Long Way To Mexico” al aan zijn derde cd toe. En het heeft er echt alle aanschijn van, dat zijn moment van de waarheid is aangebroken. Met “Having Fun All Wrong” en “I Got The Guns”, de beide voorgangers van deze plaat, wist Creager al snel een enorme fanschare voor zich te winnen. Mede daardoor kon hij het zich permitteren om drie jaar te laten vergaan tussen zijn vorige album en het nieuwe. De twee voorgangers bleven immers meer dan behoorlijk verkopen en als gevolg daarvan was de agenda van Creager immer stevig gevuld. En een ander niet onprettige uitloper van al die aandacht was het feit dat hij werd ingelijfd door het ambitieuze Dualtone label. Daarop pakt hij nu uit met een uiterst prettig album, dat vooral door zijn enorme variatie in het oog springt. Er is typische Texaanse country anno nu - waarbij je onwillekeurig wel eens aan de betere momenten van Pat Green wil gaan denken – als de samen met John Evans gepende opener “Good Old Days” of de wel bijzonder vlotte adaptatie van Shavers “Love Is So Sweet”. Er is de cajun jazz van “Shreveport To New Orleans” met een vocale gastrol voor Kevin Fowler. Er zijn een stel heerlijke trage liedjes waarvoor ook iemand als Gary Allan zijn hand niet zou omdraaien als “All For The Sake Of The Song” en de met respectievelijk Radney Foster en Clay Blaker geschreven tweeling “Waiting On You” en “Delicacy Of The Rose” – songs die mits een aangepaste dosis publiciteit zouden moeten kunnen uitgroeien tot gigantische hits. Er is de beheerste swing van “Some Get Rich” en het van een hilarische tekst voorziene “I Say When I Drink What I Think When I’m Sober” met Radney Foster. Er is het zijn titel alle eer aandoende “Gypsyland” met zijn aparte zuiderse touch. Of nog het titelnummer, gekruid met een flinke scheut Tex-Mex. Hier komt werkelijk elke smaak aan zijn trekken… En wat meer is, het klinkt dankzij de afgemeten productie van Lloyd Maines ook werkelijk allemaal uitstekend.

www.rogercreager.com

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

JOE HENRY

“Tiny Voices”

(Anti / Epitaph)

(4) J J J J

 

 

Mijlen ver verwijderd van wat hij op z’n eerste albums klaarmaakte blijft Joe Henry aan de slag als één van de meest intrigerende singer-songwriters van het ogenblik. Lang niet meer zo catchy als op zijn alt. country-meesterwerkjes “Short Man’s Room” en “Kindness Of The World” (waarvoor hij indertijd zelfs telkens de Jayhawks mee de studio in kreeg), maar zeker ook niet meer zo topzwaar als op z’n laatste, “Scar”. Al bij al baadt “Tiny Voices” in een soort van alternatief jazzy nightclub sfeertje. Deze muziek geurt volop naar het vermaak dat je verwacht in door Tom Waits of Elvis Costello gefrequenteerde gelegenheden. En die laatste heeft het dan ook nogal begrepen op “Tiny Voices”. Hij roemt vooral Henry’s vermogen om het universele en het meer persoonlijke steeds weer op onnavolgbare manier te laten botsen in een hoogsteigen muzikaal universum. En daarin kunnen ook wij ons wel vinden. Henry koppelt op “Tiny Voices” immers daadwerkelijk voortdurend sterke pennenvruchten aan een wel zeer persoonlijke muzikale approach. En dat maakt van het album zo’n typisch sterk geheel zonder echte specifieke uitschieters. Zo’n plaat die het van je als luisteraar verwacht, dat je haar laagje per laagje pelt. Je zal er bij elke nieuwe beluistering weer andere dingen op blijven ontdekken. Geen gemakkelijk luistervoer dus, maar wel heel erg lonend…

www.JoeHenryLovesYouMadly.com

www.anti.com

 

 

LOS STRAITJACKETS

“Supersonic Guitars in 3-D”

(Yep Roc Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Eén van de meest in het oog springende instrumentale combo’s van het ogenblik zijn Los Straitjackets, een opvallend gemaskeerd viertal –uitgedost met afschrikwekkende Mexicaanse worstelaarsmaskers- dat op zijn ondertussen ook alweer zevende cd opnieuw een lekker vet (surf)gitaarfeestje bouwt. The Ventures komen voorbij, Link Wray ook wel, de Shadows, maar dan wel in een aangepast eigentijds jasje, bruisend van de energie en de vitaliteit. “Supersonic Guitars In 3-D” werd in de studio van meestertechnicus Mark Neill vereeuwigd en dat hoor je! De plaat benadert mede door diens inbreng immers het hier nagestreefde doel, met name het op plaat vastleggen van het spetterende live-geluid van Los Straitjackets. Opvallende gastrollen zijn er daarbij weggelegd voor DJ Bonebrake en Billy Zoom (beiden van X), Jon Spencer en Don Fleming. Na de jongste van onze landgenoten van Reef Rider enkele weken geleden en de laatste van de Riptones eerder dit jaar opnieuw een voortreffelijke instrumentale plaat dus. Spetterende gitaarinstrumentals als het een weinig aan “Besame Mucho” verwante “Midnight In Salerno”, opener “Squid”, “Tarantula”, “Galaxy Drive” of “San Diego Shutdown” schreeuwen gewoon om op de soundtrack van de volgende Quentin Tarantino te mogen belanden en nodigen volop uit tot het hanteren van de luchtgitaar. Doe er je voordeel mee!

 

p.s.: Dankzij een gratis meegeleverd 3-D kleurenbrilletje komt ook het sowieso al flitsende artwork echt tot leven.

www.straitjackets.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

JOHN CATE & THE VAN GOGH BROTHERS

“Two Brothers”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Het begon ooit allemaal als John Cate, veranderde later in de John Cate Band en kent nu een voorlopig eindpunt in John Cate & The Van Gogh Brothers. John Cate heeft iets met namen, zoveel is duidelijk. Want uiteindelijk verandert er aan zijn aanpak op zijn nieuwe album niet zo heel erg veel. Ook op zijn zesde cd, “Two Brothers”, grijpt de roots rocker uit Boston immers weer naar een rijk gevarieerd geluid, waarin plaats is voor zowel ballads, akoestische rockertjes, als elektrische roots-escapades. In de lekker rockende opener “Innocent Girl” bijvoorbeeld koppelt hij zo het melodieuze van een John Mellencamp of een Tom Petty aan net voldoende eigenheid om van een prachtsong te mogen spreken. En lijzige rockertjes als “Hard Time” of “Same Thing” houden voortdurend de herinnering aan respectievelijk de zeventiger jaren Stones en de Byrds levendig. Heerlijk zijn ook het semi-akoestische rockliedje “Goodbye Baby”, de aan Tom Petty’s “Refugee” verwante titelsong (met een bijzonder catchy melodie en een pakkende tekst over “echte” vriendschap) en het pittige “What I’m Gonna Do”, waarin het lijkt alsof good old Bob Dylan zich op het alt. country-/roots rock-pad heeft begeven.

John Cate is een rasartiest, die lijdt onder het verschijnsel dat wel meer van zijn collega’s treft. Maak een goede debuutplaat en je wordt letterlijk besprongen door de pers. Je bent nieuw en dat wil men… Maak diezelfde knappe plaat keer op keer opnieuw en je bent oud nieuws, nog slechts goed voor een aantekening in de marge. En dat verdient zo’n man nu net niet, want dit is echt wel een heel erg goede roots rock-plaat, die ook op het Europese vasteland moet kunnen aanspreken. Geestesverwanten als Mellencamp, Petty, Young en Dylan deden dat tenslotte ook…

www.johncate.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

KEROSENE BROTHERS

“Choose Your Own Title”

(Audium / Koch)

(4) J J J J

 

 

Als Hayseed Dixie wisten John Wheeler (fiddle, gitaar, zang) en de broertjes Don Wayne en Dale Reno (banjo, mandoline) –zoons van banjolegende Don “Duelling Banjos” Reno- in de States stormenderhand een enorme fan base uit te bouwen met hun hillbilly-benadering van tal van rock classics. Van AC/DC tot Kiss of Queen en terug – ze moesten er allemaal aan geloven. En “grassrock” was het etiket waarvan de heren zelf deze muzikale hybride voorzagen.

Alter ego de Kerosene Brothers staan eigenlijk voor exact de tegenovergestelde werkwijze. Op “Choose Your Own Title”, het debuut van de band, krijgen een stel traditionele bluegrass standards een rockjasje aangemeten – zonder dat daarbij evenwel de factor country volledig uit het oog wordt verloren, daarvoor zorgen de beide snaarvirtuozen van het gezelschap wel. “Rockgrass” dus nu ook!

Van de tot “Ellie Schaffer” omgedoopte versie van de traditional “Poor Ellen Smith” waarmee het album furieus wordt afgetrapt tot dynamische tackles van overgeleverd songmateriaal als “Katy Daly”, “In The Pines”, “Farther Along” of “Shady Grove”, het klinkt hoegenaamd allemaal even spetterend en aanstekelijk. En ook de vele eigen composities die het album completeren of de cover van het Old 97’s-nummer “Doreen” zullen opnieuw op flink wat bijval kunnen rekenen, daarvan zijn wij ten stelligste overtuigd. Dit moet zo ongeveer het ideale spul zijn om in je vriendenkring nieuwe klanten te werven voor de muziek waaraan je zelf al lang verslingerd bent. En als leuk extraatje is er ook nog het hilarische lijstje waaruit je zelf een titel mag kiezen voor het album. Onze keuze viel –ondanks in totaal slechts 11 tracks- op het spitsvondige “Fifteen Beers Ago – A Retrospective”. Zal wel iets met herkenbaarheid te maken hebben zeker…?

www.kerosenebrothers.com

www.audiumrecords.com

 

 

MATTHEW RYAN

“Happiness”

(One Little Indian)

(4) J J J J

 

 

Elders in dit e-zine gingen we enkele dagen geleden reeds uitgebreid in op “Regret Over The Wires”, de werkelijk uitmuntende nieuwe cd van de uit Chester, Pennsylvania afkomstige singer-songwriter Matthew Ryan. Vrijwel gelijktijdig verschijnt bij het One Little Indian label dat ons in het verleden ondermeer ook al Björk schonk nu ook de vooral op de Britse markt afgestemde compilatie “Happiness”. Dat album is een bloemlezing uit de twee door Ryan in eigen beheer uitgebrachte cd’s “Dissent From The Living Room” en “Hopeless To Hopeful”, aangevuld met één nieuwe track en een cover van het al van Bruce Springsteen bekende “Something In The Night”. Dit is wat je zou kunnen noemen back to basics Ryan, heel erg rudimentair vereeuwigd met behulp van een 4 sporen recorder. Het ene moment akoestisch, het andere elektrisch. Nu eens verstild wegdromend, dan weer snoeihard rockend. Maar ondanks die enorme stilistische verschillen uitmondend in een knap samenhangende eenheid, waarbij de enige bedenking zou kunnen zijn, dat men de beide albums toch ook gewoon als geheel had kunnen releasen. Wie zijn wij echter om te gaan klagen… Ryans rustige kant geniet duidelijk onze voorkeur. Dan kruipt de man werkelijk onder je huid. De fraaie akoestische opener “Rain, Rain, Rain”, de bevreemdend mooie, wat dromerige uitvoering van het eerder aangesproken Springsteen-nummer en het verstilde “I’m An American”, het zijn voor ons slechts drie van de vele hoogstandjes hier. “Cut Through”, het enige niet eerder verschenen nummer op het album, is er nog zo één. Een hartverscheurend mooi liefdesliedje, dat uitnodigend ligt te lonken op een lekker zacht bedje van akoestische en elektrische gitaar- en synthesizergeluiden. Héél erg fraai gedaan allemaal!

Conclusie: als je je één dezer naar je platenboer begeeft voor de nieuwe Ryan, schaf je dan meteen ook deze compilatie aan. Ook hier valt immers rijkelijk veel te genieten. En als je niet zou weten dat het eigenlijk om een verzamelaar van eerder werk gaat, dan zou je dit wellicht ook gewoon als een uitstekende nieuwe cd bestempelen. Eens te meer dus: van harte aanbevolen!

www.matthewryanonline.com

www.indian.co.uk

 

 

CHRIS KNIGHT

“The Jealous Kind”

(Dualtone / Bertus)

(5) J J J J J

 

 

Er lijkt dit jaar maar geen einde te willen komen aan de lijst met formidabel goede singer-songwriterplaten. Als muziekliefhebber resten er je eigenlijk maar twee keuzemogelijkheden: zwaar investeren of al even zwaar selecteren. En geen van beide opties lijken ons echt aantrekkelijk… En al zeker niet als het gaat om platen van het kaliber van de derde van Chris Knight. “The Jealous Kind” lost immers volop de belofte in van de eerste twee releases van de man, zijn titelloze debuut uit ’98 en de opvolger daarvan, “A Pretty Good Guy” uit 2001. Daarop leerden we Knight kennen als een weergaloze storyteller met een lekkere gruizige stem in de trant van Robert Earl Keen en Steve Earle. Als iemand met andere woorden, die het wel eens ver zou kunnen gaan schoppen. Maar dat gebeurde tot op heden nog niet en dus mogen we Knight eigenlijk nog steeds aankondigen als één van de grootste beloften van het genre.

Bij het schrijven van de songs voor zijn derde liet Knight zich geregeld assisteren door gerespecteerde collega’s. Voor het openingsnummer, tegelijk ook de titeltrack van de cd, “The Jealous Kind”, kreeg hij zo bijvoorbeeld bijstand van Gary Nicholson. Op treffende wijze wordt daarin verwoordt hoe een plotse opwelling van jaloezie iemands leven in één klap kan ontwrichten. In het daaropvolgende, met Chuck Prophet gepende “Banging The Way” zit op ingenieuze wijze een cajun-motiefje verwerkt, dat ons als een soort verborgen verleider bij de les houdt als Knight verkondigt dat in het leven de aanhouder vroeg of laat toch steeds weer wint. Vervolgens is er “The Border”, een heerlijke Americana country song, waarin een wild leven in de marge een jong koppel tenslotte tot het beroven van een drankwinkel leidt. Zo kennen we Knight weer terug… Als het op de één of andere manier slecht kan aflopen, dan doet het dat ook…

“Staying Up Late” werd opnieuw in samenwerking met Gary Nicholson aan papier toevertrouwd. En als je Knight daarin de volgende gevleugelde woorden in de mond hoort nemen, dan weet je meteen genoeg:

“You must be studying cheating songs

to be so good at doing me wrong.”

Op z’n Tom Petty’s laat Knight ons hier mee een kijkje achter de schermen van een stuklopende relatie nemen. “A Train Not Running” situeert zich dan weer dicht in de buurt van het betere akoestische werk van Bruce Springsteen. Dat onheilzwangere nummer schildert het harde leven van een mijnwerker die door sluiting gedwongen de ondergrond vaarwel diende te zeggen. Heel erg aangrijpend! Net als “Carla Come Home”, opnieuw een dijk van een country story song, waarin we door de ogen van het jongere broertje mee beleven hoe een vader de gewelddadige echtgenoot van zijn zus naar het hiernamaals helpt als hij na een zoveelste molestering van zijn dochter vindt het recht in eigen handen te mogen nemen. En dan is er nog het al even geslaagde tweetal, “Me And This Road” en “Broken Plow”, waarin telkens het afscheid nemen van de eigen thuishaven centraal staat, zij het dan ook om diverse redenen. “Devil Behind The Wheel” (geschreven samen met en ook met vocale ondersteuning van Matraca Berg) is uitstekende Americana à la Robert Earl Keen. De protagonist van dit nummer realiseert zich dat in zijn bestaan de duivel in het bestuurderszitje heeft plaatsgenomen.

En ook de twee laatste nummers van “The Jealous Kind” stellen niet teleur. In “Hello Old Man” staan we samen met een verloren zoon voor diens vader als hij zich na een jarenlange scheiding plots weer thuis aanmeldt. En “Long Black Highway” is nog eens één van die uitzonderlijke verhalende songs van het type dat Knight in kennerskringen zo geliefd heeft gemaakt. Optrekken met verkeerd volk loopt daarin slecht af voor de verteller. Bij het overvallen van een tankstation komt een jonge pompbediende om het leven, wat tot ruzie tussen hem en zijn “vriend” leidt en uiteindelijk ook tot zijn dood. De geesten van de twee onfortuinlijke personages in dit verhaal zien later samen de verantwoordelijke voor hun lot helemaal doldraaien.

Rest er ons eigenlijk alleen nog u te vertellen, dat ex-Georgia Satellites-baas Dan Baird samen met Joe Hardy tekende voor de productie van deze werkelijk uitstekende cd. En misschien ook, dat er in de vorm van een videoclip van het nummer “Oil Patch Town” van de vorige cd van Knight ook nog een smakelijk toetje voorzien is…

www.chrisknight.net

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

LAURIE McCLAIN

“The Trumpet Vine – A Tribute To Kate Wolf”

(Kindred Voices Music)

(4,5) J J J J J

 

 

Wie net als ons behoorlijk in de ban is van wat breekbaar aandoende chanteuses als Nanci Griffith, Irene Kelley of Laura Cantrell mag zonder dralen de naam Laurie McClain aan dat lijstje toevoegen. Op haar derde cd “The Trumpet Vine” fladdert dat dezer dagen vanuit Nashville opererende nachtegaaltje rond doorheen het oeuvre van de veel te vroeg overleden folkgrootheid Kate Wolf. En dat resulteert in een plaat die mag, neen, die zelfs moet gehoord worden. Mede dankzij de betoverende harmonieën van ondermeer Pam Tillis, Lona Heins, Carter Wood en Kathy Chiavola en het muzikale vakmanschap van kanjers als Bryan Sutton, Kenny Vaughan, Nina Gerber en Stuart Duncan hangt hier voortdurend magie in de lucht. McClain springt op zo’n liefdevolle manier met het artistieke erfgoed van Kate Wolf om, dat je voortdurend het gevoel hebt dat deze songs speciaal voor haar werden geschreven. Wij durven er dan ook een flinke stuiver om te verwedden, dat je na het beluisteren van deze plaat zowel het werk van Kate Wolf als dat van McClain zelf wat beter zal willen leren kennen. Voor ons alvast een echte openbaring!

www.lauriemcclain.com

http://www.cdbaby.com/cd/lauriem2

 

 

JUNE CARTER CASH

“Wildwood Flower”

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Daar waar eenieder zich al enkele jaren verzoend had met het feit dat de dood van Johnny Cash nakende was, kwam de wetenschap dat hij zijn wederhelft zou overleven voor velen op 15 mei van dit jaar als een donderslag bij heldere hemel. De 73-jarige June Carter Cash overleed op die dag in een hospitaal in Nashville aan complicaties die zich voordeden tijdens een hartoperatie. Met June Carter Cash verdween opnieuw een levende countrylegende van het toneel. Ze was immers zoveel meer dan alleen maar de vrouw achter The Man In Black. Haar artistieke nalatenschap omvat zo ondermeer werk bij de legendarische Carter Family, aan de zijde van haar echtgenoot en in haar eentje. We denken bijvoorbeeld aan het nog niet zo heel erg lang geleden heruitgebrachte meesterwerkje “Press On”.

En nu is er dus “Wildwood Flower”, het muzikale testament van dit monument. Een plaat die je vooral met oog voor de context waarin ze tot stand kwam moet beoordelen. Net als op de laatste van haar echtgenoot Johnny klinkt immers niet alles hier even toonvast. En dat is een serieus understatement, gelooft u ons! Maar daar staat dan weer tegenover dat van dit album een zodanige menselijke warmte afstraalt, dat de begroeiing van onze armen er onder begeleiding van een weldadige tinteling regelmatig recht overeind ging van staan. Eén zo’n kippenvelmoment zijn bijvoorbeeld de woorden waarmee “Storms Are On The Ocean” wordt ingezet. “I’m going away to leave you love, I’m going away for awhile,” zingt June Carter Cash daarin. En als we haar wederhelft hierbij eens even niet bij haar zijde aantreffen, dan is dat naar alle waarschijnlijkheid omdat hij met een enorme krop in de keel langs de zijlijn zijn verdriet staat te verbijten en er gewoonweg geen noot meer uit krijgt. Want net zoals zijn eigen laatste plaat volop in het teken van een nakend afscheid leek te staan, zo wijst ook op “Wildwood Flower” werkelijk zo goed als alles in die richting: van de opener, een samen met haar man gebrachte versie van de classic “Keep On The Sunny Side”, tot fraaie vertolkingen van “The Road To Kaintuck”, “Kneeling Drunkard’s Plea”, “Sinking In The Lonesome Sea” en vooral ook “Will You Miss Me When I’m Gone?”. In dat laatste nummer horen we een echtgenoot zijn hele ziel en zaligheid blootleggen als hij met licht trillende stem zijn zieke vrouw vocaal ondersteunt. Een bijzonder pakkend moment is dat, waarbij je je als luisteraar bijna een voyeur voelt.

Hartverwarmend is het ook om te weten, dat Carter voor deze laatste plaat, voor dit afscheid zeg maar, zowat haar hele familie mee de studio in troonde. Het onderlijnt alleen nog maar meer wat voor een bijzonder iemand deze vrouw wel was. En het maakt van “Wildwood Flower” een heel speciaal muzikaal document. Eéntje dat er in onze collectie alvast voor heeft gezorgd dat June en Johnny voor eeuwig aan elkaars zijde zullen staan.

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

MATTHEW RYAN

“Regret Over The Wires”

(Hybrid)

(5) J J J J J

 

 

Succes hebben of niet, het is en blijft een wat vreemd en onvoorspelbaar gegeven. Zo zal het voor ons bijvoorbeeld steeds een groot raadsel blijven, waarom iemand als Ryan Adams wél een groot publiek aan te spreken vermag en een fenomenaal talent als Matthew Ryan (vooralsnog) niet. En dat terwijl die Matthew Ryan toch werkelijk over alle benodigde troeven lijkt te beschikken. Eerst en vooral is er die lekker gruizige stem natuurlijk, een weinig verwant aan die van voormalig Replacements-kopstuk Paul Westerberg. En dan die songs! Het gros van zijn schrijvende collega’s kan er alleen maar van dromen om materiaal van dit kaliber te pennen!

Pakkende melodieën en scherpzinnige teksten troef ook weer op zijn tot op heden zevende cd “Regret Over The Wires”, een plaat die radicaal lijkt te willen breken met alles wat eraan voorafging, in die zin dat ze in een volledige bandbezetting werd opgenomen. Ryan stapt dus grotendeels af van het zachtere (akoestische) imago dat hij zich sinds zijn tweede cd “East Autumn Grin” had aangemeten. In plaats daarvan krijgen we een voller, bij momenten stevig rockend geluid voorgeschoteld. En het moet gezegd: dat zit de man werkelijk als gegoten. Nummers als de opener “Return To Me”, een rockende versie van het al van één van z’n beide in eigen beheer uitgebrachte cd’s “Dissent From The Living Room” bekende “Little Things”, de werkelijk wonderschone ballade “Gorgeous Doll” of de kamerbrede rocksong “Skylight” behoren zondermeer tot het beste songmateriaal dat we dit jaar al voorgeschoteld kregen. En als in het nog volop naar country geurende “Nails” de singer-songwriter in Ryan nog eens even zijn gang mag gaan, dan denken wij al gauw in termen als lichtjes fantastisch en dergelijke. Als hij in dat nummer zingt “Still all I need is a little bit of luck, the kind that comes with a good haircut”, dan zou de goede man het wel eens bij het rechte eind kunnen hebben. Nochtans is dit het soort plaat waarop in sommige winkels -zonder daarbij ook maar enig risico te lopen- een “Niet goed, geld terug!”-stickertje  zou kunnen worden aangebracht. Grote klasse gewoon! En héél warm aanbevolen aan iedereen die het heeft voor rockende singer-songwriters.

www.matthewryanonline.com

www.hybridrecordings.com

 

 

THE CRUZEROS

“El Nino”

(Cruzaroo Music)

(4,5) J J J J J

 

 

Het begint stilaan op een trend in Americanaland te lijken om albums die in eerste instantie onder de radars van het grote publiek door vliegen een tweede of zelfs een derde kans te geven. Vaak is dat gewoon een kwestie van het vinden van een lokale verdeler natuurlijk. Heel wat platen die in de States of elders op de markt worden gebracht verschijnen hier pas veel later of zelfs helemaal niet, dat is algemeen geweten. En verdeelhuizen zijn niet altijd even attent en pikken een cd soms pas veel later op. Wat overigens geen kritiek hoeft te zijn, want zelfs mensen die zich toeleggen op de Americana-markt zullen lang niet alle goede artiesten opmerken, hoe goed hun bedoelingen ook.

En dan zijn we daar waar we moeten zijn als we het over het uit Kelowna in Canada afkomstige vijftal The Cruzeros willen hebben. Of over hun al in 2000 verschenen cd “El Nino” toch. Met dat tweede album won de groep in 2002 de prijs voor beste countryplaat van het jaar tijdens de uitreiking van de Canadian Independent Music Awards. En Fred Eaglesmith, zelf toch ook niet de minste, rekent de groep sedertdien tot zijn favoriete bands. Geen wonder dan ook, dat het album regelmatig opnieuw wordt opgepikt door enthousiastelingen die het pas later ontdekken. En dat lijkt momenteel opnieuw te gebeuren.

“El Nino” is een ronduit verbluffend Americana-album, waarop de Cruzeros een meer dan gezonde belangstelling etaleren voor alles wat met Texas en nog net iets zuidelijker gelegen streken te maken heeft. Van Tex-Mex tot pure country, van heerlijke ballads tot Americana, bluegrass of country rock, het gezelschap rond songschrijvend goudhaantje Barry Mathers draait nergens de hand voor om. In de openingstrack van het album, “This Old Road”, lijkt Steve Earle onder subtiele accordeonbegeleiding een tweede jeugd te beleven. En “Piece Of Stone” is een bijzonder aanstekelijk Tex-Mex niemendalletje dat volop geurt naar een hele warme zomer. “Going With Grace” herinnert een weinig aan de Mavericks: een bekoorlijke twangy ballad, waarin de schijnbaar eeuwig durende liefde van een koppel op jaren wordt gehuldigd. Terwijl “Tangled Up In You” duidelijk met een Texaanse swing feel in het achterhoofd aan papier werd toevertrouwd. Misschien wel het knapste nummer vinden wij “Close As It Gets To Goodbye”, dat met z’n typische Spaanse touch nog eens duidelijk op één van de stokpaardjes van de Cruzeros attent maakt. Maar ook de fraaie countryrocker “Roses And A Cross” (over de leegte in het bestaan van de weduwe van een dodelijk verkeersslachtoffer) en de volop tot meezingen uitnodigende country-afsluiter van de plaat “Beautiful What’s Her Name” zijn hier na zoveel jaren nog altijd goed voor een instemmend knikje. Het zou wat ons betreft dan ook heel verstandig zijn om deze plaat ook hier wat beter te verdelen, want veel sterker als dit worden ze echt niet veel gemaakt!

www.cruzeros.com

http://cdbaby.com/cd/cruzeros

 

 

JOHN GORKA

“Old Futures Gone”

(Red House)

(4) J J J J

 

 

Met de herfst zo stilaan weer in zicht zou je kunnen zeggen dat John Gorka goed en wel twee jaar na zijn laatste cd “The Company You Keep” weer precies op tijd uitpakt met een nieuwe plaat. Gorka’s mooie donkerbruine stem is immers zo ongeveer het perfecte vehikel om een soundtrack voor dat wat droefgeestige, maar vaak tegelijk ook ongemeen mooie jaargetijde aan op te hangen. Het warme dat in zekere zin afstraalt van een herfstlandschap kenmerkt ook de muziek van Gorka.

En “Old Futures Gone” (releasedatum: 23 september) is misschien zelfs wel zijn beste plaat tot op heden. In een productie van Rob Genadek slaagt Gorka er ditmaal in de perfecte muzikale match voor zijn stem te vinden. Dat hij daartoe liefst drie verschillende drummers en bassisten bezigde, is weliswaar opvallend, maar gezien het fraaie eindresultaat absoluut te rechtvaardigen. Evenals de aanwezigheid van zijn platenstalgenote Lucy Kaplansky en aanstormend talent Alice Peacock (Zie ook Ctrl. Alt. Country van maart van dit jaar!).

De sterke teksten van Gorka gedijen uitstekend in de aanstekelijke muzikale voedingsbodem die “Old Futures Gone” biedt. Vooral wanneer de man zijn kijk op de wereld van vandaag de dag etaleert levert dat erg knappe staaltjes van eigentijdse folk op. En dus kunnen we deze negende van Gorka ook alleen maar van harte aanbevelen. Het album zal hier de komende maanden alvast niet uit de buurt van de cd-wisselaar weg te slaan zijn…

www.johngorka.com

http://redhouserecords.com/

 

 

REBEKAH FLORENCE

“Rains In July”

(Under Stress Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Met “Rains In July” is de uit Los Angeles afkomstige alt. country chanteuse Rebekah Florence inmiddels aan haar vijfde cd toe. Drie van de voorgangers verschenen onder haar eigen naam. De vierde, een in 2001 onder de titel “It’s Nothing Serious” verschenen mini, liet ze op de wereld los onder de schuilnaam Patsy Whine. Florence draaide in het verleden immers haar hand niet om voor een humoristische noot meer of minder op haar albums. En precies daarin onderscheidt “Rains In July” zich van zijn voorgangers. Met haar laatste cd komt de in de States regelmatig met Lucinda Williams en Iris DeMent vergeleken zangeres wat ons betreft aardig dicht in de buurt van wat Eleni Mandell op “Country For True Lovers” deed. (Bekijk het hoesje trouwens ook maar eens even aandachtig…) En ook de jonge Maria McKee komt meer dan eens voorzichtig om het hoekje kijken. Het album staat propvol met uitstekende (alt.) country songs, waarin liefde en het gemis daaraan centraal staan. De twee op het eerste gezicht meest in het oog springende songs zijn een knappe vertolking van Lucinda Williams’ “I Just Wanted To See You So Bad” en het tot twangy ballad omgebouwde “The Air That I Breathe”, je wellicht vooral bekend in de uitvoering van de Hollies. Maar dat zijn zeker niet de beste songs op deze plaat! Daarvoor verwijzen we naar het van een heerlijk streepje fiddle voorziene openingsnummer “Ain’t It Home”, één van de mooiste country ballads die we dit jaar al te horen kregen, of naar de al even pakkende countryfolkdeun “I Just Feel Like Missing Him Today”, die net als flink wat andere nummers hier volop profiteert van het gedreven mandolinewerk van Tom Corbett. Andere highlights: de naar een verlaten bar tegen sluitingstijd geurende country van “Somebody Else’s Heartache” of “Come And Get Me” en de passionele schoonheid van het tweetal “Best At Breaking My Heart” en “For What You Haven’t Got”.

Laat de hier eerder genoemde namen je dus vooral héél nieuwsgierig maken, want deze plaat verdient het echt om gehoord te worden. En wij kunnen het ons nauwelijks voorstellen, dat je niet zal bezwijken voor de intense schoonheid ervan.

www.rebekahflorence.net

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28233&variation=&aitem=3&mitem=3

 

 

BRIAN JAY CLINE

“Quadraphonic Deluxe”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

“Quadraphonic Deluxe”, de vierde van de uit Las Vegas afkomstige singer-songwriter Brian Jay Cline, is een album met een zeer hoog eind jaren ’70 gehalte. Zijn roots pop mag wat ons betreft met recht en rede postvatten naast het werk dat Graham Parker, John Hiatt, Joe Jackson, Squeeze en Any Trouble in de nadagen van de eerste punkgolf afleverden. Lekker jengelende gitaren en vlotte songs die je zonder uitzondering een goed gevoel bezorgen. “One Way Street” bijvoorbeeld is een verkapte Motown shuffle, maar vooral ook een perfect popliedje. En opener”Everything Is Coming Up Roses” herinnert aan het beste van Graham Parker. En bij het slepende “Baby’s Got The Blues” moesten wij zelfs onwillekeurig even denken aan “Blind” van huisfavorieten The Replacements. Andere hoogtepunten zijn “World Gone Mad” dat de vrijblijvendheid van de Traveling Wilburys koppelt aan de pit van Michael Penn, het fraaie “Rock & Roll Heart”, dat niet zou misstaan hebben op het repertoire van Tom Petty, en het thematisch aan John Hiatts “Radio Girl” verwante “Radio Days”, waarin Cline beurtelings klinkt als de jonge Costello of Graham Parker.

Een heleboel namen zijn er ondertussen gevallen. Betekent dat, dat Cline niet bijster origineel bezig is? In géén geval! Dat betekent enkel, dat bij de muziek van deze man heel wat aangename muzikale herinneringen naar boven komen. “Quadraphonic Deluxe” is het soort plaat dat je helaas niet zo vaak meer hoort maken. Compromisloze, goed in het gehoor liggende roots pop troef gewoon!

www.brianjaycline.com

www.milesofmusic.com

www.notlame.com

www.jamrecordings.com

 

 

STEVE WEDEMEYER

“Disclose”

(Browntown Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Voor platen als deze eersteling van de uit Houston afkomstige jonge singer-songwriter Steve Wedemeyer werd het begrip Aha-Erlebnis uitgevonden. Al vanaf de eerste tonen van “Skeletons”, het openingsnummer van zijn debuut “Disclose”, voel je namelijk de behaaglijke warmte die van Wedemeyers muziek afstraalt en weet je meteen dat dit één van die platen is die je graag en vooral ook nog veel zal gaan beluisteren. In een productie van Jon Dee Graham versmelt de pas 23 jaar oude Wedemeyer zijn intimistische teksten met een aangenaam soort Americana / roots rock. Zelf beweert hij dat Lucinda Williams’ “Car Wheels On A Gravel Road” zijn kijk op muziek maken drastisch veranderd heeft. Geen wonder dan ook, dat muzikaal gezien precies die Williams, Steve Earle, Ryan Adams, Matthew Ryan en (omwille van de stemgelijkenis ook wel) Grant Lee Buffalo als referentiepunten naar voren geschoven zouden kunnen worden.

Geassisteerd door Mike Hardwick en Jon Dee Graham op tal van gitaren en George Reiff en Rafael Gayol op respectievelijk bas en drums is Steve Wedemeyer zo verantwoordelijk voor ons snoepje van de maand. Een ijzersterk debuut dat hier alvast een plaatsje gekregen heeft in de buurt van “Pneumonia” van Whiskeytown en het hoger geciteerde doorbraakalbum van Lucinda Williams. Héél warm aanbevolen!

www.wedemeyermusic.com

www.browntownrecords.com

 

 

DON RIGSBY

“The Midnight Call”

(Sugar Hill)

(3,5) J J J J

 

 

Ons is Don Rigsby vooral bekend dankzij zijn werk bij de Lonesome River Band. Maar we zouden de man ernstig tekortdoen door hem uitsluitend daarop vast te pinnen. Op zijn muzikaal c.v. prijken immers ook bijdragen tot de Bluegrass Cardinals, J.D. Crowe’s New South, Seldom Scene, Longview en Rock County. En met “The Midnight Call” is hij ondertussen ook alweer aan zijn derde solo-cd toe. Daarop staan de karakteristieke hoge stem van Rigsby zelf en zijn virtuoze mandolinespel centraal. En met mensen als Jeff White, Carl Jackson, Jim Hurst, Rob McCoury, Stuart Duncan, Vassar Clements en Randy Kohrs had hij alleszins ook voldoende top-pickers in de buurt om met een oerdegelijk bluegrass-album op de proppen te kunnen komen. Net als zijn neef Ricky Skaggs behoort Don Rigsby tot de categorie van artiesten die je niet gemakkelijk op een uitschuiver zal betrappen. En dat is ook hier niet het geval! En over Skaggs gesproken – wat hun beider stemmen betreft is er ook een zekere gelijkenis waarneembaar. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de prachtige ballad “Dying To Hold Her Again” (met de heerlijke lage tenor van Ronnie Bowman als vocaal tegengewicht voor de schrille zangpartijen van Rigsby zelf) of het openingsnummer van de cd, het van Jimmie Rodgers afgekeken “Those Gambler’s Blues”. Als echte uitschieters willen we dat tweetal evenwel niet bestempelen. Het zijn slechts twee van de mooie momenten op een cd die daar vol van staat. En als je het recente plaatwerk van Ricky Skaggs wel wist te appreciëren, dan durven we ook deze plaat met een gerust gemoed als jouw ding bestempelen.

http://www.sugarhillrecords.com/catalog/pagemaker.cgi?3958

 

 

DAMIEN RICE

“O”

(14th Floor Records / Warner Music)

(5) J J J J J

 

 

Het muzikale verhaal van Damien Rice is er één met een wat vreemde plot. Als een zich langzaam uitdijende olievlek in een plas water vindt ook de muziek van Rice maar heel langzaam steeds meer gehoor. En misschien is het maar beter zo ook. Laat deze man alstublieft vooral in alle rust zijn gang blijven gaan. “O” is immers zo’n plaat die echt alles in zich heeft om spontaan tot een klassieker uit te groeien. Net zoals bijvoorbeeld ook Jeff Buckley’s muziek dat kon.

In zijn thuishaven Ierland bleek het debuut van Rice zowat anderhalf jaar geleden al snel een waar succesverhaal. Op handen gedragen door de critici, bedolven onder de muziekprijzen en vooral ook goed voor platina dankzij de fenomenale verkoopcijfers van zijn eersteling mocht Rice daarna zijn pijlen ook op het buitenland richten. Zo ging Engeland deze zomer al uitgebreid plat voor de Ier en zijn nu zowel de States als het Europese vasteland aan de beurt. En dus ook België en Nederland - ten getuige daarvan was er bijvoorbeeld zijn doortocht op Pukkelpop enkele dagen geleden…

Rice is een fenomeen. Een akoestische gitaar en een streepje strijkers volstaan over het algemeen om zijn songs tot indringende meesterwerkjes helpen uit te bouwen. Die heerlijke, passionele stem van ‘m doet het hem. In haar eentje of aangevuld met de hemelse harmonieën van Lisa Hannigan. Het resultaat is van een verstilde pracht, waarbij opnieuw de naam Buckley of ook wel die van Nick Drake of Ron Sexsmith ons door het hoofd spoken. “O” is van een dusdanige diepgang, dat je al snel dreigt te vergeten dat het nog maar om het visitekaartje van Rice gaat. Nu eens balsemen de zielenroerselen van de man teder de ziel, dan weer haalt hij hoog en scherp uit en laat diepe voren in het gemoed van zijn luisteraar achter. Kippenvelmomenten genoeg hier!

Wellicht is de single “Volcano” je niet vreemd. En geef toe, dat dat een prachtsong is. Maar – in alle eer en geweten – dat is nog één van de minste nummers hier, als je daarvan al mag spreken tenminste. Ergens tussen pop, rock en folk heeft Rice duidelijk zijn eigen niche gevonden. Met muziek die zich niet gemakkelijk onder woorden laat brengen, dat zeker niet, maar die wél van een danig kaliber is, dat ze de herfst voor menigeen een stuk draaglijker zal maken. De bladeren mogen wat ons betreft hun jaarlijks afscheid alvast met een gerust gemoed beginnen voor te bereiden…

www.damienrice.com

 

 

NADINE

“Strange Seasons”

(Trampoline Records)

(4) J J J J

 

 

“Strange Seasons” is het vierde album van het uit St. Louis afkomstige vijftal met de wat absurde bandnaam Nadine. De plaat werd in een coproductie met Matt Pence (Centro-Matic, South San Gabriel) ingeblikt in de Echolab Studios in Denton, TX. en laat een geluid horen dat zich in vergelijking met het vroegere werk van de groep geleidelijk aan verwijdert van een typisch Americana-standpunt naar een meer rockgeoriënteerde invalshoek. Een bewuste keuze zo blijkt, want in een interview met de St. Louis Post-Dispatch eerder dit jaar liet zanger-gitarist Adam Reichmann zich ontvallen: “There’s something about Americana that sounds a little timid and we’re trying to break out of that.”

Precies door die meer open aanpak zou het wel eens kunnen, dat Nadine met “Strange Seasons” flink wat zieltjes voor zich gaat winnen. Het album bulkt immers van de melodieuze, nagenoeg perfecte rootspop/-rockliedjes, vaak opgehangen aan de wat aparte hoge stem van Reichmann. Opener “Friends & Lovers” is zo’n prachtig liedje over dat ene moment dat vrienden en minnaars vroeg of laat allemaal ervaren:

“This is the right time, this is the only time,

this is the right place, this is the only place,”

verwoordt het ermee gepaard gaande gevoel alvast perfect. En ook de eerste single van de plaat, “Different Kind Of Heartbreak”, mag wat ons betreft ook hier zo op de radio. Schitterende melodie, fraaie tekst en vooral ook die passionele zang weer – briljant gewoon! “Bad At Goodbyes” deed ons dan weer denken aan de Beatles of aan Crowded House. Maar dan wel in een rootspop setting! Vooral het verfijnde gitaarwerk is om van te smullen… Ook wat verderop in “Got A Feeling” en “Cold Chill” zit de geest van McCartney trouwens gevangen als in een fles. Al is het lang geleden, dat we diezelfde passie die hier wordt geëtaleerd bij de ex-Beatle hoorden. Na het beluisteren van “Poor Man’s Vacation” ga je al fluitend door het leven, ook dat is immers weer zomerse rootsrock van een erg radiovriendelijk kaliber. Enkel het afsluitende “Something’s Gotta Give” is wat ruiger dan de rest, zonder daardoor evenwel storend te gaan werken. Tenslotte ook nog even een speciale vermelding voor het fantastische “Better Off Now”. In dat nummer met een quasi a capella intro worden de pijn en het zoeken naar zichzelf na een stukgelopen relatie immers heel erg fraai verwoordt.

Met “Strange Seasons” heeft het zopas in Los Angeles door Pete Yorn, Marc Dauer (Jukebox Junkies, Five Easy Pieces) en Rami Jaffee (Wallflowers) opgestarte Trampoline Records alvast een eerste kanjer binnen. Dat er nog veel platen van dit kaliber mogen volgen!

www.nadinemusic.com

www.trampolinerecords.com

 

 

JOSH RITTER

“Hello Starling”

(Signature Sounds / Bertus)

(5) J J J J J

 

 

B-R-I-L-J-A-N-T !!!

Dat gezegd zijnde misschien toch ook maar een paar woordjes uitleg geven zeker? Josh Ritter is met “Hello Starling” aan zijn derde album toe. De jonge uit Idaho afkomstige singer-songwriter nam het geheel in februari van dit jaar in nauwelijks veertien dagen onder de vakkundige supervisie van de Ierse producer David Odlum (Frames, Gemma Hayes) in de Black Box Studios in La Dionnaie in La Douce France op. Het resultaat van dit korte, maar zeer arbeidsintensieve verblijf op het Europese vasteland is een plaat die verrassend persoonlijk en intimistisch overkomt. Ritter serveert hier elf liedjes die vergelijkingen met Leonard Cohen en de Bruce Springsteen van “Nebraska” oproepen. Dat wil zeggen vaak slechts zeer spaarzaam begeleid en met een licht klagende stem voorgedragen. Nogal wat songs draaien daarbij rond de liefde in al haar mogelijke facetten. Opener “Bright Smile” bijvoorbeeld is gewoon een lieflijk overkomend niemendalletje van een liefdesliedje. En het aansluitende “Kathleen” vertelt over een soulvol orgeltje het verhaal van een goede vriend die, verliefd als hij is, op een afstand wacht tot zijn vriendin van een feestje samen met hem naar huis wil terugkeren. Het regeltje “I won’t be your last dance just your last goodnight,” verwoordt op fraaie wijze het besef van de eigen vrij uitzichtloze situatie. Met “You Don’t Make It Easy, Babe” belanden we vervolgens in het braakland tussen Guy Clark en J.J. Cale – een akoestisch pareltje met als thema wederom een onbeantwoorde liefde. Gelukkig tonen “Man Burning”, een vlotte Americana popsong, en “Rainslicker”, het alweer volgende rustpuntje, ook de andere gezichten van de liefde. Je zou Ritter immers al vlug kunnen gaan verdenken van een wat al té fatalistische kijk op de zaak… “Wings” is vervolgens één van de mooiste nummers van de plaat. In onvervalste Leonard Cohen-stijl walst Ritter doorheen een story song over engelen. En als hij aan Anne, één van de twee hoofdpersonages van het verhaal, de volgende uitspraak ontlokt, krijgt hij je toch wel even heel erg stil:

“I wonder what will happen,

when they find out they’re mistaken

and the land is too changed

to ever change.”

Een ander hoogtepuntje is “Bone Of Song”, alweer zo’n verstild akoestisch moment over een onder een boom opgegraven bot als muze voor een liedje en een verder leven als singer-songwriter:

“…I care not for wealth or fame -

I’ll remember your song -

but I’ll forget your name.”

Afsluitend met een instrumentale flard “Auld Lang Syne” verduidelijkt Ritter nog even zijn droom om een tijdloos liedje te schrijven.

Tenslotte vermelden we ook nog even het aan Ryan Adams’ oeuvre verwante “Snow Is Gone”, het nummer waaraan het album z’n titel ontleende, het liefdesliedje “Baby That’s Not All”, dat wat ons betreft in dezelfde categorie thuishoort als Springsteens “I’m On Fire”, en “The Bad Actress”, één van de meest poppy songs op “Hello Starling” over een gefakete liefde.

Nee, “Golden Age Of Radio”, zijn vorige, was goed, maar wacht tot je dit gehoord hebt! Vijf sterren a.u.b. -de ene al meer verdiend dan de andere- en een quasi certitude voor ons eindejaarslijstje…

www.joshritter.com

www.signaturesounds.com

www.bertus.nl

 

 

BLUE RODEO

Palace Of Gold

(Rounder)

(3,5) J J J J

 

 

Met acht studio-albums in de knip, keurig verspreid over hun ondertussen ook alweer zestien jaar durende carrière, waarvan er zo’n slordige vier miljoen stuks van eigenaar verwisselden, en bovendien ook nog een stel soloplaten, een live-album en een greatest hits-compilatie om fier over te zijn, achtten de ongekroonde koningen van de Canadese alt. country scène de tijd rijp om het roer serieus om te gooien. “Palace Of Gold” is veruit Blue Rodeo’s gewaagdste worp tot op heden. Ver weg van de Canadiana waarmee ze zich in eigen land een serieuze status hebben verworven, blijkt het merendeel van de songs op hun jongste cd de Canadezen terug te voeren naar een ver muzikaal verleden. Met name de ballads lijken stevig in de late sixties – vroege seventies te wortelen. Sfeervolle nummers als “Bulletproof”, “Love Never Lies”, “Glad To Be Alive” of “Stage Door” zouden daardoor ook hier zo op de radio kunnen. En wat meer is, met stevige hitkansen ook…

Daar staat –wat ons betreft gelukkig maar- ook knappe aan het werk van pakweg een Elvis Costello verwante pop / rock tegenover. Het titelnummer is daar een uitstekend voorbeeld van. Zowel de stem als een werkelijk intrigerend orgeltje wijzen hier volop in die richting. En ook “Homeward Bound Angel” (met terloops ook een vette knipoog naar R.E.M.’s “Losing My Religion”) en “Walk Like You Don’t Mind” laten zich in dezelfde hoek situeren.

Eerder soulvol gaat het er dan weer aan toe in het knappe “Comet” (duidelijk merkbaar beïnvloed door Isaac Hayes), “What A Surprise” en “Clearer View” (denk de Foundations anno nu).

En een uitstekend idee blijken ook de 3 live bonus tracks bij het einde van deze schijf. “The Railroad”, “Bad Timing” en vooral ook het swingende “You’re Everywhere” illustreren immers perfect hoe goed dit gezelschap ook op een podium uit de voeten kan.

Al bij al een best wel lekkere plaat dus, maar als je ’t ons vraagt niet echt meer één die op deze pagina’s thuishoort.

www.bluerodeo.com

www.rounder.com

 

 

THE CASH BROTHERS

“A Brand New Night”

(Zoë / Rounder / CRS)

(3,5) J J J J

 

 

Nieuw plaatwerk van The Cash Brothers – meer moet dat niet zijn om ons met veel plezier weer even aan het recenseren te zetten. Hun vorige album “How Was Tomorrow” was namelijk één van de beste alt. country-collecties van het sowieso al bepaald niet misselijke muziekjaar 2001. Al snel moeten we echter vaststellen, dat Andrew en Peter Cash het over een toch wel enigszins andere boeg gooien op hun nieuwste, “A Brand New Night”. Hun songs hebben hier minstens zoveel gemeen met de voortbrengselen van een groep als de Wallflowers, als met de alt. country van acts als de Jayhawks of de (spijtig genoeg al weer lang vergeten) Delevantes. Er zijn nog steeds die razend knappe broederharmonieën in schitterende twangy songs als bijvoorbeeld “You’re It” (met die typische Traveling Wilburys feel) of ingetogen momenten als het op een intrigerend samenspel tussen stem, gitaar en piano gebaseerde “Tillsonburg” of “Forget About The Dust”. Maar er zijn als tegengewicht ook volop naar de hitlijsten lonkende (roots)pop-/rockdeunen als “Shadow Of Doubt”, “Sweet” of “Give Me Your Hips”. Daardoor wou het bij de eerste draaibeurten ook niet meteen tussen ons klikken. Maar de ervaring heeft geleerd, dat je een plaat vooral niet te snel mag veroordelen. En dat is hier nog maar eens duidelijk gebleken. Ondertussen belanden The Cash Brothers al weer steeds vaker in onze cd-wisselaar. En de nummers winnen nog steeds aan kracht bij, zo lijkt het. Laten we het dus maar houden op een groeiplaatje met een zeker commercieel potentieel…

www.cashbrothers.com

www.continental.nl

 

 

KRIS DELMHORST

“Songs For A Hurricane”

(Signature Sounds / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Kris Delmhorst is een uit Brooklyn afkomstige, maar dezer dagen in Cambridge residerende singer-songwriter die met “Songs For A Hurricane” al aan haar vierde cd toe is. Eerder verschenen al “Appetite” (1998), de EP “Oddlot” (2000) en “Five Stories” (2001) en met die platen groeide Delmhorst in folkkringen in en rond Boston uit tot een publiekslievelinge. En op basis van wat ze op deze vierde worp klaarmaakt is dat niet zo moeilijk te begrijpen ook. In een co-productie met Billy Conway levert Delmhorst immers een bijzonder sterke plaat af. Bekende gasten zijn daarop naast Conway zelf ook diens Morphine-collega Dana Colley, singer-songwriter Mark Erelli en multi-instrumentaliste Julie Wolf. Wat betreft de gitaarinvulling van haar songs veroorloofde Delmhorst zich een folietje. Ze koos uit diverse gegadigden voor elke song de gitarist waar het nummer zelf qua sfeer om vroeg.

Het resultaat zijn dertien fraaie modern folk songs, waarvan er twaalf van eigen hand blijken. Enkel de afsluitende cover van de traditional “Mingalay” is wat dat betreft een vreemde eend in de bijt. Al moeten we daar eerlijkheidshalve onmiddellijk aan toevoegen, dat het slepende nummer absoluut niet misstaat tussen het door Delmhorst zelf aangedragen materiaal. De gastvrouwe blinkt voortdurend uit met knappe staaltjes van woordacrobatiek. Zich vaak concentrerend op het (wel en) wee binnen een relatie spaart Delmhorst de poëtische roede bepaald niet. Zoals in het wulpse “Short Work” (met mooi accordeonwerk van Julie Wolf) waarin ze na afloop van een affaire ten overstaan van haar ex agressief berustend bekent:

“I don’t care ‘cause you made short work of a big dream.”

Of zoals het in “Wasted Word” zo fraai klinkt:

“I loved you til I couldn’t stand,

loved you til I couldn’t see,

then I loved you til I couldn’t find my way back to me.”

Muzikaal gezien terloops het resultaat benaderend van een ontmoeting tussen Daniel Lanois en Shawn Colvin.

“Come Home” is een heel ander paar mouwen: Delmhorst in haar dooie eentje old-timy uithalend op de banjo. En verkapt titelnummer “Hurricane” rockt zowaar flink, mede dankzij het voortreffelijke gitaarwerk van Kevin Barry. De twee mooiste liedjes uit het aanbod zijn wat ons betreft “Bobby Lee” en “Juice + June”. Het eerste van de twee is een opgewekt Americanadeuntje met een wat bitterzoete tekst over alweer een stukgelopen relatie. En het nummer “Juice + June” is van een even verleidelijke schoonheid als het betoverende moment dat twee weifelende verliefde mensen erin meemaken vlak voor hun overgave aan elkaar. Héél mooi! En dan hadden we het nog niet over het rootsrock-stampertje “East Of The Mountains”, waarin eens te meer de bezielde voordracht van Delmhorst in het oog springt, en de mooie Americanaliedjes “You’re No Train” en “Hummingbird”, waarin de zangeres ons beurtelings aan Mary Chapin Carpenter en Sam Brown herinnerde.

www.krisdelmhorst.com

www.signaturesounds.com

www.bertus.nl

 

 

FROG HOLLER

“Railings”

(Record Cellar)

(5) J J J J J

 

 

“Railings” is de vierde cd van Frog Holler en als er zoiets als gerechtigheid bestaat, dan groeit het zes man sterke gezelschap ermee uit tot de eerste echte alt. country / Americana supergroep. Hier draait immers alles nog om songs. En wat voor songs dan nog! Frog Holler grossiert in voornamelijk eerder broze melodieuze Americana. En als het tempo al eens een weinig de hoogte in gaat, dan is er altijd nog de melancholische stem van Darren Schlappich om de betrokken nummers toch steeds weer met een deken van weemoedigheid te blijven bedekken.

Openingsnummer “Unlock The Door” is er meteen al één waar je een moord voor zou begaan om het zelf geschreven te hebben – een zich majestueus voortslepend Americana-juweeltje van een kaliber waarvan je er niet al te vaak te horen krijgt. Behalve dan op de platen van Frog Holler! Hier geldt dit niveau zelfs zo ongeveer als de standaard voor alles wat nog volgen zal. Twaalf nummers lang kippenvel dus! Wij pikken er plichtshalve toch enkele persoonlijke favorieten tussen uit. Met wel onmiddellijk de bedenking erbij, dat het er morgen allicht al enkele andere zullen zijn… “Suit & Tie” is nog zo’n heerlijke sleper, waarin door Schlappich een uitgesproken mening over de rol van het slijk der aarde in alles wordt geventileerd. “What Went Down” dan weer is één van de vlottere tracks en valt op door z’n typische gypsy feel. Ook héél mooi is voorts het midtempo pareltje “Virginia”, waarin alles een aanvang neemt met het even simpele als prachtige zinnetje “I saw in Virginia, what she saw in me”. Of ook het hartverscheurend mooie drietal “Mine”, “God’s Children” en “Second Hand Smoke”. Steeds weer is er datzelfde heerlijke samenspel tussen de stem van Schlappich en de liefdevol gehanteerde instrumenten van de anderen - een combinatie die de songs een zodanige warmte doet uitstralen, dat het moeilijk wordt om er je niet onmiddellijk in te gaan koesteren.

Mocht het nog niet duidelijk zijn: dit is een kandidaat voor onze plaat van het jaar!

www.frogholler.com

www.record-cellar.com

 

 

PO’ GIRL

Po’ Girl”

(HighTone Records)

(4) J J J J

 

 

Het verhaal van Po’ Girl neemt een aanvang in de winter van 2000 in een huis in East Vancouver, waarin een alsmaar meer uitdijende gemeenschap van artiesten en muzikanten een onderkomen heeft gevonden. In deze bijzonder inspirerende omgeving ontmoet de net uit Montreal aangekomen Allison Russell (van Fear Of Drinking) Trish Klein (vooral bekend als één derde van de alt. folk sensatie The Be Good Tanyas). Beide dames kunnen het van meet af aan goed met elkaar vinden en besluiten, dat ze maar eens iets samen moesten gaan doen. Een beetje jazz spelen of zo. Als resultaat van die samenwerking ontstond Po’ Girl.

De eersteling van het tweetal laat zich stilistisch echter gezien niet zo gemakkelijk duiden. Jazz is weliswaar onomstotelijk één van de hoofdcomponenten van hun muziek, maar sporen van soul, rootsmuziek en country zijn eveneens onmiskenbaar aanwezig. In elk van de op hun debuut voorhanden zijnde liedjes wordt de geest van old-time deunen op hoogst merkwaardige wijze verweven met elementen uit vrijwel elk van deze genres. Zowel de heerlijke jazzy covers van Elizabeth Cottens “Gone In Pawn (Shake Sugaree)” of van de classic “Abilene”, als de tien originals plus bonus track baden in een sfeertje dat zich eigenlijk maar zeer moeilijk onder woorden laat brengen. Wat telkens weer opvalt zijn de subtiele soulvolle voordracht van Russell en het werkelijk adembenemende samenspel van de stemmen van beide dames. In het soulvolle “Bad Luck Day Baby” of het pakkende “Bleak St.” is het vooral Russell die het laken naar zich toe trekt. Ze koppelt de zeggingskracht van de jonge Tracy Chapman aan de warme gloed van Norah Jones. De rustige grootstadsfolk van “City Song” of het wat ons betreft mooiste nummer van de plaat, “Shameless”, zijn dan weer eerder gebaseerd op de knap contrasterende stemmen van het tweetal: enerzijds de doorleefde galm van Russell, anderzijds het wat iele stemgeluid van Klein. Héél fraai zijn verder ook de eigentijdse bluesdeun “Cold Hungry Blues”, waarin het meermaals lijkt alsof Michelle Shocked het hoekje om gluurt, “Backstairs Down”, één van de vlottere nummers van het geheel voortgestuwd door een orgeltje dat nog bij de Doors in de leer is geweest, en het beklijvende “What Sad Old Song?”. En dan willen we tenslotte ook nog even een speciale vermelding voor de verborgen bonus track inlassen. Wie voldoende geduld kan opbrengen om te wachten op deze verrassende toegift hoort Russell nog één keer verbluffend mooi uithalen. “Do you know what it means to miss New Orleans,” zingt ze in deze jazzy uitsmijter en als ze terloops stemgewijs ook nog even een trompet imiteert, valt nog maar eens op hoe goed ze eigenlijk wel is. Laat ons dan ook hopen, dat het niet bij deze eenmalige samenwerking tussen beide dames zal blijven.

www.pogirl.net

www.hightone.com

 

 

JOHN COINMAN

“This Place Ain’t What It Used To Be”

(CoraZong Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Als er al iets is, waar wij ons wel eens mateloos aan willen ergeren, dan is het wel het fenomeen dat artiesten die nauwelijks twee of drie albums in de winkelrekken hebben liggen het al nodig achten om de wereld te verblijden met een compilatie van hun beste werk. Een mooier bewijs van bloedarmoede kan je ons inziens als artiest niet leveren. Vaak betreft het gewoon de ultieme knieval voor de commercie… Een snelle duit verdienen op de kap van je fans zonder er ook daadwerkelijk voor aan de slag te moeten. Een verwerpelijke praktijk gewoon…

Maar zo nu en dan willen wij voor één zo’n album onverwacht toch wel eens een oogje dichtknijpen. Er blijken immers ook nog mensen te bestaan die op deze manier niet op (louter) winstbejag uit zijn. Neem nu iemand als John Coinman. Met zijn in 1997 verschenen debuut “Man Called Someone” en de opvolgers daarvan uit 1999 en 2002, “41 Crosses” en “River Of Fire”, wist de man zich in kennerskringen al lang op te werpen als een fel gekoesterde ruwe Americana-diamant. Jammer genoeg slaagde hij er met zijn muziek tot op heden niet in het publiek aan zich te binden dat hij eigenlijk al lang verdient. En dan wordt zo’n verzamelaar natuurlijk wel een interessant verschijnsel. Dankzij de inspanningen van het Nederlandse CoraZong Records is het beste van Coinman nu ook in de Lage Landen makkelijk (en op één enkele cd) verkrijgbaar. Op “This Place Ain’t What It Used To Be” werden 15 tracks van zijn 3 totnogtoe verschenen albums verzameld. En wat krijg je als je het beste van 3 prima platen bundelt? Domme vraag natuurlijk… een fenomenaal goede collectie! Coinman schrijft namelijk het soort van rootsy liedjes waar je bij elke beluistering een beetje meer gaat van houden. Dat doet hij beurtelings alleen of in het gezelschap van schoon volk als bijvoorbeeld een James Intveld of een Troy Olsen. Met de eerste van die twee schreef hij bijvoorbeeld het melancholische titelnummer “This Place Ain’t What It Used To Be” (over de gevolgen van een stukgelopen relatie) en het soulvol rondhuppelende tweetal “All The Way To Memphis” en “Have Faith”. Met Olsen pende hij dan weer de volop naar Mexico geurende border song “Barrio Girl”. Andere hoogtepunten zijn wat ons betreft het van de cd “41 Crosses” geplukte rootsrockertje “Elvis In The Rain”, de desolate pracht van het verstilde “I’m James Dean”, de fraaie ballad “The Man Called Someone” en het zondermeer aan het beste van Joe Ely herinnerende “41 Crosses”.

Mocht je de man nog niet kennen, dan kunnen we je maar één goede raad geven. Zo snel mogelijk naar de platenboer! Je zal het je niet berouwen…

www.johncoinman.com

www.corazong.com

 

 

JASON McNIFF

“Nobody’s Son”

(Snowstorm Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Het zou ons in het geheel niet verbazen mocht Jason McNiff in het kielzog van Peter Bruntnell weldra uitgroeien tot één van de allereerste Britse Americana-helden ooit. Wat de man op “Nobody’s Son” laat horen is immers van uitzonderlijk grote klasse. Vergelijkingen met de jonge Dylan zijn werkelijk heel erg voor de hand liggend. De stem van McNiff is daar allicht niet vreemd aan. Maar ook zijn songs rechtvaardigen deze referentie volkomen. De warme gloed die afstraalt van liedjes als “Outta Here” of het werkelijk hartverscheurend mooie “I Remember You” spreken wat dat betreft boekdelen. Als de Engelse radiomakers de eerstkomende weken hun werk doen zoals het hoort, dan groeien deze twee nummers gegarandeerd uit tot klassiekers. McNiff kreeg bij het maken van deze cd hulp van leden van Grand Drive en Hank Dogs. Samen gaan ze voor een geluid dat zowel in Americana- en alt. country-kringen, alsook in folk- en indiemiddens op de nodige bijval moet kunnen rekenen. Door zijn overwegend rustige karakter zou “Nobody’s Son” zelfs bij een nog ruimer publiek een kans moeten maken.

Zwaar verslavend materiaal!

www.snowstormrecords.com

 

 

TROPHY HUSBANDS

“Walk With Evil”

(Hayden’s Ferry Records)

(3) J J J

 

 

Op hun tweede cd “Walk With Evil” wisselen de uit Arizona afkomstige Trophy Husbands puike country- en rockabillymomenten af met gespierde bluesy southern rockescapades. En da’s vragen om moeilijkheden natuurlijk. Daardoor gaat het geheel immers een wat onsamenhangende indruk maken en loop je het risico in plaats van iedereen gelukkig te houden juist iedereen voor het hoofd te stoten. Temeer omdat de sfeer op deze plaat daardoor varieert van donker en bezwerend -een beetje angstaanjagend zelfs- tot behoorlijk opgeruimd.

Vooral in dat laatste soort nummers zoals de typische bar room country song “Burnin’ The Candle” (waarin zanger Dave Insley klinkt als een C&W-uitvoering van Stan Ridgway) en het meteen daaropvolgende “Educated Mamma” (waarvoor de jonge Cash geposeerd zou kunnen hebben) klinken de Husbands werkelijk uitstekend. Outlaw country is hun terrein, zoveel is wel duidelijk. Dé vraag is dan ook een beetje waarom ze zich zonodig aan grimmige country noir of rock als “Walk With Evil”, “Hypnotized” of “There Ya Go” willen wagen. In “Piss On Your Grave” lijkt het wel alsof je je op de set van “From Dusk Til Dawn” bevindt – met die prent deelt dat nummer alvast een gelijkaardig wat weird griezelig aandoend sfeertje.

’t Is dus een beetje hinken op twee gedachten en dat is voor een plaat als deze niet altijd even bevorderlijk. En toch krijgen de Trophy Husbands van ons opnieuw het voordeel van de twijfel. Wij gaan er immers van uit, dat dit live wel tot een lekker vette kluif kan uitgroeien…

www.trophyhusbands.net

www.haydensferry.com

 

 

PETER DAWSON BAND

“Coupland Live”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Wat naambekendheid betreft staat de 24-jarige Peter Dawson in de Lage Landen nog zo goed als nergens. Maar als het van ons afhangt, dan zal daar binnen de kortste keren verandering in komen. Van bij zijn debuutsingle “Willie Nelson For President” koesteren wij namelijk al een warme sympathie voor deze knaap. Dat nummer van zijn debuutalbum “Do You Don’t Or Do You Do” was een behoorlijke hit in Texas en haalde zelfs de Billboard country charts. Het liet een zelfverzekerde jonge muzikant horen, die in het Texas van vandaag absoluut een prominente muzikale rol moet kunnen spelen. Net als z’n buddy Jason Boland, een Jack Ingram, een Cory Morrow, een Pat Green of een Charlie Robison beschikt hij immers over een lekker ruwe stem, waarmee hij zijn moderne Texaanse honky tonk stuff op overtuigende wijze aan de man brengt.

Zijn tweede cd is meteen een live-album. Het zoveelste dat ons vanuit Texas bereikt de jongste weken… “Coupland Live” werd -zoals de titel al laat vermoeden- opgenomen in de Coupland Dancehall in Coupland, TX op 18 januari van dit jaar. De plaat telt naast “Willie Nelson For President” nog twaalf andere tracks, waarvan Dawson het leeuwendeel zelf schreef. Enkel het fraaie “Clay Pigeons”, dat hij ontleende aan het oeuvre van wijlen Blaze Foley, het al even aandoenlijke “No More Lies”, waarvoor Jason Boland tekende, en “Restless Spirits” van Bob Childers zijn vreemde eenden in de bijt. Daar waar het de auteurs ervan betreft toch. Muzikaal gezien past Dawson de nummers namelijk perfect in het geheel in. Tot groot jolijt van het aanwezige publiek. Wij gaan er dan ook van uit dat de Peter Dawson Band binnen de kortste keren zal uitgroeien tot een vaste waarde binnen het Texaanse clubcircuit en dat rootsmuziekliefhebbers waar ook ter wereld het nodige plezier zullen beleven aan zijn albums. Nummers als de ingetogen eerste single “Crazy About You (Elizabeth’s Song)”, het spetterende “Blacktop Highway” en het misschien wel mooiste nummer van de plaat “It Ain’t Texas” laten zich namelijk al na één enkele draaibeurt niet meer uit je hoofd bannen. Way to go, Peter!

www.peterdawsonband.com

 

 

MARSHALL CRENSHAW

“What’s In The Bag?”

(Razor & Tie / Evangeline)

(3,5) J J J J

 

 

Voor al wie er ooit aan getwijfeld mocht hebben – hij kan het nog steeds, Marshall Crenshaw! Sinds zijn titelloze debuut in 1982 heeft de man al een indrukwekkende reeks albums van consistente kwaliteit afgeleverd. Marshall Crenshaw verstaat als geen ander de kunst om een pakkend rootspopnummer in mekaar te draaien. Denk bijvoorbeeld maar eens aan memorabele songs als “You’re My Favorite Waste Of Time” (vooral bekend in de uitvoeringen van Owen Paul en Bette Midler), “Someday, Someway”, “Whenever You’re On My Mind”, “Someplace Where Love Can’t Find Me” of “I’m Sorry (But So Is Brenda Lee)”. Zegt je niets? Dan wordt het hoog tijd, dat je de struisvogelhouding verlaat en je naar de betere platenzaak begeeft om er met Crenshaws werk gaan kennis te maken. Veel beter zal je ze namelijk niet gemakkelijk vinden…

Met “What’s In The Bag?” is de man ondertussen aan zijn dertiende cd toe -als we een compilatie en enkele live-albums meerekenen toch. En ook daarop tovert Marshall Crenshaw als vanouds weer behoorlijk wat knappe momenten uit de hoge hoed te voorschijn. Opener “Will We Ever?” is er meteen zo eentje. Crenshaws stem zoekt daarin de behaaglijke warmte van de zacht huilende steelgitaar van Greg Leisz op. En ook het aansluitende “Where Home Used To Be” is een schoolvoorbeeld van ingetogen rootspop. Mede dankzij het cellowerk van Jane Scarpantanio gingen wij onwillekeurig aan Crowded House denken. Een Crenshaw van een heel goed jaar dus… Leuk zondermeer is vervolgens Crenshaws twangy kijk op “Take Me With You” van Prince met onder andere Steve Earle’s vaste gitarist Eric ‘Roscoe’ Ambel op dulcitar. Het absolute hoogtepunt van de plaat is voor ons evenwel “The Spell Is Broken”, een droom van een rootspopsong die zo op Crenshaws volgende “Best Of” kan. En met een geslaagde cover van het uit de catalogus van Bootsy Collins en George Clinton geplukte “I’d Rather Be With You” en de twangy instrumentale afsluiter “AKA ‘A Big Heavy Dog’” telt het geheel nog minimaal twee verdere lappen zomers radioplezier.

Of Crenshaw hier veel nieuwe fans mee zal winnen valt te betwijfelen, maar verliezen zal hij er zeker ook geen mee. De vraag uit de titel kunnen we immers beantwoorden met “Lekker ouderwetse kwaliteit!”.

http://www.marshallcrenshaw.com

www.evangeline.co.uk

 

 

SCOTT GIBSON

“Make Ready”

(Hayden’s Ferry records)

(4) J J J J

 

 

Tien jaar lang hing hij rond in clubs in en rond Austin. Hij kwam er al bassend aan de kost. Na een job voor James McMurtry besloot hij echter om het roer in zijn leven drastisch om te gooien en zich ook zelf te gaan toeleggen op het schrijven van wat hij “eerlijke songs” noemt. Jarenlang deed hij weinig met zijn eigen materiaal. Tot op heden verscheen van de man enkel het acht songs tellende album “Live Session”. Nu lijkt het moment van de waarheid echter aangebroken voor de ranke Texaan. Met zijn debuut voor Hayden’s Ferry Records, “Make Ready”, laat Scott Gibson alvast een uitstekende indruk achter. Vergezeld van een keure aan topmuzikanten uit Austin en omstreken toont hij hier over gigantisch veel talent te beschikken. Chris Gage (Jimmie Dale Gilmore, Flatlanders), Robbie Gjersoe (Flatlanders, Hal Ketchum, Robbie Fulks, Jimmie Dale Gilmore), David Abeyta (Reckless Kelly), Paul LeMond (Paul LeMond Band), Rafael Gayol (Kelly Willis, Joe Ely, Robert Earl Keen) en producer Mac McNabb (Soul Hat, Michael Fracasso, Trish Murphy) zorgden voor de ideale omstandigheden – Gibbons songs en vocale charme doen de rest.

Van bij de opener, het door rinkelende gitaren gedragen en van positivisme overlopende “I Believe” is het meteen goed raak! En het aansluitende titelnummer is al even aanstekelijk. Bij “Make Ready” gingen wij zelfs al even aan Rodney Crowell en Johnny Cash denken. En dan is er het heerlijke rustpuntje “Put Away The Blues” met zalig dobrowerk van Gjersoe en fraaie accordeonondersteuning door Chris Gage. Een eerste serieuze indicatie van het niveau waartoe Gibson in staat is. Heerlijk gewoon! En dat geldt zeker ook voor één van ’s mans persoonlijke favorieten, “Hand It Over” -een schoolvoorbeeld van hoe rootsmuziek anno nu kan klinken, als je ’t maar hard genoeg wil…-, en het prachtige over het Texaanse muziekleven handelende “Ballad Of The Balladeer (Saturday Night)”.

Heel andere koek -maar wel minstens even goed- is de zwierige eerste single “Sunday Social”, een ongemeen aanstekelijke countrydeun overgoten met die o zo karakteristieke southern feel. En ook het ten volle van het schitterende national guitar-werk van Rob Gjersoe profiterende “Kripalu” en het verstilde sluitstuk van de plaat “The Hardest Part Of Hurtin’ (Is The Hope)” zijn buitengewoon knappe Americanasongs. Nogal wat lovende termen in deze recensie… En die vertellen met z’n allen eigenlijk het hele verhaal: “Make Ready” van Scott Gibson is een kanjer van een singer-songwriter-plaat van een uiterst getalenteerde nieuwkomer!

www.scottgibsonmusic.com

www.haydensferry.com

 

 

MY MORNING JACKET

“It Still Moves”

(ATO Records / RCA Records)

(5) J J J J J

 

 

Sedert onze eerste kennismaking met My Morning Jacket aan de hand van de debuut-cd van het viertal uit Louisville, Kentucky, “The Tennessee Fire”, bloeit er al zoiets als een mooie romance tussen ons… Het muzikale universum van singer-songwriter Jim James en de zijnen is er dan ook één uit de duizend. Met een stem waarin Neil Young, Gram Parsons en Radioheads Thom Yorke een keurig verdeeld aantal aandelen lijken te bezitten kan de man verbluffend hoog en emotioneel uithalen. Als je ooit ziek van de melancholie in een hoekje hebt zitten wegkwijnen, dan weet je welk gevoel deze muziek bij momenten in de maagstreek veroorzaakt. Dat gevoel is het immers dat James regelmatig perfect verklankt. Voeg daar het karakteristieke –op een wat zonderlinge manier soulvolle- van reverb doortrokken geluid van de band en de heerlijke harmonieën aan toe en je bekomt een ronduit verbluffend fraai alt. country-geluid.

“It Still Moves” heeft dan ook echt alles om te gaan lopen als een trein. In de fraaie opener “Malpertah” bijvoorbeeld –en later ook in “Rollin’ Back”- lijken de Beach Boys wel op het alt. country- of Americana-pad, zo zomers voelt dat nummer aan… En ook van het wat meer ingetogen, op een aan Springsteens “I’m On Fire” geïnspireerd patroon voortkabbelende “Golden” krijg je meteen een lekker warm gevoel van binnen. Ook dat is een naar My Morning Jacket-normen heel erg toegankelijk nummer.

Vintage My Morning Jacket zijn deunen als het erg naar Neil Young neigende “Masterplan”, het van een zeer fraai gitaar-bas-duel in de intro voorziene “One Big Holiday”, het ijselijk mooie, langzaam maar zeker openbloeiende “I Will Sing You Songs” en het verstilde sluitstuk van de plaat “One In The Same”. “Easy Morning Rebel” dan weer is nu al bijna klassieke rock, waarin de werelden van onze protagonisten en die van de Doors met goed gevolg frontaal met elkaar in aanraking komen. En in “Just One Thing” worden we gelijk weer betoverd door die bevreemdend mooie harmonieën.

Eigenlijk best wel jammer, dat de release van deze plaat pas aan het eind van de zomer voorzien is. Hier had je gegarandeerd wel wat warme avonden mee om gekregen… Heerlijke plaat gewoon!

(Mooie liefdesliedjes duren dus soms toch lang…)

www.mymorningjacket.com

www.atorecords.com

www.rcarecords.com

 

 

BEN ATKINS

“Mabelle”

(HighTone / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

 

De naam Ben Atkins mag in vette rode letters aan je lijstje met verplicht aan te schaffen releases worden toegevoegd, als je net als wij houdt van singer-songwriters van het kaliber van een Steve Earle, een Robert Earl Keen, een Jack Ingram of een Bruce Robison. Atkins heeft met zijn tweede cd “Mabelle” –zijn eerste voor het HighTone label- immers een album afgeleverd waarover nog veel gepraat zal worden. In een productie van Kym Warner, die al uitgebreid zijn sporen verdiende in de entourage van Kasey Chambers, en ingespeeld met de crême de la crême van Austins sessiemuzikanten (Lloyd Maines, Paul Pearcy, Joel Guzman, Eamon McLoughlin, enz.) groeit “Mabelle” uit tot een schoolvoorbeeld van hoe een singer-songwriterplaat uit Texas anno nu hoort te klinken. Shuffles, two-steps, ballades, swingnummertjes en countryrockertjes vormen het ideale vehikel voor Atkins’ lekkere hese stem en zijn heerlijke songs over het leven van alledag in de Lone Star State. Titelnummer en openingstrack “Mabelle” is daar al meteen een fraai voorbeeld van. Dat nummer lijkt zo weggelopen van één van de vroege albums van Steve Earle en dat zegt wat ons betreft zeer veel over de kwaliteit ervan. “Lost Hard Bible” is vervolgens de enige cover op de cd – voor deze vinnige rocker ging Atkins in de leen bij de Australische alt. country-diva Kasey Chambers. En in het ingetogen, licht countryeske “I’m To Blame” zitten sporen van de beste Reckless Kelly. Je zou zo stilaan de indruk kunnen krijgen dat het allemaal niet bijster origineel is wat Atkins te bieden heeft, maar niks is minder waar! Namedropping helpt hier enkel beklemtonen hoe goed deze kerel wel is! Als in “I’ll Come Around” een wat prominentere rol wordt toegekend aan het voorhanden zijnde akoestische instrumentarium (zoals de mandoline en de banjo), groeit dat nummer spelenderwijs uit tot één van de vele absolute hoogtepunten van deze plaat. Ook “Another Time And Place” waarin Atkins vertelt hoe een grootoom van ‘m op 17-jarige leeftijd op D-Day in Normandië landde is er zo één. Of “Every Time You Turn Around” waarin het hoofdpersonage zijn vervelende plattelandsleventje inruilt voor een bestaan in de grote stad om al na een paar jaar terug te keren en met hangende pootjes te moeten toegeven hoe goed het leven in z’n vroegere thuishaven eigenlijk wel is. En dan hadden we het nog niet over “I Don’t Want To Hide”, het soort nummer dat Bruce Robison, Jack Ingram en Rod Picott plegen te schrijven. Of over de wilde bluegrass van “Milo Johnson”.

Dit is er weer één voor ons eindejaarslijstje – zeker weten!

www.benatkinsband.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

 

Opgelet!!!!! Voortaan recycleren we onze eerdere besprekingen in een archief!!!!!

Klik hier voor de recensies van de maand augustus.